CConstaterende datTubbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Ootmarsumseweg 182 Albergen Motivering.pdf

Commissie Omgeving en Economie 10 maart 2026, gemeente TubbergenBij agendapunt: 8: TAM-Omgvingsplan Hoofdstuk 22b Ootmarsumseweg 182 Albergen25.388 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Conclusie Er wordt voldaan aan de ontheffingscriteria uit het vastgestelde Gebiedsgericht Geluidbeleid. Het betreft hier het criterium: dat nog niet geprojecteerde woningen (kavel 3 en 4) binnen de bebouwde kom, door de gekozen situering een open plaats tussen aanwezige bebouwing opvullen. Aan specifieke voorwaarden voor een hogere waarde uit het gemeentelijk beleid wordt voldaan. Behalve aan de voorwaarde dat de buitenruimte van de woning op kavel 3 bij voorkeur aan de geluidluwe zijde wordt gesitueerd. Dit betreft niet de gehele buitenruimte. Het stedenbouwkundig ontwerp is zo vormgegeven dat de woning op kavel 4 wordt afgeschermd door de woning op kavel 3. Gevelweringsonderzoek Op 28 februari 2025 is een gevelweringsonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 6 opgenomen bij deze motivering. In de onderstaande alinea's worden de belangrijkste resultaten/conclusies beschreven. Kortheidshalve wordt voor de concrete inhoud verwezen naar Bijlage 6. Het gezamenlijk geluid op de woningen aan de Ootmarsumseweg 182 (Coophuys) is hoger dan de standaardwaarde, hiervoor is de karakteristieke geluidwering van de gevels berekend. Uit de resultaten (tabel 2.3.1 van het gevelweringsonderzoek) blijkt dat met de gehanteerde materialen (tabel 2.1.1 en tabel 2.2 van het gevelweringsonderzoek) of gelijkwaardig, voldaan is aan de vereiste karakteristieke geluidwering.

Het gezamenlijk geluid op de noordelijke vrijstaande woning is hoger dan de standaardwaarde, hiervoor is de karakteristieke geluidwering van de gevels van de maatgevende ruimtes berekend. Uit de resultaten (tabel 2.3.2 van het gevelweringsonderzoek) blijkt dat met de gehanteerde materialen (tabel 2.1 van het gevelweringsonderzoek) of gelijkwaardig, voldaan is aan de vereiste karakteristieke geluidwering. Het gezamenlijk geluid op de zuidelijke woning aan de Weemselerweg is niet hoger dan de standaardwaarde op de geveldelen waar zich verblijfsruimtes bevinden. Hierdoor is toetsing van de karakteristieke geluidwering van de gevel niet uitgevoerd. De zuidelijke woning aan de Weemselerweg voldoen met de standaard detaillering aan de vereiste karakteristieke geluidwering. Industrielawaai In de nabijheid van het plangebied vinden geen bedrijfsactiviteiten plaats die mogelijk voor geluidsoverlast kunnen zorgen binnen het projectgebied. Met uitvoering van dit plan worden geen activiteiten toegestaan die mogelijk effect hebben op de nabijgelegen gevoelige bestemmingen. Een onderzoek naar industrielawaai is niet noodzakelijk. Geluiddoor belastende activiteiten In de omgeving zijn er geen functies aanwezig die voor de woningen binnen het plangebied kunnen zorgen voor geluidhinder.

De woningen zijn geen geluidbelastende objecten, waardoor deze geen geluidhinder zullen veroorzaken voor omliggende woningen. De nieuwe woningen kunnen wel als buffer dienen tussen de Ootmarsumseweg en de bestaande woning ten zuiden van het plangebied aan de Weemselerweg. Dit is een gunstig effect voor het de bestaande woning De nieuwbouw woningen krijgen wel een warmtepomp installatie. De installaties zullen echter voldoen aan de daarvoor geldende vereisten vanuit het Bbl voor het bouwen. De intiatiefnemer kan dit te zijner tijd aantonen. TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Ootmarsumseweg 182 Alberge n

45

Conclusie Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat vanuit wegverkeerslawaai, industrielawaai en spoorweglawaai geen belemmeringen zijn voor de uitvoering van voorliggend plan, mits: de uit het akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai (opgenomen als Bijlage 5) naar voren gekomen en benodigde hogere waarden voor de kavels 1, 2, 3 en 4 worden toegelaten; de uit het gevelweringsonderzoek (opgenomen als Bijlage 6) naar voren gekomen geluidswerende voorzieningen toegepast worden in het ontwerp van de woningen, waarvoor deze nodig zijn om te voldoen aan het maximaal toelaatbare binnenniveau van 33 dB, zoals opgenomen in het Bbl; Om dit juridisch te borgen is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de bouw- en gebruiksregels van voorliggend TAM-omgevingsplan. Tot slot wordt geconcludeerd dat de realisatie van de woningen geen negatief geluidseffect heeft voor het woonen leefklimaat van omwonenden.

5.7 Geur In paragraaf 5.1.4.6.1 Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Het gaat hierbij om drie geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld, namelijk: Zuiveringstechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2) Het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3) Andere agrarische activiteiten In artikel 5.92 Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is. Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van toepassing zijn voor het aspect geur. Dit wordt dan vastgelegd in een Geurgebiedsvisie en Geurverordening. Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies, moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen.

Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Dit betekent dat er sprake is van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden. Toets Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf bevindt zich aan de Kloosteresweg 21 in Albergen. Hier is een melkveehouderij aanwezig. De dieren die gehouden worden bij dit soort bedrijven hebben geen geuremissiefactoren. Er kan daarom worden uitgegaan van de wettelijke afstanden opgenomen in artikel 5.112 lid 1 van het Bkl. Zoals eerder bij het toetsen aan de 'Nota inbreidingslocaties gemeente Tubbergen' is vastgesteld in paragraaf 4.1.5, ligt het plangebied in een gebied dat aangemerkt moet worden worden als buitengebied. Op grond van artikel 5.112 lid van het Bkl geldt in het buitengebied een wettelijke afstand van 50 meter die in acht genomen moet worden tussen een geurgevoelig gebouw en agarisch bedrijf. De onderliggende afstand tussen de functiegrens van de westelijke woning die in het pand aan de Ootmarsumseweg 182 wordt gerealiseerd en het agrarisch bouwvlak van het voornoemde agrarisch bedrijf bedraagt circa 35 meter. Dat betekent dat er niet voldaan wordt aan de wettelijke afstand van 50 meter. Om deze reden is op de geometrie (plankaart) behorende bij dit TAM-omgevingsplan een zone opgenomen binnen de functie 'Wonen'.

Deze zone is opgenomen vanaf de uitertste grens van het agrarisch bouwvlak met een straal van 50 meter naar de functie 'Wonen' in het plangebied. De zone komt voor een deel binnen de functie 'Wonen' te liggen, waarin geurgevoelige bebouwing is uitgesloten. Buiten deze zone wordt voldaan aan de wettelijke afstand van 50 meter en is derhalve een geuronderzoek niet noodzakelijk. Conclusie Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er vanuit het aspect 'Geur' geen belemmeringen zijn voor voorliggend plan en dat sprake is van een ETFAL.

46

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Ootmarsumseweg 182 Albergen

5.8 Omgevingsveiligheid Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl).

Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen kunnen worden opgenomen in de omgevingsvergunning. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par.

5.1.2.3 Bkl; Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl; Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl); Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl). Toets Aan hand van de kaarten met betrekking tot het thema 'Veilige omgeving' zoals opgenomen in de Atlas Leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op deze kaarten staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Zie TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Ootmarsumseweg 182 Alberge n

47

figuur 5.6.

Figuur 5.6: Uitsnede risicokaart (bron: Atlas Leefomgeving) Zoals uit figuur 5.6 is af te leiden, ligt het plangebied op ruime afstand van mogelijke risicobronnen. Het plangebied ligt niet binnen het terrein van een bedrijf met gevaarlijke stoffen, niet binnen een PR 10-6 contour en brandaandachtsgebied, waarbinnen het verantwoorden van het groepsrisico noodzakelijk is. Derhalve wordt gesteld dat nader onderzoek niet noodzakelijk is. Conclusie Vanuit het aspect 'omgevingsveiligheid' zijn er geen belemmeringen voor voorliggend plan.

5.9 Trillingen In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels over het omgevingsaspect Trillingen opgenomen. De regels zien op activiteiten, anders dan wonen, die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Uit artikel 5.79 Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten. Een uitzondering op deze hoofdregel betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van een locatie. De belangrijkste instructieregel is het vereiste van aanvaardbaarheid, zoals opgenomen in artikel 5.83 van het Bkl. Het eerste lid van dat artikel verplicht gemeenten om in het omgevingsplan rekening te houden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Dit is een concretisering van het beginsel van 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' waar het omgevingsplan invulling aan geeft. Rekening houden met trillingen door activiteiten werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van activiteiten nabij bestaande trillinggevoelige gebouwen, maar omgekeerd ook bij toelaten van trillinggevoelige gebouwen in de nabijheid van bestaande trillingen veroorzakende activiteiten.

Het tweede lid van artikel 5.83 Bkl bepaalt dat een omgevingsplan erin voorziet dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Het gaat hierbij, anders dan in het eerste lid, om trillingen door een individuele activiteit. Het Bkl geeft standaardwaarden aan waarmee in ieder geval wordt voldaan aan artikel 5.83, tweede lid. In afwijking van de standaardwaarden kan de gemeente aan de 'aanvaardbaarheid' ook voldoen door het gebruik van andere waarden. Anders dan het voormalige Activiteitenbesluit bevat het Bkl ook standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen. Onder trillingsgevoelige gebouwen worden gebouwen of gedeelten daarvan verstaan met een: woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan (woonschepen en woonwagens uitgezonderd); onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Toets 48

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Ootmarsumseweg 182 Albergen

Middels voorliggend plan worden vier woningen mogelijk gemaakt binnen het plangebied. Zoals hierboven beschreven, zijn gebouwen met een woonfunctie, trillingsgevoelige gebouwen. Er zijn verschillende soorten trillingen, met verschillende bronnen. De Omgevingswet maakt bij de instructieregels over trillinghinder door activiteiten onderscheid tussen continue trillingen en herhaald voorkomende trillingen. Bronnen van trillingen zijn: verkeer over de weg of het spoor (zoals vrachtwagens, treinen en trams); machines in de industrie (zoals stansen en draaiende motoren); bouw- en sloopactiviteiten (zoals heien en breken). De aard van de trilling is afhankelijk van de eigenschappen van de bron: de massa (zwaardere machines of transport zorgen voor grotere trillingen); de snelheid (snellere machines of transport zorgen voor grotere trillingen); de versnelling (onregelmatige bewegingen of krachtige machines en voertuigen zorgen voor grotere trillingen). Het plangebied bevindt zich op een afstand van circa 6,6 km vanaf de dichtstbijzijnde spoorweg. Trillingshinder binnen het plangebied als gevolg van het treinverkeer op de spoorweg is redelijkerwijs niet te verwachten. Daarnaast bevindt het plangebied zich op een afstand van circa 5 tot 30 meter vanaf de Ootmarsumseweg, waarover zwaar verkeer kan plaatsvinden.

