CConstaterende datTubbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Ootmarsumseweg 182 Albergen Motivering.pdf

Commissie Omgeving en Economie 10 maart 2026, gemeente TubbergenBij agendapunt: 8: TAM-Omgvingsplan Hoofdstuk 22b Ootmarsumseweg 182 Albergen25.388 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Ootmarsumseweg 182 Albergen

gebracht en worden gelet op de grootte van de woningen geschikt geacht voor starters. De nieuwe woningen worden gasloos gebouwd en krijgen de nodige installaties om te voorzien in de dagelijkse energiebehoefte, zoals zonnepanelen en warmtepomp. De woningen zijn daarmee geschikt voor gezinnen en ouderen die gedurende een lange periode geen omkijken willen hebben naar het onderhoud van de woning. Potentiële bewoners van deze woningen zullen hun huidige woning, die vaak kleiner is en onderhoud nodig heeft, te verlaten. Deze woningen kunnen vervolgens tegen een lagere prijs worden gekocht door starters, die de woning na verloop van tijd zullen opknappen. Dit bevordert de doorstroming op de woningmarkt en draagt bij aan de vitaliteit ervan. Conclusie Gelet op dat de plannen van de initiatiefnemer zowel kwantitatief als kwalitatief kunnen voldoen, en deels sprake is van een transformatie van een bestaand pand, wordt geconcludeerd dat deze in overeenstemming zijn met de 'Woonvisie 2021+'. 4.1.5

Nota inbreidingslocatiesgemeente Tubbergen

Op 16 februari 2016 is de 'Beleidsnota Inbreidingslocaties gemeente Tubbergen 2016' in werking getreden. De gemeente Tubbergen werd en wordt regelmatig geconfronteerd met aanvragen voor het bouwen van woningen op inbreidingslocaties. Deze beleidsnota is van toepassing op aanvragen voor kleinschalige woningbouw in bestaand stedelijk gebied. Prioriteit wordt toegekend aan aanvragen die betrekking hebben op de benutting van locaties voor herstructurering of transformatie. Beleid op inbreidingslocaties geeft kansen voor verbetering en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Hierbij wordt primair ingezet op bouwen voor behoefte op locaties voor herstructurering of transformatie binnen bestaand gebied. De Beleidsnota Inbreidingslocaties gemeente Tubbergen 2016 bevat een toetsingskader zodat aanvragen eenvoudig, duidelijk en sneller kunnen worden getoetst. Ook wordt dan de beoordeling beter en sterker beargumenteerd en onderbouwd. Wanneer een aanvraag voor bouwen op een inbreidingslocatie binnen het bestemmingsplan past is de gemeente verplicht medewerking te verlenen. Indien de aanvraag niet past binnen het bestemmingsplan en ook niet binnen de daarin opgenomen (binnenplanse) afwijkingsbevoegdheden zal een afweging moeten worden gemaakt of er medewerking wordt verleend. Deze afweging kan worden gemaakt aan de hand van toetsing aan de criteria zoals hieronder wordt weergegeven.

Dit laat onverlet dat een bouwvoornemen ook moet worden getoetst aan alle relevante beleids- en omgevingsaspecten, zodat woningbouw op de bewuste locatie als een aanvaardbare vervolgfunctie kan gelden. Beleid Verzoeken voor woningbouw dienen te worden getoetst aan het bestaande beleid: a. Rijksstructuurvisie Infrastructuur en ruimte (vervangen door Nationale Omgevingsvisie): toepassing van de Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6, lid 2 Bro); b. Omgevingsvisie en Omgevingsverordening provincie Overijssel; c. Gemeentelijk beleid: 1. Structuurvisie (vervangen door de Omgevingsvisie Tubbergen); 2. Woonvisie 2016+ en Uitvoeringsnota Woningbouw (vervangen door de Woonvisie 2021+). Stedenbouwkundige aspecten De stedenbouwkundige toetsing is erop gericht te kijken of de aanvraag aansluit op de omgeving, of deze een meerwaarde heeft voor de kwaliteit van de bestaande situatie en of het perceel geschikt is. Aansluiting op de omgeving Bebouwing op inbreidingslocaties is alleen acceptabel als de bebouwing vanuit stedenbouwkundige overwegingen als logisch kan worden beschouwd, als het iets toevoegt aan de ruimtelijke situatie of als er aantoonbaar sprake is van een verbetering van de bestaande situatie. Er moet een logische aansluiting zijn op de bestaande stedenbouwkundige structuur en er moet samenhang worden gevormd met de omgeving.

De groene elementen in een gebied en de stedenbouwkundig ruimtelijke waarde van een gebied zijn in hoge mate bepalend bij de afweging of bebouwing aanvaardbaar is. Wanneer het perceel deel uitmaakt van een groter geheel mag de bebouwing op de inbreidingslocatie geen kwaliteitsverlies betekenen van de samenhang met de omgeving. Herstructurering of transformatie Indien een voorgenomen ontwikkeling voorziet in een regionale behoefte moet volgens de Ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6 Bro) vervolgens worden beoordeeld of deze binnen bestaand stedelijk gebied kan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Ootmarsumseweg 182 Alberge n

29

worden gerealiseerd door locaties voor herstructurering of transformatie te benutten. Onder transformatie wordt verstaan de verandering van de functie van de bebouwing van het stedelijk gebied, bijvoorbeeld een winkelpand wordt woning of na sloop bedrijf ontstaat er ruimte voor woningbouw. Herstructurering betreft het vernieuwen van verouderde of verloederde woongebieden, b.v. door sloop en nieuwbouw, waardoor met andere typen woningen voorzien wordt in de actuele vraag naar woningen. Toets Er is sprake van een stedelijke functie aan de rand van Albergen, waar aan de zijde van de Ootmarsumseweg 182 meerdere stedelijke functies gelegen zijn. Opgemerkt wordt dat dit deel van Albergen tevens onderdeel is van het bestemmingsplan voor de kern. Aan de overzijde van de Ootmarsumseweg bevinden zich niet-stedelijke functies, dit gebied is gelegen in het bestemmingsplan voor het buitengebied. Daardoor is denkbaar dat het plangebied - wegens het ontbreken van de samenhang in de bebouwing, gelet op de omliggende agrarische en bos-natuur bestemmingen en de afstand tot de bebouwing in de kern - in het buitengebied gelegen is. Echter, gelet op het feit dat er sprake is van een leegstaand horecapand aan de rand van de bebouwing in Albergen, komt deze locatie wel in aanmerking voor toepassing van de Nota Inbreidingslocaties.

