CConstaterende datTubbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Ontwerp ROB Geesteren, Delmaweg 8.pdf

Raadscommissie 10 mei 2022, gemeente TubbergenBij agendapunt: 9: Aanvraag van verklaring van geen bedenkingen voor het bouwen van een paardenstal Delmaweg 8 Geesteren28.520 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

28

omgevingsvergunning Geesteren, Delmaweg 8

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en projectgebied van toepassing zijn. Bovendien is een ruimtelijke onderbouwing vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.

4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het

vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag. Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld. Toets

Bij de besluitvorming of de m.e.r.-plicht vanwege de toename van de omvang (capaciteit) van het bedrijf aan de orde is, spelen ook toekomstige ontwikkelingen een rol. Ingevolge onderdeel A, lid 2 van het Besluit m.e.r. wordt onder capaciteit immers mede verstaan een redelijkerwijs binnen afzienbare tijd voorzienbare uitbreiding van de capaciteit. Verdere uitbreiding van het bedrijf, boven de voorgenomen plannen die de initiatiefnemer op korte termijn wil realiseren en in de beoordelingsnotitie zijn beschreven, wordt de eerst komende jaren niet voorzien. De voorgenomen activiteit heeft betrekking op het oprichten, wijzigen of uitbreiden van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren met 19 volwassen paarden (3 jaar en ouder) en 31 paarden in opfok (jonger dan 3 jaar). De voorgenomen activiteit valt onder onderdeel D van de bijlagen van het Besluit m.e.r. De voorgenomen activiteit ligt beneden de drempelwaarde van onderdeel D van de bijlage va het Besluit m.e.r. (100 dierplaatsen voor paarden of pany's Rav categorie K 1 en K 3, waarbij dieren in opfok niet worden meegeteld Rav categorie K 2 en K 4). Op grond van het Besluit m.e.r. moet het bevoegd gezag, voor alle activiteiten die beneden de m.e.r.beoordelingsdrempel liggen, bepalen of de activiteiten daadwerkelijk geen belangrijke nadelige gevolgen heeft.

Volgens de m.e.r.-richtlijn moet bij het bepalen of er al dan niet een MER moet worden gemaakt, niet alleen de omvang van een activiteit een rol spelen maar ook andere criteria, zoals de ruimtelijke context van de cumulatie met de omgeving, die zijn opgenomen in bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn.

Op grond van artikel 7.2, lid 1, Wet milieubeheer dient een beslissing te worden genomen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het besluit op de aanvraag om omgevingsvergunning, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, een MER moet worden opgesteld. Op 20 maart 2020 is een aanmeldnotitie ingediend (aangevuld c.q. gewijzigd op 5 en 30 juni en 21 juli 2020). Op basis van de ingediende aanmeldnotitie heeft het bevoegd gezag besloten dat, gelet op de overwegingen die zijn opgenomen in dit besluit, dat ter voorbereiding op het besluit op grond vna artikel 2.1, onder a en c van de Wet algemene bepalingen Omgevingsrecht (Wabo), voor de gewenste activiteit geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld nu belangrijke nadelige gevolgen als bedoeld in artikel 7.2 Wet milieubeheer kunnen worden uitgesloten (zie ook Hoofdstuk 4). Het m.e.r.-beoordelingsbesluit is opgenomen als Bijlage 2.

omgevingsvergunning Geesteren, Delmaweg 8

29

4.2 Milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. •

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven. Milieucategorie

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied

10 m

30 SO

100

SO

200

100

300

200

500

700

500

1.000

700

.500

.000

Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering Toets Bij het realiseren van een nieuwe functie dient gekeken te worden of die nieuwe functie past in de omgeving (externe werking) en of de omgeving de nieuwe functie toelaat (interne werking). Bij onderhavig plan is er sprake van het omgevingstype 'buitengebied' aangezien er overwegend sprake is van agrarisch grondgebruik met daaraan ondergeschikt hoofdzakelijk woonerven.

Externe werking

Bij externe werking gaat het om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling milieubelastend is naar de omgeving. Een paardenhouderij valt op grond van de VNG-publicatie 'bedrijven en milieuzonering' te scharen onder de activiteiten 'paardenfokkerijen'(SBI-code 0143) en 'het houden van graasdieren' (SBI-code 145). Voor beide activiteiten geldt milieucategorie 3.1 waarvoor de volgende richtafstanden gelden:

• Geur: 50 meter; • Geluid: 30 meter; • Stof: 30 meter. Deze richtafstanden dienen getoetst te worden in relatie tot de te behouden en nieuw te realiseren voorzieningen voor het houden van paarden zoals de bestaande paardenstal en de nieuwe rijhal, paardenbak, stapmolen en mestbak. 30

omgevingsvergunning Geesteren, Delmaweg 8

De stapmolen is gelegen op de kortste afstand ten opzichte van de woning aan de Delmaweg 8a. De stapmolen is gesitueerd op een afstand van 51 meter ten opzichte van de dichtsbijzijnde gevels van de woning Delmaweg 8a. De paardenstallen zijn gelegen op een afstand van respectievelijk 56 meter en 69 meter van de dichtsbijzijnde gevels van de woning aan de Delmaweg 8a. Tot slot ligt de nieuw aan te leggen paardenbak op een afstand van 56 meter van de dichtsbijzijnde gevel van de woning Delmaweg 8a. Derhalve kan geconcludeerd worden dat aan alle richtafstanden wordt voldaan. De schuren/bijgebouwen die tussen de woningen aan Delmaweg 8 en 8a zijn gelegen, worden gebruikt voor opslag. De schuren liggen respectievelijk op circa 26 en 36 meter van de meest nabijgelegen gelegen gevel van de woning aan de Delmaweg 8a. Voor opslag kan worden uitgegaan van een functie in categorie 1, waarvoor een richtafstand van 10 meter geldt.

