NL.IMRO.0183.TAMGKGEEVRI41LUT42-VG01_Motivering.pdf
Tekst van het document
de uitbreiding van bestaande bedrijventerreinen en bestaande woningbouwlocaties die binnen de bebouwde kom zijn gelegen en richting het buitengebied worden uitgebreid en op zonne- en windparken. Afhankelijk van de wijze waarop een ontwikkeling juridisch-planologisch geborgd moet worden, moet voor de toepassing van deze beleidsregel een procedure herziening bestemmingsplan/ omgevingsplan of een buitenplanse afwijking/omgevingsplanactiviteit worden doorlopen. Toets In voorliggend geval vindt er voor het bedrijfsperceel aan de Vriezenveenseweg 41 een uitbreiding van de bedrijfsbebouwing plaats. Hiervoor moet een gedeelte van het bedrijfsperceel uitgebreid worden. Het nieuwe bedrijfsgebouw op dit perceel heeft een oppervlakte van 750 m². Om dit bedrijfsgebouw mogelijk te kunnen maken dient een gedeelte van de naastgelegen agrarische gronden betrokken te worden bij het bedrijfsperceel. Voor het nieuwe bedrijfsgebouw op het perceel aan de Vriezenveenseweg 41 is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, zoals opgenomen in Bijlage 2. Om het nieuwe bedrijfsgebouw in te passen wordt een nieuw struweel aangeplant. Hierdoor ontstaat een groene overgang naar de naastgelegen agrarische gronden. Voor de beoogde uitbreiding op het perceel aan de Lutkeberg 42 geldt dat de uitbreiding plaatsvindt binnen het bestaande bedrijfsperceel.
De uitbreiding vindt daarnaast plaats aan de zijde van het bedrijventerrein. In onderhavig geval worden de twee bestaande bedrijfspercelen betrokken bij het naastgelegen bedrijventerrein Lutkeberg, waardoor de ontwikkeling gezien wordt als een uitbreiding van het bedrijventerrein. Daarmee is, gelet op paragraaf 1.3 Reikwijdte, de beleidsregel niet van toepassing. Conclusie Ondanks dat de beleidsregel niet van toepassing is op onderhavig plan, is er door middel van een landschappelijke inpassing rekening gehouden met het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. Geconcludeerd kan worden dat de beleidsregel 'Buitengebied met kwaliteit' de ontwikkeling niet in de weg staat. 4.1.8
Nota omgevingskwaliteit
Op grond van artikel 4.114 Invoeringswet Omgevingswet, geldt de welstandsnota die is vastgesteld op basis van art. 12a Woningwet (oud), als een beleidsregel als bedoeld in 4.19 Omgevingswet. De aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt getoetst aan de Nota Omgevingskwaliteit. Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen, denk aan vorm, kleur of gebruikte materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In de bruidsschat zijn regels opgenomen met betrekking tot (1) repressief welstand (art. 22.7 BS), oftewel de excessenregeling en (2) beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (art. 22.29 BS). Artikel 22.29 lid 1 onder b BS bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Vriezenve enseweg 41 en Lutkeberg 42 Geesteren
29
in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. De nota omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen (geldend van 3 juni 2020, tot op heden) beschrijft het welstandsbeleid voor de gemeentes Dinkelland en Tubbergen (Noaberkracht). De nota omgevingskwaliteit is bedoeld om te kunnen beoordelen of bouwplannen voldoen aan redelijke eisen van welstand. De locatie is in de Nota Omgevingskwaliteit aangewezen als 'midden omgeving' en 'basis omgeving'. Het perceel aan de Vriezenveenseweg 41 ligt in het gebied aangewezen als 'midden'. Voor gebieden aangewezen als 'midden' gelden de volgende ambities: Respecteren stedenbouwkundige structuur Versterken van de bebouwingskarakteristiek Het perceel aan de Lutkeberg 42 ligt in het gebied aangewezen als 'basis'. Voor deze gebieden gelden de volgende ambities: Handhaven basiskwaliteit Voor de gebieden 'basis' en 'midden' gelden verschillende omgevingscriteria waar ambtelijk en door de stadsbouwmeester aan getoetst wordt. In het kader van de aanvraag omgevingsvergunning zal hier nader aan getoetst worden.
