05 - Bijlage 5.1 - KSO Fryslan Hoofdrapportage Eindversie
Tekst van het document
Koopstromenonderzoek Provincie Fryslân 2024
32 van 119
Figuur 3.2a. Ontwikkeling totale winkelaanbod (2017-2024), in m2 WVO
Figuur 3.2b. Ontwikkeling dagelijks winkelaanbod (2017-2024), in m2 WVO
Koopstromenonderzoek Provincie Fryslân 2024
33 van 119
Figuur 3.2c. Ontwikkeling recreatief winkelaanbod (2017-2024), in m2 WVO
Figuur 3.2d. Ontwikkeling doelgericht winkelaanbod (2017-2024), in m2 WVO
Koopstromenonderzoek Provincie Fryslân 2024
34 van 119
Wanneer we kijken naar de ontwikkelingen in de grotere, middelgrote en kleinere winkelgebieden, valt op dat het aantal verkooppunten in alle gevallen terugloopt, maar niet overal met dezelfde omvang: • Het aantal dagelijkse winkels daalt het hardst in de groep met de kleinste centra (met minder dan 100 verkooppunten) en (veel) minder in de andere gebieden. Dit is een ontwikkeling die aandacht verdient; een supermarkt in een dorp, gecombineerd met een compact bestand aan dagelijkse winkels, vormt een belangrijke basis voor de leefbaarheid in dorpen. • De hoeveelheid recreatieve winkels daalt het hardst in de middelgrote winkelgebieden (tot 2002 winkels). Hier zien we dat middelgrote steden het hardst geraakt worden door de veranderende marktomstandigheden: als consumenten (fysiek recreatief) gaan winkelen, dan doen ze dat het liefst in steden met een groot aanbod in detailhandel/horeca en sfeer en beleving. Middelgrote gebieden hebben moeite om dat onderscheidende aanbod te bieden. • In de doelgerichte sector is er weinig verschil in de omvang van de daling per groep. • Het aantal leegstaande winkels is in de kleinere winkelgebieden veel harder teruggelopen dan in de andere gebieden.
In deze categorie is het onderscheid het grootst: terwijl kleine winkelgebieden een daling in het aantal leegstaande winkelunits zagen van 42 procent, was dit voor grote en middelgrote winkelgebieden respectievelijk 23 en 7 procent. NB. Het feit dat de leegstand in kleinere centra relatief hard terugloopt betekent níet dat het aantal winkels toeneemt. We zien vooral dat leegstaande panden getransformeerd wordt naar andere functies (bijvoorbeeld wonen). Op het gebied van horecavestigingen zien we in drie van de achttien gemeenten (Leeuwarden, Smallingerland en Schiermonnikoog) een netto-stijging; in de overige gemeenten is sprake van een stabilisering of (aanzienlijke) daling. In Súdwest-Fryslân zijn onder aan de streep de meeste horecabedrijven verdwenen (-18). De afname van het aantal horecabedrijven in deze gemeente is volledig in het buitengebied geweest; in Sneek steeg het aantal horecabedrijven met één. Grootste centrumgebieden Leeuwarden, Drachten, Sneek en Heerenveen zijn de plaatsen met de grootste centrumgebieden. Als we kijken naar de ontwikkeling van het aanbod (VKP) in deze gebieden (Figuur 3.3) zien we de volgende patronen: • De leegstand is in drie van de vier centrumgebieden gedaald, met name in Leeuwarden; daar staan maar liefst dertig panden minder leeg (-42 procent).
Alleen in het centrum van Sneek is het aantal leegstaande panden iets gestegen, namelijk +2 (+6 procent). • Het dagelijkse aanbod blijft gelijk in Heerenveen en daalt in de overige gebieden, met name in Sneek (-14 procent). Dit is redelijk in lijn met het landelijke en provinciale beeld, dat het aantal dagelijkse winkels afnemen en dat de resterende winkels (zoals supermarkten) in schaalgrootte toenemen. • In de recreatieve sector zien we een daling in alle vier de gebieden. Deze is het kleinst in Drachten (-8 procent) en het grootst in Heerenveen (-20 procent) en Leeuwarden (-19 procent). Dit is een patroon dat we in alle grote en middelgrote steden in Nederland zien: juist in deze sector met daarin onder andere mode- en schoenenwinkels (van oudsher de basis voor het echte ‘shoppen’) is de concurrentie van online groot. Deze ontwikkeling zet het functioneren van deze winkelgebieden dus onder druk: het aanbod en daarmee de aantrekkingskracht nemen af.
Koopstromenonderzoek Provincie Fryslân 2024
35 van 119
•
•
In de doelgerichte sector is de daling zelfs nog iets groter, van -16 procent in Sneek tot -24 procent in Heerenveen. Het feit dat de daling in de doelgerichte sector hoger in de recreatieve sector, valt zeker niet overal waar te nemen. Doelgerichte sectoren (zoals tuincentra en doehet-zelf) hebben over het algemeen minder last van online concurrentie dan de recreatieve sector. Hier zijn waarschijnlijk andere, lokale oorzaken voor. Op het gebied van horeca zien we een stijging van het aantal bedrijven in Drachten (7 extra bedrijven, +10 procent) en Heerenveen (5 extra bedrijven, +9 procent). Het aantal horecabedrijven in de binnensteden van Leeuwarden en Sneek is (nagenoeg) hetzelfde gebleven.
Figuur 3.3. Ontwikkeling aanbod in de 4 grootste centrumgebieden (in aantal VKP) 2017-2024 Leegstand
Dagelijks
Recreatief
Doelgericht
Horeca 7
10 5
2
1
0
0 -5 -10
-7
-6
-5
-3
-2 -5 -8
-10 -9 -10
-15 -20
-20 -19
-25 -30 -35
5
-17
-30
-40
-38
-45 Leeuwarden
Drachten
Sneek
Heerenveen
Leegstand De hierboven reeds genoemde aanzienlijke daling van het aantal leegstaande panden is één van de meest opvallende punten in de analyse van het aanbod op de Friese winkelmarkt. De absolute hoeveelheid leegstaande winkelmeters is bijna gehalveerd: van 159.204 m 2 in 2017 naar 83.093 m2 in 2024. Het aantal winkels dat momenteel leegstaat is 433, terwijl dat er in 2017 nog 594 waren. Het provinciebrede leegstandspercentage is op dit moment laag: 4,7 procent van de winkels staat momenteel leeg (was 5,7 procent in 2017) en 4,4 procent van de winkelmeters (was 7,7 procent in 201719).
19
De meetmethode van het aantal winkelmeters (en welke categorieën daartoe behoren) was in 2017 nog licht anders, waardoor een vergelijking strikt genomen niet mogelijk is. De afwijkingen zijn echter relatief marginaal, zodat het beeld van een fors dalend leegstandspercentage op gebied van m2 WVO zonder meer stand houdt.
Koopstromenonderzoek Provincie Fryslân 2024
36 van 119
Ten opzichte van het Nederlands gemiddelde (6,4 procent leegstand VKP en 5,6 procent leegstand WVO) scoort Fryslân zeer goed, zo blijkt uit de landelijke Leegstandsmonitor20. Van alle provincies is Fryslân de provincie met het laagste leegstandspercentage zowel op het gebied van VKP als op WVO. In dertien van de achttien gemeenten is de hoeveelheid leegstand gedaald. In absolute zin is de daling van de hoeveelheid leegstand (m2 WVO) het hoogst in de gemeenten Smallingerland, Súdwest-Fryslân, Leeuwarden en De Fryske Marren (Figuur 3.4). De grootste procentuele stijging van de leegstand vond plaats in Harlingen (voornamelijk veroorzaakt door één groot leeggekomen pand) en Heerenveen (Figuur 3.5). Andere gemeenten waar het leegstandspercentage significant hoger is dan het Fries gemiddelde zijn Ooststellingwerf en Waadhoeke. Figuur 3.4. Ontwikkeling leegstaande meters per gemeente (in m2 WVO) Vlieland Schiermonnikoog Ameland Terschelling Dantumadiel Tytsjerksteradiel Opsterland Achtkarspelen De Fryske Marren
2017
Noardeast-Fryslân
2024
Waadhoeke
Harlingen Smallingerland Weststellingwerf Ooststellingwerf Súdwest-Fryslân Leeuwarden Heerenveen 0
5.000
10.000
15.000
20.000
25.000
30.000
20
Leegstandsmonitor 2024 (Locatus, 2024). In deze monitor wijken de percentages beperkt (0,1%) af voor Fryslân, in verband met een iets andere peildatum.
