Bijlage TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Randweg, Geesteren_Motivering
Tekst van het document
Daarbij wegen wij het belang van STEVO bij het kunnen organiseren van thuiswed strijden van het eerste elftal af tegen het belang van toekomstige bewoners bij een aanvaardbaar woon - en leefklimaat. Omdat het uitsluitend gaat om een uitzonderlijke bedrijfssituatie met een beperkte duur en een beperkte frequentie, van maximaal 20 momenten per jaar, achten wij deze regeling ruimtelijk aanvaardbaar. Conclusie Gelet op het vorengaande leidt het aspect geluid niet tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. 5.7 Geur In paragraaf 5.1.4.6.1 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Het gaat hierbij om drie geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld, namelijk: • zuiveringstechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2); • het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3); • andere agrarische activiteiten. In artikel 5.92 van het Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevo elige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is. Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalen d zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen.
Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van toepassing zijn voor het aspect geur. Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies, moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen. Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Er mag geen sprake zijn van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden. Situatie plangebied Met dit TAM-omgevingsplan worden geurgevoelige gebouwen gerealiseerd, namelijk woningen. In een straal van 500 meter zijn geen agrarische bedrijven of zuiveringstechnische installaties aanwezig. Gelet op het ontbreken van omliggende agrarische bedrijven vormt de (mogelijke) mili eubelastende werking geen belemmering voor het planvoornemen. Er zal sprake zijn van een aanvaardbaar woon - en leefklimaat. Conclusie Gelet op het vorengaande leidt het aspect geur niet tot een onaanvaardbaar woon - en leefklimaat. 5.8 Omgevingsveiligheid Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid.
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 van het Bkl. In bi jlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij b edrijven. Dit zijn verschillende milieubelastendeactiviteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activite it in het • Besluit activiteiten leefomgeving; • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgev ingsplanactiviteit.
Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgeving splan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binne nshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffe n, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl).
Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aan dachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand - of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het init iatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt a ltijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen kunnen worden opgenomen in de omgevingsvergunning. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: • beperkingen in het belemmeri ngengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par.
5.1.2.3 Bkl; • veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl; • veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl); • veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl). Situatie plangebied Aan hand van de externe veiligheidskaart van de Atlas van de Leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Signaleringskaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In afbeelding 5.3 is een uitsnede van de externe veiligheidskaart met betrekking tot het plangebied (rode omlijning, indicatief) en omgeving weergegeven. Afbeelding 5.3: Uitsnede externe veiligheidskaart (Atlasleefomgeving.nl)
Het voornemen maakt geen risicovolle activiteiten met gevaarlijke stoffen mogelijk en vormt daarmee geen risicobron. Wel worden er kwetsbare objecten; woningen gerealiseerd. Hierna wordt op risicobronnen in de omgeving ingegaan. Ten westen oosten van het plangebied is een autobedrijf met tankinstallatie gesitueerd. Hierbij ligt de bedrijfsbebouwing op circa 350 meter afstand. Zoals in afbeelding 5.3 zichtbaar is, ligt het plangebied buiten de risico contouren en aandachtsgebieden, waardoor de aanwezigheid van het autobedrijf met tankinstallatie niet voor een belemmering zorgt. Conclusie Vanuit het aspect omgevingsveiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.9 Trillingen In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels over het omgevingsaspect trillingen opgenomen. De regels zien op activiteiten, anders dan wonen, die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Uit artikel 5.79 Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten. Een uitzondering op deze hoofdregel betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van een locatie. De belangrijkste instructieregel is het vereiste van aa nvaardbaarheid, zoals opgenomen in artikel 5.83 van het Bkl.
Het eerste lid van dat artikel verplicht gemeenten om in het omgevingsplan rekening te houden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Dit is een concretisering van het beginsel van 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' waar het omgevingsplan invulling aan geeft. Rekening houden met trillingen door activiteiten werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van activiteiten nabij bes taande trillinggevoelige gebouwen, maar omgekeerd ook bij toelaten van trillinggevoelige gebouwen in de nabijheid van bestaande trillingen veroorzakende activiteiten. Het tweede lid van artikel 5.83 van het Bkl bepaalt dat een omgevingsplan erin voorziet dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Het gaat hierbij, anders dan in het eerste lid, om trillingen door een individuele activiteit. Het Bkl geeft standaardwaarden aan waarmee in ieder geval wordt voldaan aan artikel 5.83 lid 2 van het Bkl. In afwijking van de standaardwaarden kan de gemeente aan de 'aanvaardbaarheid' ook voldoen door het gebruik van andere waarden. Ander dan het voormalige Activiteitenbesluit bevat het Bkl ook standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen.
