Bijlage 1 - ROB Park Fônejacht Garyp BOPA
Tekst van het document
Dit kan door de standaardwaarden voor het toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw (zie tabel 5.65.1 van het Bkl) en grenswaarden voor het toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen (tabel 5.65.2 van het Bkl) in de omgevingsvergunning op te nemen. Op grond van artikel 5.66, eerste lid, Bkl kan van de standaardwaarden worden afgeweken. Het toelaatbaar geluid op de gevel wordt begrensd door de grenswaarde van de binnenwaarde. 5.9.2 Toetsing In de voorgenomen situatie wordt een geluidgevoelig gebouw, te weten een beheerderswoning, mogelijk gemaakt. In de directe omgeving vinden geen activiteiten plaats die geluidhinder kunnen veroorzaken. Ten aanzien van geluid worden geen knelpunten verwacht. De ontwikkeling betreft verder geen activiteit die geluid veroorzaakt op geluidgevoelige gebouwen in de omgeving. Conclusie Het aspect geluid door activiteiten wordt bij het toedelen van de beoogde recreatieve functie niet onevenredig beïnvloed.
52/415
5.10 Geur 5.10.1 Toetsingskader In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu dient op grond van het Bkl rekening te worden gehouden met de geur door activiteiten op gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen; bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur (§ 5.1.4.6 van het Bkl). De algemene regels met betrekking tot geur zijn op grond van artikel 5.90 van het Bkl van toepassing op het toelaten: op een locatie van een activiteit, anders dan het wonen, die geur veroorzaakt op een geurgevoelig gebouw; van een geurgevoelig gebouw waarop geur wordt veroorzaakt door een (bestaande) activiteit, anders dan het wonen. In artikel 5.91 Bkl is vastgelegd welke gebouwen in ieder geval als geurgevoelig worden beschouwd (woonfuncties, onderwijsfuncties, gezondheidsfuncties met bedgebied, bijeenkomstfuncties voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties van voorgenoemde functies). Naast de hiervoor genoemde functies, kan het omgevingsplan andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (artikel 5.91, vierde lid, van het Bkl).
Ook biedt het Bkl de mogelijkheid om in het omgevingsplan niet alleen gebouwen aan te wijzen als geurgevoelig, maar ook locaties waarbij hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (artikel 5.91, vijfde lid, van het Bkl). 5.10.2 Toetsing Een beheerderswoning is geurgevoelig. In de omgeving van het projectgebied bevinden zich geen bedrijven of activiteiten aanwezig die geurhinder veroorzaken. Conclusie Het aspect geur wordt bij het toedelen van de beoogde recreatieve functie niet onevenredig beïnvloed.
5.11 Omgevingsveiligheid 5.11.1 Toetsingskader Bij het mogelijk maken van een BOPA-activiteit spelen vaak veiligheidsrisico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. In het Bkl is het risicobegrip breder: in de aanvraag om een vergunningsaanvraag voor een BOPA zal ook moeten worden gemotiveerd hoe voor risico's van branden, rampen en crises rekening wordt gehouden met het belang van: a. het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan; b. de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen; en c. de geneeskundige hulpverlening.
53/415
5.11.2 Toetsing Ten behoeve van de ontwikkeling heeft Antea Group in oktober 2022 een beschouwing gegeven van het aspect omgevingsveiligheid. Deze memo is opgenomen in Bijlage 14. Nabijgelegen risicobronnen Nabij het projectgebied zijn meerdere risicobronnen aanwezig. Het projectgebied ligt binnen het invloedsgebied van: 1. Een gasbehandelingsinstallatie van Vermillion; 2. Een hogedruk aardgastransportleiding A601; 3. Het prinses Margriet kanaal (corridor Amsterdam – Noord-Nederland; 4. De autoweg N31. Daarnaast zijn nabij meerdere hogedruk aardgastransportleidingen aanwezig, maar de locatie ligt juist buiten het aandachtsgebied hiervan.
Figuur 5.3
Nabijgelegen risicobronnen. Rood: projectgebied. Zwarte strepen: 10- 6 plaatsgebonden risicocontour
Beoordeling van het plaatsgebonden risico Uit figuur 5.3 volgt dat het projectgebied niet overlapt wordt door de 10- 6-plaatsgebonden risicocontouren van een of meerdere risicovolle mba's. Dat betekent dat er geen grens- of richtwaarden vanuit het Bkl of Bal aanwezig zijn. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat figuur 5.3 bij het Prinses Margrietkanaal en het N31 geen plaatsgebonden risicocontour laat zien. Deze wegen hebben ook geen plaatsgebonden risicocontour. Beoordeling van het groepsrisico De locatie ligt geheel of gedeeltelijk binnen het aandachtsgebied van de vier risicobronnen. Op de onderstaande figuren zijn de invloedsgebieden(buisleidingen) en 200 meterzone langs de (water)weg aangegeven. Van de gasbehandelingsinstallatie is geen kaart beschikbaar, maar het brandaandachtsgebied ligt deels over het projectgebied.