4.2 Voorbereidingsfase/Verkenningsfase met stakeholders In de voorfase is er sprake geweest van een principeverzoek waarop het college een principe-uitspraak heeft gedaan. 4.2.1
Vooroverleg provincie
De provincie Overijssel heeft de 'uitzonderingenlijst vooroverleg ruimtelijke initiatieven 2023' vastgesteld. In dit document is opgenomen welke ruimtelijke initiatieven/ontwikkelingen de provincie niet hoeft te zien zolang geen ander provinciaal beleid en/of andere provinciale belangen zoals NNN en grondwaterbescherming geraakt worden. De uitbreiding van bedrijfsbebouwing wordt niet specifiek genoemd in de 'uitzonderingenlijs vooroverleg ruimtelijke initiatieven 2023' van de provincie Overijssel. Om die reden wordt het plan voorgelegd aan de provincie Overijssel. 4.2.2
Vooroverleg Waterschap Vechtstromen
Op 2 juli 2025 is via www.hetwateradvies.nl de digitale watertoets verricht (zie Bijlage 7). Uit de watertoets is gebleken dat de korte procedure van toepassing is. De procedure in het kader van de voortoets is goed doorlopen. Waterschap Vechtstromen heeft aangegeven dat de ruimtelijke relevante wateraspecten van dit plan gering en/of tijdelijk van aard zijn. Waterschap Vechtstromen heeft geen bezwaar tegen dit plan. 4.2.3
Participatie omgeving
Initiatiefnemers zijn aan de voorkant van het proces bij verschillende buren langs geweest. Hierbij zijn de tekeningen laten zien en de plannen onderbouwd. De reacties van de buren waren positief en blij dat ze op de hoogte gehouden worden. Vanuit de buurt worden dan ook geen bezwaren verwacht. Het participatieverslag is toegevoegd als Bijlage 1. 4.2.4
Zienswijzen
Binnen 6 weken vanaf het moment van terinzagelegging van het ontwerp TAM-omgevingsplan kan iedereen zienswijzen inbrengen. Dit kan schriftelijk of mondeling. Het ontwerp TAM-omgevingsplan heeft met ingang van 17 december 2026 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit omgevingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn geen zienswijzen binnengekomen.
30
TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Vriezenveenseweg 41 en Lutkeberg 42 Geesteren
Hoofdstuk 5 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu Zoals blijkt uit hoofdstuk 1.2 geldt dat alleen een besluit tot wijziging van het omgevingsplan mogelijk is als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Ow). Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen. Voor de beoordeling van de wijziging van het omgevingsplan zijn op basis van artikel 8.0b lid 1 Bkl de volgende regels en instructies van toepassing: de instructieregels van hoofdstuk 5, met name afdeling 5.1 'Instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties' van het Bkl; de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening; eventuele andere instructies van het Rijk en provincie. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld, zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie. Voor zover relevant is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid.
5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking Algemeen De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik van de fysieke leefomgeving en het tegengaan van leegstand van gebouwen. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) verplicht om bij een wijziging van het omgevingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening te houden met de behoefte aan de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl behelst een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes. Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb), onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard omtrent de behoefte aan de in het project voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de uitkomsten daarvan dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden. Het bestuursorgaan heeft bij de toepassing van deze instructieregel beoordelingsvrijheid. Andere belangen dan het belang dat wordt gediend met de instructieregel kunnen de doorslag geven. Inhoud en strekking van de instructieregel komen overeen met de laddertoets die vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold op basis van artikel 3.1.6 lid 3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
Met artikel 5.129g, tweede lid, Bkl is geen wijziging beoogd ten opzicht van artikel 3.1.6 lid 2 Bro. Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van dit artikellid nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling (uitspraken van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 (Hengelo) en van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579 (Eindhoven). Uit artikel 5.129g, eerste lid, Bkl volgt dat de laddertoets in ieder geval van toepassing is op een stedelijk ontwikkeling of uitbreiding van o.a. bedrijventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening. De opsomming in het eerste lid is niet limitatief, ook andere dan de genoemde ontwikkelingen kunnen zich als een stedelijke ontwikkeling kwalificeren.
Voorts geldt dat een stedelijke ontwikkeling voldoende substantieel dient te zijn om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt. Of aan dit criterium wordt voldaan is in sterke mate afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Huidige planologische situatie In de huidige situatie heeft het bedrijfsperceel (bedrijfsfunctie) een oppervlakte van 13.147 m². Volgens het geldende omgevingsplan is er binnen deze bedrijfsfunctie maximaal 4.475 m² aan bedrijfsbebouwing toegestaan. Momenteel is er (exclusief de bedrijfswoning) 3.931 m² aan bedrijfsbebouwing aanwezig op het perceel. Daarmee is er binnen de mogelijkheden van het geldende omgevingsplan nog ruimte voor 544 m² aan TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Vriezenve enseweg 41 en Lutkeberg 42 Geesteren
31
bedrijfsbebouwing. Nieuwe planologische situatie Het voorliggende initiatief maakt een nieuwe bedrijfshal (750 m²) op het perceel van de Vriezenveenseweg 41 en een uitbreiding van de bestaande bedrijfshal (610 m²) op het perceel van de Lutkeberg 42 mogelijk. In totaal neemt de oppervlakte aan bedrijfsbebouwing met 1.360 m² toe. Voor de nieuwe bedrijfshal op het perceel aan de vriezenveenseweg 41 wordt de bedrijfsfunctie met 744 m² uitgebreid. Met het plan wordt er aangesloten op de bouwmogelijkheden die gelden voor het naastgelegen bedrijventerrein Lutkeberg, zodat ook eventueel toekomstige uitbreidingen mogelijk zullen zijn. In de nieuwe planologische situatie mag 80% van het bouwperceel worden bebouwd. Het totale (nieuwe) bouwperceel heeft een oppervlakte van 13.641 m² (nieuwe volledige bedrijfsfunctie). Daarmee is 10.913 m² aan bedrijfsbebouwing toegestaan in de nieuwe situatie. Stedelijke ontwikkeling Uit jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2014:1442) blijkt dat een voorziene ontwikkeling voldoende substantieel moet zijn om als stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt. Wanneer het initiatief voorziet in kleinschalige bedrijfsbebouwing, het plandeel met de bedrijfsbestemming beperkt van omvang is en beperkte gebruiksmogelijkheden biedt, voorziet het plan in zoverre niet in een stedelijke ontwikkeling.
