CConstaterende datTubbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Randweg, Geesteren_Motivering

Commissie Omgeving en Economie 6 oktober 2026, gemeente TubbergenBij agendapunt: 7: TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22g Woningbouw Randweg Geesteren22.739 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Voor de komende periode zien we vanuit de gemeente vooral uitdagingen op het gebied van het aanpassen van de openbare ruimte aan: • wensen vanuit veiligheid, woongenot, gezondheid en duurzaamheid, • de gevolgen van klimaatverandering, • veranderende mobiliteit. 4.1.3.3 Waardenkaart Het plangebied ligt op de waardenkaart binnen het landschap met de waarde ‘Woon-en centrum functie. In onderstaande afbeelding is een uitsnede van de waardenkaart weergegeven. Afbeelding 4.2 Uitsnede waardenkaart (Bron: Omgevingsvisie gemeente Tubbergen)

De waarden die in dit deelgebied worden benoemd zijn: • Kernen met kleinschalige woonbebouwing aan de randen en dichtere en soms middelhoge bebouwing in het hart; • Kernen met belangrijke voorzieningen zoals winkels, horeca, sportvoorzieningen, zorg, pinmogelijkheden; • Aanwezigheid van ontmoetingsplekken in het bijzonder in de omgeving van voorzieningen; • (Verbindingen met) de groene omgeving; • In veel gevallen een kerk als belangrijk gebouw in het silhouet van de kern en als belangrijk gebouw in de dorpsstructuur, tevens is er op enkele plekken karakteristieke bebouwing aanwezig. Er wordt ingespeeld op: • De opzet van dorpen met compacte bebouwing en ontmoetingsplekken in het dorpshart en lagere bebouwing aan de randen; • Concentratie van publieksgerichte functies; • Mogelijkheden om te ontmoeten; • De verbindingen met de groene omgeving; • Behoud van (het zicht op) de kerk en de leefbaarheid van karakteristieke bebouwing; • Voldoende vestigingsmogelijkheden voor bedrijven en ondernemers passend binnen het aanbod van de kern; • Vasthouden van water. 4.1.3.4 Toetsing van het initiatief aan de omgevingsvisie De ont wikkeling van twintig nieuwe woningen aan de rand van de kern Geesteren sluit aan bij de bestaande dorpsstructuur.

Het plan versterkt het karakter van Geesteren, waar kleinschalige woonbebouwing de randen markeert en de meer compacte bebouwing zich in het dorpshart bevindt. Door de ligging dicht bij de kern profiteren de nieuwe bewoners van de aanwezige voorzieningen, zoals winkels, horeca, sportaccommodaties, zorgvoorzieningen en pinmogelijkheden. Binnen het plan is nadrukkelijk ruimte gecreëerd voor ontm oeting. Wandelpaden en groene zones nodigen uit tot sociale interactie, waarmee wordt aangesloten bij de dorpscultuur waarin het samenzijn centraal staat. De groenstroken, bomenrijen en wadi’s zorgen niet alleen voor een prettige leefomgeving, maar versterken ook de verbinding met het omliggende landschap en dragen bij aan de opvang en vasthouding van water. Het silhouet van de kern, met de kerk als herkenbaar baken en karakteristieke bebouwing, blijft volledig zichtbaar en beleefbaar, zodat het dorpse aan zicht behouden blijft. De opzet biedt bovendien ruimte voor een evenwichtige ontwikkeling van publieksgerichte functies en ondernemerschap binnen de bestaande voorzieningenstructuur. Met deze combinatie van groeninpassing, waterberging en mogelijkheden to t ontmoeting wordt een toekomstbestendige uitbreiding gerealiseerd die het dorp Geesteren versterkt én zijn landschappelijke en sociale kwaliteiten respecteert.

4.1.4 Woonvisie 2021+ 4.1.4.1 Algemeen Het woonbeleid van de gemeente Tubbergen voor de komende jaren is weergegeven in de 'Woonvisie 2021+'. De afgelopen jaren hebben aangetoond dat de woningmarkt zeer dynamisch is. De woonvisie beschrijft daarom de gemeentelijke koers voor de komende jaren, maar er wordt flexibiliteit gehouden om tussentijds bij te sturen, mochten de ontwikkelingen op de woningmarkt daarom vragen. 4.1.4.2 Platteland in trek; toenemend aantal vestigers De komende jaren wil de gemeente voldoende woningen bouwen om te voorzien in de verwachte vraag. Om dat te bewerkstelligen is het ten eerste zaak om goed inzicht te hebben in die verwachte woningvraag. De afgelopen vijf jaar is het aantal huishoudens in Tu bbergen gegroeid met ongeveer +300. Deze groei is mede tot stand gekomen door een positief binnenlands migratiesaldo. Er vestigden zich meer mensen in Tubbergen vanuit andere gemeenten, dan er vertrokken. In de jaren voor 2016 was er nog sprake van een vertrekoverschot. Het zijn vooral jongeren tussen 15 en 25 jaar die de gemeente verlaten. Dat komt voor een belangrijk deel vanwege werk of studie elders. Maar voor een deel van de vertrekkende jongeren speelt het woningaanbod mee. Voor hen zijn er niet of nauwelijks betaalbare woningen beschikbaar, waardoor zij (al dan niet tijdelijk) opteren voor een woning in een gemeente waar het aanbod goedkoper is.

