06 - Bijlage 6 - Handboek Kabels en Leidingen
Tekst van het document
Wanneer de calamiteit van dusdanige aard en/of omvang is dat er hulpdiensten moeten worden ingeschakeld dient de grondroerder dit direct te melden bij alarmnummer 112. 10. Indien het noodzakelijk is dat, voor de (verkeers-)veiligheid en/of bescherming van de volksgezondheid, direct afzettingen worden geplaatst en/of (een deel van) de weg(-en) wordt afgesloten dan dient dit ook gemeld te worden bij alarmnummer 112 en bij de coördinator en/of bij de toezichthouder.
21
5.4.1. Bodemverontreiniging 1. Voor werkzaamheden in of met verontreinigde grond is de Wet bodembescherming (Wbb) van toepassing. Het toepassen van grond/baggerspecie en bouwstoffen is geregeld in het Besluit Bodemkwaliteit. Ten behoeve van het bepalen van veiligheids- en gezondheidsrisco’s en de bijbehorende beschermende maatregelen geldt de door de CROW uitgebrachte richtlijn “Werken in en met verontreinigde bodem” (publicatie 400). Vanaf 1 januari 2024 is de Omgevingswet van toepassing. Voor thema bodem zullen een aantal wijzigingen van de bestaande wet- en regelgeving plaatsvinden. De grondroerder dient altijd te werken volgens de meest recente versie van deze richtlijnen. 2. De initiatiefnemer van een project dient vooraf te inventariseren of er sprake is van verdachte locaties ten aanzien van bodemverontreiniging binnen het werkgebied. De grondroerwerkzaamheden mogen namelijk niet zorgen voor verslechtering van de bodemkwaliteit (standstill-principe). Onder andere via de websites www.bodemloket.nl (initiatief van gemeenten, provincies en het Rijk) en www.rwsleefomgeving.nl (Rijkswaterstaat) is te achterhalen waar zich verontreinigde of verdachte locaties bevinden. Indien de grondroerder initiatiefnemer is kan hij voor de meest recente informatie en/of detailinformatie contact opnemen met burgemeester en wethouders. 3. Indien een grondroerder een kabel- c.q.
leidingtracé wil aanleggen in een gebied waarvan vooraf is vastgesteld dat de bodem sterk verontreinigd is ligt een eventuele saneringsplicht bij de grondroerder. Als de netbeheerder daarom verzoekt, kan in overleg met de toezichthouder een alternatief tracé worden gekozen, of waarbij de werkzaamheden middels ‘sleufloze technieken’ (bijvoorbeeld een gestuurde boring) worden uitgevoerd. Hiermee wordt grondroering in sterk verontreinigde vermeden en bestaat er geen formeel geen saneringsplicht. 4. Behalve de inventarisatie als bedoeld in het tweede lid van dit artikel, zorgt de grondroerder er conform het bepaalde in artikel 5.4 voor dat de juiste noodzakelijke (beschermings-)maatregelen in acht worden genomen en legt daarvoor voorwaarden vast in een VG&M-plan. De opdrachtgever is verantwoordelijk een VGM-plan op te stellen in de voorbereidingsfase, de uitvoerende partij (grondroerder) stel het VGM-plan uitvoeringsfase op. 5. Indien de gemeente initiatiefnemer is zal zij die maatregelen nemen die noodzakelijk zijn vanwege wetgeving en eventueel aanvullende eisen die de gemeente zelf of het bevoegd gezag stelt in het kader van het betreffende project. De gemeente is niet gehouden te voldoen en geeft geen invulling aan kwaliteitseisen die netbeheerders zelf stellen ten aanzien van hun netstructuur in (voormalig) verontreinigde grond.
5.5. Peilen en hoofdafmetingen 1. Indien van toepassing (op uitbreidingslocaties of bij reconstructies) beperkt het op de graaflocatie aangeven van peilen en hoofdafmetingen door de toezichthouder zich tot het eenmalig aangeven van hoofdmeetpunten en eventueel extra punten in bochten en dergelijke. De grondroerder kan daarna zelf door middel van eenvoudig meetwerk, zowel qua horizontale als verticale maatvoering, het tracé in detail uitzetten. Burgemeester en wethouders treden slechts toetsend c.q. controlerend op. Het gewenste tijdstip van aanwijzing dient door de grondroerder ten minste een week van te voren aan de toezichthouder kenbaar gemaakt te worden. 2. Bij de aanleg van kabels en/of leidingen in een nieuwbouwplan, waarbij (nog) geen woningen enzovoort aanwezig zijn om als vast punt voor maatvoering te dienen, zullen burgemeester en wethouders een aantal maten middels piketpaaltjes en/of krijtmarkeringen aangeven. Dit geldt alleen voor gronden die eigendom zijn van de gemeente. Bij werkzaamheden in particulier eigendom dient de grondroerder met betreffende grondeigenaar en/of projectontwikkelaar rechtstreeks afspraken te maken, de gemeente is hierin geen partij. 3. Het in stand houden (borgen/verklikken) van de eenmalig door de toezichthouder aangegeven peilen en hoofdafmetingen valt onder de verantwoordelijkheid van de grondroerder.
22
5.6. Grondwaterstanden en bronbemaling 1. Afwijkingen of veranderingen in de (door burgemeester en wethouders) opgegeven grondwaterstanden geven de grondroerder geen recht op schadevergoeding of andere financiële tegemoetkomingen. 2. Indien naar inzicht van de grondroerder bronbemaling noodzakelijk is om de werkzaamheden uit te kunnen voeren dient de grondroerder zelf te zorgen voor de noodzakelijke vergunning. Voor het onttrekken van grondwater en voor lozing op het oppervlaktewater is in veel gevallen een watervergunning van een Waterschap, Hoogheemraadschap of Polderdistrict nodig. Via het Omgevingsloket online kan na worden gegaan of voor de werkzaamheden een vergunning aan dient te worden gevraagd (www.omgevingsloket.nl). 3. Indien bronneringswater op het gemeentelijke rioolstelsel moet worden geloosd, dient de grondroerder voor aanvang van de werkzaamheden daarvoor schriftelijk toestemming te vragen bij burgemeester en wethouders. 4. Bij het verlagen van de grondwaterstand binnen de wortelzone van te handhaven groenvoorzieningen (behoudens bermen en gazons), dienen in het groeiseizoen (week 13 t/m 45) eventueel beschermende maatregelen te worden genomen voor de groenvoorzieningen. De grondroerder dient in overleg met de toezichthouder de beplanting water te geven. Hiervoor dient schoon water of eventueel oppervlaktewater met voldoende zuurstof te worden gebruikt.
Er mag uitdrukkelijk geen bronneringswater voor worden gebruikt.
23
6. Handhaving 1. De in dit Handboek gestelde procedures, richtlijnen, voorwaarden, eisen en werkafspraken dienen altijd te worden opgevolgd. Handhaving geschiedt op grond van hoofdstuk 4 van de Verordening. 2. Mondelinge of schriftelijke (ook per e-mail) aanwijzingen en geboden die door burgemeester en wethouders met betrekking tot de inhoud van dit Handboek of de Verordening worden gegeven dienen onverwijld opgevolgd te worden. 3. Indien de gemaakte afspraken worden genegeerd kunnen burgemeester en wethouders de uitvoerende partij een (schriftelijke) waarschuwing geven. Zo nodig wordt het werk tijdelijk stilgelegd zonder dat aanspraak op schadevergoeding mogelijk is. 4. Werkzaamheden die tijdelijk zijn stilgelegd mogen, op aanwijzing van de toezichthouder, pas weer worden hervat als de reden van stillegging is opgeheven. 5. Indien blijkt dat werknemers van de grondroerder en/of haar (onder)aannemers zich niet houden aan de gemaakte afspraken of zij zich op de werkvloer onbehoorlijk en/of overlast gevend gedragen, dat er zich tijdens de uitvoering onregelmatigheden voordoen of dat de werkzaamheden niet naar behoren worden uitgevoerd, kunnen burgemeester en wethouders handhavend optreden in het kader van openbare orde veiligheid of het voorkomen van overlast. 6.
