Bijlage def 230224 VBP Loohuis Fleringen.pdf
Tekst van het document
4.2 Milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.
Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering Toets Het plangebied ligt aan de Pastoor Boddestraat, Ootmarsumseweg en Oldenzaalseweg. Met name de Ootmarsumseweg is een belangrijke (provinciale) verbindingsweg. Daarnaast zijn op korte afstand van het plangebied verschillende functies aanwezig, waaronder bedrijfsbestemmingen, maatschappelijke bestemmingen, woningen en agrarische percelen. Derhalve is het omgevingstype 'gemengd gebied' van toepassing. Op basis van bedrijven en mileuzonering dient gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). Externe werking: past de nieuwe functie in de omgeving? Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, 32
bestemmingsplan Loohuis Fleringen
vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Appartementen: De woonfunctie betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving. Omliggende functie: Het appartementengebouw is in de nabijheid van een horecabestemming, een bedrijvenbestemming en een maatschappelijke bestemming gelegen. Ten aanzien van deze functies is een nadere beschouwing van het aspect geluid nodig. Geluid Plus heeft dit nader onderbouwd. De volledige bevindingen zijn opgenomen in Bijlage 5. Omdat voldoende afstand tussen het appartementengebouw en omliggende functies wordt aangehouden en omdat de appartementen op dezelfde locatie als de bestaande woningen worden gebouwd is een acceptabel woon- en leefklimaat ter plaatse van de appartementen voldoende geborgd. Omliggende bedrijvigheid wordt niet beperkt in haar geluidemissie. Van onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden, als gevolg van het voornemen, is dan ook geen sprake. Interne werking: laat de omgeving de nieuwe functie toe? Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. Appartementen: Woningen worden aangemerkt als milieugevoelige functie.
Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe woningen binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en omgekeerd of omliggende milieubelastende functies worden beperkt in hun bedrijfsvoering ten gevolge van de ontwikkeling. Ten behoeve van de omliggende functies (bedrijven, horeca- en maatschappelijke bestemming) is reeds aangetoond dat er geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat optreed. Verder bevindt zich op circa 100 meter van het plangebied een intensieve veehouderij. Voor wat betreft het aspect geur wordt verwezen naar paragraaf 4.3 in verband met de Wet geurhinder en veehouderij. Bedrijf en horeca: De bedrijven en horeca zelf worden niet aangemerkt als een milieugevoelige functie. Wel worden bedrijfsgebouwen in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij aangemerkt als geurgevoelige objecten. Bij de omliggende veehouderijen zijn echter niet de adviesafstanden, maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekende geuremissiecontouren voor vergunningplichtige veehouderijen bepalend. Hier wordt in de paragraaf voor geur (4.3) in dit hoofdstuk nader op ingegaan. Conclusie Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.3 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen; ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.
Toets Het plangebied aan Oldenzaalseweg 107, 109, 111, 113, Ootmarsumseweg 249 t/m 251 en de Pastoor bestemmingsplan Loohuis Fleringen
33
Boddestraat 18 ligt deels binnen de richtafstand van het naastgelegen agrarisch bedrijf aan de Oldenzaalseweg 125. De aanwezigheid van het agrarisch bedrijf in de directe omgeving maakt dat de effecten van dit bedrijf op de ontwikkellocatie in beeld gebracht moeten worden. Door Jan Immink agrarisch bouw- en milieuadvies is daarom een nader geuronderzoek uitgevoerd. Deze is opgenomen in Bijlage 6. De conclusies uit dit onderzoek zijn als volgt. De ontwikkelmogelijkheden op de locatie Oldenzaalseweg 125 te Fleringen zijn begrenst. Bij alle nieuwe ontwikkelingen vindt er een afname van de geurbelasting plaats. Dit brengt met zich mee dat de geurbelasting op de ontwikkellocatie in ieder geval niet zal toenemen t.o.v. de huidige situatie; Om tot een beoordeling van het woon- en leefklimaat te komen is de V-stacks berekening vanuit de vigerende vergunning van de locatie Oldenzaalseweg 125 te Fleringen het uitgangspunt. Dit geeft een precies beeld van de hindersituatie die maximaal kan ontstaan; Vanuit de voorgrondbelasting is de bijbehorende hindersituatie in beeld gebracht. Als geurgevoelige object is de toekomstige positie van het appartementengebouw t.p.v. de locatie Oldenzaalseweg 113 èn de huidige posities van de geurgevoelige objecten( conform de OBM) meegenomen:
Figuur 4.2: Toekomstige positie van het appartementengebouw en de voormalige woningen (bron: Jan Immink) Vanuit het bedrijf Oldenzaalseweg 125 is de geurbelasting bij het punt appartementengebouw en het punt Oldenzaalseweg 113 exact gelijk ( Zie de V-stacks berekening in bijlage 2 van het geuronderzoek).Dit geeft geen extra beperking. Daardoor kan het bouwvlak voor de toekomstige appartementen gelegd worden op de plek van de toekomstige positie van de appartementen (zie figuur 4.2). Het percentage geurgehinderden bij een geurbelasting van 6,4/6,9 odour units per seconde per dier bedraagt 10-15%. Dat percentage komt overeen met de milieukwaliteit redelijk goed, oftewel er is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd; Bij een volgende ontwikkeling van het agrarisch bedrijf op de locatie Oldenzaalseweg 125 te Fleringen zal de geurbelasting op het punt appartementengebouw van de ontwikkellocatie moeten dalen gezien de overbelaste situatie. Dat is geen beperking daar er nog steeds ontwikkelmogelijkheden zijn: de ontwikkelmogelijkheden op de locatie Oldenzaalseweg 125 te Fleringen zijn begrenst t.g.v. de geurbelasting op bijna alle geur gevoelige locaties zoals die in de tabel staan op bladzijde 4 van het geuronderzoek.