Bovendien geeft dit kansen voor verbetering en versterking van de ruimtelijke kwaliteit, waarbij primair ingezet wordt op het bouwen voor behoefte op locaties voor hestructurering of transformatie binnen bestaand stedelijk gebied. Verder is van belang dat de nieuwe woningen gebouwd zullen worden op de plek van een parkeerplaats, die in het zicht van de entree van de kern staat. De woningen worden aangesloten op de bestaande stedenbouwkundige structuur en er zullen groenvoorzieningen worden gerealiseerd. Mede doordat het ontwerp van de nieuwe woningen een lage goot heeft waarmee een link wordt gelegd naar woningen in het buitengebied, wordt de bestaande harde overgang daarmee verzacht. Dit komt de herkenbaarheid van het gebied ten goede. Gelet erop dat de geplande herontwikkeling verpaupering en verloedering van de bestaande horecalocatie tegengaat, waarbij de ruimtelijke kwaliteit versterkt wordt en de leefbaarheid binnen het plangebied wordt vergroot, wordt geconcludeerd dat voorliggend plan voldoet aan de 'Beleidsnota Inbreidingslocaties gemeente Tubbergen 2016'. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met 'MijnOmgevingsvisie Tubbergen', de 'Woonvisie 2021+' en met de 'Beleidsnota Inbreidingslocaties gemeente Tubbergen 2016'. 4.1.6

Nota Omgevingskwaliteit

Artikel 22.29 lid 1 onder b BS bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. Tijdelijke bouwwerken, niet zijnde seizoensgebonden werken zijn uitgesloten van deze welstandstoets. Op grond van artikel 4.114 Invoeringswet Omgevingswet, geldt de welstandsnota die is vastgesteld op basis van art. 12a Woningwet (oud), als een beleidsregel als bedoeld in 4.19 Omgevingswet. De aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt getoetst aan de Nota Omgevingskwaliteit.

4.2 Voorbereidingsfase / Verkenningsfase met stakeholders In de voorfase is er sprake geweest van een principeverzoek waarop het college een principe-uitspraak heeft gedaan. De gemeente heeft aangeven in principe medewerking te willen verlenen aan het verzoek. 4.2.1

Provinciaalvooroverleg

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het wettelijke vooroverleg (op basis van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening) vervallen. Echter is er wel een algemeen artikel opgenomen waarin staat dat bestuursorganen onderling moeten afstemmen (artikel 2.2 Ow). In dat kader wordt het vooroverleg door de verschillende bestuursorganen alsnog gehanteerd. Provincie Overijssel De provincie Overijssel heeft in april 2023 een uitzonderingslijst opgesteld van ruimtelijke initiatieven waarvoor geen vooroverleg (voorkantsamenwerking) noodzakelijk is. Het plan valt onder categorie woningbouw onder 30

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Ootmarsumseweg 182 Albergen

kernen met een inwoneraantal van meer dan 1.000 inwoners, waardoor vooroverleg niet nodig is. Hierdoor is ook geen instemming of advies vereist. Waterschap Vechtstromen Op 03-04-2025 is er een watertoets uitgevoerd, zie Bijlage 9. Door beantwoording van de vragen is de korte procedure van toepassing verklaard. Daarbij is het opnemen van een standaard waterparagraaf (zie 5.12) voor het waterschap voldoende. 4.2.2

Participatie omgeving

De gemeenteraad heeft het beleid 'Inwonersparticipatie' vastgesteld en daarin is een 'Checklist Aan de slag met inwonersparticipatie' opgenomen. Beschrijving van de wijze van participatie, de keuze waarom voor deze wijze van participatie is gekozen en wat het resultaat hiervan is: De mate waarin mensen worden betrokken bij een plan moet in verhouding staan tot het effect dat het bouwplan op de omgeving kan hebben. Over het algemeen geldt: hoe groter en uitgebreider het plan, hoe belangrijker participatie. Er kan worden gekozen om af te zien van participatie in de onderstaande situaties: Het onderwerp staat te ver van inwoners/anderen af. De kaders zijn zo krap of beperkend dat er geen ruimte is voor de inbreng en invloed van betrokkenen. Het probleem is duidelijk en de oplossing ligt voor de hand: gewoon uitvoeren. Kijk of je bij de uitvoering inwoners kan betrekken. Een thema leent zich niet voor participatie omdat er een bestuurlijk besluit noodzakelijk is. Doorwerking voor voorliggend plan: Gelet op de geringe omvang van het voorgenomen plan is er gekozen om alleen de directe buren over het plan te informeren. In een persoonlijk gesprek is het plan toegelicht aan de directe buren. Hier heeft een individueel gesprek plaatsgevonden met de bewoners van respectievelijk de Ootmarsumseweg 180 (westzijde) en de Weemselerweg 2 (zuidzijde).

Deze buren zijn naar de mening van de initiatiefnemer de enige belanghebbenden die zicht hebben of anderszins hinder zouden kunnen ondervinden van de herontwikkeling. Met name de reden dat er vier woningen komen in plaats van een horecafunctie met bijbehorende hindermogelijkheid en het feit dat de woningen gesitueerd worden naar de noord en oostzijde was een pré. De privacy van de bestaande woningen is met het huidige plan en de inrit aan de zuidzijde van het plangebied gewaarborgd. De buren hadden dan ook geen bezwaren 4.2.3

Zienswijzen

Binnen 6 weken vanaf het moment van terinzagelegging van het ontwerp-omgevingsplan kan iedereen zienswijzen inbrengen. Dit kan schriftelijk of mondeling. Het ontwerp-omgevingsplan heeft met ingang van 10 december 2025 ter inzage heeft gelegen. Er zijn geen zienswijzen zijn binnengekomen.