Gelet op dat het industrieterrein van Albergen aan de westzijde van de kern is gelegen en de Ootmarsumseweg geen logische verbinding heeft met andere industrieterreinen binnen omliggende kernen, wordt geacht dat het aantal zwaar verkeer dat langs het plangebied rijdt beperkt is. Hierdoor wordt trillingshinder binnen het plangebied als gevolg van het wegverkeer op de Ootmarsumseweg niet aanwezig geacht. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect 'trillingen' geen belemmering vormt voor de uitvoering van voorliggend plan.

5.10

Archeologie en Cultuurhistorie

De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Cultureel erfgoed Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; Verplaatsing van beschermde monumenten; Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; Aantasting van de omgeving van een beschermd monument; Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. Archeologische resten Het gemeentelijk beleid voor archeologie en cultuurhistorie staat veelal opgenomen in de archeologische beleidskaart en cultuurhistorische waardenkaart. Dit document schrijft per gebied voor welke onderzoekverplichtingen ter plaatse gelden. Wanneer een project binnen een archeologisch waardevol gebied ligt wordt hieraan getoetst. Toets

Archeologie Uit de archeologische verwachtings- en advieskaart waardenkaart van de gemeente Tubbergen blijkt dat er een archeologische verwachting op het plangebied ligt. In figuur 5.7 is een uitsnede opgenomen van de waardenkaart. Het plangebied is globaal aangeduid met een rode ster.

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Ootmarsumseweg 182 Alberge n

49

Figuur 5.7: archeologische verwachting binnen het plangebied (bron: Archeologische verwachtings- en advieskaart) Uit figuur 5.7 bijkt dat het plangebied in stuwwalhellingen met vochtige zandige kleiige bodems ligt. Op basis van het gemeentelijk archeologisch beleid geldt hiervoor een middelmatige archeologische verwachting voor archeologische resten uit alle periodes. Tevens kans op archeologische resten uit de Late Middeleeuwen in de nabijheid van stuwwalhellingen met een plaggendek. Verder vermoedelijk hoofdzakelijk losse vondsten. Archeologische resten vlak onder het maaiveld en hierdoor vaak minder goed geconserveerd. Conform het beleidsadvies is archeologisch onderzoek noodzakelijk in plangebied groter dan 5.000 m², bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Voor gebieden kleiner dan 5.000 m² geldt een vrijstelling voor archeologisch onderzoek. Hoewel binnen het plangebied bodemingrepen zullen plaatsvinden, hebben deze geen betrekking op een gebied groter dan 5.000 m². Dat betekent dat er op basis van het beleidsadvies vrijstelling geldt voor archeologisch onderzoek. Erfgoed Het projectgebied bevat geen rijks-, provinciale of gemeentelijke monumenten. Ook in de nabijheid van het plangebied zijn deze niet aanwezig. Conclusie Het aspect 'archeologie' vormt geen belemmering voor de uitvoering van voorliggend plan.

Tevens wordt geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.

5.11

Bodem

Wanneer ontwikkelingen plaatsvinden m.b.t. de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en/of activiteit. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico opleveren voor gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt omschreven hoe bij voorliggend project rekening zal worden gehouden met het aspect bodem. Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw. Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en 50

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Ootmarsumseweg 182 Albergen

definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m². Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Toets Met dit plan worden nieuwe woonfuncties mogelijk gemaakt binnen het plangebied. Daarbij zullen bodemingrepen plaatsvinden. Hiermee is sprake van het mogelijk maken van een bodemgevoelig gebouw en bodemgevoelige locatie (functie). Ten behoeve van voorliggend plan is een verkennend (asbest)bodemonderzoek uitgevoerd, opgenomen als Bijlage 7 bij deze motivering, en een aanvullend asbestonderzoek, opgenomen als Bijlage 8 bij deze motivering. In onderstaande alinea's worden de belangrijkste bevindingen, resultaten en conclusies beschreven.

Voor de concrete inhoud wordt kordtheidshalve verwezen naar de bijlagen. Verkennend (asbest)bodemonderzoek Resultaten veldwerk Ten behoeve van het verkennend (asbest)bodemonderzoek zijn 13 inspectiegaten gegraven en zijn er drie boringen verricht, waarvan twee boringen zijn afgewerkt met een peilbuis. Gebleken is dat de bodem globaal bestaat uit zeer fijn zand en klei. Er zijn plaatselijk bodemvreemde materialen aangetroffen. In de puinlaag in inspectiegat 7 is visueel asbesthoudende vlakke plaat waargenomen. Visueel zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld of in de bodem. Het freatische grondwater is in de peilbuizen gemiddeld aangetroffen op 2.68 meter min maaiveld. Resultaten analyses Op basis van de resultaten van de analyses kan het volgende worden geconcludeerd: Deellocatie A - vetvangput de bovengrond A - BG is licht verontreinigd met kwik en PAK; de ondergrond (A - OG) is niet verontreinigd; het grondwater uit peilbuis A1 is (zeer) licht verontreinigd met barium, nikkel en zink.

