Toelichting met bijlagen-b001
Tekst van het document
Algemene procedureregels Ingevolge artikel 12 is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing verklaard op het stellen van nadere eisen op grond van enige bepaling van de regels van dit bestemmingsplan. Overige regels Burgemeester en wethouders zijn middels artikel 13 bevoegd om een aantal algemene nadere eisen te stellen.
7.5 Hoofdstuk 4 van de regels: Overgangs- en slotregels Het vierde en laatste hoofdstuk heet ´Overgangs‐en slotregels´. In artikel 14 is het overgangsrecht te vinden met betrekking tot het bouwen van bouwwerken en het gebruik van gronden en opstallen. In de slotbepaling (artikel 15) wordt de exacte naam van het bestemmingsplan gegeven.
Binnenstad 2010, 12e herziening (Pieter Vreedeplein)
55
Hoofdstuk 8 Uitvoerbaarheid 8.1 Uitvoerbaarheid Artikel 3.1.6. van het Bro verplicht de bestemmingsplanwetgever een vast te stellen bestemmingsplan te doen vergezellen door een toelichting, waarin (o.a.) zijn neergelegd de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan. Het onderhavige plan bevat een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. Plan‐ en apparaatskosten zijn verzekerd door een raadskrediet voor het totale investeringsproject. Ten behoeve van de uitvoering van het bestemmingsplan zullen eventuele planschadeclaims als gevolg van uitvoering van het bestemmingsplan ten laste komen van het investeringsproject. Ten behoeve van de ontwikkeling van de woningen en winkelruimte is met de initiatiefnemers een anterieure overeenkomst en planschadeovereenkomst afgesloten. Voor het opstellen van het bestemmingsplan zijn leges betaald op grond van de gemeentelijke legesverordening. Gelet hierop is het verhaal van kosten anderszins verzekerd is. Het bepalen van een tijdvak of fasering en het stellen van eisen en regels als bedoeld in artikel 6.13 tweede lid Wro is niet noodzakelijk. Het is dan ook niet nodig om een exploitatieplan vast te stellen. Gelet op het vorenstaande is het plan economisch uitvoerbaar.
Binnenstad 2010, 12e herziening (Pieter Vreedeplein)
56
Hoofdstuk 9 Omgevingsdialoog en overleg 9.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu‐effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het bestemmingsplan 'Binnenstad 2010, 9e herziening (woongebouw Pieter Vreedeplein)' op 11 januari 2019 gepubliceerd in het Gemeenteblad. Dit bestemmingsplan is op 17 mei 2023 door de Raad van State vernietigd. Het voorliggende bestemmingsplan 'Binnenstad 2010, 12e herzening (Pieter Vreedeplein)' maakt dezelfde ontwikkeling mogelijk als het eerdere bestemmingsplan. Hierom is het voornemen tot vaststelling van dit bestemmingsplan niet opnieuw gepubliceerd.
9.2 Burgerparticipatie en omgevingsdialoog Op 13 december 2018 is ter uitvoering van het bepaalde in de door de raad toenmalige vastgestelde Handreiking Burgerparticipatie een informatiebijeenkomst gehouden in de Cinecitta aan de Willem II straat 29 in Tilburg. Het verslag van deze bijeenkomst is als Bijlage 14 aan onderhavige toelichting gehecht. De gestelde vragen en gemaakte opmerkingen tijdens deze avond hebben niet geleid tot de aanpassing van het plan. De meeste vragen zijn direct ter plaatse beantwoord. Aan een verzoek om aanvullende zonnestudies is tegemoet gekomen. Op basis van buiten de plenaire sessie gevoerde gesprekken met bewoners van het tegenovergelegen woongebouw is aangeboden om met de betreffende VvE in gesprek te gaan. Dit is door een paar individuele bewoners geaccepteerd, waarop ontwikkelaar in gesprek is gegaan met die betreffende personen. Een aantal omwonenden heeft tegen het bestemmingsplan 'Binnenstad 2010, 9e herziening (woongebouw Pieter Vreedeplein) beroep ingesteld bij de Raad van State. Dit bestemmingsplan is op 17 mei 2023 in een einduitspraak door de Raad van State vernietigd. Het voorliggende bestemmingsplan maakt dezelfde ontwikkeling mogelijk. Er zijn geen wijzigingen aan het ontwerp gedaan. We vallen daarom terug op de reeds uitgevoerde dialoog en de daarna doorlopen ruimtelijke procedure.
Omwonenden worden wel betrokken bij de vervolgstappen. Zij worden via een bewonersbrief geateendeerd op de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan en de ontwerp omgevingsvergunning. De bezwaarmakers, die tegen het vernietigde bestemmingsplan zienswijzen hebben ingediend en in beroep zijn gegaan, worden persoonlijk (schrfitelijk) geinformeerd over de procedure en de mogelijkheid opnieuw zienswijzen in te dienen.
9.3 Zienswijzen p.m.
Binnenstad 2010, 12e herziening (Pieter Vreedeplein)
57
Bijlage bij toelichting Bijlage 1 Stedenbouwkundig plan verbinding Emmapassage - Pieter Vreedeplein Stedenbouwkundig plan
Bijlage 2 Kwalitatief windhinderonderzoek Kwalitatief windhinderonderzoek
Bijlage 3 Bezonningsstudie globaal Bezonningsstudie globaal
Bijlage 4 Bezonnningsstudie aanvullend Bezonningsstudie aanvullend
Bijlage 5 Archeologisch bureauonderzoek 2008 Archeologisch bureauonderzoek 2008
Bijlage 6 Archeologisch onderzoek 2017 Archeologisch onderzoek 2017
Bijlage 7 Notitie duurzaamheidsmaatregelen Notitie duurzaamheidsmaatregelen
Bijlage 8 Analyse parkeerbehoefte Pieter Vreedeplein Analyse parkeerbehoefte Pieter Vreedeplein
Bijlage 9 Vormvrije m.e.r. beoordeling Vormvrije m.e.r. beoordeling
Bijlage 10 Quickscan externe veiligheid Quickscan externe veiligheid
Bijlage 11 Akoestisch onderzoek Akoestisch onderzoek
Bijlage 12 Verkennend bodemonderzoek Verkennend bodemonderzoek
Bijlage 13 Aeriusberekeningen Aeriusberekeningen
Bijlage 14 Verslag bewonersavond Verslag bewonersavond
Bijlage 1 Stedenbouwkundig plan verbinding Emmapassage - Pieter Vreedeplein Stedenbouwkundig plan
Stedenbouwkundig plan Verbinding Emmapassage - Pieter Vreedeplein Tilburg
-1-
Inhoudsopgave
Aanleiding en doel
3
Kader
4
Stedenbouwkundig Plan
8
-2-
Om een aantrekkelijke Binnenstad te blijven en om groei te accommoderen moet er ruimte voor ontwikkeling van het Kernwinkelgebied in de Binnenstad van Tilburg worden gevonden. Onlangs is het Stedenbouwkundig plan Stadhuisplein en omgeving opgesteld. Het tweede onderdeel van de ontwikkeling van het Kernwinkelgebied is de verbinding tussen de Emmapassage en het Pieter Vreedeplein. Deze verbinding zal bijdragen aan de versterking en concentratie van het winkelaanbod, revitalisering van de openbare ruimte en een betere combinatie van winkel- en woningaanbod in de Binnenstad. Kortom, het verblijfsklimaat in het hart van onze stad krijgt een grote impuls. Aanleiding en doel Op 7 februari 2011 heeft de Raad de Binnenstadsvisie Tilburg 2011-2020 vastgesteld. Deze visie beoogt door versterking van de Binnenstad een verbetering van het vestigingsklimaat van bedrijven (onder andere detailhandel) en een verbetering van het imago van de Binnenstad te bereiken. Met een toename van aantrekkelijke winkels zal het aantal bezoekers en de werkgelegenheid toenemen in de Binnenstad. Opdracht is gegeven voor een aantal strategische fysieke ingrepen, versterking Kernwinkelgebied en een goede verbinding van de Spoorzone met de Binnenstad. "Door toevoeging van detailhandel op de locatie Stadhuisplein en een directe verbinding van de Heuvelstraat [….] via het Hendrikhof naar de Emmapassage e.o.