De Afdeling noemt hierbij dat wanneer het plan voorziet in een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m² of in een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte groter dan 500 m², de ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling wordt aangemerkt. Met het voorliggende plan neemt de oppervlakte aan bedrijfsbebouwing toe met 1.360 m². Daarnaast nemen de planologische bouwmogelijkheden toe, waardoor eventuele toekomstige uitbreidingen ook mogelijk gemaakt kunnen worden. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken wordt de bedrijfsfunctie met 744 m² vergroot. Om die reden wordt de ontwikkeling aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling in het kader van de Ladder voor duurzame verstedelijking. De projectlocatie ligt aan de rand van het stedelijk gebied met zowel ten noorden als zuiden bedrijventerreinen/bedrijfsfuncties. Er zijn geen mogelijkheden binnen de gemeente om de twee bedrijven te verplaatsen naar een binnenstedelijke locatie. Daarbij komt dat de twee bedrijven reeds gevestigd zijn op deze locatie en de percelen al beschikken over een bedrijfsfunctie. Met voorliggende ontwikkeling worden de bouwmogelijkheden op bestaande bedrijfspercelen vergroot. Behoefte In paragraaf 4.1.3 is getoetst aan de 'Programmeringsafspraken bedrijventerreinen regio Twente'. Voor de gemeente Tubbergen geldt een indicatieve vraag tot het jaar 2040 van 0 - 10 ha aan bedrijventerrein.
Er is daarbij nog geen sprake van een hard aanbod. Daarmee kan gesteld worden dat er naar aanleiding van de te verwachten groei van de vraag naar ruimte voor bedrijventerreinen en bedrijfsfuncties ruimte is voor het uitbreiden/toevoegen van bedrijventerreinen/bedrijfsfuncties. Voor de verzorgingskernen Albergen, Geesteren en Tubbergen is er in het middelste en hoge groeiscenario behoefte aan ruimte. Op de middellange termijn gaat het naar verwachting over ca. 2 ha in zowel Albergen als Geesteren. Voor Tubbergen is dit ca. 3 ha. Uit de toetsing aan het beleidsdocument 'Uitbreiding bedrijventerreinen Tubbergen' (paragraaf 4.1.5) blijkt dat er voor de kern Geesteren een behoefte aan 1,7-2,0 ha aan uitbreiding van bedrijventerrein(en) bestaat. Met het huidige aanbod kan hier niet aan voldaan worden. Aangegeven wordt dat de behoefte opgelost kan worden door bstaande bedrijfslocaties of bedrijventerreinen uit te breiden. Met voorliggende ontwikkeling is dit het geval. In de 'Bedrijventerreinvisie Ruimte voor ondernemen' wordt angegeven dat naar verwachting in ieder geval 5 tot 10 hectare netto ruimte voor bedrijventerreinen nodig is. Ook hieruit blijkt dat er een behoefte aan oppervlakte voor bedrijventerreinen bestaat. De planlocatie van het voorliggende initiatief ligt aan de westzijde van het bedrijventerrein Lutkeberg.
Het plangebied heeft momenteel een bedrijfsfunctie, waar één bedrijf is toegestaan in de vorm van een veevoederbedrijf. Echter zijn er momenteel twee bedrijven aanwezig. Gelet op de beperkte ruimte voor bedrijven binnen de gemeente Tubbergen is het wenselijk om de twee bedrijven binnen het plangebied toe te staan. Tevens wordt aangesloten op het naastgelegen bedrijventerrein. De ontwikkeling kan gezien worden als een uitbreiding van het bedrijventerrein. Echter gaat het hier om bestaande bedrijfspercelen. In voorliggend geval gaat het slechts om het toestaan van twee bedrijven, die reeds gevestigd zijn op de locatie, in plaats van één bedrijf. Daarnaast zijn er voor beide bedrijven uitbreidingen van de bedrijfsbebouwing beoogd. De nieuwe bedrijfsbebouwing zal gebruikt worden door de reeds gevestigde bedrijven. De beoogde uitbreidingen zijn nodig voor een goede bedrijfsvoering voor nu en in de toekomst. De bedrijven groeien en er is behoefte aan 32
TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Vriezenveenseweg 41 en Lutkeberg 42 Geesteren
meer ruimte voor opslag van machines en overige materialen. Ten slotte heeft de beoogde ontwikkeling geen gemeentegrens overstijgend effect, waardoor boven gemeentelijke afstemming niet noodzakelijk wordt geacht. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er voldaan wordt aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.