Overig terrein de bovengrond (BG I) is zeer licht verontreinigd met PAK; de bovengrond (BG II) is zeer licht verontreinigd met PAK; de bovengrond (BG III) is niet verontreinigd; boring 5.1 (0.3 - 0.6 m-mv) is zeer licht verontreinigd met kwik, zink en PAK; de ondergrond (OG I) is niet verontreinigd; de ondergrond (OG II) is niet verontreinigd; het mengmonster MM FF - 01 is niet asbesthoudend; het mengmonster MM FF - 02 is niet asbesthoudend; het mengmonster MM FF - puin is niet asbesthoudend; het puin in inspectiegat 7 is asbesthoudend. Het gewogen asbestgehalte overschrijdt in ruime mate de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek; het grondwater (PB 1) is licht verontreinigd met barium en zink. Hypothese De hypothese "verdachte locatie" voor het erf kunnen worden verworpen, aangezien er geen overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarden zijn aangetoond. De hypothese "onverdachte locatie" voor de ondergrond kan worden aangenomen, aangezien er geen overschrijdingen van de achtergrondwaarden zijn aangetoond. De hypothese "onverdachte locatie" voor het grondwater dient te worden verworpen, aangezien er overschrijdingen van de streefwaarden zijn aangetoond. Het hypohese asbestverdacht voor de bodem kan worden verworpen, aangezien geen asbest is aangetoond.

De hypohese asbestverdacht voor de puinlaag onder het asfalt kan worden geaccepteerd, aangezien plaatselijk TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Ootmarsumseweg 182 Alberge n

51

asbest is aangetoond. Conclusies en aanbevelingen uit het onderzoeksrapport In de bovengrond A - BG, BG I, BG II, Boring 5.1 (0.3-0.6 m-mv) en in het grondwater (PB A1 en PB 1) zijn enkele licht verhoogde concentraties aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4. In de bovengrond (BG III), de ondergrond (OG I en OG II) zijn geen verhoogde gehalten gemeten. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, wordt het uitvoeren van nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. De vetvangput heeft geen aantoonbare negatieve invloed op de bodemkwaliteit, aangezien geen verontreinigingen met de verdachte stoffen zijn aangetoond. De 2 mengmonsters van de fijne fractie van de grond (MM FF - 01 en MM FF - 02) en het mengmonster van de fijne fractie van de puinlaag (MM FF - puin) zijn niet asbesthoudend. In inspectiegat 7 is het gewogen asbestgehalte ruim hoger dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Een nader asbestonderzoek conform NEN5897 is noodzakelijk om meer inzicht te krijgen in de aard en omvang van de asbestverontreiniging in de puinlaag en of sanering noodzakelijk is.

Conclusie rapport Na nader asbestonderzoek van de asbesthoudende puinlaag ter plekke van inspectiegat 7 en (indien nodig) een eventuele sanering, zijn uit milieukundig oogpunt geen bezwaren tegen de beoogde planologische wijziging en het nieuwbouw plan, aangezien de overige vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. Aanvullend asbestonderzoek Strategie Om meer inzicht te krijgen in de omvang van de asbesthoudende puinlaag bij inspectiegat 7 zijn drie inspectiegaten met een diameter van 0.35 meter in een driehoekraster rondom inspectiegat 7 geboord. Het opgegraven puin is over 20 mm gezeefd. De grove fractie (>20 mm) is visueel beoordeeld op asbestverdachte materialen. Eventuele asbesthoudende lagen zijn niet bemonsterd, wel is het asbesthoudend materiaal gewogen. Van de visueel asbestvrije puinlagen is minimaal één mengmonster van de fijne fractie samengesteld en geanalyseerd op asbest. De inspectiegaten zijn gecodeerd als G1, G2 en G3. De situering van de monsterpunten en de boorbeschrijvingen zijn weergegeven in de bijlagen. Veldwerkzaamheden Ten behoeve van het aanvullend asbestonderzoek zijn er in totaal drie inspectiegaten geboord met behulp van een kernboring. Vervolgens is de onderliggende puinlaag beoordeeld en bemonsterd. Het puin in inspectiegat G1 is visueel asbesthoudend (74 gram vlakke plaat).

Op basis van de hoeveelheid asbesthoudende grove fractie bedraagt het gewogen asbestgehalte minimaal 400 mg/kg d.s. Van de fijne fractie uit de gaten G2 en G3 is een mengmonster samengesteld. Vanwege het gebrek aan fijne fractie uit de dunne puinlagen is niet de vereiste hoeveelheid fijne fractie van minimaal 25 kilo (droog) verkregen (gewicht veldnatmonster 23.2 kilo). De invloed op de analyseresultaten als gevolg van deze afwijking wordt gering geacht. Asbestanalyse De asbestanalyse is uitgevoerd door een, door de Raad voor Accreditatie erkend, laboratorium voor vezelonderzoek. Op basis van zintuiglijke waarnemingen is het mengmonster samengesteld, zoals in onderstaande tabel (zie figuur 5.8) staat omschreven.

Figuur 5.8: tabel 1 - samenstelling mengmonster (bron: aanvullend asbestonderzoek) Resultaten asbestanalyse De gewogen asbestgehalten zijn weergegeven in onderstaande tabel (zie figuur 5.9). Het analyserapport en de concentratieberekeningen zijn als bijlage opgenomen in het aanvullend asbestonderzoek.