De grondroerder houdt zelf toezicht op alle werkzaamheden van de (onder)aannemer(s) en voert de nodige controles en steekproeven uit. 7. Namens burgemeester en wethouders ziet de toezichthouder erop toe dat de voorschriften uit het instemmingsbesluit of de vergunning, de Verordening en het Handboek worden nageleefd. De toezichthouder controleert onder andere op: • • • • • • • • • • • • •
de aanwezigheid van een afschrift en/of een digitale versie van het instemmingsbesluit of de vergunning (inclusief de door burgemeester en wethouders goedgekeurde tekeningen) c.q. demeldingsgegevens op het werk; de naleving van de instemmings- of vergunningsvoorwaarden; de juiste ondergrondse ordening, waarvoor de geldige Klic gegevens inzichtelijk moeten zijn op het werk; of de werkzaamheden (met betrekking tot spoedeisend werk) zijn gemeld bij burgemeester enwethouders; de naleving van een opgelegd breekverbod; het voldoende schouwen van het te volgen tracé; het nakomen van afspraken met belanghebbenden, hulpdiensten een dergelijke; de bereikbaarheid van de woon/werkomgeving; de kwaliteit van de verdichting van de sleuf; de kwaliteit van het herstel van de sleufbedekking; zorgvuldigheid bij werken nabij en de kwaliteit van het herstel van groenvoorzieningen; de veiligheidsmaatregelen; correcte wegafzetting
24
DEEL B:
(Technische) eisen / voorschriften
7. Richtlijnen ten behoeve van de (tracé)engineering en ondergrondse ordening 7.1. Tracé-inspectie t.b.v. de aanleg van kabels en/of leidingen 1. De grondroerder dient het beoogde tracé waarop de voorgenomen werkzaamheden uitgevoerd moeten gaan worden vooraf te inspecteren en dient te onderzoeken of de werkzaamheden (verkeers)technisch uitvoerbaar zijn ten aanzien van de aanwezige wegen, waterlopen, voetpaden, kademuren, viaducten, tunnels, spoorwegen, (waterkerende) dijken, overige kabels en/of leidingen, bomen, wegmeubilair, taluds en gebouwen. De grondroerder dient bij de aanvraag van het instemmingsbesluit of de vergunning burgemeester en wethouders ervan te overtuigen (bijvoorbeeld met een dwarsprofiel met daarin aangegeven de bestaande kabels en/of leidingen en het gewenste ruimtebeslag voor de aanleg van de nieuwe kabels en/of leidingen) dat er voldoende ruimte is voor de juiste ondergrondse ordening. 2. De grondroerder dient in de engineeringsfase te inventariseren welke overige netbeheerders belangen hebben in het beoogde tracé en deze tijdig te informeren over de voorgenomen werkzaamheden en onderzoek te doen naar de aard en ligging van betreffende kabels en/of leidingen van de overige netbeheerders. Daartoe kan de grondroerder bijvoorbeeld een oriëntatieverzoek doen bij het Kadaster- sectie Klic en/of proefsleuven maken.
De grondroerder geeft de overige netbeheerders de gelegenheid tot reactie waarbij de netbeheerders zelf kunnen toetsen of de voorgenomen werkzaamheden geen belemmering zijn voor een ongestoorde ligging van hun kabels en/of leidingen. Zo nodig kunnen zij in overleg treden met de grondroerder om nadere afspraken te maken. 3. De grondroerder dient zelf te inventariseren of er, behalve het instemmingsbesluit of de vergunning, voor bepaalde uit te voeren activiteiten een omgevingsvergunning noodzakelijk is bijvoorbeeld voor het werkzaamheden in een gebied met landschappelijke of cultuurhistorische waarde (al dan niet met nadere voorschriften in het kader van de bescherming van monumentale of archeologische waarden (zie ook artikel 7.1.1), het kappen van bomen, het oprichten/plaatsen van bovengrondse voorzieningen, bouwketen of portakabins, materiaalcontainers, parkeren van voertuigen enzovoort. Ook dient de grondroerder alle voor het werk benodigde vergunningen, ontheffingen enzovoort die noodzakelijk zijn vanuit de Algemene plaatselijke verordening (APV) en/of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aan te vragen.
25
7.1.1. Archeologie 1. Conform de Monumentenwet 1988 en de daarin in 2007 opgenomen Wet archeologische monumentenzorg dient rekening te worden gehouden met archeologische waarden in de ondergrond. De wet is gericht op het behoud van archeologische waarden op de plek zelf. Indien dit niet mogelijk is, kan onderzoek verplicht gesteld worden. 2. Bij vervanging of de verwijdering van kabels en/of leidingen binnen een bestaand tracé, met inachtneming van de bestaande aanlegdiepte en -breedte, is geen archeologisch onderzoek nodig en geldt op voorhand een vrijstelling. 3. Bij aanleg buiten het bestaande kabel- en leidingtracé of bij verdiepte aanleg kan een aanvullende omgevingsvergunning vereist zijn, afhankelijk van de trefkans. In de regel is burgemeester en wethouders daarvoor het bevoegd gezag. 4. Of een omgevingsvergunning vereist is, is geregeld in het geldende bestemmingsplan of – indien het bestemmingsplan hier niets over bepaalt – in de gemeentelijke erfgoedverordening. Deze zijn gebaseerd op de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) te raadplegen op www.fryslan.nl. 5. De vergunningverlener kan archeologisch onderzoek verplicht stellen bij een aanvraag voor een nieuw tracé of een nieuwe aansluiting voor kabels en/of leidingen of bij een verbreding of verdieping van een bestaand tracé.
Een archeologisch vooronderzoek bestaat uit een bureau onderzoek en een inventariserend veldonderzoek. 6. De kosten voor archeologische onderzoek – vooronderzoek, eventueel vervolgonderzoek en mogelijk definitief onderzoek – liggen conform het in de Monumentenwet vastgestelde veroorzakersprincipe bij de vergunningsaanvrager. De vergunningverlener ontvangt het onderzoek te goedkeuring en ter (gemandateerde) besluitvorming door burgemeester en wethouders. 7. Afhankelijk van de omstandigheden kunnen aanvullende eisen worden gesteld aan het verlenen van een omgevingsvergunning, zoals: • • •
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden inde bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting de werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij de vergunning te stellen kwalificaties.
7.2. Ondergrondse ordening bij de aanleg van kabels en/of leidingen Bij de tracékeuze en ondergrondse ordening van kabels en/of leidingen zijn de horizontale en de verticale ligging van belang. Het doel van ondergrondse ordening is: • een optimaal gebruik van de openbare ruimte; • een ongestoorde exploitatie van kabels en/of leidingen; • optimaliseren van de veiligheid.
7.2.1. Horizontale ligging 1. Het kabel- en leidingtracé wordt in het algemeen en bij voorkeur in het trottoir gesitueerd. burgemeester en wethouders zorgen ervoor dat het kabel- en leidingtracé vrij wordt gehouden van bomen, diep wortelende beplanting of andere obstakels (zoals bijvoorbeeld straatmeubilair of trottoirkolken). Bij reconstructies of herontwikkeling dient de initiatiefnemer (bijvoorbeeld de projectontwikkelaar of de gemeente) een geschikt tracé aan te bieden voor de (her)aanleg van kabels en/of leidingen. 2. In het overig deel van de openbare weg worden de riolering en de transportleidingen gesitueerd.