Tot slot geldt voor de opslag van vaste mest conform artikel 3.46 van het Activiteitenbesluit milieubeheer een afstand van 50 meter tot een geurgevoelig object. De afstand van de aan te leggen vaste mestbak tot de woning Delmaweg 8 bedraagt 96 meter. De afstand van de mestbak tot de woning aan de Delmaweg 8a bedraagt 133 meter. Aan deze afstandseis wordt ruimschoots voldaan.

Daarnaast gelden voor de aspecten 'geur' en 'geluid' een richtafstand van 30 meter. Aangezien voldaan wordt aan de richtafstand van 50 meter geldt dat ook de aspecten geur en geluid, waarvoor een lagere richtafstand geldt, voldaan wordt aan de richtafstanden op grond van bedrijven en milieuzonering.

Op grond van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat er als gevolg van onderhavig plan sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de in de omgeving van het projectgebied gelegen gevoelige functies. Volgens de regels van het vigerende bestemmingsplan 'Tubbergen buitengebied 2016', dient een hoofdgebouw uitsluitend ter plaatse van de situering van het bestaande hoofdgebouw te worden gebouwd. Van deze situering kan op grond van het bestemmingsplan afgeweken worden mits de huidige situering van het hoofdgebouw belemmeringen oplevert voor de omgeving of voor de bewoners zelf en er met een gewijzigde situering een verbetering kan worden bewerkstelligd ten gunste van een goed woon- en leefklimaat, al dan niet vanwege stedenbouwkundige redenen. De nieuwe situering mag daarbij geen onevenredige afbreuk doen aan de milieusituatie, het bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. Indien het plan bestaat om de woning Delmaweg 8a te verplaatsen, dan biedt het betreffende perceel voldoende mogelijkheden om de woning te verplaatsen zonder dat knelpunten hoeven te ontstaan voor het agrarisch bedrijf.

Interne werking Bij interne werking gaat het om de vraag of de omgeving de nieuwe functie toelaat. Een paardenhouderij is geen milieugevoelige functie. De bestaande woning binnen het plangebied behoort tot het bedrijf (inrichting). Wel moet er voor de woning sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten opzichte van omliggende milieubelastende functies. Aangezien het een bestaande woning betreft, waarvan de situering ongewijzigd blijft, kan nadere toetsing aan de richtafstanden achterwege blijven.

Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' vormt derhalve geen belemmering voor dit plan.

4.3 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden.

Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden:

• ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen; • ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht. Toets omgevingsvergunning Geesteren, Delmaweg 8

31

Het projectgebied is gelegen buiten de bebouwde kom. Voor paarden zijn geen geuremissiefactoren vastgesteld op basis van de Regeling geurhinder en veehouderij. Daarom gelden voor de stallen van paarden alleen de minimumafstanden zoals opgenomen in het Activiteitenbesluit (artikel 3.117 (vaste afstanden) en artikel 3.119 (gevel tot gevel)). De minimale afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object dient op grond van artikel 3.119 50 meter te bedragen indien de inrichting is gelegen buiten de bebouwde kom. De afstand van het dichtstbijzijnde dierenverblijf tot aan de dichtsbijzijnde gevel van de woning Delmaweg 8a bedraagt 56 meter. De afstand tussen nieuwe rijhal en de woning aan de Delmaweg 8A bedraagt minimaal 69 meter. Hiermee wordt dus voldaan aan de eisen van de Wgv. Het aspect 'geur' vormt derhave geen belemmering voor dit plan.

4.4 Bodem Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen.

Toets Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is door Kruse Milieu BV een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (projectcode 20009610, d.d. 19 maart 2020. Het onderzoek is is als bij deze onderbouwing opgenomen. De resultaten van het onderzoek zijn samengevat als volgt:

Resultaten veldwerk Het terrein is beschouwd als niet verdacht. In totaal zijn er 15 boringen verricht, waarvan 1 tot 2.70 meter diepte welke is afgewerkt met een peilbuis. Gebleken is dat de grond globaal bestaat uit matig fijn zand met in de ondergrond grof zand en een zwak zandige leemlaag. In de ondergrond is een roesthoudende laag aangetroffen. Er zijn, met uitzondering van kunstgras en lavastenen tot circa 0.4 meter diepte in boring 2 en 12, geen bodemvreemde materialen waargenomen. De veldwerker heeft visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld of in de bodem. Het freatische grondwater in de peilbuis is aangetroffen op 0.16 meter min maaiveld.

Resultaten chemische analyses Op basis van de resultaten van de chemische analyses kan het volgende worden geconcludeerd:

• de bovengrond (BG I) is niet verontreinigd; • de bovengrond (BG II) is zeer licht verontreinigd met zink; • de ondergrond (OG) is niet verontreinigd; • het grondwater (PB 1) is (zeer) licht verontreinigd met barium en zink. Hypothese De hypothese "onverdachte locatie" dient te worden verworpen, aangezien er overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarden zijn aangetoond.