52

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Ootmarsumseweg 182 Albergen

Figuur 5.9: tabel 2 - gewogen asbestconcentraties (mg/kg droge stof) (bron: aanvullend asbestonderzoek) In de derde kolom van tabel 2 in figuur 5.9 is de volgende codering toegepast: n.a. : Geen asbest aangetoond. Normaal : Het gehalte is lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Onderstreept : Overschrijding van de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Conclusie rapport De gewogen asbestconcentraties in de inspectiegaten G2 en G3 zijn ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Op basis van de resultaten van het verkennend asbestonderzoek en dit aanvullend asbestonderzoek lijkt de asbesthoudende puinlaag, in gehalten hoger dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek, zich te bepreken tot de uiterste noordoosthoek van het parkeerterrein. Verder nader asbestonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Aangenomen wordt dat de puinfundering onder het asfalt op het noordoostelijke deel van de parkeerplaats sterk asbesthoudend is. De omvang van de sterk asbestverontreiniging in de puinfundatie, binnen de eigendomsgrenzen, wordt geschat op circa 10 m 3 (45 m 2 x 0.2 meter). De geschatte interventiewaardecontour van de asbestverontreiniging is weergegeven in het boorplan. Geadviseerd wordt een plan van aanpak op te stellen en deze ter goedkeuring aan het bevoegd gezag (Inspectie Leefomgeving en Transport, ILT) voor te leggen.

Het saneren van sterke verontreinigde puinlagen met asbest mag alleen door erkende bedrijven worden uitgevoerd. Het verminderen of verplaatsen van de sterke asbestverontreiniging is niet toegestaan, zonder toestemming van het bevoegd gezag. Geadviseerd wordt bij graafwerkzaamheden elders op het terrein alert te blijven op “asbestnesten”. Indien tijdens werkzaamheden indicaties zijn voor een sterke asbestverontreiniging, dient het werk te worden gestaakt en het bevoegd gezag in kennis te worden gesteld. Conclusie Na sanering van de asbestverontreiniging is het plangebied, voor zover dit betrekking heeft op de locatie rondom inspectiegat 7, geschikt voor het beoogd gebruik en de bouw van de nieuwe woningen. Aangezien de sanering pas kan plaatsvinden nadat een omgevingsvergunning voor het bouwen van de woningen is verleend, is in de bouwregels van voorliggend TAM-Omgevingsplan een verbod opgenomen. Hiermee wordt juridisch geborgd dat eerst sanering moet plaatsvinden alvorens gebouwd kan worden. Vanuit het aspect 'bodem' zijn er geen belemmeringen voor voorliggend plan.

5.12

Waterbelang

Nederland is een waterrijk land. Bouwen in die gebieden kan niet zomaar. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de NOVI en het Nationaal Water Programma 2022-2027 (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. Het staat de komende jaren voor grote uitdagingen en blijft werken aan voldoende water (niet te veel, niet te weinig), omgaan met klimaatverandering, voldoen aan de eisen voor waterkwaliteit, de biodiversiteit versterken en daarnaast wordt gewerkt aan duurzame energie en circulair grondstoffengebruik. TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Ootmarsumseweg 182 Alberge n

53

In de Watervisie 2050 heeft het waterschap de opgaven beschreven. Daarin wordt geschetst hoe het watersysteem er in 2050 moet uitzien om goed toegerust te zijn voor alle uitdagingen. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vloeit rechtstreeks voort uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma beschrijft hoe het waterschap de komende zes jaar werkt aan het realiseren van het gewenste waterbeheersysteem. Hieronder wordt de Watervisie 2050 en het Waterbeheerprogramma 2022-2027 beschreven. Watervisie 2050 Het Waterschap Vechtstromen heeft op 14 april 2021 de Watervisie 2050 vastgesteld. In deze Watervisie staat de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners. De drie belangrijkste opgaves zijn: de toenemende droogte en wateroverlast als gevolg van klimaatverandering; de waterkwaliteit die onder druk staat: de transitie naar een duurzame ontwikkeling. De Watervisie is doorvertaald naar een Waterbeheerprogramma waarin wordt bepaald hoe het Waterschap in de periode 2022-2027 gaat werken aan haar opgaves. In het beheerprogramma zijn het beleid en de maatregelen opgenomen. Waterbeheerprogramma2022-2027 Het waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 15 december 2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van Vechtstromen.

Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Voor partners en ingezetenen verschaft het programma inzicht in de wijze waarop het waterschap omgaat met het water in het beheergebied. Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma sluit aan bij plannen van andere partijen zoals het Nationale waterplan (Nationaal Water Programma 2022-2027), het Stroomgebiedsbeheerplan Rijndelta en de Omgevingsvisie van de provincies Overijssel en Drenthe. Belangrijk uitgangspunt van het Waterbeheerprogramma is de verandering van het klimaat. De weersomstandigheden zijn steeds minder vaak gemiddeld. Dat merken we de laatste twee decennia steeds duidelijker. De winters worden natter en in de zomer zijn er langere hete en droge perioden en vallen de buien steeds meer lokaal. Deze zomerbuien hebben vaker een zeer hoge intensiteit, wat leidt tot hoge afvoerpieken en overstromingen. Het watersysteem is nog niet goed toegerust op die verandering.