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Ootmarsumseweg 182 Alberge n

31

32

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Ootmarsumseweg 182 Albergen

Hoofdstuk 5 Aspecten fysieke leefomgeving Zoals blijkt uit hoofdstuk 1.2 geldt dat alleen een besluit tot wijziging van het omgevingsplan mogelijk is als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Ow). Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen. Voor de beoordeling van de buitenplanse omgevingsplanactiviteiten OF voor de beoordeling van de wijziging van het omgevingsplan zijn op basis van artikel 8.0b lid 1 Bkl de volgende regels en instructies van toepassing: de instructieregels van hoofdstuk 5, met name afdeling 5.1 ‘Instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ van het Bkl; de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening; eventuele andere instructies van het Rijk en provincie. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld, zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie. Voor zover relevant is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid.

5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik van de fysieke leefomgeving en het tegengaan van leegstand van gebouwen. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) verplicht om bij een wijziging van het omgevingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening te houden met de behoefte aan de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl behelst een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes. Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb), onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard omtrent de behoefte aan de in het project voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de uitkomsten daarvan dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden. Het bestuursorgaan heeft bij de toepassing van deze instructieregel beoordelingsvrijheid. Andere belangen dan het belang dat wordt gediend met de instructieregel kunnen de doorslag geven. Inhoud en strekking van de instructieregel komen overeen met de laddertoets die vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold op basis van artikel 3.1.6 lid 3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

Met artikel 5.129g, tweede lid, Bkl is geen wijziging beoogd ten opzicht van artikel 3.1.6 lid 2 Bro. Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van dit artikellid nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling (uitspraken van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 (Hengelo) en van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579 (Eindhoven). Toets Op basis van twee uitspraken van de ABRvS (11 woningen geen nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921 / 12 woningen wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953) wordt geconclueerd dat de in dit plan besloten ontwikkeling niet aangemerkt kan worden als een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Er is immers sprake van een functiewijziging van horeca naar vier woningen. Conclusie De Ladder voor duurzame verstedelijking is derhalve niet van toepassing. Ook als de Ladder niet van toepassing is, moet de behoefte aan de in het plan voorziene woningen worden gemotiveerd. Zoals blijkt uit paragraaf 4.1.4 voorziet het plan in een behoefte.

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Ootmarsumseweg 182 Alberge n

33

5.2 M.e.r.-beoordeling Met de Omgevingswet verandert de grondslag van de milieueffectrapportage (mer). Afdeling 16.4 van de Omgevingswet bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. De regels voor de milieueffectrapportage (mer) staan in afdeling 16.4 van de Omgevingswet. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. Het gaat hier om de implementatie van 2 richtlijnen: de EU-richtlijn mer (mer-richtlijn): richtlijn over de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en private projecten de EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling (smb-richtlijn): richtlijn over de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's De regels schrijven voor bepaalde plannen, programma's en projecten een zogenoemde milieubeoordeling voor. Deze mer-procedure gaat vooraf aan het nemen van een besluit over het vaststellen van het plan of het toestaan van een project. In een aantal situaties is het mogelijk om een plan-mer-beoordeling te doen in plaats van een milieueffectrapportage. Voor een plan-mer-plicht gelden de volgende eisen: De eerste eis is dat het moet gaan om een wettelijk of bestuursrechtelijk voorgeschreven plan of programma (artikel 16.34, eerste lid Omgevingswet).

In de Omgevingswet is opgenomen dat een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing aan die vereisten voldoen. De tweede eis is dat het plan of programma een kader vormt voor besluiten voor mer-(beoordelings)plichtige projecten (artikel 16.36 Omgevingswet) of dat er een passende beoordeling voor een plan of programma nodig is. In kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob) zijn de mer-(beoordelings)plichtige projecten opgenomen. De inhoud van een plan bepaalt mede de eventuele mer-plicht. In een aantal gevallen is het ecther mogelijk om eerst een plan-mer- beoordeling te doen. Uit een plan-mer-beoordeling blijkt of het plan of programma aanzienlijke milieueffecten heeft. Als dat niet het geval is, kan een plan-milieueffectrapportage achterwege blijven. Een plan-mer-beoordeling kan in de volgende twee situaties aan de orde zijn: 1. Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het gaat om projecten die niet in bijlage V bij het Ob staan. Het plan is niet direct plan-mer-plichtig, maar er moet wel een plan-mer-beoordeling worden uitgevoerd. De mer-(beoordelings)plichtige projecten zijn opgenomen in kolom 1 van bijlage V bij het Ob. 2. Het plan is kaderstellend voor projecten uit bijlage V Ob.

Daarnaast komen de projecten waarvoor het omgevingsplan het kader vormt niet boven de drempel van kolom 2 uit bijlage V Ob. Er kan dan volstaan worden met een plan-mer-beoordeling als: a. het plan een kleine wijziging van een plan of programma is; b. het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is. In een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36, lid 3 en 4 Omgevingswet) toetst het bevoegd gezag of er bij het plan of programma aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Er zijn twee mogelijke resultaten: Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een plan-mer en er moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt. Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen plan-mer nodig en er wordt geen MER gemaakt. Toets De eerste vraag die beantwoord moet worden is of het project voldoet aan de omschrijving die is opgenomen in kolom 1 van bijlage V van het Ob. Voorliggend plan heeft betrekking op de realisatie van vier woningen binnen het plangebied, waarvan twee nieuwbouw woningen. Een dergelijk project wordt niet expliciet benoemd in kolom 1 van bijlage V van het Ob. Een logische aansluiting kan echter wel worden gemaakt bij nummer J11 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen'.