Bij alle nieuwe ontwikkelingen moet hiermee rekening gehouden worden, maar het Activiteitenbesluit kent mogelijkheden voor deze situaties waarbij er toch sprake kan zijn van een uitbreiding waarbij de nieuwe geurbelasting op de betreffende geurgevoelige objecten maximaal het verschil mag bedragen van een bestaande belasting en de toegestane belasting. Onderstaand is dat effect in beeld gebracht:
34
bestemmingsplan Loohuis Fleringen
Figuur 4.3: Geur gevoelige locaties (bron: Jan Immink) Door deze ontwikkeling is bij een geurbelasting van 4,7/4,95 odour units per seconde per dier het percentage geurgehinderden 12% . Dat percentage komt overeen met de milieukwaliteit redelijk goed, oftewel het aanvaardbaar woon- en leefklimaat blijft gegarandeerd als het bedrijf aan de Oldenzaalseweg 125 te Fleringen een uitbreiding zou doen Conclusie: Er is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de voorgestane ontwikkelingen van het appartementengebouw op de locatie omgeving Oldenzaalseweg 113 te Fleringen. Deze ontwikkelingen belemmeren ook niet de ontwikkelingen van het bedrijf aan de Oldenzaalseweg 125 te Fleringen. Sterker nog: bij ontwikkelingen van het bedrijf aan de Oldenzaalseweg 125 daalt het percentage geurgehinderden. Dit komt het woon- en leefklimaat op de ontwikkellocatie ten goede. Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor voorliggende ontwikkeling.
4.4 Bodem Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen. Toets Ten behoeve van onderhavig bestemmingsplan is gebruik gemaakt van een verkennend bodemonderzoek van Kruse Milieu om ter plaatse de milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem vast te stellen. Het rapport is opgenomen in Bijlage 5. De bevindingen volgen onderstaand.
Resultaten veldwerk In totaal zijn er 13 boringen verricht, waarvan er 3 zijn doorgezet in de diepere ondergrond. Er is 1 diepe boring afgewerkt met een peilbuis (PB 1). Gebleken is dat de bodem globaal bestaat uit matig fijn, zwak siltig zand. In de boven- en ondergrond zijn oerhoudende lagen aangetroffen. Er zijn plaatselijk bodemvreemde materialen waargenomen (kolengruis). Door de veldwerker zijn visueel geen asbestverdachte materialen op het maaiveld of in de bodem waargenomen. Het freatische grondwater in peilbuis 1 is aangetroffen op 2.05 m-mv. Resultaten chemische analyses Op basis van de resultaten van de analyses kan het volgende worden geconcludeerd: de bovengrond (BG I) is niet verontreinigd; de bovengrond (BG II) is zeer licht verontreinigd met minerale olie; de ondergrond (OG) is niet verontreinigd; het grondwater (PB 1) is licht verontreinigd met barium en zink. Hypothese De hypothese "onverdachte locatie" dient formeel gezien te worden verworpen aangezien er overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarden zijn aangetoond. Conclusies en aanbevelingen In de bovengrond (BG II) en in het grondwater (PB 1) zijn licht verhoogde gehalten aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4 van het bodemonderzoek. bestemmingsplan Loohuis Fleringen
35
In de boven- en ondergrond (BG I en OG) zijn geen verontreinigingen aangetoond. Aangezien de tussenwaarde niet wordt overschreden, wordt het uitvoeren van nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. Slotconclusie Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de bestemmingsplanwijziging en nieuwbouwplannen, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico’s voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin). Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.