Koopstromenonderzoek Provincie Fryslân 2024
37 van 119
Figuur 3.5. Ontwikkeling leegstandspercentages per gemeente (o.b.v. VKP) 10% 9% 8% 7% 6% 5% 4% 3% 2% 1% 0%
2017
2024
De daling van de totale hoeveelheid leegstand is de drijvende factor achter de dalende hoeveelheid winkelmeters in totaal. Maar wat gebeurt er met al die verdwenen meters? Uit de analyses van de horeca- en dienstenmarkt, blijkt dat deze sectoren niet significant verantwoordelijk zijn voor het invullen van detailhandelsleegstand: deze sectoren zien immers een netto-teruggang in omvang. Het principe waarin horeca de plek inneemt van retail, zien we alleen in Leeuwarden en Smallingerland (Drachten) optreden, waar de hoeveelheid horeca de laatste jaren gestegen is. In veel andere gebieden (en zeker de kleinere kernen en kleinere winkelgebieden) heeft een veel groter aandeel een niet-commerciële bestemming gekregen. In veruit de meeste gevallen gaat het dan om woningen. In diverse Friese kernen is de afgelopen jaren een actief beleid van clustering en transformatie gevoerd, waarin minder goed functionerende aanloopstraten en verspreide winkels geleidelijk zijn getransformeerd (omgebouwd); veelal naar woningen en soms naar andere functies. De huidige woonbehoefte die ook in Fryslân duidelijk aanwezig is, maakt dat het transformeren naar woningen een logische keuze is (al is de business case niet altijd zonder meer positief vanwege stijgende bouwkosten, momenteel een relatief hoge rente en aanvullende regelgeving).
We kunnen concluderen dat de effecten van dit beleid duidelijk zichtbaar zijn in de cijfers. Samenstelling leegstand Locatus maakt onderscheid tussen 3 typen leegstand: • frictie-/aanvangsleegstand: korter dan 1 jaar leeg; • langdurige leegstand: tussen de 1 en 3 jaar leeg; • structurele leegstand: langer dan 3 jaar leeg. Daarnaast kan het zo zijn dat een pand als ‘verbouw’ wordt geclassificeerd, wanneer er op dat moment (nog) geen winkel- of andere functie in het pand aanwezig is.
Koopstromenonderzoek Provincie Fryslân 2024
38 van 119
In de provincie Fryslân staat momenteel iets meer dan de helft van de leegstaande panden maximaal één jaar leeg (tabel 3.6). Een kwart staat tussen de één en drie jaar leeg en circa 15 à 20 procent staat langer dan drie jaar leeg. Daarnaast zijn provinciebreed op het moment van meten (medio april 2024) 20 panden in verbouw. Tabel 3.6. Aantal leegstaande panden per type Type leegstand
Aantal panden
Frictie-/aanvangsleegstand
232
Langdurige leegstand
107
Structurele leegstand
74
Verbouw
20
Totaal
433
Koopstromenonderzoek Provincie Fryslân 2024
39 van 119
Tabel 3.7 laat zien dat van het aantal leegstaande panden in de provincie circa de helft kleiner is dan 100 m2 WVO (in totaal 220 panden). Slechts 30 leegstaande panden in de hele provincie hebben een oppervlakte van meer dan 500 m2 WVO. Tabel 3.7. Aantal leegstaande panden per oppervlakte klasse (verbouw buiten beschouwing gelaten) Oppervlakte klasse
Aantal panden
0-50 m2
109
51 - 100 m2
111
2
98
101-200 m
201-500 m
2
501-1000 m > 1001 m
65 2
25
2
5
Totaal
413
Ontwikkeling functiemix De afgelopen vier jaar (2020-2024) hebben kleine veranderingen plaatsgevonden in de functiemix van verschillende type winkelgebieden. Onderstaande figuur geeft de functiemix van de hoofdwinkelgebieden (tussen de 200 en 700 VKP), de grote kernverzorgende centra (tussen de 100 en 200 VKP) en de kleine kernverzorgende centra (maximaal 100 VKP) weer. In alle type winkelgebieden is het aandeel leegstand gedaald. Het aandeel dagelijks laat een lichte stijging zien in alle type winkelgebieden. Hetzelfde geldt voor het aandeel horeca, dat voornamelijk in de hoofdwinkelgebieden en de grote kernverzorgende centra is gestegen.
Kernverzorgend centrum klein
Kernverzorgend Hoofdwinkelgebiecentrum groot den (groot en klein)
Figuur 3.6. Ontwikkeling functiemix naar winkelgebiedstypering (2020-2024) 21 2020
12%
9%
34%
8%
11% 3% 5%
14%
5% 00-Leegstand
2024
7%
10%
34%
8%
11% 3% 6%
16%
5%
11-Dagelijks 22-Mode & Luxe
2020
11%
18%
34%
4%
12%
3%4% 9%
5%
35-Vrije Tijd
37-In/Om Huis 2024
8%
21%
34%
3%
12%
5%
10%
5%
38-Detailh Overig 45-Transp&Brand
2020
7%
27%
18%
3%
17%
3% 5%
14%
5%
58-Cultuur & Ontspanning 59-Horeca
2024
6% 0%
28% 20%
19% 40%
16% 60%
3% 5% 80%
14%
5%
65-Diensten
100%
21
We maken hier de vergelijking met 2020 i.p.v. 2017, omdat in 2017 nog niet voor elke groep het aantal m 2 WVO beschikbaar was.
Koopstromenonderzoek Provincie Fryslân 2024
40 van 119
3.2
Werkgelegenheid
De detailhandel en horeca zijn van oudsher belangrijke sectoren qua werkgelegenheid, zeker voor middelbaar en lager opgeleiden. In Fryslân was in 2023 de totale sector detailhandel goed voor ruim 29.000 banen22. Gecombineerd met horeca en cultuur & ontspanning gaat het zelfs om een totaal van ruim 44.000 banen. Daarmee hebben deze sectoren een gezamenlijk aandeel van 13,6 procent in de totale werkgelegenheid in de provincie Fryslân. Het totaal aantal banen in de gezamenlijke sectoren is met bijna 2.600 gestegen (+6,2 procent). Figuur 3.7 toont de ontwikkeling van het aantal banen per sector. De afgelopen jaren hebben zich in de detailhandel verschuivingen voorgedaan die hetzelfde patroon volgen als de ontwikkelingen in het aantal winkelmeters: in de dagelijkse sector is het aantal banen tussen 2016 en 2023 gestegen met 1.371 banen (+9,5 procent), terwijl het aantal banen in de recreatieve sector is afgenomen met 504 banen (-7,8 procent). In de doelgerichte sector is het aantal banen vrij stabiel gebleven. Opvallend is de stijging van het aantal banen in de sector horeca. Terwijl Fryslân in 2023 netto minder horecabedrijven telt dan in 2016, is het aantal banen in de sector flink gestegen: in zeven jaar tijd kwamen er 1.578 banen bij, een stijging van 13,4 procent. Schaalvergroting en meer parttime dienstverbanden kunnen belangrijke achterliggende redenen zijn.
Wanneer we ons beperken tot de detailhandel en kijken naar het gemeenteniveau, dan zien we in de meeste gemeenten een stijging van het aantal banen (Figuur 3.8). Procentueel gezien viel de grootste stijging op drie Waddeneilanden waar te nemen (Schiermonnikoog, Terschelling en Ameland) en in de gemeente Ooststellingwerf. De grootste procentuele dalingen waren te zien op Vlieland en in Dantumadiel. Figuur 3.7. Ontwikkeling aantal banen per sector 18000
16000 14000 12000 10000 8000 6000 4000 2000 0 Dagelijks
Horeca 2016
22
Recreatief 2019
Doelgericht
Cultuur & ontspanning
2023
LISA, bewerking door Ipsos I&O
Koopstromenonderzoek Provincie Fryslân 2024
41 van 119
Figuur 3.8. Ontwikkeling aantal banen per gemeente (detailhandel) 5.906 5.847 6.012
Leeuwarden 4.681 4.719 4.794
Súdwest-Fryslân 2.674 2.729 2.837
Smallingerland
De Fryske Marren
2.114 2.103 2.206
Heerenveen
2.237 2.184 2.196 1.693 1.627 1.671
Noardeast-Fryslân
Waadhoeke
1.376 1.373 1.402
Tytsjerksteradiel
1.208 1.233 1.316
Opsterland
1.184 1.209 1.298
2016
Ooststellingwerf
1.065 1.195 1.248
2023
Weststellingwerf
1.226 1.198 1.177
Achtkarspelen
1.075 1.116 1.160
2019
773 829 792
Harlingen
646 629 604
Dantumadiel
Terschelling
260 272 312
Ameland
235 250 260
Schiermonnikoog
63 66 87
Vlieland
77 63 61 0
1.000
2.000
Koopstromenonderzoek Provincie Fryslân 2024
3.000
4.000
5.000
6.000
7.000
42 van 119
4
Koopstromen
4.1
Inleiding
In dit hoofdstuk gaan we nader in het op het bestedingsgedrag van de consument in de detailhandel (uitgesplitst in dagelijks, recreatief en doelgericht) en in de horeca. We beschouwen waar de inwoner en bezoeker van de provincie hun besteedbaar inkomen uitgeven en welke ‘koopstromen’ dit oplevert. Het inzichtelijk maken van deze stromen biedt een belangrijke basis om het verdienpotentieel in verschillende winkelgebieden te bepalen.