Een deel van de jongeren keert na verloop van tijd terug als men een gezin gaat stichten en meer financiël e mogelijkheden heeft om een woning te kopen. Tubbergen staan immers bekend als een zeer kindvriendelijke gemeente met veel ruime gezinswoningen en met een school in elke kern. Daarnaast ziet de gemeente zeker de laatste jaren een vestigingsoverschot van 50-plussers. Door de stijgende woningprijzen in de steden is de gemeente als groene, rustige woongemeente met ruime woningen steeds aantrekkelijker geworden voor vestigers. Het gaat vaak om vestigers die vanuit de stedelijke omgeving van Almelo en Hengelo op zoek zijn naar een ruime gezinswoning in het groen, maar steeds vaker gaat het ook om vestigers van ver buiten de regio. Dat kunnen mensen zijn die van oorsprong uit Tubbergen of omgeving komen, maar ook vestigers van verder weg die onze gemeente kennen omdat ze hier bijvoorbeeld ooit op vakantie zijn geweest. Het zijn nu nog met name 50 - en 65- plussers, waarvoor de reisafstand tot werk minder (of helemaal geen) een rol speelt. Maar de aantrekkingskracht van de gemeente Tubbergen neemt in de komende jaren wellicht ook toe bij andere leeftijdscategorieën, omdat thuiswerken door de Coronacrisis een hoge vlucht heeft genomen.

De fysieke nabijheid van kantoor is daardoor minder belangrijk geworden, terwijl een ruime woning (met ruimte voor een werkplek) juist belangrijker wordt. 4.1.4.3 Woningbouwprogramma: +640 woningen De gemeente gaat uit van een woningbehoefte van 640 woningen voor de periode 2020 -2030. Gezien de huidige druk op de markt wil de gemeente deze woningbouwopgave zoveel mogelijk binnen vijf jaar realiseren. Mocht er na de eerste vijf jaar meer woningen gebouwd zijn dan de geprognosticeerde behoefte, dan zal de gemeente daar met de woningbouwopgave na 2025 rekening mee houden. Daarnaast is het wenselijk om een ruimere plancapaciteit aan te hou den dan enkel te koersen op de verwachte woningbehoefte. De ervaring leert dat een deel van de plannen vertraging oploopt of helemaal niet doorgaat. Voor het tijdig kunnen inspelen op de behoefte is een zachte plancapaciteit van 130% reëel; zo’n 830 woning en over de gehele gemeente (ervan uitgaande dat 30% van de plannen niet of vertraagd wordt gerealiseerd). Voor de kern Tubbergen ligt het totaal op 255 woningen. De voorkeur geeft aan het invullen van de woningbouwbehoefte in kleine, eventueel gefaseerde, plannen. Hierdoor kan goed worden bijgestuurd als dit wenselijk is.

4.1.4.4 Bouwen op de juiste plek In overeenstemming met de Ladder voor duurzame verstedelijking gaat de gemeente de nieuwbouwopgave zoveel mogelijk binnen de bebouwde kom op inbreidingslo caties realiseren. Op die manier blijft het buitengebied zo groen mogelijk. Wel moeten deze plannen kwalitatief getoetst worden. In een aantal kernen zijn de mogelijkheden voor inbreiding beperkt. Bijvoorbeeld omdat inbreiding te zeer ten koste gaat van h et dorpse - en landelijke karakter, of omdat er niet of nauwelijks inbreidingslocaties voorhanden zijn. Daarom zetten we ons er voor in dat het ook in de toekomst mogelijk blijft om -uiteraard zo zorgvuldig mogelijk- potentiële locaties aan de randen van de bebouwde kom te benutten. De Regionale Woonagenda biedt ook die ruimte. 4.1.4.5 Prioriteiten voor starters en senioren In algemene zin neemt de behoefte aan kleinere woningen onder starters toe. Er zijn nog steeds starters die een ruime woning met grote k avel kopen of bouwen, maar de gemeente ziet nu ook nieuwbouwinitiatieven met rijwoningen opkomen, waar veel interesse voor is. De komende jaren wil de gemeente het woningaanbod voor starters vergroten. Het is hierbij zaak om snel aan de slag te gaan, om te voorkomen dat (nog meer) starters op zoek gaan naar goedkoper aanbod in andere gemeenten.

Een belangrijk aandachtspunt daarbij is het vergroten van het aanbod aan goedkope koopwoningen voor starters met beperkte financiële mogelijkheden (waaronder alleenstaande starters). Een tweede belangrijke doelgroep zijn de senioren op de woningmarkt. Het aantal huishoudens van 65 jaar en ouder neemt de komende jaren verder toe. Op dit moment vormt de groep 1+2 persoonshuishoudens van 65 jaar en ouder 31% van het tot aal aantal huishoudens in Tubbergen, in 2030 is dat gestegen naar 38%. Veel oudere huishoudens wonen op dit moment in een ruime eengezinswoning. Een groot deel van deze groep wil het liefst zo lang mogelijk in hun eigen woning in de vertrouwde woonomgeving blijven wonen. Zowel landelijk als lokaal beleid heeft hier de afgelopen jaren ook sterk op ingezet. Maar een deel van de ouderen overweegt wel te verhuizen. Vooral omdat zij op zoek zijn naar een levensloopgeschikte woning waar zij ook kunnen wonen als d e gezondheid achteruit zou gaan. Belangrijk voor zo’n woning is dat slaap - en badkamer bij voorkeur op de begane grond zitten en bij voorkeur in de eigen vertrouwde omgeving (de buurt of kern waar men nu woont) en op loopafstand van voorzieningen staat. De woning moet ook nog enigszins betaalbaar zijn (meestal betekent dat goedkoper dan de huidige woning). Al deze wensen maakt het lastig om tot een geschikt woonproduct te komen.

In de praktijk blijven veel ouderen daardoor in hun huidige woning wonen, ondanks hun verhuiswens. Het voordeel van gerichte nieuwbouw voor senioren is dat er meer doorstroming op de woningmarkt komt. Als senioren gaan verhuizen, komen er meer bestaande ruime woningen op de markt die geschikt zijn voor gezinnen, waardoor er uiteind elijk ook weer meer woningen voor jonge doorstromers en starters beschikbaar komen. Daarom heeft de gemeente als ambitie om een substantieel deel van de nieuwbouw de komende jaren levensloopgeschikt te realiseren. 4.1.4.6 Beperkte bouwopgave voor gezinnen De grootste groep huishoudens wordt in onze gemeente gevormd door gezinnen met kinderen. De verwachting is dat deze groep in omvang iets zal afnemen de komende jaren. Daar staat tegenover dat een groot deel van de huidige woningvoorraad nu al gericht is o p deze doelgroep; namelijk ruime grondgebonden koopwoningen. In de basis zien we daarom geen grote opgave om het woningaanbod voor deze doelgroep uit te breiden. Toch zijn er enkele redenen waarom we op beperkte schaal ruimte willen blijven bieden voor (middel)dure grondgebonden koopwoningen. Ten eerste zullen de bestaande grondgebonden koopwoningen niet van vandaag op morgen allemaal beschikbaar komen. Dit hangt af van de doorstroming van met name senioren. Zij vormen echter geen sterk verhuisgeneigde doe lgroep.