26
3. De minimale afstand tussen de grens van het kabel- en leidingtracé en • de perceelgrens (is tevens de grens van het kabel- en leidingtracé) is 0,00 m, de eerste discipline ligtop 0,35 m uit de perceelgrens; • het rioleringsstelsel is 1,00 m. 4. Bij de plaatsbepaling van kabels en/of leidingen in de nabijheid van bomen wordt de afstand tussen het kabel- en leidingtracé en de stam van de boom bepaald door de leidraad minimale graafafstanden in de onderstaande tabel: Stamdiameter 0,20 m 0,40 m 0,60 m 0,80 m 1,00 m 1,50 m
Minimale graafafstand (1) 1,25 m 1,50 m 1,75 m 2,25 m 2,50 m 3,50 m
Minimale graafafstand aan trekzijde (2) 2,00 m 2,50 m 3,00 m 3,50 m 4,00 m 5,00 m
(1) Normaal ontwikkelde boom
(2) Scheefstaande of trekzijde belaste boom
5. Binnen het kabel- en leidingtracé worden de kabels en/of leidingen qua horizontale maatvoering volgens een vaste volgorde ten opzichte van elkaar ingedeeld. Daarbij wordt er rekening mee gehouden dat de afstand tussen leidingen en kabels ten minste 0,25 m bedraagt. De horizontale indeling is weergegeven in het standaarddwarsprofiel, zie bijlage 1. 6. In bermen langs wegen dient de afstand van ligging van de kabels en/of leidingen tot aan de verharding ten minste gelijk te zijn aan de diepteligging ervan, tenzij anders wordt overeengekomen met de toezichthouder. 7. Het bovengenoemde basisprincipe moet zoveel mogelijk worden nagestreefd. In bijzondere gevallen kunnen burgemeester en wethouders een andere indeling toestaan c.q. voorschrijven. 8. Distributie- en/of mutatiepunten mogen niet aangebracht worden in rijbanen, fietspaden, parkeerplaatsen, uitwegen, op kruisingen, ter plaatse van de in- en uitritten van percelen, binnen een afstand van 3,00 m vanaf bomen en (tenzij het vanwege netwerk technische redenen niet anders kan) in kabel- en leidingtracés. De distributie- en/of mutatiepunten dienen bij voorkeur geplaatst te worden in voetpaden, bermen of groenvoorzieningen. In overleg met de toezichthouder kunnen andere afspraken worden gemaakt over deze voorschriften. 9.
De grondroerder dient vooraf aan burgemeester en wethouders schriftelijk toestemming te vragen om (mede)gebruik te maken van voorzieningen die eigendom zijn van de gemeente. Bijvoorbeeld voor het gebruik van mantelbuizen, kabelgoten of holle ruimten die onder een weg of in een kunstwerk (bijvoorbeeld bruggen, tunnels, viaducten en dergelijke) van de gemeente aanwezig zijn.
7.2.2. Aanvullende eisen horizontale ligging 1. Werkzaamheden aan of bij bomen of andere groenvoorzieningen dienen zoveel mogelijk vermeden te worden. Hiermee moet bij de engineering terdege rekening gehouden worden en waar mogelijk dienen bij voorkeur alternatieve routes gekozen te worden. Is het werken aan of bij bomen of andere groenvoorzieningen toch onvermijdelijk dan dient er eerst overleg met de coördinator gevoerd te worden.
27
2. Voorafgaand aan de engineering dient door de grondroerder bij burgemeester en wethouders de lijst waardevolle bomen opgevraagd te worden. Indien zich in het tracé (monumentale) bomen bevinden dienen die (inclusief de kroonprojectie) op de instemmings- of vergunningstekening weergegeven te worden. 3. Wegkruisingen die door middel van een persing (of gestuurde boring) worden gerealiseerd dienen op minimaal 3,00 m vanaf de stam van een boom gesitueerd te worden, tenzij anders wordt overeengekomen met de toezichthouder. 4. Bij wegen met gescheiden rijbanen en/of fietspaden met tussenliggende groenstroken moet bij de realisatie van een wegkruising de mantelbuis (zo mogelijk) uit een lengte bestaan. De mantelbuis mag alleen worden aangebracht buiten de tangentpunten van de aansluitende bochten van wegen, niet in de kruisingsvlakken van wegen. 5. Als het onvermijdelijk is dat er in de nabijheid van bomen en/of andere groenvoorzieningen moet worden gewerkt, moet de grondroerder er rekening mee houden dat er een aantal voorzorgsmaatregelen getroffen dient te worden (Hoofdstuk 9) die schade aan de betreffende boom, groenvoorziening en aan de te leggen kabel en/of leiding voorkomt. Indien de afstand tot de bomen minder is dan bepaald in artikel 7.2.1, vierde lid, dienen er in ieder geval beschermende maatregelen toegepast te worden of er moeten (gestuurde) boringen worden gemaakt.
7.2.3. Verticale ligging 1. Binnen het kabel- en leidingtracé worden de kabels en/of leidingen ten opzichte van het maaiveld qua verticale maatvoering volgens een vaste volgorde ingedeeld. De verticale indeling is weergegeven in het standaarddwarsprofiel. 2. Burgemeester en wethouders melden aan de netbeheerders of er door of vanwege de gemeente werkzaamheden zullen plaatsvinden (of hebben plaatsgevonden) waardoor de maaiveldhoogte significant (0,20 m of meer verhogen of 0,10 m of meer verlagen) wordt of is gewijzigd. 3. Uitgangspunten bij verticale ligging: • distributiekabels en/of -leidingen liggen ondieper dan transportleidingen; • vrijverval -leidingen hebben voorrang boven drukleidingen; • kabels en/of leidingen mogen niet binnen het ontgravingsprofiel van de riolering aangelegd worden. Het ontgravingsprofiel is bekend bij de rioolbeheerder van de gemeente; • bij kruisingen van kabels en/of leidingen bedraagt de onderlinge tussenruimte (verticale afstand)tenminste 0,20 m; • er moet een strook tussen 0,70 m -mv en 0,80 m -mv vrijgehouden worden in verband met kruisendevrijverval rioolaansluitingen. 4. Het bovengenoemde basisprincipe moet zoveel mogelijk worden nagestreefd, mede in verband met kruisende rioolaansluitingen. In bijzondere gevallen kunnen burgemeester en wethouders een andere verticale ligging toestaan c.q. voorschrijven.
28
7.2.4. Aanvullende eisen voor verticale ligging 1. Bij boringen/persingen, in welke vorm ook, is de diepteligging afhankelijk van de situatie ter plaatse. De verticale afstand ten opzichte van de te kruisen kabels en/of leidingen bedraagt bij voorkeur ten minste 0,50 m, waarbij de te boren/persen leiding onder de bestaande leiding dient te worden gevoerd. Om knelpunten tijdens de uitvoering te voorkomen dient hiervoor vooraf onderzoek plaats te vinden. 2. Bij het kruisen van watergangen die in eigendom en beheer zijn van de gemeente dient een minimale gronddekking van 1,00 m ten opzichte van de ontwerpdiepte van de vaste bodem van de watergang te worden aangehouden. 3. Indien de aanwezige vaste bodem van de watergang lager ligt dan de ontwerpdiepte dient een gronddekking van 1,00 m ten opzichte van de aanwezige vaste bodem te worden aangehouden. 4. Indien het onvermijdelijk is dat een kabel of leiding door een groenvoorziening (behoudens wegbermen) wordt gelegd of er onderdoor wordt geperst dient de gronddekking van die kabel of leiding (of mantelbuis) minimaal 1,00 m te bedragen. 5. Kabels en/of leidingen mogen alleen onder een overbouwing (balkon enzovoort) van de openbare ruimte worden gesitueerd indien een goede bereikbaarheid van de kabels en/of leidingen blijvend gewaarborgd is. Bij calamiteiten is het noodzakelijk dat er snel gehandeld kan worden.
Het verdient de voorkeur om als minimale verticale afstand tussen de onderzijde van de overbouwing en het ter plaatse vastgestelde uitgiftepeil minimaal 2,50 m te hanteren, zodat er altijd voldoende werkruimte is voor mechanisch- en ander materieel. 6. Kabels en/of leidingen mogen alleen boven een onderbouwing (kelder, duiker, koppelbalken van funderingen enzovoort) van de openbare ruimte worden gesitueerd indien er voldoende gronddekking boven de kabels en/of leidingen en voldoende tussenruimte tussen de bovenkant van de onderbouwing en de kabels en/of leidingen blijvend gewaarborgd is. Het verdient de voorkeur om als minimale verticale afstand tussen de bovenzijde van de onderbouwing en het ter plaatse vastgestelde uitgiftepeil ten minste 2,00 m te hanteren.
