CConstaterende datTytsjerksteradiel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - ROB Park Fônejacht Garyp BOPA

RAAD IEPEN POADIUM (RAADZAAL) 4 september 2025, gemeente TytsjerksteradielBij agendapunt: BOPA Park Fônejacht (ynhâldllik)23.631 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het park wordt verder benut als Rustpunt voor bezoekers die de regio te voet of met de fiets verkennen. Verder sluit het project aan bij het principe van 'omgevingskwaliteit als ontwerpbasis'. Dit betekent dat nieuwe ontwikkelingen voortbouwen op bestaande omgevingskwaliteiten. Park Fônejacht kenmerkt zich als een intiem natuur- en cultuurpark met diverse wandel- en kuierpaden, petgaten en andere waterpartijen met eigen waterpeilbeheer, verrassende doorzichten en ruimte voor kunstobjecten. Park Fônejacht is een plek voor privacy, voor extensieve recreatie en cultuurervaring. Het initiatief draait voor cursisten en rustzoekende recreanten naast natuurparkbeleving om 'opladen, leren, inspireren, reflectie en introspectie'. Inhoudelijk past het initiatief dan ook bij de omgevingskwaliteiten van het park. Ook landschappelijk wordt aangesloten bij de

31/415

omgevingskwaliteiten. De gebouwen worden opgezet in natuurlijke materialen en kleuren die passen bij de omgeving, zodat ze het landschapspark verfraaien. De lodges worden geclusterd in het park geplaatst en landschappelijk ingepast (verscholen). Ook sluit het project aan bij het principe van 'koppelen van ambities'. Plannen en projecten dragen bij aan meerdere ambities. Dit kan door opgaven met elkaar te verweven, slimme combinaties te maken en koppelkansen te benutten. Het voornemen sluit aan bij de ambitie van de provincie om het aantal toeristisch-recreatieve overnachtingen te vergroten. Daarnaast wil de initiatiefnemer de productie en opslag van energie en het dynamisch waterpeilbeheer zelfvoorzienend laten zijn. In die zin sluit het voornemen aan bij de circulaire ambitie van zowel de provincie als gemeente en het vraagstuk van energietransitie. Ook zorgt de openstelling van het park voor gasten ervoor dat er extensieve natuurbeleving aan de regio wordt toegevoegd. Tot slot draagt het park bij aan de biodiversiteit. Het park bestaat uit uitsluitend inheemse bomen, struiken en vijvervegetatie en wordt zonder bestrijdingsmiddelen en bemesting extensief beheerd. Het park herbergt diverse soorten planten en dieren. Tot slot sluit het project aan bij het principe van 'gezondheid en veilig'.

Gezondheid is onderdeel van het totaalconcept, met name in de vorm van mentale gezondheid. Niet alleen zijn mental wellnessgroepen een kansrijke potentiële doelgroep, ook is bewezen dat natuur, kunst en cultuur voor een betere mentale gezondheid zorgen. Daarnaast wordt met het Rustpunt aangesloten op de recreatieve routestructuur van de regio, onder andere op het landelijk fietspadenknooppunt nummer 34. Dit biedt een extra voorziening voor de inwoners. Park Fônejacht bevordert op deze manier lichamelijke beweging en dus de gezondheid voor de gasten en inwoners. Samenwerkingsprincipes Het project sluit aan bij het principe van 'slimme groei van de gastvrijheidseconomie'. De provincie zet in op slimme groei van de gastvrijheidseconomie in Fryslân. Circulaire economie is hierbij een belangrijk uitgangspunt. Ook wil de provincie het cultuurtoerisme stimuleren: het verhaal van Fryslân delen met bezoekers. Dat betekent kiezen voor kwaliteit. Met het project wordt niet alleen ingezet op meer bezoekers en overnachtingen, maar op het bijdragen van toerisme aan de brede welvaart. Heel Fryslân moet profijt hebben van toerisme. Conclusie Het project sluit aan bij de inhoudelijke principes van 'zuinig ruimtegebruik', 'omgevingskwaliteit als ontwerpbasis', 'koppelen van ambities' en 'gezondheid en veilig'.

Daarnaast sluit het voornemen aan bij het samenwerkingsprincipe 'slimme groei van de gastvrijheidseconomie'. Zodoende is het voornemen in overeenstemming met de Omgevingsvisie. 4.2.2 Omgevingsverordening Fryslân 2022 Op 22 september 2022 is de omgevingsverordening Fryslân vastgesteld. Tegelijk met de Omgevingswet is de Omgevingsverordening Fryslân 2022 op 1 januari 2024 in werking getreden. Deze Verordening sluit aan op de ambities en opgaven uit de Omgevingsvisie van de provincie Fryslân De romte diele. De inhoudelijke principes sluiten aan bij de principes uit de Verordening Romte Fryslân 2014.

32/415

Instructieregel: omgevingskwaliteiten als basis Artikel 2, lid 1 bepaalt dat in een omgevingsplan wordt aangegeven op welke wijze het plan rekening houdt met de (eventuele) aanwezige archeologische waarden. In paragraaf 5.15 is aan de hand van archeologisch bureauonderzoek aangetoond dat het de voorkeur heeft om de ontwikkeling te laten plaatsvinden in de zones met een lage archeologische verwachting. Steunpunt Monumentenzorg Fryslân adviseert om de ingrepen te beperken tot de groene zones op de advieskaart. De gemeente zal een besluit nemen over eventuele vervolgstappen ten aanzien van eventueel aanwezige arcehologische waarden binnen het projectgebied. Instructieregel: zuinig en meervoudig ruimtegebruik Artikel 2.3, lid 1 geeft regels over het bundelen van stedelijke functies in stedelijk gebied. Een omgevingsplan dat voorziet in nieuwe functies buiten het bestaand stedelijk gebied bevat voor die functies een onderbouwing van het principe van zuinig en meervoudig ruimtegebruik. In paragraaf 5.1 is aan de hand van het door ZKA Strategy uitgevoerde onderzoek aangetoond dat behoefte is aan de ontwikkeling.

Instructieregel: koppelen en verbinden Artikel 2.4 bepaalt dat een omgevingsplan dat voorziet in nieuwe functies buiten het bestaand stedelijk gebied, voor die functies een onderbouwing geeft van de wijze waarop nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden in het plan bijdragen aan een of meerde opgaven voor de leefomgeving, zoals energietransitie, klimaatadaptatie, klimaatneutraal, circulaire economie, werkgelegenheid of het versterken van de biodiversiteit, door het maken van slimme combinaties en het benutten van koppelkansen. Het project draagt ten eerste bij aan de klimaatadaptatie, omdat in het park veel aandacht is voor water en groen. Het park bestaat uit 5 ha waterpartijen, 5 ha bosschages en 5 ha weides. Doordat de verharding in het projectgebied met circa 3.500 m2 toeneemt, zal deze verhardingen worden gecompenseerd door middel van het verbreden van een van de waterpartijen. Uit het ZKA-rapport volgt dat bij de ontwikkeling wordt ingezet op natuurbehoud door het vergroten van de biodiversiteit en eigen peilbeheer. Het park bestaat uit uitsluitend inheemse bomen, struiken en vijvervegetatie en wordt zonder bestrijdingsmiddelen en bemesting extensief beheerd. Het park herbergt diverse soorten planten en dieren. Om deze redenen zal de draagkracht van de natuur niet overschreden worden, maar wellicht zelfs worden vergroot. Verder is de ontwikkeling klimaatneutraal.