Conclusies en aanbevelingen

In de bovengrond (BG II) en in het grondwater zijn lichte verontreinigingen aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4 van het onderzoek. In de bovengrond (BG I) en in de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetroffen. Aangezien de tussenwaarde niet wordt overschreden, is er geen reden om een nader onderzoek uit te voeren. Slotconclusie

Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan en de voorgenomen nieuwbouwplannen, aangezien de vastgestelde verontreiniging geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (paardenstal, stapmolen en paardenbak).

32

omgevingsvergunning Geesteren, Delmaweg 8

4.5 Geluid In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies:

Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. • • •

Toets

Wegverkeerslawaai

Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van:

a.

in stedelijk gebied: • voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; b. in buitenstedelijk gebied: • voor een weg, bestaande uitvijf of meer rijstroken: 600 meter; • voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet:

c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh). Het perceel is gelegen aan de Delmaweg 8 in het buitengebied van Geesteren. Agrarische gebouwen zijn niet aan te merken als een geluidsgevoelige functie. De bestaande woning op het perceel blijft gehandhaafd en wordt in de huidige situatie reeds aangemerkt als een geluidsgevoelig object ten opzichte van eventuele bedrijvigheid in de omgeving. Er worden geen wijzigingen aangebracht in de situering van de woning. Een nadere beschouwing op dit onderdeel is derhalve niet vereist.

Railverkeerslawaai Er zijn geen spoorlijnen in de omgeving van het plangebied aanwezig. Industrielawaai Er is geen sprake van ligging op of nabij een gezoneerd industrieterrein. Nadere bespreking is derhalve niet noodzakelijk. In paragraaf 4.3 is ingegegaan op het aspect geluid in relatie tot omliggende woningen.

4.6 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit.

In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:

• Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); • Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. omgevingsvergunning Geesteren, Delmaweg 8

33

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:

• woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; • woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; • kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen

Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.

De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.

Toets Middels dit project wordt middels een omgevingsvergunning conform artikel 2.12 eerste lid onder a, sub 3o Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (zogenoemde projectafwijkingsbesluit) van het vigerende bestemmingsplan afgeweken teneinde een productiegerichte paardenhouderij mogelijk te maken. Ten behoeve van de paardenhouderij wordt een nieuwe rijhal gerealiseerd en worden de paardenbak en stapmolen verplaatst.

Door de nieuwe functie (productiegerichte paardenhouderij) zal er een toename van het aantal verkeersbewegingen ten opzichte van de huidige situatie plaatsvinden. In de nieuwe situatie komen er naar verwachting 2 tot 3 bezoekers (klanten en dienstverleners ten behoeve van de paardenhouderij, zoals dierenarts) per dag naar het perceel. Aangezien de logiesfunctie uitsluitend gebruikt worden ten behoeve van de overnachting van gasten van de paardenhouderij en niet voor recreatief nachtverblijf, leidt de logiesfunctie derhalve niet tot een extra toename van het aantal verkeersbewegingen. Verder zijn er twee medewerkers in dienst. Voor het vervoer van paarden is een vrachtwagen aanwezig. Aanlevering van voer e.d. vindt slechts af en toe (ééns per maand of kwartaal) plaats. In figuur 4.2 is een scenario opgenomen, waarin het aantal extra verkeersbewegingen op 20 per dag is gezet, waarvan 2 vrachtwagenbewegingen per dag.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie

2020

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

20

Aandeel vrachtverkeer

10,0%

NO2 in pg/m3

0,03

PM10 in pg/m3

0,00

Maximale bijdrage extra verkeer

Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in pg/m3

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig

Figuur 4.2: Worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer (bron: infomil.nl) Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekenende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Overigens geldt dat ook bij een groter aandeel vrachtwagenbewegingen de uitkomst 'niet in betekenende mate' is. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve 34

omgevingsvergunning Geesteren, Delmaweg 8

niet nodig.

4.7 Externe veiligheid Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:

• het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); • de Regeling externe veiligheid (Revi); • het Registratiebesluit externe veiligheid; • het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); • het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.

Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. • Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. •

Risicokaart Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Toets

Figuur 4.3 geeft een weergave van het plangebied ten opzichte van risicobronnen weer. Uit onderzoek blijkt dat mogelijke risico's voor het plangebied zich minimaal op 640 meter afstand van het plangebied bevinden. Ten eerste geven de zwarte cirkel(s) een vulpunt weer voor LPG. Hiervoor is een risicocontour van 25 en 40 meter opgenomen. Aangezien het plangebied op minimaal 640 meter gelegen is, is een nadere beschouwing niet vereist.

omgevingsvergunning Geesteren, Delmaweg 8

35

enseweg

0

I Lutkeberg

o §

5

Figuur 4.3: Uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl).

Aangezien er zich binnen de omgeving (minimaal 640 meter) geen risico's, derhalve geldt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); • zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.

•

4.8 Water Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de SVIR en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen).

Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021. De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en

36

omgevingsvergunning Geesteren, Delmaweg 8

het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen. Waterbeheerplan 2016-2021

Watersysteem

In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem. Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem.

Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst.

Watertoetsproces Op 3 februari 2020 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie Bijlage 4. Uitkomst hiervan is dat de normale procedure dient te worden doorlopen. Er is overleg geweest met het waterschap. Hieronder is het advies weergegeven. Het verhard oppervlak neemt toe met meer dan 4.700 m2. Hiervoor dienen compenserende maatregelen genomen te worden. Compenserende maatregelen zijn bijvoorbeeld de aanleg van een zaksloot, vijver, wadi's, bodempassage etc. . Hiervoor zijn compenserende maatregelen nodig. Het waterschap hanteert hierbij de 55 mm vuistregel. Concreet betekent dit dat 55mm x de toename verhard oppervlak, dit uitgedrukt in kubieke meters, ingericht dient te worden voor waterberging. Voor dit plan betekent dit dat circa 258 kubieke meter water geborgen moet worden. Dit water kan worden geborgen in bijvoorbeeld een zaksloot, wadi's, bodempassage, (vis)vijver, infiltratiekratten etc. Om een goede kwaliteit van water te realiseren moet worden voorkomen dat milieubelastende stoffen in het oppervlaktewater terecht komen. Het is wenselijk dat er geen gebruik gemaakt wordt van uitlogende (bouw)materialen.

Agrarische activiteiten Het gaat om bedrijfsmatige activiteiten (paardenhouderij). Voor dit plan is het Activiteitenbesluit van toepassing. Vrij vertaald zegt het Activiteitenbesluit dat het rechtstreeks afstromen van verontreinigd (regen)water van het verharde erf naar het oppervlaktewater (=erfafspoelwater) voorkomen moet worden. Bij het inrichten van het erf wordt geadviseerd om de waterstromen van elkaar te scheiden. Water wat schoon is dient schoon te blijven. Aangezien binnen het plan waterberging dient te worden aangelegd, adviseren wij om het verontreinigd (regen)water aan te sluiten op de nieuw aan te leggen waterberging. Toets Er wordt een wadi/vijver gerealiseerd met een diepte van circa 1 tot 1,5 meter. Zie voor de ligging van deze voorziening het KGO-plan van N+L Landschapsontwerpers. Door deze voorziening aan te leggen wordt circa 275 m3 (hemel)water geborgen. Hiermee wordt voldaan aan de eis van het waterschap.

4.9 Ecologie Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening).

Toetsing Gebiedsbescherming omgevingsvergunning Geesteren, Delmaweg 8

37

Natuurnetwerk Nederland Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van gronden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Gronden die tot het NNN behoren liggen op minimaal 1,9 kilometer afstand van het projectgebied.

Natura 2000-gebied Het projectgebied behoort niet tot Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, 'Engbersdijkvenen', ligt op minimaal 4,6 kilometer afstand van het projectgebied. Gelet op deze afstand wordt gesteld dat er geen sprake is van een directe invloed op Natura 2000-gebieden als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. Wel is er sprak van een indirecte invloed in de vorm van stikstofdepositie.

Vergunning Wet natuurbescherming Op 23 mei 2019 is door de provincie Overijssel een vergunning verleend in het kader van de Wet natuurbescherming (kenmerk: 2019/0163229) voor de emissie van 160,10 kg ammoniak (NH3) per jaar, voor het houden van 19 volwassen paarden (3 jaar en ouder) en 31 paarden in opfok (jonger dan 3 jaar) (zie ook Bijlage 5). Het houden van 50 paarden is het maximaal planologisch toegestane aantal in de toekomstige situatie.Hoewel de Wnb-vergunning onherroepelijk is geworden kan de initiatiefnemer nog geen gebruik maken van de Wnb-vergunning aangezien het bestemmingsplan is voorzien van de bestemming Wonen. De bouw van de paardenstal, de paardrijbak, de stapmolen en het gebruik van het perceel als paardenhouderij is niet toegestaan. Met een buitenplanse afwijking wordt van het bestemmingsplan afgeweken om de paardenhouderij toe te staan en de bedrijfsgebouwen te kunnen bouwen. De Wnb-vergunning vormt de basis voor het plan en wordt één op één overgenomen in het plan (en ingevolge de jurisprudentie behoudt een onherroepelijke natuurvergunning op basis van de passende beoordeling haar rechtsgevolg).

De huidige Wnb vergunning is enkel te summier, omdat niet alle activiteiten zijn meegenomen (transportbewegingen, stationair draaiende motoren etc.). Middels deze aanvraag wordt de Wnb-vergunning d.d. 23 mei 2019 geactualiseerd zodat deze voldoet aan de huidige wet- en regelgeving. Om te bepalen of de voorgenomen ontwikkeling leidt tot significant negatieve effecten op Natura 2000-gebied is door FarmConsult een AERIUS-berekening (toets intern salderen Wet natuurbescherming) uitgevoerd om te bepalen of de paardenhouderij leidt tot negatieve effecten op Natura 2000-gebied. De rapportage is als Bijlage 6 bij de toelichting opgenomen. In de berekening is de stikstofuitstook tussen de vigerende vergunning en de aangevraagde planologische situatie (paardenhouderij) berekend.