Onder trillinggevoelige gebouwen worden gebouwen of gedeelten daarvan verstaan met een: • woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan (woonschepen en woonwagens uitgezonderd); • onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; • gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of • bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Situatie plangebied Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een spoo rlijn. Dit aangezien de dichtstbijzijnde spoorlijn op ruimschoots 9 kilometer ten zuidwesten gesitueerd. Tevens zijn er geen andere trillingproducerende activiteiten, zoals machinerie t.b.v. industrie of bouw en sloopwerkzaamheden, in het gebied aanwezig. Van enige hinder als gevolg van trillingen is dan ook geen sprake. Conclusie Vanuit het aspect trillingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.10 Archeologie Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet.
Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads - en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel be schermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Situatie plangebied Op basis van het bestemmingsplan ‘Tubbergen Buitengebied 2016 ’ zijn dubbelbestemmingen doorverwerkt in het ‘Omgevingsplan gemeente Tubbergen ’. Ter plaatse van het plangebied is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' van toepassing, waarbij een onderzoeksgrens van 5.000 m2 geldt. Ondanks dat voorliggende TAM-IMRO ingaat op enkel de woningbouwontwikkeling, zal in de toekomst de ten westen g elegen gronden worden ontwikkeld ten behoeve van een bedrijventerrein. Hierdoor dient een archeologisch bodemonderzoek te worden uitgevoerd, waarbij beide plandelen ( de woningbouwontwikkeling en de beoogde bedrijfsontwikkeling ) gelijktijdig worden onderzoc ht. Hierna volgt de conclusie uit het onderzoek.
Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar bijlage 8. Onderzoeksresultaten Er is sprake van een verstoord pakket met een gemiddelde dikte van 33 cm. Deze sluit vrijwel overal scherp aan op de C -horizont (dekzand). Er is geen intacte bodemvorming waargenomen in het plangebied. Waarschijnlijk is de top van het dekzand opgenomen in de bouwvoor. Ook zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. De kans dat (nog) archeologische resten in het plangebied aanwezig zijn wordt daarom laag geacht. Op basis van het uitgevoerde booronderzoek is de kans klein dat het plangebied archeologische sporen bevat. Om deze reden adviseren we geen vervolgonderzoek uit te voeren en het plangebied vrij te geven. Mochten bij graafwerkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, dan geldt conform de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid. 5.11 Bodem Wanneer ontwikkelingen plaatsvinden m.b.t. de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en/of activiteit. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico opleveren voor gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt omschreven hoe bij voorliggend project rekening zal worden gehouden met het aspect bodem.
Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze parag raaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw. Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m². Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschil len. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art.
5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89k Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Situatie plangebied Om aan te tonen dat de milieuhygiënische bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik, is bodemonderzoek vereist. Het bodemonderzoek is toegevoegd als bijlage 7 bij deze motiverin g. Hierna worden de onderzoeksresultaten besproken. Onderzoeksresultaten Bij het chemisch onderzoek zijn ter plaatse van de inritten lichte verontreinigingen met PAK en zink in de puinhoudende bovengrond aangetoond. In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties met zware metalen aangetoond, welke vermoedelijk van nature aanwezig zijn. Op basis van de verkregen resultaten bestaat geen reden om nader onderzoek uit te voeren. De milieuhygiënische bodemkwaliteit heeft geen consequenties voor wat betreft de voorgenomen eigendomsoverdracht danwel voorgenomen functie (wonen / industrie). Conclusie Het aspect vormt geen belemmering voor dit plan. 5.12 Lichthinder Er zijn veel locaties met kunstmatige verlichting. Dit kan verschillende soorten negatieve effecten veroorzaken. Lichthinder is een thema dat decentrale overheden moeten afwegen.