5.2 m.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: In kolom 1 staan de projecten opgesomd; In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt; Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Indien een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een project-mer-(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als voor plan / programma een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft.
De eerste vraag die beantwoord moet worden is of het project voldoet aan de omschrijving die is opgenomen in kolom 1 van bijlage V van het Ob. Een dergelijk project wordt niet expliciet benoemd in kolom 1 van bijlage V van het Ob, de meest logische aansluiting kan worden gevonden onder nummer J11, een 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen'. Het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' is niet gedefinieerd, wel zijn er een aantal voorbeelden van bouwprojecten die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. Dit betreft o.a. woningen, parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject: de aard en omvang van de ontwikkeling; de vormgeving en opzet; de schaalgrootte; de ligging; de voorgenomen functie(wijziging), en; de vraag of sprake is van en bestaand of van een te realiseren bouwwerk.
Wanneer sprake is van een zogenaamde 'kleine wijziging' of voor situaties waarbij het voorgenomen plan of programma betrekking heeft op 'kleine gebieden op lokaal niveau', dan is het toegestaan om eerst een plan-mer-beoordeling uit te voeren. Als uit deze plan-mer-beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben, bestaat er geen verplichting een plan-MER te maken (art. 16.36, lid 3, Ow). Als niet gekozen wordt voor de plan-mer-beoordeling, geldt een plan-mer-plicht. Wanneer de ontwikkeling van zodanig kleinschalige aard is kan het zo zijn dat geen sprake is van een project in de zin van m.e.r. onder het Ob. Met het voorliggende plan wordt ter plaatse van een bestaande bedrijfsfunctie twee bedrijven toegstaan op de percelen Vriezenveenseweg 41 en Lutkeberg 42 te Geesteren. Daarnaast zijn voor beide percelen uitbreidingen van de bedrijfsbebouwing beoogd. Op het perceel van de Vriezenveenseweg wordt een nieuwe bedrijfshal met een oppervlakte van 750 m² gerealiseerd. Om deze bedrijfshal mogelijk te kunnen maken, dient de bedrijfsfunctie met 744 m² uitgebreid te worden. Op het perceel Lutkeberg 42 wordt de bestaande bedrijfshal uitgebreid met 610 m². De beoogde ontwikkeling heeft een lokaal karakter. De planologische bebouwingsmogelijkheden worden met dit TAM-omgevingsplan gemaximaliseerd, waardoor ook eventuele toekomstige uitbreidingen mogelijk zijn.
Er wordt daarbij aangesloten op het mogelijkheden die gelden voor het naastgelegen bedrijventerrein Lutkeberg. Uit voorliggende motivering blijkt dat er geen sprake is van significante negatieve milieugevolgen. Gelet op de kleinschaligheid van het voorliggende initiatief kan gesteld worden dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Conclusie Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kenmerken van het TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Vriezenve enseweg 41 en Lutkeberg 42 Geesteren
33
potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van een project dat belangrijke gevolgen heeft, zodat er geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt (artikel 16.43 jo. artikel 16.53 Ow).
5.3 Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren Algemeen De visie op verkeer en vervoer is opgenomen in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. De verkeersgeneratie moet worden bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave 'toekomstig parkeren' (uitgave 381). De toename en de verkeersveiligheid wordt beoordeeld aan de hand van de verkeersgeneratie en de wegencategorisering in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. Er moet worden beoordeeld of de betreffende weg/wegen de toename aan het verkeer kunnen afwikkelingen en niet leidt tot verkeersonveilige situaties. Het parkeren wordt getoetst aan de Beleidsnotitie bouwen & parkeren 2018. Verkeerskundige effecten ontwikkeling (verkeersgeneratie en -afwikkeling) De verkeersgeneratie is bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave 'Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)'. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. In onderhavig geval worden planologisch gezien twee bedrijven op de percelen Vriezenveenseweg 41 en Lutkeberg 42 toegestaan. Daarnaast wordt de bedrijfsbebouwing uitgebreid. Op het perceel Vriezenveenseweg 41 wordt een nieuwe bedrijfshal met een oppervlakte van 750 m² gerealiseerd.