Uit de berekening van FarmConsult (Bijlage 6) blijkt dat er bij de aanvraag sprake is van intern salderen. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat de aanvraag geen verslechtering oplevert van de kwaliteit van de habitats of leidt tot een significante verstoring van de soorten. paardenhouderij niet leidt tot een verslechtering van de kwaliteit van de habitabts of een significante verstoring van de soorten. De Wet natuurbescherming vormt voor het aspect stikstof geen belemmering voor uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling.

Soortenbescherming Er wordt geen bebouwing gesloopt. Er wordt een nieuwe rijhal met paardenstallen en andere voorzieningen ten behoeve van de paardenhouderij gerealiseerd. Deels binnen het huidige erf, deels op agrarische grond (weiland). De bestaande paardenbak wordt richting het weiland verplaatst en er wordt een nieuw inrit aangebracht. Deze ontwikkelingen vinden plaats op weiland/in de berm. De agrarische gronden worden gebruikt voor begrazing en er wordt regelmatig gemaaid. Gelet op de terreingesteldheid van de gronden is de locatie ongeschikt voor beschermde flora en/of fauna. Hierdoor kan worden aangenomen dat er geen sprake is van wettelijke consequenties in het kader van de Wet natuurbescherming. Een quickscan natuurwaarden is derhalve niet vereist.

4.10

Archeologie en Cultuurhistorie

Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig 38

omgevingsvergunning Geesteren, Delmaweg 8

(kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

Archeologie Op de gemeentelijke archeologische waarden- en verwachtingskaart zijn de verschillende verwachtingswaarden en bijbehorende beleidsadviezen weergegeven. Deze zijn vertaald in de regels van het bestemmingsplan 'Tubbergen Buitengebied 2016'.

Op grond van het vigerende bestemmingsplan is aan het projectgebied de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie 4' toegekend waarbij een onderzoeksplicht geldt vanaf de realisatie van een of meer bouwwerken of grondroerende werkzaamheden met een gezamenlijke oppervlakte van 5000 m2 of meer en dieper dan 0,40 meter. Toets

In onderhavige situatie zal het erf worden uitgebreid. Daarnaast zal nieuwbouw worden gerealiseerd. De nieuw te bouwen rijhal zal een oppervlakte hebben van ongeveer 1700 m2. De oppervlakte uitbreiding van het erf en de nieuwbouw bevindt zich ruim onder de drempelwaarde van 5000 m2. Een archeologisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

Cultuurhistorie

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Toets

In de directe omgeving zijn geen monumenten gesitueerd. Het dichtstbijzijnde monument is gelegen op 650 meter afstand van het perceel. Deze locatie heeft echter geen invloed op het projectgebied. Uit de Atlas van Overijssel blijkt dat zich verder geen beperkingen voordoen voor de locatie aan de Delmaweg 8. Geconcludeerd kan worden dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.

4.11

Verkeer / parkeren

4.11.1 Parkeren

Bij het opstellen van een ruimtelijke onderbouwing moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Op het projectgebied is ten aanzien van het parkeren het bestemmingsplan 'Buitengebied Tubbergen 2016 Veegplan', vastgesteld op 15 december 2020, van toepassing. In het bestemmingsplan wordt voor de parkeernormen verwezen naar de beleidsnotitie ‘Bouwen en parkeren 2018’. Toets

Ten behoeve van de paardenhouderij zijn een aantal extra parkeerplaatsen benodigd. In de beleidsnotitie 'Bouwen en parkeren 2018' zijn geen parkeernormen opgenomen voor de functie paardenhouderij. Dit geldt ook voor de CROW-publicatie 317, waar naar verwezen wordt in de beleidsnotitie. Daarin zijn eveneens geen parkeernormen genoemd. Dagelijks is er gemiddeld sprake van 2 a 3 bezoekers en daarnaast dient personeel (2 medewerkers en eventueel stagiaires) te kunnen parkeren. De logiesfunctie is uitsluitend bedoeld ten behoeve van de overnachting van gasten van de paardenhouderij en niet voor recreatief nachtverblijf. De logiesfunctie leidt ten opzichte van de paardenhouderij niet tot een extra toename van de parkeerbehoefte. Er zijn in de nieuwe situatie 9 parkeerplaatsen voor motorvoertuigen aanwezig. Deze bevinden zich voor de bestaande paardenstallen (zie situatieschets figuur 2.3 in paragraaf 2.2). Hiermee zijn voldoende parkeerplaatsen ten behoeve van de paardenhouderij aanwezig. De paardenvrachtwagen en paardentrailer worden in een van de gebouwen geparkeerd. Het aspect 'parkeren' levert derhalve geen belemmeringen op voor dit plan.

omgevingsvergunning Geesteren, Delmaweg 8

39

4.11.2 Verkeer Het erf wordt in de huidige situatie ontsloten via de Delmaweg. Dit zal niet wijzigen in de nieuwe situatie. Er zal wel een extra inrit worden gerealiseerd, ten noorden van de huidige inrit. Hierdoor worden de verkeersbewegingen van het bedrijf en de woning beter gescheiden, hetgeen zowel voor de bedrijfsvoering als de woonsituatie voordelen (logische logistiek, veiligheid, privacy) heeft.

Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling zal een beperkte toename van verkeersbewegingen plaatsvinden. In de paragraaf 'luchtkwaliteit' is een aantal verkeersbewegingen van 20 per dag aangehouden. De logiesfunctie zal uitsluitend gebruikt worden ten behoeve van de overnachting van gasten van de paardenhouderij en niet voor recreatief nachtverblijf. De logiesfunctie leidt derhalve niet tot een toename van het aantal verkeersbewegingen (deze zijn bij de verkeersgeneratie van de paardenhouderij inbegrepen). De leveranciers van voer, hooi en stalstrooisel leveren doorgaans grote hoeveelheden waardoor dit minimale impact heeft op de toename van het verkeer. Hooilevering vindt één keer per kwartaal plaats. Krachtvoer en stalstrooisel gemiddeld genomen eens per maand.

Voor de nieuwe situatie kan worden uitgegaan van een aantal verkeersbewegingen van gemiddeld 20 per dag, gezien het aantal personeelsleden en het aantal gasten/bezoekers (klanten, dierenarts, hoefsmid e.d.). Deze toename van het aantal verkeersbewegingen per dag betekent een beperkte toename ten opzichte van de huidige situatie. Deze toename kan eenvoudig via de huidige wegen (Delmaweg en omliggende wegen) worden afgewikkeld. Het aspect 'verkeer' levert geen belemmeringen op voor dit plan.

40

omgevingsvergunning Geesteren, Delmaweg 8

Hoofdstuk 5 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een projectafwijkingsbesluit dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening 2008 (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met het verlenen van de vergunning moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. De raad kan bevoegdheden omtrent een exploitatieplan delegeren. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij een projectafwijkingbesluit. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een projectafwijkingsbesluit geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is.

Voor de aanvraag omgevingsvergunning worden leges in rekening gebracht. Deze zijn voor rekening van de aanvrager. De ontwikkeling is een initiatief van de eigenaar van de betreffende gronden. Met deze eigenaar wordt een anterieure overeenkomst gesloten waardoor de gemeentelijke kosten anderszins verzekerd zijn.

omgevingsvergunning Geesteren, Delmaweg 8

41

42

omgevingsvergunning Geesteren, Delmaweg 8

Hoofdstuk 6 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.1 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een ruimtelijk overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke ruimtelijke plannen. Geoordeeld wordt dat dit planvoornemen geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Overijssel De provincie Overijssel heeft in juli 2016 een uitzonderingslijst opgesteld van categorieën bestemmingsplannen en projectbesluiten van lokale aard waarvoor vooroverleg niet noodzakelijk is. Het plan valt onder categorie B onder 4, waardoor vooroverleg niet nodig is.

Waterschap Vechtstromen Op 3 februari 2020 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt. Het advies van het waterschap is in paragraaf 4.8 opgenomen.

6.2 Zienswijzen Het ontwerpbesluit heeft met ingang van ......... voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit besluit kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn ......... zienswijzen binnengekomen.

omgevingsvergunning Geesteren, Delmaweg 8

43

Bijlagen

44

omgevingsvergunning Geesteren, Delmaweg 8

Bijlage 1

KGO plan

omgevingsvergunning Geesteren, Delmaweg 8

45

N°L. landschapsontwerpers

RUIMTELIJK KWALITEITSPLAN KGO •

Delmaweg 8 - Geesteren

•

Tubbergen, 4 april 2022 - Versie 1 Definitief

IN°l

land,schapSn / bJSontw

_______

I

I TBG02K 799q

"T T,e3 ..L. * ■ zané

I I

Pr°lect: KGO

- °nt^keiing D

'eelding- r\rit

.

|

9De/^eg8

t8ren ^on: N+

tenaschedsonrwerpee.

-.2

NS ---------------

Ruimtelijk kwaliteitsplan Project: KGO

Locatie: Delmaweg 8 Geesteren (ov.)

Titel rapport

RKP KGO - Delmaweg 8 Geesteren (ov.)

Opgesteld:

4 april 2022, Tubbergen

Gewijzigd:

-

Status:

Versie 1 - Definitief

Auteur:

N+L Landschapsontwerpers

www.nl- andschap.nl

3

NL. landschapsontwerpers

4

1. Aanleiding

05

2. Huidige situatie

06

3. Beleid

08

4. Nieuwe situatie

10

5. Financiële onderbouwing

18

1. Aanleiding Aan de Delmaweg 8 in Geesteren hebben de initiatiefnemers een woning

uitbreiding aanvragen die naar aard en omvang passend is voor de locatie. Als

in eigendom met enkele bijbehorende opstallen. Daarnaast is er sprake

tegenprestatie voor de uitbreiding dient de ondernemer te investeren in de

van een paardrijbak en een stapmolen. Binnen de woonbestemming is het

ruimtelijke kwaliteit.

mogelijk om een aantal paarden te houden, maar de doelstelling van de initiatiefnemers is het uitbreiden naar een paardenhouderij. De bestemming

Landschappelijke inpassing

“Wonen” is daarvoor niet toereikend. Men dient daarom de bestemming

De gemeente Tubbergen eist voor de ontwikkeling een landschappelijke

“Paardenhouderij” te verkrijgen. De direct aanliggende gronden hebben de

inpassing. In dit document wordt daarom de landschappelijke inpassing

bestemming 'Agrarisch'. In dit geval wordt het één en ander mogelijk gemaakt

uiteengezet. Er wordt een beschrijving van het plangebied gegeven, het

aan de hand van een projectbesluit.

