Bijlage Ontwerp ROB Geesteren, Delmaweg 8.pdf
Tekst van het document
-
Welk landschapstype en bouwstenen zijn van toepassing;
ruimte voor de landbouw te realiseren. Dit gebeurde na de opkomst van
-
Welke ambities en streefbeeld moet er nagestreefd worden;
10
(Links) Natuurlijke laag; het plangebied is omschreven als "dekzandvlakte en ruggen'. (Rechts) Laag van Cultuurlandschap; plangebied is omschreven als “jonge heide- en broekontginningslandschap'. (Bron: overijssel.tercera.nl)
11
Waar en hoe kunnen wij daaraan voldoen?
€ 65.495,68. Omdat er sprake is van een functioneel aan het buitengebied verbonden activiteit geldt er een investering van 25 % van het subtotaal.
In dat proces wordt er, net als bij de omgevingsvisie gekeken naar vier lagen;
Daarom volstaat een investering van € 16.373,92.
de natuurlijke, de agrarische, de stedelijke en de laag van de beleving. De
kwaliteitsimpuls moeten zonder meer bijdrage leveren aan een stevig en
Kosten voor het landschapsontwerp (met een maximum van 10%) kunnen
robuust landschappelijk raamwerk. Onder andere kunnen de verdwenen ken
worden afgetrokken, evenals de kosten voor het kwaliteitsteam. Omdat het
merken terug worden gebracht. Het volgende uit het KiGO is van toepassing
1 bezoek betreft is dat € 250,--. De bijdrage voor een investering in de ruimte
op de uitbreiding van het bouwblok:
lijke kwaliteit bedraagt daardoor € 14.486,53.
"Bij elke ontwikkeling op een bestaand bouwblok waarbij meer dan
Hoewel er nadrukkelijk gezocht is naar mogelijkheden voor een ruimtelijke
500m3 bebouwing wordt toegevoegd, geldt op basis van de regels van het
investering zijn deze slechts ten dele gevonden. De kosten voor aanleg en
bestemmingsplan Buitengebied en het gemeentelijk beleid, de noodzaak tot
herstel van bestaand groen en het nieuw aan te leggen groen kunnen worden
landschappelijke inpassing. Zodra sprake is van een grootschalige ontwikke
geraamd op € 4.645,-. Hoewel er meer groen wordt aangelegd mag dit niet
ling, geldt een meer gebiedsgerichte benadering. Indien er een bestemmings
mee worden gerekend omdat er sprake is van een basisinspanning. Deze kos
planprocedure genoodzaakt is, wordt een ontwikkeling gezien als grootscha
ten worden verantwoord onder hoofdstuk 5. De initiatiefnemer maakt daarom
lig. De Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving is dan van toepassing, naast de
ook gebruik van de mogelijkheid om het (rest)bedrag in het groenfonds van
basisinspanning. Dat geldt voor nieuwe functies en grootschalige uitbreiding
de gemeente Tubbergen te storten. Daar worden de volgende voorwaarden
van bestaande functies in het buitengebied."
aan gekoppeld:
Om de bijdrage KGO te bepalen is er een berekening opgesteld. In dit geval
20% van het totaalbedrag (20% van € 14.486,53 = € 2.89731)
vindt er een vergroting plaats van het bestaande bouwvlak. Totaal gaat het
blijft drie jaar lang beschikbaar voor de bouw van een (invaliden)
om een vergroting van 4.743,64 m2. Het gaat daarbij om een netto vergroting
toiletgroep, nieuwe hindernissen of hekjes voor de
omdat het bestemmingsvlak elders wat wordt verkleind. Daarnaast worden er
dressuurbaan. De bijdrage is voor Paardensportvereniging Sint
diverse onderdelen omgezet naar de bestemming bos/natuur om de inpas
Joris te Geesteren. De rijvereniging kan een verzoek voor
sing extra te kunnen borgen. Totaal is er daarom sprake van een subtotaal van
uitbetaling bij de gemeente indienen. De gemeente toetst
12
KGO Berekening Netto
aftrekposten:
Uitbreiding bestemming:_________ Toename bestemming paardenhou
.898,
Afwaardering:
is/natuur (N)
579,07
1.316,28
is/natuur (P)
241,45
-965,79
is/natuur (M)
278,58
s/natuur (O)
1501,54
Subtotaal
Functio
.495
buitengebied verbonden -/-
Kosten landschap:
10% van KGO na
irdering
Kosten kwaliteitsteam
KGO berekening voor de ruimtelijke investering. (Bron: N+L)
13
vervolgens de aanvraag en de dan ingediende plannen.
Het restbedrag (€ 14.486,53 - € 2.89731 - € 4.645,- = € 6.944,22) wordt gestort in het gemeentelijk groenfonds voor
investeringen in het landschap en/of de ruimtelijke kwaliteit in
zijn algemeenheid. Als de 20% voor maatschappelijk rood niet binnen twee jaar na vaststelling van het bestemmingsplan wordt gebruikt dan komt het geld vrij voor ruimte
lijke initiatieven binnen de gehele gemeente Tubbergen (gemeentelijk groen
fonds).
3.3 Casco benadering Noordoost Twente De gemeente Tubbergen hanteert, vooral ter bescherming van het bestaande
landschap, het casco beleid. Door het casco beleid is het mogelijk om via een kaart te achterhalen of een ontwikkeling wel of niet in strijd is met elementen
welke tot de casco behoren. Elementen als onderdeel uitmakend van de
Casco zijn in principe niet te verwijderen (groen lijnen/vlakken op de kaart). De ontwikkeling heeft geen gevolgen voor de bestaande casco elementen. De ontwikkeling heeft daarom geen consequenties voor het cascobeleid en/ of het cascobeleid heeft geen consequenties voor de ontwikkeling.
14
Fragment van de cascokaart behorende bij de casco benadering. (Bron: geo.overijssel.nl)
15
4. Nieuwe situatie planlocatie De bestaande (woon)boerderij (A) en de bestaande bijgebouwen (B/C)
de nieuwe entree. De houtsingel wordt voldoende transparant gehouden
blijven behouden. Het landschap kenmerkt zich door erven die relatief kort
zodat er contact blijft met het achterliggende open landschap dat op die
aan de weg liggen met gebouwen haaks op de weg achter de woning.
wijze ook kan blijven ervaren. Om de nieuwe stal voldoende evenwicht
De nieuwe paardenstal (D) komt daarom achter de bestaande woning.
te bieden worden twee structuren aangeplant. Een bosje (P) aan de
Normaal gesproken dient een erf zo compact mogelijk te blijven en zou de
noordoostelijke zijde dat daarmee het zicht op de schuur enigszins breekt
paardenstal meer zuidelijk moeten komen te liggen. Dat is in dit geval niet
en een houtsingel (O) uitlopend in een bos om de achterzijde van het erf
mogelijk vanwege twee beeldbepalende beuken (U). De bomen zorgen
in te passen. Het betreft een robuust element dat ook een functie bekleed
voor veel massa op het centrum van het (nieuwe) erf en zijn dusdanig
om de westenwind tegen te houden.
waardevol dat er voor is gekozen om de nieuwe paardenstal meer noordelijk
te bouwen. Langszij ontstaat er ruimte voor een paardenbak (G) en aan de
Aan de noordzijde van het perceel wordt beplanting (N) aangebracht om
achterzijde van het gebouw is er ruimte voor transport en mest (E/K).
een minder fraai aanzicht van de naastgelegen schuren landschappelijk in te
passen. De verharding aan de voorzijde (J) krijgt een hogere kwaliteit mee
De bestaande stapmolen is nu ten noorden van de bestaande paardenstal
om te voorkomen dat het gevoel van een industrieterrein ontstaat. Aan de
(C) gebouwd, en wordt verplaatst naar het centrum van het erf (F) voor
achterzijde wordt meer gekozen voor een praktische betonverharding (K).
de beeldbepalende beuken. Daardoor wordt het erf meer compact en
ontstaat er een meer kwalitatieve entree. Gebruikelijk is het om te kiezen
voor één entree, maar in dit geval is er een goede motivatie om daarvan af te wijken. De bestaande entree (W) is voor privé gebruik, de nieuwe entree (V) wordt zakelijk gebruikt. Het is niet veilig en niet logisch om
zwaar transport via de privé zijde af te wikkelen. Bovendien wordt de situatie daardoor onveilig.