zal het aantal primaire en secundaire routes toenemen." Kwaliteit en samenhang Dit stedenbouwkundig plan streeft voor de Verbinding Emmapassage - Pieter Vreedeplein een samenhangend beeld na en richtinggevende uitgangspunten en onderzoeksopgaven ten behoeve van de openbare ruimte en de winkelbebouwing en de woningen daarboven. Inspiratiedocument en toetsingsinstrument Het Stedenbouwkundig Plan is een inspiratiedocument voor architecten/ontwikkelaars en andere betrokkenen. Het is richtinggevend voor de toetsing van bouw- en inrichtingsplannen door de Omgevingscommissie. In de huidige situatie geldt voor de Binnenstad conform de Welstandsnota 2012 een hoog ambitieniveau (toetsingsniveau 1).
-3-
Kader De volgende bestaande beleidsstukken en kaderstellende documenten zijn relevant voor de planvorming van het Stadhuisplein: • Binnenstad van de 21e eeuw (concept, in ontwikkeling) • Omgevingsvisie 2040 (Raad, 2015) • Binnenstadsvisie BRO 2011-2020 (Raad, 2011) • Visie Versterking Kernwinkelgebied (College, 2012) • Bestemmingsplan Binnenstad 2010 (Raad, 2012) • Welstandsnota Tilburg (Raad, 2012) • Besluit Beschermd stadsgezicht (Raad, 2012) • Structuurvisie en herinrichtingsplan Binnenstad MTD (1998/2001) De relevante aspecten uit deze beleidsstukken worden hieronder toegelicht. Binnenstad van de 21e eeuw (concept, in ontwikkeling) De Binnenstad van de 21e eeuw is een samenvoeging van de huidige Binnenstad en de Spoorzone. In deze visie wordt geconstateerd dat de binnenstad populair is om te wonen, te werken en te recreëren (winkelen, evenementen etc.). De Binnenstad moet opnieuw worden uitgevonden om aan meer functies ruimte te bieden. Zo is er naast de ontwikkeling van een toekomstbestendig Kernwinkelgebied behoefte aan aantrekkelijke woonmilieus voor uiteenlopende doelgroepen. Dit gebeurt al in aanpalende gebieden, zoals de Spoorzone en de Piushaven. Tilburg bindt de jonge en startende inwoner al aan de Binnenstad, maar zal gefaseerd ook ruimte bieden voor hogere doelgroepen: de NexT-generation: 25+.
Deze 'nieuwe middenklasse' kan worden gebonden met "intensieve laagbouw en comfortabele, moderne stadsappartementen, wonen met werken aan huis, wonen boven winkels of vernieuwende woonconcepten." Omgevingsvisie Tilburg 2040 (Raad, 2015) De omgevingsvisie Tilburg 2040 schetst een toekomstbeeld voor de Binnenstad van de 21e eeuw. De Binnenstad van de 21e eeuw omvat vijf sfeergebieden: een hoogstedelijk gebied met een belangrijk kenniscluster, commerciële creatieve bedrijvigheid en ondernemerschap en leisure (Spoorzone); een commercieel gebied (winkels Heuvelstraat en omgeving); een zakelijk dienstencentrum (rondom banken en Interpolis aan de Spoorlaan): een gebied met creatieve bedrijvigheid, horeca en cultuur (onder andere Veemarktkwartier en Korte Heuvel); -4-
-
een Dwaalgebied met een mix aan wonen, groen, werken en speciaalzaken (rondom Heuvel/ Nieuwlandstraat/ Noordstraat en richting Spoorzone).
Tussen deze identiteiten hebben groen, pleinen en verbindingsroutes het openbaar gebied en de verbinding tussen de diverse verschillende gebieden sterk verbeterd. Dit heeft de verblijfs-en ontmoetingsfunctie van de Binnenstad van de 21e eeuw flink versterkt. Maar het gaat om meer: beleving en een openbare ruimte waar mensen zich prettig voelen (placemaking). Winkelen is hiervan een belangrijk onderdeel. De binnenstad is verbeterd, met respect voor de bestaande structuur. De aantrekkingskracht en verblijfskwaliteit zijn hierdoor vergroot. Zo is er meer kunst in de openbare ruimte, meer aandacht voor historische uitstraling en parkjes die niet alleen bijdragen aan een prettige leefomgeving maar ook (in)formele ontmoetingen en nieuwe ontwikkelingen uitlokken. De Heuvelstraat is nog steeds de dragende winkel-as. Daaromheen is het winkelgebied versterkt. Het Dwaalgebied met specialistische winkeltjes heeft een eigen sfeer en is een unieke aanvulling op het Kernwinkelgebied. De kracht van het cultuurhistorisch erfgoed in het Dwaalgebied is goed benut. Het Dwaalgebied loopt over in de Spoorzone, waar de levendigheid op straatniveau, de aantrekkelijke routes en de specifieke functies zijn voortgezet in een nieuwe setting van industrieel erfgoed en nieuwbouw met onder meer een goed zichtbare Bibliotheek van de toekomst.
In de Omgevingsvisie staat het volgende over hoogbouw: Verschillende elementen uit deze Omgevingsvisie geven aanleiding om de Handreiking Hoogbouw te actualiseren. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om de grotere aandacht voor de menselijke maat, cultuurhistorie en de aansluiting op verschillende leefstijlen en woonbehoeften van mensen in de stad. Ook is er minder behoefte aan kantoortorens. We gaan prudent met hoogbouw om. Op stedelijk niveau wegen we af wat hoogbouw en de functies op de betreffende plek bijdragen aan de ontwikkeling van de stad; zowel in kwantitatieve zin ( bijvoorbeeld ten aanzien van vestiging van bepaalde doelgroepen op de woningmarkt of vestiging van economische functies) als kwalitatieve zin ( zoals bijdrage aan een bepaalde sfeer, menging van functies, oriëntatie en draagvlak voor voorzieningen). In de te actualiseren nota willen we de hoogbouw dus meer laten aansluiten bij de ambities van de stad als geheel. Hoogbouw kan een middel zijn om een gebied een meer urbaan karakter te geven of het draagvlak voor voorzieningen te laten stijgen. De uitstraling die hoogbouw aan een gebied geeft kan ertoe bijdragen dat het gebied een interessant woonmilieu wordt voor bijvoorbeeld kenniswerkers en creatievelingen. In dat geval kan hoogbouw dus een belangrijke functie hebben bij de ontwikkeling van de stad.