De lodges zijn ecologisch, zoveel mogelijk circulair en modulair gebouwd en verplaatsbaar. Hierdoor kunnen zij op termijn worden vervangen. De voorzieningen in het projectgebied zijn bij voorkeur zelfvoorzienend, waarbij energie kan worden geproduceerd en opgeslagen. Hiervoor moeten de huidige wind- en watermolen en waterpomp worden vervangen door een kleine windturbine. De lodges en de groepsaccommodatie worden circulair gebouwd. De mogelijkheid van het gebruikmaken van kleine accu's in de lodges en groepsaccommodatie wordt onderzocht. Bij het aanleggen van de parkeerplaats wordt de grond halfverhard in de vorm van graskeien, zodat het groene karakter van het gebied behouden blijft. De ontwikkeling draagt in zekere mate bij aan de werkgelegenheid, omdat het noodzakelijk is dat op het park een beheerder te allen tijde aanwezig is die zorg en assistentie kan verlenen en bovendien bekend is met het 15 hectare grote terrein. Tenslotte draagt de ontwikkeling bij aan een circulaire economie. Uit het ZKA-rapport volgt dat het toevoegen van een recreatieve functie aan Park Fônejacht de draagkacht onder lokale voorzieningen (zoals retail en cultuur) in de omgeving zal vergroten. Zo profiteren lokale ondernemers ook van het initiatief.

33/415

Instructieregel: gezond en veilig Op grond van artikel 2.5, lid 1 bevat een omgevingsplan dat voorziet in nieuwe functies een onderbouwing van de wijze waarop effecten op de gezondheid en veiligheid zijn meegewogen in het plan. In paragraaf 5.11 is aan de hand van een beschouwing van Antea aangetoond dat ten aanzien van omgevingsveiligheid aandacht kan worden besteed aan het opstellen van een meerzijdig vluchtplan. Met het aanbrengen van halfverharde toegangsroutes voor hulpdiensten en de aanwezige goed toegankelijke waterpartijen, is blusvoorziening binnen een afstand van 100 meter te garanderen. Bij het uitwerken van een project zal de Veiligheidsregio vanuit haar adviesrol worden betrokken. In de paragrafen 2.2, 4.2.1 en 4.4.1 is verder onderbouwd waarom de ontwikkeling bijdraagt aan het verbeteren van de mentale gezondheid van bezoekers. De ontwikkeling vindt daarnaast plaats in een groene omgeving, waardoor de ontwikkeling een positief effect kan hebben op de fysieke gezondheid van bezoekers. Op grond van artikel 2.5, lid 2 bevat een omgevingsplan, zo nodig, een onderbouwing van de wijze waarop het plan rekening houdt met het risico op wateroverlast of op overstroming vanuit de Friese boezem, ook gezien vanuit de mogelijkheid van falen van regionale waterkeringen.

In het projectgebied is 5 hectare aan waterpartijen aanwezig, waardoor meer dan voldoende ruimte is om wateroverlast of overstromingen op te vangen. Om te zorgen voor voldoende drooglegging van de lodges bestaat het voornemen om het vloerpeil van de lodges omhoog te brengen naar circa 0,5 tot 1,5 meter NAP. Na overleg met FaunaX is het oordeel dat het verlandingsgebied op 1,5 à 2 m boven oeverpeil op palen plaatsen van lodges de meest gunstige bouwwijze is, wegens maximaal toelaten van zon/licht op oever en onderwatervegetatie. Dit is nader onderbouwd in paragraaf 5.17. Instructieregel: afwijking voor bijzondere nieuwe recreatieve voorzieningen Op grond van artikel 2.16 kan in afwijking van de artikelen 2.14 en 2.15 in een omgevingsplan een nieuwe recreatieve voorziening worden toegestaan, mits: a. een onderzoek heeft plaatsgevonden, waaruit blijkt dat de voorziening positief kan bijdragen aan een Gastvrij Fryslân door het bevorderen van een prettige en gezonde woon- en leefomgeving, het behoud en ontwikkeling van natuur en cultuurerfgoed, of het creëren van toekomstbestendige banen; b. de ontwikkeling een bijdrage levert aan andere opgaven en ambities, zoals herstel biodiversiteit, energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, werkgelegenheid of landschapsversterking.

Zoals in subparagraaf 3.1.1 is geschreven, is door ZKA Strategy een onderzoek uitgevoerd waarin is onderbouwd dat de ontwikkeling een bijdrage levert aan de (toeristische) basisprincipes van diversiteit, verbondenheid, draagkracht en circulariteit en menselijk handelen. De ontwikkeling is getoetst aan het gemeentelijk beleid inclusief ontwikkelkader en aan de provinciale omgevingsvisie. In 2021 is door de gemeente Tytsjerksteradiel, in samenwerking met ZKA, nieuw toerisme- en recreatiebeleid opgesteld. In dit beleid zijn drie toeristisch-recreatieve clusters benoemd. Vanuit hun recreatieve identiteit worden deze clusters als kansrijk geacht om toeristisch-recreatief door te ontwikkelen. Eén van deze clusters is het cluster Earnewâld e.o., waar Park Fônejacht toe behoort. Jaarrond aanbod en innovatieve ontwikkelingen bij bedrijven die natuur en recreatie verbinden zijn als kansrijk bestempeld voor dit cluster. Het streefbeeld van Park Fônejacht sluit hier uitstekend op aan. Het zal jaarrond worden geëxploiteerd en de combinatie natuur en recreatie vormen (samen met een culturele invulling) dé grote trekker van het product. Verder wil Park Fônejacht een Rustpunt toevoegen

34/415

aan de oostkant van het park langs de fietsroute. Het park beschikt zelf over een 5 km lang wandelpad dat langs diverse droombeelden en kunstobjecten voert. Ook dit sluit aan bij het toevoegen van (thematische) routestructuren. In het gemeentelijk uitvoeringsprogramma wordt Park Fônejacht reeds benoemd als kansrijke plek voor het versterken van het dagrecreatief programma. Hiermee is aangetoond dat de ontwikkeling een positieve bijdrage kan leveren aan een Gastvrij Fryslân. Artikel 2.16, lid 2 van de verordening stelt: ''Indien sprake is van het toestaan van een nieuw complex van recreatiewoningen worden in het omgevingsplan regels gesteld ter waarborging van een bedrijfsmatige exploitatie van het complex als geheel, gericht op recreatief gebruik van de recreatiewoning''. In de omgevingsvergunning wordt vastgelegd dat de lodges uitsluitend een recreatieve functie hebben. Bewoning is uitgesloten. Bij het omzetten van het tijdelijk deel van het omgevingsplan naar het permanente omgevingsplan wordt de omgevingsvergunning in het omgevingsplan verwerkt. De lodges in combinatie met het gebruik van het groepsgebouw voor trainingen en cursussen, borgen een bedrijfsmatige(-recreatieve) exploitatie van het complex. De ontwikkeling levert verder een bijdrage aan het herstel van de biodiversiteit, klimaatadaptatie en landschapsversterking.

De energietransitie is (meer dan ooit) een belangrijke kwestie. Bij voorkeur zijn de voorzieningen in het landschapspark zelfvoorzienend, waarbij energie kan worden geproduceerd en opgeslagen (zie ook paragraaf 5.6). De lodges en het centrumgebouw worden circulair gebouwd. Doordat de lodges verplaatsbaar zijn en modulair en circulair gebouwd worden, kunnen deze op termijn worden vervangen. Het centrumgebouw en de lodges worden geplaatst in de zuidwestelijke bosrijke hoek van het projectgebied. Daarmee is de verstoring voor weidevogels minimaal. Op basis van het uitgevoerde ecologisch onderzoek kunnen bepaalde lodges verhoogd boven het maaiveld worden geplaatst. Daarmee is verstoring voor flora en fauna nog minimaler. Het park bestaat uit uitsluitend inheemse bomen, struiken en vijvervegetatie en wordt zonder bestrijdingsmiddelen en bemesting extensief beheerd. Bij het aanleggen van de parkeerplaats wordt de grond half verhard in de vorm van graskeien, zodat het groene karakter van het gebied behouden blijft. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat voldaan wordt aan artikel 2.16, en dus kan worden afgeweken van artikel 2.14 en 2.15. Het toevoegen van een nieuwe recreatieve voorziening is hierdoor mogelijk.