Indien het gewenst is om de eerstkomende jaren ruimte te blijven bieden aan gezinnen die hier willen (blijven) wonen, dan is enige mate van nieuwbouw noodzakelijk. Ten tweede wil de gemeente gevarieerde nieuwbouwlocaties ontwikkelen, met een mix va n woningtypen, huur/koop en prijsklassen. De gemeente wil voorkomen dat met nieuwbouw eenzijdige wijken gecreëerd worden met alleen goedkope woningen of buurten met een eenzijdige bevolkingssamenstelling. 4.1.4.7 Toetsing initiatief aan de Woonvisie 2021+ Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling is er vanuit planologisch opzicht sprake van het toevoegen van twintig woningen aan de woningvoorraad van Tubbergen. De woningen zijn bedoeld voor starters, doorstromers en senioren. Het voornemen voorziet hiermee in een positieve bijdrage aan de woningbehoefte van 640 woningen voor de gemeente Tubbergen. De nieuw te bouwen woningen zullen volgens de laatste duurzaamheidsnormen worden gebouwd. De woning wordt niet aangesloten op het aardgas. Het voornemen is daarmee in overeenstemming met de woonvisie. 4.1.5 Nota Omgevingskwaliteit 4.1.5.1 Algemeen Voor onderhavig project bevat het omgevingsplan regels over het uiterlijk van bouwwerken. Dit heet welstandstoezicht. De Nota Omgevingskwaliteit (welstandsnota) bevat on voldoende welstandscriteria voor het project.

In het besluit tot wijziging van het omgevingsplan zijn daarom op grond van artikel 4.19 Omgevingswet regels opgenomen over het uiterlijk van bouwwerken en voor de uitleg daarvan stelt de gemeenteraad beleidsregels vast, zodat kan worden beoordeeld of bouwwerk aan die regels voldoet. Dit heet welstandscriteria. Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen, denk aan vorm, kleur of gebruikte materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In de bruidsschat zijn regels opgenomen met betrekking tot (1) repressief welstand (art. 22.7 BS), oftewel de excessenregeling en (2) beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (art. 22.29 BS). Artikel 22.29 lid 1 onder b BS bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebru iken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. De nota omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen (geldend van 3 juni 2020, tot op heden) beschrijft het welstandsbeleid voor de gemeentes Dinkelland en Tubbergen (Noaberkracht).

De nota omgevingskwaliteit is bedoeld om te kunnen beoordelen of bouwplannen voldoen aan redelijke eisen van welstand. 4.1.5.2 Toetsing van het initiatief aan de Nota omgevingskwaliteit Voor het gehele plangebied is een beeldkwaliteitsplan opgesteld, er wordt dan ook niet getoetst aan de Nota omgevingskwaliteit. Het beeldkwaliteitsplan wordt namelijk gebruik om diverse woningbouwontwerpen te beoordelen. Het beeldkwaliteitsplan is opgenomen als bijlage 1 3 bij deze motivering. Daarnaast wordt hier in paragraaf 2.3 ook verder op ingegaan. Afbeelding 4.3 Uitsnede groenplan plangebied (Bron: Tuuulk)

4.1.6 Casco beleid Noord-Oost Twente 4.1.6.1 Algemeen In het Ontwikkelingsperspectief voor het Nationale Landschap Noordoost -Twente hebben de hierbij betrokken partijen de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Zowel gemeenten als provincie hadden behoefte aan een praktisch concept om in de dagelijkse praktijk invulling te geven aan deze ambitie. Voor het bereiken van deze ambitie is het, het meest wenselijk om de belangen van initiatiefnemers die elementen willen verwijderen te koppelen aan grondeigenaren die bereid zijn nieuwe elementen te plaatsen om zo het landschap te versterken. Alle individuele aanvragen zullen dan uiteindelijk moeten leiden tot een beter functionerend en h erkenbaar landschap. Om dit te bereiken is de casco-benadering ontwikkeld. Met de casco -benadering beschikken de provincie Overijssel en de deelnemende gemeenten van Noordoost-Twente over een generieke methode om vorm te geven aan de doelen voor het Natio naal Landschap: behoud en ontwikkeling van het landschap inclusief al haar functies. In relatie tot het provinciaal beleid is de cascobenadering een middel om invulling te geven aan het fenomeen 'ruimtelijke kwaliteit' en uitvoering aan de kwaliteitsagenda van de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel.

4.1.6.2 Casco-benadering in de praktijk De landschapstypen van Noordoost -Twente vormen, samen met de ontwikkeling die deze landschappen hebben doorgemaakt (dynamiek), het uitgangspunt van de casco -benadering. Elk landschapstype heeft een eigen kenmerkende structuur van opgaande beplantingen. Deze structuur is het casco van het landschap. Het kan daarbij gaan om bomenrijen, houtwallen, houtsingels en (kleinere) bosjes. Het beleid is er op gericht om dit casco te versterken. Toepassing van de casco benadering leidt op termijn tot versterking van het ‘kleinschalige groene karakter’ van het landschap in totaliteit. De basis voor initiatieven is de cascokaart. Hierop staan drie typen elementen weergegeven, zie de navolgende tabel. Landschapstype Opmerking Elementen die tot het casco behoren Mogen in principe niet verplaatst worden Elementen die niet tot het casco behoren Mogen verplaatst worden, als aan de regels van de casco-benadering wordt voldaan Te compenseren elementen Locaties waar de initiatiefnemer de elementen heen kan verplaatsen Aan de hand van de casco -kaart wordt beoordeeld of het landschapselement tot het casco behoort of niet. Uit de beoordeling hiervan volgen drie mogelijke opties: 1. Regulier casco: het te verwijderen element is geen casco en de initiatiefnemer compenseert op een lijn uit de casco-kaart. 2.

