CConstaterende datTytsjerksteradiel
Koppel je AI →
Document · PDF

02a - Bijlage 1 - Toelichting VG

RAADSVERGADERING 2018 t/m 2024 13 juli 2023, gemeente TytsjerksteradielBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Tytsjerk, Noarderein 1, MFC (besluitvormend)18.737 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4 Milieu- en andere omgevingsvoorwaarden 4.1 Milieueffectrapportage Op 1 september 1994 is het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) in werking getreden. In het besluit is bepaald voor welke plannen en besluiten een milieueffectrapportage(beoordeling) nodig is. Op grond van het voorliggende bestemmingsplan worden mogelijk de volgende m.e.r.(beoordelings)plichtige activiteiten mogelijk gemaakt. kolom 1 activiteiten D 11.2 De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.

kolom 2 gevallen In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakt e van 200.000 m2 of meer.

kolom 3 plannen De structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.

kolom 4 projecten De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.

Uit uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat “het antwoord op de vraag of sprake is van een [. . .] stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r., afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene [. . . aanleg, wijziging of uitbreiding] van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen” (zie onder andere de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 maart 2020 over het besluit van 20 december 2018 van de raad van de gemeente Montferland tot het vaststellen van het bestemmingsplan “Stokkum, Constantinusstraat 1a”, rechtsoverweging 6.1 (201901464/1/R1)). In hoofdstuk 3.1.2 is – weliswaar op grond van het Besluit ruimtelijke ordening – al overwogen dat er op grond van het voorliggende bestemmingsplan niet een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Hierbij is het voor wat betreft de beoordeling op grond van het Besluit m.e.r. belangrijk dat er in en in de omgeving van het bestemmingsplangebied sprake is van bestaand stedelijk gebied en dat het ruimtegebruik van het MFC zoals dat mogelijk wordt gemaakt op grond van het voorliggende bestemmingsplan beperkt is.

Nu op basis van deze overweging er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in het Besluit m.e.r, bijlage, onderdeel D, onder D 11.2 is het uitvoeren van een (vormvrije) m.e.r.(-beoordeling) niet nodig.

4.2 Verkeer en parkeren 4.2.1 Verkeer Om inzicht te krijgen in het aantal verkeersbewegingen op de wegen in de omgeving van het plangebied vanwege het MFC is in november 2022 verkeersonderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in de notitie Parkeren en verkeersgeneratie MFC Tytsjerk van 11 november 2022. De notitie is in bijlage 2 bij deze toelichting opgenomen.

Uit het uitgevoerde verkeersonderzoek blijkt samengevat dat er vanwege het MFC sprake zal zijn van een toename van het aantal verkeersbewegingen op de wegen in de omgeving van het plangebied van ten hoogste 250 motorvoertuigen/dag. Op basis van het aantal verkeersbewegingen per dag in de bestaande situatie en het aantal verkeersbeweging per dag dat veilig mogelijk is op de wegen wordt een onaanvaardbaar aantal verkeersbewegingen niet verwacht.

4.2.2 Parkeren Op 29 november 2014 is de Reparatiewet BZK 2014 in werking getreden. Hiermee is onder andere de Woningwet aangepast. Daarbij zijn onder andere de regels voor het opnemen van stedebouwkundige regels, zoals over het parkeren, in een bouwverordening geschrapt. Dit betekent dat vanaf 1 juli 2018 in een bestemmingsplan, om een aanvaardbare woon- en leefomgeving als onderdeel van een goede ruimtelijke ordening te waarborgen, regels opgenomen moeten worden over het parkeren. Om voldoende parkeermogelijkheden te waarborgen is in artikel 8 van de regels van het voorliggende bestemmingsplan bepaald dat ‘op grond van het bepaalde in de regels de voor de verschillende bestemmingen aangewezen gronden daarvoor slecht mogen worden bebouwd onder de voorwaarde dat voldoende parkeergelegenheid voor auto’s wordt gerealiseerd of in stand gehouden’. Daarbij is ook bepaald dat ‘er sprake is van voldoende parkeergelegenheid indien wordt voldaan aan bijlage 2 van het Gemeentelijk Verkeer- en Vervoerplan 2008-2016’. Om inzicht te krijgen in het aantal parkeerplaatsen dat nodig is voor het MFC is in november 2022 parkeeronderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in de notitie Parkeren en verkeersgeneratie MFC Tytsjerk van 11 november 2022. De notitie is in bijlage 2 bij deze toelichting opgenomen.

Uit het uitgevoerde verkeersonderzoek blijkt samengevat dat er vanwege het MFC sprake zal zijn van een parkeervraag van 50 parkeerplaatsen op het maatgevende moment. Uitgangspunt hierbij is dat ten hoogste 200 m² voor horeca wordt gebruikt. In het in november 2022 – het moment van het voorbereiden van het ontwerp van het voorliggende bestemmingsplan – beschikbare ontwerp van de inrichting van het terrein bij het MFC zijn 51 parkeerplaatsen opgenomen. In het ontwerp is dan ook geen sprake van een onderschrijding van het aantal parkeerplaatsen dat nodig is op basis van de uitgangspunten van het parkeeronderzoek. Hierbij is in het rapport nog opgemerkt dat “het parkeerterrein aan de zuidzijde van de accommodatie efficiënter gebruikt kan worden dan waar die voor de primaire functie (halen/brengen ivm school). Daar zijn 8 parkeerplaatsen ingericht voor “tút en d’r út”, maar wanneer ook hier langs de noord- en zuidrand van dit parkeerterrein wordt geparkeerd, neemt de capaciteit met ten minste 12 plaatsen toe. In dat geval wordt ook aangesloten bij de capaciteit die benodigd is wanneer de maximaal toegestane oppervlakte voor de horecafunctie wordt ingevuld.” Hieruit volgt dat ook bij een oppervlakte van ten hoogste 400 m² voor horeca er in het plangebied in beginsel voldoende ruimte is om het aantal parkeerplaatsen aan te leggen dat hiervoor nodig is.

Op basis hiervan is er dan ook geen aanleiding om de oppervlakte van de horeca te beperken van 400 m² tot 200 m².

4.3 Bedrijven en milieuzonering Een MFC (of andere milieubelastende activiteit) in de directe omgeving van woningen (of (andere) milieugevoelige gronden en gebouwen) kan ter plaatse van die woningen hinder vanwege geur, stof, geluid, gevaar en dergelijke veroorzaken. Om een aanvaardbare woon- en leefomgeving als onderdeel van een goede ruimtelijke ordening te waarborgen is in beginsel voldoende afstand tussen een MFC en woningen nodig. Op basis van de uitgave Bedrijven en milieuzonering, versie 2009 van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten moet in beginsel een richtafstand van 30 meter gewaarborgd worden tussen een MFC zoals die op grond van het voorliggende bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt en milieuhindergevoelig gebouw of terrein. Deze richtafstand wordt bepaald door de mogelijke geluidhinder van de verschillende mogelijke activiteiten bij de MFC. Vanwege de horeca-activiteiten die op grond van het voorliggende bestemmingsplan mogelijk zijn in het MFC moet in beginsel een richtafstand van 10 m gewaarborgd worden om mogelijke geurhinder of gevaar van deze activiteiten te voorkomen. In tabel 3 is een overzicht opgenomen van de activiteiten en de richtafstanden hiervoor. Tabel 3.