De bestaande inpassing van zware bomen (Z) blijft behouden. Eén boom
dient geveld te worden vanwege de afnemende vitaliteit (T). Het is niet zinvol om een boom terug te planten. De bestaande inpassing aan de Delmaweg blijft behouden (M), maar wordt doorbroken ter plaatse van
16
TBG02Ke
A:
Bestaande woning, bestaande bijgebouwen (B).
C:
Te behouden paardenstal.
D:
Nieuw te bouwen paardenstal.
E:
Nieuw te realiseren mestbak en nieuwe stapmolen (F).
G:
Nieuw te realiseren paardenbak.
H:
Parkeerplaatsen.
I:
Erfverharding prive.
J:
N
Erfverharding zakelijk. Hoogwaardige elementverharding ter voorkoming van het begrip “bedrijventerrein’.
M
K:
Erfverharding transport.
L:
Beukenhagen (Fagus sylvatica). Een gedeelte is bestaand. Voor nieuwe hagen geldt de aanplant in de kwaliteit 60-80 (hoogte in cm). Er worden 5 stuks per ml aangeplant. De totale lengte nieuwe aanplant
Q
bedraagt 64 meter (320 stuks).
P
M:
Y
S
Fragment uit 1935 (topotijdreis.nl )
N:
Nieuw aan te planten houtsingel. Aanplant met inheemse soorten als O. Te onderhouden met hakhoutbeheer. Totale aanplant bedraagt 500
L
V
Bestaande houtsingels onderhouden voor meer transparantie.
stuks. De plantafstand bedraagt 1 x 1 meter in een driehoeksverband. Kwaliteit 80-100 (hoogte in cm).
O:
D D
M
N( C H )-
J
Nieuw aan te planten houtsingel (windscherm). Aanplant met inheemse
soorten. Te onderhouden met hakhoutbeheer. De soortkeuze bestaat uit berk, groene beuk, grove den, hazelaar, lijsterbes, Gelderse roos en
vuilboom in een gelijke verhouding. De kwaliteit van aanplant bedraagt
K
80-100 (hoogte in cm), totaal moeten er circa 660 stuks worden
O O
F
P:
TBG02KKU G) N
stuks. De plantafstand bedraagt 1 x 1 meter in een driehoeksverband.
T)CA B)“E X(Z B
Z
Nieuw aan te planten bosje. Aanplant met inheemse soorten als O. Te onderhouden met hakhoutbeheer. Totale aanplant bedraagt circa 200
R
L X
aangeplant. Plantafstand bedraagt 1,5 x 1,5 mtr in driehoeksverband.
Z
T
W
Q
Gronden in agrarisch gebruik.
R
Gazon/tuin.
S
Bestemming “Paardenhouderij” (geel en groen). Een deel van de bestaande bestemming “Wonen” (geel) wordt omgezet. Daarnaast is er
sprake van een uitbreiding van 4743,63 m2 (groen).
T:
Toekomstig te vellen boom in verband met vitaliteit.
U:
Te behouden beeldbepalende beuken.
V:
Nieuwe entree (zakelijk).
W:
Bestaande entree (prive).
X:
Wadi/vijver voor het borgen van (hemel)water. Inhoud circa 275 m3.
Y:
Te vellen houtsingel t.b.v. nieuw oprit.
Z:
Bestaande houtopstanden.
Nieuwe situatie, niet op schaal. (Bron: N+L Landschapsontwerpers)
17
5. Financiële onderbouwing Om met de uitbreiding aan het gestelde beleid te kunnen voldoen worden
Aanleg groenstructuur (O)
er meerdere aspecten uitgevoerd. Om het bedrijf landschappelijk in te
Het
passen wordt er aangeplant. Niet alles mag meetellen voor de noodzakelijke
landschapselement. In het element is ook een laagte aangebracht om
investering. Het deel dat wel meegenomen mag worden is in de tabel op
hemelwater tijdelijk op te kunnen slaan. Gelet op de grondslag komt het
de rechterpagina verwerkt.
praktisch niet voor dat er water blijft staan. De totale aanplant bedraagt
bedrijf wordt aan
de achterzijde
ingepast
met
een
robuust
660 stuks in een oppervlakte van circa 1.500 m2. De plantafstand is in en
Aanleg hagen (L)
tussen de rijen 1,5 meter in een driehoeksverband. De soortkeuze bestaat
Het aanleggen van diverse hagen (Fagus sylvatica), een gedeelte is
uit berk, grove den, groene beuk, hazelaar, lijsterbes, Gelderse roos en
bestaand. De totale lengte bedraagt 64 meter. Totaal worden er 320 stuks
vuilboom in een gelijke verhouding.
aangeplant in de maat 80-100 (hoogte in centimeters). Aanleg groenstructuur (P) Behoud houtsingel en beuken (M/U)
De totale aanplant bedraagt 200 stuks in een oppervlakte van circa 240 m2.
De bestaande houtsingel langs de Delmaweg wordt behouden, maar zal
De plantafstand is in en tussen de rijen 1 meter in een driehoeksverband.
geveld worden ter plaatse van de aanleg van de nieuwe entree. Daarnaast
De soortkeuze bestaat uit berk, grove den, groene beuk, hazelaar, lijsterbes,
krijgt de houtsingel een dusdanig onderhoud dat er sprake is van een
Gelderse roos en vuilboom in een gelijke verhouding.
transparante houtsingel waarmee de openheid kan worden ervaren. De
bestaande beuken (U) worden behouden. Onder de beuken mag geen
Met voorgaande voldoet de initiatiefnemer aan het gestelde beleid. Het
sprake zijn van de aanleg van verharding.
overige te investeren gedeelte wordt gestort in een groenfonds. Een deel voor een bijdrage aan de Paardensportvereniging Sint Joris te Geesteren en
Aanleg groenstructuur (N)
een deel voor de ruimtelijke kwaliteit in de algemeenheid in de gemeente
Om het aangrenzende bedrijf meer in te passen wordt er een houtsingel
Tubbergen.
aangeplant. De houtsingel (circa 580 m2) wordt aangeplant met 500 stuks bosplantsoen in de maat 80-100 (hoogte in centimeters). Er worden soorten aangebracht die van oorsprong voorkomen. De soortkeuze bestaat uit berk, grove den, groene beuk, hazelaar, lijsterbes, Gelderse roos en vuilboom in een gelijke verhouding. De plantwijze is een driehoeksverband met 1 meter in en tussen de rijen.
18
Kostenberekening KGO De maveg S Zaagwerkzaamheden (groot)
E ement Eenheid
Prijs p.e.
Aanta
otaa
Het\.veg\.verken van achterstallig onderhoud aan
eiken (dood hout/dode boom/probleemtakken)
Verwijderen dood hout - prob eentakken (Arbeid)
Z
uur
16
€
47,50
€
760,00
Verwijderen dood hout - prob eentakken (Hoogwerker)
Z
totaa
1
€
475,00 €
475,00
Versnipperen met tractor en versnipperaar
z
16
€ €
225,00 € 10,00 €
225,00
z
uur uur
1
Gebruik kettingzaag en olie
Vellen, kortenenstape envan 15 bomen dbh<30
M
uur
6
€
47,50
€
285,00
Versnipperen met tractor en versnipperaar
M
uur
1
e
125,00 e
125,00
Gebruik kettingzaag en olie
M
uur
6
€
10,00
€
60,00
Het leveren van bosp antsoen (80-100)
N
5t
Es
€
1.25
£
625,00
Het frezenter voorbereiding van de aanplant (trekker metfr)
N
uur
£
72,50 £
145,00
Arbeid inplanten bosplantsoen
N
uur
2 g
€
47,50 £
380,00
Leverengraanmengsel /b oemrijk
N
totaa
1
e
100,00 £
100,00
Inzaaien metb oen rijk /groanmengsl
N
uur
2
€
47,50 £
95,00
Na zorg beplanting (le zes jaar na aanplant) Inboet bep anting (10%)
N
totaa
10%
€
625,00 £
6250
Arbeid inp anten inboet
N
uur
1
£
47,50 £
47,50
Watergeven (6x le jaar) trekker met water reservoir
N
uur
£
72,50 £
435,00
Uitdunnen nale 5jaarvellen/korten/stape en
N
uur
6 g
£
47,50 £
380,00
Versnipperen met tractor en versnipperaar
N
uur
1
£
225,00 £
225,00
Gebruik kettingzaag en olie
M
uur
6
£
10,00
£
60,00
€
4.645,00
160,00
Zaagwerkzaamheden (middel)
Aanbrengen beplanting
Totaal in d usief 6% of 21% BTW Uitwerken maatregelen / berekening investering KGO. (Bron: N+L Landschapsontwerpers)
19
la n d s c h a p s o n t w
•
•
rp
rs
• www.nl- andschap.nl
Bijlage 2
66
M.e.r.-beoordelingesbesluit
omgevingsvergunning Geesteren, Delmaweg 8
'
" Omgevingsdienst TWENTE
t.a.v. Delmaweg 8
Besluit per email:
Almelo, 6 augustus 2020
Betreft: Besluit m.e.r beoordeling (vormvrij), Delmaweg 8 te Geesteren Zaaknummer: Z2020-ODT-004997
Geachte
,
Op 20 maart 2020 hebben wij van de gemeente Tubbergen een door Ad Fontem, Ruimtelijk Advies, ingediende aanmeldnotitie voor een m.e.r beoordeling ontvangen. Deze aanmeldnotitie is op 5 en 30 juni 2020 en op 21 juli 2020 aangevuld c.q. gewijzigd. De namens u ingediende aanmeldnotitie heeft betrekking op het uitbreiden en legaliseren van een paardenhouderij gevestigd aan de Delmaweg 8 in Geesteren, kadastraal bekend als gemeente Tubbergen, sectie K, nummer 9447. De gemeente Tubbergen heeft de beoordeling en afhandeling van uw aanmeldnotitie gemandateerd aan de Omgevingsdienst Twente. Uw aanmeldnotitie is geregistreerd onder zaaknummer Z2020-ODT-004997. In deze brief informeren wij u over ons besluit.