Afwijking van de compensatie: het te verwijderen element is geen casco, maar de initiatiefnemer wil compenseren op een andere plek dan aangegeven op de casco-kaart. 3. Afwijking van het casco: het te verwijderen element behoort tot het casco en het te compenseren element ligt of op de casco-kaart, zo niet dan is de een aanvraag een combinatie met situatie 2 (afwijking compensatie). In afbeelding 4.3 is een fragment van de Cascokaart behorende bij de Casco benadering opgenomen, met daarbij in rode contour het plangebied. Afbeelding 4.3 Uitsnede Casco-kaart Noordoost Twente (bron: Atlas van Overijssel, bewerkt) 4.1.6.3 Toetsing van het initiatief aan de Casco-benadering in Noordoost Twente Zoals weergegeven in afbeelding 4.3 zijn er elementen van het casco aanwezig in het plangebied. Daarnaast worden delen van het plangebied begrensd door onderdelen van het casco. Het casco is de hoofdstructuur die in stand moet worden gehouden. Extra ruimte geven aan onderdelen van het casco is nodig om de levensduur te verlengen. Deze onderdelen zullen behouden blijven en niet worden verplaatst, dit blijkt ook uit het groenplan als bijlage 1 van deze motivering is opgenomen. Op deze wijze wordt gehandeld in overeenstemming met de Casco-benadering in Noordoost Twente.

4.2 Voorbereidingsfase/ Verkenningsfase met stakeholders 4.2.1 Vooroverleg provincie De gemeente is meegenomen in de gesprekken met de gemeente en op de hoogte gesteld van de ontwikkelingen. 4.2.2 Vooroverleg Waterschap Vechtstromen Het waterschap Vechtstromen is op de hoogte gesteld van het voornemen door middel van de digitale watertoets. Het waterschap heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen het voornemen. 4.2.3 Participatie omgeving De gemeenteraad heeft het beleid ‘Inwonersparticipatie’ vastgesteld en daarin is een ‘Checklist Aan de slag met inwonersparticipatie’ opgenomen. Op 21 januari 2025 vond een inloopbijeenkomst plaats met omwonenden, waarbij het woningbouwplan is toegelicht en vragen en zorgen zijn besproken. Omwonenden reageerden overwegend positief, met aandachtspunten rond lichtinval, verkeersveiligheid en mogelijkh eden voor groen of grondterugkoop. De resultaten daarvan zijn

opgenomen in bijlage 12. De gemeente is in gesprek geweest met de voorzitter van de nabijgelegen voetbalclub STEVO. Hierbij is ingegaan op het aspect geluid en lichthinder. 5. Aspecten fysieke leefomgeving en milieu Zoals blijkt uit hoofdstuk 1.2 geldt bij het doorlopen van een wijziging van het omgevingsplan dat de voorgenomen activiteit enkel wordt verleend wanneer bij de ontwikkeling of activiteit sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Ow). Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen. Voor de beoordeling van de wijziging van het omgevingsplan zijn op basis van artikel 8.0b lid 1 Bkl de volgende regels en instructies van toepassing: ­ de instructieregels van hoofdstuk 5 , met name afdeling 5.1 ‘Instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ van het Bkl; ­ de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening; ­ eventuele andere instructies van het Rijk en provincie. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld , zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie .

Voor zover relevan t is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid. 5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik van de fysieke leefomgeving en het tegengaan van leegstand van gebouwen. De instructieregel in artikel 5.129g van het Bkl verplicht om bij een wijziging van het om gevingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening te houden met de behoefte aan de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g lid 2 van het Bkl behelst een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes. Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb), onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard omtrent de behoefte aan de in het project voorziene nieuwe stedelijke ont wikkeling. Met de uitkomsten daarvan dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden. Het bestuursorgaan heeft bij de toepassing van deze instructieregel beoordelingsvrijheid. Andere belangen dan het belang dat wordt gediend met de instructieregel kunnen de doorslag geven.

De ladder is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van dit a rtikellid nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling (ABRS 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 en ABRS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579. De laddertoets is in ieder geval van toepassing op een stedelijk ontwikkeling of uitbreiding van o.a. bedrijventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening. De opsomming in het eerste lid is niet limitatief, ook andere dan de genoemde ontwikkelingen kunnen zich als een stedelijke ontwikkeling kwalificeren. Voorts geldt dat een stedelijke ontwikkeling voldoende substantieel dient te zijn om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt.

Of aan dit criterium wordt voldaan is in sterke mate afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Stedelijke ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling betreft een woningbouwontwikkeling die voorziet in de realisatie van 20 woningen. Gezien het feit er meer dan 11 woningen worden gerealiseerd is daarmee sprake van een stedelijke ontwikkeling. Hierdoor dient het plan nader te worden getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. In de bijlage 2 is de notitie Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen. In voorliggend geval wordt geconcludeerd dat met de voorgenomen ontwikkeling wordt voldaan aan de 'Ladder voor duurzame verstedelijking'. 5.2 M.e.r.-beoordeling Afdeling 16.4 van de Ow bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. De regels voor de milieueffectrapportage (mer) staan in afdeling 16.4 van de Ow. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. Het gaat hier om de implementatie van 2 richtlijnen: • de EU-richtlijn mer (mer -richtlijn): richtlijn over de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en private projecten. • de EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling (smb -richtlijn): richtlijn over de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's.