Overzicht richtafstanden van de verschillende activiteiten activiteit (als omschreven in) bestemmingsplan Bedrijven en milieuzonering sociaal-culturele voorzieningen “bibliotheken, musea, ateliers e.d.” “buurt- en clubhuizen” kinderopvang “kinderopvang” levensbeschouwelijke “kerkgebouwen e.d.” voorzieningen educatieve en informatieve “scholen voor basis- en voorzieningen algemeen voortgezet onderwijs” horeca “café, bars” “restaurants, cafetaria's, snackbars, ijssalons met eigen ijsbereiding, viskramen e.d.”

richtafstand (in m) geur stof geluid gevaar 0 0 10 0 0 0 0

0 0 0

30 30 30

0 0 0

0

0

30

0

0 10

0 0

10 10

10 10

De dichtstbijzijnde woning in de omgeving van het bestemmingsplangebied is de woning op het perceel aan de Hanenburg 1 ten zuiden van het plangebied. De afstand tussen het bestemmingsplangebied en de woning is ongeveer 4,5 meter. Dit is minder dan de richtafstand van 30 meter (en 10 meter). Ook de woningen op de volgende percelen in de directe omgeving van het plangebied staan op een afstand minder dan de richtafstand: − aan de Swarteweisein 47 ten noorden van het plangebied (de afstand is ongeveer 11 meter); − aan de Wylgekamp 27 tot en met de Wylgekamp 41 (oneven nummers) ten oosten van het plangebied (de afstand is ongeveer 15 meter tot 17 meter); − aan de Hanenburg 3 tot en met 9 (oneven nummers) ten zuiden van het plangebied (de afstand is ongeveer 8,5 meter tot 28 meter). Geur

Zoals opgemerkt moet in beginsel een richtafstand van 10 m gewaarborgd worden tussen de horeca-activiteiten die op grond van het voorliggende bestemmingsplan mogelijk gemaakt worden en geurhindergevoelig gebouw of terrein. Op grond van de regels van het voorliggende bestemmingsplan is horeca mogelijk onder de voorwaarde dat “de horecavloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 50% van het bebouwde deel van het bouwvlak van de voorziening, met dien verstande dat de horecavloeroppervlakte ten hoogste 400 m² zal bedragen”. Daarbij is ook bepaald dat ‘een hoofdgebouw en een bijbehorende bouwwerken binnen een bouwvlak zal worden gebouwd’. De aanduiding “bouwvlak” op de verbeelding van het voorliggende plan ligt op ten minste 10 m van de hiervoor bedoelde woningen en (achter)tuinen hierbij. Vanwege horeca in hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken is dan ook geen sprake van een onderschrijding van de richtafstand van 10 m. Op grond van de regels van het voorliggende plan is horeca ook mogelijk anders dan in hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken, namelijk ‘horeca in de openlucht, waarbij mogelijk gebruik gemaakt wordt van middelen zoals een kraam, een wagen of een tafel’.

Om mogelijke geurhinder vanwege dergelijke horeca te voorkomen is in de regels bepaald dat ‘het gebruik van gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van maatschappelijk uitgesloten – horeca(bedrijf)” voor (een) horeca(bedrijf) in strijd is met de bestemming’ van de gronden. Op de verbeelding van het voorliggende plan zijn de gronden binnen het plangebied op een afstand van en minste 10 m van de hiervoor bedoelde woningen en (achter)tuinen hierbij aangeduid met deze aanduiding. Op grond hiervan is ook vanwege horeca anders dan in hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken geen sprake van een onderschrijding van de richtafstand van 10 m. Geluid Uit tabel 3 blijkt dat in beginsel een richtafstand van 30 m gewaarborgd moet worden tussen vooral de verschillende activiteiten van het IKC. Het waarborgen van deze afstand is in de voorliggende situatie niet mogelijk. Om inzicht te krijgen in het geluid vanwege de activiteiten die op grond van het voorliggende bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt bij de woning in de directe omgeving van het bestemmingsplangebied is in maart 2022-januari 2023 door DGMR een geluidsonderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in het rapport “Multifunctioneel centrum Tytsjerk. Akoestisch onderzoek” van 14 juni 2023 met als kenmerk M.2022.0276.00.R001.

Het rapport is in bijlage 3 bij deze toelichting opgenomen. Samengevat blijkt uit de resultaten van het onderzoek dat er vanwege de activiteiten die op grond van het voorliggende bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt bij alle woningen in de omgeving wordt voldaan aan stap 3 uit de VNG-publicatie ‘Bedrijven & Milieuzonering’. Op basis van de argumentatie die is opgenomen in paragraaf 5.9 volgt dat afwijking naar stap 3 in deze specifieke situatie aanvaardbaar is. Daarmee wordt geconcludeerd dat met de ontwikkeling van het MFC sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omdat overschrijdingen van de met het onderzoek bepaalde geluidwaarden te voorkomen is in de regels van het voorliggende bestemmingsplan bepaald dat het gebruik waarbij sprake is van een overschrijding van de in stap 2 van bijlage 5.3 van de uitgave Bedrijven en milieuzonering opgenomen geluidgrenswaarden in strijd met de bestemming is. Dit is zonder inbegrip van het geluid vanwege stemgeluid en het verkeersgeluid van verkeer van en naar het bestemmingsplangebied. Een

gebruik waarbij er door dit geluid sprake is van overschrijding van de in stap 3 opgenomen geluidgrenswaarden is in strijd met de bestemming. Uit het akoestisch onderzoek volgen wel belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het plaatsen van absorberende geluidsschermen zoals weergegeven in figuur 4 van het onderzoek of vergelijkbaar in formaat (type Greenwall of vergelijkbaar) en de te hanteren isolatiewaarde met betrekking tot het dak en de ramen van de multifunctionele zaal zoals beschreven in paragraaf 3.1 van het onderzoek. Daarnaast wordt geadviseerd om opleveringsmetingen uit te voeren aan de technische installaties, daar er in het onderzoek is uitgegaan van door de installateur aangeleverde gegevens. In dit kader is in de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Gevaar Voor de in beginsel te waarborgen richtafstand van 10 m voor gevaar vanwege horeca-activiteiten zijn de hiervoor onder geur opgenomen overwegingen overeenkomstig van toepassing. Hier wordt dan ook verwezen naar deze overwegingen.

4.4 Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat bij elke weg in beginsel een (geluid)zone aanwezig is. Dit met uitzondering van: − wegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; − wegen waarop een snelheid van ten hoogste 30 km per uur is toegestaan. Voor wegen met ten hoogste twee rijstroken binnen het stedelijk gebied is de grootte van de geluidzone 200 meter. De ten hoogste toegestane geluidsbelasting vanwege wegverkeerslawaai op een woning binnen een geluidzone is 48 dB. Een MFC is in beginsel niet een geluidsgevoelig gebouw, tenminste in de Wgh in samenhang met het Besluit geluidhinder (Bgh) is niet bepaald dat een MFC dat is. Maar op grond van de Wgh in samenhang met het Bgh zijn “onderwijsgebouwen” en “kinderdagverblijven” wel geluidgevoelige gebouwen. Omdat op grond van het voorliggende bestemmingsplannen onderwijs- en kinderopvangactiviteiten mogelijk worden gemaakt is het MFC dat op grond van het plan mogelijk wordt gemaakt wel een geluidsgevoelig gebouw. Op de wegen in het stedelijk gebied van Tytsjerk is een snelheid van ten hoogste 30 km per uur toegestaan. Dit betekent dat er bij deze wegen geen geluidszone aanwezig is. Een geluidsonderzoek naar wegverkeerslawaai vanwege deze wegen is dan ook niet nodig. De uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan wordt niet door onaanvaardbare effecten vanwege wegverkeerslawaai belemmerd.

4.5 Water In het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat de toelichting bij een bestemmingsplan inzicht moet geven in de manier waarop in het plan de effecten van het plan op het water zijn overwogen. Voor het voorliggende bestemmingsplan op 2 maart 2022 de zogenoemde watertoets uitgevoerd. Een watertoets is een instrument om in de voorbereiding van een bestemmingsplan in overleg met Wetterskip Fryslân makkelijk inzicht te krijgen in de mogelijke effecten van het plan op het water. De resultaten van de watertoets zijn opgenomen in bijlage 4 bij deze toelichting.

