TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied Vermolenweg 42, Dikkersbosweg 3 en Broekdijk 61 (toelichting en regels).pdf
Tekst van het document
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied Vermolenweg 42, Dikkersbosweg 3 en Broekdijk 61
Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject: de aard en omvang van de ontwikkeling; de vormgeving en opzet; de schaalgrootte; de ligging; de voorgenomen functie(wijziging), en; de vraag of sprake is van een bestaand of van een te realiseren bouwwerk. In voorliggend plan wordt een bestaande woning aan de Dikkersbosweg 3 met 281 m3 vergroot. Aan de Vermolenweg 42 in Geesteren wordt een grotere oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken mogelijk gemaakt en wordt bestaande bebouwing ter plaatse van de functie 'Agrarisch - 1' gelegaliseerd door deze te voorzien van de aanduiding 'veldschuur'. De drempelwaarden uit bijlage V worden niet overschreden. De aard en omvang van de ontwikkeling is zeer gering en de ontwikkeling wordt landschappelijk goed ingepast. Daarmee is er geen spake van een stedelijk ontwikkelingsproject. Ter compensatie van de extra bouwmogelijkheden worden twee landschapsontsierende gebouwen met asbest bij een bestaand agrarisch bedrijf aan de Broekdijk 61 te Mander gesloopt. De oppervlakte van de te slopen bebouwing bedraagt 439 m2.
Daarnaast wordt het agrarisch bedrijfsperceel (bouwvlak) als gevolg van dit plan verkleind. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling en de verwachte milieuhinder, de plaats van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is tevens bevestigd in de in dit Hoofdstuk 5 opgenomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kenmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van een project dat belangrijke gevolgen voor het milieu heeft, zodat het geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt (artikel 16.43 jo. artikel 16.53 Ow). Evenmin is een plan-mer-beoordeling noodzakelijk. 5.2.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot de mer-beoordeling, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.3 Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren 5.3.1
Algemeen
De visie op verkeer en vervoer is opgenomen in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. De verkeersgeneratie kan worden bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave ‘Parkeerkencijfers 2024, basis voor parkeernormering' (augustus 2024). De toename en de verkeersveiligheid moet vervolgens worden beoordeeld aan de hand van de verkeersgeneratie en de wegencategorisering in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. Er moet worden aangetoond dat de betreffende weg/wegen de toename aan het verkeer kunnen afwikkelingen en niet leidt tot verkeersonveilige situaties. Het parkeren moet worden getoetst aan de Beleidsnotitie bouwen & parkeren 2018. 5.3.2
Situatie plangebied
Als gevolg van het plan worden geen nieuwe activiteiten mogelijk gemaakt. Het plan heeft betrekking op de volgende ontwikkelingen: Broekdijk 61 Mander: sloop van twee landschapsontsierende agrarische bedrijfsgebouwen en het verkleinen van het agrarisch bedrijfsperceel (bouwvlak); Dikkersbosweg 3 Albergen: vergroting van de bestaande woning met 281 m3; Vermolenweg 42 Geesteren: vergroting van de planologisch toegestane oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken en voorzien van de aanduiding veldschuur (legalisatie). De voorgenomen ontwikkelingen hebben geen invloed op de verkeers- en parkeersituatie ter plaatse. Aan de Broekdijk 61 is reeds sprake van een bestaand agrarisch bedrijf welke in de bouwmogelijkheden wordt beperkt en het bedrijfsperceel wordt verkleind. De bedrijfsactiviteiten nemen daarmee niet toe. Aan de Dikkersbosweg 3 en Vermolenweg 42 zijn reeds bestaande woningen aanwezig. Ook hier geldt dat de extra bouwmogelijkheden geen invloed hebben op de verkeers- en parkeersituatie. Op alle erven geldt immers bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied Vermolenweg 42, Dikkersbosweg 3 en Broekdijk 61
49
dat de bestaande parkeerbehoefte op eigen erf opgevangen kan worden en dat de bestaande verkeersgeneratie reeds via de bestaande infrastructuur kan worden afgewikkeld. 5.3.3
Conclusie
Het plan voldoet aan het parkeerbeleid. Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot verkeer en parkeren, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.4 Soortenbescherming en gebiedsbescherming Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). 5.4.1
Gebiedsbescherming
5.4.1.1 Natura 2000-gebieden Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000- gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning voor de Natura-2000-activiteit noodzakelijk. Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: de leefgebieden van vogels; de natuurlijke habitats of habitats van soorten.
De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een 'voortoets'. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. Situatie plangebied Het plan heeft betrekking op drie plangebieden binnen de gemeente Tubbergen.
Hieronder wordt de afstand van de plangebieden tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden weergegeven. Het plangebied Broekdijk 61 in Mander grenst aan Natura 2000-gebied 'Springendal & Dal van de Mosbeek. In figuur 5.1 is de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000-gebied weergegeven.