M.e.r beoordelingsbesluit (vormvrij) BESLUIT Wij besluiten, gelet op de overwegingen die zijn opgenomen in dit besluit, dat ter voorbereiding op het besluit op grond van artikel 2.1, onder a en c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), voor de gewenste activiteit geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld nu belangrijke nadelige gevolgen als bedoeld in artikel 7.2 Wet milieubeheer kunnen worden uitgesloten.
OD Twente
KVK 71101241 BTW NL858579509B01
IBAN BIC BNGHNL2G
** Omgevingsdienst TWENTE
De volgende documenten maken deel uit van dit besluit: • Aanmeldnotitie m.e.r beoordelingsnotitie d.d. 30 juni 2020 ( Geesteren d.d. 300620, Bijlage bij FW Delmaweg 8 Geesteren (HZ-advies-2019-6151) D2020-ODT-209319) • Gegevens aanvrager d.d. 20-6-2020 (verklaring , Bijlage bij FW Delmaweg 8 Geesteren (HZ-advies-2019-6151) D2020-ODT-209318) • Plattegrondtekening (d.d. 17-01-2018, werknr. 14-279, blad 3) met dieraantallen en Rav codes ( (D2020-ODT-209976)) • Situatietekening gewijzigde situatie, d.d. 06-03-2018 (Situatie 06-03-2018 D2020-ODT-209992) • landschapsvormgeving (Poster_V4_KGO_VERMUNT_SCHEERDER_26-02-2019 D2020-ODT-209985) • Bijlage þÿOverwegingen” inclusief bijlage 1, opgesteld door de Omgevingsdienst Twente.
Voor de inhoudelijke overwegingen van dit besluit verwijzen wij u naar Bijlage 1 þÿOverwegingenþÿbehorend bij dit besluit. Bezwaar Op grond van artikel 6.3 van de Algemene wet bestuursrecht wordt deze beoordeling beschouwd als een handeling ter voorbereiding op het moederbesluit. Tegen onderhavig besluit staat geen direct bezwaar of beroep open, tenzij deze beslissing een belanghebbende rechtstreeks in zijn belang treft. U kunt als direct belanghebbende gedurende een periode van zes weken, een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij burgemeester en wethouders van de gemeente Tubbergen. Overige belanghebbenden kunnen bezwaren tegen dit beoordelingsbesluit indienen bij het besluit in het kader waarvan dit beoordelingsbesluit plaatsvindt, te weten de omgevingsvergunning ingevolge de Wabo.
Z2020-ODT-004997
Omgevingsdienst Twente
Pagina 2 van 21
** Omgevingsdienst TWENTE
Informatie Voor vragen over dit besluit kunt u contact opnemen met van de Omgevingsdienst Twente. U kunt haar bereiken op of via . Voor overige zaken kunt u contact opnemen met uw gemeente.
Wilt u het zaaknummer vermelden als u op dit besluit reageert? Met vriendelijke groet, burgemeester
wethouders
Directeur Omgevingsdienst Twente
Afschrift aan: Ad Fontem Juridisch Bouwadvies B.V t.a.v.
Z2020-ODT-004997
Omgevingsdienst Twente
Pagina 3 van 21
1 ** Omgevingsdienst o
TWENTE
Bijlage 1 OV E RW E G I N G E N
Algemeen Door Ad Fontem, Ruimtelijk Advies is op 20 maart 2020 een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling ingediend voor een buitenplanse afwijking van het geldende bestemmingsplan aan de Delmaweg 8 in Geesteren, kadastraal bekend als gemeente Tubbergen, sectie K, nummer 9447. Deze aanmeldnotitie is op 5 en 30 juni 2020 en op 21 juli 2020 aangevuld c.q. gewijzigd.
De aanmeldnotitie is bij de Omgevingsdienst Twente geregistreerd onder zaaknummer Z2020-ODT-004997. De aanmeldnotitie heeft betrekking op het uitbreiden en het legaliseren van een paardenhouderij naar een volwaardige paardenhouderij. Het voornemen betreft onder meer de realisatie van een nieuwe rijhal met paardenstallen met een oppervlakte van circa 1.700 m2. De uitbreiding van de oppervlakte van het erf bedraagt circa 4.700 m2. In de huidige situatie is sprake van een woonperceel (met de bestemming ‘Wonen’) met woonhuis en verschillende gebouwen en bouwwerken (In het verleden was sprake van een agrarisch bouwperceel op de locatie). In de voorgenomen situatie zal het woonperceel gedeeltelijk worden gewijzigd naar de bestemming ‘agrarisch-paardenhouderij’ en gedeeltelijk naar de bestemming ‘bedrijfswoning met bijgebouwen krijgen’. Het uitgangspunt is dat op de bestemming ‘agrarisch-paardenhouderij ’ maximaal 50 paarden gehouden mogen worden, waarvan 19 volwassen paarden (3 jaar en ouder) en 31 paarden in opfok (jonger dan 3 jaar). Voor het houden deze dieren is op 23 mei 2019 een vergunning verleend (onherroepelijk) in het kader van de Wet natuurbescherming. De Wnb-vergunning (kenmerk 2019/0163229) zal één op één worden ingepast in de omgevingsvergunning.
Het is de bedoeling om de bestemming ‘paardenhouderij’ mogelijk te maken middels een buitenplanse afwijking van het geldende bestemmingsplan.
De m.e.r.-beoordelingsprocedure gaat vooraf aan de aanvraag omgevingsvergunning voor de onderdelen bouwen en buitenplanse afwijking (art. 2.12 lid 1, sub a onder 3o Wabo). Procedure Overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.16 Wet milieubeheer (Wm) is schriftelijk mededeling gedaan van een voornemen om een verzoek in te dienen voor het ondernemen van een activiteit genoemd in artikel 7.2 Wm. De uitkomst van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt met dit besluit bekend gemaakt.
Z2020-ODT-004997
Omgevingsdienst Twente
Pagina 4 van 21
** Omgevingsdienst TWENTE
Ontvankelijkheid De aanmeldnotitie is op 20 maart 2020 ingediend en op 5 en 30 juni 2020 en op 21 juli 2020 aangevuld c.q. gewijzigd. De ingediende aanmeldnotitie vormvrije m.e.r beoordeling bevat voldoende gegevens om een besluit te kunnen nemen. De stukken behorend bij de aanmeldnotitie zijn: •
•
•
• •
Aanmeldnotitie m.e.r beoordelingsnotitie d.d. 30 juni 2020 ( Geesteren d.d. 300620, Bijlage bij FW Delmaweg 8 Geesteren (HZ-advies-2019-6151) D2020-ODT-209319) Gegevens aanvrager d.d. 20-6-2020 (verklaring , Bijlage bij FW Delmaweg 8 Geesteren (HZ-advies-2019-6151) D2020-ODT-209318) Plattegrondtekening (d.d. 17-01-2018, werknr. 14-279, blad 3) met dieraantallen en Rav-codes ( (D2020-ODT-209976)) Situatietekening gewijzigde situatie, d.d. 06-03-2018 (Situatie 06-03-2018 D2020-ODT-209992) landschapsvormgeving (Poster_V4_KGO_VERMUNT_SCHEERDER_26-02-2019 D2020-ODT-209985)
Onderstaande documenten zijn ingediend bij de aanmeldnotitie, maar maken geen onderdeel uit van het besluit. • • • •
Rapport verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 d.d. maart 2020; Vergunning Wet natuurbescherming van de provincie Overijssel d.d. 23-5-2019; Aeriuscalculator 2019A stikstofberekening (incl. bijlagen); Beschrijving van het watertoetsproces van het Waterschap Vechtstromen d.d. 3 februari 2020.