4.5 Geluid In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Toets Wegverkeerslawaai Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: a. in stedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; b.
in buitenstedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet: c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh). Door Geluid Plus is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar wegverkeerslawaai. Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 5. De conclusies van het onderzoek met betrekking tot wegverkeerslawaai zijn als volgt: de geluidbelasting ten gevolge van de Jan van Arkelweg ten hoogste 47 dB bedraagt ter plaatse van het appartementengebouw. Hiermee wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde en de gemeentelijke ambitiewaarde; de geluidbelasting ten gevolge van de Ootmarsumseweg ten hoogste 50 dB bedraagt ter plaatse van het appartementengebouw.
De geluidbelasting is hoger dan de voorkeursgrenswaarde en ambitiewaarde, er wordt voldaan aan de maximale grenswaarde en de bovengrens van het geluidbeleid; de geluidbelasting ten gevolge van de Oldenzaalseweg (30 km/u) ten hoogste 50 dB bedraagt ter plaatse van het appartementengebouw. De geluidbelasting is hoger dan de ambitiewaarde, er wordt voldaan aan de bovengrens van het geluidbeleid; maatregelen om de geluidbelasting vanwege de Oldenzaalseweg en Ootmarsumseweg te beheersen redelijkerwijs niet mogelijk zijn. Vanwege de Oldenzaalseweg wordt de gemeente Tubbergen verzochte medewerking te verlenen aan een afwijking van de ambitiewaarde. Voor de Ootmarsumseweg wordt een hogere waarde van 50 dB verzocht; vanwege hogere geluidbelastingen van de Oldenzaalseweg en Ootmarsumseweg dienen geluidluwe buitenruimten gerealiseerd te worden; vanwege de hogere cumulatieve geluidbelasting van omliggende wegen is nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels nodig om een acceptabel binnenniveau te kunnen borgen; 36
bestemmingsplan Loohuis Fleringen
De hogere grenswaardeprocedure loopt gelijktijdig met de bestemmingsplanprocedure. Wanneer er een hogere grenswaarde wordt aangevraagd voor de appartementen, vormt het aspect 'wegverkeerslawaai' geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan. Railverkeerslawaai Er zijn geen spoorwegen aanwezig in de directe omgeving. Railverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de planvorming. Industrielawaai Ten aanzien van het aspect industrielawaai wordt opgemerkt dat in de omgeving van het plangebied geen gezoneerd bedrijventerrein aanwezig is. Hiervan is als gevolg van voorliggend plan eveneens geen sprake. Voor voorliggende plannen wordt door middel van milieuzonering voldoende ruimtelijke scheiding aanbracht tussen de bestemmingen waarbinnen bedrijvigheid is toegestaan en milieugevoelige functies zoals woningen. Voor een nadere toelichting hierop wordt volledigheidshalve verwezen naar paragraaf 4.2 over milieuzonering. Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘Geluid’ geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.6 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Toets Het realiseren van de voorgenomen ontwikkeling zorgt voor extra verkeersbewegingen. De verschillende functie zorgen voor de volgende verkeersbewegingen: Appartementen: het aantal woningen neemt per saldo met één toe.
Als wordt uitgegaan van een worst-case scenario kan het aantal verkeersbewegingen op 4,5 per dag gesteld worden (zie paragraaf 4.11 voor een toelichting hierop). Er zal vrijwel geen sprake zijn van vrachtverkeer, waardoor het percentage vrachtverkeer op nul gezet kan worden. Bedrijfsbestemming: het bedrijfsoppervlakte neemt met circa 2.000 m² toe. Als wordt uitgegaan van een worst-case scenario kan het aantal verkeersbewegingen op 218 per dag gesteld worden (zie paragraaf 4.11 voor een toelichting hierop). Er zal beperkt sprake zijn van vrachtverkeer, waardoor het percentage bestemmingsplan Loohuis Fleringen
37
vrachtverkeer op 10% is gezet. Horecabestemming: de horecabestemming neemt in oppervlakte af. Met voorliggende ontwikkeling zorgt de horecabestemming dan ook niet voor extra verkeersbewegingen. Volledigheidshalve zijn de bestaande verkeersbewegingen wel meegenomen. In totaal bedraagt de verkeersgeneratie na de inkorting uit dagelijks afgerond 53 verkeersbewegingen (zie paragraaf 4.11 voor een toelichting hierop). In figuur 4.4 is de worst-case berekening weergegeven met maximaal 271 extra voertuigbewegingen en 10% vrachtverkeer.