4.2
Opbouw koopstromen
Onderstaande figuur toont schematisch de koopstromen die in dit onderzoek aan bod komen. Daarbij zijn ‘koopkrachtbinding’, ‘koopkrachttoevloeiing’ en ‘koopkrachtafvloeiing’ (fysiek en online) de belangrijkste begrippen. Figuur 4.1. Schematische weergave koopstromen
Koopstromenonderzoek Provincie Fryslân 2024
43 van 119
Detailhandelsbestedingen: alle bestedingen door consumenten bij de online en offline detailhandel. • Te verdelen naar: o koopkrachtbinding (bij fysieke winkels in de eigen gemeente); o koopkrachtafvloeiing fysiek (bij fysieke winkels in een andere gemeente); o koopkrachtafvloeiing online (bij webshops: pure online23 en omnichannel24). Binding en afvloeiing tellen gezamenlijk altijd op tot 100% (totale bestedingspotentieel). Detailhandelsomzet: alle bestedingen bij fysieke winkels (= omzet exclusief btw) in een gebied (gemeente of winkelgebied). • Bestaande uit: o bestedingen van inwoners uit de eigen gemeente; o bestedingen van inwoners van buiten de eigen gemeente (= toevloeiing); o bestedingen van toeristen (= toevloeiing). Bestedingen van inwoners uit eigen gemeenten, andere gemeenten en toeristen tellen samen op tot 100% (totale detailhandelsomzet). Voor koopstromen horeca kan eenzelfde uitsplitsing worden gemaakt. Het enige verschil is dat horeca geen ‘afvloeiing online’ kent: een horeca-bestelling via een online bezorgplatform wordt in het onderzoek gekoppeld aan het restaurant waar de bestelling feitelijk binnenkomt.
23 24
Webshops van bedrijven zonder fysieke vestiging. Webshops van landelijke winkelketens en lokale winkeliers.
Koopstromenonderzoek Provincie Fryslân 2024
44 van 119
4.3
Bestedingen detailhandel
Inwoners van de provincie Fryslân besteden op dit moment in de detailhandel 4,20 miljard euro per jaar (exclusief btw en exclusief toerisme). Het gaat dan om een optelsom van de bestedingen in de ‘fysieke’ winkelgebieden in en buiten de provincie en de bestedingen online. Dit bedrag wordt beïnvloed door het inwoneraantal van de provincie en de bestedingen per hoofd van de bevolking25. Van deze € 4,20 miljard bestedingen wordt: • € 2,07 miljard besteed in dagelijkse winkels; • € 0,72 miljard besteed in recreatieve winkels; • € 0,82 miljard besteed in doelgerichte winkels; • € 0,61 miljard besteed aan online aankopen van goederen.
Figuur 4.2. Totale retailmarkt Fryslân (in miljoenen euro’s)
Online afvloeiing doelgericht; €214
Doelgericht; €818 Dagelijks; €2.073
Online afvloeiing recreatief; €328
Recreatief; €724 Online afvloeiing dagelijks; €70
25
De bestedingen per hoofd zijn (tot op zekere hoogte) afhankelijk van de koopkracht van inwoners. De mate waarin bestedingen afhankelijk zijn van inkomen wordt aangeduid in de zogenaamde ‘inkomenselasticiteit’. Deze kengetallen worden jaarlijks onderzocht door onderzoeksbureau Panteia, i.o.v. INretail en een serie gezamenlijke adviesbureaus (waar ook IPSOS - I&O en BRDG Advies deel van uit maken).
Koopstromenonderzoek Provincie Fryslân 2024
45 van 119
4.4
Binding
Wanneer we kijken naar de gebonden bestedingen van inwoners van gemeenten in de provincie, dan valt in algemene zin te zeggen dat inwoners gemiddeld: • 85 procent van hun aankopen in de dagelijkse sector in de eigen gemeente doen; • 43 procent van hun aankopen in de recreatieve sector in de eigen gemeente doen; • 53 procent van hun aankopen in de doelgerichte sector in de eigen gemeente doen. Vergeleken met de meest recente KSO’s in andere regio’s (Oost-Nederland 2024 en Groningen 2023) valt op dat in Fryslân het bindingspercentage in de recreatieve en doelgerichte sector wat hoger ligt dan in andere regio’s: een groter aandeel Friezen koopt deze producten dus in de eigen gemeente (binding dagelijks is vergelijkbaar). Dit heeft waarschijnlijk te maken met de structuur van Fryslân, met veel middelgrote kernen verspreid door de provincie, maar wellicht ook met de verbondenheid (Mienskip) met de eigen woonplaats. We zien hier duidelijke verschillen die te maken hebben met het bezoekgedrag: aankopen in de dagelijkse sector (bijv. supermarkt, bakker en drogist) zijn vaak snel, frequent en doelgericht. Dan is het logisch dat een groot deel van de consumenten dat zo dicht mogelijk bij huis zoekt (in eigen wijk, dorp of stad).
Wanneer men verder weg gaat voor dagelijkse boodschappen, dan is dat vaak ofwel in combinatie met andere activiteiten, ofwel omdat het aanbod significant groter is. Voor het winkelen in recreatieve sectoren (mode, schoenen, luxe) is men vaak bereid wat verder te reizen, wat langer vergelijkend te winkelen en er wat vaker een ‘dagje of middagje shoppen’ van te maken. Of men koopt online. Dan is het logisch dat een kleiner deel van de aankopen nog fysiek in de eigen gemeente plaatsvindt. De doelgerichte sector, ten slotte, zit daar wat tussenin: het zijn aankopen die we soms op locaties dichtbij huis doen (even snel naar de bouwmarkt of het tuincentrum), maar voor grotere aankopen (nieuw bankstel of tv) willen we ook wel eens naar een andere stad of naar het online-kanaal uitwijken. Tussen gemeenten zien we grote verschillen. In onderstaande tabel tonen we de bindingscijfers in de drie sectoren, ten opzichte van de mate van stedelijkheid van de gemeenten. In de stedelijke gebieden wonen over het algemeen meer mensen in de nabijheid van grotere winkelgebieden met meer aanbod. Ze hebben dus over het algemeen meer keus dichtbij huis en hebben daarom minder snel de noodzaak om elders te winkelen.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat er een heel duidelijk verband is tussen de mate van stedelijkheid en de bindingspercentages: die zijn het hoogst in de sterk stedelijke gemeenten en het laagst in de niet-stedelijke gemeenten. Tabel 4.1. Bindingscijfers per sector (verdeeld naar mate van stedelijkheid in Friese gemeenten) Niet stedelijk
Weinig stedelijk
Matig stedelijk
Sterk stedelijk
Dagelijks
79%
89%
84%
93%
Recreatief
31%
44%
46%
58%
Doelgericht
40%
57%
57%
66%
Koopstromenonderzoek Provincie Fryslân 2024
46 van 119
Figuur 4.3a. Binding dagelijks
Figuur 4.3b. Binding recreatief
Koopstromenonderzoek Provincie Fryslân 2024
47 van 119
Figuur 4.3c. Binding doelgericht
Figuur 4.3d. Binding totaal binnen grootste kernen
Koopstromenonderzoek Provincie Fryslân 2024
48 van 119
Figuur 4.4a. Binding en afvloeiing (fysiek en online) per gemeente (dagelijkse sector) Terschelling
97%
Harlingen
96%
Ameland
93%
4%
Leeuwarden
93%
3% 3%
De Fryske Marren
90%
7% 3%
Weststellingwerf
90%
7% 3%
Vlieland
90%
10%
Smallingerland
88%
8%
Súdwest-Fryslân
88%
9%
Achtkarspelen
85%
12%
Tytsjerksteradiel
84%
14%
3%
4%
3%
Ooststellingwerf
80%
16%
3%
Waadhoeke
78%
18%
4%
Noardeast-Fryslân
77%
19%
4%
Heerenveen
75%
20%
5%
Dantumadiel
75%
23%
Opsterland
71%
Schiermonnikoog
24%
58% 0%
20%
Binding
34% 40%
Afvloeiing fysiek
Koopstromenonderzoek Provincie Fryslân 2024
60%
4% 8%
80%
100%
Afvloeiing online
49 van 119
Figuur 4.4b. Binding en afvloeiing (fysiek en online) per gemeente (recreatieve sector) Leeuwarden
58%
Smallingerland
12%
53%
Súdwest-Fryslân
29%
16%
48%
31%
19%
33%
De Fryske Marren
41%
28%
30%
Heerenveen
41%
28%
30%
Noardeast-Fryslân
39%
28%
33%
Weststellingwerf
38%
29%
34%
Achtkarspelen
37%
Harlingen
36%
Terschelling
35%
Tytsjerksteradiel
34%
Waadhoeke
31%
35%
34%
Ooststellingwerf
31%
39%
31%
Ameland
30%
Opsterland
35% 31%
17%
Vlieland
14%
Schiermonnikoog
14% 0%
33%
17%
49% 39%
27%
21%
21%
Dantumadiel
28%
49% 52%
28%
52%
32%
37%
50%
28% 20%
Binding
58% 40%
Afvloeiing fysiek
Koopstromenonderzoek Provincie Fryslân 2024
60%
80%
100%
Afvloeiing online
50 van 119
Figuur 4.4c. Binding en afvloeiing (fysiek en online) per gemeente (doelgerichte sector) Smallingerland
67%
Leeuwarden
66%
15%
18%
13%
21%
Weststellingwerf
61%
21%
18%
Súdwest-Fryslân
61%
18%
21%
27%
18%
Noardeast-Fryslân
55%
Harlingen
50%
30%
20%
De Fryske Marren
49%
33%
18%
Heerenveen
48%
32%
20%
Terschelling
47%
Tytsjerksteradiel
44%
16%
36% 39%
17%
Ooststellingwerf
40%
36%
24%
Waadhoeke
40%
39%
21%
Achtkarspelen
40%
42%
18%
Ameland
39%
Opsterland
29%
30%
Dantumadiel
48%
19%
Vlieland
16%
32%
9% 0%
22%
65%
11%
Schiermonnikoog
32%
56%
43% 20% Binding
48% 40%
Afvloeiing fysiek
60%
80%
100%
Afvloeiing online
Kijken we naar individuele gemeenten, dan zien we dat: • Op het dagelijkse vlak Leeuwarden en Harlingen de hoogste bindingspercentages hebben op het vasteland (Figuur 4.4a). Het gaat hier om stedelijke gemeenten met een relatief groot aanbod ten opzichte van het aantal inwoners. Opsterland, Dantumadiel en Heerenveen hebben de laagste bindingscijfers (71-75 procent). • Op het vlak van recreatief winkelen Leeuwarden, Smallingerland en Súdwest-Fryslân de hoogste binding hebben (Figuur 4.4b). Dit zijn niet toevalligerwijs de gemeenten met de drie grootste centrumgebieden (Leeuwarden, Drachten, Sneek), waar het aanbod aan recreatieve winkels het hoogst is. De binding is het laagst in Dantumadiel, waar een echt groot winkelgebied ontbreekt.