Opgemerkt wordt dat nieuwe recreatieve ontwikkelingen onder de oude Verordening Romte 2014 alleen mogelijk gemaakt konden worden in, aansluitend aan of nabij een recreatiekern (artikel 5.1.2). In overleg met de provincie had overwogen kunnen worden om hiervan af te wijken met een zogenaamde ontheffing, in het kader van het unieke karakter van het initiatief en de koppeling met de recreatiekern Earnewâld. Deze ontheffing hoeft onder de Omgevingswet niet meer te worden aangevraagd als aan artikel 2.16 wordt voldaan. Instructieregel: instructie omgevingsplan Artikel 4.42 bepaalt dat een omgevingsplan geen activiteiten toelaat die een risico vormen voor de kwaliteit van het grondwater in grondwaterbeschermingsgebieden in verband met de winning daarvan voor de bereiding van voor menselijke consumptie bestemd water. Het projectgebied hoort niet bij een grondwaterbeschermingsgebied. Bovendien vormen de voorgenomen activiteiten geen risico voor grondwater. Conclusie

35/415

Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling passend is binnen de Omgevingsvisie Fryslân en voldoet aan de instructieregels uit de Omgevingsverordening Fryslân.

4.3

Regionaal beleid

4.3.1 Land waar je landt; eropuit in de regio Noordoost-Fryslân Begin 2020 hebben de gemeenten Tytsjerksteradiel, Achtkarspelen, Dantumadiel en Noardeast-Fryslân gezamenlijk een visie voor toerisme en recreatie vastgesteld. De gemeenten hebben afgesproken dat ze zich als regio willen inzetten om de toerisme- en recreatiesector de komende 10 jaren fors te laten groeien tot een sector van meer formaat. Met als resultaat een stimulering van de lokale economie, meer omzet en meer banen. En een betere leefomgeving voor onze eigen inwoners. Naast enkele grote bedrijven is in de regio een sterke aanwezigheid van kleinschalig (plattelands)toeristisch aanbod, zowel qua verblijfsaccommodaties als dagrecreatie voorzieningen. De authentieke (streek)cultuurhistorie en dorpen zijn typisch voor de regio. Van oudsher wordt het gebied niet gekenmerkt door een sterke toeristische traditie. Dat uit zich onder meer in de kleinere schaal en beperkte omvang van het aanbod en voorzieningen die relatief gezien ver uit elkaar liggen. De regio's hebben de ambitie om de recreatie- en toerismesector de komende jaren fors te laten groeien tot een sector van meer formaat, met als resultaat een stimulering van de lokale economie, meer omzet en meer banen en een betere leefomgeving voor eigen inwoners. Het is het streven om in 2030 50% meer overnachtingen in de regio te hebben.

Het aantal is nu 600.000, dat moet naar 900.000 in het jaar 2030. Het voornemen realiseert circa 24 lodges die jaarlijks 11.000 overnachtingen opleveren. Daarmee draagt het project bij aan de ambitie van de regio's om de recreatie- en toerismesector de komende jaren te laten groeien. Conclusie Het project is in lijn met het regionaal beleid.

4.4

Gemeentelijk beleid

4.4.1 Omgevingsvisie Tytsjerksteradiel 2021-2040 In de Omgevingsvisie Tytsjerksteradiel 2021-2040, als ontwerp ter inzage gelegd op 30 november 2021, legt de gemeente vast hoe de gemeente eruit gaat zien in de toekomst. Welke ontwikkelingen op de gemeente afkomen en hoe zij daarop inspeelt, welke wensen de inwoners hebben voor de fysieke leefomgeving en hoe de gemeente en haar inwoners dat samen voor elkaar gaat krijgen zijn vragen die ten grondslag liggen aan de omgevingsvisie. Met de omgevingsvisie sorteert de gemeente Tytsjerksteradiel voor op de nieuwe werkwijze van de Omgevingswet. De omgevingsvisie geeft aan wat de gemeente wil bereiken in Tytsjerksteradiel. Hiervoor heeft zij ambities geformuleerd. Als zich nieuwe initiatieven aandienen, kijkt de gemeente of deze voldoen aan de leidende principes die in deze visie zijn beschreven: (1) past het binnen de ambities van de omgevingsvisie? En (2) is rekening gehouden met het afwegingskader van acht algemene uitgangspunten? De beantwoording van deze vragen vormt een flexibel kader voor initiatieven en gemeentelijke plannen. Het biedt daarmee volop mogelijkheden voor gemeente en samenleving om de ambities voor de toekomst waar te maken.

36/415

Met de ontwikkeling wordt bijgedragen aan de ambities 'bewegen en ontspannen we in een gezonde, veilige en groene omgeving' en 'klimaat en biodiversiteit: voorkomen, herstellen en aanpassen'. Ten eerste wil de gemeente Tytsjerksteradiel zorgen voor een gezonde, veilige en groene leefomgeving. Gezondheid en veiligheid zijn onderdeel van een totaalconcept, met name in de vorm van mentale gezondheid. Het bezoekmotief van de ontwikkeling draait vooral om opladen, inspireren en introspectie. Het is bewezen dat natuur, kunst en cultuur voor een betere mentale gezondheid zorgen. Niet alleen is de ontwikkeling gezond, maar ook veilig. In het projectgebied wordt namelijk ruimte gemaakt voor een beheerderswoning, zodat iemand permanent aanwezig is die gekwalificeerd is om zorg te verlenen op het moment dat er geen trainingen of cursussen worden gegeven en die bekend is met het 15 hectare grote projectgebied. Daarmee draagt de ontwikkeling bij aan een gezonde en veilige omgeving. Ook bevindt de ontwikkeling zich in een groene omgeving. De lodges zijn natuur-geörienteerd en er wordt gebruik gemaakt van natuurlijke materialen en kleuren die passen bij de locatie, zodat ze het landschapspark verfraaien. De lodges worden geclusterd in het park geplaatst en landschappelijk ingepast (verscholen). Wandelaars komen geen lodges tegen.

Uit de omgevingsvisie volgt dat de gemeente de recreatieve mogelijkheden in het buitengebied wil uitbreiden. Het projectgebied bevindt zich in buitengebied. Deze ambitie draagt volgens gemeente Tytsjerksteradiel bij aan SDG 3 (goede gezondheid en welzijn). De ontwikkeling draagt verder bij aan 'klimaat en biodiversiteit: voorkomen, herstellen en aanpassen'. De gemeente wil ervoor zorgen dat de leefomgeving zodanig is ingericht dat het de gevolgen van klimaatverandering aankan, maar ook dat het verdere klimaatverandering zoveel mogelijk tegengaat. De gemeente stimuleert voldoende waterberging en een groenere ruimte om hittestress tegen te gaan en CO2 te binden. Deze ambitie draagt bij aan SDG 13 (klimaatactie). Zoals in paragraaf 5.6 nader is uitgewerkt, zijn de voorzieningen in het projectgebied bij zelfvoorzienend waarbij energie kan worden geproduceerd en opgeslagen. De lodges en de groepsaccommodatie worden circulair gebouwd. De mogelijkheid van het gebruikmaken van kleine accu's in de lodges en groepsaccommodatie wordt onderzocht. Doordat de lodges verplaatsbaar zijn en modulair en circulair gebouwd worden, kunnen deze op termijn worden vervangen. De lodges worden verhoogd boven het maaiveld geplaatst. Daarmee is verstoring voor flora en fauna nog minimaler.