Figuur 4.4: Worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer (bron: infomil.nl) Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
4.7 Externe veiligheid Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit; Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Naast de bovengenoemde wetgeving zijn tevens de volgende AMvB's, Ministeriële Regelingen en/of circulaires van toepassing op de externe veiligheid: Activiteitenbesluit milieubeheer.
In dit besluit zijn veiligheidsafstanden en risiconormen ten opzichte van (beperkt) kwetsbare objecten opgenomen. Veiligheidsafstanden zijn vastgesteld voor onder andere opslagtanks met propaan/propeen, aardgastankstations, en gasdrukmeet- en regelstations. Voor windturbines geldt het plaatsgebonden risico als risiconorm. Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations. De circulaire is van toepassing bij een besluit ten aanzien van een LPG-tankstation onder werking van het Bevi, dat het mogelijk maakt dat er (meer) personen in de omgeving van een LPG-tankstation aanwezig kunnen zijn. De effecten van bepaalde
38
bestemmingsplan Loohuis Fleringen
ongevalsscenario's staan centraal. Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. In deze circulaire zijn veiligheidszones (A-, B- of C-zone) vastgesteld voor de opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Binnen deze veiligheidszones worden de aanwezigheid van activiteiten en/ of objecten uitgesloten. Beleidsregels EV-beoordeling tracébesluiten. Deze beleidsregels geven een overzicht van de over de weg vervoerde gevaarlijke stoffen. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.
In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Risicokaart Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven.
Figuur 4.5: Uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl) Toets Uit de inventarisatie blijkt dat binnen een straal van 650 meter van het plangebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen. De dichtstbijzijnde risicobron is een agrarisch erf waar ontplofbarestoffen aanwezig zijn. Het plangebied ligt buiten de risicocontour van deze risicobron. Derhalve geldt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder bestemmingsplan Loohuis Fleringen
39
het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.
4.8 Water Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de NOVI en het Nationaal Water Programma 2022-2027 (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerprogramma 2022-2027.
Het staat de komende jaren voor grote uitdagingen en blijft werken aan voldoende water (niet te veel, niet te weinig), omgaan met klimaatverandering, voldoen aan de eisen voor waterkwaliteit, de biodiversiteit versterken en daarnaast wordt gewerkt aan duurzame energie en circulair grondstoffengebruik. In de Watervisie 2050 heeft het waterschap de opgaven beschreven. Daarin wordt geschetst hoe het watersysteem er in 2050 moet uitzien om goed toegerust te zijn voor alle uitdagingen. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vloeit rechtstreeks voort uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma beschrijft hoe het waterschap de komende zes jaar werkt aan het realiseren van het gewenste waterbeheersysteem. Hieronder wordt de Watervisie 2050 en het Waterbeheerprogramma 2022-2027 beschreven. Watervisie 2050 Het Waterschap Vechtstromen heeft op 14 april 2021 de Watervisie 2050 vastgesteld. In deze Watervisie staat de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners. De drie belangrijkste opgaves zijn: de toenemende droogte en wateroverlast als gevolg van klimaatverandering; de waterkwaliteit die onder druk staat: de transitie naar een duurzame ontwikkeling. De Watervisie zal worden doorvertaald naar een Waterbeheerprogramma waarin wordt bepaald hoe het Waterschap in de periode 2022-2027 gaat werken aan haar opgaves.
In het beheerprogramma zal het beleid en de maatregelen worden opgenomen. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 15 december 2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van Vechtstromen. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Voor partners en ingezetenen verschaft het programma inzicht in de wijze waarop het waterschap omgaat met het water in het beheergebied. Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma sluit aan bij plannen van andere partijen zoals het Nationale waterplan (Nationaal Water Programma 2022-2027), het Stroomgebiedsbeheerplan Rijndelta en de Omgevingsvisie van de provincies Overijssel en Drenthe. 40
bestemmingsplan Loohuis Fleringen
Belangrijk uitgangspunt van het Waterbeheerprogramma is de verandering van het klimaat. De weersomstandigheden zijn steeds minder vaak gemiddeld. Dat merken we de laatste twee decennia steeds duidelijker. De winters worden natter en in de zomer zijn er langere hete en droge perioden en vallen de buien steeds meer lokaal. Deze zomerbuien hebben vaker een zeer hoge intensiteit, wat leidt tot hoge afvoerpieken en overstromingen. Het watersysteem is nog niet goed toegerust op die verandering. Het is nu nog vooral ingericht op basis van gemiddelden - de normale beheersituatie enerzijds en het voorkomen van wateroverlast anderzijds - en niet op langdurige droge periodes en incidentele hoosbuien. Dit betekent dat het watersysteem aangepast moet worden. Daarbij heeft het waterschap de ambitie om te komen tot een klimaatrobuust watersysteem in 2050: een systeem dat zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht tegen een stootje kan en goed is toegerust op veranderingen en grotere weersextremen. Overeenkomstig de Watervisie 2050 heeft het waterschap de volgende hoofdlijnen aangegeven waar de komende jaren aan gewerkt wordt: Als gevolg van de klimaatverandering wil het waterschap zorgen voor meer balans tussen 'droge voeten' en het beperken van wateroverlast.