Ten behoeve van de vormvrije m.e.r beoordeling is voldoende informatie gegeven ten aanzien van de te ondernemen activiteit en de milieugevolgen die deze activiteit met zich mee zal brengen.
Milieueffectrapportage Een milieueffectrapportage (MER) brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over wordt genomen. Een MER heeft tot doel de milieuoverwegingen een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met potentieel nadelige gevolgen voor het milieu. Voordat een besluit wordt genomen, moet degene die een m.e.r-plichtige activiteit wil starten de milieugevolgen van die activiteit beschrijven in een MER. Op deze manier krijgen initiatiefnemer, overheid en burgers vooraf inzicht in de milieugevolgen van de activiteit en de mogelijke alternatieven. Eventuele milieugevolgen kunnen vroegtijdig worden gesignaleerd en zo mogelijk worden voorkomen of worden beperkt.
Z2020-ODT-004997
Omgevingsdienst Twente
Pagina 5 van 21
1 ** Omgevingsdienst o
TWENTE
De MER staat niet op zich, maar is een hulpmiddel bij de besluitvorming van de overheid over de betreffende activiteit. Een MER is dan ook steeds gekoppeld aan een overheidsbesluit en de hierbij behorende procedure, zoals vergunningverlening. Het opstellen van een MER is niet nodig voor alle nieuwe milieuactiviteiten en plannen. Het gaat alleen om activiteiten die belangrijke nadelige effecten hebben voor het milieu. Dit is uitgewerkt in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Het Besluit m.e.r. maakt onderscheid tussen m.e.r.-plichtige activiteiten (onderdeel C van de bijlage) en m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (onderdeel D van de bijlage). Hier moet per initiatief beoordeeld worden of een MER moet worden opgesteld. Ook als geen sprake is van overschrijding van de drempelwaarden van onderdeel D van de bijlage, maar er vinden wel activiteiten plaats welke worden genoemd in dit onderdeel, moet toch worden beoordeeld of de activiteit mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. Dit wordt de vormvrije m.e.r.-beoordeling genoemd.
Bij de beoordeling of een activiteit mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft moet rekening worden gehouden met de in Bijlage III bij de Europese richtlijn betreffende de milieubeoordeling openbare en particuliere projecten 2011/92/EU (hierna genoemde: m.e.r.-richtlijn) aangegeven criteria.
De vergunde situatie De locatie heeft momenteel de bestemming ‘Wonen’. Op 23 mei 2019 is een vergunning Wet natuurbescherming (kenmerk: 2019/0163229, EDO-kenmerk 2018/0502068) afgegeven voor het houden van 19 volwassen paarden (3 jaar en ouder) en 31 paarden in opfok (jonger dan 3 jaar). Voor deze locatie is geen vergunning verleend voor de activiteit milieu. Ook is voor deze locatie voor zover bekend geen melding Activiteitenbesluit ingediend.
De voorgenomen situatie De voorgenomen activiteit betreft de oprichting, wijziging of uitbreiden van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren (onderdeel D14 van de bijlage Besluit m.e.r.). De veebezetting behorende bij de voorgenomen situatie is weergegeven in de bijlage 1 “Bedrijfssituatie voorgenomen situatie” behorend bij deze overwegingen. Deze veebezetting komt overeen met de vergunde veestapel volgens de onherroepelijke vergunning Wet natuurbescherming.
Z2020-ODT-004997
Omgevingsdienst Twente
Pagina 6 van 21
1 ** Omgevingsdienst o
TWENTE
M.e.r.-plicht, m.e.r.-beoordelingsplicht of vormvrije m.e.r. beoordeling Bij de besluitvorming of de m.e.r.-plicht vanwege de toename van de omvang (capaciteit) van het bedrijf aan de orde is, spelen ook toekomstige ontwikkelingen een rol. Ingevolge onderdeel A, lid 2 van het Besluit m.e.r. wordt onder capaciteit immers mede verstaan een redelijkerwijs binnen afzienbare tijd voorzienbare uitbreiding van de capaciteit. Verdere uitbreiding van het bedrijf, boven de voorgenomen plannen die de initiatiefnemer op korte termijn wil realiseren en in de beoordelingsnotitie zijn beschreven, wordt de eerst komende jaren niet voorzien.
De voorgenomen activiteit heeft betrekking op het oprichten, wijzigen of uitbreiden van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren met 19 volwassen paarden (3 jaar en ouder) en 31 paarden in opfok (jonger dan 3 jaar). De voorgenomen activiteit valt onder onderdeel D van de bijlagen van het Besluit m.e.r. De voorgenomen activiteit ligt beneden de drempelwaarde van onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r.(100 dierplaatsen voor paarden of pony’s Rav categorie K 1 en K3, waarbij dieren in opfok niet worden meegeteld Rav categorie K 2 en K 4). Op grond van het Besluit m.e.r. moet het bevoegd gezag, voor alle activiteiten die beneden de m.e.r.- beoordelingsdrempel liggen, bepalen of de activiteiten daadwerkelijk geen belangrijke nadelige gevolgen heeft.
Volgens de m.e.r.-richtlijn moet bij het bepalen of er al dan niet een MER moet worden gemaakt, niet alleen de omvang van een activiteit een rol spelen maar ook andere criteria, zoals de ruimtelijke context van de cumulatie met de omgeving, die zijn opgenomen in bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn. Op grond van artikel 7.2, lid 1, Wet milieubeheer dient een beslissing te worden genomen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het besluit op de aanvraag om omgevingsvergunning, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, een MER moet worden opgesteld. Hierbij geldt het “nee, tenzij” principe.
Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu Op grond van artikel 7.17, lid 3 van de Wet milieubeheer houden wij bij de beslissing rekening met de in bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn aangegeven criteria.
De criteria van bijlage III van de m.e.r.-richtlijn omvatten: 1.
2.
de kenmerken van de activiteit zoals de omvang, cumulatie met andere projecten, gebruik van natuurlijke hulpbronnen, afvalstoffenproductie, verontreiniging en hinder, alsmede risico van ongevallen en risico voor menselijke gezondheid; de plaats van de activiteit, rekening houdend met bestaand grondgebruik, natuurlijke hulpbronnen van het gebied en het (gebiedsafhankelijke) opnamevermogen van het natuurlijke milieu;
Z2020-ODT-004997
Omgevingsdienst Twente
Pagina 7 van 21
1 ** Omgevingsdienst o
3.
TWENTE
kenmerken van het potentiële effect, waaronder het bereik van het effect, eventuele grensoverschrijdende effecten, waarschijnlijkheid van het effect alsmede de duur, frequentie en omkeerbaarheid van het effect.
Deze drie punten hoeven niet samen aanwezig te zijn, wil er sprake zijn van de noodzaak voor het opstellen van een MER. Dit betekent dat alleen al door de ligging van een voorgenomen activiteit in een gevoelig gebied (bijv. in een grondwaterbeschermingsgebied) er sprake kan zijn van mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Kenmerken van de activiteit Bij de kenmerken van de activiteit dient in het bijzonder in overweging genomen te worden: de omvang van het project; de cumulatie met andere projecten; het gebruik van natuurlijke hulpbronnen; de productie van afvalstoffen; verontreiniging en hinder; risico's van ongevallen, met name op de gebruikte stoffen en technologieën en risico’s voor menselijke gezondheid.