Uit de resultaten van de watertoets blijkt het volgende. “Door de ruimtelijke ontwikkeling neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in het gebied in stand te houden. Dit geldt ook voor het toevoegen van oppervlakteverharding die wel past binnen het bestemmingsplan, maar waarvan de grond al meer dan vijf jaar braak ligt en waar in het verleden niet voor gecompenseerd is. Het is niet toegestaan zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m² onverharde grond in stedelijk gebied [. . .] wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels genoemd in [. . . het] wateradvies. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater. Bij het graven van extra oppervlaktewater [. . . hanteert Wetterskip Fryslân] de volgende compensatienorm: [. . .] polder 10%. [. . .] Uiteraard is het toepassen van alternatieve maatregelen in het plan ook mogelijk. Afhankelijk van de maatregel kunnen andere normen gelden dan hier vermeld. [. .

.] Indien er niet wordt gecompenseerd door extra oppervlaktewater te graven waarbij bovenstaande percentages worden gehanteerd of indien er geen overeenstemming plaatsvindt in de watertoetsprocedure over alternatieve maatregelen dan dient een watervergunning bij het waterschap te worden gevraagd. Bekijk ook de ‘Leidraad Watertoets’ voor meer informatie over maatregelen die je kunt treffen om te compenseren. Als je niet compenseert moet je een watervergunning aanvragen voor het snel afvoeren van regenwater.” Op grond van het voorliggende bestemmingplan is een toename van de verharding van ongeveer 3.250 m² mogelijk. Dit betekent dat op grond van het wateradvies (10% x 3.250 m² =) 325 m² vervangende waterberging nodig is. Binnen het bestemmingsplangebied is er niet of nauwelijks voldoende ruimte voor een vervangende waterberging van 325 m². Ook is het vanwege het voorgenomen gebruik van de gronden binnen het plangebied als IKC en een veilig gebruik hiervan niet wenselijk om meer oppervlaktewater in het plangebied aan te leggen. Een vervangende waterberging van 325 m² is in de voorliggende situatie dan ook niet of nauwelijks mogelijk of wenselijk. Naar aanleiding hiervan heeft er in juni 2022 overleg met Wetterskip Fryslân plaatsgevonden.

In de toelichting bij de Keur Wetterskip Fryslân 2013 van Wetterskip Fryslân is opgemerkt dat ‘waterschappen in hun beheer als uitgangspunt de volgorde vasthouden – bergen – afvoeren van water gebruiken’. In de Leidraad Watertoets van Wetterskip Fryslân is over het aanleggen van vervangende waterberging in situaties zoals de voorliggende opgemerkt dat ‘een mogelijkheid is om het nieuwe verhard oppervlak aan te sluiten op een regenwaterriool en de vervangende waterberging aan te leggen op de plaats waar dit riool loost op het oppervlaktewater. Het bestemmingsplangebied ligt in het peilgebied GPG-L455. De gronden ten westen van de Noarderein – de weg direct ten westen langs het plangebied – liggen in het peilgebied GPG-L949. Uit onderzoek blijkt dat de bestaande watergangen in het plangebied met een duiker is verbonden met het peilgebied GPG-L949. Dit betekent dat de watergangen door middel van deze duiker het water kunnen lozen in het oppervlaktewater binnen het peilgebied GPG-L949. Hierbij zal overigens het grootste deel van het regenwater in het plangebied worden vastgehouden (door het infiltreren van het regenwater in de bodem) omdat de duiker in een normale situatie boven het waterpeil ligt.

Omdat de watergangen in het bestemmingsplangebied in het peilgebied GPG-L949 liggen zijn deze ook onderdeel van het Park Vijversburg. Als onderdeel van de uitbreiding van dit park in de periode van 2009 tot en met 2017 is een overschot aan oppervlaktewater aangelegd: 17.500 m² in plaats van de 1.200 m² die als vervangende waterberging nodig was. In het peilgebied GP-L949 is dan ook al voldoende vervangende waterberging mogelijk voor het voorliggende bestemmingsplan. Om de goede werking van de waterberging te waarborgen is in het overleg met Wetterskip Fryslân de afspraak gemaakt dat de bestaande watergang ten zuiden van het dorpshuis Yn ‘e Mande behouden blijft en waar mogelijk wordt vergroot en dat het terrein van de MFC zo wordt ingericht dat onderhoud aan deze watergang mogelijk is en blijft. Het behoud en onderhoud van de bestaande watergang is ook mogelijk op grond van (de regels van) het voorliggende bestemmingsplan. In de bestemming ‘Maatschappelijk – Sociaal Cultureel, Religie en Onderwijs voor de gronden in het plangebied is namelijk bepaald dat deze, ondergeschikt aan onder andere de hoofdgebouwen voor sociaal-culturele voorzieningen, zijn bestemd voor water. De gronden binnen het bestemmingsplangebied zijn en blijven in eigendom van de gemeente.

Op basis hiervan mag – van de gemeente als eigenaar van de gronden en als behoorlijk handelende overheid – verwacht worden dat de bestaande watergang behouden blijft en onderhoud hieraan plaats zal vinden. Daarbij is – zo blijkt ook uit het wateradvies – wanneer de vervangende waterberging niet in overeenstemming met het wateradvies wordt aangelegd op grond van de Keur Wetterskip Fryslân 2013 een watervergunning nodig. In die vergunning kunnen regels opgenomen worden om de aanleg van voldoende waterberging te waarborgen. Ook hier mag – van de gemeente als eigenaar van de gronden en als behoorlijk handelende overheid – verwacht worden dat de aanvraag om deze watervergunning ook zal plaatsvinden. Daarbij is er (vooraf) geen aanleiding om te verwachten dat Wetterskip Fryslân deze watervergunning niet kan verlenen. Binnen het plangebied is op zichzelf voldoende ruimte om andere maatregelen uit te voeren om een negatief effect op de waterhuishouding te voorkomen. Alles in overweging nemende is het niet nodig om in de regels van het bestemmingsplan een regel op te nemen om de aanleg van vervangende waterberging (of het uitvoeren van andere maatregelen om een negatief effect op de waterhuishouding te voorkomen) te waarborgen. De uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan wordt niet door onaanvaardbare effecten op het water belemmerd.

4.6 Ecologie In de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) zijn regels opgenomen om de natuur te beschermen. Op grond hiervan moet er bij het vaststellen van een bestemmingsplan inzicht zijn in het effect van het plan op: − beschermde (natuur)gebieden; − beschermde soorten; − beschermde groepen bomen, struiken e.d.

Ook zijn, zoals hoofdstuk 3.2.2 is een omschreven, in de Verordening Romte Fryslân 2014 regels opgenomen om de natuur te beschermen. Hiervoor wordt verwezen naar hoofdstuk 3.2.2 en de verordening. Om inzicht te krijgen in de binnen en in de omgeving van het plangebied aanwezige beschermde natuur is in juni-juli 2021 door BügelHajema Adviseurs een ecologisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in het rapport Beknopte natuurtoets MFC Tytsjerk van 15 juni 2021 met als kenmerk P000368. Het rapport is in bijlage 5 bij deze toelichting opgenomen. Uit de resultaten van het verkennende onderzoek blijkt samengevat het volgende. − Het plan heeft mogelijk een negatief effect op Natura 2000-gebieden. Een aanvullend AERIUS-onderzoek is nodig om inzicht te krijgen in de stikstofdepositie in deze gebieden vanwege het plan. − Het plan heeft mogelijk een negatief effect op verblijfplaatsen van vleermuizen en nesten van huismuis en gierzwaluw. Een aanvullend ecologisch onderzoek is nodig om inzicht te krijgen in mogelijk aanwezige verblijfplaatsen en nesten in de bestaande bouwwerken in het plangebied. Hierbij moet, bij het uitvoeren van werken en werkzaamheden in het plangebied, altijd het broedseizoen van vogels overwogen worden en moet lichtimmissie op bomen met holtes en spleten voorkomen worden.