De regels schrijven voor bepaalde plannen, programma's en projecten een zogenoemde milieubeoordeling voor. Deze mer -procedure gaat vooraf aan het nemen van een besluit over het vaststellen van het plan of het toestaan van een project. In een aantal situaties is het mogelijk om een plan -mer-beoordeling te doen in plaats van een milieueffectrapportage. Voor een plan-mer-plicht gelden de volgende eisen: • De eerste eis is dat het moet gaan om een wettelijk of bestuursrechtelijk voorgeschreven plan of programma (artikel 16.34 lid 1 Ow). In de Omgevingswet is opgenomen dat een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing aan die vereisten voldoen. • De tweede eis is dat het plan of programma een kader vormt voor besluiten voor mer - (beoordelings)plichtige projecten (artikel 16.36 Ow) of dat er een passende beoordeling vo or een plan of programma nodig is. In kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn de mer - (beoordelings)plichtige projecten opgenomen. De inhoud van een plan bepaalt mede de eventuele mer -plicht. In een aantal gevallen is het echter mogelijk om eerst een plan-mer- beoordeling te doen. Uit een plan-mer-beoordeling blijkt of het plan of programma aanzienlijke milieueffecten heeft. Als dat niet het geval is, kan een planmilieueffectrapportage achterwege blijven.

Een plan -mer-beoordeling kan in de volgende twee situaties aan de orde zijn: 1. Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het gaat om projecten die niet in bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan. Het plan is niet direct plan-merplichtig, maar er moet we l een plan -mer-beoordeling worden uitgevoerd. De mer -(beoordelings)plichtige projecten zijn opgenomen in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. 2. Het plan is kaderstellend voor projecten uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarnaast komen de projecten waarvoor het omgevingsplan het kader vormt niet boven de drempel van kolom 2 uit bijlage V Omgevingsbesluit. Er kan dan volstaan worden met een plan-mer-beoordeling als: a. het plan een kleine wijziging van een plan of programma is; b. het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is. In een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 en lid 4 Ow) toetst het bevoegd gezag of er bij het plan of programma aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Er zijn twee mogelijke resultaten: • Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een plan -mer en er moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt. • Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is ge en plan -mer nodig en er wordt geen MER gemaakt.

Beoordeling of het plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is De eerste vraag die beantwoord moet worden is of het project voldoet aan de omschrijving die is opgenomen in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Dit plan behelst het wijzigen van de agrarische functie naar een woonfunctie voor het realiseren van 20 woningen . Een dergelijk project wordt niet expliciet benoemd in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit, de meest logische aansluiting kan worden gevonden onder nummer J11, een 'stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen'. Het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' is niet gedefinieerd, wel zijn er een aantal voorbe elden van bouwprojecten die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. Dit betreft o.a. woningen, parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval.

Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject: • de aard en omvang van de ontwikkeling; • de vormgeving en opzet; • de schaalgrootte; • de ligging; • de voorgenomen functie(wijziging), en; • de vraag of sprake is van een bestaand of van een te realiseren bouwwerk. Wanneer sprake is van een z ogenaamde 'kleine wijziging' of voor situaties waarbij het voorgenomen plan of programma betrekking heeft op 'kleine gebieden op lokaal niveau', dan is het toegestaan om eerst een plan-mer-beoordeling uit te voeren. Als uit deze plan-mer-beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben, bestaat er geen verplichting een plan-MER te maken (art. 16.36 lid 3 Ow). Als niet gekozen wordt voor de plan-mer-beoordeling, geldt een plan-mer-plicht. Wanneer de ontwikkeling van zodanig kleinschalige aard is kan het zo zijn dat geen sprake is van een project in de zin van m.e.r. onder het Ob. Dit kan in sommige gevallen gemotiveerd worden op basis van jurisprudentie. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de c oncrete omstandigheden van het geval. Onder andere de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling spelen daarbij een rol.

Of de ontwikkeling per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kan hebben, is daarbij ni et relevant, waarbij de bestaande planologische mogelijkheden meegewogen mogen worden (ABRS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2414). Het voornemen (realiseren van 20 woningen) valt onder ‘stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen’ uit de eerste kolom van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Het betreft een wijziging van het omgevingsplan dat wordt opgesteld voor een klein gebied op lokaal niveau. Hiervoor is een plan-merbeoordeling aan de orde. In voorliggend geval is een m.e.r.-beoordeling opgesteld. Deze is als bijlage 3 toegevoegd bij deze motivering. Conclusie Dit plan brengt geen negatieve effecten op het milieu met zich mee. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.3 Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren Situatie plangebied verkeerskundige effecten ontwikkeling (verkeersgeneratie en –afwikkeling) De visie op verkeer en vervoer is opgenomen in het Strategisch verkeer - en vervoerplan 2019. De verkeersgeneratie moet worden bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave ‘toekomstig parkeren’ (uitgave 381).

De toename en de verkeersveiligheid wordt beoordeeld aan de hand van de verkeersgeneratie en de wegencategorisering in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2019. Er moet worden beoordeeld of de betreffende weg/wegen de toename aan het verkeer kunnen afwikkelingen en niet leidt tot verkeersonveilige situaties. Het parkeren wordt getoetst aan de Beleidsnotitie bouwen & parkeren 2018. Om inzicht te krijgen in de extra normen voor verkeersgeneratie wordt er aangesloten bij onderstaande uitgangspunten: • Verstedelijkingsgraad: rest bebouwde kom/ gemeente Tubbergen (Bron: CBS Statline) • Stedelijke zone: buitengebied • | Functies: Koop, huis, vrijstaand (4); koop, huis, twee-onder-één-kap (10); huur, tussenwoning of rijtje (6) In de publicatie van de CROW is de verkeersgeneratie per functie uiteengezet. Daarnaast wordt hierin een minimaal en maximaal aantal verkeersbewegingen voor de functies aangegeven. In voorliggend geval is van het gemiddelde uitgegaan. Op basis van de vorenstaande uitgangspunten is een berekening uitgevoerd m.b.t. verkeersgeneratie. Hieronder staat de tabel voor de parkeerbehoefte.