De omvang van het project Het voornemen heeft betrekking op de volgende ontwikkelingen: realisatie van een rijhal met paardenstallen, een groepshuisvesting voor jonge paarden, een kantine met bijbehorende voorzieningen, een opslagruimte en een appartement ten behoeve van klanten die hun paard komen trainen; realisatie van een paardenbak; realisatie van een stapmolen; realisatie van een mestbak; aanleg van erfverharding; aanleg van een wadi/vijver voor het borgen van (hemel)water. In de voorgenomen situatie worden op locatie maximaal de volgende dieraantallen worden gehuisvest: - 19 volwassen paarden (3 jaar en ouder) en; - 31 paarden in opfok (jonger dan 3 jaar).
De milieugevolgen bestaan hoofdzakelijk uit ammoniakemissie, geuremissie, stofverspreiding en geluiduitstraling. Het bedrijf valt niet onder de reikwijdte van de IPPC-richtlijn.
Z2020-ODT-004997
Omgevingsdienst Twente
Pagina 8 van 21
1 ** Omgevingsdienst o
TWENTE
De inrichting wordt aangemerkt als een type B-inrichting. Een inrichting type B moet bij oprichting of verandering van de inrichting een melding Activiteitenbesluit doen. Afhankelijk van de activiteiten die een inrichting type B wil gaan uitvoeren, kan daarnaast ook een Omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) noodzakelijk zijn. Voor onderhavige situatie is geen OBM (minder dan 51 paarden Rav categorie K1, K2, of K3) vereist. Emissie van ammoniak, geur en fijnstof Omdat sprake is van een onherroepelijke Wnb-vergunning waarbij de vergunde veestapel exact overeenkomt met de beoogde bedrijfssituatie, mag bij de beoordeling van het milieueffect op natura 2000-gebieden de Wnb-vergunning als uitgangspunt worden gehanteerd. Voor wat betreft alle overige effecten (ammoniakdepositie op zeer kwetsbare gebieden, directe ammoniakschade, geur, fijnstof en geluid) is de vigerende omgevingsvergunning milieu (of melding Activiteitenbesluit) de referentiesituatie. In deze situatie is er geen vigerende omgevingsvergunning milieu of melding Activiteitenbesluit. Voor het houden van paarden is geen geuremissiefactor en een fijnstofemissiefactor vastgesteld.
Tabel 2: Emissies Vergunde situatie
Ammoniak (kg NH3) Geur (ouE/sec) Fijnstof (gram per jaar)
Voorgenomen Wnb vergunde situatie situatie
0
160,1
0
n.v.t.
0
n.v.t.
160,1
Geluid Dat de voorgenomen situatie een gewijzigde geluidbelasting op dichtbijgelegen geluidgevoelige objecten tot gevolg zal hebben is aannemelijk.
Cumulatie met andere projecten In de omgeving bevinden zich enkele (agrarische) bedrijven. Voor zover van toepassing wordt cumulatie besproken bij de hierop van toepassing zijnde aspecten, die hieronder zijn uitgewerkt.
Z2020-ODT-004997
Omgevingsdienst Twente
Pagina 9 van 21
1 ** Omgevingsdienst o
TWENTE
Gebruik natuurlijke hulpbronnen en productie van afvalstoffen Het gebruik natuurlijke hulpbronnen, productie van afvalstoffen zijn geen relevante aspecten bij de beoogde wijziging. De activiteiten vallen onder de bepalingen van het Activiteitenbesluit. De algemene regels uit het Activiteitenbesluit bieden voldoende bescherming om de milieugevolgen te voorkomen dan wel zo veel mogelijk te beperken. Het gebruik van natuurlijke hulpstoffen, de productie van afvalstoffen zijn aspecten die bij deze inrichting geen belangrijke rol spelen. Verontreiniging en hinder Verontreiniging van bodem, grondwater of oppervlaktewater valt niet te verwachten. De algemene regels uit het Activiteitenbesluit bieden voldoende bescherming om de milieugevolgen te voorkomen dan wel zo veel mogelijk te beperken. De inrichting kan hinder naar de omgeving veroorzaken in de vorm van ammoniakemissie, geuruitstoot, stofemissie, geluidemissie. Ammoniak De ventilatielucht uit de stallen bevat ammoniak. Dit kan indirect schade veroorzaken doordat gronden die daarvoor gevoelig zijn, kunnen verzuren, hetgeen ten koste kan gaan van natuurwaarden op die gronden. De regelgeving met betrekking tot ammoniak komt terug in het Activiteitenbesluit en de Wet natuurbescherming (Wnb).
Zeer kwetsbare gebieden Voor het houden van landbouwhuisdieren zijn er eisen om zeer kwetsbare gebieden te beschermen. De bescherming van zeer kwetsbare gebieden betreft een verbod om nieuwe dierenverblijven op te richten en een verbod tot uitbreiding en wijziging, als de inrichting binnen zo'n zeer kwetsbaar gebied ligt, of in een zone van 250 meter rondom zo'n gebied. Voor bestaande bedrijven geldt overgangsrecht. De inrichting is gelegen op ongeveer 1,9 km van een zeer kwetsbaar gebied. De gevolgen van de ammoniakemissie voldoen aan artikel 3.113 en 3.114 van het Activiteitenbesluit. Beste beschikbare technieken (BBT) en Besluit emissiearme huisvesting Bij de toetsing van de ammoniakemissie dient tevens rekening te worden gehouden met het Besluit emissiearme huisvesting. Op grond van het Besluit emissiearme huisvesting mogen alleen nog huisvestingssystemen worden toegepast met een emissiefactor die lager is dan of gelijk is aan de maximale emissiewaarde. De maximale emissiewaarden van kolom A, B en C staan in bijlage 1 van het Besluit. Voor paarden zijn in het Besluit emissiearme huisvesting geen maximale emissie waarden opgenomen. Wanneer op basis van dit besluit geen maximale emissiewaarde van toepassing is moet elk huisvestingssysteem worden aangemerkt als de BBT. De aangevraagde huisvestingssystemen voor de paarden voldoen daarmee aan BBT.
Gelet op het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen bedrijfssituatie aan het Besluit emissiearme huisvesting voldoet.
Z2020-ODT-004997
Omgevingsdienst Twente
Pagina 10 van 21
** Omgevingsdienst TWENTE
Directe ammoniakschade De effecten van ammoniak op planten in de directe omgeving van stallen zijn beoordeeld aan de hand van het rapportþÿStallucht en Plantenþÿdat in 1981 is opgesteld door het Instituut voor Plantenziektenkundig Onderzoek. Dit rapport is bedoeld ter beoordeling van directe ammoniakschade veroorzaakt door de uitstoot van ammoniak bij intensieve kippen- en varkensbedrijven op gevoelige gewasgroepen (kasteelt, fruitteelt en boomkwekerij). Andere gewasgroepen lopen een verwaarloosbare kans beschadigd te worden. Uit jurisprudentie is gebleken dat minimaal een afstand van 50 meter moet worden aangehouden ten opzichte van kasteelt en coniferen. Ten opzichte van minder gevoelige planten en bomen, zoals een fruitboomgaard, is een afstand van 25 meter toereikend.
meter van de inrichting vindt geen bedrijfsmatige kasteelt en/of teelt van coniferen plaats en liggen geen percelen waar gevoelige gewassen, zoals vermeld in het rapport, worden geteeld. Tevens vindt er binnen 25 meter van de inrichting geen bedrijfsmatige teelt van minder gevoelige planten en bomen plaats. Het bedrijf voldoet aan de eisen die volgen uit het rapport. Cumulatie ammoniak Cumulatie van ammoniakemissie en - depositie wordt getoetst in het kader van de Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Op grond van de Wet natuurbescherming bepalen de provincies voor hun gebied wat wel en niet mag in de natuur. Zij zijn verantwoordelijk voor de vergunningen en ontheffingen. Binnen het grondgebied van de gemeente Tubbergen en in de directe omgeving van het grondgebied zijn enkele Natura 2000 gebieden gelegen. Op ongeveer 4,5 kilometer is het Natura 2000 gebiedþÿEngbertsdijksvenenþÿgelegen. Op ongeveer 6,6 km is het Natura 2000 gebiedþÿSpringendal & Dal van de Mosbeekþÿ gelegen. Voor de voorgenomen situatie is op 23 mei 2019 een (onherroepelijke) vergunning verleend op basis van de Wet natuurbescherming. De cumulatie van ammoniak vormt geen reden om een milieueffectenrapportage te verlangen.
Conclusie ammoniakemissie De emissie van ammoniak uit dierenverblijven vormt geen aanleiding om een MER te verlangen.