29
7.3. Opruimen uit gebruik genomen kabels en/of leidingen 1. De netbeheerder dient ervoor te zorgen dat zijn uit gebruik genomen kabels en/of leidingen zo snel en zo veel als mogelijk worden opgeruimd, tenzij het opruimen (gedeeltelijk) technisch wordt belemmerd en/of als er tussen burgemeester en wethouders en de netbeheerder andere afspraken gemaakt worden, bijvoorbeeld over het moment waarop opgeruimd wordt en/of als er bomen nabij of op het tracé aanwezig zijn. Uit gebruik genomen kabels en/of leidingen blijven in eigendom en beheer van de netbeheerder en moeten op de revisietekening aangegeven blijven totdat deze zijn opgeruimd. 2. Van uit gebruik genomen kabels en/of leidingen is sprake wanneer a. deze gedurende een aaneengesloten periode van tien jaar geen deel uitmaken van een openbaarnetwerk; b. binnen de periode van tien jaar, zoals bedoeld onder a. van dit lid, vastgesteld wordt dat de kabels en/of leidingen definitief geen deel meer uitmaken of zullen gaan maken van een openbaar netwerk.Dit kan het geval zijn bij bijvoorbeeld vervangingsprojecten. 3. Uit gebruik genomen kabels en/of leidingen dienen in ieder geval opgeruimd te worden wanneer: a. er door de gemeente geïnitieerde (reconstructie)werkzaamheden worden uitgevoerd; b. er werkzaamheden aan kabels en/of leidingen van de netbeheerder zelf en/of van een anderenetbeheerder worden uitgevoerd; c.
burgemeester en wethouders dit verzoeken in het kader van ondergrondse ordening,milieuoverwegingen of anderszins. 4. Tijdelijke kabels en/of leidingen (bijvoorbeeld bouwaansluitingen) dienen na afloop van de bouwactiviteiten verwijderd te worden. Indien na afloop van de bouwactiviteiten blijkt dat deze kabels en/of leidingen niet verwijderd zijn zullen burgemeester en wethouders deze, conform artikel 5.2.2, vierde lid, laten verwijderen.
30
8. Voorwaarden en technische eisen ten aanzien van de uitvoering 8.1. Werkafspraken en voorwaarden met betrekking tot de uitvoering 1. De grondroerder dient ervoor te zorgen dat een afschrift en/of een digitale versie van het instemmingsbesluit, de vergunning of het meldingsformulier inclusief de tekening(en), het Handboek, alsmede de afschriften van de toestemmingen van derden inclusief de voorwaarden en de gegevens van de Klic-melding op de graaflocatie aanwezig zijn; deze dienen desgevraagd aan de coördinator en/of toezichthouder getoond te worden. 2. De grondroerder dient ervoor te zorgen dat het personeel dat wordt ingezet gekwalificeerd is voor de werkzaamheden die zij moeten uitvoeren. Verder dient de grondroerder zich te houden aan de CROW-richtlijnen (onder andere) “Zorgvuldig graafproces”, “Combineren van onder- en bovengrondse infrastructuur met bomen” en “Kabels en leidingen rond wateren en waterkeringen” (respectievelijk de publicaties 250, 280 en 308), de meest recente Standaard RAW-bepalingen (voor grondwerken, groenvoorzieningen, sleuf- en sleufloze technieken en leiding- en kabelwerk) alsmede de Verordening-, Handboek- en WION-bepalingen, inclusief eventuele recente aanvullingen. 3.
Indien het voor aanvang bekend is dat er kabels en/of leidingen van meerdere netbeheerders in, in de directe nabijheid of aansluitend aan een te roeren tracé gelegd of opgeruimd moeten worden dienen deze werkzaamheden zoveel mogelijk gecombineerd, maar in ieder geval aansluitend aan elkaar in een werkgang, uitgevoerd te worden. De grondroerder(s) moet(en) dit als zodanig onderling of met de betreffende netbeheerder(s) en met de coördinator afstemmen (combiwerk). 4. Verder kunnen ook projecten aan de orde zijn waarbij werkzaamheden van de gemeente en netbeheerder(s) binnen een gezamenlijk afgesproken tijdvak uitgevoerd moeten worden. Deze werkzaamheden komen tot stand vanuit proactieve regie en zijn voorafgaand aan de instemmings- of vergunningsaanvraag bekend. 5. In de werkomgeving dienen bermen, gazons en boomspiegels, o.a. door het leggen van rijplaten, altijd beschermd te worden tegen spoorvorming. Verder dienen er dienen voorzorgsmaatregelen te worden getroffen om schade aan netwerken door transport op tijdelijke bouwwegen te voorkomen. Zonder schriftelijke toestemming van de betrokken netbeheerder, mogen geen aanwijspalen, kathodische bescherming palen of hekken worden verplaatst of verwijderd.
Op bouwplaatsen, buiten de uitgiftegrens van een te bouwen object, mag boven kabels en/of leidingen zonder schriftelijke toestemming van de betrokken netbeheerder de grond niet geroerd worden. Aanwijzingen van de betrokken netbeheerder met betrekking tot de bescherming van kabels en/of leidingen dan wel in belang van de veiligheid van kabels en/of leidingen, dienen onverwijld en stipt te worden opgevolgd. 6. De locatie van het opslagterrein van de grondroerder dient in overleg met burgemeester en wethouders bepaald te worden. Burgemeester en wethouders stellen de volgende algemene voorwaarden aan inrichting en oplevering van het opslagterrein: • een opslagterrein mag niet binnen de kroonprojectie van de te handhaven bomen liggen; • ongestoorde ligging van aanwezige kabels en/of leidingen moet worden gewaarborgd; • de grondroerder dient gedurende de werkzaamheden het laden en lossen en het opslaan vanbouwmaterialen op het opslagterrein te laten plaatsvinden, niet daarbuiten; • na afloop van de werkzaamheden dient het opslagterrein schoon en in oude staat opgeleverd teworden; • de inrichting en oplevering van het opslagterrein wordt tussen de toezichthouder en de grondroerderafgestemd. 7. Het is alleen toegestaan om Klic-gegevens in het veld aan te geven met wegenkrijt. Spuitbussen of andere methoden waarbij er verfresten achterblijven op de bestrating zijn niet toegestaan. 8.
Het risico voor het afvoeren en aanvoeren van bouwstoffen ligt altijd bij de grondroerder. De grondroerder dient daarbij aan alle wettelijke eisen en (milieu-)voorschriften te voldoen. 31
9. Behoudens bij spoedeisende werkzaamheden dient er voor werknemers een toiletvoorziening op of nabij de graaflocatie aanwezig te zijn. Indien een toiletcabine wordt ingezet dient deze vastgezet te worden tegen omwerpen. 10. Tenzij met de toezichthouder anders is overeengekomen, mag er per dag geen grotere sleuflengte worden opengemaakt, dan op die dag weer volledig kan worden dichtgemaakt. Ook dienen alle montage- c.q. lasgaten dicht gemaakt te worden. 11. De afspraken, die tussen burgemeester en wethouders en netbeheerders zijn gemaakt, over de uitvoering van het herstel en onderhoud van de verharding en/of groenvoorziening zijn vastgelegd in Deel C van dit Handboek. 12. Indien binnen vijf jaar na groot onderhoud of herinrichting van de openbare ruimte een grondroerder werkzaamheden moet uitvoeren, dient voorafgaand aan de werkzaamheden met de coördinator overlegd te worden over de wijze waarop de grondroerder de kwaliteit van de huidige verharding wil bereiken en kan garanderen. Indien de huidige kwaliteit niet kan worden gegarandeerd kunnen burgemeester en wethouders eisen dat de kabels en/of leidingen via een ander tracé worden gelegd of dat de verharding over een grotere of volle breedte opnieuw wordt gelegd, zodat de huidige kwaliteit wel kan worden gegarandeerd. 13.