Het park bestaat uit uitsluitend inheemse bomen, struiken en vijvervegetatie en wordt zonder bestrijdingsmiddelen en bemesting extensief beheerd. Met de ontwikkeling wordt bijgedragen aan twee van de acht ambities van de gemeente Tytsjerksteradiel. De gemeente werkt aan deze koers via een afwegingskader dat bestaat uit acht algemene uitgangspunten: 1. Omgevingskwaliteit is belangrijk: de ontwikkeling bouwt voort op de bestaande kwaliteiten van het landschapspark. 2. We kijken integraal en gaan zorgvuldig met de beschikbare ruimte om: een maatschappelijke ontwikkeling wordt gecombineerd met landschap en natuurbeheer. Verder wordt een deel buitengebied dat nu nog in privébeheer is, openbaar toegankelijk. 3. Afwentelen wordt voorkomen: bij ingrepen in het ene gebied moeten negatieve effecten op andere gebieden en wie daar leven en werken zoveel als mogelijk worden voorkomen. Ten behoeve hiervan zijn gesprekken gevoerd met belanghebbenden uit de omgeving. Zie hiervoor hoofdstuk 3. 4. Gezondheid is belangrijk: dit is reeds onderbouwd. 5. Objectiviteit is belangrijk: de gemeente wil keuzes maken op basis van data, metingen, onderzoek en

37/415

participatie en minder op gevoel of politieke voorkeur. In paragraaf 2.2 en hoofdstuk 3 is onderbouwd waarom de ontwikkeling een positieve bijdrage kan leveren aan een gezonde, veilige en groene leefomgeving en de ontwikkeling in ieder geval geen negatieve invloed heeft op het klimaat en de biodiversiteit. Waar mogelijk en noodzakelijk, is zoveel mogelijk gebruik gemaakt van objectieve gegevens, zoals onderzoeken van onafhankelijke adviesbureaus of het beleid van het Rijk, de provincie of de gemeente. De gemeente Tytsjerksteradiel dient zelf een afweging te maken of zij een objectief beeld heeft van de ontwikkeling en de gevolgen daarvan. 6. We denken inclusief: de ontwikkeling is voor iedereen toegankelijk. De belanghebbenden uit de omgeving zijn tevens betrokken bij de ontwikkeling. 7. Een positieve houding: de gemeente Tytsjerksteradiel hanteert een 'ja, mits-principe'. 8. We zoeken samenwerking: de gemeente zoekt zoveel mogelijk samenwerking in de regio. Conclusie De ontwikkeling is in lijn met de gemeentelijke omgevingsvisie. 4.4.2 Tytsjerksteradiel, folle mear om te ûntdekken! Tytsjerksteradiel heeft gekozen voor een gemeentelijke vertaling van de regionale visie voor toerisme en recreatie in het gemeentelijk beleidsplan Tytsjerksteradiel, folle mear om te ûntdekken!, dat definitief is vastgesteld op 23 augustus 2021.

In 2030 is Tytsjerksteradiel een levendige en complete toeristische gemeente. Binnen de gemeente zijn drie onderscheidende clusters (marktgerichte deelgebieden) en elk cluster heeft zijn eigen recreatieve identiteit, sterkten, kansen en doelgroepen: Trynwâlden, Earnewâld e.o. en de Burgumer Mar. Ieder cluster draagt bij aan de lokale economie: bestedingen en werkgelegenheid. En ieder cluster draagt bij aan de leefbaarheid voor inwoners omdat het prettig wonen is in een recreatieve gemeente. Het projectgebied behoort tot het cluster Earnewâld e.o. Jaarrond aanbod en innovatieve ontwikkelingen bij bedrijven die natuur en recreatie verbinden zijn als kansrijk bestempeld voor dit cluster. Het streefbeeld van Park Fônejacht sluit hier uitstekend op aan. Het zal jaarrond worden geëxploiteerd en de combinatie van natuur en recreatievormen (samen met een culturele invulling) is dé grote trekker van het product. Qua dagrecreatie wordt onder andere ingezet op het toevoegen van (thematische) routestructuren binnen de gemeente. Park Fônejacht wil een zowel fysiek als mentaal Rustpunt toevoegen aan de oostkant van het park langs de landelijke fietsroute. Vanuit hier kan de regio verder ontdekt worden. Het park beschikt zelf over een 5 km lang wandelpad dat langs diverse droomverbeelding kunstobjecten voert. Ook dit sluit aan bij het toevoegen van (thematische) routestructuren.

In het gemeentelijk uitvoeringsprogramma wordt Park Fônejacht reeds benoemd als kansrijke plek voor het versterken van het dagrecreatief programma. Op het gebied van logies wordt een 'ja, mits'-houding ten aanzien van nieuwe initiatieven, uitbreidings- en herontwikkelplannen gehanteerd, ook als het project niet binnen het omgevingsplan past. Ondernemers moeten worden verleid om plannen te maken die passen binnen het opgestelde ontwikkelkader van de gemeente. In het uitvoeringsprogramma wordt Park Fônejacht benoemd als plaats waar ruimte voor ontwikkeling zou moeten worden geboden, omdat het ideaal aansluit op toeristische vaar-en

38/415

wandel/fietsstructuren. Conclusie Het project is in overeenstemming met het gemeentelijk beleidsplan.

39/415

Hoofdstuk 5 5.1

Gevolgen voor de fysieke leefomgeving

Ladder voor duurzame verstedelijking

5.1.1 Toetsingskader De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl bepaalt dat deze instructieregel ook geldt voor een BOPA. Bij een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g Bkl legt hiervoor geen grens vast. Volgens jurisprudentie onder de Wro/het Bro is in beginsel pas sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling bij plannen vanaf 12 woningen of bij een functiewijziging of toevoeging van bebouwing met een andere stedelijke functie vanaf 500 m2 bvo. Leegstand mag volgens jurisprudentie niet 'onaanvaardbaar' zijn.

Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied, moet ook rekening worden gehouden met de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. De grens van het stedelijk gebied wordt bepaald door de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het omgevingsplan en de aard van de omgeving. Als wordt voorzien in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft de beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.1.2 Toetsing Het projectgebied ligt buiten bestaand stedelijk gebied. Op grond van vaste jurisprudentie van de ABRvS wordt een recreatiepark als 'andere stedelijke voorziening' aangemerkt. Bij een ruimtebeslag van meer dan 500 m2 is in beginsel sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het projectgebied overschrijdt deze ondergrens ruim.

Derhalve is het project een nieuwe stedelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied. Dit betekent dat onderbouwd moet worden waarom het project niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd en dat de behoefte aan het project moet worden aangetoond. Behoefte Wegens de omvang (126.215 m2) en de aard van het project kan niet binnen bestaand stedelijk gebied worden

40/415

voorzien. De gemeente Tytsjerksteradiel beschikte in 2018 over 17 reguliere logiesbedrijven, waarvan slechts 3 zich ook richtten op groepen. De overige gemeenten in de regio Noordoost-Fryslân (Dantumadiel, Achtkarspelen en Noardeast-Fryslân) beschikten in 2018 over 55 reguliere logiesbedrijven, waarvan 8 gericht op groepen. Een aantal van deze logiesbedrijven gericht op groepen richt zich op grote groepen als verenigingen en scholen en een aantal is sterk verouderd. Vergeleken hiermee onderscheidt de recreatieve functie op Park Fônejacht, die gericht is op groepen, zich in bijzondere mate. De gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen willen ruimte bieden aan nieuwe logiesaccommodaties, zo volgt uit het Ontwikkelkader logiesaccomodaties. Het is de regionale ambitie om de overnachtingen tussen 2020 en 2030 met 50% te laten groeien. Om dit te realiseren zijn er meer logiesaccommodaties nodig en meer accommodaties die jaarrond beschikbaar zijn. Daarom hanteren de gemeenten een ‘ja, mits’-houding ten aanzien van nieuwe ontwikkelingen en uitbreidings- en herontwikkelwensen van logiesaccommodaties. Ja, mits initiatieven meerwaarde hebben voor de samenleving. De gemeente daagt met dit kader initiatiefnemers uit om kwalitatief goede, innovatieve en duurzame initiatieven te bedenken en zo bij te dragen aan slimme groei van toerisme.

