NL.IMRO.0183.TAMGKGEEVRI41LUT42-VG01_Motivering.pdf
Tekst van het document
Met het voorliggende plan vinden er bodemingrepen plaats. Echter betreft de gezamenlijke oppervlakte van de beoogde nieuwe bedrijfshal en de uitbreiding van de bestaande bedrijfshal 1.360 m². Daarmee wordt de oppervlakte van 5.000 m² niet overschreden en is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Cultuurhistorie Het plangebied bevat geen rijks-, provinciale of gemeentelijke monumenten. Ook overige cultuurhistorische elementen zijn niet (meer) aanwezig binnen en in de directe omgeving van het plangebied. Conclusie Uit het vorenstaande blijkt dat er geen archeologische en/of cultuurhistorische waarden worden geschaad met het beoogde initiatief. Geconcludeerd kan worden dat de aspecten archeologie en cultuurhistorie geen belemmeringen veroorzaken voor het beoogde initiatief.
5.11
Bodem
De bodem moet geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m2. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art.
IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Vriezenve enseweg 41 en Lutkeberg 42 Geesteren
45
De artikelen 22.29 e.v. BS zijn hier ook van belang. Situatie plangebied In het kader van de realisatie van de nieuwe bedrijfshal op het perceel van de Vriezenveenseweg 41 en de uitbreiding van de bestaande bedrijfshal op het perceel van de Lutkeberg 42 zijn voor beide locaties verkennende bodemonderzoeken uitgevoerd. Vriezenveenseweg 41 Geesteren Uit het verkennend bodemonderzoek voor de Vriezenveenseweg 41 (zie Bijlage 5) zijn de volgende resultaten en conclusies naar voren gekomen. In totaal zijn er 6 boringen verricht, waarvan er 2 zijn doorgeboord tot 1.50 m-mv en waarvan er 1 diepe boring is afgewerkt met een peilbuis (PB 1). Gebleken is dat de bodem globaal bestaat uit matig grof tot matig fijn, matig tot zwak siltig zand. In de boven- en ondergrond zijn roest- en oerhoudende lagen aangetroffen. Er zijn geen bodemvreemde materialen waargenomen. Door de veldwerker zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen in de bodem of op het maaiveld. Het freatische grondwater is aangetroffen op 0,90 meter min maaiveld. Resultaten analyses Op basis van de resultaten van de analyses kan het volgende worden geconcludeerd: de bovengrond (BG) is niet verontreinigd; de ondergrond (OG) is niet verontreinigd; het grondwater uit PB 1 is (zeer) licht verontreinigd met barium, koper en zink. In het grondwater (PB 1) zijn enkele lichte verontreinigingen aangetoond.
Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4 van het verkennend bodemonderzoek. In de bovengrond (BG) en in de ondergrond (OG) zijn geen verontreinigingen aangetoond. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is het uitvoeren van een nader onderzoek niet noodzakelijk. Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de geplande wijziging van het Omgevingsplan, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik. Lutkeberg 42 Geesteren Uit het verkennend bodemonderzoek voor de Lutkeberg 42 (zie Bijlage 6) zijn de volgende resultaten en conclusies naar voren gekomen. In totaal zijn er 7 boringen verricht, waarvan er 3 zijn doorgezet in de diepere ondergrond. Er is 1 diepe boring tot 3.60 m-mv afgewerkt met een peilbuis (PB 1). De bodemopbouw van de bovengrond ter plaatse van de onderzoekslocatie bestaat globaal uit zeer fijn tot matig fijn, zwak siltig, zwak grindig en zwak humeus, donkergrijs bruin zand. De ondergrond bestaat globaal uit zeer fijn tot matig grof, zwak tot matig siltig zand. Door de veldwerker zijn visueel geen asbestverdachte materialen in de bodem waargenomen. In de boven- en ondergrond zijn oer- en roesthoudende lagen waargenomen.