Koopstromenonderzoek Provincie Fryslân 2024
51 van 119
•
•
In de doelgerichte sector dezelfde gemeenten als in de recreatieve sector boven komen drijven qua hoogste binding, namelijk Smallingerland en Leeuwarden (Figuur 4.4c). Deze hebben naast een groot centrum ook een grootschalig cluster (respectievelijk MLK-Boulevard en De Centrale) waar veel winkels in de doelgerichte sector aanwezig zijn. Daarnaast heeft gemeente Weststellingwerf een relatief hoog bindingspercentage, omdat ook Wolvega een groot doelgericht cluster heeft (Home Center). Op de Waddeneilanden Terschelling en Ameland, met een groter aanbod aan dagelijkse winkels, ook hogere bindingspercentages hebben dan Schiermonnikoog 26 en Vlieland. Op het gebied van binding in de recreatieve sector zijn op alle eilanden relatief lage bindingscijfers waar te nemen ten opzichte van het vasteland. Hetzelfde geldt voor de doelgerichte sector.
In Figuur 4.3d (p. 48) zijn de bindingscijfers per kern weergegeven: het percentage bestedingen dat inwoners van een kern binnen hun eigen kern uitgeven. Logischerwijs zien we dat het bindingspercentage stijgt met de omvang van de kern (grotere kernen hebben een groter winkelaanbod). Ook de geografische ligging telt mee: de middelgrote kern Lemmer bijvoorbeeld, heeft een hoog percentage gebonden bestedingen. Dit is een combinatie van een relatief sterk aanbod en grotere kernen die op relatief grote afstand liggen. In die zin valt het hoge bindingspercentage in Burgum (Bergum) op: met 73 procent heeft Burgum één van de hogere bindingspercentages, terwijl zowel Leeuwarden als Drachten relatief dichtbij liggen. Blijkbaar biedt het winkelgebied voldoende aanbod en andere positieve aspecten om veel bestedingen in de eigen kern te houden. In de grafieken op de volgende pagina’s hebben we de gemeenten ingedeeld in een grafiek met op de horizontale as het aantal winkels per 1.000 inwoners en op de verticale as de koopkrachtbinding. Deze grafieken laten zien dat, met name in de recreatieve en doelgerichte sector, de koopkrachtbinding sterk verband houdt met de hoeveelheid winkels per inwoner: gemeenten met de hoogste ‘winkeldichtheid’ kennen ook de grootste koopkrachtbinding. Dit effect is het grootst bij de gemeenten met de grotere steden, zoals Leeuwarden en Drachten.
In de dagelijkse sector zien we een veel minder sterke relatie. Daar spelen zaken zoals nabijheid/gewoonte een veel grotere rol. NB. In deze figuren ontbreken de Waddeneilanden. De verhoudingen wijken dermate af, dat de inzichten tussen de gemeenten op het vasteland onderling verloren zouden gaan. Alle eilanden hebben een zeer hoog aantal winkelmeters per 1.000 inwoners. In de dagelijkse en recreatieve sector is dit ongeveer vier keer zoveel als op het vasteland. Dit wordt uiteraard veroorzaakt door het toeristische profiel van de eilanden. Een vergelijking tussen aanbod en koopkrachtbinding voegt daarmee weinig toe.
26
Het aantal ingevulde enquêtes op Schiermonnikoog viel lager uit dan voor andere gemeenten. De beperkte omvang van het aantal huishoudens is hier de belangrijkste reden voor. Methodologisch gezien maakt dit de resultaten iets minder betrouwbaar. Na analyse van de resultaten concluderen we wel dat de cijfers een goede indicatie geven van de koopstromen op Schiermonnikoog; daarom zijn ze wel opgenomen in de rapportage.
Koopstromenonderzoek Provincie Fryslân 2024
52 van 119
Figuur 4.5a. VKP per 1.000 inwoners vs. koopkrachtbinding (dagelijks) 100% Harlingen 95%
Leeuwarden
Koopkrachtbinding
Weststellingwerf
De Fryske Marren
90% Súdwest-Fryslân
Smallingerland
Achtkarspelen
85% Tytsjerksteradiel 80% Waadhoeke
Ooststellingwerf 75%
Noardeast-Fryslân
Heerenveen
Dantumadiel
Opsterland 70% 1,2
1,3
1,4
1,5
1,6
1,7
1,8
1,9
2
Aantal verkooppunten per 1.000 inwoners (dagelijks)
Figuur 4.5b. VKP per 1.000 inwoners vs. koopkrachtbinding (recreatief) 80% 70% Leeuwarden
Smallingerland 60%
Súdwest-Fryslân
Koopkrachtbinding
Weststellingwerf
Heerenveen
50% Tytsjerksteradiel
De Fryske Marren
40% Harlingen 30%
Noardeast-Fryslân Waadhoeke
Achtkarspelen Ooststellingwerf
20%
Opsterland
10% Dantumadiel 0% 0
0,5
1
1,5
2
2,5
3
3,5
Aantal verkooppunten per 1.000 inwoners (recreatief)
Koopstromenonderzoek Provincie Fryslân 2024
53 van 119
Figuur 4.5c. VKP per 1.000 inwoners vs. koopkrachtbinding (doelgericht) 80%
Leeuwarden Súdwest-Fryslân
70% 60%
Koopkrachtbinding
Weststellingwerf
Smallingerland
Noardeast-Fryslân
Harlingen 50%
De Fryske Marren
Tytsjerksteradiel
Heerenveen
40% Waadhoeke
Achtkarspelen
30%
Ooststellingwerf
Opsterland 20% Dantumadiel
10% 0% 1
1,5
2
2,5
3
Aantal verkooppunten per 1.000 inwoners (doelgericht)
Een schaalniveau lager, op het niveau van kernen (dorpen/steden), zien we dat de mate van binding sterk samenhangt met de omvang van de kern. Dat is niet verwonderlijk: hoe groter een kern is, hoe groter over het algemeen het winkelaanbod zal zijn en hoe meer de lokale inwoner kan vinden wat hij/zij zoekt. Terwijl vooral kernen tot 5.000 inwoners maar zeer beperkt hun inwoners binden qua bestedingen, groeit dit met de omvang van de kern. Onderstaande grafieken laten zien dat dit patroon zowel in de dagelijkse, recreatieve als doelgerichte sector naar voren komt. In de dagelijkse sector is het echter zo dat de binding fors omhoog gaat bij de scheiding tussen kernen tot 5.000 inwoners en kernen vanaf 5.000 inwoners. In de recreatieve en doelgerichte sector verloopt de stijging van de bindingspercentages geleidelijker. Figuur 4.6a. Binding en afvloeiing (fysiek en online), uitgesplitst naar kernclassificatie (dagelijks) Kernen tot 5.000 inwoners
30%
Kernen 5.000 - 10.000 inwoners
66%
4%
87%
10%
Kernen 10.000 - 20.000 inwoners
93%
5%
Kernen 20.000 - 50.000 inwoners
90%
6% 4%
Kernen vanaf 50.000 inwoners
94%
4%
0% Binding
20% Afvloeiing fysiek
Koopstromenonderzoek Provincie Fryslân 2024
40%
60%
80%
100%
Afvloeiing online
54 van 119
Figuur 4.6b. Binding en afvloeiing (fysiek en online), uitgesplitst naar kernclassificatie (recreatief) Kernen tot 5.000 inwoners
5%
Kernen 5.000 - 10.000 inwoners
63%
32%
27%
Kernen 10.000 - 20.000 inwoners
46% 44%
Kernen 20.000 - 50.000 inwoners
50%
Kernen vanaf 50.000 inwoners
27% 26%
30%
18%
32%
59% 0%
Binding
20%
11% 40%
Afvloeiing fysiek
30%
60%
80%
100%
Afvloeiing online
Figuur 4.6c. Binding en afvloeiing (fysiek en online), uitgesplitst naar kernclassificatie (doelgericht) Kernen tot 5.000 inwoners
8%
70%
Kernen 5.000 - 10.000 inwoners
35%
Kernen 10.000 - 20.000 inwoners
22% 48%