54/415
Figuur 5.4
Ligging van letaliteitsgebieden
Omdat de ontwikkeling binnen meerdere invloedsgebieden is geprojecteerd, moet het beschermingsniveau worden verantwoord. Daarbij is door de opdrachtgever specifiek de vraag gesteld hoeveel personen maximaal bij de ontwikkeling zijn toegestaan. Door de opdrachtgever is, vertaald naar kengetallen voor personendichtheden, een aantal van 50 tot 100 bezoekers aangeven. Echter, deze zullen niet permanent aanwezig zijn, terwijl een groepsrisicoberekening plaatsvindt op basis van jaargemiddelden. Het beoogde projectgebied ligt in een zeer extensief bebouwd gebied, de personendichtheid in het gebied is bijzonder laag. Bij de berekening van het groepsrisico wordt, naast het geprojecteerde aantal personen in het projectgebied, ook de bebouwingsdichtheid van de omgeving betrokken. Op basis van jarenlange ervaring van Antea Group met groepsrisicoberekeningen geldt dat voor deze situatie zonder berekeningen al geconstateerd kan worden dat bij deze aantallen personen het groepsrisico ver onder de oriëntatiewaarde blijft. Het berekenen van het groepsrisico of het stellen van een maximumaantal personen heeft derhalve vanuit het oogpunt van omgevingsveiligheid geen toegevoegde waarde. Relevant is dat sinds de komst van de Omgevingswet deze berekeningen ook niet meer verplicht zijn.
Wel is het nuttig om bij verdere uitwerking van het project te beschouwen hoe de veiligheid voor de gebruikers van het terrein geoptimaliseerd kan worden. Voor deze locatie denkt Antea Group dan specifiek aan vluchtroutes en instructies hoe te handelen bij een (dreigend) extern incident met gevaarlijke stoffen. Daarbij kan gelet op het beoogde ontwikkelingsgebied waarbinnen de bebouwing is toegestaan een goed meerzijdig vluchtplan worden opgesteld dat vluchten via de oostelijke toegang en ook in noordelijke richting mogelijk is. Met het aanbrengen van halfverharde toegangsroutes voor hulpdiensten en de aanwezige goed toegankelijke waterpartijen, is blusvoorziening binnen een afstand van 100 meter te garanderen. Bij het uitwerken van een project zal de Veiligheidsregio vanuit haar adviesrol worden betrokken. Reactie FUMO op beschouwing Op 11 november 2022 heeft FUMO een beoordeling gegeven van de beschouwing over omgevingsveiligheid. Voor de beoordeling is de EV-signaleringskaart op 11-11-2022 geraadpleegd om een beeld te krijgen van de ligging van het projectgebied ten opzichte van de verschillende risicobronnen die in de omgeving aanwezig zijn.
55/415
Op basis van de EV-signaleringskaart is geconstateerd dat de voor deze ruimtelijke ontwikkeling van belang zijnde risicobronnen in de beschouwing zijn beoordeeld. De inhoud van de uitgevoerde beschouwing geeft een betrouwbaar beeld van de risicosituatie, waarmee voor de ruimtelijke ontwikkeling rekening moet worden gehouden. Zo levert het plaatsgebonden risico 10-6 per jaar geen belemmering op en kan met betrekking tot het groepsrisico, dat in deze omgeving erg laag is, worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. In de verantwoording moet voornamelijk in worden gegaan op de zelfredzaamheid van de populatie die in het park verblijft en de bestrijdbaarheid en bereikbaarheid voor hulpdiensten. Brandweer Fryslân moet nog in de gelegenheid worden gesteld om voor dit ruimtelijk plan te kunnen adviseren. Geconcludeerd kan worden dat de aangeleverde beschouwing omgevingsveiligheid een juist beeld van de risicosituatie geeft. In de motivering bij de BOPA-omgevingsvergunning moet aandacht zijn voor omgevingsveiligheid en moet het groepsrisico worden verantwoord, waarbij volstaan kan worden met een beperkte verantwoording. Brandweer Fryslân moet voor de verantwoording van het groepsrisico op grond van het Bkl (oud: Bevi, Bevb en het Bevt) om advies worden gevraagd.