− Het plan heeft geen effect op beschermde groepen bomen, struiken e.d. − Het plan heeft geen effect op, op grond van de Verordening Romte Fryslân 2014 beschermde natuur. In november 2021 is een stikstofonderzoek uitgevoerd om inzicht te krijgen in de effecten van (mogelijke) stikstofdepositie op de op grond van de Wnb beschermde natuur vanwege (mogelijke) stikstofemissie van het plan. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in de notitie Stikstofeffect bij bouw MFC in Tytsjerk van 16 november 2021. De notitie is in bijlage 7 bij deze toelichting opgenomen. Samengevat blijkt uit de resultaten dat in de situatie met ruime aannames er sprake is van een klein effect van 0,00 mol/ha/jaar op het Natura 2000-gebied Groote Wielen. Ook blijkt dat er hierbij ‘geen sprake is van een risico op (bijna) overschrijding van de kritische depositiewaarde. Dit onderzoek moet aangepast worden naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 november 2022 (202107079/1/R4) waaruit volgt dat de zogenoemde “partiële bouwvrijstelling” op grond van artikel 2.9a van de Wnb in samenhang met artikel 2.5 van het Besluit natuurbescherming “wegens strijd met artikel 6 van de Habitatrichtlijn buiten toepassing [moet] worden gelaten”. In het uitgevoerde onderzoek is deze vrijstelling toegepast.

Ook moet het onderzoek nog worden aangepast om gebruik te maken van de nieuwste versie van AERIUS Calculator. Naar aanleiding van deze conclusie is door Aveco de Bondt in maart-april 2023 een nieuw stikstofonderzoek uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn opgenomen in de memo AERIUS-calculatie MFC Tytsjerk van 3 april 2023, zie bijlage 8. In de regels is een algemene gebruiksregel opgenomen die een overschrijding van de toelaatbare stikstofdepositie in omliggende Natura 2000-gebieden moet voorkomen (niet hoger dan 0,00 mol/ha/jaar)’. In de periode april-november 2022 is door BügelHajema Adviseurs een aanvullend ecologisch onderzoek uitgevoerd om inzicht te krijgen in de mogelijk aanwezige verblijfplaatsen en nesten in de bestaande bouwwerken in het plangebied. De resultaten van dit aanvullende onderzoek zijn opgenomen in de notitie Nader onderzoek naar huismuis, gierzwaluw en vleermuizen van 21 november 2022. De notitie is in bijlage 6 bij deze toelichting opgenomen.

Uit de resultaten van het aanvullende onderzoek blijkt samengevat het volgende. − “In het gebouw zitten geen vleermuisverblijfplaatsen. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming (Wnb) is niet nodig. In de boom ten zuidwesten van het projectgebied is wel een kraamverblijf van rosse vleermuis waargenomen. Tijdens de werkzaamheden moet verstoring van deze kraamverblijfplaats worden voorkomen, door directe lichtuitstraling op de boom te vermijden.” − “Uit de twee veldbezoeken voor huismus komt naar voren dat binnen het projectgebied geen jaarrond beschermde huismusnesten aanwezig zijn. Het projectgebied zal hooguit een klein onderdeel vormen van het foerageergebied van de huismussen die in de omgeving broeden. Uit de veldonderzoeken komt niet naar voren dat huismus veel in het projectgebied foerageert. In de omgeving is ook voldoende alternatief en bovendien hoogwaardiger foerageergebied beschikbaar. Daarom vormt het projectgebied geen essentieel onderdeel van het foerageergebied van huismus.” − “Uit de drie veldbezoeken voor gierzwaluw komt naar voren dat geen gierzwaluwnesten binnen het projectgebied aanwezig zijn. Tijdens het onderzoek zijn geen foeragerende gierzwaluwen boven het projectgebied waargenomen.

Gierzwaluwen hebben zeer grote foerageergebieden, waardoor het projectgebied hooguit een zeer klein onderdeel van het foerageergebied van gierzwaluw zal vormen.” Op basis van de uitgevoerde onderzoeken is er geen aanleiding om te verwachten dat de uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan door onaanvaardbare effecten op beschermde natuur(waarden) wordt belemmerd.

4.7 Luchtkwaliteit Om een aanvaardbare woon- en leefomgeving als onderdeel van een goede ruimtelijke ordening te waarborgen is een voldoende schone lucht nodig. Hiervoor zijn de Wet milieubeheer regels opgenomen met grenswaarden voor verschillende stoffen zoals stikstofoxiden en -dioxiden, fijn stof. In tabel 4 is een overzicht van de belangrijkste grenswaarden opgenomen. Tabel 4. Overzicht van de belangrijkste grenswaarden voor stoffen in de lucht stof grenswaarde 40 µg/m³ jaargemiddelde stikstofdioxide (NO2) 200 µg/m³ uurgemiddelde1 40 µg/m³ jaargemiddelde fijnstof (PM10) 50 µg/m³ daggemiddelde2 fijnstof (PM2,5) 25 µg/m³ jaargemiddelde 1 mag ten hoogste 18 keer per jaar overschreden worden 2 mag ten hoogste 35 keer per jaar overschreden worden Uit de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland van het RIVM dat in 2030 de in tabel 5 opgenomen concentratie van NO2, PM10 en PM2,5 in de lucht wordt verwacht. Hieruit mag blijken dat een overschrijding van de grenswaarden niet waarschijnlijk is. Tabel 5. Verwachte concentratie NO2, PM10 en PM2,5 in de lucht op basis van de GCN van het RIVM stof grenswaarde verwachte concentratie 40 µg/m³ jaargemiddelde 8 µg/m³ stikstofdioxide (NO2) 200 µg/m³ uurgemiddelde

40 µg/m³ jaargemiddelde 50 µg/m³ daggemiddelde 25 µg/m³ jaargemiddelde

fijnstof (PM10) fijnstof (PM2,5)

11 µg/m³ 5 µg/m³

Daarbij blijkt uit de zogenoemde NIBM-tool, versie 2022, dat er bij een toename van tenminste 742 voertuigbewegingen – waarvan 10% vrachtverkeer – op een gemiddelde weekdag, sprake is van een ‘in betekende mate’-toename van de concentratie NO2 in de lucht. Een dergelijke toename van het verkeer wordt vanwege het plan niet verwacht (zie ook hoofdstuk 4.2 Verkeer en parkeren). Dit betekent dat het voorliggende plan “niet in betekenende mate” bijdraagt aan de concentratie NO2 en PM10 in de lucht. Het resultaat van de NIBM-tool 2022 is in figuur 6 opgenomen. Figuur 6. NIBM-tool 2022

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie

2023

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer

10,0%

NO2 in μg/m3

1,20

PM10 in μg/m3

0,16

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3

742

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig

De uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan wordt niet door onaanvaardbare effecten op luchtkwaliteit van belemmerd.

4.8 Externe veiligheid Om een aanvaardbare woon- en leefomgeving als onderdeel van een goede ruimtelijke ordening te waarborgen is het beperken van de risico’s bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen nodig. Hiervoor zijn in onder andere het Besluit externe veiligheid buisleidingen, het Besluit externe veiligheid inrichtingen en het Besluit externe veiligheid transportroutes grenswaarden opgenomen. Dit zijn grenswaarden voor het zogenoemde plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Voor het PR is de grenswaarde 10-6 per jaar. Voor het GR zijn de grenswaarden: − 10-5 per jaar op een ongeluk met tenminste 10 dodelijke slachtoffers; − 107 per jaar op een ongeluk met tenminste 100 dodelijke slachtoffers; − 10-9 per jaar op een ongeluk met tenminste 1.000 dodelijke slachtoffers. Ook in het Activiteitenbesluit zijn grenswaarden voor risico’s met gevaarlijke stoffen opgenomen. Deze grenswaarden zijn in het Activiteitenbesluit omschreven als veiligheidsafstanden.