Rijksregels zijn er alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen en deze regels zijn opgenomen in het Bkl. Voor ichthinder bij sportvelden is in de bruidsschat een beperking opgenomen van het gebruiken van de belichting in de avond en nacht en zonder gebruik van de sportvelden. In het kader van ETFAL Evenwichtige toedeling van functies aan locaties) van belang om te bepalen of de nabije omgeving geen lichthinder kan ervaren van de beoogde ontwikkeling. Situatie plangebied Er is door Alcedo een lichthinderonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 10 van deze motivering. Hierna worden de onderzoeksresultaten kort besproken. Onderzoeksresultaten Wij hebben het belang van de ontwikkeling van de woningen afgewogen tegen het belang van het behoud en gebruik van de sportaccommodatie van STEVO. Uit het lichthinderonderzoek blijkt dat de verticale verlichtingssterkte (Ev) ter plaatse van de beoogde woningen voldoet aan de toepasselijke richtwaarden. Het onderzoek laat echter ook zien dat enkele armaturen de richtwaarden voor lichtsterkte (candela) overschrijden. Deze overschrijdingen kunnen worden weggenomen door gerichte maatregelen aan de sportveldverlic hting. Het onderzoek noemt hiervoor onder meer het afschermen, kantelen of draaien van armaturen. Daarmee kan de lichthinder worden beperkt tot een aanvaardbaar niveau.
Wij nemen daarom in de planregels een voorwaardelijke verplichting op. Hiermee borgen w ij dat de benodigde maatregelen aan de sportveldverlichting worden uitgevoerd voordat de woningen in gebruik worden genomen. Daardoor is verzekerd dat toekomstige bewoners kunnen beschikken over een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Tegelijkertijd blijft het voor STEVO mogelijk de sportaccommodatie te blijven gebruiken. Zonder deze maatregelen bestaat het risico dat toekomstige bewoners lichthinder ervaren en hierover klachten indienen. Dat is niet wenselijk voor de toekomstige bewoners en kan ook gevolge n hebben voor het gebruik van de sportaccommodatie door STEVO. Wij vinden het daarom belangrijk dat de maatregelen daadwerkelijk worden uitgevoerd. Daarom nemen wij in de planregels een voorwaardelijke verplichting op. Hiermee borgen wij dat de benodigde maatregelen aan de sportveldverlichting worden uitgevoerd voordat de woningen in gebruik worden genomen. Hierdoor is verzekerd dat toekomstige bewoners kunnen beschikken over een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, terwijl STEVO de sportaccommodatie kan blijven gebruiken. Wij achten deze planologische borging voldoende. De uitvoering van de maatregelen is daarmee publiekrechtelijk verzekerd. Daarom zien wij geen aanleiding om daarnaast privaatrechtelijke afspraken te maken met STEVO.
Een aanvullende overeen komst biedt in dit geval geen extra waarborgen voor de uitvoering van de maatregelen. Gelet op de uitkomsten van het lichthinderonderzoek, de planologische borging van de benodigde maatregelen en de betrokken belangen, achten wij de woningbouw op deze loc atie ruimtelijk aanvaardbaar. De belangen van toekomstige bewoners en die van STEVO zijn daarmee op evenwichtige wijze afgewogen. Daarom is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Conclusie Vanuit het aspect licht is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.13 Waterbelang Algemeen Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in pa ragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden*) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschap verordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot: 1. het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; 2.
het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en 3. het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke water toets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. Ten slotte zijn de rege ls van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel a fvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn. Situatie plangebied Om de gevolgen van het voornemen op de watersystemen inzichtelijk te maken is er gebruikt gemaakt van het Wateradvies . Het resultaat hiervan is als bijlage opgenomen in het waterstructuurplan van bijlage 9 bij deze ruimtelijke motivering. Uit de beantwoording van de gestelde vragen blijkt dat er sprake is van de ‘ normale procedure’. In onderstaande paragrafen wordt er nader ingegaan op de relevante wateraspecten.
