CConstaterende datTubbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Buitengebied, Rood voor Rood op 6 locaties Toelichting.pdf

Gemeenteraad Tubbergen 20 december 2022, gemeente TubbergenBij agendapunt: 10: Bestemmingsplan Buitengebied, Rood voor Rood op 6 locaties28.867 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

In het mengmonster van de fijne fractie A - MM FF ter plekke van de voormalige weg (deellocatie A) is asbest aangetoond; het gewogen asbestgehalte is ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. In het mengmonster van de fijne fractie van C - MM FF ter plekke van de druppelzone (deellocatie C) is geen asbest aangetoond. Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de voorgenomen bestemmingsplanwijziging, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik 5.2.2.3 Hardenbergerweg 41, Tubbergen Historisch vooronderzoek Ten behoeve van de ontwikkeling op deze locatie heeft Terra Agribusiness een historisch vooronderzoek uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 12 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Op basis van de beschikbare historische informatie, het bodemloket, topotijdreis.nl en luchtfoto's zijn er verdachte locaties aan te wijzen. Uit historische informatie blijkt dat er asbestverdachte dakbedekking op de schuur aanwezig is die gesloopt wordt. Tevens blijkt dat er een bovengrondse dieseltank aanwezig is geweest. Echter valt de voormalige dieseltank buiten de huidige onderzoekslocatie.

Gegeven het historische gebruik van de locatie (wonen) en de resultaten van onderhavig historisch onderzoek wordt een verkennend onderzoek op de locatie noodzakelijk geacht. Verkennend bodemonderzoek Op basis van de uitkomsten van het historisch vooronderzoek heeft Terra Agribusiness een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 13 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Bodem: gehele locatie In het bovengrondmengmonster BM1 is een lichte verhoging kwik aangetroffen. In het bovengrondmengmonster BM2 en in het ondergrondmengmonster OM1 zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster Pb1wm1 is een lichte verhoging barium aangetroffen. Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie 56

bestemmingsplan Buitengebied, Rood voor Rood op 6 locaties

wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt voor dit onderdeel geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Asbest in de grond - gehele locatie Ter plaatse van de locatie zijn meerdere inspectiegaten gegraven, bemonsterd en geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest. Het mengmonster MM1 is licht asbesthoudend; het gewogen asbestgehalte is ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Ter plaatse van de aangetroffen puinlaag is separaat een mengmonster samengesteld. Het mengmonster MM2 is tevens licht asbesthoudend; het gewogen asbestgehalte is ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Op basis van onderhavig onderzoek wordt voor dit onderdeel een nader bodemonderzoek niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt voor dit onderdeel geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Asbest in de grond - druppelzones Ter plaatse van elke druppelzone zijn twee inspectiesleuven gegraven en is er een mengmonster samengesteld. Op het maaiveld is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. In het mengmonster van DZ1 is analytisch geen asbest aangetoond. Er dient opgemerkt te worden dat het mengmonster niet voldoet aan de minimale hoeveelheid monstermateriaal. Echter wordt niet verwacht dat dit invloed heeft gehad op de monstername en analyses.

In het mengmonster van DZ2 is een concentratie asbest aangetoond van 96 mg/kg ds (milligram per kilogram droge stof). Uit deze analyse blijkt ook dat van de zeeffractie <0,5mm asbestverdachte vezels bevat. Hierop is besloten om het monster middels SEM te analyseren. Uit de SEM-analyse blijkt dat er 6 asbestvezels gemeten zijn met een gehalte van 55 mg/kg ds. De totale concentratie asbest komt hiermee uit op 151 mg/kg ds. Hiermee overschrijdt de analyse de interventiewaarde (100 mg/kg ds). Omdat de concentratie aan respirabele vezels hoger is dan 10 mg/kg ds wordt gesteld dat er "onaanvaardbare risico's" zijn en dat er een indicatie is voor spoedeisendheid (sanering binnen 4 jaar). Er is naar mening van het adviesbureau een reden om af te zien van een nader onderzoek ter plaatse van druppelzone 2. De verontreiniging kan in overleg met bevoegd gezag zonder nader onderzoek gesaneerd worden middels een BUS-melding. Uit het "Bijzonder inventariserend onderzoek, erosie van asbestdaken" van Geofox-Lexmond (20131980/JOOS, d.d. 29-9-2014) blijkt dat de verontreiniging in de bodem van de afwateringszone van dakgootloze asbestdaken zich voornamelijk beperkt tot een diepte van 10cm bij een horizontale spreiding van circa 1 meter. De uitvoering van de sanering is in de regels van dit bestemmingsplan geborgd.