Uit de Risicokaart van de Gedeputeerde Staten op grond van de Wet veiligheidsregio’s blijkt dat er in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle activiteiten plaatsvinden. De dichtstbijzijnde risicovolle activiteit is Camping De Kleine Wielen v.o.f. op het perceel aan De Groene Ster 14 in Leeuwarden. Dit perceel ligt op een afstand van ongeveer 740 meter ten westen van het plangebied. De risicovolle activiteit die hier plaatsvindt is het gebruiken en opslaan van ten hoogste 3 m³ en 8 m³ propaan. Uit de informatie van de Risicokaart blijkt dat hiervoor de grenswaarden van het Activiteitenbesluit gelden. In tabel 6 is een overzicht van de geldende veiligheidsafstanden voor het (gebruiken en) opslaan van propaan op grond hiervan opgenomen. Hieruit blijkt dat het plangebied op een grotere afstand dan de veiligheidsafstanden ligt. Tabel 6. Overzicht van de veiligheidsafstanden voor het (gebruiken en) opslaan van propaan bevoorrading ≤ 5 keer per jaar > 5 keer per jaar opslagtank met propaan ≤ 5 m³ 10 meter 20 meter opslagtank met propaan > 5 m³ en ≤ 13 m³ 15 meter 25 meter De uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan wordt niet door onaanvaardbare effecten op de externe veiligheid van belemmerd.

4.9 Bodemkwaliteit Om een aanvaardbare woon- en leefomgeving als onderdeel van een goede ruimtelijke ordening te waarborgen is het voorkomen of beperken van risico’s op het gebruik van de bodem nodig. Hiervoor is inzicht nodig in de bodemkwaliteit om te bepalen of deze voldoende is voor het gebruik dat mogelijk wordt gemaakt op grond van het voorliggende bestemmingsplan. Om inzicht te krijgen in de kwaliteit van de bodem in het plangebied is in november-december 2021 door Bodemvisie Milieu & Veiligheid BV een verkennend bodemonderzoek in het plangebied uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in het rapport Verkennend bodemonderzoek Noarderein 1, Tytsjerk van 15 december 2021 en met als kenmerk 210502. Het rapport is in bijlage 9 bij deze toelichting opgenomen. Uit het onderzoek blijkt dat ‘de onderzoeksresultaten geen aanleiding geven tot het uitvoeren van aanvullend onderzoek. Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek, vanuit milieuhygiënisch oogpunt, geen belemmeringen verwacht ten aanzien van de voorgenomen ontwikkelingen op de locatie’.

Hierbij is nog opgemerkt dat ‘hoewel bij voorkeur hergebruik van vrijkomende grond op basis van de gemeentelijke bodemkwaliteitskaarten kan plaatsvinden, kan, afhankelijk van de hergebruikslocatie, de uitvoering van partijkeuring(en) noodzakelijk zijn om de hergebruiksmogelijkheden van vrijkomende grond als bodem te kunnen bepalen. Bij eventuele graafwerkzaamheden op de locatie wordt geadviseerd de licht verontreinigde bovengrond op het noordelijke terreindeel separaat te laten ontgraven. Bij eventuele afvoer kan hiermee rekening worden gehouden met de bestemming en toepassing.’ De uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan wordt niet door onaanvaardbare effecten van de bodemkwaliteit belemmerd.

4.10 Cultuurhistorie (met inbegrip van archeologie) In de Wet op de archeologische monumentenzorg (in samenhang met de Monumentenwet 1998) is bepaald dat ‘de gemeente bij het vaststellen van een bestemmingsplan en bij het aanwijzen van een bestemming van de gronden waarvoor het plan wordt vastgesteld, de in de gronden aanwezige en te verwachten archeologische waarden moet overwegen’. Daarbij is in het Besluit ruimtelijke ordening bepaald dat ‘in de toelichting bij een bestemmingsplan een omschrijving moet worden opgenomen over de manier waarop in het plan de in het plangebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten overwogen is’.

4.10.1 Archeologie Uit de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) van de provinsje Fryslân blijkt dat er binnen en in de omgeving van het plangebied mogelijk archeologische waarden zijn. Om het behoud van archeologische waarden te waarborgen geeft de provincie ook advies over wanneer en wat voor archeologisch onderzoek nodig is bij het voorbereiden van een bestemmingsplan. Hiervoor onderscheidt de provincie op de FAMKE de periode steentijd-bronstijd en de periode ijzertijdmiddeleeuwen. Voor wat betreft de periode steentijd-bronstijd ligt het plangebied in een gebied waarvoor de provincie het advies “onderzoek bij grote ingrepen” geeft. Dit betekent dat de provincie het advies geeft ‘om bij grote ingrepen van meer dan 2,5 hectare een karterend proefsleuvenonderzoek in overleg met de archeoloog van de provincie’ uit te voeren. Het advies voor de periode ijzertijd-middeleeuwen is “karterend onderzoek 3 (middeleeuwen)”. Hier geeft de provincie het advies ‘om bij ingrepen van meer dan 5.000 m² een historisch en karterend onderzoek’ uit te voeren. Daarbij ‘moet speciale aandacht zijn voor eventuele Romeinse sporen en/of vroeg-middeleeuwse ontginningen’. Op grond van het bestemmingsplangebied is de oppervlakte van het plangebied ongeveer 8.100 m². De oppervlakte van het gebied waar werkelijke “ingrepen” zoals bedoeld voor de FAMKE mogelijk zijn is 2.600 m².

Een “ingreep” is namelijk ‘de totale oppervlakte van een bestemmingswijziging ten opzichte van het geldende bestemmingsplan’ waarbij ‘een eventuele verstoring op grond van het nieuwe bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt’. Zoals opgemerkt in hoofdstuk 1.3 is een groot deel van de gronden binnen het plangebied al bestemd als “Maatschappelijk – Sociaal Cultureel en Religie”. De bestemming van deze gronden wordt op grond van het voorliggende bestemmingsplan alleen anders in die zin dat hier ook de activiteit onderwijs mogelijk wordt gemaakt. Maar dit betekent op zichzelf niet dat er meer verstoring van archeologische waarden mogelijk is. Een deel van de gronden in het plangebied is op grond van het geldende bestemmingsplan bestemd als “Groen – Groenvoorzieningen”. Deze gronden worden op grond van het voorliggende bestemmingsplan wel anders bestemd, namelijk als “Maatschappelijk – Sociaal Cultureel, Religie en Onderwijs”. De oppervlakte van dit deel van de gronden is ongeveer 2.700 m². Wel wordt op de gronden die op grond van het geldende bestemmingsplan zijn bestemd als “Maatschappelijk – Sociaal Cultureel en Religie” de aanduiding “bouwvlak” groter. Hierdoor is plaatselijk wel meer verstoring van archeologische waarden mogelijk. De oppervlakte van deze

aanduiding op grond van het geldende plan is ongeveer 1.150 m². Op grond van het voorliggende bestemmingsplan is de oppervlakte van de aanduiding ongeveer 1.700 m². Samengevat is de oppervlakte van het bestemmingsplangebied weliswaar groter dan 5.000 m² maar de oppervlakte van het gebied waar op grond van het voorliggende bestemmingsplan activiteiten mogelijk zijn – die op grond van het geldende bestemmingsplan niet mogelijk zijn – waardoor verstoring van archeologische waarden mogelijk is met ten hoogste ongeveer (2.700 m² + (1.700 m² 1.150 m²) =) 3.250 m² kleiner. Het uitvoeren van archeologisch onderzoek is op basis van het advies van de provincie dan ook niet nodig. De uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan wordt niet door onaanvaardbare effecten op de archeologie belemmerd.