(Antea Group = Vertaald naar de Omgevingswet betekent dit conform artikel 8.15 Bkl verantwoord zal worden en de Veiligheidsregio in de gelegenheid gesteld moet worden om hierbij te adviseren). Advies Brandweer Fryslân Op 28 mei 2025 heeft Brandweer Fryslân een schriftelijke reactie gegeven op het initiatief. Dit advies is opgenomen in Bijlage 19. Het advies is om het verblijf van verminderd zelfredzame personen en functies met zorg uit te sluiten. Dit houdt in dat geadviseerd wordt geen medewerking te verlenen aan mental wellness trainingen, voor zover die ingevuld worden voor verminderd zelfredzame personen. Voorbeelden van verminderd zelfredzame personen zijn: kinderen (vooral jonger dan 12 jaar), ouderen (met lichamelijke of cognitieve beperkingen), mensen met een lichamelijke of verstandelijke beperking, mensen met psychische problemen, mensen onder invloed van medicatie of alcohol en ziekenhuispatiënten of verzorgingshuisbewoners. In reactie op het advies wordt vermeld dat verminderd zelfredzame personen géén deel uitmaken van de beoogde doelgroep. Bezoekers van Park Fônejacht bestaan in het weekend uit een twintigtal mental wellness cursisten en een viertal coaches. Midweeks zijn er maximaal een zeventigtal recreatieve rustzoekers.
Bij het boeken van een recreatieve verblijfplaats worden doorgaans geen expliciete vragen gesteld over gezondheid, en zeker niet over geestelijke gezondheid of mentaal welbevinden. Voor deelname aan een mental wellness cursus wordt in de aanmeldingsfase echter expliciet gevraagd/vermeld dat deelname niet is bedoeld of effectief is voor personen die reeds onder GGZ-behandeling zijn of GGZ-gerelateerde huisartszorg ontvangen en/of medicatie gebruiken voor psychische klachten. De mental wellness cursussen richten zich onder andere op mensen die te maken hebben met burn-out-klachten. De cursussen zijn niet bedoeld om deze klachten op te lossen, maar om hier mee om te leren gaan. Conclusie en aanbevelingen Vanuit het oogpunt van omgevingsveiligheid zijn er geen harde beperkingen. In deze paragraaf is onderbouwd
56/415
dat de ontwikkeling zich niet richt op verminderd zelfredzame personen. De overige adviezen van Brandweer Fryslân over omgevingsveiligheid, bluswater en bereikbaarheid, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn bekend en worden meegenomen in de uitvoering.
5.12 Trilling 5.12.1 Toetsingskader In § 5.1.4.4 van het Bkl zijn de instructieregels met betrekking tot trillingen opgenomen. Daarbij gaat het onder andere om het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit. Volgens artikel 5.80, eerste lid, Bkl is een trillinggevoelig gebouw een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; c. gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. De instructieregels gelden niet voor trillingen door doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen. Gemeenten kunnen in die gevallen zelf bepalen of en welke regels zij voor trillingen van activiteiten in het omgevingsplan opnemen in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De instructieregels van het Bkl zijn wel van toepassing als in het omgevingsplan een trillingaandachtsgebied langs het spoor is vastgelegd. 5.12.2 Toetsing Een beheerderswoning is een trillinggevoelig gebouw. In de omgeving bevinden zich geen functies die trilling veroorzaken. Conclusie Het aspect trilling wordt bij het toedelen van de beoogde recreatieve functie niet onevenredig beïnvloed.
5.13 Slagschaduw en windhinder 5.13.1 Toetsingskader Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient te worden aangetoond dat geen sprake is van onaanvaardbare gevolgen voor het windklimaat in de directe omgeving en de bezonningssituatie ter plaatse van eventueel aanwezige bestaande woningen. De rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld. De gemeente heeft daarom beleidsruimte om dit aspect zelf in te vullen. De gemeente Tytsjerksteradiel heeft geen beleid met betrekking tot slagschaduw en windhinder. 5.13.2 Toetsing Naar verwachting heeft de ontwikkeling geen invloed op het windklimaat en de bezonningssituatie in de omgeving.
57/415
Conclusie Het aspect slagschaduw en windhinder wordt bij het toedelen van de beoogde recreatieve functie niet onevenredig beïnvloed.