Het waterschap heeft aangegeven dat de wateraspecten voor het voornemen van geringe aard zijn en heeft geen bezwaar tegen het voornemen. Er is voor het initiatief een waterstructuurplan opgesteld. Dit rapport is weergegeven in bijlage 9. Hieronder worden de belangrijkste bevinden besproken. Bodem Uit bodem- en geohydrologisch onderzoek blijkt dat de locatie is gelegen op de zand en leem deklaag (0 tot 3 meter minus maaiveld). De doorlatendheid van de bodem is ook onderzocht. De doorlatendheid varieert tussen de 0,3 (matig) tot 1,3 (goed) meter per etmaal. Middels drainagebuizen en drainzand zal de infiltratiecapaciteit / doorlatendheid van de aan te leggen wadi’s vergroot worden. Grondwater Het | plangebied | is | niet | gelegen | in | een | grondwaterbeschermings- | of | intrekgebied. | Uit grondwaterstandsmetingen en literatuuronderzoek blijkt dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand circa 30 cm onder het maaiveld ligt, op 14,50 m +NAP. Het plan voorziet niet in kruipruimteloos | bouwen. Hier dient, overeenkomstig met voorgaande uitbreidingswijken van Geesteren; plan Hutten I (De Hof) en II (De Veldkers) een ontwateringsdiepte van 1,00 meter beneden vloerpeil gehanteerd te worden voor het bepalen van de bouwpeilen. Het minimaal vloerpeil dient +15,50 te zijn.
Om voldoende ontwateringsdiepte, te kunnen realiseren voor de straten en de woningen, dient het maaiveld te worden opgehoogd. De ophoging ter plaatse van de straten bedraagt ten minste 0,5 m. De ophoging ter plaatse van de woningen bedraagt ten minste 0,7 m. Afvalwater Binnen het plangebied zal het vuilwater (droogweerafvoer, DWA) gescheiden worden afgevoerd. Dit gebeurd middels vrijverval riolering. DWA zal afgevoerd worden via een nieuw aan te leggen gemaal en het bestaande persleidingenstelsel naar de rioolwaterzuivering. De capaciteit van deze persleiding is conform opgave Noaberkracht voldoende voor de extra afvoer. Hemelwater Door de ontwikkelingen neemt het verhard oppervlak toe met circa 6.700 m2 . (Openbare verharding 2.500 m² en particulier: 4.200 m².) De gemeente hanteert voor 'nieuw uitleggebied woningbouw' een bergingseis van 37 mm (40mm - 3mm inloopverlies). Binnen het plan dient dus 248 m3 geborgen te worden in voorzieningen. Het waterschap vraagt aan te tonen dat 95 mm geborgen kan worden binnen het plangebied zonder schade aan gebouwen te veroorzaken. Dat levert onderstaande hoeveelheid.
Verhard oppervlak | Bergingseis in voorzieningen | Gewenste | berging | in | het (Gemeente) | plangebied (Waterschap) 4.165 m2 particulier + 2.537 m2 | 40 mm – 3mm inloopverlies = | 37 mm 111mm | - 1,6l/s/ha = openbaar = | 95mm 6.702 m2 | 248 m3 | 637 m3 Hemelwater afkomstig van het verharde oppervlak wordt geïnfiltreerd en geborgen in de voorzieningen (wadi's) in de openbare ruimte. Hemelwater van particulier terrein wordt aan de perceelgrens aangeboden | en | wordt | vervolgens | oppervlakkig | afgevoerd. | Deze | bov | engrondse | afvoer | wordt gerealiseerd door middel van goten die afvoeren richting de wadi’s. Hierdoor vind geen afwenteling plaats op het omliggende watersysteem. Geconcludeerd kan worden dat in dit plan voldoende ruimte is om de geadviseerde 95 mm water t | e bergen. Hieronder staat de beschikbare capaciteit weergegeven. In totaal zal dus 159m3 buiten voorzieningen geborgen worden. Dit gebeurd in de over hoogte van voorzieningen zelf en in de hoek van het naastgelegen trainingsveld van STEVO. Totaal | te | realiseren | Berging in voorzieningen: | Berging in sloten: | Berging op maaiveld: berging: 637 m3 | 402 m3 | 76 m3 | 159 m3 Oppervlaktewater In het plan zijn meerdere wadi’s gesitueerd aan de randen van het plangebied. Het afvoerend hemelwater vanuit het plangebied wordt geborgen in deze waterbergingen.