Het is nu nog vooral ingericht op basis van gemiddelden - de normale beheersituatie enerzijds en het voorkomen van wateroverlast anderzijds - en niet op langdurige droge periodes en incidentele hoosbuien. Dit betekent dat het watersysteem aangepast moet worden. Daarbij heeft het waterschap de ambitie om te komen tot een klimaatrobuust watersysteem in 2050: een systeem dat zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht tegen een stootje kan en goed is toegerust op veranderingen en grotere weersextremen. Overeenkomstig de Watervisie 2050 heeft het waterschap de volgende hoofdlijnen aangegeven waar de komende jaren aan gewerkt wordt: Als gevolg van de klimaatverandering wil het waterschap zorgen voor meer balans tussen 'droge voeten' en het beperken van wateroverlast. Dat betekent dat water het leidende principe is voor het inrichten van de leefomgeving in plaats van andersom: water volgend aan de inrichting. Er wordt meer aandacht gegeven aan het vasthouden van water in de bodem. Regenwater wordt niet als afvalwater beschouwd, maar als bouwsteen in de ontwikkeling van een robuust watersysteem WRP Water en Rioleringsprogramma)2025-2030 In het WRP 2025-2030 (Water en Riolerings Programma) geeft gemeente Tubbergen aan hoe ze invulling geeft aan de wettelijke gemeentelijke watertaken op het gebied van afvalwater, hemelwater en grondwater.

Kort samengevat: Afvalwater wordt met riolering ingezameld en getransporteerd naar de zuivering van het waterschap, behalve bij veraf gelegen percelen in het buitengebied. De afvoer van afvalwateruit de directe leefomgeving dient voor de bescherming van de volksgezondheid en het milieu en is mede bedoeld om stankoverlast tegen te gaan. Hemelwater wordt steeds meer gescheiden gehouden van afvalwater, met de bedoeling het te infiltreren in de bodem of te lozen op oppervlaktewater. Door de klimaatverandering komen extreme buien vaker voor. Om de bewoonbaarheid van de leefomgeving te verzorgen zijn er nieuwe of grotere opgaven vanuit 54

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Ootmarsumseweg 182 Albergen

klimaatadaptatie. Voor grondwater heeft de gemeente een beperkte rol. Bij grondwateroverlast wordt door de gemeente een afweging gemaakt om in te grijpen in de grondwaterstand. Vanuit de zorgplicht voor hemelwater en grondwater heeft de gemeente ook watergangen in beheer die in verbinding staan met het regionale oppervlaktewatersysteem dat door het waterschap wordt beheerd. Weging van het waterbelang in voorliggendplan Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de watertoets vervangen door de term 'weging van het waterbelang'. Het begrip houdt in dat de gemeente bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening moet houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. De gemeente is verplicht om de waterbelangen mee te nemen in het omgevingsplan. Dit is een instructieregel van het Rijk die volgt uit artikel 5.37 Besluit kwaliteit leefomgeving. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de opvattingen van de waterbeheerder betrokken worden bij het omgevingsplan. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Voorbeelden zijn: grondwater; oppervlaktewater; regenwater en; afvalwater. Toets Op te merken is dat de functie 'wonen' niet leidt tot milieubelastende activiteiten, waardoor het grondwater kan worden vervuild. Er vindt daarbij ook geen lozing plaats van industrieel afvalwater.

Bovendien is in de nabije omgeving geen oppervlaktewater aanwezig, waarop er kan worden geloosd. Van de vier woningen betreffen er twee nieuwbouw, waarvoor een aanluiting op het gemeentelijke rioolstelsel nodig is. Voor de twee woningen in het bestaande pand geldt dat er geen veranderingen zullen zijn, aangezien kan worden gesteld dat het pand al is aangesloten op de gemeentelijke riool. De bergingseis op basis van het WRP bedraagt 40 mm per m2 aan verhard oppervlak. Dit is 0,04 m3 per m2 aan verhard oppervlak. De kavels van de nieuwe vrijstaande woningen zijn voldoende groot, waardoor in principe infiltratie op eigen terrein mogelijk is. Daarbij wordt opgemerkt dat onder de huidige planologische mogelijkheden het gehele plangebied verhard mag worden. In de toekomstige situatie zal dit niet wijzigen. Het gehele plangebied mag wederom verhard worden. Het theoretisch verharde oppervlak neemt dus niet toe ten opzichte van de bestaande situatie. Ten behoeve van het plan is nog de watertoets doorlopen. Door beantwoording van de vragen is naar voren gekomen dat de korte procedure toegepast moet worden. De resultaten van de watertoets zijn als Bijlage 9 bij deze motivering opgenomen. Hoewel bij een korte procedure geen overleg met het waterschap noodzakelijk is, heeft er wel een overleg plaatsgevonden met het waterschap. Het waterschap heeft geen bezwaren.

Gelet op het vorenstaande wordt geacht dat het waterbelang in voorliggend plan voldoende is afgewogen. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Conclusie Vanuit het aspect 'water' zijn er geen belemmeringen voor voorliggend plan.

5.13

Spuitvrije zone gewasbeschermingsmiddelen

Om gewassen te beschermen, worden (chemische) bestrijdingsmiddelen gebruikt. Deze middelen worden door middel van spuitbomen aangebracht op gewassen en een deel hiervan kan verwaaien naar de naastliggende omgeving. Dit wordt ook wel drift genoemd. Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de openlucht worden geteeld in de buurt van gevoelige functies, zoals woningen. De Nederlandse wetgeving met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen is met name gericht op de reductie van risico's van het gebruik van deze middelen voor het watermilieu. De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden bevat een toelatingsstelsel voor het op de markt brengen en het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. In deze wet zijn ook bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de bescherming van de gezondheid van de professionele gebruikers. Het Besluit activiteiten leefomgeving bevat regels om de emissie van bestrijdingsmiddelen naar het water te reduceren. De afstanden en teeltvrije zones die hierin worden genoemd zijn gerelateerd aan het oppervlakte water. Het Besluit activiteiten leefomgeving is daarom evenmin bruikbaar. De Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State doet met enige regelmaat uitspraak over zogenoemde spuitvrije zones.