We kijken dus naar een specifiek initiatief, gaan terughoudend om met verzoeken tot hoogbouw, maar op basis van strategische afwegingen blijven maatwerkoplossingen - en dus ook hoogbouw - mogelijk. Overigens biedt de Handreiking Hoogbouw nog steeds actuele toetsingscriteria voor hoogbouw op gebieds- en projectniveau.
-5-
Binnenstadsvisie 2011-2020 (Raad, 2011) In het coalitieakkoord Tilburg 2010-2014 is opgenomen dat de Binnenstadsvisie als vertrekpunt wordt genomen voor de verdere positionering van de Binnenstad en voor een integrale visie over de ontwikkeling van het commerciële hart van de Binnenstad. De Binnenstadsvisie 2011-2020 bepaalt de koers voor de positionering en het ontwikkelingsbeeld van de Binnenstad. Er worden tien ambtieopgaven onderscheiden die bijdragen aan de identiteit en basisvoorwaarden zijn voor de vitaliteit van de Binnenstad. Vier daarvan hebben een relatie met ruimtelijke kwaliteit. Versterken van de verbindende routes tussen de deelgebieden in de Binnenstad en tussen de huidige Binnenstad en de Spoorzone. Schep een helder kader voor beeldkwaliteit waarbinnen markante gebouwen en ruimten tot ontwikkeling kunnen komen en versterk historische waarden. Versterk de ruimtelijke samenhang tussen de verschillende delen van de Binnenstad en versterk de hoofdroute voor langzaam verkeer. Verbeter de (sociale) veiligheid van de Binnenstad. Het creëren van monotone, multifunctionele deelgebieden in de Binnenstad is vanuit het oogpunt van sociaal toezicht ongewenst. Ook zijn zes fysieke ingrepen geformuleerd waaronder één voor het Kernwinkelgebied.
In de Binnenstadsvisie is in essentie de gewenste winkelstructuur als 'ladderstructuur' geschetst: "Door toevoeging van detailhandel op de locatie Stadhuisplein en een directe verbinding van de Heuvelstraat ter hoogte van de Pieter Vreedestraat via het Hendrikhof naar de Emmapassage e.o. zal het aantal primaire en secundaire routes toenemen." Een van de fysieke ingrepen is de in 2016 gerealiseerde WII-passage, die de Spoorzone verbindt met o.a. het Kernwinkelgebied. Visie Versterking Kernwinkelgebied (Rijnboutt, 2012) De Visie Versterking Kernwinkelgebied is een uitwerking van de Binnenstadsvisie 2011-2020. In de visie is geformuleerd hoe het Kernwinkelgebied kan transformeren naar een levendig centrum met een samenhangende ruimtelijke structuur en mooie openbare ruimtes. Belangrijk voor deze ontwikkelstap is de vestiging van een aantal trekkers die door omvang, naamsbekendheid, marketingkracht en klantbenadering een voldoende groot publiek aanspreken en ook tot herhalingsbezoek leiden. Dit heeft naast een impuls voor de differentiatie van het winkelaanbod tevens een structuurversterkende werking en is daarmee aanjager voor herstructurering, vernieuwing en verbetering in andere, aansluitende delen van de Binnenstad. Hiermee is sprake van een lange termijn strategie die ook aanspraak zal doen op creativiteit van en deelname door eigenaren en ondernemers.
De opgave is om de verschillende onderdelen aan elkaar te koppelen en een continu stedelijk weefsel mogelijk maken. Voorname detaillering van gebouwen en openbaar milieu is daarbij van belang.
-6-
Bestemmingsplan Binnenstad 2010 (Raad, 2012) Het bestemmingsplan Binnenstad 2010 is vanaf 8 augustus 2012 onherroepelijk in werking. Voor het plangebied is het bestemmingsplan conserverend van aard. Er zal daarom een specifiek bestemmingsplan moeten worden opgesteld om de Verbinding mogelijk te maken. Welstandsnota Tilburg (Raad, 2012) Tilburg wil een moderne stad zijn met respect voor zijn (cultuur)historie. Het eigen karakter van de verschillende deelgebieden in de stad moet worden versterkt, terwijl grote assen en knooppunten voor samenhang en herkenbaarheid zorgen. Veel stijlopvattingen zijn mogelijk: ontwerpopvattingen krijgen de gelegenheid om zich stilistisch en formeel te ontwikkelen. Maar een optelsom van individuele vormuitingen levert nog geen samenhangend beeld en ruimtelijke kwaliteit op. Voor het gehele plangebied geldt welstandniveau 1 (meer aandachtsgebied). Dit betekent dat hier een volledige welstandstoets plaats vind. Het plangebied is te omschrijven als een bijzonder gebied of complex (archipunctuurgebied); één van de onderscheiden gebiedstypen in de Welstandsnota. In zo’n gebied is bijzondere aandacht voor stedenbouwkundige en architectonische vormgeving. Het heeft over langere tijd een inspirerende en stimulerende invloed op een groter gebied. Voor de Binnenstad van Tilburg is specifiek welstandsbeleid.
Er zijn (object)criteria met betrekking tot gevelreclame, de architectuur en kleurstelling van panden, luifels, zonneschermen, vanen, vlaggen en vlaggenstokken en rolluiken. Besluit Beschermd stadsgezicht (Raad, 2012) In november 2012 is het grootste deel van de Binnenstad van Tilburg aangewezen als Beschermd stadsgezicht. Het gebied Stadskern is van belang vanwege zijn ruimtelijke historische karakter dat nog voldoende gaaf en herkenbaar is. De waarden van de Beschermde stadsgezichten worden via bestemmingsplannen beschermd. Het plangebied ligt gedeeltelijk in het Beschermd Stadsgezicht. De grens loopt ten zuiden van de Heuvelstraat. Het Hendrikhof en de Emmapassage vallen erbuiten. Structuurvisie en herinrichtingsplan Binnenstad (1998/2001) Door MTD landschapsarchitecten zijn een Structuurvisie en Herinrichtingsplan ontwikkeld voor de Heuvelstraat, Oude Markt, Korte Heuvel en aangrenzende straten en pleinen. Hierin zijn ingrepen ter verbetering van het ruimtelijke beeld opgenomen: het reduceren en reguleren van reclame-uitingen en luifels, het versterken van architectonische kenmerken en een sobere en ingetogen inrichting van de openbare ruimte met een hoogwaardige en duurzame materiaaltoepassing. De herinrichting van het genoemde deel van de Binnenstad is gerealiseerd.
-7-
Stedenbouwkundig plan Stedelijke context en programma De Binnenstad bestaat uit de Spoorzone, het Dwaalgebied, het Kernwinkelgebied, 2 horecaconcentratiegebieden en het Kunstcluster. Het zwaartepunt van het Kernwinkelgebied ligt rondom de Heuvelstraat, en dan met name tussen het Pieter Vreedeplein, Heuvelplein, Piusplein en Stadshuisplein. De Verbinding ligt op een strategische plek, waar behoefte is aan een fijnmaziger structuur. Hij sluit in het noorden aan op het Pieter Vreedeplein, in het zuidoosten op het Piusplein en in het zuidwesten op het Stadhuisplein. ‘Van ruggengraat naar ladderstructuur’ Om het Kernwinkelgebied aantrekkelijker te maken en om mogelijke groei te accommoderen, moet er gezocht worden naar ruimte waar in de Binnenstad de komende jaren commerciële functies kunnen worden toegevoegd of uitgebreid. Het uitgangspunt hierbij is dat die ruimte op logische wijze aansluit op de bestaande hoofdwinkelstructuur. Om de ‘ruggengraatstructuur’ uit te breiden worden aan het huidige lineaire systeem rondgaande circuits verbonden die een kwalitatieve verbetering van de winkelstructuur betekenen. Hierdoor ontstaat een logisch circuit in de vorm van een ‘winkelrondje’, een ‘acht’ of in kwalitatief opzicht nog beter: een ‘ladderstructuur’.