Deze staan middels overstortsloten in verbinding met leggerwatergang de Bragersveldbeek. De waterbergingen hebben een talud 1:4 een bodemdiepte van 0,50 meter minus maaiveld. De waterbergingen zijn ontworpen op een maximale waterdiepte van 0,30 meter. Conclusie Door aanpassingen aan het huidig maaiveldniveau in verband met onder andere drooglegg ing wordt onder andere het bovenstrooms afstromen van het hemelwater georganiseerd. Op deze manier is het ook mogelijk water te bergen op plekken die volgens de huidige hoogtekaart (AHN4) hoger liggen. Het aspect waterhuishouding vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.14 Spuitvrije zone gewasbeschermingsmiddelen Algemeen Om gewassen te beschermen, worden (chemische) bestrijdingsmiddelen gebruikt. Deze middelen worden door middel van spuitbomen aangebracht op gewassen en een deel hiervan kan verwaaien naar de naastliggende omgeving. Dit wordt ook wel drift genoemd. Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de openlucht worden geteeld in de buurt van gevoelige functies, zoals woningen. De Nederlandse wetgeving met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen is met name gericht op de reductie van risico’s van het gebruik van deze middelen voor het watermilieu.
De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden bevat een toelatingsstelsel voor het op de markt brengen en het gebruiken van gewasbeschermingsmi ddelen en biociden. In deze wet zijn ook bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de bescherming van de gezondheid van de professionele gebruikers. Het Besluit activiteiten leefomgeving bevat regels om de emissie van bestrijdingsmiddelen naar het wate r te reduceren. De afstanden en teeltvrije zones die hierin worden genoemd zijn gerelateerd aan het oppervlakte water. Het Besluit activiteiten leefomgeving is daarom evenmin bruikbaar. De Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State doet met enige regelmaat uitspraak over zogenoemde spuitvrije zones. De rechtspraak over spuitvrije zones ziet op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en agrarische bedrijvigheid. Uit deze rechtspraak volgt dat in het algemeen een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen ‘niet onredelijk wordt geacht’. Deze afstand mag wel worden verkleind, maar dan moet de overheid dit wel goed motiveren aan de hand een zorg vuldig op de locatie toegesneden onderzoek. Echter, het gebruik van reken modellen is volgens de rechtspraak nog weinig succesvol. In eerste instantie betroffen de uitspraken van de Afdeling kwesties over hoogstamteelt. De spuithoogte bij deze teelt is hoger dan bij andere teelten.
De grotere hoogte van spuiten leidt tot een ruimere verspreiding van het middel door de lucht naar de omgeving. Deze drift is mede afhankelijk van de windrichting en windkracht. Uit recente rechtspraak volgt dat het niet alleen gaat om gewasbescherming bij hoogstamteelt, maar om agrarische bedrijvigheid waarbij agrarische gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Situatie plangebied In een zone van 50 m rondom de gevoelige functies binnen het plangebied, de woonfunctie, is op agrarische gronden een functieaanduiding (‘specifieke vorm van agrarisch uitgesloten – het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen’) gelegd. Op gronden binnen deze functieaanduiding is het niet mogelijk om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken. Hiermee wordt het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen voorkomen op een afstand van minder dan 50 m rondom gevoelige functies. Op deze wijze wordt gewaarborgd dat gewasbeschermingsmiddelen en bijbehorende drift een risico vormen voor de volksgezondheid. Conclusie Geconcludeerd wordt dat v anuit het aspect gezondheid sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.15 Duurzaamheid Algemeen Duurzaamheid is een belangrijk uitgangspunt van de Omgevingswet en komt tot uiting in verschillende aspecten van de wet. Zo introduceert de Omgevingswet het begrip 'duurzame ontwikkeling' als een overkoepelend doel.
Duurzame ontwikkeling wordt gedefinieerd als een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder de behoeften van toekom stige generaties in gevaar te brengen. Dit betekent dat bij besluitvorming rekening moet worden gehouden met langetermijneffecten. Het (wettelijk) kader voor duurzaamheid onder de Omgevingswet wordt verder ingevuld door onderliggende regelgeving, zoals het Bkl en het Bbl. Situatie plangebied De nieuw te bouwen woning zal volgens de laatste duurzaamheidsnormen en -eisen worden gebouwd. Nieuwbouw dient sinds 1 juli 2018 aardgasloos te zijn en bijna energieneutraal (BENG). Vanuit het aspect duurzaamheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Conclusie Het plan voldoet aan de eisen van duurzaamheid. Het aspect vormt voor dit initiatief geen belemmering. 6. Financiële haalbaarheid De investeringen die nodig zijn voor de te realiseren ontwikkelingen moeten passen in de budgetten die daarvoor beschikbaar zijn. Partijen die bouwen in de kernen, dorpen en in het buitengebied dragen op twee manieren bij aan Tubbergen. Enerzijds door dire ct invulling te geven aan de visie voor de fysieke leefomgeving, zoals verwoord in MijnOmgevingsvisie.