De rechtspraak over spuitvrije zones ziet op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en agrarische bedrijvigheid. Uit deze rechtspraak volgt dat in het algemeen een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Ootmarsumseweg 182 Alberge n

55

en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen 'niet onredelijk wordt geacht'. Deze afstand mag wel worden verkleind, maar dan moet de overheid dit wel goed motiveren aan de hand een zorgvuldig op de locatie toegesneden onderzoek. Echter, het gebruik van reken modellen is volgens de rechtspraak nog weinig succesvol. In eerste instantie betroffen de uitspraken van de Afdeling kwesties over hoogstamteelt. De spuithoogte bij deze teelt is hoger dan bij andere teelten. De grotere hoogte van spuiten leidt tot een ruimere verspreiding van het middel door de lucht naar de omgeving. Deze drift is mede afhankelijk van de windrichting en windkracht. Uit recente rechtspraak volgt dat het niet alleen gaat om gewasbescherming bij hoogstamteelt, maar om agrarische bedrijvigheid waarbij agrarische gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Toets De initiatiefnemer is voornemens om het horecapand te verbouwen tot twee woningen. Tevens is de initiatiefnemer voornemens om ter plaatse van de parkeerruimte twee vrijstaande woningen te realiseren. Hiervoor wordt de huidige horecafunctie die van toepassing is op het plangebied gewijzigd naar een woonfunctie. Rond de woonfunctie zijn agrarische gronden aanwezig. Het omgevingsplan bevat voor die gronden geen verbod, waardoor het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen in principe is toegestaan.

Echter dienen de eigenaren van de agrarische gronden al rekening te houden met de bestaande horecafunctie waar mensen kunnen komen naar het restaurant en woonfunctie. Met de wijziging van de horecafunctie naar alleen wonen, wordt het plangebied niet gevoeliger waardoor de eigenaren van de agrarische gronden extra rekening gehouden dienen te worden. Het opnemen van de spuitzone wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. Conclusie Vanuit het aspect 'Spuitvrije zone gewasbeschermingsmiddelen' zijn er geen belemmeringen voor voorliggend plan.

56

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Ootmarsumseweg 182 Albergen

Hoofdstuk 6

Financiele haalbaarheid

De investeringen die nodig zijn voor de te realiseren ontwikkelingen moeten passen in de budgetten die daarvoor beschikbaar zijn. Partijen die bouwen in de kernen, dorpen en in het buitengebied dragen op twee manieren bij aan Tubbergen. Enerzijds door direct invulling te geven aan de visie voor de fysieke leefomgeving, zoals verwoord in MijnOmgevingsvisie. Anderzijds via financiering van deze ruimtelijke ontwikkelingen via kostenverhaal en financiële bijdragen voor ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ter uitvoering van deze visie heeft de gemeenteraad het Programma Kostenverhaal vastgesteld ten behoeve van een eenduidige en transparante manier van kosten verhalen bij bouwplannen en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen in de gemeente. De gemeente borgt het kostenverhaal en de financiële bijdrage voor een ruimtelijke ontwikkeling in een anterieure overeenkomst. Naast het kostenverhaal en een financiële bijdrage wordt in een anterieure overeenkomst ook het verhaal van nadeelcompensatie geregeld. Mogelijke claims voor nadeelcompensatie worden altijd doorgelegd aan initiatiefnemer. Voor onderhavige ontwikkeling is met initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten over het kostenverhaal, de financiële bijdrage aan ruimtelijke ontwikkeling en nadeelcompensatie.

Los van het kostenverhaal is initiatiefnemer leges verschuldigd voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning. Hierop is de legesverordening en de bijbehorende tarieventabel van toepassing, welke jaarlijks wordt vastgesteld. Gelet op het vorengaande is het project financieel uitvoerbaar.

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Ootmarsumseweg 182 Alberge n

57

58

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Ootmarsumseweg 182 Albergen

Hoofdstuk 7

Toelichting op de regels

7.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande situatie, het relevante beleid en de relevante milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van dit TAM-Omgevingsplan, bestaande uit een plankaart (verbeelding) en regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit TAM-Omgevingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde functies zijn aangewezen en waarom bepaalde bebouwing acceptabel is. Met het TAM-Omgevingsplan ‘TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Ootmarsumseweg 182 Albergen’ wordt de realisatie van twee nieuwbouw woningen en de realisatie van twee woningen in het bestaande horecapand mogelijk gemaakt. De horecafunctie wordt vervangen door een woonfunctie en de bij de horecagelegenheid behorende bijbehorende bouwwerken worden gesloopt. Deze wijziging op het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Tubbergen is technisch opgesteld conform het InformatieModel Ruimtelijke Ordening (IMRO), maar is inhoudelijk uitgewerkt op basis van de vereisten volgens de Omgevingswet.

7.2 Opzet regels Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen. Toepassing TAM-IMRO De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de – onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte – IMRO-standaard en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl. Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025.