Het freatische grondwater in peilbuis 1 is op 1,95 m-mv aangetroffen. Resultaten analyses Op basis van de resultaten van de analyses kan het volgende worden geconcludeerd: de bovengrond (BG I) is niet verontreinigd; de ondergrond (OG) is niet verontreinigd; het grondwater (PB1) is niet verontreinigd. In de boven- en ondergrond en in het grondwater zijn geen verontreinigingen aangetoond. Er is geen reden om een nader onderzoek uit te voeren. Uit milieukundig oogpunt is geen bezwaar tegen de geplande uitbreiding van het bedrijfspand. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect bodem geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
46
TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Vriezenveenseweg 41 en Lutkeberg 42 Geesteren
5.12
Waterbelang
Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden*) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot: 1. het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; 2. het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en 3. het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool.
Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn. Waterparagraaf Ruimtelijke ordening en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en worden sterk beïnvloed door de klimaatverandering. Er is meer ruimte nodig voor water, omdat klimaatverandering zorgt voor hoge piekafvoeren in de zomer en een gemiddeld hogere waterafvoer in de winter. Het gaat ook om langduriger periodes van droogte en om extreem warm weer, waar vooral stedelijk gebied last van kan hebben. Ook veranderingen in ruimtegebruik hebben gevolgen voor het waterbeheer. Het waterschap wil vroegtijdig meedenken over plannen en ontwikkelingen om samen met de gemeente en andere partners te zoeken naar de bijdrage die water kan leveren aan de verbetering van de leefomgeving. Het waterschap Vechtstromen zorgt voor het water in uw omgeving. Vanuit het leidend principe ‘Water en mens in hun element' draagt het waterschap bij aan ruimtelijke kwaliteit en een duurzame leefomgeving. De zorg voor waterveiligheid, schoon water en voldoende water vraagt structureel aandacht en is continu in beweging.
Dat doet het waterschap door het (grond)waterpeil te beheren, rioolwater te zuiveren en te zorgen voor schoon water in beken, sloten en rivieren en te zorgen voor stevige dijken. Als belangrijkste speerpunt voor de periode 2022-2027 ziet het waterschap de opgave om zijn gebied veerkrachtiger te maken tegen klimaatverandering. Hiervoor werkt het waterschap toe naar een andere balans van vasthouden-bergen-afvoeren (voorraadbeheer), rekening houdend met de meest recente inzichten over de snelheid van klimaatverandering. In het waterbeheerprogramma 2022-2027 heeft het waterschap zijn doelen en werkzaamheden weergegeven in vier thema's. Klimaatrobuust gebied Het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig te invullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer. Veilig gebied Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. Onze ambitie is dat in 2050 de waterkeringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat we daarbij wendbaar inspelen op ontwikkelingen. We voeren ons beheer op een duurzame wijze uit en werken aan behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken.
Circulaire Economie en Energietransitie Het waterschap wil in het uitvoeren van zijn primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij willen we in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin we onze taken klimaatneutraal uitvoeren. Gezonde leefomgeving Als waterschap zorgen we voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Vriezenve enseweg 41 en Lutkeberg 42 Geesteren
47
gebied. Wij streven ernaar dat het water in onze leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico’s oplevert voor de volksgezondheid. Ons doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert. De samenhang van de wateropgaven met andere opgaven in het gebied vraagt om nauwe samenwerking met gemeenten, provincies, inwoners en bedrijven. Om de waterbelangen bij ruimtelijke ontwikkelingen tijdig en goed in beeld te krijgen en mee te kunnen wegen, gebruiken we de (digitale) watertoets. Relevante wateraspecten: Wateroverlast De uitbreiding van de functie 'bedrijventerrein' bedraagt 744 m² (agrarsich naar bedrijventerrein). De overige gronden binnen het plangebied kunnen al gebruikt worden ten behoeve van bedrijfsgebouwen en verharding. De (planologische) toename aan verharding bedraagt daarmee mindee dan 1.500 m², waardoor geen eisen worden gesteld aan het realiseren van waterberging. Daarnaast is het mogelijk om ook bestaand verhard oppervlak af te koppelen van het rioolstelsel zodat de kans op wateroverlast door toekomstige regenbuien wordt verminderd. Om wateroverlast te voorkomen wordt het hemelwater niet afgevoerd naar het rioolstelsel maar volgens de trits vasthouden - bergen – afvoeren behandeld.
