CConstaterende datTubbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Buitengebied, Fietspad Manderveen - Tubbergen_Toelichting.pdf

Gemeenteraad Tubbergen 8 juni 2021, gemeente TubbergenBij agendapunt: 7: Bestemmingsplan Buitengebied, Fietspad Manderveen-Tubbergen19.175 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - sterlocatie" voor zover gelegen in LOG in welk geval de oppervlakte van het bouwvlak wordt vergroot tot ten hoogste 3,00 hectare; Het huidige bouwvlak heeft een oppervlakte van circa 9.650 m2. De vergroting van het bouwvlak tot rondom de bestaande gebouwen bedraagt circa 1.600 m2. De totale oppervlakte van het bouwvlak komt daarmee op circa 11.250 m2. Hiermee wordt voldaan aan de voorwaarde onder a. De onder punt 1, 2 en 3 genoemde criteria zijn niet van toepassing op deze locatie. b. deze wijzigingsbevoegdheid niet wordt toegepast op gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - bestaand erf" en/of de dubbelbestemming 'Waarde - Ecologie', en ter plaatse van de dubbelbestemming 'Waarde - Essen' de wijzigingsbevoegdheid uitsluitend wordt toegepast op de flank; De genoemde aanduidingen zijn niet van toepassing op deze locatie. bestemmingsplan Buitengebied, Fietspad Manderveen - Tubbergen 27

c.

is aangetoond dat er sprake is van een langdurige vergroting van de productieomvang als gevolg van schaalvergroting of extensivering/verbreding van de bedrijfsactiviteiten en de noodzakelijkheid van de bedrijfsuitbreiding is aangetoond; De gebouwen buiten het bouwvlak zijn reeds langere tijd aanwezig en in gebruik ten behoeve van het agrarisch bedrijf. Het binnen het bouwvlak brengen van de gebouwen heeft verder niet tot doel om de productieomvang te vergroten. Uitsluitend om een bestaande situatie als zodanig planologisch vast te leggen. d. er binnen het bestaande bouwvlak in redelijkheid geen ruimte meer is voor de benodigde uitbreiding; Het bestaande bouwvlak biedt nog voldoende ruimte voor uitbreiding. De ontwikkeling betreft echter het binnen het bouwvlak brengen van een aantal bestaande gebouwen. Deze kunnen niet elders binnen het bestaande bouwvlak gesitueerd worden. e. een erfinrichtingsplan wordt ingediend, zodanig dat de bebouwing op een goede wijze in het landschap en in relatie tot de bestaande bebouwing wordt ingepast; De gebouwen buiten het bouwvlak zijn gelegen in een bestaand erfbos. Het stellen van aanvullende voorwaarden voor de inpassing van de gebouwen in het landschap en ten opzichte van de rest van het erf is zodoende niet nodig. f.

er bij een oppervlakte na wijziging groter dan 1,50 hectare geïnvesteerd wordt in het versterken van de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. Dit wordt in het wijzigingsplan vastgesteld door middel van een voorwaardelijke verplichting; Er is geen sprake van een vergroting van het bouwvlak tot meer dan 1,5 hectare. Hiermee is deze voorwaarde niet van toepassing. g. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de natuurlijke, cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de archeologische waarden, de woonsituatie, het bebouwingsbeeld, de waterhuishouding, de waarden van landgoederen en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. Middels voorliggend bestemmingsplan wordt een reeds decennia lang bestaande situatie planologisch geregeld. Er wordt zodoende geen afbreuk gedaan aan één van de genoemde waarden. In paragraaf 5.5 is daarnaast geconstateerd dat het bestemmingsplan geen onevenredige afbreuk doet aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

28

bestemmingsplan Buitengebied, Fietspad Manderveen - Tubbergen

Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid , voor beide percelen, beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en Besluit milieueffectrapportage.

5.1 Geluid 5.1.1

Wettelijk kader

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2

Situatie plangebied

5.1.2.1 Fietsverbinding Manderveen - Tubbergen Met de aanleg van een fietsverbinding wordt geen nieuw geluidsgevoelige object gerealiseerd. Het toetsen van de voorgenomen ontwikkeling aan de aspecten industrielawaai, wegverkeers- en railverkeerslawaai is niet noodzakelijk. Wat betreft de geluidsproductie van het fietspad wordt opgemerkt dat voor de geluidsbelasting vanwege een weg plaats dient te vinden volgens het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 (verder RMV 2012). Volgens het RMV 2012 worden bij de berekening uitsluitend motorvoertuigen op drie of meer wielen meegenomen. Op het fietspad mogen uitsluitend (motor)voertuigen op twee wielen rijden. Op de geluidsbelasting vanwege het verkeer op het fietspad is de Wet geluidhinder niet van toepassing. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient echter wel aandacht te worden besteed aan geluid. Ten opzichte van de huidige situatie vindt een verplaatsing van bromfietsen en fietsen van de naastgelegen weg naar het fietspad plaats. Uitsluitend de bromfietsen zijn relevant voor het geluid vanwege het verkeer op het fietspad. De bijdrage van de bromfietsen aan het totale geluid van al het gemotoriseerd verkeer op de rijbaan en het fietspad is beperkt. De realisatie van het fietspad zal geen significante gevolgen hebben voor de geluidsbelasting op de omgeving.

5.1.2.2 Manderveenseweg 29 - Denekamperweg 72 Middels voorliggend bestemmingsplan wordt de tweede bedrijfswoning (Denekamperweg 72) positief bestemd. Een (bedrijfs)woning betreft een geluidsgevoelige functie. Hierna wordt daarom afzonderlijk ingegaan op de aspectie industrielawaai, wegverkeers- en railverkeerslawaai. Industrielawaai De bedrijfswoning is niet gelegen binnen de zone van een gezoneerd bedrijventerrein. Daarom wordt niet nader op het aspect industrielawaai ingegaan. In paragraaf 5.5 wordt nader ingegaan op de in de omgeving aanwezige (individuele) bedrijvigheid. Railverkeerslawaai Railverkeerslawaai wordt in dit geval buiten beschouwing gelaten, omdat de dichtstbijzijnde spoorlijn op ruim 10 kilometer afstand van de bedrijfswoning is gelegen. bestemmingsplan Buitengebied, Fietspad Manderveen - Tubbergen 29

Wegverkeerslawaai In artikel 74.1 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben. In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte afhaneklijk is van het aantal rijstroken en van de ligging van het plangebied in stedelijk gebied of buitenstedelijk gebied. De bedrijfswoning ligt binnen de wettelijke geluidszone van de Doevenweg, de Manderveenseweg en de Denekamperweg. Gezien de afstand tot de wegen (minimaal 45 meter afstand) en de lage verkeersintensiteit wordt gesteld dat er aan de voorkeurswaarde van 48 dB voldaan wordt en er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Een akoestisch onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. 5.1.3

Conclusie

De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.2 Bodemkwaliteit 5.2.1

Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan of wijzigingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5725 en NEN 5740. 5.2.2

Situatie plangebied

5.2.2.1 Fietsverbinding Manderveen - Tubbergen Ter plaatse van het tracé van de fietsverbinding is door Kruse Milieu BV een milieuhygiënisch vooronderzoek conform NEN 5725 uitgevoerd. Het volledige onderzoek is opgenomen in Bijlage 3. Hierna wordt nader op de resultaten ingegaan. Conclusie bodemonderzoek Uit de historische topografische kaarten blijkt dat de Manderveenseweg vanaf de jaren ’30 van de vorige eeuw op de huidige locatie aanwezig is. De naastgelegen terreinen zijn sindsdien voornamelijk in gebruik als agrarische gronden. Hier voor de betrof de locatie met name veen en heide. De rotonde ter plaatse van de Denekamperweg en de Manderveenseweg is sinds 1997 weergegeven op de topografische kaarten. Uit de asbestsignaleringskaart van de provincie blijkt dat de bodem ter plaatse van het besluitvormingsgebied grotendeels als onverdacht voor de aanwezigheid van asbest kan worden beschouwd. Het toekomstige tracé kruist in totaal 5 erven die op basis van de asbestsignaleringskaart als verdacht voor de aanwezigheid van asbest beschouwd dienen te worden. Het betreft de erven aan de Manderveenseweg 4, 35, 47, 51 en 57. Voor deze locaties wordt de hypothese “verdachte locatie” gebruikt. Binnen het besluitvormingsgebied is, ter plaatse van 9 inritten sprake van een dammetje. Het is niet bekend welk materiaal is gebruikt voor de aanleg van deze dammetjes.

Mogelijk is puin of puinhoudende grond dat verontreinigd is met asbest toegepast. Op basis hiervan wordt voor deze dammetjes de hypothese “verdachte locatie” gebruikt. Ter plaatse van de inrit naar Manderveenseweg 10 kruist het toekomstige fietspad een puinweg. Het puin in deze weg is mogelijk asbesthoudend en op basis hiervan wordt de hypothese “verdachte locatie” gebruikt. De inrit naar Manderveenseweg 20 is verhard met asfalt. Onder het asfalt is mogelijk een fundering van puin of een oude puinweg aanwezig. Aangezien dit puin mogelijk asbesthoudend is, wordt voor deze locatie de hypothese “verdachte locatie” gebruikt. Er is geen informatie beschikbaar, waaruit blijkt dat de bodem op het overige deel van het besluitvormingsgebied mogelijk verontreinigd is. Het besluitvormingsgebied, met uitzondering van de verdachte locaties, kan als onverdacht beschouwd worden. Geadviseerd wordt om een bodemonderzoek uit te voeren ter plaatse van de verdachte deellocaties. Gevolgen voor bestemmingsplan In voorliggend geval wordt nader onderzoek in het kader van dit bestemmingsplan niet noodzakelijk geacht. Het bestemmingsplan beoogt het planologisch mogelijk maken van de aanleg van een fietspad. De bodem dient 30

bestemmingsplan Buitengebied, Fietspad Manderveen - Tubbergen

geschikt te zijn voor deze functie. In dit geval ziet de nieuwe functie op de inrichting en het gebruik als fietspad. Het fietspad is niet bestemd voor langdurig menselijk verblijf (twee of meer uur per (werk)dag. Daarom wordt de nieuwe functie niet aangemerkt als 'niet gevoelig'. Er zijn ter plaatse van het tracé of in de nabijheid daarvan geen historische gegevens bekend over bedrijfsactiviteiten, dempingen of stortactiviteiten en dergelijke die bodembedreigend zijn geweest. Er zijn daarnaast geen bodemonderzoekgegevens aanwezig die betrekking hebben op een deel van het tracé. Aangezien er geen sprake is van een gevoelige functie en er geen financiële consequenties worden verwacht wat betreft bodemkwaliteit, kan worden afgezien van bodemonderzoek. Daarnaast zal in eerste instantie geen grond worden af- of uitgevoerd. Indien hier toch sprake van blijkt te zijn is, zal mogelijk aanvullende onderzoek moeten worden uitgevoerd. 5.2.2.2 Manderveenseweg 29 - Denekamperweg 72 Ter plaatse van de uitbreiding van het bouwvlak is een bodemonderzoek conform NEN 5740, NEN 5740/A1 en NEN 5707 + C2 uitgevoerd (zie Bijlage 4). Hieronder worden de resultaten van dit onderzoek kort weergegeven. In de bovengrond (BG II en BG III) en in het grondwater (PB 1) zijn lichte tot sterke verontreinigingen aangetoond.

Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4 van het bodemonderzoek. In de bovengrond (BG I) en in de ondergrond (OG) zijn geen verontreinigingen aangetoond. De 3 deelmonsters uit mengmonster BG II zijn separaat geanalyseerd op koper. Deze zijn niet of licht verontreinigd met koper. Het sterk verhoogde kopergehalte in het mengmonster van de bovengrond (BG III) wordt beschouwd als een piekmeting. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 tot en met 4.5. In de ondergrond en in het grondwater zijn geen verontreinigingen aangetoond. Het matig verhoogde zinkgehalte in het grondwater wordt toegeschreven aan een plaatselijk (natuurlijk) verhoogde achtergrondwaarde. Met instemming van de gemeente Tubbergen wordt nader grondwateronderzoek niet noodzakelijk geacht. In de mengmonsters van de fijne fractie MM FF - 01 en MM FF -02 is geen asbest aangetoond. Geconcludeerd wordt dat er uit milieukundig oogpunt geen bezwaar is tegen het in overeenstemming brengen van de planologische situatie met de feitelijke situatie, aangezien de vastgestelde verontreinigen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik. 5.2.3

Conclusie

Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.3 Luchtkwaliteit 5.3.1

Beoordelingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. In bijlage 2 van de Wet milieubeheer staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Op grond van de Wet milieubeheer, gelet op artikel 5.16 lid 4 Wet Milieubeheer geldende de volgende regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); 5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet milieubeheer vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) bestemmingsplan Buitengebied, Fietspad Manderveen - Tubbergen 31

opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig. 5.3.2

Situatie plangebied

Gelet op de aard en de omvang van de voorgenomen ontwikkelingen kan worden gesteld dat voorliggende ontwikkelingen 'niet in betekenende mate bijdragen' aan de luchtverontreiniging. Sterker nog, door het realiseren van een goede fietsverbinding zullen naar verwachting meer mensen in plaats van de auto, de fiets gebruiken als vervoersmiddel. Hiermee wordt een positief effect voor de luchtkwaliteit verwacht. Tot slot wordt geconcludeerd dat de beide ontwikkelingen niet worden aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 5.3.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.

5.4 Externe veiligheid 5.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden- en het groepsrisico.

32

bestemmingsplan Buitengebied, Fietspad Manderveen - Tubbergen

5.4.2

Beoordeling

5.4.2.1 Fietsverbinding Manderveen - Tubbergen De beoogde ontwikkeling heeft geen betrekking op het mogelijk maken van een (beperkt) kwetsbaar object zoals genoemd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) of op risicovolle activiteiten. Er hoeft dan ook niet getoetst te worden aan risicobronnen in de omgeving en vice versa. Tevens zullen in het plangebied geen gevaarlijke stoffen worden vervoerd. 5.4.2.2 Manderveenseweg 29 - Denekamperweg 72 Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond de locatie. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen , grote granden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In de onderstaande afbeelding is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot de locatie en omgeving weergegeven. De locatie Manderveenseweg 29 - Denekamperweg 72 is indicatief met een blauwe ster aangegeven.