In paragraaf 4.1.1 is aangetoond dat het project duurzaam is en het de landschappelijke kwaliteiten en kenmerken niet aantast. De beoogde doelgroep 'inzichtzoekers' (bedachtzame, serieuze en zakelijke personen) is verschillend van de doelgroepen die op dit moment voornamelijk de regio bezoeken. Inzichtzoekers zijn vaak ouder (ca. 40% is 65 jaar en ouder), zijn relatief vaak hoogopgeleid (58%) en verdienen meestal boven modaal (59%). Doordat de accommodaties beschikken over basisluxe, zal de prijs ook relatief hoog zijn. Dit sluit goed aan bij de inzichtzoeker. Zij zijn op zoek naar esthetisch aantrekkelijke accommodaties en vinden de prijs van minder groot belang. Uit het Vitaliteitsonderzoek logiesaccomodaties Fryslân 2020 volgt dat ouderen en buitenlandse gasten een kansrijke doelgroep zijn voor Noordoost-Fryslân. Dit is in lijn met de trend van vergrijzing en met verwachtingen van het NBTC, dat het aantal buitenlandse gasten in Nederland de komende jaren fors zal toenemen. Derhalve sluit de doelgroep van het projectvoornemen aan bij de verwachte behoefte. Conclusie Gelet op het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er behoefte is aan logiesaccomodaties in de gemeente Tytsjerksteradiel en het project aansluit bij de behoefte. Het project voldoet aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.

5.2

Welstand

5.2.1 Toetsingskader Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen. Hierbij kan gedacht worden aan de vorm, kleur of gebruikte materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In de bruidsschat zijn regels opgenomen met betrekking tot (1) repressief welstand (art. 22.7), oftewel de excessenregeling en (2) beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (art. 22.29). Indien een gemeente geen welstandsnota en ook geen beleidsregels voor de beoordeling van het uiterlijk van bouwwerken heeft, gelden de regels uit de bruidsschat niet. De regel geldt ook niet bij een bouwwerk of in een gebied dat de gemeente als welstandsvrij heeft aangewezen.

41/415

5.2.2 Toetsing De gemeente heeft haar eisen van welstand vastgelegd in de Welstandsnota Tytsjerksteradiel, geconsolideerd op 25 juni 2019. Het projectgebied ligt in het open gebied van het welstandsgebied 'buitengebied'. Kenmerkend voor de open gebieden is de aanwezigheid van verspreid liggende boerderijen (puntsgewijs individuele bebouwing). In de veenweidegebieden is de bebouwing in het buitengebied bescheidener van omvang. Bebouwing en opgaande beplanting komen daar nauwelijks voor. Bij nieuwbouw dienen voor het buitengebied de volgende kenmerken als uitgangspunt te worden genomen: Open gebieden hebben puntsgewijs individuele bebouwing: de lodges worden enigszins geclusterd in het zuidwestelijke deel van het projectgebied geplaatst, zodat wandelaars de lodges niet tegenkomen. Het groepsgebouw wordt in de nabijheid van de lodges geplaatst. Ondanks de clustering ligt er veel nadruk op de zichtlijnen vanuit en naar de lodges zodat privacy gegarandeerd is en een natuurlijke vrijheid wordt ervaren. Aan de oostzijde van het park wordt een klein receptiegebouw gerealiseerd. Gelet op de ruimte tussen de inviduele bebouwing, het feit dat de lodges zodanig geplaatst worden dat sprake is van voldoende privacy onderling en het feit dat het projectgebied 15 ha groot is, kan geconcludeerd worden dat sprake is van individuele bebouwing.

In het open gebied manifesteren gebouwen zich als afzonderlijke ruimtelijke elementen in het landschap: dit uitgangspunt is in het voorgaande aan de orde gekomen. De omvang van gebouwen in de besloten zandgebieden is bescheiden. In de meer open gebieden komen zowel kleinere als grotere gebouwen voor: de ontwikkeling realiseert zowel kleine (65 m2 per lodge, 80 m2 voor het receptiegebouw) als grotere bebouwing (600 m2 voorhet groepsgebouw met inpandige beheerderswoning), waardoor de ontwikkeling aansluit bij dit kenmerk van open gebied. Aanvullend heeft de gemeente aangegeven een voorkeur te hebben voor het uitvoeren van de lodges met een kapconstructie. Voor het groepsgebouw geldt dat dit als één geheel wordt uitgevoerd met de beheerderswoning, die op de eerste verdieping wordt gerealiseerd. Conclusie De ontwikkeling is in overeenstemming met de algemene welstandscriteria voor het buitengebied van de gemeente Tytsjerksteradiel.

5.3

M.e.r-beoordeling

5.3.1 Wettelijk kader In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke projecten in het kader van een omgevingsvergunning voor een BOPA project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Projecten die zijn genoemd in kolom 1 zijn m.e.r-plichtig als wordt voldaan aan de drempelwaarden uit kolom 2 en m.e.r.-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3. In kolom 4 staat aangegeven bij welk besluit de m.e.r.(beoordelings)-plicht geldt. Als hier het omgevingsplan wordt genoemd, wordt hieronder ook de omgevingsvergunning voor een BOPA verstaan. Voor m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn

42/415

m.e.r.). Samengevat zijn dit de kenmerken van een project, de locatie van een project en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten. Bij het bevoegd gezag, (het college van B&W) moet een mededeling (de aanmeldingsnotitie) worden gedaan waarin een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten in zijn opgenomen. Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die beoordeling op in de omgevingsvergunning. 5.3.2 Toetsing aan het projectgebied De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een groepsacommodatie met inpandige beheerderswoning, 24 lodges en een receptie. Dit is een activiteit uit kolom 1 van bijlage VI van het Ob en valt onder categorie M3. Uit kolom 2 volgt dat de mer-plicht niet van toepassing is. De mer-beoordelingsplicht uit kolom 3 is wel van toepassing. Op grond van artikel 16.43, lid 1, sub a moet worden beoordeeld of het project aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Hiervoor is een aanmeldingsnotitie opgesteld, die is opgenomen als Bijlage 9. Gelet op de aard en relatieve omvang van het project, de plaats hiervan en de kenmerken van de potentiële effecten, kan op voorhand worden geconcludeerd dat er geen belangrijke negatieve milieugevolgen aan de orde zijn die een milieueffectrapportage rechtvaardigen.