50
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied Vermolenweg 42, Dikkersbosweg 3 en Broekdijk 61
Figuur 5.1: Ligging plangebied Broekdijk 61 t.o.v. Natura 2000-gebied (bron: AERIUS Calculator) Het plangebied aan de Broekdijk 61 Mander is zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom mogelijk aan de orde. In het Natura 2000-gebied zijn geen negatieve effecten, zoals trillingen waarneembaar. Voorgenomen ingreep dient getoetst te worden aan de instandhoudingsdoelstellingen voor de kwalificerende soorten en habitattypes behorend tot Natura 2000-gebied: Springendal & Dal van de Mosbeek. In onderstaande figuur 5.2 wordt ingegaan op de instandhoudingsdoelstellingen voor de kwalificerende soorten en habitattypes behorend tot Natura 2000-gebied: Springendal & Dal van de Mosbeek.
Figuur 5.2: Habitatrichtlijnsoorten Natura 2000-gebied Springendal & Dal van de Mosbeek Voor bovenstaande habitatrichtlijnsoorten geldt uitbreiding en behoud van populaties, omvang leefgebied en verbetering en behoud van de kwaliteit van het leefgebied. Met behulp van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) is een inschatting gemaakt van het voorkomen van deze habitatrichtlijnsoorten in Natura 2000 gebied Springendal & Dal van de Mosbeek. In een ruim zoekgebied rondom het plangebied in de NDFF zijn waarnemingen bekend van vliegend hert. Andere soorten ontbreken binnen dit zoekgebied. Deze soorten worden, gezien de ecologie, niet verwacht in het deel Natura 2000 gebied dat grenst aan het plangebied. Vliegend hert is gebonden aan oud eikenbos en eikenhakhoutsingels. Rondom het plangebied zijn eiken aanwezig. Voorgenomen ingreep tast geen eiken aan. Voorgenomen ingreep heeft geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen voor habitatrichtlijnsoorten. Van de habitattypes die gelden voor Natura 2000 gebied: Springendal & Dal van de Mosbeek zijn geen van de habitattypes aanwezig rondom het plangebied. bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied Vermolenweg 42, Dikkersbosweg 3 en Broekdijk 61
51
Voorgenomen ingreep heeft dan ook geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen voor de habitattypes behorend tot dit Natura 2000 gebied. Om te onderzoeken of het verwijderen van de kuilvoerplaten en het slopen van de schuren kan leiden tot een toename van stikstofdepositie op het naastgelegen Natura 2000-gebied, is door Natuurbank Overijssel een AERIUS-berekening uitgevoerd (projectnummer 7242A, versie 1.0 d.d. 24 april 2025). De rapportage is als Bijlage 6 bij deze motivering opgenomen. De invoergegevens en rekenresultaten (projectberekening) zijn in Bijlage 7 opgenomen. De resultaten zijn hieronder weergegeven. De activiteit in de ontwikkelfase leidt tot een NOx-emissie van 1,3 kg/jaar en een NH3-emissie van 48,6 g/jaar. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteit gedurende de ontwikkelfase, leidt echter niet tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied. De voorgenomen activiteit leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft dan ook geen Omgevingsvergunning aangevraagd te worden. Als gevolg van de ontwikkelfase vindt er geen toename van depositie plaats in Natura 2000- gebied. De voortoets voor het plan voldoet ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Het plangebied Dikkersbosweg 3 in Albergen ligt op minimaal 9,5 kilometer afstand van Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied is 'Lemselermaten'. In figuur 5.3 is de ligging van het Natura 2000-gebied ten opzichte van het plangebied weergegeven.
Figuur 5.3: Ligging plangebied Dikkersbosweg 3 t.o.v. Natura 2000-gebied (bron: AERIUS Calculator) Negatieve effecten zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde vanwege de onderlinge afstand. Als gevolg van het plan vinden gedurende een bepaalde termijn bouwwerkzaamheden plaats waarbij sprake zal zijn van de verbranding van fossiele brandstoffen. Vanwege de afstand tot aan het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en de (geringe) mate van bouwwerkzaamheden kan een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied op voorhand worden uitgesloten. Het plangebied Vermolenweg 42 in Geesteren ligt op circa 1,8 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied 'Engbertsdijksvenen'. In figuur 5.4 is de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000-gebied weergegeven.
52
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied Vermolenweg 42, Dikkersbosweg 3 en Broekdijk 61
Figuur 5.4: Ligging plangebied Vermolenweg 42 t.o.v. Natura 2000-gebied (bron: AERIUS Calculator) Negatieve effecten zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde vanwege de onderlinge afstand. Aangezien het plan enkel voorziet in de legalisatie van bestaande bebouwing aan de Vermolenweg 42 is het uitvoeren van een stikstofonderzoek niet noodzakelijk. Er vinden immers geen bouwwerkzaamheden plaats die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie. Evenmin neemt het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied toe. Conclusie Het project betreft, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, geen Natura 2000-activiteit en is gezien artikel 5.1 van de Omgevingswet niet vergunningplichtig. De voortoets voor het plan voldoet ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 5.4.1.2 Natuurnetwerk Nederland In het Besluit kwaliteit leefomgeving is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI).
Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel. Situatie plangebied Hieronder wordt per plangebied ingegaan op de ligging ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland. Het plangebied aan de Broekdijk 61 in Mander ligt op gronden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland. In figuur 5.5 is de ligging weergegeven.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied Vermolenweg 42, Dikkersbosweg 3 en Broekdijk 61
53
Figuur 5.5: Ligging Broekdijk 61 t.o.v. Natuurnetwerk Nederland (bron: Atlas leefomgeving) Omdat het plangebied aan de Broekdijk 61 in Mander binnen het Natuurnetwerk Nederland ligt, dient voorgenomen initiatief getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. het Natuurnetwerk Nederland. In omgevingsplannen die betrekking hebben op een gebied dat is aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN) maken geen ontwikkelingen mogelijk die leiden tot: a. aantasting van de mogelijkheden om de natuurdoelen te realiseren die voor dit gebied zijn vastgesteld in Bijlage X 'Wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN', b. vermindering van het areaal van het Natuurnetwerk Nederland; en c. aantasting van de samenhang tussen onderdelen van het Natuurnetwerk Nederland. De functie zal niet wijzigen bij de voorgenomen werkzaamheden. Wel wordt het agrarisch bouwperceel verkleind en neemt de bebouwde oppervlakte af. Het plan leidt niet tot aantasting van de mogelijkheden om de natuurdoelen te realiseren. Evenmin leidt het plan tot vermindering van het areaal van het Natuurnetwerk Nederland of de aantasting van de samenhang tussen de onderdelen van het Natuurnetwerk Nederland. Het plangebied aan de Dikkersbosweg 3 in Albergen ligt op circa 1,04 kilometer afstand van het Natuurnetwerk Nederland.
Het plangebied aan de Vermolenweg 42 in Geesteren ligt op minimaal 570 meter van het Natuurnetwerk Nederland. In figuur 5.6 en 5.7 is de ligging van de plangebieden Dikkersbosweg 3 en Vermolenweg 42 ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.
54
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied Vermolenweg 42, Dikkersbosweg 3 en Broekdijk 61
Figuur 5.6: Ligging Dikkersbosweg 3 t.o.v. Natuurnetwerk Nederland (bron: Atlas leefomgeving)
Figuur 5.7: Ligging Vermolenweg 42 t.o.v. Natuurnetwerk Nederland (bron: Atlas leefomgeving) Aangezien de plangebieden aan de Dikkersbosweg 3 en Vermolenweg 42 in Geesteren buiten het Natuurnetwerk Nederland liggen, hoeven deze niet nader getoetst te worden. Het Natuurnetwerk Nederland kent geen externe werking. Conclusie De plangebiede aan de Dikkersbosweg 3 in Albergen en Vermolenweg 42 in Geesteren liggen buiten het bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied Vermolenweg 42, Dikkersbosweg 3 en Broekdijk 61
55
Natuurnetwerk Nederland. Het plangebied aan de Broekdijk 61 in Mander behoort wel voor een deel tot het Natuurnetwerk Nederland. De functie zal echter niet wijzigen bij de voorgenomen werkzaamheden. Als gevolg van het plan wordt het agrarisch bouwperceel verkleind en neemt de bebouwde oppervlakte af. Het plan leidt niet tot aantasting van de mogelijkheden om de natuurdoelen te realiseren. Evenmin leidt het plan tot vermindering van het areaal van het Natuurnetwerk Nederland of de aantasting van de samenhang tussen de onderdelen van het Natuurnetwerk Nederland. Het plan heeft geen negatief effect op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het Natuurnetwerk Nederland. 5.4.2
Soortenbescherming
In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 11.37 t/m artikel 11.40 Bal); Soorten Habitatrichtlijn (artikel 11.46 t/m artikel 11.48 Bal); Andere soorten (artikel 11.54 Bal). Tevens geldt een specifieke zorgplicht op grond van de Omgevingswet. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27 Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten. Situatie plangebied Natuurbank Overijssel is gevraagd om de wettelijke consequenties van het voorgenomen plan in het kader van de Omgevingswet in beeld te brengen.