De bodem wordt, na sanering, geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin). 5.2.2.4 Huyerenseweg ong., Geesteren Ten behoeve van de ontwikkeling op deze locatie heeft Kruse een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 14 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Op basis van de resultaten van de analyses wordt het volgende geconcludeerd: Weiland de bovengrond (weiland - BG I) is niet verontreinigd; de bovengrond (weiland - BG II) is niet verontreinigd; de ondergrond (weiland - OG) is niet verontreinigd; het grondwater (PB 1) is licht verontreinigd met barium. Erf de bovengrond (erf - BG I) is niet verontreinigd; de bovengrond (erf - BG II) is licht verontreinigd met minerale olie; de bovengrond (erf - BG III) is niet verontreinigd; de ondergrond (erf - OG) is niet verontreinigd; het grondwater (PB 21) is zeer licht verontreinigd met barium en zink. Deellocatie A: puinweg het mengmonster MM FF - A bevat geen asbest. In de bovengrond (Erf - BG II) en in het grondwater (PB 1 en PB 21) zijn enkele (zeer) lichte verontreinigingen bestemmingsplan Buitengebied, Rood voor Rood op 6 locaties 57

aangetoond. In de boven- en ondergrond van het weiland (Weiland - BG I, Weiland - BG II, Weiland - OG) en van het erf (Erf - BG I, Erf -BG III, en Erf - OG) zijn geen verontreinigingen gemeten. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk. In de fijne fractie van het mengmonster MM FF - A is geen asbest aangetoond. Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de bestemmingsplanwijziging en de bouwplannen, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico’s voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin). 5.2.2.5 Hambroeksweg 5, Vasse Ten behoeve van de ontwikkeling op deze locatie heeft Terra Agribusiness een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 15 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. In het bovengrondmengmonster BM1 is een lichte verhoging PAK 10 VROM aangetroffen. In het bovengrondmengmonster BM2 is een lichte verhoging minerale olie aangetroffen. In het ondergrondmengmonster OM1 zijn geen verhogingen aangetroffen. Tevens is er in BM2 een matige verhoging kobalt en een sterke verhoging koper aangetroffen. Naar aanleiding van de verhoogde concentraties in het mengmonster zijn de separate deelmonsters van BM2 geanalyseerd op kobalt en koper.

In de separaat geanalyseerde deelmonsters zijn geen verhogingen aangetroffen. Er is waarschijnlijk sprake van sterke heterogeniteit van de milieuhygiënisch kwaliteit op de locatie. In het grondwatermonster Pb1wm1 zijn lichte verhogingen xylenen, minerale olie en naftaleen aangetroffen. Tevens is er een matige verhoging barium aangetroffen. Naar aanleiding van deze verhoging is de bestaande peilbuis opnieuw bemonsterd. Uit het analysecertificaat van het her-monster (Pb1wm2) blijkt dat er wederom een matige verhoging barium is aangetroffen in het grondwater. De verhoging barium in beide grondwatermonsters (Pb1wm1 en Pb1wm2) geven formeel aanleiding voor het laten uitvoeren van een nader onderzoek. Echter zijn er naar onze mening een aantal redenen om af te zien van een nader onderzoek: Er is geen eenduidige bron voor de verhogingen aan te wijzen; Zware metalen worden vaker verhoogd aangetroffen in het grondwater en kunnen van nature verhoogd voorkomen. Tevens kunnen zware metalen in concentratie sterk fluctueren. Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt voor dit onderdeel geschikt geacht voor het beoogde gebruik.