5.14 Lichthinder Wettelijk kader Er is nog geen wettelijke regelgeving over lichthinder. Desalniettemin is 'donkerte' een kernwaarde, gelet op de toenemende verlichting die niet alleen in bebouwd gebied, maar ook in het landelijk gebied waarneembaar is. De gemeente onderkent dit belang en is voornemens bij het op te stellen Omgevingsplan toetsbare criteria vast te stellen om de duisternis of het donkere landschap te beschermen. Tot dat moment wordt bij een beoordeling of mogelijk sprake is van lichthinder bij planvorming de Richtlijn Lichthinder van de Nederlandse Stichting voor Verlichting uit 2020 (NSVV 2020) toegepast. Lichthinder wordt daarin gedefinieerd als: “Het ten gevolge van het licht van een verlichtingsinstallatie optreden van overlast bij mens, plant of dier”. Deze richtlijn betreft alle soorten van verlichting en gaat uit van de zorgplicht en het voorzorgprincipe. In relatie met de in de Richtlijn gehanteerde grenswaarden zijn verschillende zones gedefinieerd waarbij voor dit buitengebied omgevingszone E2 wordt gehanteerd. Toetsing Bij het verdere ontwerp en inrichting van het projectgebied wordt rekening gehouden met mogelijke lichthinder van de te realiseren verlichting.
Bij de planuitwerking zal op basis van een afweging de juiste verlichting worden gekozen, waarbij zo veel mogelijk de volgende principes uit de Richtlijn Lichthinder dienen te worden gehanteerd voor het voorkomen of verminderen van lichthinder: Verlicht op maat, dus alleen: 5. Waar nodig (plaats); 6. Wanneer nodig (tijd); 7. Zoveel als nodig (hoeveelheid). Uitgangspunt is dat bouwactiviteiten 's avonds nauwelijks en 's nachts niet plaatsvinden. In dat kader is de kans op lichthinder dus zeer gering. Voor verlichting in de wandelpaden zal gewerkt worden met ledverlichting die weinig uitstraling naar de omgeving zal hebben. Met gebruikmaking van bewegingsdetectie en beperkte oriëntatie verlichting is de uitstraling van licht tot een minimum te beperken. Bij het gasbehandelingstation van Vermilion is sprake van enige verlichting. De kans op hinder ter plaatse van de te realiseren beheerderwoning en groepsgebouw en de chalets is gering, omdat de afstand ruim 300 meter bedraagt en het bosgebied dat de zuidzijde van het projectgebied begrensd voldoende bufferfunctie heeft. Conclusie Geconcludeerd wordt dat de omgevingswaarde 'donkerte' bij het toedelen van de beoogde recreatieve functie niet onevenredig wordt beïnvloed en geen sprake is van lichthinder op en door de omgeving.
58/415
5.15 Cultureel erfgoed 5.15.1 Toetsingskader Onder cultureel erfgoed wordt verstaan: archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen en landschap. Voorafgaand aan de uitvoering van plannen moet onderzoek worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden. De essentie van de Omgevingswet is om archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem te behouden en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart.
Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. 5.15.2 Toetsing Ten aanzien van het aspect cultuurhistorie geldt dat voor het projectgebied sprake is van de dubbelbestemming 'Waarde - Landschap (Open Landschap)'. De voor ‘Waarde – Landschap (Open landschap)’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en herstel van cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden van het open landschap met in achtneming van de specifieke kenmerken van de deelgebieden binnen het open landschap. Het bestemmingsplan maakt deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van Tytsjerksteradiel. Daarmee blijft de bescherming die de dubbelbestemming biedt in de toekomstige situatie onverkort van toepassing. Ten aanzien van het aspect archeologie is de Archeologische Kaart (FAMKE) geraadpleegd. Voor het projectgebied geldt op basis van de steentijd-bronstijd-advieskaart en de ijzertijd-middeleeuwen-advieskaart de archeologische verwachtingswaarde karterend onderzoek 3.