De bevindingen zijn gerapporteerd in de quickscan natuurwaarden welke als Bijlage 5 bij deze motivering is opgenomen. Om de invloed van het plan op beschermde flora en fauna te onderzoeken heeft Natuurbank Overijssel op 21 januari 2025 een veldbezoek uitgevoerd. In Bijlage 5 zijn de onderzoeksmethodiek en resultaten weergegeven. Hieronder wordt kort ingegaan op de resultaten per plangebied. Broekdijk 61 Mander De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, er nestelen vogels. Grondgebonden zoogdieren en amfibieën bezetten een voortplantings- en rustplaats in het plangebied. Vleermuizen bezetten geen verblijfplaats in het plangebied. Beschermde kevers zijn mogelijk aanwezig in het plangebied maar worden niet nadelig beïnvloed bij uitvoer van voorgenomen werkzaamheden. Als gevolg van het uitvoeren van sloopwerkzaamheden tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet vogelnest verstoord. Van de (mogelijk) in het plangebied nestelende vogelsoorten is het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats.
Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren van niet jaarrond beschermde vogelnesten dienen daarom bij voorkeur buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten verstoord, beschadigd of vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode van vogels, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden voor aanvang van de werkzaamheden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën gedood worden en dat voortplantings- en rustplaatsen beschadigd of vernield worden.
Voor beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën, waarvan mogelijk de voortplantings- en rustplaatsen negatief beïnvloed wordt geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen/vernielen van rust- en voortplantingsplaats'. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën geldt geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Dat kan door het werkterrein te ontdoen van spullen/materialen buiten de voortplantingsperiode. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen 56
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied Vermolenweg 42, Dikkersbosweg 3 en Broekdijk 61
Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. Uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden heeft geen negatief effect op essentieel foerageergebied van vleermuizen. Als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen werkzaamheden worden geen beschermde kevers gedood en worden geen rust- en voortplantingsplaatsen van beschermde kevers negatief beïnvloed. Dikkersbosweg 3 Albergen De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, er nestelen geen vogels. Grondgebonden zoogdieren bezetten wel een voortplantings- en rustplaats in het plangebied. Amfibieën bezetten geen voortplantings- en rustplaats in het plangebied. Vleermuizen bezetten eveneens geen verblijfplaats in het plangebied. Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt voortplantings- en rustplaats beschadigd of vernield, als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Voor beschermde grondgebonden zoogdieren, waarvan mogelijk de voortplantings- en rustplaatsen negatief beïnvloed wordt geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen/vernielen van rust- en voortplantingsplaats'.
Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Dat kan door het werkterrein te ontdoen van spullen/materialen buiten de voortplantingsperiode. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood. Uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden heeft geen negatief effect op essentieel foerageergebied van vleermuizen. Vermolenweg 42 Geesteren De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde vogels. Vogels kunnen een nest bezetten in het plangebied. Grondgebonden zoogdieren en amfibieën bezetten geen voortplantings- en rustplaats in het plangebied. Vleermuizen bezetten eveneens geen verblijfplaats in het plangebied. Als gevolg van het uitvoeren van bouwwerkzaamheden en het uitvoeren van grondverzet tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet vogelnest verstoord.
Van de (mogelijk) in het plangebied nestelende vogelsoorten is het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren van niet jaarrond beschermde vogelnesten dienen daarom bij voorkeur buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten verstoord, beschadigd of vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode van vogels, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden voor aanvang van de werkzaamheden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Als gevolg van de voorgenomen activiteit wordt geen grondgebonden zoogdier gedood en wordt geen voortplanting- en rustplaats verstoord, beschadigd of vernield. Als gevolg van de voorgenomen activiteit wordt geen amfibie gedood en wordt geen voortplantings- en rustplaats verstoord, beschadigd of vernield.
Uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden heeft geen negatief effect op essentieel foerageergebied van vleermuizen. Conclusie Het aspect soortenbescherming staat niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied Vermolenweg 42, Dikkersbosweg 3 en Broekdijk 61
57
5.5 Luchtkwaliteit 5.5.1
Algemeen
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.
Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. 5.5.2
Situatie plangebied
In voorliggend plan is sprake van de sloop van twee landschapsontsierende gebouwen op een agrarisch bedrijf. Ter compensatie van deze sloop worden op twee percelen in het buitengebied van de gemeente Tubbergen extra bouwmogelijkheden geboden voor respectievelijk het uitbreiden van de woning en het legaliseren van bestaande hobbymatige dierenverblijven door deze te voorzien van de aanduiding 'veldschuur'. Het plan leidt niet tot een toename van het aantal verkeersbewegingen. Vergeleken met bovenstaande projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging kan gesteld worden dat voorliggend plan niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan luchtverontreiniging. 5.5.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot luchtkwaliteit, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.6 Geluid 5.6.1
Algemeen
Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Geluid door activiteiten In het Bkl onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een omgevingsplan of omgevingsvergunning op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit. Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of 58
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied Vermolenweg 42, Dikkersbosweg 3 en Broekdijk 61
instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen. De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel. De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen. Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied. Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan: woningen; Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal); Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.
Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in art. 5.78t van het Bkl. Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden zoals opgenomen in onderstaande tabel:
Figuur 5.8: Standaardwaarden (bron: art. 5.78T van het Bkl) Er zal bij de voorbereiding van een omgevingsplan of omgevingsvergunning, onderzoek moeten worden gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten, wanneer deze zich binnen het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen bevinden. Geluidbeleid De gemeente beschikt over een eigen geluidsbeleid, namelijk het 'Gebiedsgericht geluidbeleid van de gemeente Tubbergen' en de 'Nota hogere grenswaarden'. De plangebieden zijn alle drie gelegen in het buitengebied van de gemeente Tubbergen. Daarmee maakt het plangebied onderdeel uit van het gebiedstype 'Buitengebied'. De algemene kwalificatie voor de geluidsambitie in het buitengebied is 'rustig'. Voor wegverkeer geldt een ambitie van 'redelijk rustig' (48 dB en een bovengrens van 'onrustig' (53 dB). Voor bedrijven geldt een ambitie 'rustig' (43 dB) en een bovengrens van 'redelijk rustig (48 dB)'. 5.6.2
Situatie plangebied
Weg- en railverkeerslawaai In het omgevingsplan zijn nog geen geluidsaandachtsgebieden opgenomen. Daarom gelden voor wegen en spoorwegen de volgende afstanden: voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 m; bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied Vermolenweg 42, Dikkersbosweg 3 en Broekdijk 61
59
voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m. De plangebieden zijn allemaal gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de aangrenzende wegen (Broekdijk, Dikkersbosweg en Vermolenweg). Het plan maakt echter geen nieuwe geluidsgevoelige gebouwen mogelijk. Hierdoor wordt een nadere uitwerking voor wat betreft weg- en railverkeerslawaai niet noodzakelijk geacht. Industrielawaai De plangebieden liggen niet in de nabijheid van een bedrijventerrein of industrieterreinen waarvoor geluidproductieplafonds (gpp's) zijn vastgesteld. Solitaire bedrijvigheid Aan de Broekdijk 61 wordt reeds aan agrarisch bedrijf geëxploiteerd. Als gevolg van het plan worden twee landschapsontsierende gebouwen gesloopt en wordt het agrarisch bedrijfsperceel (bouwvlak) verkleind. Er wordt geen nieuw agrarisch bedrijf mogelijk gemaakt waardoor het plan ten aanzien van geluid geen invloed heeft op de bestaande woningen in de omgeving.
Daarnaast voorziet dit plan in de vergroting van een bestaande woning op een bestaand woonperceel (Dikkersbosweg 3) en maakt het de legalisatie van een grotere oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken bij de woning aan de Vermolenweg 42 mogelijk (maximaal 246 m2) en tevens de legalisatie van twee hobbymatige dierenverblijven met een oppervlakte van 83 m2 door deze gebouwen te voorzien van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veldschuur'. Tevens wordt de bestaande verharding met een oppervlakte van 95 m2 gelegaliseerd. Daarbij wordt het woonperceel niet uitgebreid (Vermolenweg 42 Geesteren). Er worden geen nieuwe geluidgevoelige functies of geluidbelastende functies toegevoegd. Tevens wordt opgemerkt dat de woning binnen het bouwvlak gebouwd moet worden waardoor de woning niet dichter bij milieubelastende functies en/of activiteiten gerealiseerd kan worden. Voorts geldt dat de dichtstbijzijnde milieubelastende functies (agrarische bedrijven) op een afstand van minimaal 165 meter (Vermolenweg 43a) en 470 meter (Broekbeekweg 24) van de bestaande woning liggen. Daarmee worden deze bedrijven niet in hun bedrijfsmogelijkheden beperkt. 5.6.3
Conclusie
Gelet op het vorenstaande leidt het aspect geluid afkomstig van o.a. wegen niet tot een onaanvaardbaar woonen leefklimaat.
5.7 Geur 5.7.1
Algemeen
Paragraaf 5.1.4.6.1 Bkl bevat instructieregels die zorgen voor de toedeling van functies die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Er zijn voor drie bronnen regels gesteld: zuiveringtechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2), het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3) en enkele andere agrarische activiteiten (subparagraaf 5.1.4.6.4). Volgens artikel 5.92 Bkl wordt rekening gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat deze aanvaardbaar is. Met deze bepaling is geregeld dat bij de vaststelling van een omgevingsplan/BOPA in ieder geval rekening wordt gehouden met de geur van activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Daarbij moet rekening houden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. Wat aanvaardbaar is, kan afhankelijk zijn van de specifieke plaatselijke situatie en vergt een zorgvuldige belangenafweging van de gemeenteraad. Bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functie moet ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Om dat te beoordelen moet er worden getoetst aan de normen in de BS en Bal waar het bedrijf aan moet voldoen.
Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als deze er niet toe leidt dat het geur emitterende bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor hem geldende normen (BS en Bal) dan is er sprake van een beperking in de bedrijfsvoering.
60
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied Vermolenweg 42, Dikkersbosweg 3 en Broekdijk 61
5.7.2
Situatie plangebied
Het plan maakt geen nieuwe geurgevoelige functies mogelijk. Het plan voorziet enkel in de uitbreiding van bouwmogelijkheden voor het vergroten van de bestaande woning (Dikkersbosweg 3) en de legalisatie van een grotere oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken aan de Vermolenweg 42 in Geesteren. Tevens worden de hobbymatige dierenverblijven ter plaatse van de functie 'Agrarisch - 1' gelegaliseerd door deze te voorzien van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veldschuur'. Daarmee is niet mogelijk om vergunningsvrije bouwwerken ten behoeve van het wonen op kortere afstand te realiseren van agrarische bedrijven ten opzichte van de bestaande situatie. Tevens wordt opgemerkt dat de dichtstbijzijnde agrarische bedrijven zijn gelegen aan de Vermolenweg 43a in Geesteren en aan de Broekbeekweg 24 te Geesteren. Het agrarische bedrijf aan de Vermolenweg 43a is gelegen op een afstand van minimaal 165 meter ten opzichte van de bestaande woning aan de Vermolenweg 42 die binnen een bouwvlak gebouwd moet worden. Aan de Vermolenweg 43a is sprake van een melkveehouderijbedrijf waarvoor een vaste afstand geldt. Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan.
Ten opzichte van de bestaande (planologische) situatie is het niet mogelijk om nieuwe geurgevoelige gebouwen (hoofdgebouwen, vrijstaande bijbehorende bouwwerken of vergunningsvrije bouwwerken) op kortere afstand van dit agrarische bedrijf te realiseren. Daarnaast bevindt zich aan de Broekbeekweg 24 in Geesteren een agrarisch bedrijf waar vleesvee wordt gehouden. De woonfunctie aan de Vermolenweg 42 wordt zoals aangegeven niet uitgebreid, maar de legalisatie van de gebouwen voor het hobbymatig houden van dieren wordt voorzien van de aanduiding 'veldschuur'. Derhalve leidt de beoogde de ontwikkeling niet tot belemmeringen bij het agrarische bedrijf. Voor wat betreft het hobbymatig houden van dieren geldt dat de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving niet van toepassing zijn. Tevens leidt het niet tot geuroverlast bij omwonenden aangezien de afstand tot de woning Vermolenweg 44 circa 40 meter bedraagt en de afstand tot de Vermolenweg 41 circa 75 meter. Tot slot voorziet het plan niet in een nieuwe geurbelastende functie. Aan de Broekdijk 61 is reeds sprake van een agrarisch bedrijf (akkerbouwbedrijf). Als gevolg van het plan worden de bouwmogelijkheden beperkt als gevolg van de sloop van twee landschapsontsierende gebouwen en het agrarisch bedrijfsperceel (bouwvlak) wordt verkleind.
Wel blijft het agrarisch bedrijf de akkerbouwwerkzaamheden voortzetten maar er wordt geen vee gehouden. Op grond van het VNG-servicedocument 'Activiteiten en milieuzonering' geldt voor een akkerbouwbedrijf een richtafstand van 10 meter in verband met het aspect 'geur'. Daar wordt - conform de bestaande situatie - reeds aan voldaan. 5.7.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot geur, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.8 Omgevingsveiligheid Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'.
Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied Vermolenweg 42, Dikkersbosweg 3 en Broekdijk 61
61
binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.
Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl; Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl; Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl); Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl). 5.8.1
Onderzoek
Het plan voorziet niet in een toevoeging van nieuwe kwetsbare gebouwen en/of kwetsbare locaties. Het plan voorziet enkel in de sloop van twee landschapsontsierende gebouwen op een bestaand agrarisch bedrijfsperceel. Daarnaast wordt een bestaande woning op een bestaand woonerf (Dikkersbosweg 3) mogelijk gemaakt. Hoewel het bestaande woonerf aan de Dikkersbosweg 3 in Albergen binnen een brandaandachtsgebied van een buisleiding (aardgas) met kenmerk N-531-33 ligt, neemt het aantal personen niet toe. Tevens is er geen sprake van een nieuw kwetsbaar of beperkt kwetsbaar gebouw of locatie binnen het aandachtsgebied. Aan de Vermolenweg 42 wordt een grotere oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken gelegaliseerd en worden de bestaande gebouwen ter plaatse van de functie 'Agrarisch - 1' gelegaliseerd door deze te voorzien van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veldschuur'. De veldschuur kan niet worden aangemerkt als kwetsbaar gebouw. Voorts geldt dat het perceel Vermolenweg 42 op ten minste 4 kilometer afstand ligt van de dichtstbijzijnde risicobronnen. In figuur 5.8 is de ligging van het perceel aan de Vermolenweg 42 in Geesteren ten opzichte van deze risicobronnen weergegeven. Het plangebied is met de blauwe cirkel aangeduid.