5.2.2.6 Beltweg 15, Manderveen Ten behoeve van de ontwikkeling op deze locatie heeft Terra Agribusiness een verkennend vooronderzoek uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 16 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. In zowel de boven- en ondergrond (BM1 en OM1) zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster Pb1wm1 is een lichte verhoging barium aangetroffen. Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt voor dit onderdeel geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Het aspect bodem vormt voor deze locatie geen belemmering. 5.2.3

Conclusie

De plandelen worden vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik (wonen met tuin). Het aspect 'bodem' vormt hiermee geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

5.3 Luchtkwaliteit 5.3.1

Beoordelingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. In bijlage 2 van de Wet milieubeheer staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Op grond van de Wet milieubeheer, gelet op artikel 5.16 lid 4 Wet Milieubeheer 58

bestemmingsplan Buitengebied, Rood voor Rood op 6 locaties

geldende de volgende regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); 5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet milieubeheer vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.

5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig. 5.3.2

Situatie plangebied

In paragraaf 5.3.1.1 is een lijst met categorieën van gevallen beschreven, die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling in vergelijking met voorgenoemde voorbeelden van categorieën, kan worden aangenomen dat voorliggende ontwikkeling 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tevens wordt opgemerkt dat ten aanzien van de ontwikkeling geen sprake is van de realisatie van een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 5.3.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.

5.4 Externe veiligheid 5.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); bestemmingsplan Buitengebied, Rood voor Rood op 6 locaties 59

de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden- en het groepsrisico. 5.4.2

Beoordeling

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond de plangebieden. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart opgenomen in relatie tot de plandelen.

Afbeeld ing 5.1 Uitsnede Risicokaart (Bron: Atlas leefomgeving)

Uit de inventarisatie blijkt dat de deelgebieden: zich niet bevinden binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevinden binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet liggen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet liggen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Zoals uit afbeelding 5.1 blijkt ligt er op de kruising van de Denekamperweg en de Hardenbergerweg een LPG tankstation. De locatie aan de Hardenbergerweg 41 ligt op circa 1 kilometer afstand van dit tankstation. Voor het tankstation geldt een richtafstand van 150 meter voor het groepsrisico en een afstand van 25 meter voor het plaatsgebonden risico van 25 meter. Aan beide afstanden wordt ruimschoots voldaan.

60

bestemmingsplan Buitengebied, Rood voor Rood op 6 locaties

Daarnaast ligt zoals bekend de locatie aan de Kluunvenweg nabij een hoogspanningsleiding van 110 kV. Dit is de reden dat ter plaatse geen compensatiewoning wordt gebouwd maar enkel sprake is van sloop. Gezien het enkel gaat om sloop ter plaatse van deze locatie vormt de hoogspanningsleiding geen belemmering. Een en ander brengt met zich mee dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid. 5.4.3

Conclusie

Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

5.5 Milieuzonering 5.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. 5.5.2

Gebiedstypen

5.5.2.1 Algemeen Volgens de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een 'rustige woonwijk' of een 'gemengd gebied'. Een 'rustige woonwijk' is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor en langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Alle locaties van het plangebied bevinden zich in het buitengebied, waar geen sprake is van een matige tot sterke functiemenging. Deze deelgebieden wordt dan ook aangemerkt als gebiedstype 'rustige woonwijk'. Milieucategorie Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk/rustigbuitengebied 1 10 m 2 30 m 3.1 50 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m

bestemmingsplan Buitengebied, Rood voor Rood op 6 locaties 61

3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

5.5.3

50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Beoordeling

Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 5.5.3.1 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake wanneer het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of de realisatie van het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving. Compensatiewoningen In voorliggend geval worden vier nieuwe woningen gerealiseerd. De functie 'wonen' betreft geen milieubelastende activiteit voor de omgeving. Van enige vorm van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden is dan ook geenszins sprake. Kleinschalig bedrijf (Bovenbroeksweg 2) Naast de nieuwe woningen wordt aan de Bovenbroeksweg 2 een klein bedrijf gevestigd. Het gaat om een een bedrijf dat zich richt op het organiseren van feesten, partijen en evenementen. Op deze locatie vinden uitsluitend de opslag, reparatie, schoonmaak en sorteerwerkzaamheden van de materialen plaats.