5.4

Verkeer en parkeren

5.4.1 Beoordeling verkeer Binnen het projectgebied worden 24 lodges, een groepsgebouw van 600 m2 inclusief een inpandige beheerderswoning en een receptiegebouw mogelijk gemaakt. Het gebied waar de voorzieningen mogelijk worden gemaakt betreft nu nog privéterrein. De toekomstige verkeersgeneratie is berekend op basis van de gemiddelde kentallen die afkomstig zijn van CROW (publicatie 381 Toekomstbestendig parkeren). Gemeente Tytsjerksteradiel betreft een niet stedelijke gemeente en het projectgebied ligt in buitengebied. Aldus bedraagt de verkeersgeneratie: Lodges (aangesloten wordt bij een bungalowpark): 2,7*24 = 65 mvt/etmaal; Groepsgebouw (aangesloten wordt bij een wellnesscentrum): 10,9 mvt/etmaal per 100 m2 BVO. Er wordt gerekend met 550 m2 BVO, omdat het groepsgebouw tevens een inpandige beheerderswoning krijgt = 59,95 mvt/etmaal; Beheerderswoning (aangesloten wordt bij huur, appartement, midden/goedkoop (incl. sociale huur): 4,1 mvt/etmaal; Receptie (aangesloten wordt bij kantoor zonder baliefunctie): 8,75 mvt/etmaal per 100 m2 BVO = 7 mvt/etmaal. In totaal neemt de verkeersgeneratie in de toekomstige situatie met 136,05 mvt/etmaal toe. Het projectgebied wordt ontsloten op de Stûkenwei, die een directe verbinding heeft met de N31. De toename van verkeersgeneratie is dusdanig gering dat dit zonder problemen kan worden opgevangen.

Daarnaast is het projectgebied goed ontsloten. 5.4.2 Beoordeling parkeren Op basis van publicatie 381 van het CROW is de parkeerbehoefte berekend.

43/415

Lodges: 2,1*24 = 51 parkeerplaatsen; Groepsgebouw: 10,3 parkeerplaatsen per 100 m2 BVO = 56 parkeerplaatsen; Beheerderswoning (aangesloten wordt bij huur, appartement, midden/goedkoop (incl. sociale huur): 1,4 parkeerplaats; Receptie (aangesloten wordt bij kantoor zonder baliefunctie): 2,55 mvt/etmaal per 100 m2 BVO = 2,04 parkeerplaats. Dit komt neer op een totale parkeerbehoefte van afgerond 110 parkeerplaatsen. Binnen het projectgebied wordt een parkeerplaats aangelegd. Er is voldoende ruimte om binnen het projectgebied in voldoende parkeerplaatsen te voorzien. Er hoeven geen parkeerplaatsen in de openbare ruimte te worden gerealiseerd. Daarmee wordt voorzien in de parkeerbehoefte.

5.5

Ecologie: soortenbescherming

5.5.1 Toetsingskader Bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een BOPA is het nodig om te onderzoeken of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van beschermde soorten op de locatie waar de BOPA-activiteit zal worden verricht of in de directe nabijheid van die locatie. Dit is de quickscan ecologie. Aanvullend onderzoek is nodig indien uit de quickscan ecologie blijkt dat er aanwijzingen zijn voor het voorkomen van specifieke beschermde soorten. In dit aanvullend onderzoek worden alleen specifieke beschermde soorten onderzocht die mogelijk aanwezig zijn en door de voorgenomen activiteit worden verstoord of bedreigd. Voor sommige flora- en fauna-activiteiten is een omgevingsvergunning nodig. De vergunningplicht is geregeld in §11.2.2 (omgevingsvergunning soorten vogelrichtlijn), §11.2.3 (omgevingsvergunning soorten Habitatrichtlijn), §11.2.4 (omgevingsvergunning andere soorten) en §11.2.5 (overige bepalingen omgevingsvergunning). In deze paragrafen worden vergunningplichtige en vergunningvrije activiteiten aangewezen. In elk geval geldt de specifieke zorgplicht voor het verrichten van een flora- en fauna-activiteit die er op neerkomt dat maatregelen moeten worden getroffen om nadelige gevolgen voor beschermde soorten te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken (artikel 11.27 Bal).

5.5.2 Toetsing De ontwikkeling van het projectgebied betreft de bouw van 24 lodges, een groepsaccomodatie en een receptie. Ten behoeve hiervan is in mei 2023 een ecologische quickscan uitgevoerd door Bureau Faunax. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 10. Dit onderzoek is uitgevoerd onder de oude systematiek van de Wro. Dit betekent dat de Wet natuurbescherming het toetsingskader vormt voor de ecologische quickscan. Uit de resultaten van het onderzoek volgt dat een aantal beschermde soorten in het projectgebied aanwezig is. In onderstaand overzicht worden de aangetroffen en potentieel aanwezige beschermde soorten en hun beschermingsstatus binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden samengevat. In de Wet natuurbescherming zijn vooral vaste verblijfsplaatsen (voortplantingslocaties zoals nesten, holen, kraamkolonies etc.) van belang, maar ook de functionele leefomgeving die vaste verblijfplaatsen in stand houdt. In dit overzicht zijn alleen die soorten opgenomen waarvoor het projectgebied onderdeel vormt van hun leefgebied en/of levenscyclus en

44/415

waarop eventueel in de toekomst geplande werkzaamheden van negatieve invloed kunnen zijn. Tabel 5.1 Overzicht van aangetroffen en potentieel voorkomende beschermde flora en fauna in en rond het projectgebied

Algemene broedvogels Binnen en vlak buiten het projectgebied kunnen vogelsoorten tot broeden komen waarvan de nesten geen jaarronde bescherming genieten, maar wel beschermd zijn tijdens het broedproces. Geadviseerd wordt om de voorgenomen werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Voor het broedseizoen wordt over het algemeen de periode van 15 maart-15 juli aangehouden. Afhankelijk van de soort en klimatologische omstandigheden kunnen soorten echter eerder of later in het jaar tot broeden komen. Wat voor deze soorten van belang is, is of er sprake is van een broedgeval. Zo ja, dan is deze altijd beschermd. Indien tijdens het broedseizoen wordt gewerkt, wordt geadviseerd om dit onder begeleiding van een ecoloog te doen. Jaarrond beschermde nesten In het getoetste deel van het projectgebied bevindt zich een roofvogelnest, zie figuur 5.1. Waarschijnlijk betreft dit een buizerdnest. Geadviseerd wordt deze boom (en omringende bomen) te behouden en verstoring van een broedgeval te voorkomen. De verstoringsafstand van een broedende buizerd is minimaal 75 meter bij de meeste activiteiten die onder ruimtelijke inrichting of ontwikkeling vallen. In gevallen waar sprake is van gewenning, bijvoorbeeld bij sommige activiteiten die te kenschetsen zijn als bestendig beheer of bestendig gebruik, kan minimaal 50 meter worden gehanteerd (Kennisdocument Buizerd).

Indien het niet mogelijk is om deze voorwaarden aan te houden, wordt geadviseerd om op basis van nader onderzoek vast te laten stellen of het nest in gebruik is, en zo ja door welke soort. Indien hier sprake van is, dient in het kader van de Wet natuurbescherming (nu: Omgevingswet) een ontheffing te worden aangevraagd.

45/415

Figuur 5.1

De locatie van de in het getoetste deel aanwezige boom met spechtengaten

Vleermuizen De aanwezigheid van kraam-, zomer-, paar- en winterverblijfplaatsen van gewone grootoorvleermuis, watervleermuis, baardvleermuis en ruige dwergvleermuis in boomholtes in het projectgebied kan niet op voorhand worden uitgesloten. Geadviseerd wordt de betreffende boom niet te kappen. Als dit niet mogelijk is wordt geadviseerd de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen vast te stellen dan wel uit te sluiten door middel van nader onderzoek. Indien tijdens dit nader onderzoek verblijfplaatsen van vleermuizen worden aangetroffen, dient voor de desbetreffende soort(en) een ontheffing te worden aangevraagd. Waterspitsmuis Het voorkomen van de waterspitsmuis in het getoetste deel van het projectgebied kan niet op voorhand worden uitgesloten. Dit heeft specifiek betrekking op ver-landende waterlichamen en oeverzones van overige waterlichamen die in dit deel van het projectgebied aanwezig zijn (figuur 2.6 van het onderzoek). Geadviseerd wordt om werkzaamheden op deze locaties te vermijden. Indien dit niet mogelijk is, wordt geadviseerd om op basis van nader onderzoek vast te laten stellen of de soort inderdaad in het getoetste deel van het projectgebied voorkomt. Indien tijdens dit nader onderzoek leefgebied van de waterspitsmuis wordt vastgesteld, dient voor deze soort een ontheffing te worden aangevraagd.