Geur Veehouderijen veroorzaken geur door bijvoorbeeld de dierenverblijven, opslag van mest en de opslag van voer. Geur kan in de leefomgeving hinder veroorzaken en brengt daarom ook gezondheidsrisico's met zich mee. Geurhinder kan leiden tot lichamelijke klachten. Daarnaast kan geurhinder leiden tot psychische klachten,
Z2020-ODT-004997
Omgevingsdienst Twente
Pagina 11 van 21
** Omgevingsdienst TWENTE
bijvoorbeeld spanningen, structurele onvrede over het woon- en leefklimaat en vermindering van activiteiten buitenshuis. Door de komst van een agrarisch bedrijf zal de geurbelasting op een gebied toenemen. Een voldoende woon- en leefklimaat voor omliggende geurgevoelige objecten zal hierbij moeten worden geborgd. Geur van veehouderijen heeft dus gevolgen voor het leefklimaat van mensen en voor het gebruik van de ruimte.
RichtafstandenþÿBedrijven en Milieuzoneringþÿ De HandreikingþÿBedrijven en Milieuzonering is in het leven is geroepen om milieugevoelige functies (zoals woningen en scholen) zoveel mogelijk te beschermen tegen overlast van omliggende bedrijven. In de handreiking zijn een aantal milieucategorieën met bijbehorende richtafstanden opgesteld. Voor paardenhouderijen wordt in de bijlage 1 van deze handreiking voor paardenfokkerijen een richtafstand aangegeven van: - 50 meter voor het aspect geur. De richtafstand dient gemeten te worden vanaf de grens van de bestemming die een milieubelastende functie toelaat tot de uiterste situering van de gevel van de woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. Er wordt dus niet gemeten vanaf het bedrijfspand, maar vanaf de grens van het bestemmingsvlak. Er bestaat immers altijd een mogelijkheid dat een bedrijf zijn werkzaamheden uitbreidt en hiermee ook de bedrijfsbebouwing wordt vergroot. Hetzelfde principe geldt voor de woning. Er wordt niet gemeten tot de huidige gevel van de woning, maar tot de uiterste situering van de gevel van de woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. Kortom, er wordt altijd uitgegaan van de uiterste grenzen. Hiermee moet worden voorkomen dat na uitbreiding van het bedrijf of de woning niet meer aan de richtafstand kan worden voldaan.
De huidige woonbestemmingen Delmaweg 8 en grenzen aan elkaar. Op basis hiervan kan niet worden voldaan aan de richtafstanden. In de voorgenomen situatie wordt de bestemming Delmaweg 8 daarom opgesplitst in twee delen. - Deel 1: de bedrijfswoning met bijgebouwen gelegen buiten het nieuw agrarisch bouwblok-paardenhouderij. - Deel 2: het agrarisch bouwblok - paardenhouderij. Dit is de bestemming die een milieubelastende functie toelaat.
Er wordt niet voldaan aan de richtafstand van de Handreiking van 50 meter (aspect geur) als gemeten wordt vanaf de grens van het agrarisch bouwblok tot de woonbestemming .
Z2020-ODT-004997
Omgevingsdienst Twente
Pagina 12 van 21
1 ** Omgevingsdienst o
TWENTE
Afwijken richtafstand voor aspect geur In beginsel kunnen de richtafstanden uit de Handreiking worden aangehouden. Onder bepaalde omstandigheden is het echter gerechtvaardigd om een grotere of juist een kleinere richtafstand aan te houden. Dit is echter alleen toegestaan indien ondanks de afwijking alsnog een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Bovendien dient dit goed onderbouwd te worden door de gemeente. Gevoelige functies Er is geen wettelijk kader in het ruimtelijk spoor dat geurgevoelige functies in relatie met veehouderijen definieert. De Wet geurhinder en veehouderij en het Activiteitenbesluit hebben wel definities. Hierbij kan grotendeels worden aangesloten. Maar ook bij objecten die geen geurgevoelige objecten zijn conform de Wgv moeten in de beoordeling of sprake is van een aanvaardbaar verblijfsklimaat worden meegenomen.
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv)/Activiteitenbesluit De Wgv legt een relatie met ruimtelijke ordening (de Wet ruimtelijke ordening (Wro)). In de definitie van geurgevoelig object staat bijvoorbeeld dat een gebouw bescherming krijgt, als het bestemd is voor menselijk wonen of menselijk verblijf - dus dat het gebruik planologisch is toegestaan. De Wgv biedt daarnaast de mogelijkheid om gebiedsgericht beleid vast te stellen. Reden voor de koppeling met ruimtelijke ordening is de duidelijke relatie tussen de milieuzone rond een bedrijf (van de milieuregelgeving) en ruimtelijke ordening. De gemeente Tubbergen heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om gebiedsgericht geurbeleid vast te stellen. Voor paarden zijn geen geuremissiefactoren vastgesteld op basis van de Regeling geurhinder en veehouderij. Daarom gelden voor de stallen van paarden alleen de minimumafstanden zoals opgenomen in het Activiteitenbesluit (artikel 3.117 (vaste afstanden) en artikel 3.119 (gevel-tot gevel)). Overige afstandsvereisten geur Voor de opslag van vaste mest moet conform artikel 3.46 Activiteitenbesluit een afstand van 50 meter tot een geurgevoelig object (gelegen buiten de bebouwde kom) worden aangehouden. Aan deze afstandseis kan in de voorgenomen situatie worden voldaan.
Z2020-ODT-004997
Omgevingsdienst Twente
Pagina 13 van 21
** Omgevingsdienst TWENTE
Minimumafstanden Als de aangevraagde situatie voldoet aan bovengenoemde afstandsnormen kan er van worden uitgaan dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voldoet de afstand niet, dan is nadere motivering nodig. Dit alles blijkt uit jurisprudentie (zie o.a. ABRvS 201107891/1/R3 van 24 oktober 2012 en ABRvS, 201308724/1/A1 van 15 oktober 2014). Op grond van artikel 3.117 gelden voor dierenverblijven met dieren zonder geuremissiefactor de volgende minimale vaste afstandseisen: • 100 meter vanaf het dichtstbijzijnde emissiepunt van het bedrijf tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom; • 50 meter vanaf het dichtstbijzijnde emissiepunt van het bedrijf tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom.
De inrichting is niet gelegen in de nabijheid van de bebouwde kom. De werkelijke afstand vanaf het dichtstbijgelegen emissiepunt van de inrichting tot de gevel van het dichtstbijgelegen geurgevoelige objecten bedraagt meer dan 50 meter tot: - de perceelgrens met de en: - de woning aan de . Op grond van bovenstaande blijkt dat wordt voldaan aan de vaste afstandseisen. En dat in de voorgenomen situatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de naastgelegen woningen van derden.
Echter als de woning aan de in de toekomst binnen het bestaande bouwblok verplaatst zou gaan worden richting de paardenhouderij wordt niet langer meer voldaan aan de minimale afstandseis van 50 meter. De minimale afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een voor geurgevoelig object dient op grond van artikel 3.119 te bedragen: • 50 meter binnen de bebouwde kom; • 25 meter buiten de bebouwde kom. De inrichting is gelegen buiten de bebouwde kom. meter vanaf de buitenzijde van een dierenverblijf of van het agrarisch bouwblok is geen geurgevoelig object gelegen.
Uit bovenstaande blijkt dat wordt voldaan aan normen op grond van artikel 3.115 tot en met 3.119 van het Activiteitenbesluit. De geurbelasting van de aangevraagde situatie geeft geen aanleiding om een milieueffectrapportage te verlangen.
Conclusie geuremissie De geurhinder uit dierenverblijven vormt geen aanleiding om een MER te verlangen.
Z2020-ODT-004997
Omgevingsdienst Twente
Pagina 14 van 21
** Omgevingsdienst TWENTE
Fijnstof Richtafstanden VNG brochure Er wordt voldaan aan de richtafstand van de VNG brochure van 30 meter het aspect stof gemeten wordt vanaf de grens van het agrarisch bouwblok tot de woonbestemming . De afstand van de paardenstallen, de stapmolen en de paardenbak zijn wel gelegen op meer dan 30 meter van de . Toetsing fijnstof (PM10 en PM2,s) afkomstig van dieren Voor paarden zijn geen fijnstofemissiefactor vastgesteld. Er is geen OBM m.e.r beoordeling en/of een o Bm fijnstof vereist. Binnen het Activiteitenbesluit vindt geen toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit plaats. De inrichting voldoet in de voorgenomen bedrijfssituatie aan deþÿWet luchtkwaliteit Conclusie fijnstofemissie De emissie van fijnstof vanuit de dierenverblijven vormt geen aanleiding om een MER te verlangen. Geluid Er wordt voldaan aan de richtafstanden van de VNG brochure van 30 meter voor het aspect geluid als gemeten wordt vanaf de grens van het agrarisch bouwblok tot de woonbestemming . Dat de voorgenomen situatie een gewijzigde geluidbelasting op dichtbijgelegen geluidgevoelige objecten tot gevolg zal hebben is aannemelijk. De geluidbelasting van de inrichting moet voldoen aan het geluidbeleid van de gemeente Tubbergen dan wel aan de voorschriften van het Activiteitenbesluit.