Het begrip 'Stedelijk ontwikkelingsproject' is niet gedefinieerd, wel zijn er een aantal voorbeelden van bouwprojecten die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. Dit betreft o.a. woningen, parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject: de aard en omvang van de ontwikkeling; de vormgeving en opzet; de schaalgrootte; 34

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Ootmarsumseweg 182 Albergen

de ligging; de voorgenomen functie(wijziging), en; de vraag of sprake is van een bestaand of van een te realiseren bouwwerk. Wanneer sprake is van een zogenaamde 'kleine wijziging' of voor situaties waarbij het voorgenomen plan of programma betrekking heeft op 'kleine gebieden op lokaal niveau', dan is het toegestaan om eerst een plan-mer-beoordeling uit te voeren. Als uit deze plan-mer-beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben, bestaat er geen verplichting een plan-MER te maken( art. 16.36, lid 3, Ow). Als niet gekozen wordt voor de plan-mer-beoordeling, geldt een plan-mer-plicht. Wanneer de ontwikkeling van zodanig kleinschalige aard is, kan het zo zijn dat geen sprake is van een project in de zin van m.e.r. onder het Ob. Dit kan in sommige gevallen gemotiveerd worden op basis van jurisprudentie. Als een project voorziet in een (gedeeltelijke) functiewijziging, maar de bebouwde oppervlakte hetzelfde blijft, is gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject. Op basis van deze uitspraak lijken de volgende aspecten voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject relevant: (een uitbreiding) van de bebouwde oppervlakte, de opzet en de vormgeving van de ontwikkeling.

Ten aanzien van de relevante aspecten kan tevens een verwijzing worden gemaakt naar de uitspraak van de Raad van State van 29 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1832). Voorliggend plan maakt de realisatie van vier woningen mogelijk binnen het plangebied, waarvan twee woningen in een bestaand voormalig horecapand en twee woningen zullen nieuw worden gebouwd. In de huidige planologische situatie bedraagt de bebouwde oppervlakte circa 550 m2. In de toekomstige planologische situatie bedraagt de bebouwde oppervlakte ongeveer net zo veel. Gelet op de afname van de bebouwde oppervlakte in de toekomstige situatie ten opzichte van de huidige situatie in relatie tot bovenstaande uitspraak van de Raad van State, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1, nummer J11, van Bijlage V van het OB. Daarbij is een woonfunctie in tegenstelling tot de huidige horecafunctie niet milieubelastend voor de omgeving en vindt middels voorliggend plan geen onevenredige toename plaats in het aantal dagelijkse verkeersbewegingen. Er is geen sprake van een project-m.e.r. plicht of project-m.e.r. beoordelingsplicht.

Conclusie Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kernmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van een project dat belangrijke gevolgen heeft, zodat het geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt (artikel 16.43 jo. artikel 16.53 Ow).

5.3 Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren De visie op verkeer en vervoer is opgenomen in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. De verkeersgeneratie moet worden bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave ‘toekomstig parkeren’ (uitgave 381). De toename en de verkeersveiligheid wordt beoordeeld aan de hand van de verkeersgeneratie en de wegencategorisering in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. Er moet worden beoordeeld of de betreffende weg/wegen de toename aan het verkeer kunnen afwikkelingen en niet leidt tot verkeersonveilige situaties. Het parkeren wordt getoetst aan de Beleidsnotitie bouwen & parkeren 2018. Verkeer De nieuwbouw woningen worden middels een in-/uitrit ontsloten op de Weemselerweg. De twee woningen die binnen het voormalige horecapand gerealiseerd zullen worden, geldt het volgende: voor de westelijke woning wordt een in-/uitrit gerealiseerd en aangesloten op de Ootmarsumseweg waarvoor een procedure vereist is bij de provincie; en voor de oostelijke woning wordt een in/-uitrit gerealiseerd en aangesloten op de Weemselerweg. De Weemselerweg is een erftoegangsweg (30 km/uur) en fungeert daarnaast als verzamelfunctie voor de ontsluiting van de achterliggende woonwijken. Het wegprofiel binnen de bebouwde kom bestaat uit een rijbaan van 5 meter met aan de westzijde een trottoir.

De Weemselerweg ontsluit de achterliggende woonwijken op de Ootmarsumseweg. Deze provinciale weg ligt net binnen de bebouwde kom van Albergen en is gecategoriseerd als gebiedsontsluitingsweg 50 km/u. Het wegprofiel bestaat uit een rijbaan van 7,0 meter met 2x1 rijstrook, met aan de noord- en zuidzijde een vrijliggend éénrichtings(brom)fietspad. De Weemselerweg sluit door middel van een voorrangskruispunt aan op de Ootmarsumseweg (N349). Op het drietakskruispunt is een brede middengeleider aanwezig. Door de middengeleider kan verkeer in twee etappes de Ootmarsumseweg (N349) op- en afrijden. Daarnaast fungeert de maatregel ook als attentie- en snelheidsmaatregel voor met name verkeer dat vanuit het oosten de kom van Albergen binnen rijdt. Rechtdoorgaand (brom)fietsverkeer aan de zuidzijde aan de zuidzijde van de Ootmarsumseweg (N349) heeft voorrang op verkeer van/naar de Weemselerweg. TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Ootmarsumseweg 182 Alberge n

35

Toets Voor het berekenen van de dagelijkse verkeersgeneratie als gevolg van voorliggend plan is uitgegaan van kengetallen die zijn opgenomen in de CROW uitgave 381. Op basis van openbare bronnen wordt opgemerkt dat voor de gehele kern Albergen een niet stedelijke stedelijkheidsgraad geldt (minder dan 500 adressen per km2). Aangezien het plangebied in een overgangszone zit tussen bebouwde kom en buitengebied, wordt gesteld dat uitgegaan kan worden van het omgevingstype 'rest bebouwde kom'. De woningen binnen de bestaande bebouwing kunnen het beste worden beschouwd als een twee-onder-één-kap woning. Daarnaast worden er twee vrijstaande woningen gerealiseerd. Voor de twee-onder-één-kap woning geldt een dagelijkse maximale verkeersgeneratie van 8,2 verkeersbewegingen per woning per etmaal. Dit komt neer op 16,4 verkeersbewegingen (berekening: 8,2*2) voor twee woningen. Voor een vrijstaande woning geldt een maximale verkeersgeneratie van 8,6 verkeersbewegingen per etmaal, wat neerkomt op 17,2 verkeersbewegingen (berekening: 8,6*2) voor twee woningen. De totale maximale verkeersgeneratie per dag bedraagt derhalve afgerond 34 verkeersbewegingen (berekening: 16,4+17,2). In het kader van het bestemmingsplan 'Weemselerveld, fase 4 Albergen' (NL.IMRO.0183.ALBBPWEEMSVLD4-VG01) is een verkeersonderzoek uitgevoerd (kenmerk: N01-DO1-41090213-mhr).

Uit het verkeersonderzoek blijkt dat de intensiteit op het wegvak Weemselerweg Noord (naast het plangebied) 965 motorvoertuigbewegingen per etmaal bedraagt. Als gevolg van de realisatie van de woningbouw op Weemselerveld, fase 4 bedraagt de verkeersintensiteit op het wegvak Weemselerveld Noord 1.155 mvt/etmaal. In het verkeersonderzoek is aangegeven dat de geprognotiseerde wegvakintensiteiten als gevolg van het woningbouwplan Weemselerveld fase 4 vallen binnen de wenselijke capaciteit voor dergelijke wegen. Voor de Weemselerweg geldt voor het trajectdeel binnen de bebouwde kom, op basis van de inrichting van de rijbaan en de omgeving, een wenselijke capaciteit van circa 2.000 tot 3.000 mvt/etmaal. Als gevolg van de realisatie van vier woningen binnen het plangebied neemt de verkeersgeneratie in het gebied toe met 34 verkeersbewegingen. Worst-case wordt deze toename toegerekend aan de Weemselerweg, aangezien het grootste gedeelte van de woningen op de Weemselerweg ontsloten worden. Daarmee bedraagt de verkeersintensiteit samen met het plan 'Weemselerveld, fase 4 Albergen' 1.197 mvt/etmaal wat ruimschoots binnen de wenselijke capaciteit voor deze weg valt. Daarin is bovendien niet meegewogen dat de bestaande horecafunctie en de daaraan gekoppelde dagelijkse verkeersgeneratie tevens middels voorliggend plan vervalt.

Gelet op het vorenstaande wordt geacht dat het aspect 'verkeer' derhalve geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan. Parkeren Voor het parkeren hanteert de gemeente Tubbergen de beleidsnota 'Bouwen & Parkeren 2018'. Hierin staat vastgelegd aan welke parkeernormen er moet worden voldaan bij verschillende functies. Met het realiseren van voorliggende ontwikkeling zal de parkeerbehoefte afnemen. Voor het berekenen van de parkeerbehoefte worden dezelfde uitgangspunten gehanteerd als onder het aspect 'verkeer' is aangegeven. Toets De beleidsnota 'Bouwen & Parkeren 2018' hanteert een parkeernorm van 2,20 parkeerplaatsen per woning voor een twee-onder-een-kapwoning en 2,30 parkeerplaatsen voor een vrijstaande woning. Het voorliggende plan maakt de realisatie van twee 2-onder-één-kap woningen en twee vrijstaande woningen mogelijk. De totale parkeernorm bedraagt daarom negen parkeerplaatsen (berekening: (2 * 2,20) + (2 * 2,30)). Het stedenbouwkundig ontwerp dat in figuur 5.1 opgenomen is, toont aan dat er voldoende parkeergelegenheid gerealiseerd wordt. Hiervan komen er twee parkeerplaatsen in de openbare ruimte, één carport op het achterste gedeelte van de kavel van de oostelijke woning in het horecapand en de rest wordt op eigen terrein gerealiseerd naast en achter de woning.

Aan de Ootmarsumseweg zijn geen mogelijkheden voor het realiseren van openbare parkeerplaatsen.

36

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Ootmarsumseweg 182 Albergen

Figuur 5.1: situatietekening beoogde situatie plangebied (bron: Building Design Architectuur) Conclusie Geconcludeerd wordt dat er geen belemmeringen zijn vanuit de aspecten 'Verkeer en parkeren' voor de uitvoering van voorliggend plan.

5.4 Soortenbescherming en gebiedsbescherming Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura 2000-gebieden Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning noodzakelijk. Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden.

Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: de leefgebieden van vogels; de natuurlijke habitats of habitats van soorten; De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een 'voortoets'. Uit de TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Ootmarsumseweg 182 Alberge n

37

voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. NatuurnetwerkNederland In het Besluit kwaliteit leefomgeving is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven.

Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel. Soortenbescherming In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 11.37 t/m artikel 11.40 Bal); Soorten Habitatrichtlijn (artikel 11.46 t/m artikel 11.48 Bal); Andere soorten (artikel 11.54 Bal). Tevens geldt een specifieke zorgplicht op grond van de Omgevingswet. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten.

Toets Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is er een quickscan natuurwaarden uitgevoerd, zie Bijlage 1 bij deze motivering. Daarnaast is er een oplegnotitie opgesteld, zie Bijlage 2. De wettelijke consequenties ten aanzien van soort- en gebiedsbescherming zijn identiek aan de consequenties, zoals voorheen in de quickscan natuurwaarden is vastgesteld voor de Wet natuurbescherming. De Omgevingswet leidt niet tot andere conclusies t.a.v. wet- en regelgeving voor de bescherming van soort- en gebieden. De belangrijkste resultaten/conclusies zijn in de volgende alinea's opgenomen. Gebiedsbescherming Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) Het plangebied ligt op minimaal 1,04 kilometer afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Op onderstaande afbeelding (zie figuur 5.2) wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven.

38

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Ootmarsumseweg 182 Albergen

Figuur 5.2: ligging plangebied t.o.v. dichtstbijzijnde NNN gronden (bron: quickscan natuurwaarden, Natuurbank Overijssel) Aangezien de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent en het plangebied zich buiten het Natuurnetwerk Nederland bevindt, hoeft voorliggend plan niet te worden getoetst aan provinciaal beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland. Natura 2000-gebied Het plangebied ligt op minimaal 6,43 kilometer afstand van een Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied, is Springendal & Dal van de Mosbeek. Het plangebied ligt op minimaal 7,32 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied Lemselermaten en op minimaal 7,69 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek. Op onderstaande afbeelding (zie figuur 5.3) wordt de ligging van de Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied weergegeven.

Figuur 5.3: ligging plangebied t.o.v. dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden (bron: quickscan natuurwaarden, Natuurbank Overijssel) Het voorgenomen plan voorziet in de realisatie van nieuwe woningen. Als een bouwproject afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, is daarvoor, naast een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwen (artikel 5.1 lid 1 sub a Omgevingswet) en een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit zelf, een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig. Degene die bouw- en sloopwerkzaamheden verricht, moet altijd adequate maatregelen treffen (zoals werktuigen minder stationair laten draaien) om de stikstofemissie te beperken (artikel 7.19a, Bbl). Dat geldt alleen voor een van de volgende gevallen: Voor het bouwen is een omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit nodig. Voor het bouwen is een bouwmelding nodig. Voor het slopen is een melding nodig omdat er meer dan 10 m3 aan afval vrijkomt. TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Ootmarsumseweg 182 Alberge n

39

Informatie over maatregelen die de stikstofemissie beperken, moet naar het bevoegd gezag toegestuurd worden met: de bouwmelding of sloopmelding (artikel 7.5c Bbl) de vergunningaanvraag voor de technische bouwactiviteit (artikel 7.12a Omgevingsregeling) Door middel van een stikstofberekening (AERIUS-berekening) opgenomen als Bijlage 3, wordt aangetoond dat zowel in de aanleg- als gebruiksfase geen sprake is van significante negatieve effecten voor Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling en het gebruik van de woningen. Soortenbescherming De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats, bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats en bezetten vleermuizen er een verblijfplaats. Vermoedelijk nestelen er vogels in het plangebied waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd is, maar er nestelen ook vogels (huismussen) waarvan de nestplaats (jaarrond) beschermd is.

Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Om te voorkomen dat bezette vogelnesten negatief beïnvloed worden, dient gewerkt te worden buiten de voortplantingsperiode of dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden zodat de aanwezigheid van een bezet vogelnesten uitgesloten kan worden. Omdat nesten van huismussen het gehele jaar beschermd zijn dient een ontheffing aangevraagd te worden om de nestplaats van huismussen te mogen beschadigen en te vernielen. Om vast te stellen of huismussen daadwerkelijk onder de dakpannen van het restaurant nestelen, dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen’. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën.

Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dienen ze weggejaagd te worden of weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien niet voorkomen kan worden dat een beschermd dier gedood wordt, dient een ontheffing aangevraagd te worden of dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde en toepasbare gedragscode. Vleermuizen en hun vaste verblijfplaatsen zijn beschermd en mogen alleen met een ontheffing negatief beïnvloed worden. Als gevolg van het slopen van het restaurant en bedrijfswoning wordt mogelijk een vleermuis verstoord of gedood en een vaste rust- en voortplantingsplaats verstoord, beschadigd en vernield. Er dient een aanvullend onderzoek conform het vleermuisprotocol uitgevoerd te worden om de functie van de bedrijfswoning en het restaurant vast te kunnen stellen. Dit onderzoek dient uitgevoerd te worden in de periode half mei-half september (half oktober). Op basis van nader onderzoek kunnen de wettelijke consequenties bepaald worden. In de periode april - september 2024 is de bestaande bebouwing binnen het plangebied onderzocht op nestplaatsen van huismussen en verblijfplaatsen van vleermuizen. Dit onderzoek is als Bijlage 4 opgenomen bij deze motivering. Er zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld en ook geen nestplaatsen van huismussen.

Geconcludeerd wordt dat er geen vogels nestelen binnen het plangebied, waarvan de nestplaats jaarrond beschermd is. Tevens bezetten vleermuizen geen verblijfplaats binnen het plangebied. Om de bebouwing te mogen slopen, hoeft er geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit te worden aangevraagd. Er geldt wel een algemene zorgplicht voor alle planten en dieren. Conclusie Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er vanuit het aspect 'Soortenbescherming en gebiedsbescherming' geen belemmeringen zijn voor voorliggend plan en dat sprake is van een ETFAL.

5.5 Luchtkwaliteit Ter bescherming van de gezondheid zijn onder paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl instructieregels opgenomen voor de luchtkwaliteit. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in zogeheten aandachtsgebieden, dit zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide of fijnstof.

40

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Ootmarsumseweg 182 Albergen

In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat in zulke gevallen om activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben (bijvoorbeeld verkeer of bedrijfsemissies).

Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; De vergunningverlener toetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze gaan over: beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden; ammoniakemissies van veehouderijen; geologische opslag van CO2. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.

In artikel 5.54 staan standaardgevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een plan binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen valt, is het alsnog mogelijk om via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Een andere manier om aannemelijk te maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt is een kwalitatieve berekening. Met de NIBM-tool kan bekeken worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Toets Het voorliggende plan betreft de realisatie van in totaal vier woningen in de nabijheid van een ontsluitingsweg. Op grond van artikel 5.53 in combinatie met artikel 5.54 van het BKL wordt geconcludeerd dat sprake is van een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Dit omdat bij een enkele ontsluitingsweg pas bij 1.500 woningen sprake is van een project dat in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Conclusie Vanuit het aspect 'luchtkwaliteit' zijn er geen belemmeringen voor voorliggend plan.