omliggende landschap en het vigerende beleid. Dat resulteert in een

beschrijving van de nieuwe situatie die aan het gestelde beleid voldoet. De ontwikkeling naar een paardenhouderij kan enkel in het buitengebied plaatsvinden. De ligging aan de Delmaweg is daarvoor zeer geschikt. Langs

de Delmaweg is sprake van meerdere (agrarische) bedrijven. Het maakt

onderdeel van de heideontginning waarbij het open landschap kans biedt

om bedrijven te herbergen die qua aard en omvang vaak niet passen binnen de meer kleinschalige landschappen. Erven in dergelijke landschappen zijn

vaak geordend en georiënteerd op de aangrenzende weg. Dat is hier ook het geval. Belangrijk in dergelijke landschappen is om voort te borduren op de concentratie van bebouwing en daarmee doorzichten richting het open

landschap te behouden. De

ontwikkeling

past

niet

binnen

de

bestaande

bestemming.

De

initiatiefnemer moet daarom gebruik maken van de regeling Kwaliteitsimpuls

Groene Omgeving (KGO). Via deze regeling kan een initiatiefnemer een

5

2. Huidige situatie Net als andere grote delen van Overijssel ligt het plangebied in een landschap

Nieuwe elementen

dat is opgebouwd door dekzandvlakten met minimale hoogteverschillen. Dit

Nieuwe elementen moeten voorkomen dat het open karakter van het

is ontstaan in de laatste ijstijd waar zandruggen en beekdalen na verloop van

landschap wordt aangetast. Als er sprake is van nieuwe aanleg dan moet het

tijd zijn geërodeerd. Hoogteverschillen waren grotendeels verdwenen en

een element robuust zijn. Het type landschap leent zich niet voor de aanleg

door de grootschalige ontginning van heide en de moderne landbouw is het

van kleinere structuren.

landschap nog eens sterk geërodeerd. Het plangebied ligt in een landschap

dat nagenoeg vlak is geworden. Dat is in dit geval opmerkelijk. Rond 1880

Huidige indeling

zijn namelijk nog restanten zichtbaar van een zogeheten Esker. Een bijzonder

Het was gebruikelijk dat erven in dit landschap dicht aan de wegen lagen, in

natuurverschijnsel waarbij smeltwater zich een baan door het landijs zocht en

dit geval de Delmaweg. In de meeste gevallen stond dan de woning kort aan

daar sediment achterliet. Toen het landijs verdween bleef een rug door het

de weg en de stallen en/of schuren daarachter. In veel gevallen was er sprake

landschap achter. Op de kaart nog zichtbaar door de hoogtelijnen.

van een nokrichting haaks op de weg. In dit geval staat de woning achter

de bestaande schuur aan de noordzijde. Andere opstallen liggen wel achter Essenlandschap

de woning. Een nieuwe ontwikkeling moet bij voorkeur achter de woning

Het plangebied ligt in het jonge heideontginningslandschap en is aan het begin

plaatsvinden. Dat kan op de locatie van de huidige paardrijbak. De stapmolen

van de jaren '30 ontgonnen zoals op de kaart van 1935 zichtbaar is. Het erf is

dient verplaatst te worden. Voorkomen moet worden dat het erf te breed

dan ook voor het eerst in beeld. Zoals gebruikelijk in dit landschapstype liggen

gaat worden. Naast het plangebied ligt een burgerwoning. Deze maakt geen

erven kort aan de straat en worden de erven afgewisseld met doorzichten

onderdeel uit van dit plan.

richting het open landschap. Namen op de oude topografische benadrukken

de jonge heideontginning. Er komen namen voor als “Geestersche Heide” en "Harbrinker Veld.

Het landschap Hoewel er nabij de Delmaweg 8 nog sprake is van enkele houtwallen die na

de ontginning zijn aangebracht kent het landschap rondom het plangebied een grote mate van openheid. De percelen zijn groot en worden enkel doorbroken

door sloten of wegen.

6

Tk —-a i-

T

g 2 To

Ov Planlocatie omstreeks 1935. (Bron: topotijdreis.nl)

T oi i =

Locatie ten zuidwesten van Geesteren (ov.). (Bron: geo.overijssel.nl)

Plangebied. (Bron: geo.overijssel.nl)

7

3. Beleid 3.1 Omgevingsvisie Overijssel

reserveringen voor integraliteit, toekomstbestendigheid, concentratiebeleid, ruimtegebruik,

waterveiligheid,

externe

veiligheid,

LOG

gebieden

en

Het provinciaal beleid van Overijssel is verwoord en vastgelegd in meerdere

begrenzingen als Nationale Landschappen, NNN-gebieden (natuurnetwerk

plannen. De belangrijkste is de Omgevingsvisie 2017 welke is vastgesteld

Nederland) en de EHS zijn voorbeelden van generieke beleidskeuzes.

op 12 april 2017. Nadien is deze visie meerdere keren geactualiseerd. De

Daarnaast zijn er gebied specifieke beleidskeuzes. De beleidskeuzes hebben

laatste actualisatie is betreft maart 2021. In de visie bakent de provincie af

geen invloed op de voorgenomen ontwikkeling.