Dat betekent dat water het leidende principe is voor het inrichten van de leefomgeving in plaats van andersom: water volgend aan de inrichting. Er wordt meer aandacht gegeven aan het vasthouden van water in de bodem. Regenwater wordt niet als afvalwater beschouwd, maar als bouwsteen in de ontwikkeling van een robuust watersysteem. Watertoetsproces Op 17 maart 2023 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie Bijlage 8. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de 'korte procedure' van toepassing is. Het waterschap heeft op voorhand geen bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkeling.
4.9 Ecologie Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Toetsing Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is door Natuurbank Overijssel een Quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd [projectnummer: 6093 versie 1.0]. De rapportage is opgenomen in Bijlage 9. In de navolgende alinea's worden de resultaten besproken. Het plangebied is op 14 april 2023 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren.
Het plangebied wordt door beschermde diersoorten uitsluitend benut als foerageergebied. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor de foeragerende diersoorten niet af. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde gebieden: Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan niet op voorhand uitgesloten worden. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden voor de ontwikkel- en gebruiksfase. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen worden uitgesloten. Stikstofberekening Door Ad Fontem is een stikstofberekening uitgevoerd. Deze is opgenomen in Bijlage 10. De berekeningen zijn uitgevoerd met het programma AERIUS Calculator 2022. Voor de beoogde situatie is gerekend voor het rekenjaar 2024, omdat uitgegaan wordt dat het plan in dit jaar pas kan worden uitgevoerd.
Voor de gebruiksfase is gerekend voor het rekenjaar 2025, omdat wordt geacht dat de bebouwing dan pas in gebruik kan worden genomen. De bijdrage aan de stikstofdepositie in de omliggende Natura 2000-gebieden is in alle gevallen bestemmingsplan Loohuis Fleringen
41
berekend voor een vergunning Wet natuurbescherming. Als bijlage bij deze rapportage behoort het AERIUS analysebestand (pdf) met rekenresultaten (bronnen, rekenpunten en resultaten) van de aanleg- en gebruiksfase van de beoogde situatie. Aanlegfase De totale NOx-emissie bedraagt in totaal 42,1 kg/j. De totale NH3-emissie bedraagt 1,6 kg/j. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Gebruiksfase De totale NOx-emissie bedraagt in totaal 58,2 kg/j. De totale NH3-emissie bedraagt 1,4 kg/j. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Conclusie Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling komt er zowel NOx als NH3 vrij. Door uitvoering van de voorliggende AERIUS berekening is aangetoond dat dit niet leidt tot een meetbare depositie van NOx of NH3 in Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor stikstof en ammoniak. In de aanleg- en gebruiksfase ligt de emissie dan ook niet hoger dan 0,00 mol/ha/j. Als gevolg van de berekende emissie, tijdens de aanleg- en gebruiksfase, vindt er dan ook géén meetbare verhoging van de depositie NOx of NH3 plaats in Natura 2000-gebieden als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. De ontwikkeling leidt niet tot een verslechtering van de milieukwaliteit van Natura 2000-gebieden. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden.
De AERIUS Calculator 2022 biedt voldoende inzicht in het effect van de voorgenomen activiteit op Natura-2000-gebieden voor het aspect stikstof en ammoniak. De uitkomsten van de berekeningen met de AERIUS Calculator zijn geldig en toepasbaar voor ruimtelijke plannen. De Wet natuurbescherming vormt voor het aspect stikstof en ammoniak geen belemmering voor de uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling. Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.
4.10
Archeologie en Cultuurhistorie
Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden.
Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Archeologie
42
bestemmingsplan Loohuis Fleringen
Figuur 4.6: uitsnede archeologische verwachtingenkaart (bron: RAAP rapport, gemeente Tubbergen) Toets Het plangebied bestaat uit het dekzandlandschap. Voor een deel betreft het 'dekzandwelvingen en -vlakten' en voor een deel 'dekzandhoogten en -ruggen'. Voor 'dekzandwelvingen en -vlakten' geldt een middelmatig archeologische verwachting voor resten uit alle perioden. Een verhoogde kans op archeologische resten uit de Steentijd op de hoogste delen van dekzandwelvingen en op resten uit de Late Middeleeuwen langs randen van dekzandhoogten en ruggen met een plaggendek. Archeologische resten vlak onder het maaiveld daardoor kwetsbaar voor bodemingrepen. Archeologische resten hierdoor vaak minder goed geconserveerd. Archeologisch onderzoek noodzakelijk in plangebieden groter dan 5000 m² bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Voor gebieden kleiner dan 5000 m² geldt vrijstelling voor archeologisch onderzoek. Voor 'dekzandhoogten en -ruggen' geldt een hoge archeologische verwachting uit alle perioden. Archeologische resten vlak onder het maaiveld en daardoor kwetsbaar voor bodemingrepen. Archeologische resten hierdoor vaak minder goed geconserveerd. Archeologisch onderzoek noodzakelijk in plangebieden groter dan 2500 m² bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Voor gebieden kleiner dan 2500 m² geldt vrijstelling voor archeologisch onderzoek.
Voorliggende ontwikkeling is besproken met de regioarcheoloog van Het Oversticht. Zijn advies voor voorliggende ontwikkeling is als volgt. Hoewel er op basis van het landschap een hoge archeologische verwachting geldt, en er een kleine kans is dat er ongeroerde grond nog aanwezig is – is onderzoek hier niet nuttig en niet proportioneel. De nieuwe bebouwing is ongeveer 1.075 m2. De vrijstellingsgrens wordt daarmee in alle redelijkheid niet overschreden. Bovendien vindt een deel van de nieuwbouw plaats binnen de contouren van te slopen bestaande bebouwing. Ook geven de historische kaarten weer dat er verschillende fases aan recente gebouwen op de te bebouwen locatie hebben gestaan. Er hoeft geen archeologisch vervolgonderzoek uitgevoerd te worden. Het Oversticht adviseert om het plangebied vrij te geven voor de geplande ontwikkeling. De bestaande archeologische dubbelbestemming blijft gelden. Indien bij de graafwerkzaamheden onverhoopt archeologische resten worden aangetroffen, geldt er een meldingsplicht, volgens de Erfgoedwet, art. 5.10. Deze melding kan worden gedaan bij de gemeente Tubbergen (namens haar de regioarcheoloog) of de RCE. Het aspect 'archeologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn.
Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen
bestemmingsplan Loohuis Fleringen
43
de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Toets Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat er geen monumenten in het plangebied aanwezig zijn. Derhalve wordt geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.
4.11
Verkeer / parkeren
Verkeer Onderhavig plan betreft de uitbreiding van een bestaande bedrijfslocatie met circa 2.000 m² bvo en het toevoegen van per saldo één woning (studio/appartement). Voor het berekenen van de verkeersgeneratie zijn de kengetallen van het CROW (versie 381) aangehouden. Voor het gebiedstype is de categorie 'rest bebouwde kom' aangehouden. Voor de mate van stedelijkheid is de buurt 'Fleringen kern' aangehouden. Deze kent een 'niet stedelijkheid' graad (bron: CBS, Statline). Uitgaande hiervan geldt het volgende voor het beoogde plan: Wonen Studio's/appartementen (huur, appartement, miden/goedkoop): op basis van het CROW heeft een appartement een gemiddelde verkeersgeneratie van 4,5 verkeersbewegingen per woning. In totaal worden 5 appartementen gerealiseerd. Dit resulteert in een verkeersgeneratie van afgerond 22,5 verkeersbewegingen. Echter worden er ook vier grondgebonden woningen gesloopt. Uitgaande van de categorie 'huur, huis, vrije sector' gaat het om 7,8 verkeersbewegingen per woning. Dat komt neer op 31,2 verkeersbewegingen. In de toekomstige situatie zorgen 5 huur appartementen (midden/goedkoop segment) dus voor een afname in de verkeersgeneratie ten opzichte van 4 grondgebonden (huur)woningen.
Bedrijvigheid Uitbreiding bedrijfsbebouwing: op basis van het CROW zorgt de beoorde uitbreiding voor een gemiddelde verkeersgeneratie van 10,9 verkeerskeerbewegingen per 100 m² bvo (uitgaande van categorie: 'Bedrijf arbeidsintensief/bezoekersextensief (industrie, laboratorium, werkplaats). De uitbreiding bedraagt circa 2.000 m² bvo. Dit resulteert in een verkeersgeneratie van afgerond 218 extra verkeersbewegingen. Opgemerkt wordt dat dit wel een worst-case benadering is. Een groot deel van de uitbreiding van de bedrijfsbestemming komt ten goede van optimalisatie van het bedrijfspand en betreft niet direct een schaalsprong. Daarbij is er sprake van een uitbreiding en niet van nieuwvestiging. Het is niet zo dat de uitbreiding één op één zorgt voor meer verkeersbewegingen. Het zijn immers werknemers en bezoekers die de bedrijfslocatie nu ook al bezoeken en dus gerekend kunnen worden tot de bestaande verkeersstroom. De uitbreiding zal slechts voor een klein percentage aan nieuwe verkeersstroom zorgen, die vóór de uitbreiding, het bedrijfspand nog niet bezocht en daarmee zorgen voor extra verkeersbewegingen. Horeca: de horecabestemming neemt in oppervlakte af. Met voorliggende ontwikkeling zorgt de horecabestemming dan ook niet voor extra verkeersbewegingen. Met voorliggend plan zorgt dus alleen de uitbreiding van Loohuis voor extra verkeersbewegingen.