Anderzijds via financiering van deze ruimtelijke ontwikkelingen via kostenverhaal en financiële bijdragen voor ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ter uitvoering van deze visie heeft de gemeenteraad het Programma Kostenverhaal vastgesteld ten behoeve van een eenduidige en transparante manier van kosten verhalen bij bouwplannen en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen in de gemeente. In voorliggend geval is de gemeente in het kader van dit omgevingsplan de initiatiefnemer. Hiermee zijn de gemeentelijke kosten anderszins verzekerd en is het opnemen van kostenverhaalregels niet nodig. Voorafgaand aan het voornemen is het financieel resultaat onderzocht. Hieruit is gebleken dat er sprake is van een financieel haalbaar plan Gelet op het vorengaande is het project financieel uitvoerbaar. 7. Toelichting planregels 7.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu - en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van voorliggend TAM -omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels.
Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is. 7.2 Opzet van de regels 7.2.1 Algemeen TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik kunnen maken van het planvormingsdeel van het DSO. Kort gezegd houdt TAM -IMRO in dat de huidige techniek voor pla nvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techn iek. De TAM -IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen. Dit TAM-omgevingsplan is dan ook digitaal vormgegeven conform de standaarden van IMRO2012. Het juridisch bindend gedeelte van het TAM -omgevingsplan bestaat uit de planregels en de bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: • Inleidende regels; • Functieregels en gebiedsaanwijzingen; • Algemene regels aan activiteiten; • Overgangsrechtbepalingen.
7.2.2 Preambule De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan worden gewijzigd, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar. De IMRO -standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen. Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering dus bij ‘artikel 1’ begint. Voor het TAM -IMRO omgevingsplan is de IMRO hoofdstuk - en artikelnummering onhoudbaar, omdat het omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 ke nt. Deze nummers zijn dus al bezet. Om duidelijk te maken hoe een TAM -IMRO omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het omgevingsplan, is een preambule opgenomen. De preambule geeft aan hoe het TAM -omgevingsplan in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden. Hieronder is de preambule weergeven. Dit plan beoogt een wijziging van het omgevingsplan ten behoeve van het bouwen van nieuwe woningen met bijbehorende voorzieningen op de hoek van de Vinckenweg en Vriezenveenseweg in Geesteren. Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk in het omgevingsplan van de gemeente Tubbergen. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1 lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl.
Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. De in dit deel van het omgevingsplan weergegeven hoofdstukken moeten ge lezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22g van het omgevingsplan van de gemeente Tubbergen. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22g' gelezen worden. De bijlage bij de in deze voorziening weergegeven hoofdstukken moet gelezen worden als onderdeel van Bijlage 22g bij het omgevingsplan van de gemeente Tubbergen. Als het TAM -IMRO omgevingsplan wordt geraadpleegd, is de preambule direct zichtbaar boven de regels. 7.2.3 Toepassingsbereik van het wijzigingsbesluit Het voor een bepaalde locatie vaststellen van nieuwe regels in een TAM -omgevingsplan zorgt er niet voor dat de oude regels op die locatie automatisch vervallen. Het TAM -omgevingsplan maakt namelijk geen gebruik van de technische vereisten van de nieuwe Omgevingswet, maar gebruikt zoals hiervoor beschreven nog de ‘oude’ standaarden. Om te voorkomen dat voor het gewijzigde deel van het omgevingsplan zowel nieuwe als oude regels gelden, is in dit TAM -omgevingsplan een toepassingsbereik opgenomen in artikel 3 van de inleidende regels.
Het toepassingsbereik luidt als volgt: Artikel 3 (Toepassingsbereik) 1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder b, g, h, i of m van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid. 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afde ling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. 3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing binnen het plangebied van het TAM - omgevingsplan Hoofdstuk 22g Randweg, Geesteren, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML -bestand NL.IMRO.0183.TAMGKWBRANDWEG -VG01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. 7.2.4 Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied.