Deze functie kan op basis van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' het beste worden vergeleken met de functie 'Opslaggebouwen (verhuur opslagruimte)'. Voor deze functie geldt een grootste richtafstand van 30 meter voor het aspect geluid. Direct aangrenzend aan dit bedrijf ligt het agrarisch bouwvlak van het bedrijf aan de Hardenbergerweg 142. Planologisch gezien kan er binnen deze afstand van 30 meter de bedrijfswoning van dit bedrijf gebouwd worden. De bedrijfswoning ligt echter op een afstand van meer dan 50 meter. De huidige agrarische bestemming was al de beperking hiervoor. Gezien de indeling van het erf is herbouw van de bedrijfswoning dichterbij de functie in het plangebied niet te verwachten. Er is dan ook sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hier komt nog bij dat er met dit plan de mogelijkheden tot het uitoefenen van een agrarisch bedrijf komen te vervallen. Per saldo zal er ten aanzien van omliggende gevoelige functies dan ook sprake zijn van een verbetering van het woon- en leefklimaat. Opslag (Huyerenseweg ong. Geesteren) Ter plaatse van de Huyerenseweg staat een schuur die wordt gebruikt voor opslag. Deze schuur wordt meegenomen binnen de woonbestemming. Hiermee behoort de schuur tot de inrichting. Deze functie wordt dan ook niet als belemmering gezien voor de beoogde woning.

Paardentrainingsbedrijf (Hambroeksweg 5) Ter plaatse van de Hambroeksweg 5 is een paardentrainingsbedrijf aanwezig. Ter plaatse wordt ook een compensatiewoning gebouwd. Deze vormt een beschermd object ten aanzien van het paardentrainingsbedrijf. Het gaat om een kleinschalig paardentrainingsbedrijf, met een oppervlakte aan gebouwen van maximaal 120 m2. Het gaat slechts om het trainen van enkele paarden. Er is geen sprake van de stalling van paarden in grootschalige, bedrijfsmatige vorm. De functie is momenteel toegestaan als ondergeschikt aan de woonfunctie. Dit blijft onveranderd. Gezien het gaat om een ondergeschikte, kleinschalige functie, kan deze functie gelijk worden gesteld met hobbymatig agrarisch gebruik. Dit gebruik is passend binnen de woonbestemming en hoeft niet te worden getoetst aan richtafstanden. Gezien vorenstaande is ter plaatse van de compensatiewoning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te verwachten.

62

bestemmingsplan Buitengebied, Rood voor Rood op 6 locaties

5.5.3.2 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. In voorliggend geval worden er vier compensatiewoningen gerealiseerd. Deze compensatiewoningen worden aangemerkt als nieuwe milieugevoelige functies. Hierna wordt per deelgebied ingegaan op eventuele hinder afkomstig van bestaande functies in de omgeving. De locaties aan de Kluunvenweg 10 en de Bovenbroeksweg 2 worden in dit geval buiten beschouwing gelaten, gezien daar geen sprake is van de realisatie van een gevoelige functie. Hardenbergerweg 41, Tubbergen In de nabijheid van het projectgebied liggen twee agrarische bedrijven (grondgebonden agrarische bedrijven) en een bedrijf (houtdrogerij). Bij veehouderijen geldt, op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', de grootste richtafstand veelal voor het aspect geur. Bij agrarische bedrijven zijn, in het geval van veehouderijen, echter niet de adviesafstanden maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekenende geuremissiecontouren voor vergunningplichtige veebedrijven bepalend. Hier wordt in paragraaf 5.6 nader op ingegaan. Geur buiten beschouwing latend, geldt een grootste afstand van 30 meter voor stof en geluid. In de volgende tabel wordt nader op de in de nabijheid aanwezige bedrijven en bijbehorende richtafstanden ingegaan.