Dit betekent dat bij ingrepen groter dan 5.000 m2 archeologisch onderzoek wordt aanbevolen. De oppervlakte van het projectgebied bedraagt circa 126.000 m2. Echter, het gebied waar de ingrepen plaatsvinden, in het zuidwesten van het projectgebied, is aanzienlijk kleiner. De gezamenlijke oppervlakte van de lodges bedraagt 1.050 m2. De oppervlakte van het groepsgebouw bedraagt maximaal 600 m2. De oppervlakte van het receptiegebouw bedraagt maximaal 80 m2. De oppervlakte van de toegangsweg en het parkeerterrein (halfverharding) bedraagt circa 1.500 m2. Daarmee bedraagt de totale bebouwd oppervlakte van het planvoornemen 3.230 m2 en blijft het ruim onder de grenswaarde. Hoewel archeologisch onderzoek in beginsel niet vereist is, is in oktober 2023 een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend booronderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 15. Uit de resultaten van het onderzoek volgt dat in de zones met een lage archeologische verwachting, wordt aangeraden om geen archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren. Bodemingrepen zullen hier naar
59/415
verwachting niet schadelijk zijn voor het archeologisch erfgoed. Voor de zone met een middelhoge verwachting op het aantreffen van resten uit de periode Laat-Paleolithicum – Neolithicum wordt aangeraden om bodemverstoringen dieper dan 30 cm zoveel mogelijk te voorkomen. Bij het gebruik van heipalen is het aan te raden om het aantal palen te beperken. Dit betekent dat het de voorkeur heeft om minder wat dikkere palen dan veel wat dunnere palen te gebruiken. Voor wat betreft archeologie heeft het de voorkeur om de voorziene ontwikkelingen te laten plaatsvinden in de zones met een lage archeologische verwachting. Bij werkzaamheden in de zones met een hoge archeologische verwachting wordt aanbevolen om de bodemingrepen zo beperkt mogelijk te laten zijn. Mocht hier toch bodemverstoring dieper dan 30 cm mv plaatsvinden, dan wordt aangeraden om een karterend booronderzoek uit te voeren naar de aan- of afwezigheid van archeologische indicatoren, die een aanwijzing kunnen zijn voor een vindplaats. Advies steunpunt monumentenzorg Naar aanleiding van het uitgevoerde archeologisch onderzoek heeft het Steunpunt Monumentenzorg Fryslân uitgebracht. Dit advies is opgenomen in Bijlage 16. Het steunpunt heeft geen opmerkingen op het rapport. De meerwaarde van vervolgonderzoek op de zeer versnipperde, deels intacte delen is voer voor discussie.
Het steunpunt onderschrijft de oplossing uit het rapport om de ingrepen te beperken tot de groene zones op de advieskaart. Indien ook ingrepen in het gele deel worden uitgevoerd, wordt geadviseerd om dit volgens een archeologie-vriendelijke bouwmethode te realiseren. Het steunpunt adviseert de gemeente om het rapport te accorderen. De technische uitwerking van het plan (fundering voor zover dieper dan -0,3 meter onder maaiveld) zal ter advisering op archeologische waarden worden voorgelegd aan het Steunpunt monumentenzorg. Conclusie Het aspect cultuurhistorie wordt bij het toedelen van de beoogde recreatieve functie niet onevenredig beïnvloed.
5.16 Bodem 5.16.1 Toetsingskader Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving, waaronder regels over nazorg van de bodem na saneren, regels over graven in de bodem en regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico. Als vóór het voorbereiden van het besluit tot het verlenen van de omgevingsvergunning in kwestie het
60/415
omgevingsplan al is gewijzigd, dan kan de gemeente uitwerking hebben gegeven aan artikel 5.89i van het Bkl en eigen grenswaarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem als voorwaarde voor de bouw van bodemgevoelige gebouwen hebben vastgesteld. Als het omgevingsplan voorafgaande aan de voorbereiding van de omgevingsvergunning nog niet is gewijzigd, dan gelden op grond van artikel 22.30 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan de interventiewaarden bedoeld in bijlage IIA van het Bal als grenswaarden voor de bouw van bodemgevoelige gebouwen. 5.16.2 Toetsing Voor de beoogde ontwikkeling is in mei 2024 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Deze is opgenomen in Bijlage 17. Het maaiveld en de opgeboorde grond van iedere boring zijn zintuiglijk beoordeeld op het voorkomen van bodemvreemde en/of asbestverdachte materialen. Hierbij zijn geen bijzonderheden waargenomen. Van de boven- en ondergrond grond zijn meerdere mengmonsters samengesteld. Van het grondwater zijn separaat monsters genomen. De monsters zijn geanalyseerd op de parameters uit het basispakket van de NEN 5740.
De analyseresultaten van het verkennend bodemonderzoek zijn als volgt: in een mengmonster van de ondergrond (MMog1) is voor kobalt een licht verhoogd gehalte gemeten; in de overige mengmonsters zijn geen verhoogde gehalten gemeten; in het grondwater ter plaatse van peilbuis 1 zijn voor barium en zink licht verhoogde concentraties gemeten; in het grondwater ter plaatse van peilbuis 16 zijn voor tetrachlooretheen, 1,2-Dichloorethenen en minerale olie licht verhoogde concentraties gemeten; in het grondwater ter plaatse van peilbuis 17 en 18 zijn voor tetrachlooretheen en 1,2-Dichloorethenen licht verhoogde concentraties gemeten; in het grondwater ter plaatse van peilbuis 19 is voor minerale olie een licht verhoogde concentratie gemeten. Hieronder volgt een beknopte bespreking van de geconstateerde verontreinigingen. Demping Ter plaatse van de demping zijn meerdere boringen uitgevoerd. Hierbij zijn geen bijzonderheden waargenomen. Tevens zijn geen verhoogde gehalten in de grond gemeten. Aangenomen mag worden dat de demping is uitgevoerd met gebiedseigen grond. Verhoogde gehalten in de grond Een duidelijke oorzaak voor het licht verhoogde gehalte aan kobalt is niet aan te geven. Het verhoogde gehalte kan mogelijk beschouwd worden als een diffuse verontreiniging. Diffuse verontreinigingen zijn verontreinigingen die zijn ontstaan door (eeuwen)lang menselijk gebruik en/of ophogingen.
Deze verontreinigingen zijn niet direct aan een specifieke verontreinigingsbron toe te wijzen. Het gemeten gehalte is dusdanig (alleen overschrijdingen van de achtergrondwaarde) dat een aanvullend onderzoek naar deze parameter niet noodzakelijk is. Verhoogde concentraties in het grondwater
61/415
Van zware metalen is het bekend dat deze in (sterk) verhoogde concentraties in het grondwater voor kunnen komen zonder dat voor deze metalen verhoogde gehalten in de grond worden gemeten of er een andere directe verontreinigingsbron aanwezig is (verspreiding vanuit de omgeving). De gemeten concentraties aan barium en zink hebben vermoedelijk dan ook een natuurlijke oorzaak. De oorzaak van de licht verhoogde concentraties aan tetrachlooretheen, 1,2-Dichloorethenen en minerale olie is onbekend. De gemeten concentraties zijn dusdanig (alleen overschrijding van de streefwaarde) dat aanvullend onderzoek naar deze parameters niet noodzakelijk is. Receptie + parkeerplaats Op basis van de gemeten gehalten en concentraties in de grond en het grondwater, is de gekozen onderzoekshypothese, een onverdachte locatie, formeel gezien onjuist. De gemeten gehalten zijn echter dusdanig dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt zijn er geen belemmeringen voor de herontwikkelingsplannen. Bedrijfsgebouw + 24 lodges Op basis van de gemeten concentraties in het grondwater, is de gekozen onderzoekshypothese, een onverdachte locatie, formeel gezien onjuist. De gemeten concentraties zijn echter dusdanig dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt zijn er geen belemmeringen voor de herontwikkelingsplannen.
Slootdemping Op basis van de gemeten gehalten in de grond, kan de gekozen onderzoekshypothese, een verdachte locatie, verworpen worden. Conclusie Het aspect bodem wordt bij het toedelen van de beoogde recreatieve functie niet onevenredig beïnvloed.
5.17 Water 5.17.1 Toetsingskader Bij verlening van een omgevingsvergunning voor een BOPA wordt rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen en dienen voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder te worden betrokken. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Voor een aantal specifieke rijksbelangen stelt het Bkl aanvullende instructieregels. Dit zijn: bescherming van primaire waterkeringen (artikel 5.38 Bkl); behoud waterveiligheid kust (artikel 5.40 Bkl); behoud waterveiligheid grote rivieren (artikel 5.46 Bkl); IJsselmeergebied (artikel 5.49 Bkl). De waterschapsverordening bevat regels specifiek gericht op het watersysteem en waterstaatswerken binnen het beheergebied van een waterschap. Hieraan zal de BOPA-activiteit moeten worden getoetst. Mogelijk zijn er ook watergerelateerde instructieregels opgenomen in de provinciale omgevingsverordening waarmee rekening gehouden moet worden. In de aanvraag moet worden beschreven welke mogelijke gevolgen een
62/415
BOPA-activiteit heeft voor het aspect water en welke maatregelen zullen worden getroffen om deze gevolgen zoveel mogelijk te beperken. Als water een belangrijk aspect is voor een BOPA-activiteit wordt geadviseerd om het waterschap te raadplegen. Voor het project is een digitale watertoets uitgevoerd. Deze is als Bijlage 18 opgenomen in de ruimtelijke motivering bij deze omgevingsvergunning en aangemeld bij het Waterschap. Uit de digitale watertoets blijkt dat de normale procedure doorlopen dient te worden. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het projectgebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente Tytsjerksteradiel nader wordt behandeld. Europees: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal: Provinciaal Waterplan Provinciale Structuurvisie Verordening Ruimte Waterschapsbeleid Het beleid van Wetterskip Fryslân is verwoord in het Waterbeheerprogramma 2016-2021.