Waterkwaliteit Het plan maakt geen functies mogelijk die tot verslechtering van de waterkwaliteit leiden. Riolering en Afvalwaterketen Een toename van het afvalwater heeft effect op het functioneren van de afvalwaterketen. Onderhavig plan heeft geen invloed op de hoeveelheid afvalwater. De beoogde bebouwing zal voornamelijk gebruikt worden ten behoeve van opslag. Dit veroorzaakt niet direct een toename van het afvalwater. Het (gemeentelijk) rioolstelsel, de gemalen (overnamepunten) en de rioolwaterzuiveringsinstallatie kunnen de toename van afvalwater verwerken zonder daarmee het milieu zwaarder te belasten. Het hemelwater wordt net als in de huidige situatie niet aangesloten op het rioolstelsel en zal ter plaatse infiltreren/geborgen worden. Grondwaterbeheer De ontwikkeling leidt niet tot wijziging van de grondwaterstand. Er wordt niet gebouwd in een gebied met een hoge grondwaterstand of kwel. Er zijn geen maatregelen nodig ten behoeve van het grondwater. Recreatie Gelet op de aard en omvang van onderhavig plan is recreatie niet relevant. Conclusie Op 2 juli 2025 is via www.hetwateradvies.nl de digitale watertoets verricht (zie Bijlage 7). Uit de watertoets is gebleken dat de korte procedure van toepassing is. De procedure in het kader van de voortoets is goed doorlopen.
Waterschap Vechtstromen heeft aangegeven dat de ruimtelijke relevante wateraspecten van dit plan gering en/of tijdelijk van aard zijn. Waterschap Vechtstromen heeft geen bezwaar tegen dit plan.
5.13
Spuitvrije zone gewasbeschermingsmiddelen
Om gewassen te beschermen, worden (chemische) bestrijdingsmiddelen gebruikt. Deze middelen worden door middel van spuitbomen aangebracht op gewassen en een deel hiervan kan verwaaien naar de naastliggende omgeving. Dit wordt ook wel drift genoemd. Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de openlucht worden geteeld in de buurt van gevoelige functies, zoals woningen. De Nederlandse wetgeving met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen is met name gericht op de reductie van risico's van het gebruik van deze middelen voor het watermilieu. De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden bevat een toelatingsstelsel voor het op de markt brengen en het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. In deze wet zijn ook bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de bescherming van de gezondheid van de professionele gebruikers. Het Besluit activiteiten leefomgeving bevat regels om de emissie van bestrijdingsmiddelen naar het water te reduceren. De afstanden en teeltvrije zones die hierin worden genoemd zijn gerelateerd aan het oppervlakte water. Het Besluit activiteiten leefomgeving is daarom evenmin bruikbaar. De Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State doet met enige regelmaat uitspraak over zogenoemde spuitvrije zones.