Bij reguliere werkzaamheden dient provisorisch of definitief (zie 8.2, zevende lid) herstel binnen twee werkdagen gereed te zijn. Voor bermen, gazons en sleuven zonder bedekking geldt dat altijd direct definitief herstel moet plaatsvinden. Bij werkzaamheden van niet ingrijpende aard of spoedeisende werkzaamheden dient definitief herstel binnen vierentwintig uur gereed te zijn. Uitzonderingen hierop zijn artikel 3.3, derde en vierde lid, en de locaties waar gesloten verharding aanwezig is, daarvoor geldt artikel 8.3. 14. Burgemeester en wethouders kunnen ervoor kiezen om de open verharding in (gedeelten van) de openbare ruimte in eigen beheer te (laten) herstellen. Afspraken hierover worden voor aanvang van het werk gemaakt. In deze gevallen zorgt de grondroerder ervoor dat de opgebroken verhardingsmaterialen onder handbereik langs het tracé worden opgetast. De grondroerder herstelt de sleuf, inclusief verdichting en brengt het zandbed voor de bestrating aan. 15. Tijdens het werk dienen alle (bestratings-)materialen (zo mogelijk) in de nabijheid van de sleuf opgetast te worden, in ieder geval binnen de wegafzetting maar niet tegen gevels, hekwerken of bomen. Zand, grond en eventueel funderingsmateriaal dient gescheiden te worden ontgraven, gescheiden te worden opgeslagen en gescheiden te worden teruggebracht in de sleuf. 16.
Als er direct naast de sleuf geen ruimte is dient de plaats van tijdelijke opslag van (bestratings-) materialen vooraf in overleg met de toezichthouder te worden bepaald. Na beëindiging van het werk (of op eerste aanzegging van burgemeester en wethouders) dienen deze (bestratings-) materialen te worden verwijderd. Indien van toepassing dient de ondergrond te worden hersteld in de staat zoals vooraf aanwezig was. 17. Alle (bestratings-)materialen dienen onbeschadigd herplaatst te worden. De grondroerder dient bij beschadiging zelf te zorgen voor herstel en/of vervangend (bestratings-)materiaal. Uitzondering hierop zijn situaties waarbij tijdens gezamenlijke vooropname van het tracé met de toezichthouder nadere afspraken zijn gemaakt over het leveren van (bestratings-)materiaal door de gemeente. Deze (bestratings-)materialen kunnen in overleg afgehaald worden op de gemeentewerf. 18. Al het te gebruiken (bestratings-)materiaal dient van dezelfde soort en minimaal dezelfde kwaliteit te zijn als het aanwezige (bestratings-)materiaal en de door de gemeente gebruikelijk toe te passen (bestratings-)materialen. 19. Rondom afsluiters, brandkranen, handholes en dergelijke, die vanaf maaiveldniveau toegankelijk zijn, dienen in (asfalt)verharding betonnen pastegels (zogenaamde straatkappen) aangebracht te worden.
32
20. Nadat de werkzaamheden gereed zijn dient het tracé volledig hersteld te zijn en de werkomgeving dient opgeruimd achtergelaten te worden. Bermen en onverharde grond dienen vrij van stenen en dergelijke en indien van toepassing ingezaaid te zijn. Al het overtollige puin, grond, zand, beplantingsresten en/of afval van de werkzaamheden dient afgevoerd te worden naar een erkende, gecertificeerde verwerker. Er mag ook geen zand of vuil achterblijven in (mol)goten, lijnafwatering en straat- en trottoirkolken (indien nodig dient de grondroerder deze te reinigen). Eventueel gemaakte bronneringsgaten dienen weer opgevuld te worden. De werkomgeving moet worden opgeleverd in ten minste de oude staat. De grondroerder en toezichthouder leveren het tracé gezamenlijk op. Het opleverdocument wordt door beide partijen ondertekend. 21. De bepalingen in artikel 7.2.1 tot en met 7.2.4 zijn ook van toepassing voor de uitvoering. Indien tijdens de uitvoering afgeweken wordt van het ingestemde tracé (in horizontale of verticale zin) dient dit altijd vooraf goedgekeurd te worden door de toezichthouder. De grondroerder stuurt daarna binnen vijf werkdagen een gewijzigde tracétekening met afwijkingsrapport naar burgemeester en wethouders ten behoeve van het instemmings- of vergunningsdossier
33
8.2. OPBREKEN EN (INDIEN VAN TOEPASSING) HERSTELLEN OPEN VERHARDING 1. Wegkruisingen in wegen met een open verharding met een (gebonden) puinfundering of met een waterdoorlatende verharding en -fundering opbouw dienen altijd gerealiseerd te worden door middel van een persing of (gestuurde) boring conform artikel 8.5, tenzij met de toezichthouder anders wordt overeengekomen. 2. Wegkruisingen in wegen met een open verharding met een zandfundering mogen in open ontgraving (in 2 gedeelten) gerealiseerd worden. Ter plaatse van de wegkruising dient bij voorkeur een mantelbuis gelegd te worden waardoorheen de kabel en/of leiding moet worden gevoerd. De mantelbuis dient minimaal 0,50 m (bij kabels) of 1,00 m (bij leidingen) aan weerszijden van het te kruisen vlak door te lopen, tenzij met de toezichthouder anders wordt overeengekomen. 3. Indien tijdens het opbreken van open verharding elementen breken of beschadigen dient de grondroerder deze zelf te vervangen door elementen van gelijke samenstelling en hoedanigheid. Indien voorradig kunnen deze eventueel worden geleverd door de gemeente. Indien tijdens een vooropname gezamenlijk (toezichthouder en grondroerder) geïnventariseerd is dat een verharding van een nog op te breken tracé een bovengemiddeld aantal (> 5%) gebroken of beschadigde elementen bevat kan het vervangende materiaal mogelijk door de gemeente beschikbaar worden gesteld.
Hierover dienen afspraken gemaakt te worden met de toezichthouder. 4. Lijnafwatering heeft vaak een fundering van (stamp)beton of gestabiliseerd zand, beiden mogen nooit worden verwijderd. De lijnafwatering inclusief funderingsconstructie moet intact blijven. Ook trottoirbanden die gefundeerd zijn mogen nooit verwijderd worden. Wanneer een lijnafwatering of een gefundeerde trottoirband gekruist moet worden dient over de toe te passen werkwijze overlegd te worden met de toezichthouder. 5. Bij waterdoorlatende verhardingen dient de werkwijze met betrekking tot het opbreken en herstel en de eventueel toe te passen voegvulling altijd vooraf afgestemd te worden met de toezichthouder. 6. Het opbreken en herstellen van bijzondere (sier)bestrating (onder andere natuursteen en gepolijste tegels) kan een specifieke werkwijze vereisen. Om ervoor te zorgen dat het zichtoppervlak van het bestratingsmateriaal niet beschadigd wordt dient de grondroerder de nodige beschermende maatregelen te nemen waarbij aanwijzingen van de toezichthouder altijd opgevolgd dienen te worden. 7. Bij herstel wordt soms onderscheid gemaakt in provisorisch en definitief herstel, in beide gevallen geldt dat de elementen onderling en ten opzichte van de ongeroerde elementen even hoog moeten worden gestraat. Binnen het teruggebrachte straatwerk mogen geen oneffenheden voorkomen.
a) Voorschriften voor provisorisch herstel: • terugbrengen van de verhardingsmaterialen op een niet noodzakelijke vaktechnische wijze maar wel in hetzelfde verband als voor de werkzaamheden aanwezig was, zodanig dat geen gevaar bestaat voorde weggebruiker; • in de te bestraten sleuf mogen alleen onbeschadigde bestratingsmaterialen worden verwerkt, op de kop gestraat. Elementen kleiner dan een halve tegel of klinker mogen niet worden gebruikt. Klinkers op z’n kant straten is toegestaan; • het lengte- en dwarsprofiel van de verharding mag met enige overhoogte worden bestraat omgeringe klink op te vangen; • de elementenverharding dient te worden afgetrild en afgestrooid met straatzand. b) Voorschriften voor definitief herstel: • de meest recente voorschriften van de Standaard RAW bepalingen gelden; • het straatwerk dient onder hetzelfde profiel en verband te worden gestraat als voor de werkzaamheden aanwezig was. Er mogen geen klinkers op z’n kant terug gestraat worden
34
•
Elementen kleiner dan een halve tegel of klinker mogen niet worden gebruikt. Indien dit niet mogelijkis dient de sleuf over een grotere breedte opgebroken te worden en opnieuw te worden bestraat; uitgevoerd straatwerk dient schoongeveegd afgetrild te worden en moet daarna ingeveegd worden met schoon brekerzand (bij betonklinkers), schoon straatzand (bij tegels) of schoon split (bij gebakken bestratingsmateriaal). Alle voegen in het straatwerk dienen in de eindsituatie voldoende (minimaal voor 80%) met de ter plaatse toe te passen voegvulling te zijn gevuld. Een teveel aan voegruimte dient verdeeld te worden (schiften) over de sleufbreedte.