De ‘ladderstructuur’ bestaat uit twee ‘parallelle’ straten op hoog kwalitatief niveau die worden ontsloten door korte haakse straten, die ook een hoogwaardige winkelfunctie kunnen herbergen. De Heuvelstraat is vanzelfsprekend een van de stijlen van de ladder; de andere stijl wordt gevormd door upgrading van de Emmapassage en door toevoegen van winkels en het aanpassen van de inrichting van de bestaande Stadhuisstraat. Het Pieter Vreedeplein is onvoldoende aangehaakt op deze structuur. Daarom wordt een extra sport in de ladder aangebracht. Zo kan in die ‘ladderstructuur’ de kern, de motor van een vernieuwde Kernwinkelstructuur ontstaan die maximaal tegemoet komt aan de doelstelling, namelijk: de versterking van het Kernwinkelgebied van Tilburg. Deze structuur is in essentie reeds geschetst in de Binnenstadsvisie opgesteld door BRO in 2010. Op bijgaand kaartje is die structuur weergegeven. De Verbinding Emmapassage - Pieter Vreedeplein De genoemde extra sport aan de ladder krijgt gestalte in de vorm van de Verbinding Emmapassage - Heuvelstraat - Pieter Vreedeplein. Deze verbinding bestaat uit 3 ingrepen c.q. 3 ruimtelijke onderdelen: - de noordelijke verbinding tussen het Pieter Vreedeplein en de Heuvelstraat; - de zuidelijke verbinding tussen de Heuvelstraat en de Emmapassage; - de Emmapassage: aansluiting op zuidelijke verbinding en upgrade bestaande passage.
-8-
DWAALGEBIED
KERNWINKELGEBIED
Kernwinkelgebied: ladderstructuur
-9-
Plangebied en Beschermd Stadsgezicht
- 10 -
Aansluiting bestaand stedelijk weefsel De Verbinding is een planmatige ingreep in een deels historisch gegroeide omgeving. De plekken die hij verbindt, omgeving Stadhuisplein en het Pieter Vreedeplein, zijn eveneens planmatige ingrepen. Het Hendrikhof wordt het nieuwe scharnierpunt tussen de oost-west en noord-zuid richting. De hoofdwinkelstraat die hij kruist, de Heuvelstraat, is een historisch gegroeide straat. Zo ontstaan verschillende ontmoetingen van de Verbinding met het bestaande stedelijke weefsel. Deze vragen om specifieke, uiteenlopende ontwerpoplossingen. Daarnaast is het van belang dat de Verbinding wordt herkend als onderdeel van het Kernwinkelgebied. Er zijn 5 plekken waar de Verbinding wordt aangesloten op het bestaande stedelijk weefsel. De Emmapassage sluit aan op het Stadhuisplein en het Piusplein (en tevens op de Oranjestraat). In de Heuvelstraat, waar de verbinding de oversteek maakt, moeten 2 aansluitingen worden vormgegeven. Aan het Pieter Vreedeplein ligt de noordelijke entree van de ingreep. Van de 5 aansluitingen liggen er 3 in het Beschermd Stadsgezicht: 2 in de Heuvelstraat en 1 op het Pieter Vreedeplein. De aansluitingen op het bestaande stedelijk weefsel moeten een goede balans krijgen tussen herkenbaarheid en inpassing. Die opgave betreft niet alleen de architectuur, maar ook de openbare ruimte.
Gestreefd naar een inrichting die samenhang/ herkenbaarheid kent, intiem is en verblijfskwaliteit heeft. Naast die eigenheid moet de Verbinding ook worden herkend als onderdeel van het Kernwinkelgebied. Daar ligt de ontwerpopgave voor de inrichting/ openbare ruimte. Programma in relatie tot stedenbouw Naast nieuwe winkels (geen uitbreiding maar vervanging) worden er ook woningen gerealiseerd. Daarmee worden 2 doelen bereikt. De gemeente streeft al geruime tijd naar het leefbaar houden van de Binnenstad door wonen boven winkels te stimuleren. Dat heeft op particuliere schaal beperkte successen opgeleverd. Nu kan dat op grotere schaal worden gerealiseerd. De andere doelstelling betreft de haalbaarheid van de ingreep. Ten behoeve van de aanleg van de Verbinding is woonprogramma nodig om de ontwikkelkosten te dekken. Dat programma is vastgesteld op ca 24.000 m2 bvo (ca 18.000 m2 netto) in de vorm van wonen boven de nieuwe winkels. Een eerste studie heeft uitgewezen dat het woonprogramma van 24.000 m2 bvo (ca 18.000 m2 netto) stedenbouwkundig inpasbaar is in de Verbinding als geheel. Daartoe zijn wel 2 hoogbouwaccenten nodig, een in de zuidelijke en een in de noordelijke verbinding. Die hoogbouw is motiveerbaar en inpasbaar.
- 11 -
Hoogbouwzones
- 12 -
Het hoogbouwlandschap van Tilburg wordt gedomineerd door de oost-west as tussen Interpolis en Universiteit en een aantal knooppunten met hoogbouw, zoals de Kempenbaan met het Cenakel en omgeving en de zuidwestelijk stadsentree bij Het Laar. Halverwege de genoemde as staat de Stadsheer, een hoge woontoren. Deze hoogbouw heeft een afmeting van ca 100 m of meer. Daaronder is een niveau ontstaan (en nog in planning) van hoge gebouwen van maximaal ca 70 m. TTS2 nabij het Van Gend&Loos-terrein, alsmede geplande torens in de Spoorzone zijn daarvan voorbeelden. Deze gebouwen staan op de tweede lijn van de oost-west as. Daaronder (in hoogte, maar ook ten zuiden daarvan) zijn projecten gerealiseerd als de Stadswachter aan de Piusstraat, Julianastaete aan de Heuvelring, de Heuvelse kerk, Stadskantoor 1, de Katterug etc. Op voorgaand kaartje is te zien dat die bebouwing geconcentreerd is rondom het Kernwinkelgebied. Deze gegroeide opbouw van het hoogbouwlandschap biedt aanknopingspunten voor 2 nieuwe accenten van ca 50 meter hoog in de Verbinding: een aan het Pieter Vreedeplein en een in de zuidelijke verbinding.