Dit hoof dstuk is opgebouwd uit: • Anti-dubbeltelregel (Artikel 10): Deze regel is opgenomen om ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen; • Algemene ruimtelijke bouwregels (Artikel 11): deze regel is opgenomen ten behoeve van het in acht nemen van de standaardwaarde in een straal van 250 meter rondom de functie ‘Verkeer’ bij het realiseren van een geluidsgevoelige functie; • Planologische gebruiksactiviteiten (Artikel 12): Uitgangspunt is de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Vanuit deze gedachte is het verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies en activiteiten . In dit artikel zijn tevens enkele voorwaardelijke verplichtingen opgenomen ten behoeve van het uitvoeren van het landschappelijk inpassingsplan en voldoende waterberging; • Regels parkeren (Artikel 13): In dit artikel zijn parkeernormen opgenomen; • Overige regels (Artikel 14): In de overige regels wordt verklaard dat de aanvraagvereisten uit paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan van de gemeente Tubbergen van toepassing zijn . 7.2.5 Overgangsregels In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangsregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met deze wijziging van het omgevingsplan.
7.3 Verantwoording van de regels Het vertrekpunt voor voorliggend TAM -omgevingsplan zijn de relevante bestemmingen uit het bestemmingsplannen, “A lbergen en Geesteren”, “Tubbergen” en “Tubbergen Buitengebied 2016 Veegplan”. In sommige gevallen is gekozen om van deze regels af te wijken. Deze paragraaf licht deze keuzes toe. Agrarisch - 1 (Artikel 4) Bovenstaande functie is overgenomen uit het plaatselijk planologisch regime en blijft geldig ter plaatse van de agrarische gronden. Op de gronden mogen geen bouwwerken worden gebouwd. Ter bescherming van de gezondheid ter plaatse van de woonfuncties in het plangebied is een zone opgenomen die het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen verbied. Groen (Artikel 5) De belangrijkste (openbare) groenstructuren binnen het plangebied zijn voorzien van de functie ‘Groen’. Het realiseren van gebouwen op of in deze gronden is niet toegestaan. Sport (Artikel 6) Bovenstaande functie is overgenomen uit het plaatselijk planologisch regime en blijft geldig ter plaatse van de gronden die in gebruik zijn door de naastgelegen sportclub . Op deze gronden is een maatwerkvoorschrift met betrekking tot geluid om het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen te borgen. Tevens is een voorwaardelijke verplichting opgenomen om lichthind er te voorkomen en het woon- en leefklimaat van de omliggende woningen te borgen (artikel 6.3.2).
Verkeer (Artikel 7) De belangrijkste verkeersstructuren en een gedeelte van de parkeervoorzieningen zijn voorzien van de functie ‘Verkeer’. Wonen – Wonen in de bebouwde kom (Artikel 8) Het grootste gedeelte van het plangebied is voorzien van het artikel ‘Wonen – Wonen in de bebouwde kom’. Er is een voorwaardelijke verplichting opgenomen om de ruimtelijke inpassing te borgen. Tevens is er een bepaling om de waterberging te regelen opgenomen. Daarnaast zijn bouwvlakken, gevellijn en maximale bouw - en goothoogtes opgenomen, evenal s het maximale aantal woningen. Dit ook om de afspraken in het beeldkwaliteitsplan te borgen. Waarde – Archeologie 4 (Artikel 9) is een gebiedsaanwijzing die is overgenomen uit het huidig planologisch regime ter plaatse van het plangebied. Bijlagen bij de ruimtelijke onderbouwing Bijlage 1 Groenplan Bijlage 2 Ladder voor duurzame ontwikkeling Bijlage 3 Notitie vormvrije m.e.r. Bijlage 4 Geluid wegverkeer Bijlage 5 Geluid omgeving Bijlage 6 Ecologie Bijlage 7 Bodemonderzoek Bijlage 8 Archeologie Bijlage 9 Waterstructuurplan Bijlage 10 Lichthinder Bijlage 11 Stikstof Bijlage 12 Participatieverslag Bijlage 13 Beeldkwaliteitsplan Bijlage 14 Aanvullende notitie geluid omgeving