8. De werkomgeving moet worden opgeleverd zoals omschreven in artikel 8.1, twintigste lid.
8.3. Opbreken en (indien van toepassing) herstellen gesloten verharding 1. Wegkruisingen in wegen met een gesloten verharding dienen altijd gerealiseerd te worden door middel van een persing of (gestuurde) boring conform artikel 8.5. Als dit vanwege een technische reden niet mogelijk is, dan kan met de toezichthouder anders worden overeengekomen. 2. Het is in beginsel verboden ontgravingen te verrichten in wegen met een gesloten verharding, behalve wanneer in deze wegen al kabels en/of leidingen aanwezig zijn die moeten worden gerepareerd of dat er aansluitingen op moeten worden gemaakt. In die gevallen wordt er gewerkt met voorafgaande (schriftelijke) toestemming van burgemeester en wethouders. 3. Voordat een asfaltconstructie mag worden verwijderd dienen de grenzen van het betreffende uit te breken gedeelte op steenmaat tot de gewenste diepte te worden ingezaagd. Voor montage- c.q. lasgaten geldt een minimale breedte en lengte van 1,00 m, de sleufbreedte dient minimaal 0,80 m te zijn. 4. Bij mechanisch te verrichten grondwerk dient de asfaltsleuf minimaal 0,50 m breder te zijn dan de bakbreedte van de graafmachine. Het ondergraven van de asfaltverharding is niet toegestaan. 5. Vervolgens dient het asfalt (indien noodzakelijk) met behulp van een compressor te worden verwijderd.
De vrijgekomen materialen moeten (voor zover dit mogelijk is) worden gescheiden naar: • teerhoudend; • niet teerhoudend. Beide moeten worden afgevoerd conform de CROW-publicatie 210: 'Richtlijn omgaan met vrijkomend asfalt'. Indien van toepassing dient de grondroerder zelf voor de benodigde afvalstroomnummers te zorgen. Een kopie van de acceptatie- of stortbonnen van een erkend en gecertificeerd verwerkingsbedrijf dient direct overhandigd te worden aan de coördinator of toezichthouder. 6. Sleuven of montage- c.q. lasgaten in de asfaltverharding moeten nadat de kabels en/of leidingen zijn gelegd, over de volle breedte worden opgevuld en verdicht en de funderingsconstructie moet worden hersteld met menggranulaat 0/31,5 mm. 7. De te herstellen asfaltsleuf of montage- c.q. lasgat moet tonrond dichtgestraat worden in een zandbed van tenminste 0,05 m brekerzand met betonstenen (BSS KF 80mm dik, zo mogelijk in de kleur van het aanwezige asfalt) in elleboogverband op een wijze die geen gevaar oplevert. De bovenzijde van de stenen dienen gelijk te liggen met het ingezaagde asfalt. De stenen dienen vlak ten opzichte van elkaar te worden gestraat. Indien er vooraf afspraken met de toezichthouder over zijn gemaakt kunnen de betonstenen mogelijk worden afgehaald op de gemeentewerf.
Voor het onderhoud van de met klinkers herstelde sleuf geldt de afspraak zoals is vermeldt in artikel 5.2.2, derde lid. 35
8. Indien het dichtstraten van een sleuf of montage- c.q. lasgat niet op deugdelijke wijze wordt uitgevoerd kan dat tot gevolg hebben dat de aansluitende verhardingen als gevolg van het gebruik door het verkeer verzakken en/of beschadigen. Binnen de afgesproken onderhoudstermijn die geldt voor straatwerk dient dergelijke schade door de grondroerder te worden hersteld. 9. De werkomgeving moet worden opgeleverd zoals omschreven in artikel 8.1, twintigste lid. 10. Het definitieve asfaltherstel laten burgemeester en wethouders achteraf uitvoeren.
8.4. Opbreken en herstellen bermen, gazons en sleuven zonder bedekking 1. Bij het werken in een sleufbedekking van gazon en daarmee vergelijkbare grasvelden en -stroken dient, indien nodig, het aanwezige gewas voorafgaand aan de werkzaamheden door de grondroerder gemaaid te worden en het maaisel moet worden afgevoerd. 2. Bij opname van een sleufbedekking van (sier)gazon en daarmee vergelijkbare grasvelden en -stroken moeten ter breedte van de sleuf regelmatige zoden, dikte ca. 0,03 - 0,05 m, worden gestoken. De graszoden dienen apart van de uitkomende grond “groen op groen” te worden opgetast. 3. Indien afgesproken is dat burgemeester en wethouders zelf zorg dragen voor het herstel van de sleufbedekking (artikel 5.2.2, tweede lid) of als de graszoden niet binnen 48 uur weer kunnen worden teruggelegd, dienen de vrijkomende zoden te worden afgevoerd door de grondroerder. 4. Na aanvullen van de sleuf op de vereiste hoogte moeten de graszoden binnen 48 uur weer nauwkeurig worden teruggelegd, aangerold en met teelaarde gedresd. Ten slotte dienen de zoden met schoon water zolang als nodig is bewaterd te worden. De grondroerder dient tekortkomende zoden zelf aan te leveren. 5. In bermen waar gras aanwezig is en waar het steken van regelmatige zoden naar het oordeel van de toezichthouder niet mogelijk is dient de sleufbedekking (graspollen en dergelijke) te worden afgevoerd.
Nadat de kabels en/of leidingen zijn gelegd en de sleuf tot op de juiste hoogte is aangevuld en verdicht dient het oppervlak van de berm, vrij van stenen en dergelijke, gefreesd en ingezaaid te worden met een zoveel mogelijk overeenkomstig grasmengsel. Bermen buiten de kom inzaaien met graszaadmengsel B3 en bermen binnen de kom /gazon inzaaien met R1. Ten slotte dient de berm met schoon water zolang als nodig is bewaterd te worden. Ingezaaide bermen moeten indien nodig, in het eerst volgende groeiseizoen nogmaals worden doorgezaaid. 6. Sleuven zonder bedekking dienen, nadat de kabels en/of leidingen zijn gelegd, tot op de juiste hoogte aangevuld, verdicht en met het oppervlak vrij van stenen en dergelijke vlak afgewerkt te worden. 7. De werkomgeving moet worden opgeleverd zoals omschreven in artikel 8.1, twintigste lid
36
8.5. Weg-, water- of boomkruising door sleufloze technieken of baggeren 1. Indien bij een wegkruising de aanleg van kabels en/of leidingen door middel van een persing (<10m1) of (gestuurde) boring onder het wegdek wordt gerealiseerd, dient dit haaks op de wegas 2. minimaal 1,00 m uit de tangentpunten en zodanig uitgevoerd te worden zodat er geen verzakking of bolling in de verharding kan optreden. De persing of (gestuurde) boring dient bij voorkeur voorafgaand aan het graven van de sleuf voor het hoofdtracé gerealiseerd te worden. Het aanbrengen van een (stalen) mantelbuis is daarbij verplicht, tenzij er tussen de grondroerder en de toezichthouder andere afspraken worden gemaakt. Bij een persing dient de mantelbuis van dezelfde diameter te zijn als het kegelstuk van de pers. 3. Indien een persing of (gestuurde) boring mislukt mag de aangebrachte buis niet worden verwijderd. Er moet dan een nieuwe persing of (gestuurde) boring worden gemaakt en de niet gebruikte buis moet worden vol geschuimd. De kopeinden van de mantelbuis moeten afgedicht worden met kunststof deksels. 4. De minimale verticale afstand tussen de bovenkant van de te persen buis of te realiseren (gestuurde) boring en de onderkant van de wegfundering dient minimaal 0,50 m te bedragen. Indien het technisch mogelijk is moet de mantelbuis een minimale dekking hebben van 1,00 m ten opzichte van de weghoogte. 5.