Functie/activiteit | Parkeernorm | Aantal woningen | Totaal Vrijstaand | 2,3 | 4 | 9,2 Twee-onder-één kap | 2,2 | 10 | 22 Tussenwoning of rij | 2,0 | 6 | 12 43,2 Situatie plangebied parkeren De voorgenomen ontwikkeling betreft een totale parkeerbehoefte van 4*2,30 + 10*2,20 + 6*2,00= 43,2 (afgerond 44 parkeerplaatsen). Aangezien het plangebied is onderverdeeld in zones, te weten huurwoningen aan de noordwestzijde en vrijstaande dan wel twee-onder-één-kapwoningen aan noordzijde en zuidzijde wordt hierna nader op de toewijzing van parkeerplekken ingegaan. De vrijstaande- en twee onder-één-kapwoningen hebben de mogelijkheid zelf parkeervoorzieningen binnen de kavels te realiseren. Hierbij zijn ruimvoldoende mogelijkheden om dan wel twee dan wel drie parkeerplaatsen binnen de kavel te realiseren. Aan de noordzijde en noordwestzijde zijn twee openbare parkeerstroken aanwezig, bestaande uit gezamenlijk 18 parkeerplekken. Aangezien de rijwoningen niet over een eigen parkeergelegenheid beschikken, maar wel 12 parkeerplaatsen benodigd zijn, zullen zij gebruik | moeten | maken | van | deze | parkeerplekken. | Deze | parkeerplekken | kunnen | tevens | voor bezoekersparkeren worden gebruikt. Het aspect parkeren vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Situatie plangebied verkeer Functie/activiteit | Verkeersgeneratie | Aantal woningen | Totaal Vrijstaand | 8,2 | 4 | 32,8 Twee-onder-één | kap | 7,8 | 10 | 78 (10) Tussenwoning | of | rijte | 5,6 | 6 | 33,6 (6) 144,4 De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van vier vrijstaande woningen, tien twee | -onder- één-kapwoningen | en | zes | tussenwoningen. | Dit | voornemen | gaat | gepaard | met | een | extra verkeersbehoefte van afgerond 8,2*4+7,8*10+5,6*6 = 144,4 (145) extra verkeersbewegingen. Zoals in hoofdstuk 3 is uitgewerkt zal ter plaatse van het plangebied twee ontsluitingen op de Vinckenweg worden gerealiseerd. | De Vinckenweg is een doorgaande weg waarbij het verkeer eenvoudig in verschillende richtingen op kan gaan. Daarnaast dient te worden opgemerkt dat de Vinckenweg een verkeersveilige en overzichtelijke weg is. | Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor | de voorgenomen ontwikkeling. Conclusie Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect ‘Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren’ geen belemmering vormt voor de ontwikkeling. 5.4 Soortenbescherming en gebiedsbescherming Gebiedsbescherming Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht.

Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). 5.4.1 Natura 2000-gebieden Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000 - gebieden (Vogelrichtlijn - en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning voor de Natura -2000-activiteit noodzakelijk. Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan.

Voor de Natura 2000 -gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: • de leefgebieden van vogels; • de natuurlijke habitats of habitats van soorten. De provincies stellen voor de Natura 2000 -gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000 -gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant ne gatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000 -gebied dient te worden onderworpen aan een 'voortoets'. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000 -gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden.

Situatie plangebied Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Engbertsdijkvenen' bevindt zich op circa 4,2 kilometer afstand van het plangebied. Dit betreft een stikstofgevoelig gebied. Tevens ligt op circa 5,7 kilometer afstand het stikstofgevoelige Natura 2000-gebied 'Springendal & Dal van de Mosbeek. Vanwege de onderlinge afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebieden is directe hinder in de vorm van bijvoorbeeld geluid en verstrooiing van licht uitgesloten. Het plangebied is niet zichtbaa r vanuit Natura 2000-gebied en de invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal. Het is uitgesloten dat verstoringseffecten, zoals geluid, optische verstoring, kunstlicht een negatief effect hebben op instandhoudingsdoelen van de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van stikstofdepositie is ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling een stikstofberekening uitgevoerd. Hierna wordt kort ingegaan op de onderzoeksresultaten. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 11. Onderzoeksresultaten Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000 -gebieden.

De voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Conclusie Het project betreft, ten aanzien van de effecten van stikstofdep ositie op Natura 2000 -gebieden, geen Natura 2000 -activiteit en is gezien artikel 5.1 van de Omgevingswet niet vergunning splichtig. De voortoets voor het plan voldoet ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000 - gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 5.4.2 Natuurnetwerk Nederland In het Besluit kwaliteit leefomgeving is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). De EHS w erd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit lee fomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt h et 'nee, tenzij'-principe.

Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel. Conclusie Het plangebied ligt op 2,4 kilometer afstand van gronden die behoren tot het NNN. De invloedsfeer van het kleinschalige voornemen is lokaal, waardoor de voorgenomen ontwikkeling geen negatief effect zal hebben op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN. 5.4.3 Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.

Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:  er soorten aanwezig zijn; en  welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Situatie plangebied In dit geval is door bureau Ecofect een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Hierna wordt ingegaan op de onderzoeksresultaten. De gehele onderzoeksrapportage is opgenomen in bijlage 6 bij deze toelichting. Onderzoeksresultaten Binnen het plangebied worden geen schadelijke handelingen uitgevoerd met betrekking tot flora en fauna in het kader van de Omgevingswet. Voor vleermuizen geldt aanvullend het advies om bij de aanleg- en nieuwe gebruiksfase de bomen rondom de planlocatie ni et actief te belichten, zodat zorgvuldig handelen wordt gewaarborgd. Ook voor zoogdieren zijn geen schadelijke handelingen aan de orde. Ten aanzien van vogels wordt geadviseerd de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren of vooraf een broedvogelonderzoek te laten uitvoeren. Voor overige soorten wordt aangeraden om vooraf en tijdens de werkzaamheden een reptielen - en amfibieënscherm rondom de planlocatie te plaatsen.