55%
17% 29%
16%
Kernen 20.000 - 50.000 inwoners
63%
19%
19%
Kernen vanaf 50.000 inwoners
66%
12%
21%
0% Binding
20% Afvloeiing fysiek
Koopstromenonderzoek Provincie Fryslân 2024
40%
60%
80%
100%
Afvloeiing online
55 van 119
Vergelijking met 2016/2017 27 Wanneer we de bindingscijfers op kernniveau vergelijken met die uit 2016/2017, dan lijkt het globale patroon als volgt: • Net als in 2016/2017 zijn ook de bindingscijfers op het dagelijks niveau zeer hoog. Voor de grootste Friese kernen lagen deze in 2016/2017 allemaal (ruim) boven de 90 procent. Kleinere kernen zagen gemiddeldes tussen de 70 en 90 procent. Uit de vergelijking met 2024 blijkt dat dit patroon niet significant is veranderd: ook nu hebben kernen boven de 10.000 inwoners gemiddeld een binding van 90 procent of meer. Zelfs kernen tussen de 5.000 en 10.000 inwoners zien veelal nog een binding van (ruim) boven de 80 procent. Enkel in de kleinere kernen komen we significant lagere bindingen tegen, die gemiddeld slechts op 30 procent liggen. Dit laatste is opvallend laag, maar heeft er mee te maken dat de afgelopen jaren diverse kleinere kernen hun laatste supermarktaanbod hebben zien vertrekken. Daarmee is in deze kernen de dagelijkse binding tot een minimum gezakt. In andere kernen tot 5.000 is, wanneer de supermarkt er nog wel is, de binding significant hoger. • In 2016/2017 werden de sectoren recreatief en doelgericht nog bijeengebracht tot ‘nietdagelijks’. Wanneer we de cijfers van 2016/2017 bekijken zien we dat in 2016/2017 zeker de grotere kernen een behoorlijk hoge binding niet-dagelijks hadden.
Leeuwarden en Drachten kenden een binding van boven de 80 procent, terwijl Sneek en Heerenveen rond de 70 procent zaten. Middelgrote kernen zoals Harlingen, Surhuisterveen, Wolvega, Joure, etc. kenden een binding tussen de 50 procent en 70 procent; kleinere kernen zaten vaak (een stuk) lager. Met name door de stormachtige ontwikkeling van het online winkelen zien we dat zich behoorlijke verschuivingen hebben voorgedaan. In het recreatieve segment zien we dat de binding ook in de grootste kernen niet meer boven de 60 procent uitkomt; in het doelgerichte segment ligt de binding soms nog net daarboven. Ook middelgrotere en kleinere kernen zien hun binding op niet-dagelijks vlak fors verlaagd. Heel globaal kan aangegeven worden dat dit tussen de 15 en 25 procent is. Dit is ook niet verwonderlijk gezien het feit dat de online afvloeiing in deze kernen circa 30 procent (recreatief) en circa 20 procent (doelgericht) is. Al met al heeft de online afvloeiing dus een forse daling in de binding veroorzaakt in het nietdagelijkse segment.
27
Voor een toelichting over de vergelijkbaarheid tussen het KSO 2024 en het KSO 2016/2017 verwijzen we naar paragraaf 1.2 op bladzijde 14.
Koopstromenonderzoek Provincie Fryslân 2024
56 van 119
4.5
Afvloeiing fysiek en online
De directe tegenhanger van binding is afvloeiing: de mate waarin een inwoner een deel van zijn/haar aankopen níet in fysieke winkels in de eigen gemeente doet, maar ófwel in een andere gemeente ófwel op het internet. We kunnen daarin onder andere de volgende patronen constateren: Dagelijks • De fysieke afvloeiing in de dagelijkse sector is logischerwijze het grootst in gemeenten waar de binding het laagst lag. Dit zijn de kleinere Waddeneilanden, maar ook de gemeenten Dantumadiel, Opsterland en Heerenveen. De omvang en kwaliteit van het aanbod zijn onvoldoende om de inwoners in hoge mate te binden. Dit kan komen doordat het aanbod in nabijgelegen kernen bijvoorbeeld groter en/of beter bereikbaar is. Het kleinste percentage komt naar voren in Harlingen (2 procent) en het hoogste op Schiermonnikoog (34 procent) • Het aandeel afvloeiing richting de online sector is in alle gemeenten nog maar zeer beperkt. Gemiddeld ligt dit in heel Fryslân op 3 procent met de hoogste percentages op Schiermonnikoog (8 procent) en op het vasteland Heerenveen (5 procent) We zien dat de laatste jaren het online boodschappen doen flink in opkomst is, maar in absolute zin is het aandeel nog zeer beperkt. In KSO Groningen (2022) en Oost-Nederland (2023) lagen deze percentages op respectievelijk 3 procent en 4 procent.
Recreatief • De fysieke afvloeiing in het recreatieve segment is het hoogst in de gemeenten Opsterland en Dantumadiel (52 procent). In beide gevallen gaat het om gemeenten met relatief kleine ‘eigen’ winkelgebieden en een groter winkelgebied (zoals Drachten of Dokkum) in relatieve nabijheid. De fysieke afvloeiing is het laagst in Leeuwarden (12 procent) en Smallingerland (16 procent), de gemeenten met de grootste winkelgebieden. • De online afvloeiing op het gebied van recreatief winkelen is de afgelopen jaren fors gestegen en neemt inmiddels een aanzienlijk deel van de omzet voor haar rekening. Dit is het meest zichtbaar op de eilanden waar circa 50 procent van de recreatieve aankopen online worden gedaan. Dit heeft alles te maken met het relatief beperkte aanbod en het feit dat het veel tijd kost om naar een groter winkelgebied af te reizen. Op het vasteland zien we dat de percentages een stuk lager zijn en relatief dicht bij elkaar: tussen de 27 en 34 procent. Daarbij valt heel globaal op dat de gemeenten aan de westkant van de provincie iets meer online bestellen dan aan de oostkant. Leeuwarden neemt in dit verband een gemiddelde positie in: blijkbaar leidt de combinatie van een groot aanbod enerzijds en een jonge bevolking (die relatief veel online koopt) anderzijds tot een vrij ‘normaal’ online afvloeiingspercentage.
Doelgericht • De fysieke afvloeiing in de doelgerichte sector varieert behoorlijk tussen gemeenten, tussen de 13 procent en 65 procent. In algemene zin kan de, niet verrassende, conclusie worden getrokken dat gemeenten met weinig aanbod in deze sector (bijv. geen eigen meubelboulevard of cluster van grootschalige/perifere winkels zoals doe-het-zelf- en tuincentra) een relatief grote fysieke afvloeiing hebben, veelal naar de buurgemeente. De percentages liggen het hoogst in Dantumadiel, Opsterland en Achtkarspelen.
Koopstromenonderzoek Provincie Fryslân 2024
57 van 119
•
De online afvloeiing ligt op het vasteland in alle gemeenten redelijk stabiel tussen de 16 en 22 procent. De Waddeneilanden laten ook hier een veel groter aandeel online afvloeiing zien, vanwege het beperkte aanbod op de eilanden zelf en de extra inspanning die het vereist om af te reizen naar grotere gebieden. Deze aandelen liggen tussen de 32 procent (Ameland) en 56 procent (Vlieland).