62
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied Vermolenweg 42, Dikkersbosweg 3 en Broekdijk 61
Figuur 5.8: Uitsnede Atlas Leefomgeving, omgevingsveiligheid (bron: Atlas Leefomgeving) 5.8.2
Conclusie
Als gevolg van het plan kan geconcludeerd worden dat er geen sprake is van een toename van het groepsrisico en het plaatsgebonden risico. Evenmin ligt het plangebied in een aandachtsgebied van een risicobron. Omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
5.9 Trilling 5.9.1
Algemeen
Paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl bevat instructieregels die zien op activiteiten, anders dan het wonen, die op een locatie worden uitgevoerd en die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. De instructieregels gelden zowel bij het toestaan van de trillingveroorzakende activiteit, als bij het toestaan van trillinggevoelige gebouwen. De in deze paragraaf vastgelegde instructieregels zijn niet van toepassing op trillingen die afkomstig zijn van het gebruik van woningen. Uit artikel 5.79 Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten. Een uitzondering op deze hoofdregel betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van een locatie. De instructieregels voor trillingen zien uitsluitend op trillingen die door een activiteit worden veroorzaakt ter plaatse van een trillinggevoelig gebouw dat planologisch legaal is (toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit). In het tweede lid zijn een aantal gevallen aangewezen waarin de instructieregels voor trillingen niet van toepassing zijn.
De omstandigheid dat de instructieregels voor trillingen in een aantal gevallen (zoals omschreven in het tweede lid) niet van toepassing zijn, laat onverlet dat – in verband met de toets aan een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' – bij de verlening van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit gemotiveerd dient te worden dat de ter plaatse van trillinggevoelige objecten optredende trillingen aanvaardbaar zijn. Afhankelijk van deze beoordeling, dient bij de verlening van BOPA bezien te worden of de te verwachten trillingen genormeerd moeten worden door bijvoorbeeld het stellen van emissie- en/of immissienormen als voorwaarden aan de vergunning. Uit artikel 5.83 Bkl volgt dat bij de vaststelling van het omgevingsplan/verlenen BOPA de aanvaardbaarheid van optredende trillingen die kunnen optreden in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen moet worden beoordeeld. De regels in het omgevingsplan/voorwaarden BOPA moeten vervolgens bewerkstelligen dat de trillingen die een activiteit ter plaatse van trillinggevoelige ruimten die zijn gelegen in trillinggevoelige gebouwen, aanvaardbaar zijn (lid 2). De strekking van art. 5.83 is vergelijkbaar met de in art. 5.59 opgenomen regeling voor het aspect geluid.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied Vermolenweg 42, Dikkersbosweg 3 en Broekdijk 61
63
5.9.2
Situatie plangebied
Het aspect trillingen is niet relevant voor de plangebieden omdat deze niet in de nabijheid van spoorlijnen of bedrijven waar trillingen kunnen plaatsvinden liggen en de activiteiten zelf geen trillingen veroorzaken. Tevens wordt geen nieuwe functie mogelijk gemaakt die kan leiden tot trillingshinder. 5.9.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot trillingen, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.10
Archeologie
5.10.1 Algemeen De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelfuncties en cultuurhistorische dubbelfuncties opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan.
Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. 5.10.2 Situatie plangebied Broekdijk 61 Mander Op grond van het geldende omgevingsplan geldt voor de Broekdijk 61 in Mander de dubbelfunctie 'Waarde Archeologie 3'. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is noodzakelijk bij werken en/of werkzaamheden waarbij de bodem geroerd wordt over een oppervlakte van 2.500 m2 of meer en dieper dan 40 cm. Als gevolg van het plan worden twee landschapsontsierende gebouwen met een gezamenlijke oppervlakte van 439 m2 gesloopt en wordt het agrarisch bouwvlak verkleind. De drempelwaarden worden niet overschreden waardoor een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is. Dikkersbosweg 3 Albergen Voor de Dikkersbosweg 3 in Albergen geldt op grond van het geldende omgevingsplan de dubbelfunctie 'Waarde - Archeologie 4'. Ter plaatse van deze gronden is een archeologisch onderzoek noodzakelijk bij werken en/of werkzaamheden waarbij de bodem wordt geroerd over een oppervlakte van 5.000 m2 of meer en dieper dan 40 cm. Het plan voorziet in de uitbreiding van de woning met een inhoud van 281 m3. Daarmee wordt de genoemde oppervlakte niet overschreden waardoor een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is.