5.6 Geluid Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Geluidsgevoeligegebouwen In artikel 3.20 van het Bkl zijn de geluidsgevoelige gebouwen aangewezen. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond de woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan: TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Ootmarsumseweg 182 Alberge n

41

woningen Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Geluiddoor wegen, spoorwegen en industrieterreinen Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied. Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in artikel 5.78t van het Bkl. Mocht er door een gemeente nog geen geluidaandachtsgebied in het omgevingsplan zijn opgenomen, dan gelden de afstanden uit artikel 17.5 Omgevingsregeling: voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een onbekende maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 meter; voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 meter.

In het Bkl zijn eisen gesteld aan de maximaal toelaatbare geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. In onderstaande tabel (zie figuur 5.4) zijn de standaardwaarden en grenswaarden weergegeven.

Figuur 5.4: tabel standaardwaarden en grenswaarden (bron: BKL) Geluiddoor activiteiten In het Bkl onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk wordt gemaakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit. Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen. De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel.

De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen Toets Wegverkeerslawaaien spoorwegen Met dit plan worden vier nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Woningen betreffen geluidsgevoelige gebouwen. Derhalve dient te worden nagegaan of ter sprake van de woningen sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat. Het plangebied bevindt zich in het geluidaandachtsgebied van de provinciale weg N349 (Ootmarsumseweg) en de Weemselerweg, waarbij de maximumsnelheidsregime respectievelijk 50 km/u en 30 km/u bedraagt. Onderstaande weergave van de geluidszoneringskaart (zie figuur 5.5), waarop het plangebied globaal is aangegeven met een rode ster, brengt de ligging van het plangebied ten opzichte van deze wegen duidelijk in beeld. Er is geen sprake van een spoorweg in de nabije omgeving. 42

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Ootmarsumseweg 182 Albergen

Figuur 5.5: geluid wegverkeer Nederland (bron: Atlas Leefomgeving) Gelet op dat de geluidbelastingen afkomstig van het wegverkeer binnen het plangebied tussen de 56 dB - 70 dB kunnen bedragen, vindt er mogelijk een overschrijding van de standaardwaarden plaats op de gevel(s) van de nieuw te bouwen woningen en op de gevel(s) van het horeapand dat wordt verbouwd tot twee woningen. Een akoestisch onderzoek is derhalve noodzakelijk om de daadwerkelijke geluidbelastingen afkomstig van het wegverkeer op de gevel(s) van de nieuwbouw woningen en het horecapand te bepalen. Op 24 januari 2025 is er een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 5 opgenomen bij deze motivering. In de onderstaande alinea's worden de belangrijkste resultaten/conclusies beschreven. Kortheidshalve wordt voor de concrete inhoud verwezen naar Bijlage 5. Uit het akoestisch onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken: Uit de resultaten blijkt dat de standaardwaarde van 50 dB ten gevolge van de geluidbronsoort provinciale wegen wordt overschreden ter plaatse van alle bouwblokken.

Het hoogste geluid op de gevel bedraagt 64 dB ter plaatse van het bouwblok van de kavels 1 en 2; De standaardwaarde van 53 dB ten gevolge van de gemeentelijke wegen wordt niet overschreden; Voor de bouwblokken van de woningen van kavel 3 en 4 wordt de grenswaarde van 60 dB ten gevolge van de geluidbronsoort provinciale wegen niet overschreden. Aan de grenswaarde van 60 dB wordt voor de bouwblokken van kavel 3 en 4 aldus voldaan; Maatregelen om het geluid op de gevel terug te dringen tot aan de standaardwaarde stuiten naar verwachting op overwegende bezwaren van financiële en stedenbouwkundige aard; Aan voorwaarde 1 uit het gemeentelijk geluidbeleid (geluidsklasse ‘lawaaiig’) wordt voldaan. Indien ook aan voorwaarde 2 wordt voldaan dan past het plan volledig binnen de het gemeentelijk geluidbeleid; Voor de woningen van de kavels 1 en 2 kan verzocht worden om het toestaan van een hogere waarde van 64 dB, voor de woning van kavel 3 60 dB en voor de woning van kavel 4 54 dB ten gevolge van de geluidbronsoort provinciale wegen; Uit de berekeningen blijkt dat het gezamenlijke geluid op de gevel de 53 dB overschrijdt op de noord-, oosten westgevels van bouwblok kavel 1, 2 en 3 en op de noord- en oostgevel van bouwblok kavel 4. Daarmee wordt voor deze gevels niet voldaan aan het maximaal toelaatbare binnenniveau uit het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Extra geluidwerende voorzieningen ten gevolge van wegverkeerslawaai zijn voor deze gevels noodzakelijk. Dit zal in een gevelweringsonderzoek moeten worden aangetoond. Onderbouwingtoestaan hogere waarde Gronden voor het vaststellen van een hogere waarde In de voorliggende situatie bedraagt de standaardwaarde voor de geluidbronsoort gemeentelijke wegen 53 dB. Deze waarde wordt niet overschreden. Voor de geluidbronsoort provinciale wegen bedraagt de standaardwaarde 50 dB. De grenswaarde bedraagt 60 dB. Een omgevingsplan voorziet erin dat het geluid op een geluidgevoelig gebouw aanvaardbaar is (artikel 5.78s lid 2 TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Ootmarsumseweg 182 Alberge n

43

Bkl) en houdt rekening met geluid van geluidbronnen samen (artikel 5.78s lid 1 Bkl). Het Bkl bevat een systematiek met waarden en eisen waarbinnen het bevoegd gezag de aanvaardbaarheid van geluid beoordeelt (5.78s lid 3 en 4 en 5 Bkl). De systematiek bestaat uit standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op een niet tijdelijk geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen van een geluidbronsoort. Bij meer geluid dan de standaardwaarde gelden eisen. Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als het: geluidbeperkende maatregelen kan treffen om aan de standaardwaarde te voldoen (artikel 5.78u lid 1a Bkl); de overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk heeft beperkt door het treffen van geluidbeperkende maatregelen (artikel 5.78u lid 1 onder b Bkl).