Aandachtspunten daarbij zijn: - De uitgangspunten van het Beschermd Stadsgezicht; - De (ontwikkeling van de) stedenbouwkundige structuur van de Binnenstad; - De inpasbaarheid in de bestaande woon- en werkomgeving: ontsluiting, bezonning, privacy, … - Nieuwe woonkwaliteit, voor zowel de toe te voegen als de bestaande woningen. Bouwregimes Bij het inpassen van die accenten wordt rekening gehouden met de bouwregimes van de bestaande stad. De zuidwand van het Pieter Vreedeplein en de gehele Heuvelstraat zijn pandsgewijs gegroeid. Dat komt tot uiting in een vrij bescheiden hoogte en herkenbaarheid/ afwisseling van afzonderlijke panden. De hoogbouwopgave, zoals hiervoor omschreven, moet rekening houden met deze waarden van de bestaande Binnenstad. Dat kan door middel van: opbouw in hoogte, setback, schaduwstudie, etc. Het aan te passen hoogbouwbeleid geeft (nog steeds actuele) handvatten voor toetsingscriteria, op gebiedsniveau en projectniveau. Naast de gegroeide structuur en de hoogbouwopgave is er een derde bouwregime: het binnengebied, met wonen boven de winkels. Hier kan vrij stedelijk worden gebouwd, buiten het zicht van de historische straten. Deze regimes c.q. opgaven zijn op bijgaande plankaart gevisualiseerd.
- 13 -
Plankaart
- 14 -
Zoals al aangegeven, bestaat de Verbinding uit 3 ruimtelijke onderdelen: De noordelijke verbinding Het noordelijke deel legt de verbinding tussen de Heuvelstraat en het Pieter Vreedeplein. Daarmee vormt het een van de belangrijke noordelijke entrees van het Kernwinkelgebied. Die entree wordt gesitueerd op de locatie van het voormalige V&D pand. Een klein deel van het pand wordt gesloopt ten behoeve van de Verbinding. Het nieuwe warenhuis (Hudson's Bay) krijgt zijn entree aan de verbinding. Ook bij de aansluiting op de Heuvelstraat worden aan de verbinding voordeuren van winkelpanden gesitueerd. Deze aansluiting wordt zo goed mogelijk ingepast in het bestaande straatbeeld: een herkenbare opening, die wordt overbouwd om zich te voegen in de bestaande pandenstructuur. Boven de winkels worden woningen gesitueerd, geconcentreerd aan het Pieter Vreedeplein. De zuidelijke verbinding Het zuidelijke deel legt de verbinding tussen de Emmapassage en de Heuvelstraat. Deze verbinding kent verschillende deelopgaven. De aansluiting op het gegroeide stedelijk weefsel van de Heuvelstraat is een typisch Tilburgse inpassingsopgave (en daarmee geschikt voor een of enkele lokale architecten). De aansluitende nieuwe winkelstraat krijgt een profielbreedte van ca 6 meter en een dubbelhoge pui, waarboven woningen worden gesitueerd, volgens de afbeelding Principeprofiel.
Het aantal woonlagen daarboven varieert is onderwerp van studie. Het aansluitende daklandschap kan worden benut voor gemeenschappelijk groen. De bovenwoningen kunnen hiertoe direct toegang krijgen, evenals aansluitende bestaande woningen. De overgang van deze straat naar de bestaande en te upgraden Emmapassage wordt vormgegeven met een pleinachtige ruimte. De exacte vorm, omvang en locatie daarvan is onderwerp van nadere stedenbouwkundige studie. Aan het plein komt een hoogbouwaccent, waarvan de vorm en locatie nog moeten worden ontworpen. De Emmapassage De Emmapassage is gedateerd door de vormgeving en de kap die op 4 locaties wordt doorsneden door verbindingen ten behoeve van de parkeergarage. Er moet worden onderzocht op welke wijze de Emmapassage een uitstraling kan krijgen die goed aansluit bij de ambities van de Verbinding.
- 15 -
Principeprofiel
Ambities en kwaliteit openbare ruimte Het Kernwinkelgebied wordt compacter, functioneler en beter herkenbaar. Die herkenbaarheid kan ontstaan door aan te sluiten bij het bestaande Binnenstadsmateriaal. De materiaalkeuze en ontwerpsystematiek uit 1998 voor de Binnenstad (MTD) wordt gewaardeerd en blijft gehandhaafd. De Verbinding (noord, zuid en Emmapassage) gaat hier op aansluiten. Er bestaat echter wel een verschil in benadering. De korte - 16 -
noordelijke verbinding wordt overdekt, maar blijft in contact met de buitenlucht (zwevende overkapping). De zuidelijke verbinding is gedacht als een open straat (zie principeprofiel). Naast de Verbinding(en) gaat ook het gebied rondom het Stadskantoor deel uitmaken van het Kernwinkelgebied. Er wordt afstand genomen van de oorspronkelijke gedachte dat de gehele omgeving van het Stadskantoor een eigen, herkenbare inrichting moeten hebben. Basis thema is continuïteit van de huidige inrichting openbare ruimte in de Binnenstad versus de eigenzinnigheid die gewenst wordt in relatie tot het nieuwe winkelen. Een andere belangrijke opgave is het verbeteren van het functioneren van het Pieter Vreedeplein als winkel- en verblijfsgebied. De nieuwe Verbinding krijgt een hoogwaardige uitstraling en kwaliteit die herkenbaar is, maar ook past bij het Binnenstadsmateriaal. De ambities voor deze totale opgave voor de openbare ruimte zijn groot.
De gemeente heeft dezelfde hoge ambities voor de noordelijke verbinding, die gedeeltelijk in privaat eigendom is en blijft. Om ook die ambities waar te maken wordt het ontwerp van de noordelijke verbinding, net als de overige onderdelen, gemaakt in nauw overleg met de supervisor en ter goedkeuring voorgelegd aan de Projectgroep Kernwinkelgebied en de Omgevingscommissie. Bijgaande afbeeldingen geven een impressie van de beoogde sfeer en kwaliteit van de nieuwe noordelijke verbinding. - 17 -
Onderzoeksthema's Stedenbouwkundige inpassing woonprogramma Zoals eerder is aangegeven is het woonprogramma vanuit oogpunt van haalbaarheid vastgesteld op 24.000 m2 bvo. Een eerste studie heeft uitgewezen dat het programma van 24.000 m2 wonen stedenbouwkundig inpasbaar is in de gehele Verbinding. Daartoe zijn 2 hoogbouwaccenten nodig, een in de zuidelijke en een in de noordelijke verbinding. Er volgt nadere studie naar de exacte positionering, hoogte en vorm van deze accenten, alsmede van de overige woningen boven de winkels. Uitgangspunt is dat de 2 accenten aan het Pieter Vreedeplein respectievelijk aan het plein van de zuidelijke verbinding worden gerealiseerd. Openbare ruimte en Vergroening Het Kernwinkelgebied wordt uitgebreid naar het Stadhuisplein en de Verbinding. De inrichting van de openbare ruimte sluit nu niet aan bij die nieuwe bestemming. Ook zijn er veel vragen over het functioneren en de inrichting van het Pieter Vreedeplein. Daar ligt dus een specifieke ontwerpopgave. Vergroening van de Binnenstad is een nadrukkelijk politiek thema. Onderzocht moet worden hoe het toevoegen van groene plekken, bomen en eventueel water kan bijdragen aan het verbeteren van het verblijfsklimaat en het microklimaat (voorkomen hittestress).