Gelet op de activiteiten en de afstanden naar geluidgevoelige objecten is het aannemelijk dat kan worden voldaan aan de geldende geluidnormen.
Voor een eventuele overschrijding zijn diverse technische en organisatorische mogelijkheden om geluidemissie te reduceren. De toename van de geluidsemissie vormt gezien het bovenstaande ons inziens geen aanleiding om een milieueffectrapport te verlangen. Risico S van ongevallen Bij een normale bedrijfsvoering binnen een paardenhouderij behoeft er niet te worden gevreesd voor extra risico's op ongevallen. De voorschriften die aan het Activiteitenbesluit worden verbonden zijn voldoende om de kans op calamiteiten te beperken.
Z2020-ODT-004997
Omgevingsdienst Twente
Pagina 15 van 21
1 ** Omgevingsdienst o
TWENTE
Risico’s voor menselijke gezondheid Het houden van landbouwhuisdieren kan gevaar opleveren voor de volksgezondheid in de omgeving van de veehouderij. Het gaat dan met name om de uitstoot van fijnstof en endotoxinen, maar ook om ammoniak vanwege de vorming van secundair fijn stof. Geur vormt indirect een risico voor de volksgezondheid. Daarnaast zijn er risico's vanwege besmettelijke dierziekten die van dier op mens kunnen worden overgedragen (zoönosen). Voor de verschillende milieuaspecten die van invloed kunnen zijn op de volksgezondheid zoals geur, fijnstof, geluid en ammoniak zijn wettelijke en beleidsmatige toetsingskaders gevormd op basis van heersende wetenschappelijke inzichten. Niet is gebleken dat deze toetsingskaders niet toereikend zijn om onaanvaardbare risico’s voor de volksgezondheid te voorkomen. Voor endotoxinen is geen toetsingskader beschikbaar. In de omgevingsvergunning milieu of met maatwerk volgens de zorgplicht kunnen eventueel eisen worden gesteld vanwege gezondheidsrisico's. De bestrijding van besmettelijke dierziekten is primair geregeld in andere wetgeving, zoals de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.
VGO-rapport Op 7 juli 2016 is een onderzoek ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden ’ gepubliceerd (RIVM rapport, kenmerk 2015-0058, 5 juli 2016, hierna ‘VGOonderzoek’). Het doel van het VGO-onderzoek was om meer duidelijkheid te verkrijgen over mogelijke gezondheidseffecten van de veehouderij op de gezondheid van omwonenden, vooral infectieziekten en luchtwegaandoeningen in relatie tot luchtverontreiniging (zoals fijn stof en endotoxinen). Het VGO-onderzoek richt zich op mogelijke verbanden tussen stoffen en micro-organismen van veehouderijen en gezondheidseffecten. Op basis van alleen het VGO-onderzoek kan niet worden vastgesteld of dit ook oorzakelijke verbanden zijn. Mede om deze reden geven de onderzoeken aan dat niet zonder meer duidelijk is of de resultaten van het VGOonderzoek te generaliseren zijn voor het hele land. Omdat de inzichten niet compleet zijn en niet duidelijk is of er een oorzakelijke verband bestaat, lopen inmiddels verschillende vervolgonderzoeken. Er is aldus ook nog geen concreet en wettelijke toetsingskader beschikbaar. Omdat het VGO-onderzoek de veehouderijsector als geheel treft, kunnen er geen conclusies over een individueel bedrijf uit worden afgeleid. Het onderzoek houdt immers geen rekening met de specifieke omstandigheden van/op dat bedrijf en de nabije omgeving van dat bedrijf.
Z2020-ODT-004997
Omgevingsdienst Twente
Pagina 16 van 21
1 ** Omgevingsdienst o
TWENTE
Maatregelen en voorzieningen Uit de aanmeldnotitie blijkt dat alle paarden onder veterinair toezicht staan. Dat de sportpaarden en fokmerries zoveel mogelijk gescheiden worden gehouden om onderlinge infectie uit te sluiten. Dat wordt gewerkt met een professioneel team dat dagelijks zorgt voor een goede oplettende verzorging. Dat de stallen iedere dag grondig worden uitgemest en worden voorzien van een nieuwe bodembedekking. Dat jaarlijks de stallen volledig van binnen worden schoongespoten en ontsmet. Tot slot worden alle paarden correct geënt volgens de geldende maatstaven en regelmatig ontwormd.
Conclusie Gelet op de in de aanmeldnotitie opgenomen voorzieningen en maatregelen, het feit dat specifieke voorschriften voor het houden van dieren gelden en de conclusie dat algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten en een wettelijk toetsingskader vooralsnog ontbreken, zien wij geen aanleiding een MER te eisen. De kenmerken van de activiteit vormen geen aanleiding om een MER te verlangen. Overige kenmerken en gevolgen De gevolgen voor bodem, afvalwater als gevolg van de voorgenomen activiteiten van de paardenhouderij zijn niet significant. De activiteiten vallen onder de bepalingen van het Activiteitenbesluit. De algemene regels uit het Activiteitenbesluit bieden voldoende bescherming om de milieugevolgen te voorkomen dan wel zo veel mogelijk te beperken. De overige kenmerken en gevolgen vormen geen reden om een MER te eisen.
Conclusie naar aanleiding van de kenmerken van het project Gelet op het bovenstaande overwegen wij dat naar aanleiding van de kenmerken van het project kan worden uitgesloten dat de voorgenomen oprichting van een paardenhouderij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. De plaats waar de activiteit wordt verricht Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de activiteiten van invloed kunnen zijn, moet in het bijzonder in overweging worden genomen: het bestaande grondgebruik; de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied; het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden:
Z2020-ODT-004997
Omgevingsdienst Twente
Pagina 17 van 21
1 ** Omgevingsdienst TWENTE
o
• • • • •
• • •
wetlands; kustgebieden; berg- en bosgebieden; reservaten en natuurparken; gebieden die in de wetgeving van lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd: speciale beschermingszone door de lidstaten aangewezen krachtens de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn; gebieden waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden; gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid; landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang.
Bestaand grondgebruik Het legale grondgebruik zal wijzigen als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Het voornemen heeft betrekking op het legaliseren en uitbreiden van een paardenhouderij.
Het voornemen heeft betrekking op het realiseren van en nieuwe rijhal met paardenstallen en andere voorzieningen ten behoeve van de paardenhouderij gerealiseerd. Deels binnen het huidige erf, deels op agrarische grond (weiland). De bestaande paardenbak wordt richting het weiland verplaatst en er wordt een nieuw inrit aangebracht. Deze ontwikkelingen vinden plaats in het weiland/in de berm. De agrarische gronden worden momenteel gebruikt voor begrazing en er wordt regelmatig gemaaid. Het bestaand grondgebruik als weiland en berm vormt geen aanleiding om een MER te verlangen.
De relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied; De inrichting is gelegen in het buitengebied van de gemeente Tubbergen. De gronden in de directe omgeving van de veehouderij worden voor diverse functies gebruikt. Met name ten behoeve van productiegewassen als gras en snijmaïs en voor industriële activiteiten. De uitbreiding van de inrichting heeft geen gevolgen voor de relatieve rijkdom, de kwaliteit en het regeneratievermogen van het gebied. Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige type gebieden. Er is geen sprake van een bijzonder type gebied zoals wetlands, kustgebied of reservaat. De inrichting is gelegen in het buitengebied van de gemeente Tubbergen, zodat de factor hoge bevolkingsdichtheid geen rol speelt. Er is geen sprake van een landschap van historisch, cultureel of archeologisch belang. De locatie wordt in de Archeologische verwachtingenkaart aangeduid als een gebied met een lage archeologische verwachting. Het te realiseren oppervlak van het bouwwerk is beperkt en bedraagt circa 1.663 m2 .