4.10.2 Cultuurhistorie, anders dan archeologie Cultuurhistorische waarden in de omgeving van het plangebied Uit de Cultuurhistorische kaart (CHK2) van de provinsje Fryslân blijkt dat er binnen en in de omgeving van het bestemmingsplangebied verschillende cultuurhistorische waarden zijn. In de omgeving zijn dit: − de “nederzettingsvorm” van Tytsjerk als “wegdorp”; − de Noarderein en Woelwijk-Hanenburg als “Oude Paden en Nieuwe Wegen”; − Stins Toutenburg en State of beschermde buitenplaats Vijversburg; − de wederopbouwijken langs de wegen Woelwijk-Hanenburg-Reidfjild. Behalve mogelijk op de ‘nederzettingsvorm als wegdorp’ wordt verstoring van deze cultuurhistorische waarden op grond van het voorliggende bestemmingsplan niet verwacht. Daarvoor is het effect van het plan te klein en/of liggen deze waarden op een te grote afstand van het plangebied. De waarde van de ‘nederzettingsvorm als wegdorp’ is dat ‘boerderijen en woningen vaak met enige spreiding op een rij aan een weg liggen waardoor sprake is van een lint’. Een dergelijk lint is een belangrijk kenmerk van een wegdorp. Bij dorpskerken of kruisingen van wegen is de spreiding van de boerderijen en woningen vaak kleiner waarbij ook de voortuinen kleiner zijn. Wat ook opvalt zijn de doorzichten naar het landschap, de singels haaks op de wegen en de groene erven en erfafscheidingen’.

In het ontwerp van het MFC is de keuze gemaakt om het dorpshuis in de boerderij (het “oude”) met het IKC (het “nieuwe”) te verbinden door de toegang tot het MFC en de sportzaal hiertussen te plaatsen (zie ook figuur 2 in hoofdstuk 2). Doordat de voorgevel van de toegang en de sportzaal achter de voorgevels van de boerderij en het IKC ligt en de hoogte van vooral de voorliggende toegang lager is dan de hoogte van de boerderij en het IKC, zijn de toegang en de sportzaal in het beeld van de MFC vanaf het Noarderein ondergeschikt aan de boerderij en het IKC. Hierdoor is er in het beeld sprake van enige afstand (spreiding) tussen de boerderij en het IKC. Dat de voorgevel van de toegang en de sportzaal achter de voorgevels van de boerderij en het IKC ligt is op grond van het voorliggende bestemmingsplan ook gewaarborgd door de naar achterliggende grens van de aanduiding “bouwvlak” op de verbeelding van het plan ter plaatse van de voorgenomen toegang en sportzaal.

Van ‘doorzichten naar het landschap en singels haaks op de wegen’ is in de bestaande situatie geen sprake. Het voorliggende bestemmingsplan heeft hierop dat ook geen effect. Daarbij zijn op grond van het plan ‘groene erven en erfafscheidingen’ mogelijk in het plangebied. De keuze is gemaakt om het behoud van de bestaande ‘groene erven en erfafscheidingen’ niet te waarborgen op grond van het plan. Daarvoor is in overweging genomen dat bij een nieuw gebruik van de gronden binnen het plangebied zoals dat op grond van het voorliggende plan mogelijk wordt gemaakt ook een nieuwe inrichting van het erf en de erfafscheidingen nodig is. Cultuurhistorische waarden binnen het plangebied De cultuurhistorische waarden binnen het plangebied zijn: − het bestaande hoofdgebouw als een ‘karakteristieke bouwwerken (niet-woningen)’; − het bestaande hoofdgebouw als “jongere bouwkunst”; − het boerderijplaats; − verkaveling; − geomorfoligie. Behalve mogelijk op het ‘karakteristiek bouwwerk (niet-woning)’, “jongere bouwkunst” en “boerderijplaats” wordt verstoring van deze cultuurhistorische waarden op grond van het voorliggende bestemmingsplan niet verwacht. Op grond van het voorliggende bestemmingsplan wordt een andere verkaveling of geomorfologie – anders dan op grond van het geldende bestemmingsplan – niet mogelijk gemaakt.

Het bestaande hoofdgebouw is op grond van het geldende bestemmingsplan ook aangeduid als “karakteristiek”. Op grond hiervan moet ‘de bestaande karakteristieke hoofdvorm zoveel mogelijk in stand worden gehouden’. Uit de toelichting bij het geldende bestemmingsplan blijkt dat het bestaande hoofdgebouw op grond van de Erfgoedverordening 2014 Tytsjerksteradiel als kop-hals-rompboerderij is aangeduid als “waardevol bouwwerk”. Op grond van de verordening is het bestaande hoofdgebouw hiermee “een bouwwerk met een hoge cultuurhistorische en/of architectonische waarde, zoals gemotiveerd en beschreven in de bij het ruimtelijk plan als bijlage toegevoegde cultuurhistorisch rapport, en waarvan het exterieur van het gebouw/bouwwerk als gemeentelijk monument bescherming geniet in gevolge de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’.” In de toelichting bij de CHK2 is opgemerkt dat ‘boerderijplaatsen ons inzicht geven in de geschiedenis en de ontwikkeling van het cultuurlandschap. Boerderijplaatsen zijn een belangrijk kenmerk van het landschap van de provincie.

Een belangrijk onderdeel van een boerderijplaats is onder andere het erf met de boerderij, de bijgebouwen, de omgrachting, de groene aanplant en de erbij horende (kleine) terreinen zoals een boomgaard, moestuin en kalverweide.’ In aanvulling op de overweging hiervoor over het ontwerp van het MFC onder de kop “Cultuurhistorische waarden in de omgeving van het plangebied” kan ook nog opgemerkt worden dat om het beeld van de boerderij in het ontwerp nog meer te versterken ook de grens van de aanduiding “bouwvlak” ter plaatse van het IKC achter de voorgevel van de boerderij ligt. Alles in overweging nemende wordt hiermee de boerderij zo min mogelijk aangepast. Natuurlijk is er altijd enige aanpassing nodig om een aansluiting mogelijk te maken en het MFC als geheel te laten werken. Met het ontwerp worden de kop en de hals van de kop-hals-rompboerderij behouden zoals ze zijn en ondergeschikt aan de romp wordt een koppeling – door middel van een “aanbouw voor de toegang en de sportzaal” – gemaakt met de andere delen van het MFC.

Daarbij is er in het beeld van het MFC in het ontwerp een groot verschil in architectuur tussen het oude deel – de boerderij – en het nieuwe deel door de gebruikte transparante paviljoenarchitectuur van het nieuwe deel. In alles is de boerderij het belangrijkste gebouw(deel): het nieuwe deel ligt naar achteren en heeft een lagere bouwhoogte. Ook op grond van het voorliggende bestemmingsplan zijn de gronden ter plaatse van de boerderij aangeduid als “karakteristiek”. Op grond van deze aanduiding ‘moet de bestaande karakteristieke hoofdvorm zoveel mogelijk in stand worden gehouden’. Op basis van de hiervoor opgenomen omschrijving van het ontwerp van de MFC is het behoud van deze vorm ook mogelijk. Daarbij zijn de gronden ter plaatse van de boerderij en het nieuwe deel van het MFC achtereenvolgens ook aangeduid als: − “maximum goothoogte 4 m” en “maximum bouwhoogte 12 m”; − “maximum bouwhoogte 9 m”. Hiermee is gewaarborgd dat ook voor wat betreft de bouwhoogte het nieuwe deel ondergeschikt is aan de boerderij. Zoals hiervoor ook is opgemerkt is bij een nieuw gebruik van de gronden binnen het plangebied zoals dat op grond van het voorliggende plan mogelijk wordt gemaakt ook een nieuwe inrichting van het erf nodig. Daarbij is er in de bestaande situatie van de boerderij ook geen sprake van erf passende bij een boerderijplaats.