De ontwerpprincipes van de huidige inrichting van de Binnenstad vormen uitgangspunt voor de nieuwe winkelstraten (globaal genomen Stadhuisplein, Verbinding en Pieter Vreedeplein). Bij het ontwerp daarvan is de aansluiting en herkenbaarheid van de verbinding een belangrijk thema. Daarnaast moet nader worden bepaald waar de nieuwe begrenzing van de Binnenstad komt te liggen. In principe wordt de herinrichting van het gebied ten zuiden van het stadhuis (globaal tussen Kattenrug, stadhuis, Heikese kerk, Schouwburg, Concertzaal, Kantongerecht en Koningsplein) als separate opgave opgepakt. Zie bijgaand kaartje. Bevoorrading in relatie tot binnenstedelijke distributie Het Hendrikhof en Pieter Vreedeplein (incl. hof tussen Mango en vml. V&D) zijn nu bevoorradingsplekken voor winkels. Verder worden de meeste winkels via de voorzijde (o.a. Heuvelstraat) bevoorraad, tijdens vensteruren en voor voertuigen met bepaalde afmetingen. Een deel van de winkels die nu via het Hendrikhof worden bevoorraad zullen in de toekomst via de voorzijde moeten worden bevoorraad. Er blijft beperkte ruimte voor bevoorrading achterom. Op het Pieter Vreedeplein is bij de genoemde bevoorradingsplek meer ruimte om de huidige wijze van bevoorraden te handhaven, maar dan op een stedenbouwkundig goed ingepaste (minder zichtbare) wijze.
- 18 -
Gebied opgave Openbare ruimte
- 19 -
Parkeren en stallen De huidige planvorming voorziet in realisatie van een compacter winkelareaal dan momenteel voorhanden is in Tilburg. Uitgangspunt voor de verdere planvorming is dat het te herontwikkelen winkelareaal niet leidt tot extra parkeerdruk omdat het volume niet zal toenemen. De komst van Primark is hierbij buiten beschouwing gelaten omdat deze reeds vergund is. Voor de nieuw te realiseren appartementen wordt binnen het bestaande parkeerareaal een oplossing gezocht, omdat het niet wenselijk is dat er in het venstertijdengebied (waar de plannen onderdeel van uitmaken) nieuwe parkeervoorzieningen gerealiseerd worden. Uitgangspunt blijft dat wordt voldaan aan de geldende parkeernormen. Ook het stallen van fietsen wordt nader onderzocht. Het opheffen van het Hendrikhof als bevoorradings- en stallingslocatie dient te worden gecompenseerd. Ook wordt gestudeerd op een betere inrichting van het Pieter Vreedeplein voor voetgangers, fietsers (zowel rijden als stallen) en bevoorrading. Daarbij wordt afgestemd met het te herijken fietsplan.
- 20 -
Bijlage 2 Kwalitatief windhinderonderzoek Kwalitatief windhinderonderzoek
20 januari 2020
Pieter Vreedeplein te Tilburg CFD onderzoek windklimaat
www.deerns.nl
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande toestemming van de opdrachtgever. Indien dit rapport in opdracht werd uitgebracht, wordt voor de rechten en verplichtingen van opdrachtgever en opdrachtnemer verwezen naar de DNR 2011, en naar de betreffende ter zake tussen partijen gesloten overeenkomst.
Pieter Vreedeplein te Tilburg CFD onderzoek windklimaat
Dr. ir. Paul van Gent Specialist
Contact paul.van.gent@deerns.com 06 512 316 81
Deerns Nederland B.V. Rijswijk, 20 januari 2020 Projectnr. RNL160.04926.00.0003 160-04926 Pieter Vreedeplein Onderzoek Windhinder 20200120
Inhoud 1
Inleiding
5
2 2.1 2.2 2.3
Uitgangspunten Algemene uitgangspunten Omgeving plangebied Windstatistiek
6
3 3.1 3.2
Beoordelingsmethodiek en -criteria Windhinder Windgevaar
9
4
Ambitieniveau
11
5 5.1 5.2 5.3 5.4
Rekenmodel Software en algemene methodiek Modellering van het gebied en de bebouwing Windsnelheidsprofiel Rekenrooster
13 13 13 18 18
6 6.1 6.2
Beoordeling windklimaat - straatniveau Windhinder Windgevaar
20
7
Windklimaat op hoog gelegen buitenruimtes
26
8
Conclusies en aanbevelingen
29
9
Bronnen
31
6 6 8
9 10
20 25
Bijlage 1 Windstroming om gebouwen
32
Bijlage 2 Technisch inlegvel voor numerieke simulatie
34
RNL160.04926.00.0003
1 Inleiding In opdracht van Winkelrondje Tilburg B.V. is onderzoek uitgevoerd naar het windklimaat op en rondom het Pieter Vreedeplein te Tilburg. Aan dit plein is nieuwbouw geprojecteerd naar ontwerp van Winhov/Happel Cornelisse Verhoeven. De hoogbouwbouw heeft een maximale hoogte van ca. 63 meter. Dergelijke hoogbouw kan mogelijk tot windhinder of zelfs windgevaar voor personen op loopniveau leiden. Het is daarom van belang om de gevolgen van de hoogbouw op het windklimaat te bepalen en waar nodig maatregelen te treffen. Het onderzoek is uitgevoerd aan de hand van de NEN 8100 norm (‘Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving’). Volgens deze norm, kan een windhinderonderzoek worden uitgevoerd met een schaalmodel in een windtunnel of met behulp van numerieke computersimulaties (CFD, Computational Fluid Dynamics). Dit onderzoek maakt gebruik van deze laatst methode. Het onderzoek richt zich op het windklimaat op loopniveau rondom de geprojecteerde hoogbouw. Twee situaties worden onderzocht: 1. De geprojecteerde situatie met hoogbouw. 2. De huidige planologische situatie (conform het bestemmingsplan), d.w.z. een 15 m hoog gebouw met een footprint als de hoogbouw. De invloed van bomen op en rond het Pieter Vreedeplein wordt in beide varianten meegenomen. Voorliggende rapportage beschrijft de uitgangspunten, de methodiek en bevindingen van dit onderzoek.
Achtereenvolgens komen de volgende onderwerpen aan bod: • Hoofdstuk 2 – Uitgangspunten • Hoofdstuk 3 – Beoordelingsmethodiek en -criteria • Hoofdstuk 4 – CFD-rekenmodel • Hoofdstuk 5 – Beoordeling van windklimaat op straatniveau • Hoofdstuk 6 – Windklimaat op hoog gelegen buitenruimtes • Hoofdstuk 7 – Conclusie en aanbevelingen In bijlage 1 is algemene achtergrondinformatie opgenomen over windklimaat in de gebouwde omgeving. Met bijlage 2 is een technisch inlegvel toegevoegd met de voornaamste uitgangspunten voor de CFDmodellering.
RNL160.04926.00.0003
5/36
2 Uitgangspunten In dit hoofdstuk worden de uitgangspunten gegeven die zijn gehanteerd bij dit onderzoek.
2.1 •
• • •
•
2.2
Algemene uitgangspunten De beoordeling is uitgevoerd aan de hand van de norm: NEN 8100 ‘Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving’. Deze norm en de bijbehorende toetsingscriteria worden in hoofdstuk 3 toegelicht. Conform deze norm wordt de NPR 6097:2006 gebruikt om de windstatistiek ter plaatse van het onderzoeksgebied te bepalen. Het gebouw is gemodelleerd op basis van het aangeleverde 3D-modellen en tekeningen van de geprojecteerde nieuwbouw, d.d. 26 september 2018. De omgeving van het gebouw is gedeeltelijk gemodelleerd op basis van een aangeleverde model (december 2019). De overige omgeving is gemodelleerd aan de hand van Actuele Hoogtebestand Nederland. Dit bestand, verkregen met laseraltimetrie, bevat de hoogte van het terrein en de gebouwen met een resolutie van 0,5 m x 0,5 m (https://ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer/) Specifieke uitgangspunten aangaande de CFD-modellering en -simulaties worden in hoofdstuk 4 separaat toegelicht. In bijlage 2 is hiertoe ook een technisch inlegvel opgenomen met een overzicht van de uitgangspunten.