Zoals bovenstaand berekend komt dat neer op 218 extra verkeersbewegingen. Deze extra verkeersbewegingen worden ontsloten via de de Pastoor Boddestraat, de B. Meenweg en vervolgens de provinciale Ootmarsumseweg (60 km/u). De Pastoor Boddestraat en de B. Meenweg ter hoogte van het plangebied zijn beide wijkontsluitingswegen met een snelheidsregime van 30 km/u. Beide wegen hebben een asfalt wegdek met aan weerzijden een trottoir. De weg is ter hoogte van het plangebied ingericht op het reeds bestaande bedrijfsperceel van Loohuis. Beide wegen gaan, verder de wijk in, over in klinkerbestrating. Hier geldt ook een verbod op vrachtverkeer. De huidige infrastructuur is daarmee reeds afstemd op de onsluiting van het bedrijfsperceel van Loohuis. Momenteel maken vooral woningen gelegen aan de oostkant van de kern Fleringen en het bestaande bedrijfsperceel van Loohuis gebruik van deze ontsluiting. De extra verkeersbewegingen als gevolg van de uitbreiding van Loohuis worden via bestaande in- en uitritten georganiseerd. Vervolgens wordt het verkeer op dezelfde manier afgewikkeld. Een (beperkte) toename van verkeersbewegingen als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling kan eenvoudig via de huidige infrastructuur worden afgewikkeld. Het aspect 'verkeer' levert geen belemmeringen op voor dit plan. Parkeren Het parkeren vindt plaats op eigen erf.
In ieder geval wordt met het plan conform de notitie bouwen en parkeren 2018 van de gemeente Tubbergen voorzien in de eigen parkeerbehoefte. Voor het berekenen van de parkeerbehoefte is een onderscheid gemaakt tussen de woningen en bedrijvigheid. Woningen Appartementen: er worden vijf appartementen ontwikkeld (vier appartementen van <100 m² en één appartement van 100-150 m²). Voor appartementen <100 m² geldt een parkeerbehoefte van 1,6 44
bestemmingsplan Loohuis Fleringen
parkeerplaatsen per woning. Uitgaande van 4 appartementen zijn dat 6,4 parkeerplaatsen. Voor appartementen in de categorie 100 - 150 m² geldt een parkeerbehoefte van 1,9 parkeerplaatsen. Uitgaande van één appartement is dat één parkeerplaats. Daarmee bedraagt de parkeerbehoefte 8,3 parkeerplaatsen (afgerond 8 parkeerplaatsen).
Bedrijvigheid Voor het berekenen van de parkeerbehoefte voor de bedrijvigheid is in eerste instantie gekeken naar de huidige parkeersituatie. Momenteel zijn er 44 parkeerplaatsen aanwezig bij het bedrijfspand van Loohuis. Om de toekomstige parkeerbehoefte te berekenen wordt de de parkeerbehoefte van de uitbreiding van het bedrijfspand én de horeca in kaart gebracht. Deze is in onderstaande tabel opgenomen:
Bedrijfspand: het bestaande bedrijfspand heeft 44 parkeerplaatsen. Met de beoogde uitbreiding neemt de parkeerbehoefte toe met 32 parkeerplaatsen (in bovenstaande tabel is de parkeerbehoefte berekend). Daarmee heeft het bedrijfsperceel een parkeerbehoefte van 76 parkeerplaatsen; Horeca: het horecapand heeft, op basis van de toekomstige m², een parkeerbehoefte van 46 parkeerplaatsen. De totale parkeerbehoefte van de bedrijvigheid in het plangebied bedraagt daarmee 122 parkeerplaatsen. Conform het parkeerbeleid van de gemeente Tubbergen mag je bij plannen waar sprake is van meerdere functies een combi-berekening uitvoeren voor gecombineerd gebruik. Een combi-berekening is zinvol als de aanwezigheid van diverse gebruiksfuncties in het gebouw sterk verdeeld wordt over de dag. Bijvoorbeeld kantoorruimtes die vooral overdag gebruikt worden, in combinatie met een horecafunctie waar vooral ’s avonds klanten komen. Men kan dan dezelfde parkeerplaatsen gezamenlijk gebruiken. Voor het totale bouwplan zijn dan minder parkeerplaatsen nodig. Op basis van de combi-berekening komen we tot de volgende berekening:
bestemmingsplan Loohuis Fleringen
45
Figuur 4.7: parkeersituatie Loohuis Fleringen (bron: Building Design Architectuur) Op basis van de gecombineerde parkeerberekening zijn er op het piek-moment (werkdag-middag) in totaal 94 parkeerplaatsen noodzakelijk. In het totale plangebied worden 102 parkeerplaatsen gerealiseerd. De toekomstige parkeersituatie is opgenomen in figuur 4.7 en Bijlage 11. Deze kunnen als volgt verdeeld worden: 8 parkeerplaatsen zijn gereserveerd voor de appartementen. Deze zijn niet te gebruiken voor combinatiebezoek; 43 parkeerplaatsen zijn alleen te gebruiken voor het bedrijfsperceel van Loohuis; 51 parkeerplaatsen (7 + 7 + 3 + 34 plaatsen in figuur 4.7) zijn te zowel te gebruiken voor het restaurant en Loohuis. Daarmee wordt voldaan aan de parkeerbehoefte van het restaurant (minimaal 46 parkeerplaatsen) als de parkeerbehoefte voor Loohuis (minimaal 76 parkeerplaatsen). Daarmee voldoet het plan aan de parkeernormen van de gemeente Tubbergen. Het aspect 'parkeren' levert derhalve geen belemmeringen op voor dit plan.