Om deze bedrijfshal mogelijk te maken dient de bedrijfsfunctie met 744 m² uitgebreid te worden. De bestaande bedrijfshal op het perceel Lutkeberg 42 wordt uitgebreid met 610 m². Voor de stedelijkheidsgraad kan uitgegaan worden van 'Niet stedelijk' en 'Buitengebied'. In onderstaande tabel wordt de verkeersgeneratie van de toekomstige situatie conform de kencijfers van de CROW weergegeven:
Perceel
Oppervlakte bvo Vriezenveenseweg 41 1.460 m²
Lutkeberg 41
3.831 m²
CROW-categorie bedrijf arbeidsextensief/ bezoekersextensief bedrijf arbeidsextensief/ bezoekersextensief
CROW-kencijfer (maximaal) 5,7 p/100 m² bvo
Verkeersgeneratie
5,7 p/100 m² bvo
221,2
Totaal
83,2
304,4
In totaal veroorzaken de twee bedrijven volgens de kencijfers van de CROW een verkeersgeneratie van afgerond 305 verkeersbewegingen per etmaal. Het perceel Vriezenveenseweg 41 blijft net als in de huidige situatie ontsloten aan de Vriezenveenseweg. Het perceel Lutkeberg 42 blijft net als in de huidige situatie ontsloten aan de Lutkeberg. Feitelijk gezien zijn beide bedrijven momenteel al aanwezig op de percelen en kan het verkeer eenvoudig afgewikkeld worden. In werkelijkheid ligt het aantal verkeersbewegingen die veroorzaakt worden lager, omdat het hier voornamelijk om opslag gaat.
Parkeren Voor het bepalen van de parkeerbehoefte vormen de gemeentelijke parkeernormen, de rekensystematiek definities, uitgangspunten en de afmetingen van de parkeerplaatsen in de gemeentelijke 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' het toetsingskader.
Perceel Vriezenveenseweg 41
34
Oppverlakte bvo 1.460 m²
Categorie
parkeernorm
bedrijf arbeidsextensief/ bezoekersextensief
1,05
Aantal parkeerplaatsen 15,3
TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Vriezenveenseweg 41 en Lutkeberg 42 Geesteren
Lutkeberg 42
3.831 m²
bedrijf arbeidsextensief/ bezoekersextensief
1,05
Totaal
40,2
55,5
Voor het perceel aan de Vriezenveenseweg 41 zijn er afgerond 16 parkeerplaatsen benodigd. Op het perceel is voldoende ruimte aanwezig om te parkeren. Het parkeren vindt net als in de huidige situatie plaats achter de bestaande bebouwing. Daarnaast is er naast de nieuwe bedrijfshal nog ruimte voor parkeren (strook van 30 m). Eventueel kan er ook nog geparkeerd worden aan de voorzijde van de bestaande bebouwing. Daarmee kan gesteld worden dat er ruim voldoende plek aanwezig is om te parkeren/de benodigde parkeerplaatsen te realiseren. Voor het perceel aan de Lutkeberg 42 zijn er afgerond 41 parkeerplaatsen benodigd. Aangezien het hier gaat om een aanzienlijk aantal parkeerplaatsen, zijn voor deze locatie de parkeerplaatsen ingetekend. In totaal is er ruimte voor 50 parkeerplaatsen. In principe veroorzaakt de uitbreiding niet direct meer bezoekers. De uitbreiding ziet namelijk op het toevoegen van meer opslagruimte en het vergroten van het kantoor. De bedrijfsactiviteiten blijven hetzelfde als in de huidige situatie. Figuur 5.1 toont de parkeerplaatsen op het perceel aan de Lutkeberg 42.
Figuur 5.1: parkeren Lutkeberg 42 (bron: Buro Meinders)
Conclusie Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren geen belemmeringen vormt voor de ontwikkeling.
5.4 Gebiedsbescherming en soortenbescherming Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN).
TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Vriezenve enseweg 41 en Lutkeberg 42 Geesteren
35
5.4.1
Natura 2000-gebieden
Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000- gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning voor de Natura-2000-activiteit noodzakelijk. Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: de leefgebieden van vogels; de natuurlijke habitats of habitats van soorten. De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op.
In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een 'voortoets'. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. Situatie plangebied Het plangebied ligt op minimaal 4,2 kilometer afstand van Nederlands Natura 2000-gebied. De meest nabij gelegen Nederlandse Natura 2000 gebieden zijn 'Engbertsdijksvenen' en 'Springendal & Dal van de Mosbeek'.
Op de figuur 5.2 wordt de ligging van de Natura 2000 gebieden in de omgeving van het plangebied weergegeven.
Figuur 5.2: ligging plangebied ten opzichte van de Natura 2000-gebieden (bron: AERIUS calculator) Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten Het plangebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde. Ook zijn in het Natura 2000-gebied geen negatieve effecten, zoals trillingen waarneembaar. Met uitzondering van het aspect stikstof, kunnen negatieve effecten op Natura 36
TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Vriezenveenseweg 41 en Lutkeberg 42 Geesteren
2000-gebied uitgesloten worden. Om die reden is een AERIUS-stikstofberekening uitgevoerd, zie Bijlage 4. Onderstaand zijn de resultaten van de AERIUS-berekening weergegeven. Beoordeling stikstof (ontwikkelfase) De totale NOx-emissie bedraagt in de aanlegfase in totaal 36,5 kg/j. De totale NH3-emissie bedraagt 1,1 kg/j. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Beoordeling stikstof (gebruiksfase) De totale NOx-emissie bedraagt in de gebruiksfase in totaal 19,3 kg/j. De totale NH3-emissie bedraagt 0,8 kg/j. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Conclusie Het project betreft, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, geen Natura 2000-activiteit en is gezien artikel 5.1 van de Omgevingswet niet vergunningplichtig. De voortoets voor het plan voldoet ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 5.4.2
NatuurnetwerkNederland
In het Besluit kwaliteit leefomgeving is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel. Situatie plangebied Het plangebied ligt op minimaal 2,1 kilometer afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN) behoren. In figuur 5.3 wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven met de groene arcering.