De minimale verticale afstand tussen de bovenkant van de te persen buis of te realiseren (gestuurde) boring en de onderkant van een te kruisen kabel en/of leiding dient bij voorkeur minimaal 0,50 m te bedragen. De te boren/persen buis dient onder de bestaande kabel en/of leiding doorgevoerd te worden. 6. Bij een wegkruising dient de aangebrachte mantelbuis minimaal 1,00 m aan weerszijden van het te kruisen vlak door te lopen, tenzij er tussen de grondroerder en de toezichthouder andere afspraken worden gemaakt. De verharding mag nooit ondergraven worden (bijvoorbeeld voor het opzoeken van de buiseinden). 7. Bij een kruising van een watergang die in eigendom en beheer is van de gemeente moet de aanleg van kabels en/of leidingen door middel van een (gestuurde) boring of door in baggeren onder de vaste bodem van de watergang worden gerealiseerd. Een minimale gronddekking van 1,00 m ten opzichte (van de ontwerpdiepte) van de vaste bodem van de watergang is daarbij vereist. (zie artikel 7.2.4, tweede en derde lid). De realisatie van de kruising van de watergang dient bij voorkeur voorafgaand aan het graven van de sleuf voor het hoofdtracé gerealiseerd te worden. 8. Na realisatie van de kruising van de watergang moeten, indien van toepassing, de taluds en bodem weer in de oude staat teruggebracht worden. Op de oevers kan de ligging van de kruising van de watergang gemarkeerd worden.
Indien de toezichthouder het noodzakelijk acht moet er op het in- en uittredepunt van een in gebaggerde kruising van een watergang een beschoeiing aangebracht worden. 9. Indien de locatie van een persing of (gestuurde) boring binnen de kroonprojectie van de boom ligt dient de grondroerder de wijze van uitvoering af te stemmen met de toezichthouder. 10. Indien een boomkruising middels een zogenaamde boomboring met een mantelbuis wordt uitgevoerd dient de mantelbuis in ieder geval onder de wortelzone van de boom door aangebracht te worden met een minimum van 0,75 meter. Aan de uitvoeringseisen (onder andere verticale maatvoering) van de boring en de materiaalkeuze van de mantelbuis kunnen door burgemeester en wethouders nadere eisen gesteld worden. De boring dient bij voorkeur voorafgaand aan het graven van de sleuf voor het hoofdtracé gerealiseerd te worden.
37
11. De toe te passen methode van het realiseren van een weg- water- of boomkruising behoeft vooraf de goedkeuring van burgemeester en wethouders. Het aanbrengen met behulp van waterdruk is nooit toegestaan. Ongestuurde raketboringen in de openbare ruimte zijn niet toegestaan (tenzij er tussen de grondroerder en de toezichthouder andere afspraken worden gemaakt) en bij het kruisen van een watergang kan toepassing van een (gestuurde) boring worden vereist, bijvoorbeeld om hinder voor het scheepvaartverkeer te voorkomen. 12. Van een gerealiseerde persing of (gestuurde) boring die niet direct in gebruik genomen wordt dienen de kopeinden van de mantelbuis afgedicht te worden met kunststof deksels. 13. Van een gerealiseerde persing of (gestuurde) boring die in gebruik genomen is dient de ruimte tussen de kabels en/of leidingen aan de kopeinden van de mantelbuis deugdelijk afgedicht te worden met daartoe bestemd middel (bijvoorbeeld Stopaq).
8.6. Graaf- en grondwerkzaamheden 1. Te ontgraven grond, zand, half verharding (grind en dergelijke), teelaarde, funderingsmateriaal enzovoort moet gescheiden ontgraven, vervoerd en/of in depot gezet of aangevuld worden. Het opbreken van een waterdoorlatende verharding en -fundering opbouw of fundering die is opgebouwd uit IBC-bouwstoffen vereist een speciale werkwijze die afgestemd moet worden met de toezichthouder. De aanwijzingen van de toezichthouder dienen altijd opgevolgd te worden. 2. Bij het graven van sleuven moet het talud aangepast zijn aan de sleufdiepte, de eventuele bemaling en de grondsoort, zodat de sleufwanden niet kunnen instorten en/of uitzakken. Zo nodig moet de sleufwand met schotten worden gestut. 3. Er mag geen zand of vuil achterblijven in (mol)goten, lijnafwatering en straat- en trottoirkolken. Daartoe moeten straat- en trottoirkolken en lijnafwatering gedurende de werkzaamheden tijdelijk worden afgedekt. 4. Alle werkzaamheden dienen bij voorkeur in een droge sleuf plaats te vinden. Nadat de kabels en/of leidingen gelegd zijn moet de sleuf worden aangevuld en verdicht. Om de profielopbouw van de ondergrond zo optimaal mogelijk te herstellen moet het uitgegraven materiaal, vrij van stenen en dergelijke, over de volle breedte van de sleuf laagsgewijs en met zorg in de juiste volgorde terug in de sleuf worden gebracht.
De dikten van grond-, fundering- en zandlaag en/of de laag teelaarde dienen gelijk te zijn aan de aanwezige laagdikten. Bermen en groenstroken dienen met voldoende overhoogte (10%) aangevuld te worden. Bevroren grond en/of zand, sneeuw, (groen)afval en puin mag niet worden verwerkt in de aanvulling. De grondroerder levert een tekort aan zand of grond of zorgt voor afvoer van zand of grond indien er materiaal overblijft. Sleuven in bestaande en toekomstige rijbanen, fietspaden, in- en uitritten, parkeerplaatsen en in nader door burgemeester en wethouders te bepalen bestrating en verharding, moeten tot aan de onderkant van de bestrating of verharding geheel met zand voor zandbed worden gevuld, tenzij er tussen de grondroerder en de toezichthouder andere afspraken worden gemaakt. 5. Daar waar open verharding aanwezig is dient het aanwezige zandbed direct onder de verharding, de straatlaag, hersteld te worden. Indien de aangetroffen dikte van de straatlaag kleiner is dan 0,20 m, zal de grondroerder het te kort komende zand leveren en aanbrengen. De vergoeding zal in overleg met de toezichthouder worden bepaald. 6. Om de juiste verdichtingsgraad te verkrijgen dient de aanvulling te worden uitgevoerd in lagen van maximaal 0,25 m waarbij elke laag, bij voorkeur met een mechanisch verdichtingsapparaat, moet worden verdicht.
38
7. De sondeerwaarde van de aanvullingen onder verhardingen en in wegbermen dient na verdichting minstens 90% te bedragen van de sondeerwaarde, zoals deze voorafgaand aan de werkzaamheden op - of op korte afstand naast - de sleuf wordt aangetroffen, de referentiewaarde. 8. Onder verhardingen moet in het algemeen gestreefd worden naar een minimale sondeerwaarde van 4 MPa echter, de referentiewaarde is bepalend voor de (conform het zevende lid) te behalen sondeerwaarde in de sleuf. 9. Aanvullingen in beplantingsvakken of onder gazon op een diepte van minder dan 0,80 m mag na verdichting een sondeerwaarde hebben van maximaal 1,5 MPa en er mag geen verkneding of structuurbederf optreden. De laag met teelaarde mag niet mechanisch verdicht worden. 10. De controle op het aanvullen en verdichten van de sleuven dient plaats te vinden door of namens de grondroerder. De grondroerder dient de referentiewaarden en de gemeten sondeerwaarden vast te leggen. De metingen dienen verricht te worden met een (hand)sondeerapparaat of met een nucleaire verdichtingsmeter (of eventueel door middel van de proctorproef). Indien de toezichthouder hierom vraagt dient de grondroerder de meetgegevens te overleggen. Op aanwijzing van de toezichthouder dient de grondroerder steekproeven uit te voeren. De toezichthouder kan ook zelf steekproeven uitvoeren. 11.
Indien de toezichthouder constateert dat de aanvulling c.q. verdichting niet aan de gestelde eisen voldoet, zal hij de grondroerder daarvan in kennis stellen. Daarna heeft de grondroerder de gelegenheid om dit binnen vijf werkdagen te herstellen. 12. Indien de oorzaak van slechte verdichtingsresultaten is, dat de uitgekomen grond niet voor aanvulling/verdichting geschikt is dient deze afgevoerd te worden. De grondroerder dient dan nieuwe voor aanvulling benodigde grond en/of zand op het werk te leveren en opnieuw te verwerken. Daarna vindt wederom een controle door de toezichthouder plaats.