Tot slot worden er geen bomen gekapt die vallen onder het onderdeel houtopstanden van de Omgevingswet, waardoor er geen herplant- of meldingsplicht van toepassing is. Conclusie Het aspect soortenbescherming staat niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg. 5.5 Luchtkwaliteit Ter bescherming van de gezondheid zijn onder paragr aaf 5.1.4.1 van het Bkl instructieregels opgenomen voor de luchtkwaliteit. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in zogeheten aandachtsgebieden, dit zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide of fijnstof. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied.

Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat in zulke gevallen om activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben (bijvoorbeeld verkeer of bedrijfsemissies). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Bk). Deze gaan over: • beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden; • ammoniakemissies van veehouderijen; • geologische opslag van CO2.

Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate (NIMB) bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. In artikel 5.54 staan standaardgevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; • woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; • kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een plan binnen de genoemde categor ie, maar niet binnen de gestelde grenzen valt, is het alsnog mogelijk om via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3% -grens niet wordt overschreden. Een andere manier om aannemelijk te maken dat een project de 3% -grens niet overschrijdt is een kwalitatieve berekening. Met de NIBM -tool kan bekeken worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM - tool. Situatie plangebied Om te beoordelen of het voornemen ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan luchtverontreiniging is gebruik gemaakt van de NIBM-tool.

Hierbij is gerekend met de verkeersgeneratie zoals berekend in paragraaf 5.3 en met 5,0% vrachtverkeer (worst-case scenario). Aangezien het voornemen uitsluitend de functie ‘wonen’ betreft wordt verwacht dat het aantal vrachtverkeer in realiteit lager zal liggen. Het aandeel van vrachtverkeer in de aanlegfase is buiten beschouwing gelaten, omdat dit tijdelijk van aard is. Onderstaande afbeelding geeft de uitslag van de NIBM-tool weer. Afbeelding 5.1 NIBM-tool (Bron: IPLO.nl) Conclusie Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project. 5.6 Geluid Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds.

In deze paragraaf komt aa n de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Geluid door activiteiten In het Bkl onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een omgevingsplan of omgevingsvergunning op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels z owel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit.

Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid va n alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen. De instructieregels zijn ook v an toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel. De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen. Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied.

Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan: • woningen; • Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal); • Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals • verzorgingstehuizen, • psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in art. 5.78t van het Bkl. Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden zoals opgenomen in onderstaande afbeelding 5.2: Afbeelding 5.2 Standaardwaarden (Bron:art. 5.78T van het Bkl) Er zal bij de voorbereiding van een omgevingsplan onderzoek moeten worden gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten, wanneer deze zich binnen het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen bevinden. Geluidbeleid De gemeente beschikt over een eigen geluidsbeleid, namelijk het ‘Gebiedsgericht geluidbeleid van de gemeente Tubbergen’ en de ‘Nota hogere grenswaarden’. Het bevoegd gezag kan gemotiveerd afwijken van het geluidbeleid en een hogere waarde toekennen, indien aangetoond is dat aan de hoofd- en ontheffingscriteria kan worden voldaan.

De gemeente past hierbij primair akoestische compensatiemaatregelen toe. Deze zijn per geluidsklasse verschillend.

Het plangebied maakt onderdeel uit van het gebiedstype ‘ Buitengebied’. Voor dit gebiedstype geldt de ambitiewaarde ‘rustig’ (43 dB) en de bovengrens ‘redelijk rustig’ (48 dB). Situatie plangebied, weg- en verkeerslawaai In voorliggend geval worden er woningen gerealiseerd. Woningen betreffen geluidgevoelige gebouwen. Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandach tsgebied. Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling. Weg- en railverkeerslawaai In het omgevingsplan zijn nog geen geluidsaandachtsgebieden opgenomen. Daarom gelden voor wegen en spoorwegen de volgende afstanden:  voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 m;  voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en  voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m.

Het plangebied ligt binnen de geluidsaandachtsgebieden van de Vinckenweg, Vriezenveenseweg en de Kormelinkstraat. Gelet op de ligging van het plangebied naast het toevoegen van geluidsgevoelige gebouwen is er door BJZ een akoestische onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Voor de gehele rapportage wordt verwezen naar bijlage 4. Hierna worden de belangrijkste onderzoeksresultaten besproken. Aangezien de dichtstbijzijnde spoorweg zich op een afstand van ruim 9 kilometer meter bevindt, wordt geconcludeerd dat spoorweglawaai geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. Onderzoeksresultaten Het geluid als gevolg van de gemeentelijke wegen bedraagt voor 18 van de 20 woningen hoogstens 53 dB. Met deze waarde wordt voldaan aan de standaardwaarde uit het Bkl. Ter plaatse van woningen 1 en 9 (toetspunten 1-4 en 28-30 in afbeelding 4.1 van het rapport in bijlage 4 bedraagt het geluid hoogstens 54 dB(A). Met deze waarde wordt niet voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB(A) uit het Bkl. Wel wordt voldaan aan de grenswaarde van 70 dB(A) uit het Bkl. Het geluid als gevolg van de Vriezenveenseweg (provinciale deel) bedraagt hoogstens 47 dB (A). Met deze waarde wordt voldaan aan de standaardwaarde van 50 dB(A)uit het Bkl.

De bron- en overdrachtsmaatregelen die getroffen kunnen worden om voor de twee woningen met overschrijdingen aan de voorkeurswaarde te voldoen ontmoeten bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke, verkeerskundige of financiële aard. Ten tijde van de vergunningverlening dient een bouwakoestisch onderzoek uitgevoerd te worden waarin wordt aangetoond dat voldaan wordt aan de vereiste gevelwering van 21 dB. Met het inachtneming van voorstaande is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen. Situatie plangebied, industrielawaai/bedrijventereinen Volgens de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving wordt gestreefd naar functiemenging of functiescheiding. Binnen de functiescheiding worden twee gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'geme ngd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.

Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het gebied waarin het plangebied zich bevindt is aan te merken als een 'gemengd gebied'. Dit vanwege het feit dat er in de directe omgeving diverse functies aanwezig zijn. Het gaat hierbij onder andere om sportvoorzieningen, wonen, (agrarische) bedrijven en maatschappelijke functies. Gelet op het vorenstaande is ter hoogte van het plangebied sprake van een verhoogde milieubelasting en kan het worden aangemerkt als 'gemengd gebied'. Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De gewenste functie 'wonen' betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden.

Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of nieuwe functies de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. Hierna wordt op de milieubelastende functies ingegaan. Tevens is aan gegeven tot welke milieucategorie de bedrijven worden gerekend, welke richtafstand aangehouden moet worden tussen het bouwvlak en de nieuwe woonfunctie en het betreffende bedrijf en wat de daadwerkelijke afstand bedraagt. Adres Functie Milieucategorie Max. richtafstand Daadwerkelijke afstand tot bouwvlak Vinckenweg 9 RKVV STEVO (voetbalvereniging) 3.1 50 m 10 m Bedrijventerrein Bedrijventerrein 3.2 100 m 180 m Zoals in bovenstaande tabel weergegeven, wordt niet aan de richtafstand gedaan wat betreft RKVV STEVO. Dit in het kader van het aspect geluid. Om aan te tonen dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon - en leefklimaat, is vanuit Alcedo een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Hieronder wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. In bijlage 5 is het volledige rapport weergegeven. Er wordt benoemd dat de representatieve bedrijfssituatie (RBS) is afgestemd met RKVV STEVO. Daarnaast h eeft Alcedo een aanvullende notitie gemaakt, welke als bijlage 14 bij deze motivering is gevoegd.

Onderzoeksresultaten Uit het onderzoek is gebleken dat met name het gebruik van de geluidinstallatie voor hoge geluidniveaus zorgt. Daarbij worden de grenswaarden volgens de Bruidsschat overschreden. De mogelijkheden om de overschrijdingen weg te nemen zijn beperkt. Met een betere verdeling van de geluidboxen kan d e situatie zoveel als mogelijk worden geoptimaliseerd, maar er blijft sprake van overschrijdingen. Het is mogelijk in de regels van het plan hogere langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus toe te staan. In dat geval moet wel aandacht worden besteed aan de geluidwering van de gevels. Deze geluidwering moet, bij een geoptimaliseerde verdeling van de geluidboxen, 26 dB(A) zijn bij de hoogst belaste nieuwe woning. Een dergelijke geluidwering is realiseerbaar bij nieuwe woningen. Het bevoegd gezag kan, op grond van het incidentele karakter van de overschrijdingen door muziekgeluid afwegen dat de over schrijdingen alsnog aanvaardbaar zijn en maatwerkvoorschriften hanteren. Het is van belang dat daarvoor ook overeenstemming met de vereniging wordt bereikt over een geoptimaliseerde verdeling van de geluidboxen. Het gebruik van muziek via de omroepinstallatie tijdens een wedstrijd van het eerste elftal leidt tot overschrijdingen van de waarden uit het Omgevingsplan gemeente Tubbergen.

De gemeente heeft hierbij overwogen om de inzet van deze muziek niet meer toe te staan óf het gebruik van deze muziek met maatwerk toe te staan, zonder hier waarden voor geluid aan te verbinden, maar wel een beperking met betrekking tot de duur en het aantal keer per jaar. Er is gekozen voor de laatste optie. In de regels van de juridische regels van dit TAM-omgevingsplan is aangegeven dat de geluidbelasting zoals bedoeld in artikel 22.63 gedurende maximaal 20 dagen per kalenderjaar mag worden overschreden aan de gevels van de omliggende geluidgevoelige gebouwen. Beoordelen aanvaardbaarheid geluid Op grond van artikel 5.59, lid 2 van het Bkl moet gemotiveerd worden dat het geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Hiervoor is uitgewerkt op welke wijze het sportpark haar gebruiksmogelijkheden kan blijven benutten. Ter plaatse van d e woningen moet een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd zijn. Anders dan bij het bepalen of het sportpark aan de geluidwaarden kan voldoen, moet bij het beoordelen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat alle geluidbronnen worden betrokken. Dus ook stemgeluid. Voor de beoordeling zijn het akoestisch onderzoek van Alcedo en de aanvullende notitie van Alcedo gebruikt.

Uit deze stukken volgt dat de representatieve bedrijfsvoering van STEVO, waaronder trainingen en reguliere wedstrijddagen, vold oet aan de geldende geluidregels. Alleen tijdens de uitzonderlijke situatie waarbij voorafgaand aan en tijdens een thuiswedstrijd van het eerste elftal muziek via de omroepinstallatie wordt afgespeeld, worden de reguliere geluidwaarden overschreden. Voor dergelijke niet -representatieve situaties kan een specifieke regeling in de planregels worden opgenomen, mits de duur en frequentie beperkt blijven en de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting wordt gemotiveerd. Daarbij is van belang dat het gaat om een uitzonderlijke situatie die niet behoort tot de reguliere bedrijfsvoering van het sportpark. In de aanvullende notitie van Alcedo is de uitgangssituatie geactualiseerd. Daarin is, op basis van overleg met STEVO uitgegaan van maximaal twintig gebruiksmoment en per jaar. Alcedo adviseert hiervoor maatwerk toe te passen op grond van artikel 5.70 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Daarbij wordt benadrukt dat de duur van het muziekgebruik beperkt blijft en dat hiermee enerzijds langdurige geluidhinder wordt voorkomen en anderzijds recht wordt gedaan aan het maatschappelijk belang van STEVO als sportvereniging. Er wordt specifieke gekozen om een specifieke planregeling op te nemen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://bestuur.tubbergen.nl/api/v1/meetings/1441/documents/28020