Als het ontwerp van een TAMOmgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 31 december 2025 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Werkingsgebied De regels in dit TAM-Omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie 'Ootmarsumseweg 182 Albergen', waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0183.TAMGKALBOOTMARS182-VG01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In hoofdstuk 1 van deze ruimtelijke motivering is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. plangebied opgenomen. 7.2.1

Preambule

In de preambule is opgenomen dat het TAM-Omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk in het gemeentelijk omgevingsplan en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen. 7.2.2

Inleidendebepalingen

Hoofdstuk 1 bevat algemene bepalingen die gelden voor het gehele plangebied en bestaat uit: Artikel 1 : In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen, voor een eenduidige interpretatie van deze begrippen. Artikel 2: Dit artikel bevat de wijze van meten. Artikel 3 Toepassingsbereik: Dit artikel geeft aan voor welk werkingsgebied de regels van toepassing zijn. Tevens wordt aangegeven dat specifieke artikelen uit de Omgevingswet en het Omgevingsplan van TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Ootmarsumseweg 182 Alberge n

59

rechtswege niet van toepassing zijn indien strijdigheid bestaat met de regels uit het TAM-Omgevingsplan. 7.2.3

Functies en activiteiten

In Hoofdstuk 2 is opgenomen welke functies binnen het plangebied zijn toegestaan. Per toegestane functie is aangegeven waar en hoe bouwen ten behoeve van de functie is toegestaan. 7.2.4

Algemene bepalingen

Hoofdstuk 3 bevat ook algemene bepalingen. Ook deze bepalingen gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: Artikel 7: Anti-dubbeltelregel. Artikel 8: Planologische gebruiksactiviteiten. In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze regels gaan uit van het principe dat gebruik uitsluitend is toegestaan in overeenstemming de ter plekke toegestane functies. Daarnaast wordt hierin het gebruik dat strijdig is met dit omgevingsplan beschreven. Artikel 9: Regels parkeren. Dit artikel bevat algemeen geldende bepalingen ten aanzien van strijdig en toegestaan gebruik volgens de in het omgevingsplan toegekende functies. Dit artikel bevat tevens regels ten behoeve van voldoende parkeergelegenheid in het kader van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Artikel 10: In dit artikel is aangegeven dat de aanvraagvereisten uit artikel 22.5.2 van het omgevingsplan van rechtswege ook van toepassing zijn verklaard op omgevingsvergunningaanvragen vereist op basis van het TAM-Omgevingsplan. 7.2.5

Nadere toelichtingop de regels

Kenmerk van de Nederlandse regelgeving op het gebied van de fysieke leefomgeving is dat er sprake is van een ‘ja, mits’-principe. Het omgevingsplan geeft voor veel functies aan onder welke voorwaarden ze voorstelbaar/inpasbaar zijn binnen het werkingsgebied of specifieke deelgebieden binnen het werkingsgebied. Het omgevingsplan vormt het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan welke functies op welke locaties binnen het werkingsgebied voorstelbaar worden geacht (en onder welke voorwaarden). Verkeer (Artikel 4) De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bedoeld voor wegen, straten en paden en parkeervoorzieningen. Er mogen op deze gronden enkel gebouwd worden ten dienste van de deze functie. Het is verboden om binnen deze functie gebruiksactiviteiten te verrichten die betrekking hebben op het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, het bedrijfsmatig gebruiken van de gronden en evenementen.

Wonen - Wonen in de bebouwde kom (Artikel 5) Een locatie die op de verbeelding behorende bij het voorliggende TAM-Omgevingsplan als zodanig is aangewezen, is bedoeld voor het wonen, met daaraan ondergeschikt speelvoorzieningen, groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen ten behoeve van afvoer, (tijdelijke)berging en infiltratie van hemelwater, parkeervoorzieningen, wegen en paden, tuinen, erven en terreinen. In onderstaande alinea worden de voor deze functie belangrijkste regels beschreven. Voor de overige regels wordt kortheidshalve verwezen naar Artikel 5. Binnen deze functie mag uitsluitend worden gebouwd voor zover dit in overeenstemming is met deze functie. Voor het bouwen van hoofdgebouwen geldt dat deze uitsluitend binnen het bouwvlak gebouwd mogen worden. Daarbij dient de op de plankaart aangegeven maatvoering met betrekking tot de maximum bouw- en goothoogte gehanteerd te worden. Hoofdgebouwen worden vrijstaand, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal aaneen te bouwen wooneenheden' woningen tevens aangebouwd mogen worden, in welk geval het ter plaatse van de aanduiding genoemde aantal ten hoogste aaneen gebouwd mag worden. Bijbehorende bouwwerken mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd.

De gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken mag per hoofdgebouw / bedrijfswoning ten hoogste 50% van het bouwperceel bedragen met een maximum van 250 m². Waarde - Archeologie (Artikel 6) De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bedoeld voor de bescherming van en onderzoek naar aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden. Binnen deze functie is de bouw van nieuwe bouwwerken in beginsel niet toegestaan. Dit verbod is niet van toepassing op bouwwerken en -projecten ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - middelhoge archeologische verwachtingswaarde' met een oppervlakte van niet meer dan 5.000 m2, waarbij de bodem niet op een grotere diepte dan 0,4 m wordt verstoord, dan wel voor bouwprojecten 60

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Ootmarsumseweg 182 Albergen

waarvoor een omgevingsvergunning is verleend voor de activiteit bouwen en een archeologisch onderzoek is uitgevoerd waarin de archeologische waarde van de gronden in voldoende mate is vastgesteld. Voor de overige regels wordt kortheidshalve verwezen naar Artikel 6.

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Ootmarsumseweg 182 Alberge n

61

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://bestuur.tubbergen.nl/api/v1/meetings/1405/documents/27204