Vermolenweg 42 Geesteren Het perceel Vermolenweg 42 is op grond van het geldende omgevingsplan eveneens voorzien van de dubbelfunctie 'Waarde - Archeologie 4'. Het plan voorziet in de legalisatie van bestaande bebouwing. De oppervlakte van 5.000 m2 wordt niet overschreden waardoor een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is. Tot slot bevinden zich binnen de plangebieden geen cultuurhistorische waarden. De bestaande bebouwing binnen het plangebied is niet aangemerkt als karakteristieke bebouwing en er zijn geen gemeentelijke monumenten aanwezig. De voorziene ontwikkeling doet dan ook geen afbreuk aan omliggende culturele waarden. Geconcludeerd wordt dat het voornemen in voldoende mate rekening houdt met de bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden.
64
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied Vermolenweg 42, Dikkersbosweg 3 en Broekdijk 61
5.10.3 Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het plangebied gelegen werelderfgoed. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over: ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; verplaatsing van beschermde monumenten; gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermend monument; aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. Situatie plangebied Er bevinden zich in de plangebieden en in de directe omgeving geen rijks- en gemeentelijke monumenten, waarvan de cultuurhistorische waarden door voorliggend plan negatief beïnvloed zou kunnen worden. Geconcludeerd wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan.
5.10.4 Conclusie Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot archeologie en cultuurhistorie, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.11
Bodem
5.11.1 Algemeen De bodem moet geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m2. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art.
IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). 5.11.2 Situatie plangebied Broekdijk 61 Mander Aan de Broekdijk 61 in Mander worden twee landschapsontsierende gebouwen met asbest gesloopt. Door Kruse Milieu BV is een vooronderzoek conform NEN 5725 en verkennend asbestbodemonderzoek conform NEN 5707 uitgevoerd (projectcode 24068018, d.d. 28 januari 2025). Het rapport is als Bijlage 8 bij deze motivering opgenomen. Hieronder worden de resultaten en conclusies weergegeven. Het vooronderzoek heeft plaatsgevonden conform norm NEN5725 “Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek”. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat er 1 asbestverdachte druppelzone aanwezig is. De asbestverdachte druppelzone bevindt zich ten noorden van de te slopen kapschuur met asbesthoudende golfplaten. bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied Vermolenweg 42, Dikkersbosweg 3 en Broekdijk 61
65
Het verkennend asbestbodemonderzoek is uitgevoerd ter plekke van de asbestverdachte druppelzone en dient inzicht te geven in de milieukundige kwaliteit van de bodem met betrekking tot asbest. Resultaten veldwerk In totaal zijn er in totaal 3 inspectiegaten gegraven. Gebleken is dat de bodem globaal bestaat uit zwak siltig, matig tot sterk humeus zand. Er zijn geen bodemvreemde materialen aangetroffen. Door de veldwerker zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen in de opgeboorde bodem. De golfplaten op het dak van de schuur zijn plaatselijk licht beschadigd. In de schuur liggen stukken golfplaat op de betonverharding opgeslagen. Dit zal worden afgevoerd tijdens de sloopwerkzaamheden. Resultaten asbestanalyses Op basis van de resultaten van de asbestanalyse kan het worden geconcludeerd dat het mengmonster MM FF A asbesthoudend is. Het gewogen asbestgehalte is hoger dan de interventiewaarde voor asbest. Conclusies en aanbevelingen Geadviseerd wordt de druppelzone te saneren. Op basis van de beschikbare gegevens wordt de omvang van de asbestverontreiniging geschat op circa 6 m3 (circa 20 meter lang x 1.0 meter breed en 0.3 meter diep). Er dient voorkomen te worden dat er vermenging ontstaat met de schone grond. De sterk verontreinigde grond mag niet worden verminderd of verplaatst zonder toestemming van het bevoegd gezag.
Voorafgaande aan de sanering dient een saneringsplan opgesteld te worden en goedgekeurd te worden door het bevoegd gezag. Een sanering mag alleen door hiervoor erkende bedrijven worden uitgevoerd. Met inachtneming van de conclusies en aanbevelingen vormt het aspect 'bodem' geen belemmering voor de uitvoering van dit plan. In de planregels is geborgd dat de sanering uitgevoerd moet worden. Dikkersbosweg 3 Albergen Aan de Dikkersbosweg 3 in Albergen wordt een bestaande woning op een bestaand woonerf vergroot. Daarmee wordt geen nieuw bodemgevoelig gebouwd mogelijk gemaakt. Het betreft enkel de uitbreiding van een bestaande woning. Het aspect 'bodem' vormt voor de Dikkersbosweg 3 geen belemmering. Vermolenweg 42 Geesteren Aan de Vermolenweg 42 wordt als gevolg van dit plan bestaande bebouwing gelegaliseerd. Er wordt geen nieuw bodemgevoelig gebouw of terrein mogelijk gemaakt. Het aspect 'bodem' vormt derhalve geen belemmering voor dit plan. 5.11.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect bodem niet aan de uitvoerbaarheid in de weg staat.