In die zin is er dan ook geen sprake van te behouden waarden. De uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan wordt niet door onaanvaardbare effecten op cultuurhistorie belemmerd.

4.11 Kabels en leidingen In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening is bepaald dat op grond van een bestemmingsplan voor gronden binnen een voorkeurstracé ‘geen nieuwe activiteiten mogelijk gemaakt mogen worden die een belemmering kunnen vormen voor de aanleg van een buisleiding van nationaal belang’. De voorkeurstracés zijn omschreven in de Structuurvisie buisleidingen 2012-2035. In het Besluit externe veiligheid buisleidingen is bepaald dat bij het vaststellen van een bestemmingsplan op grond waarvan de aanleg van een buisleiding of de aanleg of bouw van een voor het risico vanwege de buisleiding gevoelig gebouw of terrein mogelijk wordt gemaakt (de grenswaarden voor) het risico in overweging genomen moet worden. Daarbij is ook bepaald dat een dergelijk bestemmingsplan de ligging van de buisleidingen en de daarbij horende belemmeringenstrook in het bestemmingsplangebied moet weergeven.

In zijn brief van 3 oktober 2005 geeft de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aan onder andere de colleges van burgemeester en wethouders het advies ‘om bij het bestemmingsplannen en van de tracés van bovengrondse hoogspanningslijnen, dan wel bij wijzigingen in bestaande plannen of van bestaande hoogspanningslijnen, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla (de magneetveldzone)’. Deze grenswaarde van 0,4 microtesla is een bijzondere grenswaarde voor op bovengrondse hoogspanningsleidingen in die zin dat de algemene grenswaarde – op advies van de Europese Unie – voor hoogspanningslijnen, ondergrondse kabels en

transformatorstations 100 microtesla is. Van overschrijdingen van deze grenswaarde is in Nederland op maaiveldhoogte geen sprake. Uit de Structuurvisie buisleidingen 2012-2035 blijkt dat er in en in de omgeving van het bestemmingsplangebied geen voorkeurstracés voor buisleidingen van nationaal belang liggen. Voor een beoordeling van de mogelijke risico’s van buisleidingen wordt verwezen naar hoofdstuk 4.8. Ook zijn er in en in de omgeving van het plangebied geen hoogspanningslijnen, ondergrondse kabels en tranformatorstations waarbij sprake is van een (mogelijke) overschrijding van de grenswaarden bekend. Om inzicht te krijgen in andere kabels en leidingen in en in de omgeving van het bestemmingsplangebied is in maart 2022 een zogenoemde KLIC-melding uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn opgenomen in bijlage 10 en 11. Hieruit blijkt dat er in en in de omgeving van het plangebied verschillende kabels en leidingen liggen. Bij de uitvoering van het voorliggende bestemmingsplan moeten deze kabels en leidingen in overweging worden genomen. Vooraf is er geen aanleiding om te verwachten dat de uitvoering van het plan hierdoor niet mogelijk is. De uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan wordt niet door onaanvaardbare effecten van kabels en leidingen belemmerd.

5 Juridische omschrijving van het plan 5.1 Algemeen Het voorliggende bestemmingsplan is op basis van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012) opgesteld. Het bestemmingsplan bepaalt de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden binnen het bestemmingsplangebied. De juridische deel van het plan is opgenomen in een verbeelding en de daarbij horende regels. Op de verbeelding zijn de bestemmingen, aanduidingen en dergelijk weergegeven en in de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden.

5.2 Regels 5.2.1 Hoofdstuk 1 Inleidende regels In de regels worden verschillende begrippen gebruikt. In het eerste artikel van hoofdstuk 1 is voor die begrippen waarvoor dat voor de goede uitleg van het begrip nodig is een omschrijving opgenomen. Enkele van deze omschrijvingen volgen uit de SVBP2012. In het tweede artikel is voor enkele begrippen waar in de regels een koppeling met een maat is gemaakt een omschrijving opgenomen over de manier waarop deze maat gemeten moet worden.

5.2.2 Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels De bestemmingsregels zijn opgenomen in hoofdstuk 2. In het voor de gronden binnen het bestemmingsplangebied geldende bestemmingsplan zijn verschillende bestemmingen “Maatschappelijk” opgenomen voor verschillende vormen van maatschappelijke activiteiten. De gronden binnen het plangebied zijn/waren bestemd als “Maatschappelijk – Sociaal Cultureel en Religie”. De gronden ter plaatse van de Ontmoetingschool de Romte aan het Reidfjild 4 in Tytsjerk zijn/waren bestemd als “Maatschappelijk – Onderwijs”. Omdat op grond van het voorliggende bestemmingsplan de activiteiten van onder andere het dorpshuis Yn ‘e Mande in het plangebied en de school mogelijk worden gemaakt is voor dit plan de keuze gemaakt om de bestemming “Maatschappelijk – Sociaal Cultureel en Religie” en de bestemming “Maatschappelijk – Onderwijs” samen te voegen tot de bestemming “Maatschappelijk – Sociaal Cultureel, Religie en Onderwijs”. De regels van deze bestemming zijn dan ook opgesteld op basis van de bestemmingen “Maatschappelijk” van het geldende bestemmingsplan. Dit betekent ook dat in het voorliggende bestemmingsplan maar één bestemming is opgenomen in artikel 3.

In vergelijking met de bestemmingen Maatschappelijk – Sociaal Cultureel en Religie” en de bestemming “Maatschappelijk – Onderwijs” wijkt de bestemming “Maatschappelijk – Sociaal Cultureel, Religie en Onderwijs” op de volgende onderdelen af. − De aanduiding “bedrijfswoning” is niet opgenomen op de verbeelding en in de regels van dit bestemmingsplan. In het geldende bestemmingsplan is deze aanduiding opgenomen om de bedrijfswoning bij het dorpshuis Yn ‘e Mande mogelijk te maken. Een bedrijfswoning achten wij op dit moment niet meer wenselijk en/of nodig.

De bestemming “Maatschappelijk – Sociaal Cultureel, Religie en Onderwijs” heeft in vergelijking met de bestemmingen Maatschappelijk – Sociaal Cultureel en Religie” en de bestemming “Maatschappelijk – Onderwijs” de volgende aanvullingen. − In de bestemmingsomschrijving is bepaald de gronden ondergeschikt zijn bestemd voor sporten sportieve recreatie. Deze regel is vooral opgenomen om het gebruik van de in het (voor)ontwerp van het MFC opgenomen sportzaal voor sport anders dan als onderdeel van de voorschoolse en buitenschoolse opvang en het basisonderwijs mogelijk te maken. − In de gebruiksregels is bepaald dat ten hoogste 50% van de oppervlakte van de aanduiding “bouwvlak” aan bouwwerken mag worden gebruikt voor educatieve en informatieve voorzieningen. Deze regel is opgenomen op basis van de in het geldende bestemmingsplan opgenomen wijzigingsmogelijkheid in de bestemming “Maatschappelijk – Sociaal Cultureel en Religie”. Hierin is bepaald dat burgemeester en wethouders de bestemming kunnen wijzigen door de aanduiding “Maatschappelijk – Onderwijs – op de verbeelding op te nemen onder de voorwaarde dat “de vloeroppervlakte van de aanduiding “Maatschappelijk – Onderwijs” niet meer bedraagt dan 50% van de oppervlakte van het bouwvlak”.