Hierbij is gemeten tussen de grens die de milieugevoelige woning toelaat en de grens waar de milieubelastende activiteit plaats kan vinden (grens woonbestemmingsvlak/grens agrarisch bouwvlak/bedrijf). Adres Hardenbergerweg 50

Type bedrijf Grondgebonden agrarisch bedrijf

Richtafstand (geluid) 30 m

Daadwerkelijke afstand 70 m

Hardenbergerweg 37

Grondgebonden agrarisch bedrijf Groothandel in hout en bouwmaterialen

30 m

70 m

50 m

70 m

Tubbergeresweg 1

Huyerenseweg ong, Geesteren In de nabijheid van het projectgebied liggen twee agrarische bedrijven (grondgebonden agrarische bedrijven) en een bedrijf (houtdrogerij). Bij veehouderijen geldt, op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', de grootste richtafstand veelal voor het aspect geur. Bij agrarische bedrijven zijn, in het geval van veehouderijen, echter niet de adviesafstanden maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekenende geuremissiecontouren voor vergunningplichtige veebedrijven bepalend. Hier wordt in paragraaf 5.6 nader op ingegaan. Geur buiten beschouwing latend, geldt een grootste afstand van 30 meter voor stof en geluid. In de volgende tabel wordt nader op de in de nabijheid aanwezige bedrijven en bijbehorende richtafstanden ingegaan. Hierbij is gemeten tussen de grens die de milieugevoelige woning toelaat en de grens waar de milieubelastende activiteit plaats kan vinden (grens woonbestemmingsvlak/grens agrarisch bouwvlak/bedrijf). Adres Meijersweg 8, Geesteren

Type bedrijf Richtafstand (geluid) Verblijfsrecreatie 50 m (vakantiecentra) Hertenhouderij (fokken en houden van overige graasdieren

Daadwerkelijke afstand 270 m

Huyerenseweg 27 Paardenhouderij 30 m 100 m Zoals uit voorgaande tabel blijkt, wordt de richtafstand (het aspect 'geur' buiten beschouwing latend) voor alle bedrijven gehaald. Ter plaatse van het projectgebied is daarmee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te verwachten en de bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. Hambroeksweg5, Vasse In de nabijheid van het projectgebied ligt een agrarisch bedrijf (intensieve veehouderij). Het bedrijf ligt echter op een afstand van 400 meter van deze locatie. Aan de richtafstand van 50 meter wordt ruimschoots voldaan. bestemmingsplan Buitengebied, Rood voor Rood op 6 locaties 63

Daarnaast wordt opgemerkt dat op deze locatie het melktransportbedrijf komt te vervallen. Op de invloed van het paardentrainingsbedrijf op de compensatiewoning is in voorgaande subparagraaf (5.5.3.1) reeds uitvoerig ingegaan. Zoals uit voorgaande blijkt, wordt de richtafstand (het aspect 'geur' buiten beschouwing latend) gehaald. Ter plaatse van het projectgebied is daarmee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te verwachten en de bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. Beltweg 15, Manderveen In de nabijheid van het projectgebied liggen twee agrarische bedrijven (grondgebonden). Opgemerkt wordt dat het de bestaande agrarische bestemming niet wordt meegenomen, gezien de woning wordt gerealiseerd als een bedrijfswoning behorend bij dit bedrijf. De woning is dan ook niet beschermd tegen eigen hinder. In de volgende tabel wordt nader op de in de nabijheid aanwezige bedrijven en bijbehorende richtafstanden ingegaan. Hierbij is gemeten tussen de grens die de milieugevoelige woning toelaat en de grens waar de milieubelastende activiteit plaats kan vinden (grens woonbestemmingsvlak/grens agrarisch bouwvlak/bedrijf). Adres Vasserdijk 18 Vasserdijk 21a

Type bedrijf Intensieve veehouderij Intensieve veehouderij

Richtafstand (geluid) 50 m 50 m

Daadwerkelijke afstand 55 m 380 m

Zoals uit voorgaande tabel blijkt, wordt de richtafstand (het aspect 'geur' buiten beschouwing latend) voor alle bedrijven gehaald. Ter plaatse van het projectgebied is daarmee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te verwachten en de bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. Samenvatting Op basis van het bovenstaande wordt verwacht dat er ter plaatse van de compensatiewoningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omgekeerd worden omliggende bedrijven niet verder in hun bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. 5.5.4

Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmeringen voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.6 Geur 5.6.1

Wet geurhinder en veehouderij & Activiteitenbesluit

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odeur units per kubieke meter lucht.

Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. De Wgv bevat een regeling (art. 14, lid 2 en 3) voor onder meer voormalige bedrijfswoningen en compensatiewoningen in het kader van Rood voor rood. Het tweede lid van artikel 14 luidt: Voor de toepassing van de artikelen 3, 4 en 6 bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een woning die op of na 19 maart 2000 is gebouwd: 64

bestemmingsplan Buitengebied, Rood voor Rood op 6 locaties

op een kavel die op dat tijdstip in gebruik was als veehouderij; in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de veehouderij, en; in samenhang met de sloop van de bedrijfsgebouwen die onderdeel hebben uitgemaakt van de veehouderij; ten minste 100 meter indien de woning binnen de bebouwde kom is gelegen en ten minste 50 meter indien de woning buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. 5.6.2

Situatie plangebied

Voorgenomen ontwikkeling gaat uit van het toevoegen van nieuwe geurgevoelige functies in de vorm van de te realiseren compensatiewoningen. In dit geval geldt in beginsel dan ook de vaste afstand van 50 meter ten aanzien van grondgebonden veehouderijen. Deze wordt in alle gevallen gehaald, zoals ook blijkt uit paragraaf 5.5. Enkel de locaties aan de Beltweg 15 en de Huyerenseweg liggen in de nabijheid intensieve veehouderijen, of bestaan in ieder geval planologische mogelijkheden tot het uitoefenen daarvan. Ten aanzien van de Huyerenseweg liggen de veehouderijen op respectievelijk 100 en 270 meter afstand. Gezien deze afstand wordt een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het plangebied verwacht. Het betreffen beide grondgebonden veehouderijen, waarvoor een vaste afstand van 50 meter geldt. Daarnaast liggen er op kortere afstand van beide bedrijven reeds meerdere woonbestemmingen, zodat de bedrijven ook niet in hun mogelijkheden beperkt worden. Ten aanzien van de Beltweg 15 geldt dat dit gebied is aangewezen als landbouwontwikkelingsgebied, waardoor op basis van het bestemmingsplan in de nabijgelegen bouwvlakken mogelijkheden bestaan tot het uitoefenen van een intensieve veehouderij. Het bouwvlak aan de Vasserdijk 18 ligt het meest nabij. Ter plaatse is feitelijk echter geen intensieve veehouderij aanwezig, maar een grondgebonden veehouderij.

Gezien de nabije ligging van meerdere gevoelige functies, waaronder de bestaande bedrijfswoning van de Amanshoeve aan de Beltweg 15, is ook niet te verwachten dat hier in de toekomst een intensieve veehouderij zal worden uitgeoefend. Het bedrijf wordt daarbij ook niet in haar werkzaamheden beperkt, aangezien deze bestaande gevoelige functies reeds maatgevend zijn. Er is daarmee sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen. Omgekeerd worden de agrarische bedrijven niet in de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden beperkt. 5.6.3

Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.7 Ecologie 5.7.1

Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.7.2

Gebiedsbescherming

5.7.2.1 Natura 2000-gebieden Nederland heeft de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in de Wet natuurbescherming verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. De plandelen maken geen van allen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied de 'Springendal & Dal van de Mosbeek' bevindt zich op een afstand van minimaal 1 kilometer van de locatie aan de Hambroeksweg 5. De overige plandelen liggen allemaal op een grotere afstand van Natura 2000-gebieden. De ligging van de verschillende locaties van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebied 'Springendal & Dal van de Mosbeek' is hieronder weergegeven in afbeelding 5.2.

bestemmingsplan Buitengebied, Rood voor Rood op 6 locaties 65

Afbeelding 5.2 Ligging locaties plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebied (Bron: AERIUS Calculator)

Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. In dit geval is door BJZ.nu een stikstofberekening uitgevoerd met behulp van de Aerius-calculator 2020. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Het volledige rapport is als Bijlage 17 opgenomen. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat in de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden.

Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 5.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid (NNN). Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Geen van de plandelen ligt binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangemerkt als NNN-gebied ligt op circa 300 meter afstand van het plandeel aan de Hambroeksweg 5. De afstand tot de overige plandelen betreft enkele kilometers. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten zijn lokaal waardoor deze geen negatief effecten op gebieden buiten het plangebied hebben. De voorgenomen activiteit heeft daarom geen negatief effect op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN.

66

bestemmingsplan Buitengebied, Rood voor Rood op 6 locaties

5.7.3

Soortenbescherming

5.7.3.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. In voorliggend geval heeft Natuurbank Overijssel een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd ter plaatste van alle binnen deze ontwikkeling betrokken locaties. In de komende subparagraaf worden de belangrijkste conclusies van dit onderzoek uiteengezet. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar Bijlage 18. 5.7.3.2 Situatie plangebied Hierna wordt per locatie ingegaan op resultaten. Hambroeksweg 5 Vasse De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren.

Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de beplanting verwijderd wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield.

Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen’. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor de foeragerende diersoorten niet af. Beltweg 12 Manderveen De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden.

Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de beplanting verwijderd wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen’. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor de foeragerende diersoorten niet af. bestemmingsplan Buitengebied, Rood voor Rood op 6 locaties 67

Bovenbroeksweg 2 Geesteren en Kluunvenweg 10, Tubbergen De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten en ook niet tot een geschikt leefgebied voor beschermde dieren. Het plangebied bestaat volledig uit bebouwing welke goed is afgesloten en daardoor niet geschikt is voor beschermde dieren om een rust- en voortplantingsplaats in te bezetten. Tevens vormt het plangebied geen foerageergebied. Hardenbergerweg 41, Tubbergen De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden.

Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de bouwwerkzaamheden plaatsvinden, de beplanting verwijderd wordt en de bebouwing gesloopt wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen’. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor de foeragerende diersoorten niet af. Huyerenseweg ong., Geesteren Dit deelgebied vormt uitsluitend foerageergebied voor verschillende diersoorten.

Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt geen beschermd dier gedood en wordt geen rust- of voortplantingsplaats van een beschermd dier beschadigd of vernield. Als gevolg van het bebouwen en verharden van een deel van het plangebied, wordt deze functie niet aangetast. 5.7.4

Conclusie

Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

5.8 Archeologie & cultuurhistorie 5.8.1

Archeologie

5.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.1.2 Beoordeling De gemeente Tubbergen beschikt over een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart. De archeologische verwachtingswaarden zijn per gebied middels archeologische dubbelbestemmingen doorvertaald in het geldende bestemmingsplan 'Tubbergen Buitengebied 2016' (zie hiervoor ook paragraaf 1.4). Hierna wordt per locatie op de archeologische verwachting ingegaan.

Kluunvenweg10, Tubbergen Ter plaatse van deze locatie geldt grotendeels de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' en voor een zeer klein deel de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. Voor gronden met deze bestemming ligt de 68

bestemmingsplan Buitengebied, Rood voor Rood op 6 locaties

onderzoeksgrens bij bodemingrepen groter dan respectievelijk 2.500 m2 en 5.000 m2. Deze grens wordt niet overschreden. Er is in dit geval enkel sprake van sloop van bebouwing. De gronden ter plaatse van de bebouwing zijn reeds verstoord door deze bebouwing. Een archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Bovenbroeksweg2, Geesteren Ter plaatse van deze locatie geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. Voor gronden met deze bestemming ligt de onderzoeksgrens bij bodemingrepen groter dan 5.000 m2. Deze grens wordt niet overschreden. Er is in dit geval enkel sprake van sloop van bebouwing. De gronden ter plaatse van de bebouwing zijn reeds verstoord door deze bebouwing. Een archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Hardenbergerweg 41, Tubbergen Ter plaatse van deze locatie geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Voor gronden met deze bestemming ligt de onderzoeksgrens bij bodemingrepen groter dan 2.500 m2. Er is in dit geval sprake van sloop van bebouwing. De nieuwe woning komt op de locatie van de te slopen bebouwing. De onderzoeksgrens wordt niet overschreden. Daarnaast zijn de gronden ter plaatse van de bebouwing reeds verstoord door deze bebouwing. Een archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Huyerenseweg ong., Geesteren Ter plaatse van deze locatie geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'.