8.7. Kabel- en/of leidingwerkzaamheden 1. De grondroerder dient zich te overtuigen van de plaats van alle reeds in het werk gelegen leidingen. Hiertoe dienen in het beoogde tracé (handmatig) proefsleuven gegraven te worden. 2. De grondroerder dient ervoor te zorgen dat de gegevens van de gemaakte proefsleuven en de maatvoeringen van de daarin aangetroffen kabels en/of leidingen getoond kunnen worden aan de coördinator of toezichthouder indien daarom wordt verzocht. Indien afwijkingen van het vigerende standaarddwarsprofiel dan wel het door burgemeester en wethouders aangewezen standaard tracé worden geconstateerd zal de grondroerder in overleg met de coördinator of toezichthouder voor de te leggen kabel of leiding een nieuw tracé bepalen. 3. Er mogen geen kabels en/of leidingen, distributie- en/of mutatiepunten of andere (bovengrondse) voorzieningen boven bestaande kabels en/of leidingen geplaatst worden waardoor deze niet meer bereikbaar zijn voor onderhoud, reparatie en dergelijke. Indien de toezichthouder constateert óf dat op een later moment blijkt dat dit toch het geval is dan dient de grondroerder die fout binnen vijf werkdagen te herstellen.
Indien er geen andere oplossing mogelijk is kan bij uitzondering, in overleg met en met goedkeuring van de betreffende netbeheerder onder voorwaarden en/of door het nemen van (beschermende) maatregelen, eventueel een afwijkende ligging worden geaccepteerd. 4. De netbeheerder dient ervoor te zorgen dat zijn uit gebruik genomen kabels en/of leidingen zoveel als mogelijk worden opgeruimd (zie ook artikel 7.3).
39
5. Tijdelijk aan te brengen voorzieningen (zoals bijvoorbeeld damwanden, sleufbekisting enzovoort) ten behoeve van werkzaamheden in de openbare ruimte dienen de goedkeuring te hebben van de coördinator. Deze tijdelijke voorzieningen dienen na het voltooien van de werkzaamheden te worden verwijderd, tenzij in overleg met de coördinator anders wordt besloten. Een rapport over de verwijderde voorziening(en), eventueel aangevuld met opdrachten en facturen wordt aan de toezichthouder ter inzage gegeven. 6. Bij de aanleg van kabels en/of leidingen en voorzieningen nabij bomen of andere groen-voorzieningen moeten de bepalingen uit Hoofdstuk 9 van dit Handboek strikt in acht worden genomen. 7. Alle te leggen kabels en/of leidingen dienen duidelijk te zijn voorzien van een codering of label (of een bepaalde kleur te hebben) waaruit blijkt wat de functie of wie de eigenaar van deze kabel en/of leiding is. 8. (Voorbereide) aansluitingen dienen zo veel mogelijk tegelijk met of voorafgaand aan de aanleg van het hoofdtracé aangelegd te worden en haaks op het distributienetwerk om geen extra beslag te leggen op de ondergrondse ruimte. 9.
Voorbereide aansluitingen, waarbij de voor de aansluiting bedoelde buis of kabel op de benodigde lengte in de openbare grond wordt opgeborgen (vooral bij CAI en FttX) moeten zo strak mogelijk worden opgerold, gebundeld en verticaal op de juiste diepte onder een beschermende voorziening evenwijdig aan en tegen de perceelgrens worden weggezet. 10. De exacte locaties van distributie- en/of mutatiepunten en bovengrondse voorzieningen dienen in overleg met de toezichthouder bepaald te worden. Conform het bepaalde in het tweede en derde lid van dit artikel dient vooraf vastgesteld te worden of de gekozen locatie vrij is van overige kabels en/of leidingen. Indien de toezichthouder constateert óf dat op een later moment blijkt dat een distributieof mutatiepunt of bovengrondse voorziening niet conform afspraak is geplaatst dient de grondroerder deze binnen vijf werkdagen te verplaatsen. 11. Bovengrondse voorzieningen moeten in overleg met burgemeester en wethouders zoveel mogelijk uit het zicht (liefst inpandig of indien mogelijk zelfs ondergronds) geplaatst worden of direct naast andere, reeds aanwezige, bovengrondse voorzieningen. 12. Bij plaatsing van bovengrondse voorzieningen in een straatprofiel dienen deze zoveel mogelijk langs gevels en/of in lijn met het bestaande straatmeubilair geplaatst te worden. 13.
Bij plaatsing van bovengrondse voorzieningen van grotere afmeting in of nabij een groenvoorziening kunnen burgemeester en wethouders nadere eisen stellen. Er kan bijvoorbeeld aanplant van extra groenvoorziening gewenst zijn om de bovengrondse voorziening zoveel als mogelijk aan het zicht te onttrekken. Deze extra voorwaarden worden door burgemeester en wethouders zoveel mogelijk opgenomen in het instemmingsbesluit of de vergunning, echter de aanwijzingen van de coördinator of toezichthouder dienen eveneens altijd te worden opgevolgd. 14. Burgemeesters en wethouders bepalen in overleg de RAL kleur van bovengrondse voorzieningen waardoor deze beter opgaat in de omgeving. 15. De in- en uitgaande kabels bij distributie- en/of mutatiepunten en bovengrondse voorzieningen dienen zodanig gelegd te worden dat verweving met kabels en/of leidingen van andere netbeheerders wordt voorkomen. 16. Bij ondergrondse plaatsing dienen distributie- en/of mutatiepunten zodanig geplaatst te worden dat het deksel een minimale dekking heeft van 0,50 m onder het maaiveld.
40
17. Het deksel van distributie- en/of mutatiepunten die op maaiveldniveau worden geplaatst dient minimaal te voldoen aan verkeersklasse D400(NEN-EN 124) en altijd gelijk te liggen met de aanwezige bestrating of (berm)verharding. Aanwezige elementenverharding rond het distributie- en/of mutatiepunt dient geknipt te worden in het bestaande verband. Indien een distributie- en/of mutatiepunt door verzakking op enig moment niet meer gelijk ligt met de bestrating of (berm)verharding, terwijl de bestrating of (berm)verharding wel op de juiste hoogte ligt, dient de netbeheerder dit op eerste aanzegging van burgemeester en wethouders te herstellen. 18. Nadat alle werkzaamheden gereed zijn dient de grondroerder de ligging gegevens van de kabels en/of leidingen, inclusief (voorbereide) aansluitingen, distributie- en/of mutatiepunten en bovengrondse voorzieningen (digitaal) in te meten en deze op een revisietekening digitaal beschikbaar te hebben voor raadpleging door derden (conform WION).
8.8. Werken in of met (voormalig) verontreinigde grond
Noot: Voor de gemeente Tytsjerksteradiel geldt dat er voor de exacte informatie aangaande (voormalig) verontreinigde grond vooraf contact opgenomen moet worden met de gemeente.
1. De grondroerder dient de werknemers volledig te instrueren over de in het VG&M-plan (zie ook artikel 5.4 en 5.4.1) voorgeschreven (beschermings-)maatregelen bij het werken in of nabij een verontreinigde grondlocatie. De grondroerder zal ervoor zorgen dat de voorgeschreven (beschermings-) maatregelen worden nageleefd. 2. Indien er tijdens werkzaamheden het vermoeden bestaat dat verontreinigde grond aanwezigis, moeten de werkzaamheden direct tot nader order worden gestaakt. Hiervan dient per omgaande melding gemaakt te worden bij de afdeling KAM (kwaliteit, arbeidsomstandigheden en milieu) van de betreffende grondroerder en bij de coördinator of toezichthouder. Daarnaast dient de uitgebrachte mogelijk verontreinigde grond door middel van onderafdichting en een folie te worden afgeschermd. De ontgraving dient af te worden gezet met hekwerk voorzien van de juiste veiligheidsvoorschriften. 3. De grondroerder dient de vereiste (wettelijke) procedures voor ontgraven te volgen. Indien de ontgraven grond op de locatie hergebruikt mag worden dient dat te worden aangetoond. Indien de grond niet hergebruikt mag worden dient deze, vergezeld van een transportgeleidebiljet, naar een erkend en gecertificeerd verwerkingsbedrijf te worden gebracht.