46
bestemmingsplan Loohuis Fleringen
Hoofdstuk 5
Juridische toelichting
5.1 Planopzet en systematiek De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.
5.2 Toelichting op de regels 5.2.1
Opbouw
In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht. Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Bestemmingsregels De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit: bestemmingsomschrijving: De omschrijving van de doeleinden.
Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies; bouwregels: In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart); afwijken van de bouwregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken; specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies; afwijken van de gebruiksregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen; wijzigingsregels In dit onderdeel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier bestemmingsplan Loohuis Fleringen
47
om wijzigingsbevoegdheden gekoppeld aan de desbetreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Algemene regels Anti-dubbeltelregel: Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld; Algemene bouwregels: In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen; Algemene gebruiksregels: Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin; Algemene aanduidingsregels: In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels beschreven; Algemene afwijkingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Algemene wijzigingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking.
De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Overige regels: Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van bijvoorbeeld welstand en wegverkeerslawaai en er wordt de mogelijkheid geboden om nadere eisen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing. Overgangs- en slotregels Overgangsrecht: Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet; Slotregel: Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald. 5.2.2
Bestemmingen
Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen: Enkelbestemmingen Bedrijf: De bestemming 'Bedrijf' is bestemd voor bedrijven genoemd in de in Bijlage 1 opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten in de categorieën 1 en 2, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - installatiebedrijf' tevens een installatiebedrijf is toegestaan. Bedrijfsgebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' mag de bouwhoogte van bedrijfsgebouwen ten hoogste de aangegeven hoogte bedragen. Horeca: De bestemming 'Horeca' is bestemd voor horecabedrijven. Ter plaatse van de horecabestemming is een aanduiding opgenomen 'horeca van categorie 2'. Dit betekent dat ter plaatse van deze aanduiding horeca in de categorie 1 en 2 zoals genoemd in 'Staat van horeca-activiteiten' zijn toegestaan. Wonen is toegestaan voor
48
bestemmingsplan Loohuis Fleringen
zover het de tweede en/of hogere bouwlaag betreft. Hiervoor geldt het bestaande aantal woningen. Wonen: De bestemming 'Wonen' is hoofdzakelijk bedoeld voor het wonen. Ondergeschikt hieraan is deze bestemming tevens bedoeld voor speelvoorzieningen, groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen ten behoeve van afvoer, (tijdelijke) berging en infiltratie van hemelwater, parkeervoorzieningen, wegen en paden en tuinen, erven en terreinen. Met voorliggend plan wordt een appartementengebouw mogelijk gemaakt met maximaal 5 appartementen. De maximum bouwhoogte bedraagt 11 meter. Dubbelbestemmingen Waarde - Archeologie In de regels van de dubbelbestemming is bepaald dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - hoge archeologische verwachting' archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij bouwwerken en -projecten en werkzaamheden over een oppervlakte van meer dan 2.500 m2 met een diepte van 40 centimeter of meer.
bestemmingsplan Loohuis Fleringen
49
50
bestemmingsplan Loohuis Fleringen
Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.