Omgeving plangebied
Gebouwen en bomen in de wijdere omgeving om het gebouw hebben invloed op het windklimaat. Ze beïnvloeden het verticale snelheidsprofiel van de aanstromende wind. Zo waait het bij een gelijke windsnelheid aan de rand van de stad harder dan op gelijke hoogte in een stedelijke omgeving. Figuur 2-1 laat een satellietbeeld zien van de omgeving van het plangebied. Een oranje cirkel geeft het gebied weer binnen een straal van 300 meter van de planlocatie. Gebouwen in dit gebied zijn expliciet opgenomen in het rekenmodel. Figuur 2-2 geeft een overzicht van het landgebruik binnen een straat van 6 km met informatie over de ruwheid van het terrein. Uit alle richtingen stroomt de wind aan over een bebouwde omgeving.
6/36
RNL160.04926.00.0003
Figuur 2-1. Omgeving van het plangebied (rood); oranje cirkel geeft gebied tot 300 m van het plangebied weer (bron: Google Earth)
Figuur 2-2. De landgebruikskaart met ruwheidsinformatie in de omgeving van het plangebied.
RNL160.04926.00.0003
7/36
2.3
Windstatistiek
De aanstromende wind naar een gebouw is van grote invloed op het windklimaat op loopniveau. Zo waait het aan de kust harder dan in het binnenland, waardoor de windsnelheid op loophoogte bij gebouwen aan de kust groter zal zijn dan bij vergelijkbare gebouwen in het binnenland. Zoals voorgeschreven door de NEN 8100 is de lokale windstatistiek voor de planlocatie bepaald volgens de NPR 6097:2006. De NPR 6097 geeft de windstatistiek op 60 meter hoogte voor twaalf windrichtingen (in stappen van 30°). Uit de windstatistiek (Figuur 2-3 en Figuur 2-4) blijkt dat de windrichtingen uit het zuidwesten overheersend zijn. Ongeveer 50% van de tijd komt de wind uit de richtingen tussen zuid en west. Ook de hoogste windsnelheden komen bij deze windrichtingen voor. Deze overheersende windrichtingen zullen daarom in grote mate het windklimaat op de locatie bepalen. Dit betekent niet dat wind uit een andere richtingen geeft effect heeft.
Figuur 2-3. Windroos van de windstatistiek op 60 m hoogte de locatie van het plangebied.
Figuur 2-4. Staafdiagram van de windstatistiek op 60 m hoogte de locatie van het plangebied.
8/36
RNL160.04926.00.0003
3 Beoordelingsmethodiek en -criteria De beoordeling van het windklimaat is uitgevoerd aan de hand van de norm NEN 8100 ‘Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving’. In de norm wordt onder andere aangegeven in welke situaties windonderzoek noodzakelijk geacht wordt en worden criteria (richtlijnen) voor de beoordeling van het windklimaat gegeven.
3.1
Windhinder
Het criterium voor de beoordeling van windhinder is uit de volgende onderdelen opgebouwd:
1.
Een drempelsnelheid van 5 m/s Het blijkt dat bij windsnelheden boven circa 5 m/s mechanische effecten een rol gaan spelen: het haar verwaait, kleding en paraplu’s worden door de wind bewogen.
2.
Een overschrijdingskans van de drempelsnelheid Hoe vaker de drempelsnelheid van 5 m/s overschreden wordt, hoe slechter het windklimaat ervaren zal worden. Aan de kans dat de drempelsnelheid overschreden wordt, zijn 5 kwaliteitsklassen (A tot en met E) gekoppeld (zie Tabel 3-2). Klasse A staat voor de hoogste comfortklasse en klasse E voor het laagste kwaliteitsniveau.
3.
Windhindergevoeligheid van de activiteit die men op een locatie onderneemt De gevoeligheid van personen voor windhinder is afhankelijk van de activiteit die men onderneemt. Sommige activiteiten zijn meer windhindergevoelig dan andere. Er worden bij de beoordeling van windhinder drie ‘activiteiten’ onderscheiden, zie Tabel 3-1. Afhankelijk van de activiteit en de kwaliteitsklasse wordt in Tabel 3-2 aangegeven of het lokale windklimaat als goed, matig of slecht beoordeeld moet worden.
De eisen voor ‘langdurig zitten’ zijn niet bedoeld voor horeca-terrassen. Voor dergelijke terrassen zijn vrijwel altijd windschermen en/of luifels nodig om een goed windklimaat te creëren. Naast de voor een bepaald gebied kenmerkende activiteiten (doorlopen / slenteren) speelt bij de beoordeling van het windklimaat de fysieke gesteldheid van mensen een rol. Gezonde jonge mensen kunnen over het algemeen meer discomfort verdragen dan oudere of zieke mensen of jonge kinderen. Tabel 3-1. Activiteiten voor de beoordeling van windhinder Activiteit
Gevoeligheid voor windhinder
Doorlopen
Niet/nauwelijks gevoelig
Voorbeelden Parkeerterrein, trottoir
Slenteren
Wel gevoelig
Entree, park, winkelstraat
Langdurig zitten
Meest gevoelig
Bankje, balkon
RNL160.04926.00.0003
9/36
Tabel 3-2. Criteria voor windhinder conform NEN 8100 Kans dat de drempelsnelheid (5 m/s) overschreden wordt
Activiteiten en beoordeling windklimaat Kwaliteitsklasse
[% van aantal uren per jaar]
3.2
Doorlopen
Slenteren
Langdurig zitten
(niet windhinder-gevoelig)
(wel windhinder-gevoelig)
(meest windhinder-gevoelig)
< 2,5 %
A
Goed
Goed
Goed
2,5 – 5 %
B
Goed
Goed
Matig
5 – 10 %
C
Goed
Matig
Slecht
10 – 20 %
D
Matig
Slecht
Slecht
> 20 %
E
Slecht
Slecht
Slecht
Windgevaar
Bij ‘windgevaar’ komen dusdanig hoge windsnelheden voor dat mensen ernstige problemen ondervinden tijdens het lopen en waarbij een windvlaag mensen kunnen doen vallen. Bij windvlagen neemt de snelheid in korte tijd toe tot ruim 1,5 maal de uurgemiddelde windsnelheid. De beoordeling van windgevaar wordt op eenzelfde manier opgebouwd als de beoordeling van windhinder. Er wordt een drempelsnelheid van 15 m/s (uurgemiddelde windsnelheid) aangehouden en een indeling zoals aangegeven in Tabel 3-3. Tabel 3-3. Criteria voor windgevaar conform NEN 8100 Kans dat de drempelsnelheid (15 m/s) overschreden wordt
Kwalificatie
[% van aantal uren per jaar] < 0,05 % 0,05 - 0,3 % > 0,3 %
Geen gevaar, voldoet Beperkt risico Gevaarlijk
Alle situaties met een overschrijdingskans van groter dan 0,30 % van de tijd zijn gevaarlijk en moeten vermeden te worden. Een ‘beperkt risico’ is slechts acceptabel bij niet windhindergevoelig gebruik, dat wil zeggen in doorloopgebieden of voor plekken waar geen activiteit zal plaatsvinden (geen entrees, loop of fietsroutes). Voor de activiteiten slenteren en langdurig zitten is een beperkt risico op gevaar niet acceptabel.