De ligging van het plangebied wordt met de rode cirkel aangeduid.
Figuur 5.3: ligging plangebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (bron: Atlas Leefomgeving) De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland kent geen externe werking. Omdat het plangebied buiten het Natuurnetwerk Nederland ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland. TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Vriezenve enseweg 41 en Lutkeberg 42 Geesteren
37
Conclusie Het plangebied ligt op minimaal 2,1 kilometer afstand van gronden die behoren tot het NNN. De invloedsfeer van het kleinschalige voornemen is lokaal, waardoor de voorgenomen ontwikkeling geen negatief effect zal hebben op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN. 5.4.3
Soortenbescherming
In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 11.37 t/m artikel 11.40 Bal); Soorten Habitatrichtlijn (artikel 11.46 t/m artikel 11.48 Bal); Andere soorten (artikel 11.54 Bal). Tevens geldt een specifieke zorgplicht op grond van de Omgevingswet. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27 Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten. Situatie plangebied De inrichting en het gevoerde beheer (bedrijfsmatige activiteiten) maken het plangebied ongeschikt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten. Ook voor beschermde diersoorten wordt het plangebied ongeschikt geacht.
Er wordt met het plan geen bebouwing gesloopt of groen verwijderd. Er is met het plan sprake van het toekennen van de juiste planologische mogelijkheden, waardoor het bedrijfsperceel aan de Vriezenveenseweg 41 en Lutkeberg 42 door twee bedrijven gebruikt kan worden. Daarnaast wordt er op het perceel aan de Vriezenveenseweg 41 een nieuwe bedrijfshal gebouwd. Deze bedrijfshal komt voor een gedeelte op reeds verharde grond en een gedeelte op agrarsiche gronden te staan. De agrarische gronden worden intensief gebruikt. De bestaande bedrijfshal op het perceel Lutkeberg 42 wordt aan de oostzijde uitgebreid. Dit betreft reeds verharde gronden. Gelet op het huidige gebruik van de gronden en het feit dat er geen gebouwen of bomen/opgaande beplanting aanwezig is, kan gesteld worden dat er geen rust- en/of verblijfsplaatsen van beschermde soorten worden aangetast. Conclusie Het aspect soortenbescherming staat niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg.
5.5 Luchtkwaliteit Ter bescherming van de gezondheid zijn onder paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl instructieregels opgenomen voor de luchtkwaliteit. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in zogeheten aandachtsgebieden, dit zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide of fijnstof. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat in zulke gevallen om activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben (bijvoorbeeld verkeer of bedrijfsemissies).
Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht 38
TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Vriezenveenseweg 41 en Lutkeberg 42 Geesteren
staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Bk). Deze gaan over: beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden; ammoniakemissies van veehouderijen; geologische opslag van CO2. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate (NIMB) bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. In artikel 5.54 staan standaardgevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een plan binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen valt, is het alsnog mogelijk om via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Een andere manier om aannemelijk te maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt is een kwalitatieve berekening. Met de NIBM-tool kan bekeken worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBMtool.
Situatie plangebied Het voorliggende plan maakt het toestaan van twee bedrijven op de percelen aan de Vriezenveenseweg 41 en Lutkeberg 42 te Geesteren mogelijk. Daarnaast vindt er een uitbreiding van de bedrijfsbebouwing plaats. De ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de luchtkwaliteit. Om dit aan te tonen is gebruik gemaakt van de NIBM-tool. Figuur 5.4 toont de berekening met de NIBM-tool.
Figuur 5.4: uitkomst NIBM-tool (bron: Informatiepunt Leefomgeving) Uit de berekening volgt dat de bijdrage van het verkeer niet in betekenende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Conclusie Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.
TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Vriezenve enseweg 41 en Lutkeberg 42 Geesteren
39
5.6 Geluid Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Geluid door activiteiten In het Bkl onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een omgevingsplan of omgevingsvergunning op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit. Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen.
De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel. De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen. Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied. Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan: Woningen; Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal); Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in art. 5.78t van het Bkl.
Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden zoals opgenomen in onderstaande tabel:
Figuur 5.5: standaardwaarden (bron: Art. 5.78T van het BKL) Er zal bij de voorbereiding van een omgevingsplan of omgevingsvergunning, onderzoek moeten worden gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten, wanneer deze zich binnen het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen bevinden. Geluidbeleid
40
TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Vriezenveenseweg 41 en Lutkeberg 42 Geesteren
De gemeente beschikt over een eigen geluidsbeleid, namelijk het 'Gebiedsgericht geluidbeleid van de gemeente Tubbergen' en de 'Nota hogere grenswaarden'. Het bevoegd gezag kan gemotiveerd afwijken van het geluidbeleid en een hogere waarde toekennen, indien aangetoond is dat aan de hoofd- en ontheffingscriteria kan worden voldaan. De gemeente past hierbij primair akoestische compensatiemaatregelen toe. Deze zijn per geluidsklasse verschillend. Het plangebied maakt onderdeel uit van het gebiedstype 'Buitengebied'. Voor dit gebiedstype geldt de ambitiewaarde 'redelijk rustig' (48 dB) en de bovengrens 'onrustig' (53 dB). Situatie plangebied, weg- en verkeerslawaai Er wordt geen nieuw geluidgevoelig gebouw toegevoegd. Onderzoek naar wegverkeers- en spoorweglawaai is niet noodzakelijk. Situatie plangebied, industrielawaai Er wordt geen nieuw geluidgevoelig gebouw toegevoegd. Onderzoek naar industrielawaai is niet noodzakelijk. Situatie plangebied, geluid door belastende activiteiten Er wordt geen nieuw geluidgevoelig gebouw toegevoegd. Onderzoek naar geluid door belastende activiteiten is niet noodzakelijk. Wel wordt met voorliggend plan een functie mogelijk gemaakt die mogelijk geluid door belastende activiteiten kan veroorzaken. Om die reden dient bekeken te worden of de omliggende geluidgevoelige functies (wonen) geen hinder ondervinden.
De bedrijfsfunctie wordt aan de noordwestzijde van het bedrijfsperceel voor een klein gedeelte uitgebreid. Dit betekent dat de bedrijfsfunctie dichter op de woonfuncties aan de Delmaweg 1 en Vriezenveenseweg 56 en 59 komt te liggen. De woonfunctie aan de Delmaweg 1 bevindt zich op een afstand van ca. 85 m van de beoogde uitbreiding van de bedrijfsfunctie. De woonfuncties aan de Vriezenveenseweg 56 en 59 bevinden zich op een afstand van meer dan 200 m van de uitbreiding. De beoogde bedrijfsactiviteiten voor beide bedrijven zullen maximaal milieucategorie 3.1 hebben. Voor dergelijke bedrijfsactiviteiten geldt een richtafstand van 50 m. Aan deze richtafstand wordt voldaan. Voor de overige woningen, waaronder de woning aan de Vriezenveenseweg 38, geldt dat de bedrijfsfunctie niet dichter op de woning komt te liggen en er reeds een bedrijf tot en met milieucategorie 3.1 (Grth in akkerbouwproducten en veevoeders, SBI-2008: 4621) is toegestaan, waarbij het aspect 'geluid' reeds maatgevend is (50 m). Het bedrijf op het perceel aan de Lutkeberg 42 valt onder deze categorie. Een kersbomenkwekerij kan geschaald worden onder de categorie 'Akkerbouw en fruitteelt (bedrijfsgebouwen)', waarvoor milieucategorie 2 geldt. Voor de kerstbomenkwekerij geldt dan een richtafstand van 30 m. Aan deze richtafstand wordt voldaan.
Conclusie Gelet op het vorengaande leidt het aspect geluid niet tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.
5.7 Geur In paragraaf 5.1.4.6.1 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Het gaat hierbij om drie geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld, namelijk: zuiveringstechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2); het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3); andere agrarische activiteiten. In artikel 5.92 van het Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is. Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van toepassing zijn voor het aspect geur. Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies, moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen.
Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Er mag geen sprake zijn van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden. Situatie plangebied Het voorliggende initiatief maakt geen nieuwe geurgevoelige functie mogelijk. De acitivteiten die plaatsvinden op TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Vriezenve enseweg 41 en Lutkeberg 42 Geesteren
41
de percelen zijn kweekadvisering, buitenkweek van bomen, opslag en verkoop van goederen binnen de agrarische sector. Deze activiteiten veroorzaken geen geurhinder voor omliggende geurgevoelige functies. Daarbij komt dat de kwekerij geschaald kan worden onder de categorie 'Akkerbouw en fruitteelt (bedrijfsgebouwen)', waarvoor milieucategorie 2. Voor het aspect 'geur' geldt hiervoor een richtafstand van slechts 10 m. Tevens geldt voor het perceel aan de Vriezenveenseweg 41 dat op de verbeelding een aanduiding wordt opgenomen, waardoor hier bedrijven tot en met categorie 2 zijn toegestaan. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 m voor geur. Deze afstand komt overeen met de huidige maatgevende afstand die geldt voor het veevoederbedrijf die momenteel planologisch toegestaan is. Er bevinden zich geen geurgevoelige objecten binnen deze afstand. Voor het perceel Lutkeberg 42 geldt dat er naast het veevoederbedrijf, bedrijven tot en met milieucategorie 3.1 zijn toegestaan. Voor deze bedrijven geldt een richtafstand van 50 m tot geurgevoelige objecten. binnen deze afstand zijn geen geurgevoelige objecten aanwezig. Op de verbeelding bij dit TAM-omgevingsplan is een aanduiding opgenomen waarmee de bedrijven tot en met categorie 3.1 zijn toegestaan. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect geur geen belemmeringen veroorzaakt voor het beoogde initiatief.
5.8 Omgevingsveiligheid Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 van het Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastendeactiviteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht.
Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een 42
TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Vriezenveenseweg 41 en Lutkeberg 42 Geesteren
voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen kunnen worden opgenomen in de omgevingsvergunning. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl; veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl; veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl); veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl). Situatie plangebied Aandachtsgebieden en contouren van het plaatsgebonden risico en groepsrisico worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). De data uit het REV wordt ontsloten via de Atlas Leefomgeving door deze gegevens op een risicokaart te visualiseren. Figuur 5.6 toont een uitsnede van de risicokaart met het plangebied zwart omkaderd.
Figuur 5.6: uitsnede risicokaart (bron: Atlas leefomgeving) Uit het raadplegen van de risicokaart blijkt dat de planlocatie niet binnen de risicocontour of een aandachtsgebied van een risicobron ligt. Tevens worden er met het plan geen functie mogelijk gemaakt die gevaar kan opleveren voor de omgeving. Nader onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect omgevingsveiligheid geen belemmeringen veroorzaakt voor het beoogde initiatief.
5.9 Trilling In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels over het omgevingsaspect trillingen opgenomen. De regels zien op activiteiten, anders dan wonen, die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Uit artikel 5.79 Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten. Een uitzondering op deze hoofdregel betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van een locatie. De belangrijkste instructieregel is het vereiste van aanvaardbaarheid, zoals opgenomen in artikel 5.83 van het Bkl. Het eerste lid van dat artikel verplicht gemeenten om in het omgevingsplan rekening te houden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Dit is een concretisering van het TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Vriezenve enseweg 41 en Lutkeberg 42 Geesteren
43
beginsel van 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' waar het omgevingsplan invulling aan geeft. Rekening houden met trillingen door activiteiten werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van activiteiten nabij bestaande trillinggevoelige gebouwen, maar omgekeerd ook bij toelaten van trillinggevoelige gebouwen in de nabijheid van bestaande trillingen veroorzakende activiteiten. Het tweede lid van artikel 5.83 van het Bkl bepaalt dat een omgevingsplan erin voorziet dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Het gaat hierbij, anders dan in het eerste lid, om trillingen door een individuele activiteit. Het Bkl geeft standaardwaarden aan waarmee in ieder geval wordt voldaan aan artikel 5.83 lid 2 van het Bkl. In afwijking van de standaardwaarden kan de gemeente aan de 'aanvaardbaarheid' ook voldoen door het gebruik van andere waarden. Ander dan het voormalige Activiteitenbesluit bevat het Bkl ook standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen.
Onder trillingsgevoelige gebouwen worden gebouwen of gedeelten daarvan verstaan met een: woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan (woonschepen en woonwagens uitgezonderd); onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Situatie plangebied In de nabijheid van het plangebied zijn geen functies te vinden, zoals spoorwegen, die trillingen veroorzaken. Tevens wordt binnen het plangebied geen nieuw trillingsgevoelig gebouw toegevoegd. De acitivteiten die plaatsvinden op de percelen zijn kweekadvisering, buitenkweek van bomen, opslag en verkoop van goederen binnen de agrarische sector. Dit zijn geen activiteiten die trillingen veroorzaken op gevoelige functies in de omgeving. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect trilling geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
5.10
Archeologie
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; Verplaatsing van beschermde monumenten; Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; Aantasting van de omgeving van een beschermd monument; Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. Archeologische resten Het gemeentelijk beleid voor archeologie en cultuurhistorie staat veelal opgenomen in de archeologische beleidskaart en cultuurhistorische waardenkaart. Dit document schrijft per gebied voor welke onderzoekverplichtingen ter plaatse gelden. Wanneer een project binnen een archeologisch waardevol gebied ligt wordt hieraan getoetst.
Situatie plangebied Archeologie Uit de archeologische en cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Tubbergen blijkt dat er voor een gedeelte van het plangebied een lage en hoge archeologische verwachting geldt. Het plangebied bevindt zich binnen twee verschillende zones. De eerste zone is de 'dekzandwelvingen en -vlakten' en ligt op het grootste gedeelte van het plangebied. Voor deze gronden geldt dat er archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij plangebieden groter dan 5.000 m² en bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Een klein gedeelte is voorzien van de zone 'beekdalen en overige laagten'. Hiervoor geldt dat bij plangebieden groter dan 5.000 m² en bij bodemingrepen dieper dan 40 cm archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden. Figuur 5.7 toont een uitsnede van de archeologische waardenkaart, met het plangebied zwart omkadaderd.
44
TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Vriezenveenseweg 41 en Lutkeberg 42 Geesteren
Figuur 5.7: uitsnede archeologische beleidskaart (bron: gemeente Tubbergen)