In het Waterbeheerplan 2022-2027 beschrijft Wetterskip Fryslân de doelen ten aanzien van waterveiligheid, voldoende water, schoon water en water in de samenleving voor de komende jaren. Het Wetterskip beschikt over een leidraad watertoets. Het doel van de leidraad is dat alle aspecten meegenomen worden, hiermee wordt voldaan aan de thema's voldoende veilig en schoon water. Hiernaast zorgt de leidraad voor een betere samenwerking doordat het duidelijkheid geeft over de juridische status van het wateradvies. De leidraad bevat een overzicht van onderwerpen die vanuit het oogpunt van water belangrijk zijn bij ruimtelijke plannen. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en het vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terechtkomt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting; (in-) filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI.
63/415
5.17.2 Toetsing Toename verharding Het is niet toegestaan zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond in stedelijk gebied en 1500 m2 in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels genoemd in dit wateradvies. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater. De verharding in het projectgebied neemt met 3.230 m2 toe. Dit betekent dat watercompensatie noodzakelijk is. In het projectgebied zijn reeds waterpartijen aanwezig. Een van deze waterpartijen wordt verbreed ten behoeve van de compensatie. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Hier wordt in de uitvoeringsfase rekening mee gehouden. Ruimtelijke adaptatie Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren, moeten steden en dorpen ingericht worden met het oog op de toekomst. Het is daarom belangrijk om kansen te benutten om het gebied klimaatrobuust in te richten. Bij dit project zijn daarom meerdere groenvoorzieningen opgenomen. Op die manier is meer infiltratie van water mogelijk bij bijvoorbeeld hevige regenbuien.
AHN-adaptatie De hoogteligging van het gebied waar de lodges en het groepsgebouw worden gebouwd, ligt op circa -0,5 tot -0,7 m NAP. Ten opzichte van het omliggende agrarisch gebied is deze hoogte ongeveer een halve meter hoger. Volgens de AHN liggen de zuidelijke agrarische gronden op circa -1,20 NAP. Om te zorgen voor voldoende drooglegging van de lodges bestaat het voornemen om het vloerpeil van de lodges omhoog te brengen naar circa 0,5 tot 1,5 meter NAP. Na overleg met FaunaX is het oordeel dat het verlandingsgebied op 1,5 à 2m boven oeverpeil op palen plaatsen van lodges de meest gunstige bouwwijze is, wegens maximaal toelaten van zon/licht op oever en onderwatervegetatie. Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap een vergunning te worden aangevraagd op grond van de Keur. Dit geldt bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. Het projectgebied valt niet onder een beschermingszone. Een stuw tegen afvoer van hemelwater naar het oppervlaktewater maakt reeds deel uit van de parkwaterhuishouding.
Bij de uitvoering van de ontwikkeling zal in het kader van de vergunningsaanvraag ervoor gezorgd worden dat wordt voldaan aan de bepalingen die in de Keur zijn opgenomen. Hierbij wordt onder meer getoetst wat de
64/415
hydrologische gevolgen zijn voor de omgeving. Conclusie Het aspect water wordt bij het toedelen van de beoogde recreatieve functie niet onevenredig beïnvloed.
5.18 Duurzaamheid 5.18.1 Toetsingskader Vanuit de doelen van de Omgevingswet is duurzaamheid een thema waarmee bij het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een BOPA rekening gehouden moet worden. Duurzaamheid is een veelomvattend begrip waar veel aspecten onder vallen: de energietransitie, mobiliteit, herbruikbaarheid etc. Dit kan gemotiveerd worden op basis van het bestaande gemeentelijke beleid zoals is aangegeven in Hoofdstuk 4. 5.18.2 Toetsing Zoals in paragraaf 5.6 nader is onderbouwd, zijn de voorzieningen in het projectgebied bij voorkeur zelfvoorzienend, waarbij energie kan worden geproduceerd en opgeslagen. Hiervoor moeten de huidige winden watermolen en waterpomp worden vervangen door een kleine windturbine. De lodges en het groepsgebouw worden circulair gebouwd. De mogelijkheid van het gebruikmaken van kleine accu's in de lodges en het groepsgebouw wordt onderzocht. Doordat de lodges verplaatsbaar zijn en modulair en circulair gebouwd worden, kunnen deze op termijn worden vervangen. Bij het aanleggen van de parkeerplaats wordt de grond halfverhard in de vorm van graskeien, zodat het groene karakter van het gebied behouden blijft. Conclusie Met de ontwikkeling wordt bijgedragen aan het aspect duurzaamheid.