Grote modderkruiper Het voorkomen van de grote modderkruiper in het getoetste deel van het projectgebied kan niet op voorhand worden uitgesloten. Dit heeft vooral betrekking op ver-landende waterlichamen die in dit deel van het projectgebied aanwezig zijn. Geadviseerd wordt om werkzaamheden op deze locaties te vermijden. Indien dit niet mogelijk is, wordt geadviseerd op basis van nader onderzoek vast te laten stellen of de soort inderdaad in

46/415

het getoetste deel van het projectgebied voorkomt. Indien tijdens dit nader onderzoek leefgebied van de grote modderkruiper wordt vastgesteld, dient voor deze soort een ontheffing te worden aangevraagd. Zorgplicht Er kunnen soorten voorkomen in het projectgebied waarvoor een vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen (bijvoorbeeld de vos). De zorgplicht van het Bal (artikel 11.27) schrijft echter voor dat men verplicht is om alles wat redelijkerwijze mogelijk is, te doen of juist te laten om schade aan wilde planten en dieren zo veel mogelijk te voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld tot uiting worden gebracht door altijd zo te werken, dat dieren kunnen ontsnappen en/of deze te verplaatsen naar een geschikt biotoop in de directe omgeving. Deze algemene zorgplicht geldt voor elke soort en elk individu in Nederland. Mits eventueel aangetroffen dieren de kans krijgen om te vluchten of eventueel aangetroffen dieren (bijvoorbeeld amfibieën) worden verplaatst naar een plek in de omgeving die niet onder invloed staat van werkzaamheden, wordt voldaan aan de zorgplicht. Weidevogelkansgebied Het projectgebied valt in haar volledigheid onder een weidevogelkansgebied. Het voornemen heeft echter niet tot gevolg dat weidevogelhabitat in omvang of kwaliteit achteruit gaat.

Desalniettemin wordt geadviseerd om voor de zekerheid contact op te nemen met de provincie of in het kader van het voornemen compensatie dient plaats te vinden. Dit contact heeft plaatsgevonden. Gelet op de locatie van de activiteiten in het bosgebied wordt op voorhand geen extra verstoring verwacht. Addendum Op verzoek van BZ Omgevingsadvies heeft Bureau FaunaX aan deze rapportage een addendum toegevoegd. Deze toevoeging heeft betrekking op een eventuele omgevingsplanwijziging (parkbestemming), welke betrekking heeft op het niet getoetste (maar wel bezochte) deel van het projectgebied. Deze wijziging wordt overwogen omdat de mensen die van de lodges gebruik zullen maken, in het overige deel van het projectgebied kunnen wandelen. Mits de verlening van de vergunning niet gepaard gaat met ruimtelijke ingrepen, is FaunaX van mening dat op voorhand kan worden gesteld dat deze wijziging niet gepaard gaat met negatieve effecten op eventuele beschermde natuurwaarden die in het betreffende deel van het projectgebied aanwezig (kunnen) zijn. Conclusie De adviezen worden opgevolgd. Er wordt gewerkt buiten het broedseizoen en er worden geen bomen gekapt die een verblijfplaats zijn voor de genoemde beschermde diersoorten. Zekerheidshalve is het gebied rondom het buizerdnest getypeerd als no-go area (geen lodges/niet wandelen).

Werkzaamheden in de oeverzone van het Prinses Margrietkanaal worden niet uitgevoerd. Het aspect soortenbescherming wordt bij het toedelen van de beoogde recreatieve functie niet onevenredig beïnvloed.

47/415

5.6

Ecologie: gebiedsbescherming

5.6.1 Toetsingskader: Natura 2000-gebieden Een BOPA-activiteit kan gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied. Denk hierbij aan de depositie van stikstof in een Natura 2000-gebied, maar ook aan andere gevolgen, bijvoorbeeld door geluid en licht die door de activiteit worden veroorzaakt. Onderzoek zal moeten uitwijzen of de BOPA-activiteit significante gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied. In veel gevallen kan worden volstaan met een voortoets. Als uit de voortoets blijkt dat de activiteit (al dan niet in combinatie met andere plannen of projecten) significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, zal een passende beoordeling moeten plaatsvinden. In dat geval zal voor de BOPA-activiteit tevens een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig zijn. In praktijk bestaat de voortoets in veel gevallen uit een AERIUS-berekening waaruit zal moeten blijken dat de stikstofdepositie op een stikstofoverbelast Natura 2000-gebied in ieder geval niet toeneemt (0,00 mol/ha/j) of afneemt. 5.6.2 Toetsingskader: NatuurNetwerk Nederland (NNN) Een BOPA-activiteit kan gevolgen hebben voor NNN-gebieden. De gebieden die het NNN vormen zijn aangewezen in de provinciale omgevingsverordening. In de provinciale omgevingsverordening worden de wezenlijke kenmerken en waarden vastgesteld van deze gebieden.

Deze wezenlijke kenmerken en waarden moeten worden beschermd, in stand worden gehouden, verbeterd en ontwikkeld. Hiertoe zijn in de provinciale omgevingsverordening instructieregels opgenomen. Bij het beoordelen van de gevolgen van de BOPA-activiteit op NNN-gebieden zal moeten worden aangetoond dat: de kwaliteit en oppervlakte van het Natuurnetwerk niet achteruitgaan; de samenhang tussen de gebieden van het Natuurnetwerk wordt behouden; en als binnen het natuurnetwerk activiteiten worden toegelaten, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken of waarden van het natuurnetwerk, deze gevolgen tijdig worden gecompenseerd, zodanig dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk behouden blijven. 5.6.3 Toetsingskader: houtopstanden (bos) Mocht de BOPA-activiteit gevolgen hebben voor houtopstanden buiten de bebouwingscontour houtkap (dat wil zeggen: er moeten bomen worden geveld), gelden rijksregels uit het Bal. Bij vellen hoort een herplantingsplicht maar hierop bestaan uitzonderingen (zie artikel 11.111 Bal). Als de rijksregels voor vellen van toepassing zijn, is het vellen van houtopstanden verboden zonder eerst een melding te doen. 5.6.4 Toetsing Stikstofdepositie Het projectgebied ligt op circa 1 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied Nationaal Park de Alde Feanen.

In dit kader is het van belang om na te gaan of het project significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van dit Natura 2000-gebied. Om dit te kunnen bepalen, is een

48/415

stikstofdepositieberekening uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 11 (laatst geactualiseerd: oktober 2024). Uit de berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie nergens hoger is dan afgerond 0,00 mol/ha/jaar en er derhalve geen relevant effect is. Negatieve effecten in de vorm van vermesting en verzuring zijn derhalve niet aan de orde. Natuurinclusief bouwen De energietransitie is (meer dan ooit) een belangrijke kwestie. Bij voorkeur zijn de voorzieningen in het landschapspark zelfvoorzienend, waarbij energie kan worden geproduceerd en opgeslagen. Hiervoor moeten de huidige Stork-Bosman wind/watermolen en de Honda diesel/waterpomp worden vervangen door een kleine windturbine (<15 meter ashoogte) en PV-zonnepanelen. Het coalitieakkoord van Gedeputeerde Staten geeft ruimte voor een kleine windturbine, ook bij recreatieve voorzieningen. De lodges en het centrumgebouw worden circulair gebouwd. De mogelijkheid van het gebruikmaken van kleine accu's in de lodges en het centrumgebouw wordt onderzocht. Doordat de lodges verplaatsbaar zijn en modulair en circulair gebouwd worden, kunnen deze op termijn worden vervangen. Het centrumgebouw en de lodges worden geplaatst in de zuidwestelijke bosrijke hoek van het projectgebied. Daarmee is de verstoring voor weidevogels minimaal. De lodges worden verhoogd boven het maaiveld geplaatst.