Om te waarborgen dat er in het MFC voldoende ruimte blijft voor andere activiteiten dan ‘educatieve en informatieve’ activiteiten achten wij een dergelijke beperking wenselijk. − Op de verbeelding en in de gebruiksregels is de aanduiding “specifieke vorm van maatschappelijk uitgesloten – horeca(bedrijf)” opgenomen. In de gebruiksregels is bepaald dat het gebruik van de gronden en bouwwerken ter plaatse van deze aanduiding voor horeca in strijd is met de bestemming. Deze aanduiding en regel is opgenomen om onaanvaardbare geurhinder en gevaar vanwege deze horeca in de omgeving van het plangebied te voorkomen. Een onderbouwing hiervoor is opgenomen in hoofdstuk 4.3. − In de gebruiksregels is bepaald dat het gebruik van gronden en bouwwerken voor activiteiten ter plaatse van de gronden en bouwwerken waarbij sprake is van overschrijding van een bepaalde geluidwaarde in strijd is met de bestemming. Om hier voldoende toezicht op te kunnen houden en deze regel voldoende te kunnen handhaven zijn in de betreffende gebruiksregel voor bepaalde beoordelingspunten voor die punten geluidgrenswaarden opgenomen. Hierdoor is voor iedereen duidelijk op welke punten, welke geluidwaarde niet mag worden overschreden. Deze regel is opgenomen om onaanvaardbare geluidhinder vanwege activiteiten bij het MFC in de omgeving van het plangebied te voorkomen.

Ook hiervoor is een onderbouwing opgenomen in hoofdstuk 4.3. De aanduiding “karakteristiek” is op de verbeelding en in de bestemmingsregels opgenomen om het behoud van de hoofdvorm van de voormalige boerderij te waarborgen. Daarbij zijn de gronden ter plaatse van de boerderij en het nieuwe deel van het MFC achtereenvolgens ook aangeduid als: − “maximum goothoogte 4 m” en “maximum bouwhoogte 12 m”; − “maximum bouwhoogte 9 m”. In de bouwregels is bepaald dat de goot- en bouwhoogte van gebouwen en daarbij horende bouwwerken niet hoger mag zijn dan de in deze aanduidingen opgenomen hoogten. Ook deze aanduidingen en bouwregels zijn bedoeld om het behoud van (het kunnen waarnemen van) de hoofdvorm te waarborgen. Een onderbouwing hiervoor is opgenomen in hoofdstuk 2.1 en hoofdstuk 4.10.2.

5.2.3 Hoofdstuk 3 Algemene regels In hoofdstuk 3 zijn de algemene regels opgenomen. Deze zijn – wanneer ze ook van toepassing zijn voor het voorliggende bestemmingsplan – overgenomen van het voor de gronden binnen het

bestemmingsplangebied geldende bestemmingsplan. Daarbij is in artikel 7 een aanvulling van de algemene afwijkingsregels opgenomen. Op grond hiervan kan het bevoegd gezag onder voorwaarden een omgevingsvergunning verlenen om ter plaatse van de aanduiding “karakteristiek”, de bestaande karakteristieke hoofdvorm van het gebouw ter plaatse niet zoveel mogelijk in stand te houden. Dit is een afwijking van de in artikel 3 opgenomen regel dat de bestaande karakteristieke hoofdvorm wel zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. Deze afwijkingsmogelijkheid is opgenomen op basis van een in de bestemming “Maatschappelijk – Sociaal Cultureel en Religie” van het geldende bestemmingsplan opgenomen wijzigingsmogelijkheid om het plan te wijzigen en de aanduiding “karakteristiek” te verwijderen. Omdat het op grond van de in voorbereidingen zijnde Omgevingswet niet meer mogelijk is om dergelijke wijzigingsmogelijkheden in een ruimtelijk instrument op te nemen is voor het voorliggende bestemmingsplan de keuze gemaakt om deze wijziging in een afwijkingsmogelijkheid op te nemen.

5.2.4 Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 4 zijn de overgangs- en slotregels van het bestemmingsplan opgenomen zoals deze volgen uit de SVBP2012.

5.3 Bestemmingsplanprocedure 5.3.1 Voorbereidingsfase Het voorliggende bestemmingsplan is op grond van artikel 3.8, lid 1 van de Wro in samenhang Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorbereid. Zoals omschreven in hoofdstuk 3.1.2 zijn onderdeel van deze voorbereiding: 1. “overleg met besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van de provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn”; 2. ‘het betrekken van burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het plan’; 3. ‘het uitvoeren van verschillende onderzoeken en omschrijven van de resultaten hiervan’. Op basis hiervan is het ontwerp van het bestemmingsplan opgesteld. Het ontwerp van het bestemmingsplan wordt voor een periode van zes weken ter inzage gelegd. In deze periode kan iedereen een zienswijze op het plan geven aan de raad van de gemeente. De terinzagelegging van het plan wordt bekend gemaakt in het Gemeenteblad van Tytsjerksteradiel. Na de periode van het ter inzage liggen van het bestemmingsplan neemt de raad binnen een periode van (in beginsel) twaalf weken een besluit over het vaststellen van het plan. Daarbij neemt de raad de ontvangen zienswijzen in overweging.

Het besluit wordt (in beginsel) binnen twee weken na nemen van het besluit bekend gemaakt in het Gemeenteblad van Tytsjerksteradiel.

5.3.2 Beroepsfase Vanaf de dag na het bekend maken van het besluit over het vaststellen van het bestemmingsplan ligt het plan voor een periode voor zes weken ter inzage. In deze periode kan iedereen beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: AbRvS) tegen het besluit. Wanneer er beroep is ingesteld tegen het besluit kan iedereen die “partij is in de hoofdzaak” een verzoek om voorlopige voorziening indienen. Een voorlopige voorziening is erop gericht om het in

werking treden van het bestemmingsplan uit te stellen tot het moment dat AbRvS een uitspraak doet over het beroep. Wanneer geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend treedt het plan in werking direct na de periode van zes weken waarin beroep ingesteld kon worden. De AbRvS doet (in beginsel) binnen twaalf maanden na het instellen van het beroep en binnen zes weken na de zitting over het beroep uitspraak.

6 Economische uitvoerbaarheid Het voorliggende bestemmingsplan is opgesteld om de bouw en het gebruik van een MFC in Tytsjerk mogelijk te maken. Op grond van artikel 6.12, lid 1 van de Wro moet de raad van de gemeente bij het vaststellen van een (bouw)plan zoals bedoeld in artikel 6.2.1 van het Bro een exploitatieplan vaststellen. Het voorliggende bestemmingsplan is een (bouw)plan zoals bedoeling in dit artikel. Op grond van dit plan wordt namelijk ‘de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte’ mogelijk gemaakt. Wanneer het verhalen van de kosten anderszins verzekerd is, is op grond van artikel 6.12, lid 2 van de Wro het vaststellen van een exploitatieplan niet nodig. Hiervan is in de voorliggende situatie sprake. De gronden en gebouwen binnen het bestemmingsplangebied zijn in eigendom van de gemeente. Op grond van de Grondwet is de gemeente verantwoordelijk voor voldoende gebouwen voor maatschappelijke activiteiten als een MFC voor onder andere basisonderwijs. Op 16 september 2021 is door de raad besloten om: 1. “in te stemmen met de realisatie van een MFC in Tytsjerk”; 2. “de jaarlijkse kapitaallast (€ 51.000,-) op te nemen in de begroting vanaf 2022”.

In een bijlage bij het voorstel aan de raad op basis waarvan de raad dit heeft besloten is een overzicht opgenomen van de kosten die samenhangen met de bouw en het gebruik (exploitatie) van het MFC en wat het effect hiervan is op de begroting van de gemeente. Deze kosten zijn opgenomen in de begroting van de gemeente. In dit overzicht zijn onder andere de kosten voor het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan, van de (ver)bouw en van het gebruik van het MFC opgenomen. Het verhalen van kosten anders dan op basis van de begroting van de gemeente is dan ook niet nodig. Het verhalen van de kosten is op basis hiervan dan ook anderszins verzekerd. Het vaststellen van een exploitatieplan is dan ook niet nodig. Dit betekent dat de uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan niet door onvoldoende economische uitvoerbaarheid wordt belemmerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Tytsjerksteradiel&id=37b5dd26-0ac7-467a-a518-c7be94841de8