Z2020-ODT-004997
Omgevingsdienst Twente
Pagina 18 van 21
1 ** Omgevingsdienst o
TWENTE
N atura 2000 gebieden In de voorgenomen situatie is geen sprake van een toename van de ammoniakemissie of van de ammoniakdepositie ten opzichte van de verleende en onherroepelijke vergunning Wet natuurbescherming d.d. 23 mei 2109. Deze Wnb-vergunning (kenmerk 2019/0163229) wordt één-op-één ingepast in de omgevingsvergunning die wordt aangevraagd. In de omgevingsvergunning zal als voorwaarde worden opgenomen dat het gebruik van de gronden en bebouwing niet mag leiden tot een toename van de stikstofdepositie op de maatgevende stikstofgevoelige habitats in Natura 2000gebieden.
Bij deze bepaling of sprake is van een toename van stikstofdepositie wordt uitgegaan van de ammoniakemissie op basis van de in deze verklaring van geen bedenkingen vergunde dieren met bijbehorende vergunde huisvestingsystemen. Beschermde dier- en plantensoorten Vanwege de gewenste uitbreiding en wijziging van de inrichting zal mogelijk een aanvraag voor ontheffingen op grond van de Wnb voor het onderdeel Soortenbescherming (voorheen Flora- en faunawet) moeten worden aangevraagd of een melding worden gedaan. Dit zal bij de beoordeling van de toekomstige aanvraag voor een omgevingsvergunning worden beoordeeld.
Conclusie De plaats waar de activiteit plaatsvindt, geeft geen aanleiding om een MER te verlangen. De kenmerken van de gevolgen voor het milieu van de activiteit Bij potentiële aanzienlijke effecten van de activiteit moeten in het bijzonder het bereik van het effect in overweging genomen worden. Hierbij spelen de volgende factoren een rol: het bereik van het effect; het grensoverschrijdende karakter van het effect; de waarschijnlijkheid van het effect; de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect. Er is geen sprake van grensoverschrijdend effect met potentiële aanzienlijk effecten als bedoeld in overschrijding van de landgrenzen. De effecten van de milieugevolgen bestaan in hoofdzaak uit geurhinder, ammoniakdepositie en -emissie, stofverspreiding en geluidhinder en veroorzaken slechts op relatief korte afstand van de inrichting een effect. Het effect van de uit te voeren activiteiten is niet omkeerbaar tenzij bedrijfsactiviteiten op de locatie worden beëindigd.
Z2020-ODT-004997
Omgevingsdienst Twente
Pagina 19 van 21
1 ** Omgevingsdienst o
TWENTE
Conclusie De kenmerken van het potentiële effect van de activiteit geven geen aanleiding om een MER te verlangen. Ter waarborging voor het ontstaan van nadelige gevolgen voor het milieu zijn afdoende voorschriften opgenomen in het Activiteitenbesluit om deze te voorkomen. Conclusie milieueffectrapportage Wij hebben de aanmeldnotitie getoetst en geconcludeerd dat er geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zoals vastgelegd in bijlage III van de Richtlijn 85/337/EEG betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten. Er zijn geen bijzondere omstandigheden waaronder de voorgenomen activiteiten worden ondernomen die het opstellen van een MER noodzakelijk maken.
Z2020-ODT-004997
Omgevingsdienst Twente
Pagina 20 van 21
1 ** Omgevingsdienst o
TWENTE
Bijlage 1: Voorgenomen bedrijfssituatie Ravcode
Stal
K 1.100
1
K 1.100
2
K 2.100
2
Diercategorie / huisvestingssysteem
Volwassen paarden (3 jaar en ouder), overige huisvestingssystemen Volwassen paarden (3 jaar en ouder), overige huisvestingssystemen Paarden in opfok (jonger dan 3 jaar), overige huisvestingssystemen
Aantal Emissie dieren factor ammoniak in kg/NH3 perjaar
Emissie Emissie factor geur factor in (ouE/sec) fijn stof in g/jaar
18
5
Niet vast gesteld
Niet vast gesteld
1
5
Niet vast gesteld
Niet vast gesteld
31
2,1
Niet vast gesteld
Niet vast gesteld
160,1
0
0
Totaal ammoniak, geur en fijn stof - Stal 1 is de bestaande stal - Stal 2 is de nieuw te bouwen rijhal
Z2020-ODT-004997
Omgevingsdienst Twente
Pagina 21 van 21
Bijlage 3 Rapport verkennend bodemonderzoek
88
omgevingsvergunning Geesteren, Delmaweg 8
KG KRUSE GROEP
RA
OR
V RK NN ND BOD MOND R O K c nf rm N N 5740 Delmaweg 8 - Geesteren
Opdrachtgever: Building Design Architectuur Locatie: Delmaweg 8
Maart 2020
KRUSE GRO INFRA I
MILIEU I SLOOPWERKEN I VASTGOED
KG
Kruse Milieu BV Bezoekadres:
Internet:
KRUSE GROEP
www.krusegroep.nl Bankgegevens: ABN AMRO:
Postadres:
7650 AB Tubbergen Tel:
KvK:06068751 BTW-nr: NL 8019.25.125.B01
Rapport Verkennend Bodemonderzoek conform N N 5740 Delmaweg 8 - Geesteren
Opdrachtgever: Building Design Architectuur
Locatie: Delmaweg 8
Projectcode: 20009610 Rapportagedatum: 19 maart 2020 Auteur:
Kruse Milieu BV
BRL SVMS-007
V rk k MGMT. SYS.
RvA C 250
-(™
•
Ees ee ne .
gecertificeerd sl o be rijf
ilieuku di
mm mslopen
KG KRUSE GROEP
INHOUD Pagina
1
Inleiding
1
2.1 2.2 2.3
Locatiegegevens Beschrijving huidige situatie Vooronderzoek Bodemsamenstelling en geohydrologie
2 2 2 3
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5
Uitvoering bodemonderzoek Onderzoeksstrategie Veldwerkzaamheden Analyses Toetsing chemische analyses Toetsing asbestanalyses
4 4 5 5 6 7
4.1 4.2 4.3 4.4
Resultaten Algemeen Veldwerkzaamheden Resultaten en toetsing van de chemische analyses Bespreking resultaten chemische analyses
8 8 8 9 10
5
Samenvatting, conclusies en aanbevelingen
11
6
Literatuur en bronvermelding
13
2
3
4
Bijlagen I Regionale ligging locatie Boorplan verkennend bodemonderzoek Kruse Milieu BV, maart 2020 II Boorstaten Legenda boorstaten III Resultaten chemische analyses Toetsing chemische analyses IV Verklaring van enkele gebruikte termen en afkortingen
Kruse Milieu BV
Project: 20009610
KG KRUSE GROEP
1
Inleiding
Dit rapport beschrijft het verkennend bodemonderzoek, dat in opdracht van Building Design Architectuur op een terreindeel aan de Delmaweg 8 in Geesteren door Kruse Milieu BV is uitgevoerd. De aanleiding van dit onderzoek is de bestemmingsplanwijziging en de geplande nieuwbouw van een paardenstal en te verplaatsen paardenbak en stapmolen. Het bodemonderzoek is noodzakelijk in het kader van de bestemmingsplanwijziging en de aanvraag van de omgevingsvergunning. Derhalve dient de milieukundige kwaliteit van de bodem bekend te zijn. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een standaard vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN 5725. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat de onderzoekslocatie als onverdacht kan worden beschouwd.
De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN 5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond” NNI Delft, januari 2009; - de aanvulling NEN 5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016. De doelstelling van het onderzoek op een onverdachte locatie is aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of in het freatisch grondwater. Het veldwerk is uitgevoerd in februari en maart 2020 conform BRL SIKB 2000 en de protocollen 2001 en 2002, waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Hierbij wordt verklaard dat Kruse Milieu BV financieel en juridisch onafhankelijk is van de opdrachtgever. In dit rapport worden de resultaten besproken van het veld- en het laboratoriumonderzoek. De gemeten gehalten in de grond worden vergeleken met de achtergrondwaarden (AW 2000) en de interventiewaarden om vast te stellen of er al dan niet verontreinigingen aanwezig zijn. De in het grondwater gemeten gehalten worden vergeleken met de streef- en interventiewaarden.
Tevens worden eventuele resultaten met betrekking tot asbest vergeleken met de wetgeving inzake asbest in bodem en puin, welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld. In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen.