Toelichting met bijlagen-b001
Tekst van het document
Deze komen neer op het instellen van een linksafverbod voor autoverkeer vanaf het stadhuisplein naar de Bisschop Zwijsenstraat en een afslagverbod vanaf de Koopvaardijstraat richting centrum. Met deze aanpassingen wordt ook de naam “cityring” vervangen door een naam die de lading beter dekt en verwijst naar de parkeerroute en het gewenste groene karakter van de ring. De huidige werknaam hiervoor is “Parkring”. 4.9.5 Tilburg loopt!, de loopagenda Tilburg 2020-2023 Lopen draagt bij aan de doelen in het bestuursakkoord. Lopen maakt, zoals wetenschappelijk is bewezen, gezond en gelukkig. Lopen is inclusief, duurzaam en draagt bij aan de vitaliteit van onze inwoners. Met dit doel is op 12 mei 2020 de loopagenda vastgesteld. Deze agenda geeft invulling aan het handvest voor lopen, het partnerschap van het platform ruimte voor lopen, de mobiliteitsaanpak 2040 en de mobiliteitsagenda 013. Bij de mobiliteitsaanpak 2040 horen uitvoeringsagenda's. In de loopagenda is het uitvoeringsprogramma voor de voetganger opgenomen. De uitgangspunten die zijn vastgesteld gaan uit van volledige toegankelijkheid voor iedereen. Lopen maakt deel uit van elke verplaatsing ook die waarbij andere vervoerswijzen betrokken zijn. Het kan ook alleen een ommetje zijn. Er moet voor voetgangers een basiskwaliteit zijn, maar op plaatsen waar veel voetgangers komen moet dat een extra kwaliteitsimpuls krijgen.
4.9.6 Hoofdlijnennotitie Parkeren 2016 Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Hoofdlijnennotitie Parkeren. Deze is april 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. De gemeente Tilburg richt zich op gastvrijheid voor de bezoeker, een betere leefkwaliteit voor bewoners en economische vitaliteit van de binnenstad. De beschikbare parkeercapaciteit dient optimaal te worden benut. Daar hoort bij dat parkeerders op de juiste plek worden gefaciliteerd, ook voor specifieke voorzieningen zoals elektrische (deel)auto's en andere doelgroepen. Het beter benutten van bestaande parkeercapaciteit van garages en terreinen leidt tot minder zoekverkeer en auto's in de woonstraten en biedt kansen voor versterking van ruimtelijke kwaliteit en nieuw groen.
De vastgestelde kaders voor het parkeervraagstuk bij bouwontwikkelingen zijn: <0000> Voor het inschatten van de parkeerbehoefte bij nieuwe ontwikkelingen de CROW‐richtlijn te hanteren; <0000> In de toepassing van parkeernormen meer vrijstellingen te hanteren, zonder daarbij de (directe) omgeving van de ontwikkeling te belasten met (toekomstige) parkeeroverlast; <0000> Het PPS‐gebied in de Spoorzone aan te wijzen als een gebiedsontwikkeling die in zijn eigen parkeerbehoefte moet voorzien, waarbij alleen op (tijdelijke) piekmomenten de parkeercapaciteit in de directe omgeving een uitwijkmogelijkheid is, met name voor bezoekers; <0000> Het basisprincipe te blijven hanteren dat een nieuwe ontwikkeling de parkeerbehoefte op eigen terrein oplost, maar wel de mogelijkheid te bieden af te wijken van deze verplichting zolang daar met voldoende zekerheid geen parkeeroverlast voor de omgeving uit volgt; <0000> Indien wordt afgeweken van het basisprincipe daarvoor het instrument van een afkoopregeling in te zetten, waarmee de afkoopsom de gemeente de gelegenheid geeft om zo nodig maatregelen te treffen om (toekomstige) parkeeroverlast in de omgeving te voorkomen. 4.9.7 Nota 'Parkeernormen Tilburg 2023', parkeernormen voor de auto en voor de fiets In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2023' zijn de geactualiseerde parkeernormen en berekeningsmethode vastgelegd.
Deze zijn voor zowel autoparkeren als fiets‐ en scooterparkeren opgenomen. Bij het hanteren van de parkeernormen wordt uitgegaan van een te realiseren aantal parkeerplaatsen. Voor de auto betreft dit een minimum en meteen ook maximum norm. Voor fietsparkeren betreft dit een
Binnenstad 2010, 12e herziening (Pieter Vreedeplein)
38
minimumnorm. Deze parkeereis dient bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, te worden gerealiseerd. Een ontwikkeling kan uit verschillende functies bestaan. De parkeereis wordt per functie bepaald. De Tilburgse parkeernorm is gebaseerd op de parkeerkencijfers van het CROW. Dit zijn normen van de belangrijkste functies die in de gemeente voorkomen. Bij de berekening van de parkeerbehoefte wordt rekening gehouden met zaken als dubbelgebruik, regeling 'oud voor nieuw', rekenregels parkeervoorzieningen bij woningen en het beïnvloeden van de parkeerbehoefte door maatregelen als regulering en mobiliteitsplannen bij bedrijven. De mogelijkheid van inzet van deelmobiliteit is uitgebreid en er zijn rekenregels voor opgenomen. Tenslotte is de richtlijn laadpunten opgenomen. 4.9.8 Analyse plangebied Ligging plangebied Het plangebied ligt in het centrum van Tilburg, binnen de Cityring. Meer specifiek is het plangebied gelegen aan de zuidzijde van het Pieter Vreedeplein. Wegenstructuur Omdat het plangebied beperkt toegankelijk is voor autoverkeer zal er op de straten in de directe omgeving nagenoeg geen sprake zijn van toename van verkeer. Parkeren vindt plaats in de openbare parkeergarages. Het extra verkeer zal worden afgewikkeld op de straten van en naar de openbare parkeergarages toe. Het betreft met name de Spoorlaan en daarnaast de Heuvelring en verdere parkring.
Het plangebied is niet voor doorgaand verkeer toegankelijk. Het Pieter Vreedeplein en de omliggende straten maken onderdeel uit van het voetgangersgebied van het kernwinkelgebied van gemeente Tilburg, waarop tussen 6.00 uur en 11.00 uur laden en lossen is toegestaan. Het gebied heeft een lengtebeperking van 11 meter en aslastbeperking van 8.000 kg. Het totale gewicht van de vrachtwagen mag, inclusief belading, niet meer dan 40 ton bedragen. De nieuwe Frederikstraat, tussen de Heuvelstraat en het Pieter Vreedeplein is uitsluitend voetgangersgebied zonder venstertijden. Fietsroutes: Het Pieter Vreedeplein is in het fietsnetwerk van de gemeente Tilburg opgenomen als 'Sternetfietsroute Binnenstad'. Daar is geen specifieke fietsinfrastructuur aanwezig. Fietsers, voetgangers en bevoorradend verkeer delen hier de ruimte. Het gebied is verboden voor snorfietsen. Openbaar vervoer Dit plangebied is gelegen in de binnenstad van Tilburg. Op de straten nabij het plangebied, de Spoorlaan en de Heuvelring, liggen hoogwaardige bushaltes. Dit zorgt ervoor dat het plangebied goed bereikbaar is met het openbaar vervoer. Bushaltes zijn te vinden op ongeveer 150 meter van het plangebied (Heuvelring). Bovendien ligt station Tilburg Centraal Station op hemelsbreed circa 500 meter van het plangebied.
Autoparkeren Om de ontwikkeling bereikbaar te maken voor bewoners, werknemers en bezoekers wordt er ook voorzien in het parkeren van de auto. Hiervoor wordt getoetst aan de Nota Parkeernormen 2023 en bijbehorende vrijstellingsregels (zoals ook de hardheidsclausule). Daarnaast zijn er de afgelopen jaren verschillende raads‐ en collegebesluiten genomen die direct van invloed zijn op deze ontwikkeling. Het uitgangspunt bij de toetsing aan deze besluiten en de Nota Parkeernormen 2023 is dat de omgeving geen parkeeroverlast ervaart door deze nieuwe ontwikkeling. Parkeeroverlast kan ervaren worden bij een zeer hoge parkeerdruk in de omgeving. In de Nota Parkeernormen 2023 wordt uitgegaan van een maximale parkeerdruk van 90% Op 6 april 2020 heeft de raad het bestemmingsplan ‘Binnenstad 2010 9e herziening (woongebouw Pieter Vreedeplein) vastgesteld, dat dezelfde ontwikkeling mogelijk maakte dan het nu voorliggende bestemmingsplan. Bij de vaststelling van dat bestemmingsplan is gerekend met de parkeerbehoefte en vrijstellingsregels uit de Nota Parkeernormen 2017. Deze nota is op 6 juli 2023 gewijzigd, naar de Nota Parkeernormen 2023. In sommige gevallen heeft dit geen/weinig invloed op parkeren, maar voor sommige doelgroepen is er wel sprake van een significante wijziging.
Het toepassen van de Nota Parkeernormen 2023 geeft daarom voor specifieke onderdelen aanleiding tot het toepassen van de hardheidsclausule voor dit specifieke bestemmingsplan. Daarnaast zijn er in verschillende college‐ en raadsbesluiten uitspraken gedaan over het benutten van restcapaciteit in de openbare parkeergarages, door gebruikers van de ontwikkeling Pieter Vreedeplein.
Binnenstad 2010, 12e herziening (Pieter Vreedeplein)
39
Op 14 november 2016 heeft de gemeenteraad het stedenbouwkundig plan Verbinding Emmapassage ‐ Pieter Vreedeplein vastgesteld. Hierin is het uitgangspunt gehanteerd dat voor de nieuw te realiseren woningen binnen het bestaande parkeerareaal een oplossing wordt gezocht. Het is niet wenselijk dat in het venstertijdengebied (waar onderhavig plan onderdeel van uitmaakt) nieuwe parkeervoorzieningen worden gerealiseerd. Op 21 februari 2017 heeft het college een besluit genomen met betrekking tot de realisatie van twee wooncomplexen in het Kernwinkelgebied, waaronder de woontoren op het Pieter Vreedeplein (130 appartementen) voor deze ontwikkelingen was het qua verkeersbewegingen niet wenselijk dat parkeren op de eigen plot zou worden opgelost. Als onderzoek zou aantonen dat er in de gemeentelijke garages nog voldoende restcapaciteit aanwezig was, dan konden bewoners in aanmerking komen voor een bewonersabonnement. Dat onderzoek heeft destijds plaatsgevonden en geconcludeerd is dat er inderdaad sprake was van voldoende restcapaciteit om de extra parkeervraag van de ontwikkelingen op te vangen. Die conclusie is op 29 maart 2017 door het college overgenomen, met daarbij de opdracht de parkeervraag van de nieuwe bewoners optimaal te verdelen over de beschikbare parkeercapaciteit.
Na raadpleging van de raadscommissie Leefbaarheid op 15 mei 2017 heeft het college op 20 juni 2017 definitief vastgesteld dat de toename van de parkeerdruk door de toekomstige ontwikkelingen, waaronder onderhavige ontwikkeling, te faciliteren is binnen de huidige parkeervoorzieningen. Parkeeronderzoek van Spark (december 2018) toonde aan dat er nog voldoende restcapaciteit in de omgeving was voor deze ontwikkelingen. De ontwikkeling zou dus niet zorgen voor parkeeroverlast in de omgeving. In juni 2023 heeft Spark opnieuw onderzoek gedaan om te controleren of er nog steeds voldoende restcapaciteit is voor de ontwikkeling Pieter Vreedeplein. Daarbij is uitgegaan van de parkeerbehoefte conform de Nota Parkeernormen 2023. Ook nu blijkt dat er voldoende capaciteit is in de parkeergarages op acceptabele loopafstand (=300 meter) van het plangebied om de extra parkeervraag van 73 parkeerplaatsen op te lossen. Betreffend onderzoek is als Bijlage 8 bij deze toelichting gevoegd. De gehele ontwikkeling voldoet dus aan het uitgangspunt uit de Nota Parkeernormen 2023: voorzien in de mobiliteitsbehoefte van nieuwe bewoners, zonder overlast te creëren in de omgeving. We gaan bij deze ontwikkeling uit van vier doelgroepen die op verschillende momenten parkeren.
Onderstaand geven we per doelgroep aan hoe wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor deze doelgroep: Bewoners: voor deze doelgroep gaan we uit van de parkeerbehoefte uit de Nota Parkeernormen 2023, en passen we een reductie toe van 30% van de parkeerbehoefte. Deze reductie is conform de afspraken uit het Collegebesluit parkeerabonnementen de Weverij, van 31 januari 2023. In dit collegebesluit is opgenomen dat de afspraken die gelden voor de Weverij, ook voor deze ontwikkeling gelden. Deze afspraken zijn als volgt: 1. De berekening van het aantal abonnementen is op basis van de geldende parkeernormen, met daarbij een mobiliteitsreductie van 30%. Deze reductie is mogelijk vanwege de algemene beschikbaarheid van deelmobiliteit in de binnenstad. Om die beschikbaarheid te waarborgen zijn op 11 juli 2023 de Beleidsregels Deelauto’s vastgesteld met als doel het aantal deelauto’s uit te breiden. 2. Ten behoeve van de 130 woningen in de ontwikkeling woontoren Pieter Vreedeplein 73 exclusieve parkeerabonnementen uit te geven, die als volgt zijn onderverdeeld: <0000> 36 7‐daagse bewonersabonnementen. <0000> 37 5+2 bewonersabonnementen, waarmee bewoners op werkdagen in een andere parkeergarage parkeren dan in het weekend. 3. Indien de vraag naar parkeerabonnementen groter is dan het beschikbare aantal, dan zal er geloot worden.
Diegenen die uitgeloot worden komen op een wachtlijst, specifiek voor de ontwikkeling Pieter Vreedeplein. 4. Aan deze set van afspraken wordt een hardheidclausule toegevoegd, waarmee het college de bevoegdheid krijgt om voor individuele gevallen uitzonderingen te kunnen maken. Bezoek van bewoners: bezoek van bewoners kan in één van de omliggende parkeergarages parkeren. Voor deze doelgroep hanteren we de parkeerbehoefte uit de Nota Parkeernormen 2023. Echter hoeft de parkeereis niet afgekocht te worden, maar wordt de restcapaciteit in de garages benut voor het parkeren van deze doelgroep.
Binnenstad 2010, 12e herziening (Pieter Vreedeplein)
40
Werknemers: Werknemers van het restaurant kunnen in één van de omliggende parkeergarages parkeren. Voor deze doelgroep hanteren we de parkeerbehoefte uit de Nota Parkeernormen 2023. Echter hoeft de parkeereis niet afgekocht te worden, maar wordt de restcapaciteit in de garages benut voor het parkeren van deze doelgroep. Bezoek (horeca)functie: Bezoekers van de (horeca)functie kunnen in één van de omliggende parkeergarages parkeren. Voor deze doelgroep hanteren we de parkeerbehoefte uit de Nota Parkeernormen 2023, en vrijstellingsregel 5.6: bezoekersparkeren invloedssfeer garage. Omdat er in de garages nog voldoende restcapaciteit is, kunnen bezoekers hier parkeren. De parkeerdruk blijft op een acceptabel niveau. Fietsparkeren Als gevolg van onderhavige ontwikkeling zal de vraag naar kortparkeren met de fiets eveneens toenemen. Momenteel wordt voor de gehele binnenstad masterplan fietsparkeren binnenstad opgesteld, waarin is opgenomen waar kort‐ en lang parkeren van de fiets plaats moet vinden. Voor lang parkeren zijn der de fietstallingen Pieter Vreedeplein en Heuvel. Beide op loopafstand van de ontwikkeling. In de nota parkeernormen 2023 is opgenomen aan welke fietsparkeernormen men gehouden is en hoe de parkeereis voor fiets wordt bepaald.
Daarbij kunnen openbare collectieve stallingsvoorzieningen in de nabijheid van de ontwikkeling een rol vervullen in het voorzien van de (toekomstige) stallingbehoefte. Het blijft aan de gemeente om op basis van de onderbouwing bij een vergunningaanvraag te beoordelen in welke mate in de stallingsbehoefte wordt voorzien. In onderhavig plan is rekening gehouden met fietsparkeren middels inpandige bergingen. Ook wordt hier aandacht aan besteed bij de inrichting van het binnenterrein (fietsparkeren voor bezoekers). De fietsstallingen Pieter Vreedeplein en Heuvelplein liggen voorts op loopafstand. Calamiteitenverkeer Het openbaar gebied moet altijd bereikbaar zijn voor de noodhulpdiensten. Het plangebied is toegankelijk voor calamiteitenverkeer. Dat geldt ook voor de andere straten die zijn aangemerkt als voetgangersgebied. Afvalinzameling Afvalinzameling vindt plaats door middel van ondergrondse containers. Deze ondergrondse containers moeten volgens de richtlijnen worden geplaatst en goed bereikbaar zijn met een wagen van 10 meter. Hiervoor zijn aparte richtlijnen opgesteld "Richtlijnen voor aanleg van ondergrondse afvalcontainers". Het benaderen, ledigen en verlaten van de afvalinzamelingsplaats met de vuilniswagen moet op een veilige manier gebeuren. Bevoorrading De bevoorrading moet op een veilige manier gebeuren, daarvoor biedt het plangebied voldoende mogelijkheden.
Daarnaast zijn bepalingen in de regels van dit bestemmingsplan opgenomen om dit ook juridisch te borgen.
Binnenstad 2010, 12e herziening (Pieter Vreedeplein)
41
Hoofdstuk 5 Milieuparagraaf 5.1 Inleiding Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan.
5.2 M.e.r.-beoordeling Ingevolge de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage dient bij een stedelijk ontwikkelingsproject, ondanks dat het onder de drempelwaarden van de categorieën uit de bijlage Besluit milieueffectrapportage valt, een vormvrije m.e.r.‐beoordeling gemaakt moet worden. Ten aanzien van onderhavig project (maximaal 130 woningen en commerciële ruimte in de plint) kan geconcludeerd worden dat sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' zoals bedoeld in categorie 11.2, onderdeel D, bijlage Besluit Milieueffectrapportage. De omvang van het project ligt evenwel ver beneden de geldende drempelwaarden (circa 100 hectare en 2.000 woningen). Het doel van een vormvrije m.e.r./beoordeling is om het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven, door in een vroeg stadium te onderzoeken en te beoordelen of de voorgenomen activiteiten belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. Om deze vraag te beantwoorden zijn in de beoordeling de criteria betrokken die zijn opgenomen in Bijlage III bij de Europese richtlijn ´betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten´. Uit de Vormvrije m.e.r.‐beoordeling die in bijlage 9 aan de toelichting is gehecht, volgt dat nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten.
Uit geen van de effectstudies blijkt dat, met het (eventueel) toepassen van de noodzakelijke maatregelen, belangrijke nadelige milieugevolgen blijven bestaan. De te nemen maatregelen zijn afdoende geborgd in het vast te stellen bestemmingsplan en in wetgeving. Het opstellen van een MER is dan ook niet aan de orde.
5.3 Milieuhinder bedrijven 5.3.1 Algemeen Bij het beoordelen van (binnen het plangebied of elders gelegen) bedrijven, die invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG‐brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG‐brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG‐uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een "gemiddeld" modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden. Naast het omgevingstype 'rustige woonwijk' onderscheidt de VNG ook het omgevingstype 'Gemengd gebied'. Daarbij kan gedacht worden aan stadscentra, dorpskernen en winkelcentra, horecaconcentratiegebieden, zones met functiemenging langs stedelijke toegangswegen, en (delen van) woongebieden met kleinschalige cq. ambachtelijke bedrijvigheid. Waar bij het omgevingstype 'rustige woonwijk sprake is van een duidelijke functiescheiding, is bij het omgevingstype 'Gemengd gebied' sprake van functiemenging.
Dat wil zeggen dat direct naast woningen ook andere functies voorkomen, zoals winkels, horeca en (kleine) bedrijven. In de VNG‐uitgave is een specifieke staat van Bedrijfsactiviteiten opgenomen voor gebieden met functiemenging. De toelaatbaarheid van milieubelastende functies in gebieden met functiemenging wordt beoordeeld aan de hand van de volgende drie ruimtelijk relevante milieucategorieën: categorie A: activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd;
Binnenstad 2010, 12e herziening (Pieter Vreedeplein)
42
categorie B: activiteiten die in een gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden; categorie C: de activiteiten zoals genoemd onder B, waarbij door de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen. 5.3.2 Bestaande rechten In het bestemmingsplan Binnenstad 2010 heeft het plangebied deels de bestemming 'Centrum ‐ Horeca' en deels de bestemming 'Centrum ‐ Binnenstad', waarbinnen grondgebonden en gestapelde woningen mogelijk zijn. Het gebied ten oosten van het plangebied heeft eveneens de bestemming 'Centrum ‐ Horeca'. Binnen de bestemming 'Centrum ‐ Horeca' is een uitwisseling van functies mogelijk. Daarbij gaat het om onder andere: horeca tot en met de categorie 3, detailhandel, bedrijfsactiviteiten van categorieën A en B uit de Staat van bedrijfsactiviteiten voor gebieden met functiemenging, kantoren, maatschappelijke voorzieningen, cultuur en ontspanning, recreatie, sport, dienstverlening en wonen (grondgebonden woningen en gestapelde woningen). Tot horeca categorie 3 wordt gerekend een discotheek/bardancing, (nacht)bar, hotel, en erotisch gerichte horeca. In dit bestemmingsplan krijgt het gehele plangebied de bestemming 'Centrum ‐ Binnenstad'.
Binnen deze bestemming zijn naast wonen functies toegelaten die voor wat betreft het goede woon‐ en leefklimaat direct naast wonen kunnen voorkomen. Omdat nagenoeg dezelfde bestemming geldt voor omliggende panden, worden deze niet in hun activiteiten of ontwikkelingsmogelijkheden beperkt. Wel moet inzichtelijk worden gemaakt dat de woningen geen overlast zullen ervaren van de horeca die tevens mogelijk is binnen de bestemming 'Centrum ‐ Horeca' die is geprojecteerd op de naastgelegen panden ten noordoosten van het plangebied. 5.3.3 Horeca In het plangebied zelf is alleen horeca categorie 1 toegestaan. Dit betreft categorie A als bedoeld in de categorie‐indeling functiemenging (bijlage 4 bij VNG brochure bedrijven en milieuzonering) en betreft horeca die aanpandig aan woningen gerealiseerd kan worden vanwege de geringe milieubelasting op de omgeving. Buiten het plangebied is horeca t/m cat 3 (oude categorieen) toegestaan. Dit betreft gelet op de categorie‐indeling functiemenging categorie B en is naast woningen (mits bouwkundig gescheiden) toegestaan. Gelet op het bovenstaande voldoet het plan aan de uitgangspunten als opgenomen in de VNG brochure bedrijven en milieuzonering voor gebieden van functiemenging. Daarnaast ligt het plangebied deels in een horecaconcentratie gebied en in een hoog stedelijk gebied.
In dergelijke gebieden wordt vanwege de aard van de omgeving meer (geluid)hinder geaccepteerd dan in een rustige woonwijk. Zodoende is het aanvaardbaar om in een horecaconcentratiegebied en in een hoog stedelijk gebied woningen direct naast of boven panden met een horecafunctie te realiseren.
5.4 Externe veiligheid 5.4.1 Inleiding Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures: <0000> Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 2004 (sindsdien enkele keren aangepast); <0000> Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van 1 april 2015; <0000> Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van 1 januari 2011.
Binnenstad 2010, 12e herziening (Pieter Vreedeplein)
43
Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen". 5.4.2 Beleidsvisie externe veiligheid Op de plankaart externe veiligheid van de beleidsvisie externe veiligheid is de omgeving waarbinnen onderhavig plangebied is gelegen, aangemerkt als een 'luw woongebied'. Binnen luwe woongebieden is de ambitie om zo min mogelijk risicovolle activiteiten toe te staan. Nieuwe Bevi‐inrichtingen zijn niet mogelijk in luwe woongebieden niet toegestaan. Overige risicovolle inrichtingen en activiteiten moeten worden beperkt of zoveel mogelijk worden uitgesloten. Uit de inventarisatie blijkt weliswaar dat het plangebied ligt in het invloedsgebied van het spoortraject Breda‐Tilburg en het spoortraject Tilburg‐Vught, maar op een afstand verder dan 200 m van die vervoersassen.
Uitsnede Risicokaart Nederland (plangebied paars geduid) 5.4.3 Verantwoordelingsplicht Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling in het invloedsgebied van een risicobron ligt. Zoals aangegeven in paragraaf 5.4.1 is per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) in een besluit vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald. Door Tritium Advies is in november 2018 een Quickscan externe veiligheid uitgevoerd. Deze maakt als bijlage 10 onderdeel uit van de toelichting. Een aantal omliggende risicobronnen is onderzocht: <0000> Aardgasdistrictstation; <0000> Spoorlijn Breda‐Tilburg‐Eindhoven / 's‐Hertogenbosch; <0000> Rijksweg A58: traject B111, afrit 11 (Goirle) en afrit 10 (Hilvarenbeek); <0000> Rijksweg A58: traject B6, knooppunt de Baars‐Oirschot; <0000> Rijksweg A65: traject B58, Tilburg‐knooppunt Vught. Aardgasdistrictstation Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 730 meter tot een aardgasdistrictstation. Dit station betreft een zogenoemde 'overige risicovolle inrichting' die niet valt onder het Besluit Externe Veiligheid (Bevi). De ruimtelijke invloed is beperkt en verdere toetsing is niet noodzakelijk. Spoor
Binnenstad 2010, 12e herziening (Pieter Vreedeplein)
44
Voorts is het plangebied gelegen op een afstand van circa 375 tot de spoorlijn Breda‐Tilburg en een afstand van circa 1600 meter tot de splitsing in de trajecten Boxtel‐Eindhoven en Vught‐'s‐Hertogenbosch. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Breda‐Tilburg en Rijksweg A58. Het planvoornemen is gelegen op een dusdanig grote afstand dat een eventuele toename van de personendichtheid geen significant effect heeft op de hoogte van het groepsrisico. Omdat het plangebied wel binnen het invloedsgebied van het spoor is gelegen, is een generieke verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de Beleidsvisie externe veiligheid Tilburg. Deze verantwoording is als bijlage van voornoemde quickscan opgenomen. Rijkswegen A58 en A65 Over de nabijgelegen rijkswegen vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van de Rijksweg A58, gelet waarop een beperkte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is. Deze verantwoording is als bijlage van voornoemde quickscan opgenomen.
Conclusie Op basis van de verantwoording van het groepsrisico wordt het volgende geadviseerd: <0000> Bij gebruik van een mechanisch ventilatiesysteem dient in het ontwerp te worden doorgevoerd dat deze centraal dan wel per appartement met een noodschakelaar is uit te schakelen; <0000> In het kader van vooroverleg dient advies aan de Veiligheidsregio Midden‐ en West Brabant te worden gevraagd ten aanzien van de huidige stand van zaken omtrent de aanwezigheid van voldoende bluswatervoorzieningen ter plaatse. <0000> De veiligheidsregio heeft aangegeven dat de brandwer zal opkomen vanuit de kazerne Post Centrum. De opkomsttijd bedraagt 6.30 minuut (inclusief verwerkingstijd bij de meldkamer). Dit ligt binnen de brandweerzorgnorm voor nieuwbouwwoningen. Gezien het vorenstaande kan worden gesteld dat het aspect externe veiligheid geen beperkingen oplegt aan het beoogde planvoornemen.
5.5 Vuurwerk Binnen het bestemmingsplan zijn geen bestaande verkooppunten en opslagen van consumentenvuurwerk en opslagen van professioneel vuurwerk aanwezig. Burgemeester en wethouders kunnen voor nieuw te vestigen verkoopruimten en opslagen van consumentenvuurwerk en ten behoeve van het uitbreiden, verbouwen en/of verplaatsen van bestaande (buffer)bewaarplaatsen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bestemmingsplan. Bij nieuwvestiging van vuurwerkverkooppunten en/of opslag van consumentenvuurwerk wordt te allen tijde als voorwaarde opgenomen dat de veiligheidscontour zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit op het eigen perceel gesitueerd dient te zijn tenzij de veiligheidscontour zich uitstrekt over openbaar gebied en hierbij geen sprake is van kwetsbare en/of geprojecteerde kwetsbare objecten. Op basis van de veiligheidsafstanden in het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Staatsblad 33 (2002), houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten‐ en professioneel vuurwerk) is het niet mogelijk om professioneel vuurwerk op te slaan (en te bewerken) in Tilburg. Er wordt daarom geen medewerking verleend aan nieuwvestiging van vuurwerkbedrijven van professioneel vuurwerk.
5.6 Geluid 5.6.1 Algemeen Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (hierna Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden. 5.6.2 Wegverkeerslawaai en railverkeerslawaai Het plangebied is gelegen in zowel een geluidzone van wegen als spoor. Derhalve is in dit kader een Akoestisch onderzoek wegverkeers‐ en spoorweglawaai uitgevoerd door Tritium Advies. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 11 bij deze toelichting gevoegd. Dit onderzoek is meer dan 2 jaar oud. Om de volgende redenen zijn de uitgangspunten van het onderzoek nog steeds actueel en kan dit onderzoek worden gebruikt voor de beoordeling van weg‐ en verkeerslawaai: <0000> Voor wegverkeer geldt dat de meest actuele verkeersmodellen weliswaar geactualiseerd zijn t.o.v. de situatie in 2019 (o.a. vanwege besluit Parkring), maar dat daardoor de intensiteiten op de Spoorlaan,
Binnenstad 2010, 12e herziening (Pieter Vreedeplein)
45
<0000>
<0000>
Heuvelring en NS‐plein af zullen nemen. In 2019 was er voor wegverkeer al geen sprake van overschrijding van de voorkeursgrenswaarde, dat zal met de nieuwe verkeersgegevens ook niet aan de orde zijn. Ten aanzien van railverkeerslawaai is het uitgangspunt dat gebruik gemaakt wordt van de gegevens uit het geluidregister van ProRail voor een volledig gevuld Geluidproductieplafond (GPP). De GPP’s ter hoogte van het plangebied zijn voor het laatst gewijzigd in 2017. De gehanteerde brongegevens voor railverkeer zijn dus nog steeds actueel. Het Hogere Waardenbeleid van de gemeente Tilburg dateert van april 2015. Dit beleid is nog steeds actueel, en de motivatie t.a.v. de Hogere Grenswaarden is daarmee ook nog actueel.”
Hieronder volgen de belangrijkste resultaten. Wegverkeerslawaai Voor wegverkeerslawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van de wegen Spoorlaan, Heuvelring en NS‐plein. Voor deze gezoneerde wegen geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze wegen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de woontoren overschrijdt. Derhalve is een procedure hogere waarde ten gevolge van wegverkeerslawaai niet aan de orde. Spoorweglawaai Voor spoorweglawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van de nabijgelegen sporen rondom station Tilburg. Voor de nabijgelegen sporen rondom station Tilburg geldt dat de voorkeursgrenswaarde voor spoorweglawaai van 55 dB op meerdere locaties wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde wordt echter niet overschreden. Derhalve is het mogelijk om een beschikking hogere waarde aan te vragen bij de gemeente indien er overwegende bezwaren zijn de geluidbelasting door bron‐ en overdrachtsmaatregelen terug te brengen. Het aanleggen van een geluidwal of geluidscherm (overdrachtsmaatregelen) gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting ten gevolge van het spoorwegverkeer tot de voorkeursgrenswaarde ontmoet in de onderhavige situatie overwegende bezwaren van stedenbouwkundige en landschappelijke aard. Het vergroten van de afstand tussen geluidbron en ontvanger is niet mogelijk in onderhavige situatie.
Het toepassen van raildempers is rondom het stationsgebied niet effectief omdat hier sporen met wissels aanwezig zijn en het tevens gaat om optrekkende en afremmende passagierstreinen. Tevens ontmoet deze maatregel overwegende bezwaren van financiële aard. 5.6.3 Hogere grenswaarden Ten behoeve van het akoestisch onderzoek is tevens rekening gehouden met het document "Hogere waarde beleid Gemeente Tilburg" d.d. april 2015 van de gemeente Tilburg. Conform dit beleidsstuk kan er pas een hogere waarde worden verleend als de woningen, waarbij de geluidbelasting meer bedraagt dan 53 dB voor wegverkeerslawaai en 60 dB spoorweglawaai, beschikken over een geluidluwe zijde en een geluidluwe buitenruimte. Alle appartementen beschikken over een geluidluwe gevel, indien de op het noorden georiënteerde appartementen op de 14e t/m 17e verdieping tevens grenzen aan de oost‐ en westgevel (ter plaatse van respectievelijk toetspunt 13/14 en 18). De gevels ter plaatse van de genoemde toetspunten zijn namelijk geluidluw. Verder dienen de genoemde appartementen te beschikken over een geluidluwe buitenruimte. Door middel van een balkon of loggia aan de oost‐ of westgevel kan een geluidluwe buitenruimte gecreëerd worden voor deze appartementen, waarna voor alle appartementen wordt voldaan aan het geluidbeleid van de gemeente Tilburg.
Derhalve wordt onderbouwd verzocht hogere waarde te verlenen conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder. Aangezien in onderhavige situatie sprake is van een hogere waardebesluit (besluit 18 februari 2020), is voor de appartementen een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels nodig. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform een nader onderzoek) is vervolgens een goed akoestisch woon‐ en leefklimaat gewaarborgd. Dit onderzoek maakt onderdeel uit van de omgevingsvergunning. 5.6.4 Laden en lossen
Binnenstad 2010, 12e herziening (Pieter Vreedeplein)
46
Het plangebied is gelegen in kernwinkelgebied. Laad en losactiviteiten mogen alleen tussen 6:00 en 11:00 uur plaatsvinden. Betreffende activiteiten zijn inherent aan de ter plaatse reeds planologisch toegestane functies en de feitelijk ingerichte omgeving. Het planologisch mogelijk maken van een woongebouw met commerciële functies in de plint verandert hier niets aan. 5.6.5 Evenementen Op het Pieter Vredeplein worden evenementen georganiseerd. Een voorbeeld hiervan is 'Caribbean Night'. Het aantal evenementen wordt vastgelegd in de jaarlijkse evenementenkalender. In de evenementenmatrix is voor het Pieter Vredeplein vastgelegd dat het aantal dagen met versterkte muziek qua evenementen beperkt moet worden tot vijf dagen per jaar. Tevens zijn de eindtijden vastgelegd. De adviesnorm voor geluid m.b.t de maximale geluidsnormen bedraagt 85 dB(A)/100 dB(C). Deze hoge geluidsniveaus kunnen hinder veroorzaken. Gelet op de stedelijke omgeving (waaronder vele bestaande woningen dichtbij het plein), het belang van evenementen voor de stad en de incidentele basis wordt dit in het kader van een goede ruimtelijke ordening acceptabel geacht. 5.6.6 Industrielawaai Het plangebied van onderhavig plan is niet gelegen binnen een zone van een geluidzoneringsplichtig bedrijf of industrieterrein zoals bedoeld in de Wet geluidhinder.
Derhalve vormt het aspect industrielawaai geen belemmering voor onderhavig plan. 5.6.7 Luchtvaartlawaai Het plangebied is gelegen in de nabijheid van militair luchtvaartterrein Vliegbasis Gilze‐Rijen. In bijlage 3.6 bij de ministeriële Regeling algemene regels ruimtelijke ordening zijn de dB(A)‐geluidszone en Ke‐geluidszone van de vliegbasis aangegeven. Hieruit blijkt dat deze zones niet over het plangebied zijn geloven. Derhalve is het aspect luchtvaartlawaai niet aan de orde voor onderhavig bestemmingsplan.
Uitsnede van bijlage 3.6 bij Regeling algemene regels ruimtelijke ordening, met het obstakelbeheergebied en de geluidzones van militair luchtvaartterrein Vliegbasis Gilze-Rijen.
5.7 Lucht Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven
Binnenstad 2010, 12e herziening (Pieter Vreedeplein)
47
het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een nieuwe ontwikkeling. Dit is het geval wanneer: <0000> een ontwikkeling niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit <0000> ten gevolge van een ontwikkeling de concentraties van de betreffende stoffen verbeteren of ten minste gelijk blijven <0000> een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties van desbetreffende stoffen in de buitenlucht <0000> een ontwikkeling past binnen een vastgesteld programma (zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit). 5.7.1 Besluit en Regeling niet in betekenende mate De uitwerking van het begrip 'niet in betekende mate' staat in het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)'. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als 'niet in betekenende mate' worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven.
Er is volgens deze regeling geen onderzoek nodig voor 'woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat'. Hetzelfde geldt voor kantoorlocaties die niet meer dan 100.000 m² bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 1 ontsluitingsweg. Dit bestemmingsplan maakt maximaal 130 gestapelde woningen met maximaal 800 m² commerciële functies in de plint mogelijk. Het aantal woningen en de commerciële ruimte ligt in casu (ver) beneden de drempelwaarde van 1.500 woningen en 100.000 m² waaronder een project niet in betekenende mate bijdrage levert aan de luchtkwaliteit (grens NIBM). 5.7.2 Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) is gericht op mensen die verhoogd gevoelig zijn voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). In het besluit is geregeld dat wanneer een gevoelige bestemming binnen een onderzoekszone van een rijks‐ of provinciale weg wordt gevestigd of uitgebreid, een luchtkwaliteitsonderzoek nodig is. Gevoelige bestemmingen zijn functies waarbinnen kinderen, ouderen en zieken verblijven, zoals scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings‐, verpleeg‐ en bejaardentehuizen.
Een woning of ziekenhuis is geen gevoelige bestemming conform het besluit. De onderzoekszone van een rijksweg betreft 300 meter aan beide zijden van de weg, gemeten vanaf de rand van de weg. Voor een provinciale weg geldt hetzelfde, maar dan een zone van 50 meter. Dit bestemmingsplan maakt geen gevoelige bestemming mogelijk in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). 5.7.3 Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) Aan de hand van het online CIMLK zijn de concentraties NO2, PM10, PM2,5 en EC (lood) beoordeeld voor de meest nabijgelegen meetpunten bij het plangebied, gelegen aan de Heuvelring en aldus nabij de drukke wegen in Tilburg. Op basis van de rekenresultaten zullen de concentraties aan het Pieter Vreedeplein ver beneden normwaarden liggen. Tevens zijn de PM10‐overschrijdingsdagen beoordeeld. Daarbij is uitgegaan van Monitoringsronde 2022 en zijn de waarden beoordeeld voor de jaren 2021 en 2023. Het is gebleken dat voor alle meetpunten en alle stoffen de waarden goed zijn. Daarmee is aangetoond dat de luchtkwaliteit ter plaatse van onderhavig plangebied voldoende tot goed is. 5.7.4 Conclusie Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor onderhavig plan.
5.8 Geur Het plangebied is niet gelegen in de nabijheid van (zware) industrie of agrarische bedrijvigheid. Derhalve vormt dit aspect geen belemmering voor onderhavig plan.
5.9 Bodem
Binnenstad 2010, 12e herziening (Pieter Vreedeplein)
48
5.9.1 Algemeen In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een uitvoerig bodemonderzoek. Op basis van reeds uitgevoerde bodemonderzoeken op onverdachte terreinen is de Tilburgse bodemkwaliteitskaart vastgesteld. In de Tilburgse bodemkwaliteitskaart worden bodemkwaliteitszones onderscheiden. Per bodemkwaliteitszone is de gemiddelde bodemkwaliteit vastgesteld. Onderhavig plangebied is gelegen in de bodemkwaliteitszone 'Wonen'.
Uitsnede Tilburgse bodemkwaliteitskaart, plangebied blauw omcirkeld
5.9.2 Verkennend bodemonderzoek Tritium Advies heeft een Verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Daarbij is zowel onderzoek gedaan naar de bodemkwaliteit als de kwaliteit van het grondwater. Het onderzoeksrapport als Bijlage 12 bij deze toelichting gevoegd. Hieronder worden de voornaamste resultaten besproken. Uit de analyseresultaten blijkt dat de puin‐ en kolengruishoudende ondergrond plaatselijk licht verontreinigd is met cadmium, koper, kwik, lood, zink, PAK en PCB. Verder is de zintuiglijk schone ondergrond licht verontreinigd met kwik. De aangetroffen gehaltes zijn echter dermate laag, dat nader onderzoek hiernaar niet noodzakelijk wordt geacht. De bovengrond en het grondwater zijn niet verontreinigd met de onderzochte stoffen. Zintuiglijk is zowel op het maaiveld als in de grond geen asbestverdacht materiaal waargenomen. In de halfverharding met puin is zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest aangetoond. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. In de grond is zintuiglijk geen asbest aangetoond in de fractie > 20 mm. In de fijne fractie (< 20 mm) is een maximaal gewogen asbestconcentratie van 6 mg/kg d.s. aangetoond. Het aangetoonde asbest betreft niet‐hechtgebonden chrysotiel en crocidoliet. Omdat er sprake is van een verkennend bodemonderzoek betreft het een indicatieve concentratie.
Aangezien het asbestgehalte minder dan de helft van de interventiewaarde bedraagt is nader onderzoek conform de NEN 5707 en NEN 5897 niet noodzakelijk en mag worden aangenomen dat de grond en de puinverharding niet verontreinigd zijn met asbest. Uit deze resultaten blijkt dat er geen noemenswaardige verontreinigingen aanwezig zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie. Wel dient nog rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van een grond‐ en grondwaterverontreiniging met VOCl ter plaatse van de onderhavige onderzoekslocatie. Deze verontreiniging wordt momenteel onderzocht. In de beschikking ernst en spoed van deze verontreiniging staat vermeld welke beperkingen er gelden als gevolg van de aanwezigheid van deze verontreiniging. Indien grond wordt
Binnenstad 2010, 12e herziening (Pieter Vreedeplein)
49
afgegraven (bijvoorbeeld bij bouwwerkzaamheden) en van de locatie wordt afgevoerd, dient er rekening mee te worden gehouden dat deze grond elders niet zonder meer toepasbaar is. Met betrekking tot het elders hergebruiken van grond zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing, die doorgaans een grotere onderzoeksinspanning vereisen.
5.10 Natuur en ecologie 5.10.1 Flora en Fauna De Wet natuurbescherming biedt bescherming aan Natura 2000‐gebieden, soorten en houtopstanden, hout en houtproducten. Aanwezigheid van beschermde gebieden of beschermde soorten en/of hun beschermde leefomgeving kan van invloed zijn op de uitwerking van bestemmingen. Onderhavig plangebied ligt niet binnen Natura 2000‐gebieden.
5.10.2 Gebiedsbescherming Het onderzoeksgebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000‐gebied en ligt op ruime afstand (min. 3,7 km) van gebieden die wel als Natura 2000‐gebied zijn aangewezen. In het Het plangebied maakt eveneens geen deel uit van de EHS van Nederland. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot beschermde gebieden zijn geen negatieve effecten op de nabijgelegen EHS en Natura2000‐gebieden te verwachten. In het rapport Aerius‐berekening van Aveco de Bondt b.v. d.d. 16 juni 2023 (bijlage 13) voor zowel voor de bouw‐ als de gebruiksfase, is onderzoek gedaan naar stikstofemissie en stikstofdepositie. Uit het rapport volgt dat geen sprake is van een relevante toename aan stikstofdepositie ter plaatse van voor stikstof gevoelige Natura 2000 gebieden ten gevolge van de aanleg en het gebruik van het woongebouw. Hiermee vormt stikstof in het kader van de Wet natuurbescherming geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Er hoeft dan ook geen vergunning aangevraagd te worden in het kader van de Wet natuurbescherming.
5.10.3 Soortenbescherming De Wet natuurbescherming kent drie beschermingsregimes voor dier‐ en plantensoorten: <0000> Paragraaf 3.1: alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn; <0000> Paragraaf 3.2: alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; <0000> Paragraaf 3.3: overige soorten, genoemd in de bijlage van de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen. Gelet op het feit dat het plangebied een onbebouwd, volledig verhard voormalig expeditieterrein betreft en voorts ook geen begroeiingen aanwezig zijn waar vogels kunnen nestelen, kan er vanuit gegaan worden dat binnen het plangebied geen van voornoemde soorten aanwezig zijn. Door de nieuwbouw evenwel natuurinclusief te bouwen, ontstaat een versterking van populaties van gebouw bewonende soorten. De noordgevel aan het Pieter Vreedeplein is in principe geschikt voor het inbouwen van huismus‐ en gierzwaluwnestplaatsen. De hoogbouw biedt voorts mogelijkheden voor het realiseren van grotere, stabielere vleermuisverblijfplaatsen (kraamverblijven of zelfs winterverblijven).
5.10.4 Algemene zorgplicht Op alle in het wild voorkomende planten‐ en diersoorten, ongeacht of deze beschermd of vrijgesteld zijn of als een ontheffing is verkregen, is de zorgplicht van toepassing. De zorgplicht verplicht iedereen om voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende planten en dieren. Handelingen met nadelige gevolgen moeten zoveel mogelijk achterwege gelaten worden of er moeten maatregelen worden getroffen om nadelige gevolgen te voorkomen of beperken.
5.10.5 Conclusie De omschreven werkwijzen (protocollen) met betrekking tot zowel de zorgplicht als ten aanzien van vogels dienen in acht te worden genomen zodat een overtreding van de natuurwetgeving wordt voorkomen. Dit bestemmingsplan heeft dan ook geen significant negatieve effecten ten aanzien van natuur en ecologie. Tevens streeft initiatiefnemer ernaar natuurinclusief te bouwen. Tenslotte is van belang dat gemeente Tilburg een gebiedsgerichte ontheffing heeft voor het uitvoeren van werkzaamheden voor projecten in het kader van ruimtelijke ontwikkeling, beheer en onderhoud.
Binnenstad 2010, 12e herziening (Pieter Vreedeplein)
50
Hoofdstuk 6 Wateraspecten 6.1 Algemeen Voor ruimtelijke plannen geldt vanaf 1 november 2003 ingevolge artikel 3.1.6, lid 1 van het Besluit ruimtelijke ordening de verplichting van een waterparagraaf. De waterparagraaf is één van de pijlers van het Waterbeleid voor de 21e eeuw, waarin aan water een meesturende rol in de ruimtelijke ordening is toegekend. Met de waterparagraaf wordt beoogd waterbeheerders vroegtijdig in het ruimtelijke ordeningsproces te betrekken. De waterparagraaf betreft het hele proces van informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van een waterparagraaf is een samenhangend beeld te geven van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met duurzaam waterbeheer en de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het voorkomen van negatieve effecten op de waterhuishouding staat bij de waterparagraaf voorop. Dan pas komen inrichtingsmaatregelen en compensatie in beeld. In de waterparagraaf wordt eerst ingegaan op het geldende waterbeleid op nationaal‐, provinciaal‐, waterschaps‐ en gemeentelijk niveau. Daarna wordt ingegaan op de huidige situatie van het plangebied. Ten slotte wordt aangegeven welke invloed onderhavig planvoornemen zal hebben ten aanzien van de waterhuishoudkundige situatie.
6.2 Waterbeleid 6.2.1 Provinciaal beleid Het Provinciale “Regionale Water en Bodem Programma” (RWP) 2022 – 2027 heeft als doel een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Rode draad is het herstel van de systeemwerking. Het water en bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden.
Uitsnede Provinciaal Milieu- en Waterplan (plangebied ter hoogte van de blauwe 'druppel')
Binnenstad 2010, 12e herziening (Pieter Vreedeplein)
51
Het plangebied is gelegen binnen het gebied dat is aangeduid als 'water in bebouwd gebied'. Vanuit het provinciaal Milieu‐ en Waterplan zijn hier geen nadere eisen aan verbonden. Het plangebied is niet gelegen in een waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied, dan wel een boringsvrije zone. 6.2.2 Beleid Waterschap De Dommel Het plangebied ligt in het beheergebied van Waterschap De Dommel. Waterschap De Dommel heeft zijn actuele waterbeleid opgenomen in het waterbeheerprogramma 2022‐2027 (WBP5). In dit programma staat een watertransitie centraal die moet zorgen voor een toekomstbestendig watersysteem. De transitie heeft drie leidende principes: 1) elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt; 2) functies passen zich aan het bodem‐ en watersysteem aan; 3) wat schoon is moet schoon blijven. 6.2.3 Gemeentelijk beleid Het Programma Water en Riolering (PWR) is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het PWR wordt vastgelegd wat de gemeente wil bereiken en wat de rolverdeling is tussen overheid, bewoners en bedrijven ten aanzien van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater. Het PWR is tevens de basis voor de gemeentelijke rioolheffing. Eén van de doelstellingen in het PWR is om het water‐ en rioleringssysteem toekomstbestendig te maken.
Door klimaatverandering krijgen we te maken met zwaardere buien, een toename van warme dagen, langdurige perioden van droogte en een verandering van de biodiversiteit. Deze verandering stelt nieuwe eisen aan het watersysteem, de waterketen en de omgeving. Als we droge voeten en een leefbare omgeving willen behouden, moet iedereen hier een steentje aan bijdragen. Om het water‐ en rioleringssysteem toekomstbestendig te houden is een regenwateropgave geïntroduceerd voor vervanging van verhard oppervlak en hanteren we nieuwe ondergrenzen bij toename van het verhard oppervlak. De regenwateropgave verplicht tot het aanbrengen van regenwaterberging en is in lijn met de wateropgave die de waterbeheerder oplegt. Op dit moment is dat 60 mm. Het doel van de wateropgave is tweeledig: het laten infiltreren van regenwater om het grondwater aan te vullen en het verwerken van extreme neerslaghoeveelheden om de kans op wateroverlast nu en in de toekomst te beperken. De wateropgave als volgt: 1. <50 m2: geen regenwateropgave 2. 50 m2 ‐ 150 m2: <0000> indien niet vergunningplichting: geen regenwateropgave <0000> indien wel vergunningplichting: regenwateropgave volgens tabel 1 3. >150 m2: regenwateropgave volgens tabel 1
Tabel 1 - regenwateropgave De opgave is voor de gebieden Blaak en Reeshof kleiner omdat deze gebieden, vanwege de ruim opgezette waterstructuur, al klimaatbestendig zijn ingericht. De opgave van 10 mm heeft als doel om het water van de kleine buien af te vangen en toe te voegen aan de grondwatervoorraad.
6.3 Duurzaam watersysteem Het plangebied is bij de referentiesituatie volledig verhard. Ook in de nieuwe situatie zal het gebied nagenoeg volledig verhard zijn. De bouwontwikkeling beslaat een oppervlak van circa 1.800 m². Voor dit verharde oppervlak geldt een wateropgave van 60mm. Deze waterberging vindt bij voorkeur plaats in een bovengrondse, groene. robuuste voorziening. Ook kan (een deel van) de wateropgave op het dak geborgen
Binnenstad 2010, 12e herziening (Pieter Vreedeplein)
52
worden. Als dit niet mogelijk is kan ook een ondergrondse bergende en infiltrerende voorziening overwogen worden. De voorziening mag worden voorzien van een noodoverloop. De overloop kan worden aangesloten op de aanwezige sloot aan de noordelijke perceelsgrens. Daarnaast moet de voorziening goed te onderhouden zijn. Naast de regenwateropgave zijn de volgende algemene uitgangspunten van toepassing: <0000> bij de inrichting van het plan dient rekening te worden gehouden met de bestaande en toekomstige terreinhoogte van het openbaar gebied en de aangrenzende percelen. Geadviseerd wordt de vloerpeilen hoger aan te leggen dan de openbare ruimte; <0000> de water‐ en vochtdichtheid van alle ondergrondse bouwdelen moet voldoende zijn voor het gebruik van het bouwdeel; <0000> in verband met duurzaam waterbeheer is draineren onder de gemiddeld hoogste grondwaterstand niet toegestaan; <0000> de maaiveldhoogte bedraagt ter plaatse 14,6 meter +NAP. De Maatgevende Hoogste Grondwaterstand is circa 12,05 +NAP. De daartussen gelegen ruimte bedraagt aldus minimaal 2,55 meter. Omdat er minimaal 70 cm ruimte is voldoet het plan voor het aspect ontwatering. Er is daarmee voldoende ruimte voor infiltratieoplossingen. Zo wordt bij de inrichting rekening gehouden met grote opnamecapaciteit in het stelsel. Tevens wordt er voor gezorgd dat er geen ingesloten laagten in het gebied ontstaan.
Tot slot wordt met de bouwers afgesproken dat de aansluitende vloerpeilen binnen minimaal 3 cm hoger liggen om overlast te voorkomen; <0000> het vuilwater aangeboden voor aansluiting op de gemeentelijke riolering. Aandachtspunten In het afwateringssysteem van de daken moeten voorzieningen worden aangebracht om vaste bestanddelen als bladeren, zand, ander sediment en dergelijke achter te houden zodat het systeem niet verstopt raakt of dicht gaat slibben in de tijd. Deze voorzieningen moeten goed bereikbaar blijven, om ze regelmatig te kunnen onderhouden en reinigen. De afkoppeling van het hemelwater van het afvalwater maakt dat er in de bebouwing geen materialen gebruikt mogen worden die de grondwaterkwaliteit negatief kunnen beïnvloeden, zoals uitlogende materialen, bijvoorbeeld zink en lood. Het is niet toegestaan chemische bestrijdingsmiddelen toe te passen of agressieve reinigingsmiddelen te gebruiken op de af te koppelen verharde oppervlakken. Het is in beperkte mate toegestaan tijdens gladheid door bevriezing of sneeuwval zout als gladheidbestrijdingsmiddel op de bestrating en parkeerplaatsen e.d. toe te passen. Een alternatief kan bijvoorbeeld zand zijn.
6.4 Watertoets Doordat dit perceel voorheen was aangesloten op de riolering en nu wordt afgekoppeld heeft deze ontwikkeling een positieve invloed op het watersysteem. Het watertoetstraject kan daarom verkort doorlopen worden. In dit verkorte traject geeft het waterschap geen voorlopig wateradvies, in plaats daarvan wordt het wateradvies pas verstrekt bij de terinzagelegging van het bestemmingsplan.
Binnenstad 2010, 12e herziening (Pieter Vreedeplein)
53
Hoofdstuk 7 Opzet planregels 7.1 Inleiding De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het actualiseren van bestemmingsplannen (een autonoom proces waarbij uit de aard der zaak de nadruk ligt op beheer) door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen.
7.2 Hoofdstuk 1 van de regels: Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat de ´Inleidende regels´. Dit hoofdstuk omvat twee artikelen: een artikel met een aantal noodzakelijke begripsomschrijvingen en een artikel inzake de wijze van meten.
7.3 Hoofdstuk 2 van de regels: Bestemmingsregels Hoofdstuk 2 bevat de ´Bestemmingsregels´. In dit hoofdstuk komen de verschillende bestemmingen met bijbehorende bouwregels en gebruiksregels aan bod. Soms is daarnaast sprake van een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, wijzigingsbevoegdheden e.d.
7.3.1 Bestemmingen In dit bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen opgenomen: Centrum-Binnenstad De bestemming Centrum ‐ Binnenstad komt voor op locaties waar menging van centrumfuncties is toegestaan. De volgende dubbelbestemmingen zijn van toepassing op een gedeelte van het gebied: Waarde - Archeologie Om de mogelijk in de grond aanwezige archeologische waarden ook in de toekomst te kunnen beschermen is de dubbelstemming 'Waarde ‐ Archeologie' opgenomen. De voor 'Waarde ‐ Archeologie' aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemming(en) (basisbestemmingen), mede bestemd voor bescherming van en onderzoek naar aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden. Aan deze dubbelbestemming zijn regels gekoppeld die bij bepaalde activiteiten vereisen dat, voordat de activiteiten plaatsvinden, de archeologische waarden in voldoende mate zijn worden vastgesteld. Waarde - Cultuurhistorie Deze gronden zijn, naast de andere aangewezen bestemmingen (basisbestemmingen), tevens bestemd voor het behoud, de bescherming en/of het herstel van de cultuurhistorische waarden met de dubbelbestemming Waarde ‐ Cultuurhistorie.
7.3.2 Bestemmingsregels Bouwregels De bouwregels bevatten een uitgebreide regeling ten aanzien van het oprichten van gebouwen en overige bouwwerken in het plangebied (bouwvlak, erf, bouwhoogte, regeling bijgebouwen etc.). Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt in bouwregels voor (hoofd)gebouwen, aan‐en uitbouwen en bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bouwwerken van algemeen nut. Omgevingsvergunning voor het binnenplans afwijken van de bouwregels Vaak geeft het plan het college de bevoegdheid om afwijking van de bouwregels toe te staan. Gebruiksregels Bij de meeste bestemmingen worden regels omtrent het gebruik van gronden en bouwwerken gegeven, al dan niet aangevuld met een aantal afwijkingsmogelijkheden, wisselend per bestemming.
Binnenstad 2010, 12e herziening (Pieter Vreedeplein)
54
Omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden De dubbelbestemmingen 'Waarde ‐ Archeologie' en 'Waarde ‐ Cultuurhistorie' behelzen tevens een vergunningplicht t.a.v. bepaalde werken of werkzaamheden. Wijzigingsbevoegdheid De dubbelbestemming Waarde ‐ Archeologie is aangevuld met een wijzigingsbevoegdheid betreffende de ligging en omvang, respectievelijk de verwijdering voor zover de geconstateerde aanwezigheid of afwezigheid van archeologische waarden, in voorkomend geval na beëindiging van archeologisch onderzoek, daartoe aanleiding geeft.
7.4 Hoofdstuk 3 van de regels: Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de ´Algemene regels´ ten aanzien van de volgende aspecten: Anti-dubbeltelregel Artikel 6 bevat een algemene anti‐dubbeltelregel die ervoor zorgt dat op eenzelfde perceel de onbebouwde ruimte niet nogmaals wordt betrokken in de planologische toets van een bouwplan. De redactie is conform artikel 3.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening. Algemene bouwregels Artikel 7 bevat een aantal bouwregels die algemeen toepasbaar zijn. Het gaat hierbij om de regeling met betrekking tot ondergronds bouwen en parkeren. Algemene gebruiksregels Artikel 8 bevat een algemene gebruiksregel, inhoudende dat het gebruik van gronden en opstallen in overeenstemming met een functie‐aanduiding aangemerkt wordt als gebruik overeenkomstig de bestemming. Algemene aanduidingsregels Op de verbeelding voorkomende gebiedsaanduidingen zijn in dit artikel (artikel 9) geregeld. luchtvaartverkeerzone Deze aanduiding ligt over het gehele plangebied. Vanwege de aanvliegroute van het vliegveld 'Gilze‐Rijen' mag ter plaatse van deze aanduiding niet hoger dan 160 meter worden gebouwd. Algemene afwijkingsregels Algemene afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot geringe afwijkingen van de regels van het plan qua maatvoering, aantallen en functies staan in artikel 10.