Het betrokken bestuursorgaan voorkomt een toename van het geluid zoveel mogelijk (inspanningsverplichting); bij voorwaarde 1 en 2 geluidbeperkende maatregelen overweegt, die financieel doelmatig zijn, en als er tegen het treffen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan (artikel 5.78u lid 3 Bkl); het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel bij het overwegen van geluidbeperkende maatregelen betrekt (5.78ab lid 1 Bkl); het gecumuleerd geluid beoordeelt (artikel 5.78ac Bkl); het gezamenlijk geluid bepaalt (artikel 5.78ad Bkl). Mogelijke maatregelen zijn bijvoorbeeld: het toepassen van geluidsreducerend asfalt, het plaatsen van geluidsschermen of het aanhouden van voldoende afstand tussen de weg en de betreffende woningen. Criteria voor het beoordelen van de situaties waarin een hogere waarde kan worden vastgesteld, liggen vast in het op 2 september 2008 door de gemeenteraad vastgestelde Gebiedsgericht Geluidbeleid. Ontheffingscriteria uit het vastgestelde Gebiedsgericht Geluidbeleid worden betrokken bij het toekennen van een verzoek om hogere waarden. Ontheffingscriteria gemeentelijk beleid Het betreft hier nog niet geprojecteerde woningen (kavel 3 en 4) binnen de bebouwde kom die door de gekozen situering een open plaats tussen aanwezige bebouwing opvullen.

De voorkeursvolgorde voor het treffen van maatregelen ter beperking van het geluid op de gevel is op de eerste plaats bronmaatregelen (bijvoorbeeld beperken aantal voertuigen, toepassen ander wegdek of verlagen rijsnelheid), vervolgens overdrachtsmaatregelen (bijvoorbeeld geluidschermen) en tot slot gevelmaatregelen. Bronmaatregelen Door het toepassen van geluidreducerend wegdek kan een lagere geluidbelasting op de gevels van de toekomstige woningen bereikt worden. Indien een geluidreducerend wegdektype (bijv. dunne deklagen B) wordt toegepast, kan een geluidreductie van ten hoogste 4 dB bereikt worden. Het is hiermee niet mogelijk om de geluidbelasting op elke gevel te reduceren tot de voorkeursgrenswaarde. Deze maatregel resulteert derhalve niet tot het gewenste doel. Daarnaast is het toepassen van geluidreducerend wegdek in de nabijheid van rotondes of kruisingen niet gewenst in verband met optrekkende en remmende (zware) voertuigen. Het wegdek ondervindt hierdoor een grote belasting (bijv. wringing van wielen van vrachtwagens), waardoor het wegdek op relatief korte termijn aan onderhoud onderhevig is. Overdrachtsmaatregelen Vanuit stedenbouwkundig en verkeerskundig oogpunt kan gesteld worden dat het realiseren van een geluidscherm langs de Ootmarsumseweg niet realiseerbaar is.

Naast het feit dat het een lang scherm moet worden, zal het scherm daarnaast een aanzienlijke hoogte moeten krijgen om de geluidbelasting op de 1e verdieping te reduceren. Voor deze locatie kan gesteld worden dat een geluidscherm hier niet realiseerbaar is. Vanwege de bestaande omliggende bebouwing, en de geringe ruimte op het kavel, is het niet mogelijk om de afstand van de woningen tot de weg dermate te vergroten dat aan de standaardwaarde wordt voldaan Specifieke voorwaarden voor een hogere waarde gemeentelijk beleid In het gemeentelijk gebiedsgericht geluidbeleid zijn specifieke voorwaarden opgenomen voor het verlenen van een hogere waarde dan de standaardwaarde. Bij het toekennen van een verzoek om een hogere waarde voor geluidsgevoelige bestemmingen tot en met de geluidsklasse 'onrustig' worden aanvullend ook de volgende voorwaarden bij de afweging betrokken: indien mogelijk bronmaatregelen (bijvoorbeeld stillere asfalttypen) treffen; 44

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Ootmarsumseweg 182 Albergen

indien mogelijk de afstand tussen de geluidsbron en de nieuwe woning(en) vergroten; in ieder geval dient bij woningen/appartementen de buitenruimte (tuin/balkon) te voldoen aande ambitiewaarde van het betreffende gebied; het stedenbouwkundig ontwerp vormgeven waarbij zoveel mogelijk afscherming voor het achterliggende gebied ontstaat; vanaf de geluidsklasse 'onrustig' dient bij een aanvraag om bouwvergunning voor een woning en scholen een bouwakoestisch onderzoek te worden gevoegd en wordt getoetst of wordt voldaan aan de binnenwaarde van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Bij het toekennen van een verzoek om een hogere waarde voor geluidsgevoelige bestemmingen tot en met de geluidsklasse; zeer onrustig' worden aanvullend ook de volgende voorwaarden bij de afweging betrokken: bij eengezinswoningen minimaal drie verblijfsruimten in de woning aan de geluidsluwe zijde; wanneer de woning een balkon heeft dan moet deze afsluitbaar zijn, zodat men zelf kan kiezen of men zich wil afzonderen van de hoge geluidsbelasting of niet; bij een aanvraag behorend bij een bouwvergunning voor een woning en scholen dient een bouwakoestisch onderzoek te worden gevoegd en wordt getoetst of wordt voldaan aan de binnenwaarde van het Bbl; de buitenruimtes (tuin of balkon) worden bij voorkeur aan de geluidsluwe zijde gesitueerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://bestuur.tubbergen.nl/api/v1/meetings/1405/documents/27204