De rechtspraak over spuitvrije zones ziet op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en agrarische bedrijvigheid. Uit deze rechtspraak volgt dat in het algemeen een afstand van 50 meter tussen gevoelige 48
TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Vriezenveenseweg 41 en Lutkeberg 42 Geesteren
functies en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen 'niet onredelijk wordt geacht'. Deze afstand mag wel worden verkleind, maar dan moet de overheid dit wel goed motiveren aan de hand een zorgvuldig op de locatie toegesneden onderzoek. Echter, het gebruik van reken modellen is volgens de rechtspraak nog weinig succesvol. In eerste instantie betroffen de uitspraken van de Afdeling kwesties over hoogstamteelt. De spuithoogte bij deze teelt is hoger dan bij andere teelten. De grotere hoogte van spuiten leidt tot een ruimere verspreiding van het middel door de lucht naar de omgeving. Deze drift is mede afhankelijk van de windrichting en windkracht. Uit recente rechtspraak volgt dat het niet alleen gaat om gewasbescherming bij hoogstamteelt, maar om agrarische bedrijvigheid waarbij agrarische gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Situatie plangebied Het voorliggende plan maakt geen (nieuwe) gevoelige functie mogelijk waarbij rekening gehouden moet worden met een spuitvrije zone voor gewasbeschermingsmiddelen. Het is dan ook niet noodzakelijk om een spuitvrije zone op te nemen. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect spuitvrije zone gewasbeschermingsmiddelen geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Vriezenve enseweg 41 en Lutkeberg 42 Geesteren
49
50
TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Vriezenveenseweg 41 en Lutkeberg 42 Geesteren
Hoofdstuk 6
Financiële haalbaarheid
De investeringen die nodig zijn voor de te realiseren ontwikkelingen moeten passen in de budgetten die daarvoor beschikbaar zijn. Partijen die bouwen in de kernen, dorpen en in het buitengebied dragen op twee manieren bij aan Tubbergen. Enerzijds door direct invulling te geven aan de visie voor de fysieke leefomgeving, zoals verwoord in MijnOmgevingsvisie. Anderzijds via financiering van deze ruimtelijke ontwikkelingen via kostenverhaal en financiële bijdragen voor ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ter uitvoering van deze visie heeft de gemeenteraad het Programma Kostenverhaal vastgesteld ten behoeve van een eenduidige en transparante manier van kosten verhalen bij bouwplannen en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen in de gemeente. De gemeente borgt het kostenverhaal en de financiële bijdrage voor een ruimtelijke ontwikkeling in een anterieure overeenkomst. Naast het kostenverhaal en een financiële bijdrage wordt in een anterieure overeenkomst ook het verhaal van nadeelcompensatie geregeld. Mogelijke claims voor nadeelcompensatie worden altijd doorgelegd aan initiatiefnemer. Voor onderhavige ontwikkeling is met initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten over: het kostenverhaal en nadeelcompensatie. Los van het kostenverhaal is initiatiefnemer leges verschuldigd voor het wijzigen van het omgevingsplan.
Hierop is de legesverordening en de bijbehorende tarieventabel van toepassing, welke jaarlijks wordt vastgesteld. Gelet op het vorengaande is het project financieel uitvoerbaar.
TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Vriezenve enseweg 41 en Lutkeberg 42 Geesteren
51
52
TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Vriezenveenseweg 41 en Lutkeberg 42 Geesteren
Hoofdstuk 7
Toelichting planregels
7.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande situatie, het relevante beleid en de relevante milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van dit TAM-IMRO Omgevingsplan, bestaande uit een plankaart (verbeelding) en regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit TAM-IMRO omgevingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde functies zijn aangewezen en waarom bepaalde bebouwing acceptabel is. Met het plan ‘TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Vriezenveenseweg 41 en Lutkeberg 42 Geesteren’ worden twee bedrijven op de percelen van de Vriezenveenseweg 41 en Lutkeberg 42 in Geesteren toegestaan. Daarnaast zijn er voor beide percelen uitbreidingen van de bedrijfsbebouwing beoogd. Deze wijziging op het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Tubbergen is technisch opgesteld conform het InformatieModel Ruimtelijke Ordening (IMRO), maar is inhoudelijk uitgewerkt op basis van de vereisten volgens de Omgevingswet.
7.2 Opzet regels Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen. Toepassing TAM-IMRO De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de – onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte – IMRO-standaard en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl. Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025.
Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Werkingsgebied De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Zenderseweg 50 Albergen, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0183.TAMGKGEEVRI41LUT42zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In hoofdstuk 1 van deze ruimtelijke motivering is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. plangebied opgenomen. 7.2.1
Preambule
In de preambule is opgenomen dat het TAM-IMRO omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk in het gemeentelijk omgevingsplan en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen. 7.2.2
Inleidendebepalingen
Hoofdstuk 1 bevat bepalingen die gelden voor het gehele plangebied en bestaat uit: Artikel 1 Begripsbepalingen: In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen, voor een eenduidige interpretatie van deze begrippen. Artikel 2 Meet- en rekenbepalingen: Dit artikel geeft de wijze van meten weer. Artikel 3 Toepassingsbereik: Dit artikel geeft aan voor welk werkingsgebied de regels van toepassing zijn. Tevens wordt aangegeven dat specifieke artikelen uit de Omgevingswet en het Omgevingsplan van rechtswege niet van toepassing zijn indien strijdigheid bestaat met de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan. TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Vriezenve enseweg 41 en Lutkeberg 42 Geesteren
53
7.2.3
Functies en activiteiten
In Hoofdstuk 2 is opgenomen welke functies binnen het plangebied zijn toegestaan. Per toegestane functie is aangegeven waar en hoe bouwen ten behoeve van de functie is toegestaan. 7.2.4
Algemene regels voor activiteiten
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels voor activiteiten. Deze bepalingen gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: Anti-dubbeltelbepalingen; Planologische gebruiksactiviteiten: in dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze regels gaan uit van het principe dat gebruik uitsluitend is toegestaan in overeenstemming de ter plekke toegestane functies. Dit artikel bevat algemeen geldende bepalingen ten aanzien van strijdig en toegestaan gebruik volgens de in het omgevingsplan toegekende functies. Regels parkeren: dit artikel bevat bepalingen over parkeren; Overige regels. 7.2.5
Nadere toelichtingop de regels
Kenmerk van de Nederlandse regelgeving op het gebied van de fysieke leefomgeving is dat er sprake is van een ‘ja, mits’-principe. Het omgevingsplan geeft voor veel functies aan onder welke voorwaarden ze voorstelbaar/inpasbaar zijn binnen het werkingsgebied of specifieke deelgebieden binnen het werkingsgebied. Het omgevingsplan vormt het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan welke functies op welke locaties binnen het werkingsgebied voorstelbaar worden geacht (en onder welke voorwaarden).
Toelichtingop de regels 'Bedrijventerrein' Ter plaatse van de functie 'Bedrijventerrein' zijn bedrijven genoemd in de in Bijlage 2 opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten bedrijventerrein toegestaan, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2' bedrijven tot en met categorie 2 zijn toegestaan en ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.1' bedrijven tot en met categorie 3.1. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - boomkwekerij' is tevens een boomkwekerij toegestaan en ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - veevoederhandel' tevens een veevoederhandel. Voor de bedrijfswoning op het perceel van de Vriezenveenseweg 41 is de aanduiding 'bedrijfswoning' opgenomen. De inhoud van de bedrijfswoning bedraagt maximaal 750 m³, danwel de bestaande inhoud. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' mag de goot- en bouwhoogte van bedrijfswoningen ten hoogste de aangegeven hoogte bedragen, tenzij de bestaande goot- en bouwhoogte meer bedragen, in welk geval de goot- en bouwhoogte ten hoogste de bestaande goot- en bouwhoogte zal bedragen De maximum bouwhoogte voor de bedrijfsgebouwen is met de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' aangeduid. Wanneer de bestaande bouwhoogte hoger is, dan mag de bouwhoogte de bestaande bouwhoogte bedragen.
'Groen' De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bedoeld voor groenvoorzieningen. Daarnaast zijn onder andere kunstwerken, kunstobjecten en nutsvoorzieningen toegestaan. Het bouwen van gebouwen is niet toegestaan. 'Waarde - Archeologie 4' De voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede bestemd voor het behoud van de archeologische waarden. Voor bouwwerken waarbij grondroerende werkzaamheden over een oppervlakte groter dan 5.000 m² en dieper dan 0,40 m onder het maaiveld plaatsvinden moet alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, zijn aangetoond dat geen archeologische waarden aanwezig zijn, dan wel dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad, dan wel dat de archeologische waarden door bouwactiviteiten kunnen worden verstoord.
54
TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Vriezenveenseweg 41 en Lutkeberg 42 Geesteren