10/36
RNL160.04926.00.0003
4 Ambitieniveau In hoofdstuk 3 is aangegeven worden verschillende eisen gesteld voor ‘doorloopgebieden’, ‘slentergebieden’ en gebieden voor ‘langdurig zitten’. Binnen het plan zijn een aantal gebieden waarin een bepaalde kwaliteit van het windklimaat verlangd wordt. De onderverdeling wordt gegeven in Tabel 4-1. Figuur 4-1 laat de locatie van de deelgebieden zien. Tabel 4-1. Ambitieniveau op deelgebieden Type gebied
Motivatie, ambitieniveau
Doorlopen
Het binnenterrein ten zuiden en oosten van de nieuwbouw is niet toegankelijk voor het publiek. Het windklimaat in niet-toegankelijke gebieden is normaalgesproken voor rekening van de gebruikers van die gebieden. Het is voor dergelijke gebieden in principe niet nodig aan eisen voor de openbare ruimte te voldoen. Het gebied is niettemin beoordeeld als ‘doorloopgebied’. - Ambitieniveau: C (goed); - Minimaal niveau: D (matig).
Slenteren
Langdurig zitten
Gebieden beoordeeld als doorloopgebied:
Locatie gebied
1. Binnenterrein
Ten zuiden en oosten van de nieuwbouw
Omdat de nieuwbouw geprojecteerd is in een winkelgebied zullen mensen daar mogelijk rustig lopen en even stil blijven staan. Het windklimaat in de straten rondom de nieuwbouw is daarom beoordeeld voor ‘slenteren’. - Ambitieniveau: B (goed); - Minimaal niveau: C (matig).
Gebieden beoordeeld als slentergebied:
Locatie gebied
2. Winkelgebied
Straten rondom de nieuwbouw
Op het Pieter Vreedeplein zullen mensen langere tijd zitten op bankjes en terrasjes. Het Pieter Vreedeplein is daarom beoordeeld voor ‘langdurig zitten’. De eisen voor ‘langdurig zitten’ zijn overigens niet bedoeld voor horeca-terrassen. Voor dergelijke terrassen zijn vrijwel altijd windschermen en/of luifels nodig om een goed windklimaat te creëren. - Ambitieniveau: A (goed); - Minimaal niveau: B (matig). 3. Pieter Vreedeplein
Ten noorden van de nieuwbouw
RNL160.04926.00.0003
11/36
3
2
2 2
1 1 2
Figuur 4-1. Bovenaanzicht van de planlocatie met indicatie van deelgebieden met verschillende ambitieniveaus
12/36
RNL160.04926.00.0003
5 Rekenmodel Computational fluid dynamics (CFD), of numerieke stromingsleer in het Nederlands, refereert naar een groep rekenmethodieken voor het oplossen van stromingsvergelijkingen. Kenmerkend aan deze methodieken is dat de stroming wordt opgedeeld in kleine cellen die samen het rekenrooster (‘mesh’ of ‘grid’) vormen. Voor elke cel worden vergelijkingen opgesteld voor het behoud van massa, momentum, en, afhankelijk van het model, energie. Voor alle cellen samen ontstaat zo een groot stelsel van vergelijkingen dat iteratief wordt opgelost. In dit hoofdstuk worden de specifieke uitgangspunten en rekenmethodes van de gebruikte CFDmethodiek geschreven. Een overzicht wordt ook gegeven in het ingevulde inlegvel uit de NEN 8100:2006 in bijlage 2.
5.1
Software en algemene methodiek
Voor het huidige onderzoek is gebruik van het softwarepakket PHOENICS FLAIR-EFS (versie 2019), dat specifiek is ontwikkeld voor het uitvoeren van windstudies. De gemiddelde stroming voor elke windrichting is berekend op basis van de Reynolds-gemiddelde Navier-Stokes vergelijkingen (RANS). Kleine turbulente stromingsschalen zijn gemodelleerd met het standaard k-ε model. De berekeningen zijn uitgevoerd op basis van het tweede orde discretisatie schema (MUSCL, Monotonic Upwind Scheme for Conservation Law; Van Leer, 1979). Per simulatie zijn gemiddeld 6000 iteraties uitgevoerd, waardoor geconvergeerde oplossingen van de stromingsvergelijken zijn verkregen. Afzonderlijke simulaties zijn uitgevoerd voor de twaalf windrichtingen. Ter bepaling van de overschrijdingspercentages op de verschillende posities, worden de resultaten van de twaalf afzonderlijke simulaties gewogen met de winddistributie bij de corresponderende windrichtingen. Zo kan per positie een percentage van de tijd worden bepaald waarop de criteria / drempelsnelheden voor windhinder (5 m/s) en windgevaar (15 m/s) worden overschreden.
5.2
Modellering van het gebied en de bebouwing
De NEN 8100 definieert de invloedssfeer van een bouwwerk als het gebied rondom het bouwwerk met een straal van zesmaal de hoogte van het bouwwerk, met een maximum van 300 m. In het huidige onderzoek is de bebouwing in de invloedssfeer (het kerngebied) expliciet opgenomen in het model (zie Figuur 5-1 t/m Figuur 5-4). De hoogte van de bebouwing loopt geleidelijk op vanaf het maaiveld vanaf een afstand van 400 m vanaf de hoogbouw zodat de werkelijke hoogte wordt bereikt op een afstand van 300 m. De geometrie van de bebouwing is verkregen uit een aangeleverd 3D model en het Actuele Hoogtebestand Nederland. Dit laatste bestand bevat de hoogte van het terrein en de gebouwen met een resolutie van 0,5 m x 0,5 m. Het weglaten van details aan de gevels en de daken is ondervangen door de oppervlaktes van de gebouwen een typische ruwheid te geven. Dezelfde strategie is gebruikt voor details op de bodem (wegen, stoepen, enz.). Bomen in het model zijn niet weergegeven in de onderstaande figuren, maar wel in de figuren met resultaten in hoofdstuk 5. De bomen zijn gemodelleerd als relatief klein en dun begroeid. De begroeiing heeft een diameter van 5 m, en bevindt zich van 4 tot 8 meter boven de grond. Gebouwen buiten het kerngebied zijn niet expliciet opgenomen in het model.
In plaats daarvan is het effect van de bebouwing (‘ruwheid’) meegenomen in het snelheidsprofiel van de aanstromende wind (zie ook paragraaf 4.4).
RNL160.04926.00.0003
13/36
Berekeningen zijn uitgevoerd voor een gebouwhoogte van 59 meter. In een later ontwerpstadium is de gebouwhoogte bepaald op 63 meter. Deze aanpassing is gering en heeft geen merkbaar gevolg voor het windklimaat.
Figuur 5-1. Kerngebied met bebouwing
14/36
RNL160.04926.00.0003
Figuur 5-2. Details van geprojecteerde nieuwbouw (1)
RNL160.04926.00.0003
15/36