wat zij voor de fysieke leefomgeving in Overijssel van provinciaal belang

vinden. De Omgevingsvisie Overijssel is dé provinciale visie voor de fysieke

Ontwikkelingsperspectieven:

leefomgeving van Overijssel. In de visie worden onderwerpen als ruimtelijke

In de visie zijn drie ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving

ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur bekeken

en drie voor de stedelijke omgeving. Deze perspectieven schetsen een

in samenhang met een duurzame ontwikkeling van onze leefomgeving. Het

ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke

beleid staat primair in dienst van de sociaaleconomische ontwikkeling van

beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. Het plangebied is aangemerkt

Overijssel om het toekomstbestendig te houden.

als “Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'.' Dat betekent dat

diverse functies verweven moeten worden. Het belangrijkste land gebruik Rode draden en beleidsambities

blijft melkveehouderij en akkerbouw, maar aan de andere kant is er ruimte

De opgaven en kansen zijn vertaald in centrale beleidsambities en negen

voor landschap, natuur, milieubescherming, cultuurhistorie, recreatie, wonen

beleidsthema’s. Deze worden benaderd vanuit de rode draden duurzaamheid,

en andere bedrijvigheid. In elk geval staat de ambitie, “voortbouwen op

ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit waarvoor thema overstijgende

kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen” voorop. De

kwaliteitsambities zijn geformuleerd. Vanuit het uitvoeringsmodel (of, waar

voorgenomen ontwikkeling past bij de gestelde ambitie indien de kenmerken

en hoe) worden generieke beleidskeuzes, ontwikkelingsperspectieven en

waar mogelijk behouden blijven. Nabij gelegen is de ambitie “Agrarisch

gebiedskenmerken beschreven.

ondernemen in het grootschalig landschap” Hierbij gaat het er vooral om

dat modernisering en schaalvergroting in de landbouw de ruimte krijgen. Generieke beleidskeuzes:

Initiatieven mogen dus de ontwikkelingen in de landbouw niet beperken. In

Deze keuzes vloeien voort uit keuzes van EU, Rijk of Provincie. Het zijn

de voorliggende situatie is daar geen sprake van.

keuzes die bepalend zijn of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. Vooral

8

Ontwikkelingsperspectief, het plangebied is lichtgroen wat betekent “Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap. (Bron: overijssel.tercera-ro.nl)

9

Gebiedskenmerken

Tenslotte

wordt

kunstmest. Het plangebied ligt in het jonge heideontginningslandschap

de

voorgenomen

ontwikkeling

getoetst

aan

de

waarbij men tijdens het ontginnen nooit nagedacht heeft over de schoonheid

gebiedskenmerken. Er zijn vier lagen te onderscheiden (natuurlijke laag, laag

van het landschap. Nu waarderen wij juist de ingrepen die destijds plaats

van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving).

hebben gevonden. Het ontginningslandschap is een halfopen tot open

Er gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke

landschap met rationele regelmatige blokverkaveling. Beplanting zijn vaak

ontwikkelingen. Er staat omschreven in een catalogus gebiedskenmerken

robuust in de vorm van singels op perceel randen of langs wegen. Hier en

welke kenmerken diverse gebieden en hoe een ontwikkeling invulling dient te

daar is er een boscomplex en de meeste beken zijn genormaliseerd. De

krijgen. De gebiedskenmerken zijn richtinggevend op aspecten als landschap,

nieuwe erven zijn vaak langs de hoofdwegen gesitueerd maar het aantal

infrastructuur, milieu, bodem en cultuurhistorie. De stedelijke laag is niet

wegen is juist relatief laag. De voorgenomen ontwikkeling is mogelijk

opgenomen; deze is niet relevant wat betreft de voorgenomen ontwikkeling.

indien het open landschap wordt gerespecteerd. Daarnaast moet er

aandacht zijn voor behoud en aanleg van robuuste beplantingen aan de Natuurlijke laag

randen.

De natuurlijke laag is aanvankelijk ontstaan zonder toedoen van de mens door onder andere invloeden van abiotische processen als de ijstijden,

3.2 Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving Tubbergen (KGO)

de wind en water. Zoals grote delen van Overijssel bestond ook het

plangebied uit dekzandvlakten met beperkte reliëfverschillen. In de

De gemeenten Tubbergen en Dinkelland hebben gezamenlijk de uitwerking

jaren zijn de hoogteverschillen onder andere door zandverstuivingen, het

van de omgevingsvisie opgepakt. Bij elke ontwikkeling dient de aantasting

ontginnen van de heidecomplexen en de ontwikkeling in de landbouw

van de landschappelijke en ecologische waarden gecompenseerd te worden.

nagenoeg verdwenen. Het gebied rondom de uitbreiding is nagenoeg vlak

Bij een grootschalige ontwikkeling dient men naast een basisinspanning en

geworden.

een extra investering aan te bieden. Men onderscheidt een aantal stappen: -

Wat is de omvang van de ontwikkeling;

Laag van cultuurlandschap

-

Welke locatie wordt er voorgesteld voor de elementen;

Door menselijk ingrijpen in de natuurlijke omstandigheden ontstaat er een

-

Maken de gronden deel uit van bepaalde natuurwaarden;

(agrarisch) cultuurlandschap. De mens heeft de heide ontgonnen om meer

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://bestuur.tubbergen.nl/api/v1/meetings/878/documents/16152