In Figuur 4.7 brengen we in beeld op welke andere gemeenten een gemeente het meest georiënteerd is. We doen dit voor de recreatieve sector omdat de patronen daar het sterkst zijn. Door dit te doen zien we enkele clusters ontstaan. Het grootste aantal gemeenten is qua afvloeiing het meest op Leeuwarden georiënteerd, wat logisch is gezien de centrale ligging en het grote aanbod. Maar we zien ook enkele regionale clusters: zo zijn gemeenten in het oostelijk deel van Fryslân het meest gericht op Smallingerland. Ook Heerenveen en Noardeast-Fryslân (Dokkum) hebben hun eigen (kleinere) regionale cluster. Ondanks de positie van Sneek als het op twee na grootse winkelgebied van Fryslân is er geen gemeente van waaruit de grootste afvloeiing naar Súdwest-Fryslân gaat. Figuur 4.7. Gemeentelijke oriëntatie fysieke afvloeiing (recreatieve sector) (gemeenten met lichtere kleur zijn qua afvloeiing primair georiënteerd op gemeente met donkerder kleur)
Koopstromenonderzoek Provincie Fryslân 2024
58 van 119
Online afvloeiing nader bekeken Zoals reeds besproken zijn er grote verschillen tussen branches qua online afvloeiing. In onderstaande tabel geven we voor een serie belangrijke artikelgroepen het percentage online afvloeiing weer. Wanneer we naar de artikelgroepen met de laagste online afvloeiing kijken, dan zien we de dagelijkse boodschappen, maar ook de tuinartikelen, die in Fryslân slechts in 3% van de gevallen online worden gekocht. De fysieke winkels blijven hier dus een zeer dominant aandeel houden. Friezen vinden, net als alle Nederlanders, het blijkbaar makkelijker, efficiënter en/of leuker om in deze sectoren naar een winkel te gaan. Aan het andere einde van het spectrum bevinden zich de artikelgroepen elektronica, media en hobby en mode, die tussen de 30 en 40 procent van de potentiële omzet zien wegvloeien naar het online kanaal. Dit aandeel van de omzet komt niet of slechts zeer beperkt (want het aandeel lokale winkels op het online kanaal is slechts enkele procenten) ten goede aan de fysieke winkels in winkelgebieden. Juist in deze branches is de vergelijkbaarheid groot (modellen of titels zijn op veel plekken hetzelfde) en daardoor is er geen sprake van kwaliteitsverschil tussen identieke producten (zoals dat bijv. bij groenten of planten wel het geval kan zijn). Tabel 4.2. Online afvloeiing per artikelgroep Artikelgroep
% online
Elektronica
39%
Media en hobby
36%
Mode
33%
Sport en spel
26%
Woninginrichting
19%
Huishoudelijk
18%
Doe-het-zelf
5%
Boodschappen
3%
Tuinartikelen
3%
Het is dan ook niet verwonderlijk dat, met de stormachtige groei van het online winkelen in de laatste jaren, het juist deze branches zijn waarvan een aanzienlijk deel is verdwenen uit het straatbeeld. Dat zien we vooral in de elektronicabranche, waar qua fysieke winkels vroeger diverse formules het straatbeeld sierden. Inmiddels is dit gereduceerd tot enerzijds lokale aanbieders met veel service (zoals Expert en EP) en anderzijds de grootschalige aanbieders. In de media-branche zien we al dat veel CD- en platenzaken verdwenen zijn, terwijl boekwinkels nog wel bestaansrecht hebben, mits ze een goede winkelervaring bieden. In absolute zin heeft de online groei de grootste impact op winkels in het segment mode (en schoenen): vooral de grote winkelgebieden bestaan nu eenmaal voor een groot aandeel uit modeen schoenenwinkels. Zij zijn ‘de kern’ van een dagje shoppen. Een kleiner aandeel van de totale omzet voor deze branche heeft daarom een relatief grote impact op de bestaande winkelgebieden. Niet voor niets hebben ook in deze sector de afgelopen jaren diverse ketens de deuren moeten sluiten (denk aan MS Mode, Miss Etam, Score) of het aantal filialen aanzienlijk verminderd (bijv. H&M, Shoeby).
Koopstromenonderzoek Provincie Fryslân 2024
59 van 119
4.6
Toevloeiing
Naast bestedingen van eigen inwoners zijn voor een winkelgebied ook de bestedingen van buiten de eigen gemeente van groot belang. Deze bestedingen noemen we de toevloeiing28: alle omzet die door bezoeker van buíten de eigen gemeente wordt gegeneerd. Het gaat daarbij om de optelsom van bestedingen in een gemeente door: - inwoners van andere gemeente in het onderzoeksgebied; - mensen van buiten het onderzoeksgebied, die we in dit onderzoek als ‘toeristen’ aanduiden. Hoe groter de toevloeiing is, hoe meer omzet ‘van buiten’ een gemeente genereert. In absolute zin is duidelijk dat in de gemeente Leeuwarden de meeste toevloeiingsbestedingen landen. In alle detailhandelssectoren samen gaat het jaarlijks om € 198 miljoen die ingebracht wordt van buiten de eigen gemeente. De omvang en kwaliteit van het winkelaanbod in de binnenstad van Leeuwarden, maar ook een gebied als De Centrale, maken dat Leeuwarden in de Friese detailhandelsstructuur de grootste regionale aantrekkingskracht heeft. Andere gemeenten volgen op behoorlijke afstand, met op nummer twee de gemeente Smallingerland (€ 102 miljoen) en op nummer drie de gemeente Weststellingwerf (€ 71 miljoen). In deze laatste gemeente is de toevloeiing in de doelgerichte sector (meubelcluster) met afstand het grootst, terwijl dat in Leeuwarden de recreatieve sector betreft.
Kijken we naar het procentuele aandeel van toevloeiing, dan kunnen we aflezen hoe groot het relatieve belang is van toevloeiing: in hoeverre ‘drijft’ een winkelgebied op bestedingen door bezoekers van buitenaf? In dat geval valt direct op dat deze aandelen met afstand het hoogst zijn op de Waddeneilanden, specifiek door het toerisme. Op de grotere Waddeneilanden, met wat meer ‘eigen inwoners’ ligt dit percentage met 37 procent nog enigszins in de buurt van percentages op het vasteland, maar op Vlieland (58 procent) en Schiermonnikoog (61 procent) wordt het merendeel van de totale omzet opgebracht door inwoners van buiten het eigen eiland. 29 Op het vasteland zien we dat, in de dagelijkse sector, de gemeente Achtkarspelen het meest afhankelijk is van toevloeiing (26 procent). Dit wordt waarschijnlijk veroorzaakt door het sterke aanbod in met name Surhuisterveen, dat veel aantrekkingskracht heeft op het omliggende landelijke gebied in zowel Fryslân als Groningen. In de recreatieve sector springt Opsterland eruit, met een toevloeiingsaandeel van maar liefst 64 procent. Dit wordt zonder twijfel veroorzaakt door het regio-overstijgende mode-aanbod in Gorredijk.
28
NB. Dit is rekenkundig niet direct hetzelfde als afvloeiing. In de vorige paragraaf hadden we het over ‘fysieke afvloeiing’. Het is natuurlijk zo dat de fysieke afvloeiing van gemeente x naar gemeente y een deel van die toevloeiing van gemeente y uitmaakt. Maar de berekening van toevloeiing werkt anders: we berekenen de toevloeiing als het aandeel van de totale omzet dat voortkomt uit bestedingen van bezoekers van buiten de eigen gemeente. 29 Het gaat hier om inwoners binnen het onderzoeksgebied! Tellen we de toeristische bestedingen mee, dan is het aandeel bestedingen door bezoekers van buitenaf nog veel hoger, zoals we in hoofdstuk 5 zullen zien.
Koopstromenonderzoek Provincie Fryslân 2024
60 van 119
In de doelgerichte sector zien we dat Weststellingwerf met 63 procent het meest afhankelijk is van inkomsten van buiten de eigen gemeente, met name door het aanwezige meubelcluster. In alle drie de sectoren valt op dat Súdwest-Fryslân het laagste toevloeiingsaandeel kent. Dit kan verklaard worden doordat enerzijds deze gemeente vrij groot is (en dus zijn afstanden voor inwoners van andere gemeenten groter) en dat er anderzijds, met uitzondering van Sneek, weinig grote kernen zijn met een aanbod dat vanuit een grotere regio bezoekers trekt. Ook zal altijd meespelen dat gemeenten met een kuststrook (en dus relatief minder ‘buren’) relatief wat minder toevloeiing hebben, al zal dit soms ook weer gecompenseerd worden door de aantrekkingskracht van die kust. Zetten we de toevloeiingsaandelen af tegen de mate van stedelijkheid of tegen het inwoneraantal, dan ontstaat geen helder patroon: enerzijds zou je verwachten dat grotere en meer stedelijke gemeenten meer toevloeiing hebben. In absolute zin is dat ook vaak zo, maar anderzijds moeten juist de winkelgebieden in de dunnerbevolkte gemeenten het ook vaak hebben van bestedingen van buitenaf. Figuur 4.8a. Toevloeiing dagelijks
Koopstromenonderzoek Provincie Fryslân 2024
61 van 119
Figuur 4.8b. Toevloeiing recreatief
Figuur 4.8c. Toevloeiing doelgericht
Koopstromenonderzoek Provincie Fryslân 2024
62 van 119
Vergelijking met 2016/2017 30 Ook in 2016/2017 is de relatieve toevloeiing in diverse Friese kernen gemeten, op gecombineerd niveau (alle aankopen, dagelijks, recreatief en doelgericht samen). Uit deze analyse kwam destijds duidelijk naar voren dat met name kleine, toeristische kernen zoals Grou en Workum, voor een zeer groot deel afhankelijk zijn van toevloeiing. Deze kernen bleken in 2016/2017 voor meer dan de helft van hun omzet afhankelijk te zijn van toevloeiing van buiten de eigen kern. Ook grotere kernen, zoals Leeuwarden, Sneek, Drachten en Heerenveen, zagen significante toevloeiing, van circa 40 procent van de omzet. Wanneer we naar 2024 kijken zien we een opvallend verschil ontstaan: terwijl kleinere kernen (inclusief de kleine toeristische kernen) een redelijk stabiel omzetaandeel uit toevloeiing zien ontstaan, zien we dat dat in de grootste kernen wat is teruggelopen. Dit is het duidelijkst in Leeuwarden, waar het omzetaandeel uit toevloeiing daalt van 49 procent in 2017 naar 31 procent in 2024, maar ook kernen als Drachten, Sneek en Heerenveen zien een daling van circa 10 procentpunten. Kortom, deze grote steden worden voor een belangrijker deel afhankelijk van de eigen inwoners. Een verklaring van dit patroon kan gevonden worden in de opkomst van het online winkelen.
Grote steden/winkelgebieden kennen van oudsher een grote aantrekkingskracht op inwoners uit kleinere plaatsen, die bereid zijn af te reizen naar die grotere plaats, voor een groot en diep aanbod en sfeer en beleving. Maar sinds een aantal jaren is het online winkelen een volwaardig alternatief geworden voor het bezoek aan een grotere stad. Blijkbaar kiest een significante groep voor het online winkelen als alternatief voor het bezoek aan een grotere stad. Tegelijkertijd zijn de grotere steden de snelst groeiende plaatsen van Fryslân, wat het logischer maakt dat een steeds groter aandeel uit de eigen gemeente komt. Kleinere kernen in Fryslân halen een aanzienlijk deel van hun toevloeiing uit toeristische bestedingen (in plaats van regionale bezoekers die even komen winkelen). Het toeristische aankoopgedrag wordt minder sterk beïnvloed door het online kanaal.
30
Voor een toelichting over de vergelijkbaarheid tussen het KSO 2024 en het KSO 2016/2017 verwijzen we naar paragraaf 1.2 op bladzijde 14.
Koopstromenonderzoek Provincie Fryslân 2024
63 van 119
4.7
Koopstromen tussen gemeenten
Binnen het onderzoeksgebied vindt uiteraard een grote onderlinge interactie (fysieke afvloeiing en toevloeiing) plaats. Ook het toerisme heeft in Fryslân uiteraard een belangrijke invloed. Wanneer we nader kijken naar de onderlinge relaties zien we onder andere de volgende patronen: • Dagelijks: de bijdragen aan de omzet afkomstig van het toerisme (buiten het onderzoeksgebied) zijn op de Waddeneilanden het grootst (Figuur 4.9a). Het valt daarnaast op dat 14 procent van de totale omzet in Opsterland (met name Gorredijk) komt uit de naastgelegen gemeente Heerenveen. In de gemeente Dantumadiel wordt respectievelijk 13 procent en 8 procent van omzet gegenereerd uit respectievelijk Noardeast-Fryslân en Achtkarspelen. Weststellingwerf heeft de grootste toevloeiing uit het randgebied: daar komt 14 procent van de omzet vandaan. • Recreatief: de onderlinge relatie tussen Dantumadiel en Noardeast-Fryslân valt op. Maar liefst 29 procent van de omzet in eerstgenoemde komt uit laatstgenoemde gemeente en vice versa is dit 14 procent (Figuur 4.9b). Ook het aandeel in de omzet van Heerenveen dat uit De Fryske Marren komt is behoorlijk hoog (14 procent). Op haar beurt is Heerenveen weer verantwoordelijk voor 14 procent van de omzet in Opsterland. Vooral Achtkarspelen en Opsterland ontvangen veel omzet vanuit de randgebieden.
• Doelgericht: hier zien we een aantal van dezelfde patronen terug die we ook in de recreatieve sector zien (Dantumadiel-Noardeast-Fryslân en Heerenveen-Opsterland). Weststellingwerf en Ooststellingwerf halen van alle gemeenten het grootste omzetaandeel uit de randgebieden (resp. 24 procent en 21 procent) (Figuur 4.9c). In onderstaande figuren laten we de fysieke koopstromen tussen de gemeenten in Fryslân zien. Het betreft hier de stromen exclusief online (gebonden bestedingen+fysieke afvloeing= 100%). Figuur 4.9a. Koopstromen tussen gemeenten (dagelijks). %=bindingspercentage
Koopstromenonderzoek Provincie Fryslân 2024
64 van 119
Figuur 4.9b. Koopstromen tussen gemeenten (recreatief). %=bindingspercentage
Figuur 4.9c. Koopstromen tussen gemeenten (doelgericht). %=bindingspercentage
Koopstromenonderzoek Provincie Fryslân 2024
65 van 119
Wanneer we kijken naar de bestedingen die Friezen buiten hun provincie doen valt op dat veel omzet uit Fryslân in de stad Groningen landt; met name in het doelgerichte en recreatieve segment: • Op het gebied van recreatieve aankopen zien gemeenten aan de oostrand van Fryslân over het algemeen (net) iets meer bestedingen afvloeiien naar de stad Groningen dan naar Leeuwarden. • Op het gebied van doelgerichte aankopen geldt in veel gemeenten dat afvloeiing naar de stad Groningen een veelvoud is van de afvloeiing naar Leeuwarden. Sterke clusters als met name het Sontplein (met IKEA en Bauhaus) hebben blijkbaar provincie-overstijgende trekkracht. Ook Zwolle, Assen en Steenwijk kunnen rekenen op relatief veel bestedingen vanuit Fryslân. In algemene zin geldt uiteraard dat de onderlinge relatie in de randgebieden het hoogst is.
4.8
Binding en toevloeiing horeca
In Fryslân worden in 2024 voor de eerste keer ook de horeca-stromen gemeten. Op deze manier kunnen we ook zien hoe de binding, fysieke afvloeiing 31 en toevloeiing binnen deze sector zich verhouden. De totale horecabestedingen gedaan door Friezen is in 2024 circa € 861 miljoen. Gemiddeld ligt de binding relatief hoog: op 73 procent. Blijkbaar is het zo dat een groot aantal van de horecabezoeken lokaal, in het eigen gebied plaatsvindt: bij het eigen restaurant, grand-café, koffiebar of kroeg. De hoogste bindingspercentages zien we in gemeenten met een groot aanbod: enerzijds de grote Waddeneilanden, Terschelling en Ameland en anderzijds studentenstad Leeuwarden, dat als provinciehoofdstad natuurlijk een groot en onderscheidend horeca-aanbod kent (Figuur 4.10). De laagste bindingspercentages treffen we aan in de weinig-, of nietstedelijke gemeenten, zoals Dantumadiel en Opsterland, die ook nog een grotere kern relatief dichtbij hebben (zoals Dokkum en Drachten). De mate van stedelijkheid is sowieso een goede graadmeter voor horeca-binding, zo kunnen we zien in Tabel 4.3. Qua toevloeiing (de hoeveelheid omzet gegenereerd door bezoekers ‘van buiten’: optelsom van regiobezoekers en toeristen) komt zoals verwacht duidelijk naar voren dat de Waddeneilanden het grootste deel van hun omzet uit toevloeiing halen (Figuur 4.11). Deze zorgt voor 70 procent of meer van de omzet.
Onder de vasteland-gemeenten zien we geen hele grote uitschieters: bijna alle gemeenten hebben een toevloeiingspercentage tussen de 30 en 50 procent. Uitschieters naar de onderkant zijn Waadhoeke en Súdwest-Fryslân. Dat zijn niet toevalligerwijs relatief grote gemeenten met een groot oppervlak (dus relatief veel afstand tot aan andere inwoners van Fryslân) en een groot aandeel kleinere kernen, die minder aantrekkingskracht hebben qua horeca-aanbod. In absolute zin is de toevloeiing naar de gemeente Leeuwarden het hoogst; deze gemeente is goed voor horeca-toevloeiing van circa € 89 miljoen. Dit is ruim een kwart van alle horeca-toevloeiing in de provincie. De gemeente Heerenveen volgt op ruime afstand als 2 e (€ 34 miljoen toevloeiing) gevolgd door Súdwest-Fryslân (€ 33 miljoen).
31
Online afvloeiing speelt in de horeca logischerwijs geen rol.
Koopstromenonderzoek Provincie Fryslân 2024
66 van 119
Wanneer we kijken naar onderlinge relaties, dan zien we minder sterke onderlinge relaties tussen gemeenten: er is geen gemeente die meer dan 5 procent omzetaandeel horeca uit een andere specifieke gemeente haalt. Ook de percentages uit de randgebieden zijn laag. De omzetaandelen vanuit het toerisme (dus van buiten Fryslân en het randgebied) zijn daarentegen veel groter. Uit deze getallen komt duidelijk het toeristische profiel naar voren van Fryslân. De aandelen zijn het hoogst op de Waddeneilanden (ruim 70 procent omzetaandeel uit toerisme). Ook in de vasteland-gemeenten zijn de aandelen van toeristische bestedingen aanzienlijk. In gemeenten met een wat beperkter toeristisch profiel, zoals Achtkarspelen (16 procent) en Dantumadiel (17 procent) liggen deze wat lager terwijl gemeenten zoals Heerenveen, Harlingen, Opsterland en Súdwest-Fryslân allemaal toevloeiingspercentages tussen 25 procent en 29 procent hebben. Tabel 4.3. Bindingscijfers horeca (verdeeld naar mate van stedelijkheid gemeenten) Horeca
Niet stedelijk
Weinig stedelijk
Matig stedelijk
Sterk stedelijk
65%
73%
73%
86%
Figuur 4.10. Binding horeca
Koopstromenonderzoek Provincie Fryslân 2024
67 van 119
Figuur 4.11. Totale omzet horeca per gemeente Leeuwarden Súdwest-Fryslân Heerenveen Smallingerland De Fryske Marren Noardeast-Fryslân Waadhoeke Tytsjerksteradiel Opsterland Ooststellingwerf Achtkarspelen Weststellingwerf Harlingen Terschelling Ameland
Dantumadiel Vlieland Schiermonnikoog 0
50.000.000
100.000.000
Bindingsbestedingen
Koopstromenonderzoek Provincie Fryslân 2024
150.000.000
200.000.000
250.000.000
Toevloeiing
68 van 119
5
Omzet en marktaandelen winkelgebieden
De koopstromen van inwoners in de provincie en in het randgebied vloeien naar verschillende fysieke winkelgebieden en naar de online markt. De stroom naar de fysieke winkelgebieden, leidt tot een bepaalde omvang van de omzet in dat winkelgebied. Deze omzet, zeker in relatie tot andere gebieden in de betreffende gemeente en provincie, laat zien hoe groot het relatieve belang is van dat winkelgebied. Ook zegt het iets over de verzorgingsfunctie. Figuur 5.1. Winkelgebieden met grootste omvang omzet (top-30)
Toelichting: bol= omvang omzet, percentage= toevloeiing van buiten gemeente naar het winkelgebied. Omzet excl. btw.
Als het gaat over de totale omzet in een winkelgebied (alle sectoren tezamen) dan valt op dat niet Leeuwarden, maar het centrum van Drachten de grootste omzet realiseert (€ 145 mln.), op korte afstand gevolgd door de binnenstad van Leeuwarden (€ 133 mln.). Het centrum van Heerenveen en Leeuwarden De Centrale zijn de enige andere gebieden met een totaalomzet van boven de € 100 mln. De omzet in een winkelgebied hangt niet een-op-een samen met de omvang van dat winkelgebied, maar speelt wel een grote rol. Des te opvallender is het als plaatsen met een wat kleiner winkelgebied toch een relatief hoog marktaandeel hebben.
Koopstromenonderzoek Provincie Fryslân 2024
69 van 119
Dit is bijvoorbeeld het geval voor het centrum van Burgum (winkelgebied in de categorie 10.000- 20.000 m2 WVO), waar bijna net zoveel omzet wordt gegenereerd als in de veel grotere binnenstad van Sneek (categorie 40.000-60.000 m2 WVO). Vooral de hoeveelheid dagelijkse omzet zorgt hiervoor. Ook het relatief kleine centrum van Gorredijk staat in de top 10 van gebieden met de meeste omzet, waarbij in dit geval ook de relatief grote omzet in de recreatieve sector opvalt. Dit is vooral te danken aan de aanwezigheid van Rinsma Modeplein. In de categorie centrumgebieden tot 10.000 m2 WVO valt vooral de relatief hoge omzet in het centrum van Damwâld en dat van De Westereen op (allebei in de gemeente Dantumadiel). Deze relatief hoge omzet, met name in de dagelijkse sector, kan verklaard worden doordat deze gebieden, ondanks hun beperkte omvang, de belangrijkste winkelgebieden zijn in een landelijke en relatief dunbevolkte regio. Andere kernen liggen relatief wat verder weg. Het feit dat de binnenstad van Leeuwarden niet bovenaan de lijst staat, wordt vooral veroorzaakt door het feit dat er weinig supermarkten zijn; veel supermarkten liggen net buiten de binnenstad. Plaatsen zoals Wolvega, Heerenveen, Drachten, maar ook Surhuisterveen en Oosterwolde genereren daarentegen juist relatief veel dagelijkse omzet in hun centrum.
Dit lijkt wellicht een wat arbitrair gegeven, maar het is wel belangrijk te benoemen dat de dagelijkse sector hoge omzetten en bezoekersaantallen genereert. Hoe meer deze dagelijkse sector is gelegen in de nabijheid van andere winkels, hoe meer deze daarvan zullen profiteren. In de kleinste kernen is de aanwezigheid van een supermarkt overigens belangrijker dan de directe nabijheid van die supermarkt in het centrum. Wanneer we rangschikken op de omzet in de recreatieve sector dan komen de ‘klassieke’ grote centrumgebieden en binnensteden, zoals van Leeuwarden en Sneek, maar ook Franeker en Dokkum, wel bovendrijven. Naast centrumgebieden zijn ook de omzetten van de ondersteunende winkelgebieden in kaart gebracht (de ‘wijkwinkelcentra’). Als we kijken naar de grootste ondersteunende centra, dan wordt direct duidelijk waar de omzet in de dagelijkse sector in Leeuwarden terecht komt: de top 4 van grootste ondersteunende gebieden (Cambuurplein, De Schrans, Miro Center, Bilgaard) liggen namelijk allemaal in Leeuwarden. Op het gebied van de doelgerichte sector is er een duidelijke top 3, namelijk De Centrale (Leeuwarden), MLK-Boulevard (Drachten) en Home Center (Wolvega). Het gaat hier in alle drie de gevallen om specifiek voor grootschalige winkels ingerichte gebieden, met grote parkeerplaatsen en een sterke clustering van winkels.
Het effect van een dergelijk concept komt duidelijk naar voren in hun marktaandelen.
Koopstromenonderzoek Provincie Fryslân 2024
70 van 119
6
Bezoekgedrag en beoordeling
6.1
Inleiding
In dit hoofdstuk nemen we het gedrag van de bezoeker van de Friese winkelgebieden onder de loep: waaróm komen ze naar een bepaald winkelgebied? Hoe doen ze dat en hoe lang? Welke bezoekredenen combineren ze? Dit doen we voor detailhandel en horeca. We analyseren ook de motieven en het koopgedrag online. De respondenten van de enquête kregen ook de kans om de winkelgebieden die ze bezochten te beoordelen op diverse aspecten (zoals winkelaanbod, sfeer en parkeergelegenheid). De resultaten bespreken we ook in dit hoofdstuk.
6.2
Bezoekredenen
Een bezoeker kan verschillende redenen hebben om zich te richten op een specifiek winkelgebied. Dit hangt ook in hoge mate samen met het aankoopdoel: wil de bezoeker boodschappen doen? Wil hij/zij een middagje (voor kleding) winkelen? In onderstaande grafieken zetten we de belangrijkste bezoekdoelen op een rij. We beginnen met boodschappen en geven vervolgens mode weer32. We maken daarbij een onderscheid tussen de omvang van winkelgebieden.
32
In dit geval wijken we af van de categorieën die we bijvoorbeeld in de bindingscijfers gebruiken (boodschappen en mode vs. dagelijks en recreatief). De reden is dat het bezoekmotief specifiek gekoppeld is aan vragen over het boodschappen doen en het winkelen naar mode.
Koopstromenonderzoek Provincie Fryslân 2024
71 van 119
Figuur 6.1a. Bezoekredenen boodschappen, uitgesplitst naar type aankooplocatie Dichtst bij huis Dichtst bij werk Op de route (bijv. van werk/school naar huis)
Omvang winkelaanbod Kwaliteit winkelaanbod Bepaalde winkel(s) Combinatie van winkels Prijsniveau winkelaanbod Centrumlocaties tot 10.000 m2
Openingstijden winkels
Centrumlocaties vanaf 10.000 m2 Sfeer en uitstraling winkelgebied Ondersteunend tot 5.000 m2 Toegankelijkheid winkelgebied
Ondersteunend vanaf 5.000 m2
Bereikbaarheid per openbaar vervoer
Woonboulevard / grootschalig
Bereikbaarheid per auto
Bereikbaarheid per fiets Bereikbaarheid te voet Parkeermogelijkheden Parkeertarief Combinatie met tanken Combinatie met een ander bezoekdoel Anders, namelijk Weet ik niet 0%