5.19 Spuitzonering 5.19.1 Toetsingskader Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zal bij ontwikkelingen in de omgeving van agrarisch gronden waar gewasbeschermingsmiddelen (kunnen) worden gebruikt, moeten worden aangetoond dat geen sprake is van onaanvaardbare gezondheidsgevolgen. De rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat in het algemeen een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, niet onredelijk wordt geacht. Op grond van diezelfde rechtspraak is het mogelijk om deze afstand te verkleinen indien daaraan een deugdelijke motivering ten grondslag ligt. Die motivering moet gebaseerd zijn op zorgvuldig locatiespecifiek onderzoek.
65/415
5.19.2 Toetsing De inpandige beheerderswoning in het projectgebied geldt als een gevoelige functie in relatie tot het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Het projectgebied bevindt zich in buitengebied. Het projectgebied wordt omgeven door gronden die blijvend in gebruik zijn als grasland. Aldus worden geen gewasbeschermingsmiddelen in de omgeving van het projectgebied toegepast en zijn spuitzones niet van toepassing. Conclusie Het aspect spuitzones wordt bij het toedelen van de beoogde recreatieve functie niet onevenredig beïnvloed.
5.20 Gezondheid 5.20.1 Toetsingskader Doel van de Ow is ook het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Een deel van de hiervoor beschreven omgevingsaspecten heeft een gezondheidscomponent, waarbij het in de meest gevallen gaat om gezondheidsbescherming. Bij de afweging van de gezondheidsgevolgen kunnen ook gezondheidsbevorderende aspecten een rol spelen zoals bijvoorbeeld een groene leefomgeving, ruimte voor beweging, beschikbaarheid/toegankelijkheid van voorzieningen en sociale cohesie. 5.20.2 Toetsing In de paragrafen 2.2, 4.2.1 en 4.4.1 is onderbouwd waarom de ontwikkeling bijdraagt aan het verbeteren van de mentale gezondheid van bezoekers. De ontwikkeling vindt daarnaast plaats in een groene omgeving, waardoor de ontwikkeling een positief effect kan hebben op de fysieke gezondheid. Conclusie Het aspect gezondheid wordt bij het toedelen van de beoogde recreatieve functie niet onevenredig beïnvloed.
66/415
Hoofdstuk 6 6.1
Economische uitvoerbaarheid
Financiële uitvoerbaarheid en kostenverhaal
In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling economisch niet evident onuitvoerbaar is. Dit houdt in dat: de ruimtelijke ontwikkeling niet evident financieel onuitvoerbaar mag zijn; en als de ruimtelijke ontwikkeling kostenverhaalplichtige activiteiten omvat, het kostenverhaal verzekerd moet zijn. Financiële uitvoerbaarheid De omgevingsvergunning vormt het toetsingskader voor een particuliere ontwikkeling. De initiatiefnemer heeft aannemelijk gemaakt dat het project financieel haalbaar is. Kostenverhaal Indien de BOPA nieuwe kostenverhaalplichtige activiteiten mogelijk maakt is kostenverhaal aan de orde. Kostenverhaalplichtige activiteiten zijn opgenomen in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. De ontwikkeling is op grond van artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit niet aangewezen als kostenverhaalplichtige activiteit. Hierdoor is het wettelijk verplichte kostenverhaal niet aan de orde. Hieruit volgt dat de ruimtelijke ontwikkeling niet evident economisch onuitvoerbaar is.
67/415
Hoofdstuk 7
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
In dit hoofdstuk wordt gemotiveerd of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties betekent dat er balans bestaat tussen het beschermen en benutten ten gevolge van de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Het bevoegd gezag moet beoordelen of bij realisering van de aangevraagde activiteit(en) sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover die betrekking hebben op de aangevraagde activiteit) zorgvuldig worden onderzocht en afgewogen. Dat is in de voorgaande hoofdstukken gebeurd. Voor de beoordeling van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten, voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit, nader onderzocht in de hoofdstukken 4, 5, 6 en 7. In de ruimtelijke motivering is getoetst aan participatie, het relevante beleid en de gevolgen voor de leefomgeving. Hieruit is gebleken dat participatie heeft plaatsgevonden, het project in overeenstemming is met het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid en dat het project geen negatieve gevolgen heeft voor de leefomgeving.
De inrichting van het projectgebied zal moeten voldoen aan de verkeerskundige uitgangspunten die de gemeente stelt aan de inrichting van de openbare ruimte. Ten aanzien van soortenbescherming wordt rekening gehouden met de gegeven adviezen. De vergunning voor afwijken van regels in het omgevingsplan kan worden verleend.
68/415