Daarmee is verstoring voor flora en fauna nog minimaler. Het park bestaat uit uitsluitend inheemse bomen, struiken en vijvervegetatie en wordt zonder bestrijdingsmiddelen en bemesting extensief beheerd. Bij het aanleggen van de parkeerplaats wordt de grond halfverhard in de vorm van graskeien, zodat het groene karakter van het gebied behouden blijft. Houtopstanden De lodges en het groepsgebouw worden ingepast in het bestaande groen en bosgebied zoals weergegeven op de Omgevingstafel-inrichtingstekening (zie figuur 2.7 van paragraaf 2.2). Het is mogelijk dat bij de exacte locatiebepaling van de bebouwing bepaalde bomen worden gekapt. Bij de planuitwerking voor de bebouwing wordt aan de hand van een bij de provincie in te dienen melding op basis van artikel 5.34 Omgevingsverordening beoordeeld of de bebouwing op een goede wijze kan worden ingepast. Conclusie Het aspect gebiedsbescherming wordt bij het toedelen van de beoogde recreatieve functie niet onevenredig beïnvloed.

5.7

Luchtkwaliteit

5.7.1 Toetsingskader Als een BOPA betrekking heeft op een milieubelastende activiteit die leidt tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van luchtverontreinigende stoffen, kan deze alleen worden verleend als de omgevingswaarden voor deze stoffen in acht worden genomen (artikel 8.17 Bkl). Dit wil zeggen dat deze omgevingswaarden niet mogen worden overschreden. De kans op overschrijding is met name aanwezig als een activiteit in of nabij een aandachtsgebied plaatsvindt. In deze gebieden (aangewezen in artikel 5.51, lid 2, van het Bkl) bestaat een reële kans op (een dreigende) overschrijding van een omgevingswaarde. Onderzoek zal moeten uitwijzen of de activiteit daadwerkelijk leidt tot een overschrijding van de omgevingswaarden.

49/415

Onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 ìg/m3 of minder. Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen. Als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, dan is het omgevingsaspect luchtkwaliteit geen belemmering. 5.7.2 Toetsing In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2020 die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de N31 ten noorden van het projectgebied. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2020; < 9,27 µg/m³ voor NO2, 12,80 µg/m³ voor PM10 en 6 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM 10 bedroeg 6 dagen.

Hierdoor is er ter plaatste van het projectgebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De omgevingsvergunning maakt één groepsgebouw, 24 lodges en één receptiegebouw mogelijk. Dit aantal valt ruim onder de grens van 1.500 woningen (een lodge kan worden gelijkgesteld aan een woning) dat is vrijgesteld voor toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het project draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijnstof in de lucht. Er wordt voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit wordt bij het toedelen van de beoogde recreatieve functie niet onevenredig beïnvloed. Ter plaatse van het projectgebied is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

5.8

Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

5.8.1 Toetsingskader Wanneer een geluidgevoelig gebouw wordt toegestaan in een geluidaandachtsgebied, moet bij vergunningverlening rekening gehouden worden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied. Dit betekent dat bij het toelaten van een geluidgevoelige woning in een geluidaandachtsgebied een belangenafweging zal moeten worden gemaakt en deze goed zal moeten worden gemotiveerd. Hierbij zal in ieder geval de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op een geluidgevoelig gebouw moeten worden beoordeeld (artikel 5.78s, derde lid jo. 5.78ac Bkl). Daarnaast zal de omgevingsvergunning voor de BOPA erin moeten voorzien dat het geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein op geluidgevoelige gebouwen binnen een aandachtsgebied aanvaardbaar is (artikel 5.78s, tweede lid, Bkl).

50/415

5.8.2 Toetsing Een beheerderswoning is een geluidgevoelig gebouw. Ten tijde van een eerdere planologische procedure onder de oude Wro heeft een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai plaatsgevonden. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 12 en Bijlage 13. Het akoestisch rekenmodel zoals beschreven in bijlage 10 is omgezet naar een rekenmodel op basis van Bijlage IVe van de Omgevingsregeling (Meet- en rekenmethode geluid wegen). De geluidbelasting op de beheerderswoning is daarmee herberekend. De berekeningsresultaten zijn gegeven in onderstaande figuur. De berekende geluidbelasting op de beheerderswoning bedraagt ten hoogste Lden = 56 dB. Daarmee wordt de standaardwaarde voor de N31 van Lden = 50 dB overschreden, maar de grenswaarde van Lden = 60 dB wordt niet overschreden. Het geluid is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarde. Een overschrijding is mogelijk als er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen, de overschrijding zoveel mogelijk wordt beperkt en er wordt voldaan aan de grenswaarde. Zoals ook aangegeven in het onderzoek, betreft het aantal geluidgevoelige gebouwen slechts één, waarvoor maatregelen niet kosteneffectief zullen zijn. Volgens de kwaliteitsindicatie voor de gecumuleerde geluidbelasting van het RIVM moet de geluidsituatie als "matig" worden omschreven.

Vastgesteld wordt dat de berekende waarde 4 dB onder de grenswaarde ligt, waarmee het toekennen van de functie beheerderswoning aanvaardbaar wordt geacht (hier de bandbreedte in geluidniveau nog even toelichten). Omdat er sprake is van één geluidbronsoort, is de berekende waarde gelijk aan het gezamenlijke geluid. Dit gezamenlijke geluid van Lg = 56 dB dient te worden vastgelegd in de vergunning en uiteindelijk het omgevingsplan. De geluidwering van de woning dient op basis van het Bbl ten minste GA;k = 56 -33 = 23 dB(A) te bedragen. Dit is gewaarborgd in de technische vergunning.

51/415

Figuur 5.2

Berekeningsresultaten beheerderswoning

Conclusie Het aspect geluid door wegen wordt bij het toedelen van de beoogde recreatieve functie niet onevenredig beïnvloed.

5.9

Geluid door activiteiten

5.9.1 Toetsingskader Geluid door activiteiten speelt in twee spiegelbeeldige situaties een rol: 1. de situatie waarin een nieuwe BOPA-activiteit mogelijk wordt gemaakt die geluid veroorzaakt op een geluidgevoelig gebouw; 2. de situatie waarin de BOPA-activiteit een geluidgevoelig gebouw wil realiseren waarop geluid wordt veroorzaakt door een bestaande activiteit die geluid veroorzaakt. Dat kan al snel leiden tot het beperken van de milieuruimte van deze bestaande activiteit (en bijvoorbeeld het beperken van een bedrijfsactiviteit). In deze gevallen is een wijziging van het omgevingsplan een beter instrument om de activiteit mogelijk te maken. In een omgevingsvergunning van een BOPA moet rekening gehouden worden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. Dit betekent dat een gemeente het toelaten van activiteiten die geluid veroorzaken of het toelaten van geluidgevoelige gebouwen waarop geluid wordt veroorzaakt, alleen mogelijk kan maken na een belangenafweging en een goede motivering. Dit vergt dus een goede onderbouwing in de aanvraag voor de omgevingsvergunning. Hiervoor dient bekend te zijn welke activiteiten geluid veroorzaken en wat de optelsom is van dit geluid op een geluidgevoelig gebouw. Daarnaast zal de omgevingsvergunning moeten waarborgen dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Tytsjerksteradiel&id=f2fc45f6-f0ec-4737-9a8a-393598825107