Afbeelding 5.1: Uitsnede Risicokaart, de blauwe ster omvat de locatie Manderveenseweg 29 - Denekamperweg 72 (Bron: Risicokaart.nl)

Uit de inventarisatie blijkt dat de locatie: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet zijn gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet zijn gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. De dichtstbijzijnde risicobron betreft een benzineservicestation met een LPG reservoir. Dit station bevindt zich echter op een dusdanige afstand (circa 950 meter) dat de locatie niet binnen het invloedsgebied valt en een verantwoording van het groepsrisico niet nodig is.

bestemmingsplan Buitengebied, Fietspad Manderveen - Tubbergen 33

5.4.3

Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid. Met dien verstande dat een deel van het tracé van de fietsverbinding over een gasleiding van NAM loopt. Voor het overleg met de NAM hierover wordt verwezen naar Hoofdstuk 9. Hier wordt kortheidshalve vermeld dat NAM akkoord is met voorliggende ontwikkeling.

5.5 Milieuzonering 5.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. 5.5.2

Beoordeling

Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). Bij de externe werking gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt aangetast. Bij interne werking gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. 5.5.2.1 Fietsverbinding Manderveen - Tubbergen In voorliggend geval is het beoogde fietspad niet aan te merken als milieugevoelige of milieubelastende functie. 5.5.2.2 Manderveenseweg 29 - Denekamperweg 72 Externe werking Als gevolg van voorliggende ontwikkeling wordt het agrarisch bouwvlak uitgebreid. Ter plaatse is een melkveehouderij aanwezig. Ten aanzien van de melkveehouderij wordt opgemerkt dat de grootste richafstand bij veehouderijen veelal geldt voor het aspect geur.

Bij veehouderijen zijn echter niet de adviesafstanden maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekende geuremissiecontouren voor vergunningsplichtige 34

bestemmingsplan Buitengebied, Fietspad Manderveen - Tubbergen

veebedrijven bepalend. Hier wordt in paragraaf 5.6 nader op ingegaan. Voor de externe werking van de voorgenomen ontwikkeling wordt uitsluitend getoetst aan de overige richtafstanden. Van alle richtafstanden die hier worden getoetst geldt de grootste richafstand bij het fokken en houden van rundvee voor de aspecten geluid en stof. Voor deze aspecten geldt een richtafstand van 30 meter tot milieugevoelige objecten. Het dichtstbijzijnde gevoelige object is de woning op het perceel aan de Denekamperweg 74. Gelet op het feit dat de onderlinge afstand tussen het nieuwe bouwvlak en het woonperceel aan de Denekamperweg 74 circa 46 meter bedraagt wordt aan de richtafstand voor de aspecten geluid en stof voldaan. Daarbij wordt tevens opgemerkt dat de afstand tussen het geluidsgevoelige object (de woning) tot het meest nabijgelegen dierenverblijf (105 meter) onveranderd blijft. Ter plaatse van de uitbreiding van het bouwvlak bevinden zich de tweede bedrijfswoning met bijgebouwen. Een (bedrijfs)woning is in beginsel niet aan te merken als milieubelastende object. Echter zal wel sprake zijn van enig geluid als gevolg van een woonfunctie, hiervoor gelden echter geen normen. Er is dan ook geen sprake van een (onaanvaardbare) aantasting van het woon- en leefklimaat van omliggende functies.

Interne werking In voorliggend geval wordt een tweede bedrijfswoning (Denekamperweg 72) positief bestemd. Dit betreft een milieugevoelige functie. In de nabije omgeving bevinden zich enkele milieubelastende functies, namleijk enkele grondgebonden veehouderijen. Bij veehouderijen geldt, op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', de grootste richtafstand voor het aspect geur. Zoals eerder opgemerkt zijn bij veehouderijen echter niet de richtafstanden, maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekende geuremissiecontouren voor vergunningplichtige veebedrijven bepalend. In deze paragraaf zullen de richtafstanden bij veehouderijen voor wat betreft het aspect geur daarom buiten beschouwing worden gelaten. Wel worden de overige milieuaspecten behandeld. In paragraaf 5.6 wordt nader ingegaan op het aspect geur. Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf is gelegen aan de Denekamperweg 77-77a. Het betreft een grondgebonden veehouderij (fokken en houden van rundvee). Het bedrijf is gelegen op circa 250 meter afstand van de tweede bedrijfswoning. Indien het aspect 'geur' buiten beschouwing wordt gelaten, geldt een grootste richtafstand voor de aspecten stof en geluid. Aan deze richtafstanden kan worden voldaan.

De omliggende agrarische bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd en van een beperking van de eventuele uitbreidingsmogelijkheden is geen sprake. Daarnaast is gelet op de onderlinge afstanden van het plangebied tot aan de milieubelastende functies sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de bedrijfswoning aan de Denekamperweg 72. 5.5.3

Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmeringen voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.6 Geur 5.6.1

Wet geurhinder en veehouderij

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, buiten een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 2 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odeur units per kubieke meter lucht.

De definitie van een geurgevoelig object luidt: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting bestemmingsplan Buitengebied, Fietspad Manderveen - Tubbergen 35

geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. 5.6.2

Activiteitenbesluit

Vanaf 1 januari 2013 is het Activiteitbesluit ook van toepassing op agrarische activiteiten. Het Besluit landbouw milieubeheer is tegelijkertijd komen te vervallen. Agrarische bedrijven hebben geen vergunning meer nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Dit zijn type B-bedrijven, zoals veehouderijen, kinderboerderijen (en andere bedrijven die kleinschalig dieren houden), glastuinbouwbedrijven, bedrijven met teelt in gebouwen, bedrijven met open teelt, agrarische loonwerkers en losse opslagen (bijvoorbeeld mest). Voor geurhinder is in het Activiteitenbesluit een soortgelijk beoordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Zo gelden binnen en buiten de bebouwde kom dezelfde normen als in de Wgv. Ook de geurbelasting wordt bepaald volgens het bepaalde in de Wgv. Hetzelfde geldt voor het meten van de afstanden. 5.6.3

Situatie plangebied

5.6.3.1 Fietsverbinding Manderveen - Tubbergen In voorliggend geval is het beoogde fietspad niet aan te merken als geurgevoelige of geurbelastende functie. 5.6.3.2 Manderveenseweg 29 - Denekamperweg 72 Externe werking De afstand tussen het nieuwe bouwvlak en het meest nabij gelegen milieugevoelig object (de woning op het perceel aan de Denekamperweg 74) bedraagt circa 69 meter en de afstand tot het meest nabijgelegen dierenverblijf circa 105 meter. Deze afstanden voldoen ruimschoots aan de minimale afstand zoals gesteld in de Wet geurhinder en veehouderij van 50 meter bij een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom. Opgemerkt wordt dat de afstand tussen het woonperceel en het nieuwe bouwvlak circa 46 meter bedraagt. In de regels van het bestemmingsplan is middels de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch uitgesloten dierenverblijf" vastgelegd dat gronden en bouwwerken ter plaatse van de uitbreiding van het bouwvlak niet in gebruik mogen worden genomen ten behoeve van het verblijf van dieren. Hiermee is in de toekomst ook geen sprake van een overschrijding van de afstand zoals vastgelegd in de Wgv. Interne werking In voorliggend geval wordt een tweede bedrijfswoning (Denekamperweg 72) positief bestemd. Dit betreft een milieugevoelige functie. In de nabije omgeving bevinden zich enkele milieubelastende functies, namleijk enkele grondgebonden veehouderijen.

Het dichtstbijzijnde agrarsiche bedrijf ligt aan de Denekamperweg 77-77a. Het betreft een grondgebonden veehouderij (fokken en houden van rundvee). Het bedrijf is gelegen op circa 250 meter afstand van de tweede bedrijfswoning. De afstand van 50 meter wordt dan ook gehaald. Ter plaatse van de bedrijfswoning wordt dan ook verwacht dat sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omgekeerd worden agrarische bedrijven niet in hun bedrijfsvoering en uitbreidingsmogelijkheden beperkt.

5.7 Ecologie 5.7.1

Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuur Netwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.

36

bestemmingsplan Buitengebied, Fietspad Manderveen - Tubbergen

5.7.2

Gebiedsbescherming

5.7.2.1 Algemeen Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In de NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 5.7.2.2 Natura 2000-gebieden In de Wet natuurbescherming heeft Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. Fietsverbinding Tubbergen - Manderveen Het tracé is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied 'Springendal & Dal van de Mosbeek' bevindt zich op circa 1,7 kilometer afstand. Door BJZ.nu is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd welke is opgenomen in Bijlage 5.

Uit de AERIUS-berekeningen met betrekking tot de aanlegfase blijkt dat in de aanlegfasesprake geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Voor de ontwikkeling is geen sprake van een vergunningsplicht in het kader van de Wet natuurbescherming als gevolg van te verwachten stikstofemissie. Manderveenseweg 29 - Denekamperweg 72 De locatie Manderveenseweg 29 - Denekamperweg 72 ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Springendal & Dal van de Mosbeek' is gelegen op circa 3,6 kilometer afstand van de locatie. De directe invloedsfeer (verstoring door geluid etc.) van de ontwikkeling is lokaal. Dit houdt in dat de voorgenomen activiteiten geen direct negatief effect hebben op gebieden die buiten het projectgebied liggen. Naast directe invloed is ook de indirecte invloed als gevolg van de ontwikkeling van belang. Hierbij gaat het in voorliggend geval met name om de stikstofdepositie. Hierna wordt nader ingegaan op het uitgevoerde onderzoek naar de stikstofdepositie. BJZ.nu heeft in voorliggend geval een onderzoek naar stikstofdepositie uitgevoerd (zie Bijlage 6).

Uit de resultaten blijkt dat in de aanlegfase en de gebruiksfase van de ontwikkeling geen sprake is van een stikstofdepositie dat significant negatieve effect heeft op Natura 2000-gebieden. Voor de ontwikkeling is geen sprake van een vergunningsplicht in het kader van de Wet natuurbescherming als gevolg van te verwachten stikstofemissie. 5.7.2.3 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Er kan echter aanleiding zijn om toch ontwikkelingen toe te staan. De mogelijkheid om een uitzondering te maken op de algemene lijn van behoud en duurzame ontwikkeling van wezenlijke kenmerken en waarden, is aan strikte voorwaarden gebonden. Uiteraard geldt ook hier dat de generieke regeling van toepassing blijft (zoals de toepassing van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken) Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN’ waarbij tevens zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn.

De kernkwaliteiten binnen het NNN zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust. Voor grootschalige ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. Daarbij worden de zogenaamde NNN-spelregels gehanteerd: herbegrenzing van het NNN, saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel. Het ‘nee, tenzij’-principe en de overige spelregels zijn opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening van Overijssel. Er is door toepassing van de spelregels ruimte voor het aanpassen van de begrenzing als daarmee de doelen op een betere manier kunnen bestemmingsplan Buitengebied, Fietspad Manderveen - Tubbergen 37

worden bereikt. Fietsverbinding Manderveen - Tubbergen Het beoogde tracé van het fietspad ligt voor een klein deel binnen het NNN en de Zone Ondernemen met natuur en water buiten het NNN. Het tracé in het NNN (bestaande natuur) is 290 meter lang en het tracé in de Zone Ondernemen met natuur en water buiten het NNN is 310 meter lang. Op onderstaande afbeeldingen wordt de ligging van het tracé ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland en de Zone Ondernemen met natuur en water buiten het NNN weergegeven.

Afbeelding 5.1 Ligging van het tracé ten opzichte van de NNN. Gronden die tot het NNN behoren worden met de donkergrone kleur op de kaart aangeduid. Het tracé van het fietspad wordt met de rode lijn aangeduid (bron: provincie Overijssel)

Afbeelding 5.2 Ligging van het tracé binnen het NNN en de Zone Ondernemen met natuur en water buiten het NNN. Het tracé van het fietspad wordt met een rode lijn aangeduid (bron: provincie Overijssel)

Effectenbeoordeling Door het aanleggen van het fietspad wordt 801 m2 NNN (bestaande natuur) anders ingericht en wordt circa 1.200 m2 Zone Ondernemen met natuur en water buiten het NNN anders ingericht. Door de aanleg van het fietspad gaat areaal bos en agrarische cultuurgrond verloren. Door de aanleg van het fietspad worden de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN niet aangetast. Wettelijke consequenties 38

bestemmingsplan Buitengebied, Fietspad Manderveen - Tubbergen

Een (relatief) kleinschalige ingreep in het NNN is mogelijk mits voldaan wordt aan de 'spelregels' zoals opgesteld in de Omgevingsverordening Overijssel. Een relatief kleinschalige ingreep in het NNN is mogelijk mits is aangetoond en verzekerd dat de ingreep: a. de wezenlijke kenmerken en waarden slechts in beperkte mate aantast, b. per saldo gepaard gaat met een versterking van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN of een vergroting van de oppervlakte van het NNN, c. plaatsvindt na een zorgvuldige afweging van alternatieve locaties. Toetsing spelregels Omgevingsverordening Overijssel De aanleg van het fietspad leidt tot een beperkte aantasting van NNN, 801 m2 NNN wordt anders ingericht. In samenspraak met de provincie Overijssel in gesproken over compensatie vanwege de verkleining van de oppervlakte NNN met 801 m2. Hieruit is naar voren gekomen dat compensatie plaats vindt door op een aan NNN grenzend perceel 1.750 m2 nieuwe natuur aan te leggen. Het betreft het perceel dat kadastraal bekend staat als gemeente Tubbergen, sectie B, perceelnummer 1968. In de verbeelding is de exacte locatie weergegeven. In afbeelding 5.2 wordt de ligging globaal met een donkerblauwe stippellijn weergegeven. De rode stippellijn geeft de ligging van het fietspad weer. De compensatie is middels een voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan geborgd.

Voor wat betreft de voorwaarde dat sprake moet zijn van een zorgvuldige afweging van alternatieve locaties wordt opgemerkt dat het tracé waarlangs het gewenste fietspad loopt onderdeel uitmaakt van het provinciale 'Kernnet fiets'. Tevens is dit tracé aangemerkt als een 'subjectief onveilig tracé'. Door te kiezen voor een vrij liggend fietspad direct naast de Manderveenseweg wordt een bijdrage geleverd aan zowel het versterken van het fietsroutenetwerk als het subjectieve veiligheidsgevoel van fietsers. Om het fietspad zo dicht mogelijk langs het bestaande netwerk te leggen moet een deel van het aangewezen NNN wijken. Verlegging van het fietspad naar de overzijde van de Manderveenseweg is geen reëel alternatief aangezien dat eveneens is aangewezen als NNN. Het fietspad tussen het bos doorleggen, waardoor meer bomen gespaard kunnen worden dan in de voorgestelde situatie zou onvoldoende bijdragen aan de wens om het subjectieve veiligheidsgevoel van fietsers te vergroten. Er zou dan gekozen moeten worden om het fietspad geheel om het bestaande NNN-gebied te leggen. Hierdoor ontstaat een omleidingsroute in het buitengebied op een relatief afgelegen locatie van bebouwing en de Manderveenseweg. Dit draagt eveneens niet bij aan het veiligheidsgevoel van de fietser.

Als vervolgens gekeken wordt naar de huidige waarde van het bosgebied en de waarde die ontstaat op de compensatielocatie wordt geconcludeerd dat er geen reële alternatieven zijn voor de situering van het vrij liggende fietspad langs de Manderveenseweg.

Afbeelding 5.2 Ligging nieuw te realiseren natuur

Manderveenseweg 29 - Denekamperweg 72 Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN, ligt op circa 650 meter afstand van de locatie. Gelet op de ligging buiten het NNN, in relatie met de aard en omvang van de voorgenomen activiteit, wordt uitgesloten dat sprake is van een aantasting van de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN.

bestemmingsplan Buitengebied, Fietspad Manderveen - Tubbergen 39

5.7.3

Soortenbescherming

5.7.3.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. 5.7.3.2 Situatie plangebied Fietsverbinding Manderveen - Tubbergen In voorliggend geval is door Natuurbank Overijssel een Quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd in het kader van de Wet natuurbescherming. De volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 7 van deze toelichting. Hieronder wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies. Het tracé behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende vogel-, amfibieën-, vleermuis- en grondgebonden zoogdiersoorten. Voorgenoemde soorten benutten het tracé als foerageergebied en vermoedelijk nestelen er ieder voorjaar vogels in het tracé, bezetten sommige grondgebonden zoogdiersoorten er een verblijf- en/of voortplantingsplaats en bezetten sommige amfibieënsoorten er een (winter)rustplaats. Vleermuizen bezetten geen rust- of verblijfplaats in de te vellen bomen.

In de bomen, struiken en dichte vegetatie op de grond nestelen alleen vogelsoorten waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd is, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Werkzaamheden waarbij vogelnesten beschadigd of vernield worden, mogen alleen uitgevoerd worden buiten de voortplantingstijd van vogels. Voor de grondgebonden zoogdier- en/of amfibieënsoorten, die een rust- en/of voortplantingslocatie in het tracé bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden en verwonden’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’ (of de soort is niet beschermd). Om (beschermde) dieren niet onnodig te verwonden of te doden, wordt geadviseerd om beplanting te rooien en het cunet te graven buiten de winterrustperiode van amfibieën en buiten de voortplantingsperiode van grondgebonden zoogdieren. Mits bezette vogelnesten beschermd worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming. In het kader van de zorgplicht wordt geadviseerd om bij de uitvoering van de voorgenomen activiteiten rekening te houden met de ecologie van grondgebonden zoogdieren en amfibieën.

Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing verkregen te worden om de voorgenomen activiteiten uit te voeren in overeenstemming met de Wet natuurbescherming. Manderveenseweg 29 - Denekamperweg 72 Voorliggende ontwikkeling betreft enkel het in overeenstemming brengen van de planologische situatie met de feitelijke situatie, door de uitbreiding van het agrarisch bouwvlak. Er is geen sprake van fysieke wijzigingen waarmee negatieve effecten op de flora en fauna op voorhand uitgesloten kan worden. 5.7.4

Conclusie

De ontwikkeling heeft geen invloed op beschermde natuurgebieden, flora en fauna. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

5.8 Archeologie & cultuurhistorie 5.8.1

Archeologie

5.8.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in de plangebieden aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. 40

bestemmingsplan Buitengebied, Fietspad Manderveen - Tubbergen

Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.1.2 Beoordeling De gemeente Tubbergen beschikt over een archeologische verwachtings- en advieskaart. Een uitsnede van de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart is opgenomen in afbeelding 5.4. Het tracé is aangegeven met de rode stippellijn. De locatie Manderveenseweg 29 - Denekamperweg 72 is aangegeven met een rode cirkel.

Afbeelding 5.4 Archeologische verwachtingskaart (Bron: Gemeente Tubbergen)

Het plangebied is gelegen in meerdere verwachtingszones. Voor deze verschillende verwachtingszones geldt het volgende beleidsadvies voor wanneer een onderzoeksplicht is: Verwachtingszone Dekzandhoogten en -ruggen Dekzandhoogten en -ruggen met een plaggendek Dekzandwelvingen en -vlakten Beekdalen en overige laagten Bufferzone rond erf, havezate en bedehuis

Archeologische onderzoeksplicht Bij plangebieden groter dan 2.500 m2 en bij bodemingrepen dieper dan 40 cm Bij plangebieden groter dan 2.500 m2 en bij bodemingrepen dieper dan 40 cm Bij plangebieden groter dan 5.000 m2 en bij bodemingrepen dieper dan 40 cm Bij plangebieden groter dan 5.000 m2 en bij bodemingrepen dieper dan 40 cm Bij plangebieden groter dan 2.500 m2 en bij bodemingrepen dieper dan 40 cm

Fietsverbinding Manderveen - Tubbergen Het plangebied is groter dan 2.500 m2, waardoor bij een ontgravingsdiepte van meer dan 40 cm een archeologische onderzoeksplicht geldt. In deze fase van de planvorming is de ontgravingsdiepte echter nog niet exact bekend. Daarmee is ook nog niet duidelijk of archeologisch onderzoek nodig is. Wanneer bij uitvoering blijkt dat de ontgravingsdiepte meer is dan 40 cm zal een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. bestemmingsplan Buitengebied, Fietspad Manderveen - Tubbergen 41

Manderveenseweg 29 - Denekamperweg 72 Voor de locatie Manderveenseweg 29 - Denekamperweg 72 geldt dat de ontwikkeling enkel het in overeenstemming brengen van de planologische situatie met de feitelijke situatie betreft. Als gevolg van de ontwikkeling zijn geen bodemingrepen beoogd. Een archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. 5.8.2

Cultuurhistorie

5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.8.2.2 Beoordeling Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Overijssel geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten of bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan. 5.8.3

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.

5.9 Besluit milieueffectrapportage 5.9.1

Kader

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd.

Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of bestemmingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. 5.9.2

Situatie plangebied

5.9.2.1 Artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming Fietsverbinding Manderveen - Tubbergen 42

bestemmingsplan Buitengebied, Fietspad Manderveen - Tubbergen

Het tracé is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied 'Springendal & Dal van de Mosbeek' bevindt zich op circa 1,7 kilometer afstand. Door BJZ.nu is een stikstofberekening uitgevoerd welke opgenomen is in Bijlage 5 bij deze toelichting. Uit de AERIUS-berekeningen met betrekking tot de aanlegfase blijkt dat in de aanlegfasesprake geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Voor de ontwikkeling is geen sprake van een vergunningsplicht in het kader van de Wet natuurbescherming als gevolg van te verwachten stikstofemissie. Derhalve is ook geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. Manderveenseweg 29 - Denekamperweg 72 De locatie ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Springendal & Dal van de Mosbeek' is gelegen op circa 3,6 kilometer afstand van de locatie. Door BJZ.nu is een stikstofberekening uitgevoerd welke opgenomen is in Bijlage 6 bij deze toelichting. Op basis van het onderzoek wordt geconcludeerd dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden.

Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningplichtig. Derhalve is ook geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. 5.9.2.2 Drempelwaarde Besluit m.e.r. Dit bestemmingsplan voldoet aan de definitie van een ‘besluit’ als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekentdat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. Fietsverbinding Manderveen - Tubbergen Het Besluit m.e.r. heeft voor wat betreft wegen betrekking op: hoofwegen, auto(snel)wegen en andere wegen van vier of meer rijstroken. In het voorliggende geval (aanleg van een fietspad) is geen sprake van een activiteit die op grond van onderdeel C en D van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig is. Manderveenseweg 29 - Denekamperweg 72 Voorliggende ontwikkeling is niet als activiteit opgenomen in de C-lijst van het Besluit MER. Voor voorliggend plan is de drempelwaarde voor het fokken, mesten en houden van dieren aan de orde (D 14). D14 De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren. In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op meer dan: 9°.

340 stuks melk-, kalf- en zoogkoeien ouder dan 2 jaar en vrouwelijk jongvee tot 2 jaar (Rav cat. A 1, A 2 en A 3) In voorliggend geval is sprake van de uitbreiding van een agrarisch bouwvlak van een melkveehouderij. De uitbreiding is noodzakelijk om de reeds aanwezige tweede bedrijfswoning en enkele bijgebouwen binnen het bouwvlak te brengen. Er worden in deze gebouwen echter geen dieren gehouden. Het aantal dieren neemt dan ook niet toe. Gezien de drempelwaarden gaan over activiteiten welke betrekking hebben op het fokken, mesten of houden van dieren kan geconcludeerd worden dat in dit geval geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Desalniettemin dient, gelet op de aard en omvang van het project, wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. De aanmeldnotitie m.e.r. inclusief de beoordeling hiervan is als Bijlage 8 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen. Uit deze beoordeling blijkt dat het voornemen geen belangrijke nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maakt. 5.9.3

Conclusie

Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.

bestemmingsplan Buitengebied, Fietspad Manderveen - Tubbergen 43

44

bestemmingsplan Buitengebied, Fietspad Manderveen - Tubbergen

Hoofdstuk 6

Wateraspecten

6.1 Vigerend beleid 6.1.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2

Rijksbeleid

Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 6.1.3

Provinciaal beleid

In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 6.1.4

Waterschap Vechtstromen

Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 7 oktober het 'Waterbeheerplan 2016-2021' vastgesteld. In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2016 tot 2021) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op: voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte; beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem; het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties.

6.2 Waterparagraaf 6.2.1

Algemeen

Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). bestemmingsplan Buitengebied, Fietspad Manderveen - Tubbergen 45

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://bestuur.tubbergen.nl/api/v1/meetings/640/documents/13751