Voor gronden met deze bestemming ligt de onderzoeksgrens bij bodemingrepen groter dan 5.000 m2. De onderzoeksgrens wordt niet overschreden. Een archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Hambroeksweg5, Vasse Ter plaatse van deze locatie geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. Voor gronden met deze bestemming ligt de onderzoeksgrens bij bodemingrepen groter dan 5.000 m2. Deze onderzoeksgrens wordt met de bouw van de woning en het nieuwe gebouw voor het paardentrainingsbedrijf niet overschreden. Een archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Beltweg 15, Manderveen Ter plaatse van deze locatie geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. Voor gronden met deze bestemming ligt de onderzoeksgrens bij bodemingrepen groter dan 5.000 m2. Deze onderzoeksgrens wordt met de bouw van de woning niet overschreden. Een archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. 5.8.2

Cultuurhistorie

5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.8.2.2 Beoordeling Er bevinden zich in de plandelen zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten of bijzondere cultuurhistorische waarden. In de directe nabijheid van deze plandelen bevinden zich daarnaast geen cultuurhistorische waarden die negatief beïnvloed zouden kunnen worden door voorliggend plan. 5.8.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat geen archeologisch onderzoek benodigd is en geen sprake is van negatieve effecten op cultuurhistorische waarden.

5.9 Besluit milieueffectrapportage 5.9.1

Kader

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: bestemmingsplan Buitengebied, Rood voor Rood op 6 locaties 69

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan.

Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. 5.9.2

Situatie projectgebied

In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en daarmee geen sprake van een directe m.e.r.-plicht. In onderdeel D 11.2 van het besluit wordt de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen genoemd. Indien geoordeeld wordt dat sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' is een vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. Uit jurisprudentie volgt dat het antwoord op de vraag of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aan de hand van aspecten als aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. In dit geval is sprake van een Rood voor Rood-ontwikkeling waarbij op vier afzonderlijke locaties één compensatiewoning wordt gerealiseerd ter compensatie voor de sloop van een veelvoud aan landschapsontsierende bebouwing. Daarnaast wordt er een bedrijf toegestaan in bestaande bebouwing. Netto worden er met de ontwikkeling vier woningen toegevoegd en twee kleinschalige bedrijven gerealiseerd danwel uitgebreid, maar is wel sprake van een afname aan bebouwing.

De aard en omvang van dit project is hiermee beperkt en de omvang van de (woon)percelen wordt in vergelijking met de huidige situatie niet tot nauwelijks vergroot. Daarnaast wordt het project gerealiseerd in een omgeving die zich kenmerkt door (verspreid liggende) woonbebouwing. De betrokken woonpercelen worden op passende wijze ingepast in het landschap. Dit is een herinrichting van ondergeschikte aard. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van nieuwe functies (woningen) die niet leiden tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen. Gelet op de aard en omvang van dit plan wordt geconcludeerd dat geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r. 5.9.3

Conclusie

Dit plan is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Tevens zijn geen belangrijk nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit plan.

70

bestemmingsplan Buitengebied, Rood voor Rood op 6 locaties

Hoofdstuk 6

Wateraspecten

6.1 Vigerend beleid 6.1.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2

Rijksbeleid

Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 6.1.3

Provinciaalbeleid

In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 6.1.4

Waterschap Vechtstromen

Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 7 oktober het 'Waterbeheerplan 2016-2021' vastgesteld. In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2016 tot 2021) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op: voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte; beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem; het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties.

6.2 Waterparagraaf 6.2.1

Algemeen

Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de bestemmingsplan Buitengebied, Rood voor Rood op 6 locaties 71

waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2

Watertoetsprocedure

Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door de ontwikkelingen op de verschillende locaties voor te leggen. Het waterschap heeft een akkoord gegeven op de ontwikkeling.

72

bestemmingsplan Buitengebied, Rood voor Rood op 6 locaties

Hoofdstuk 7 Juridische aspecten en planverantwoording 7.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://bestuur.tubbergen.nl/api/v1/meetings/841/documents/17459