CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting met bijlagen-b001

Raadsvergadering 20 november 2023, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel Bestemmingsplan Binnenstad 2010, 12e herz (Pieter Vreedeplein)33.876 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Wel gelden de belangen van derden (andere gebruikers van het terrein/eigenaren van omliggende panden). Gezien de beoogde functie van het desbetreffende deel het besloten terrein lijkt het windklimaat goed voor alle belanghebbenden. Loggia’s van het tegenoverliggende gebouw Windsnelheid neemt in de atmosferische grenslaag toe met hoogte. Op hoger gelegen buitenruimtes, zoals balkons, dakterrassen en loggia’s, is het windklimaat daarom slechter dan dichter bij de grond. Voor kleine buitenruimtes geldt bovendien dat deze vooral gebruikt worden voor de activiteit ‘zitten’, waarbij al zeer snel windhinder wordt ervaren. Op hoog gelegen buitenruimtes is dan ook altijd afscherming nodig en zelfs dan is het windklimaat alleen aangenaam zijn bij relatief gunstige windcondities. De aanwezige loggia’s bieden de benodigde afscherming door hun inpandige ligging en de aanwezigheid van dichte borstwering. Bewoners passen hun gedrag aan aan het windklimaat door niet buiten te zitten bij ongunstige wind en/of dicht achter de afscherming te gaan zitten.

4.2.5 Bezonningsstudies Naast dat hoogbouw kan zorgen voor windhinder, beïnvloedt het ook de zonlichttoetreding in de omgeving. Om de gevolgen van deze schaduwwerking in beeld te brengen is een bezonningsonderzoek uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn als bijlage 3 bij deze toelichting gevoegd. Bezonningstudie Er bestaan in Nederland geen formele wettelijke normen en eisen ten aanzien van de bezonning voor bebouwing. Gemeentes zijn daarom vrij om een eigen invulling te geven aan de eisen met betrekking tot bezonning. De gemeente Tilburg hanteert als uitgangspunt de zogenaamde ‘Haagse’ norm: waarbij men er van uitgaat dat er tenminste twee bezonningsuren per dag mogelijk zijn in de periode van 19 februari tot 21 oktober, uitgaande van een zonhoogte van meer dan 10 graden. Hiervoor zijn er de volgende dagen van de 4 seizoenen maatgevend: <0000> 22 december: de dag dat de zon het laagst staat; (geen invloed bij toets aan de Haagse norm) <0000> 21 juni: de dag dat de zon het hoogst staat;

Binnenstad 2010, 12e herziening (Pieter Vreedeplein)

22

<0000>

<0000>

21 maart: de dag dat de zon op ‘half’ staat, namelijk precies tussen de stand van 22 december en 21 juni in (zomertijd); 23 september: de dag dat de zon op ‘half’ staat, namelijk precies tussen de stand van 21juni en 22 december in (wintertijd);

Bij het analyseren van de Haagse norm zijn ook de volgende data van belang; <0000> 19 februari: de eerste dag van de Haagse norm <0000> 21 oktober: de laatste dag van de Haagse norm De volgende tijdstippen worden gehanteerd: 9.00 uur, 12.00 uur, 15.00 uur, 18.00 uur. Op 22 december is 18.00 uur niet relevant, omdat de zon dan al onder is. In juni is 20.00 uur ook relevant. Voor de (globale) bezonningsstudie zijn vier scenes aan het Pieter Vreedeplein onderzocht waarbij de realisatie van het woongebouw aan het Pieter Vreedeplein invloed heeft. Per datum, tijdstip en scene is er een vergelijk opgesteld tussen huidige situatie en stedenbouwkundige studie. Aanvullend zijn bezonningsbeelden toegevoegd aan de ‘lange zijde laagbouw haak’: de uren 13.00, 14.00, 16.00 en 17.00 uur. En voor de hoge toren (Pieter Vreedeplein zijde) 10.00 en 11.00 uur. Tevens is bekeken of het woongebouw effect heeft op het (nieuwe) Hendrikhof en het Piusplein. Dit is niet het geval. Beide situaties liggen ten zuiden van het woongebouw. 1. De Heuvel: De studie laat zien dat het woongebouw minimale invloed heeft op de bezonning op het plein de Heuvel. De bezonning op het plein is nagenoeg hetzelfde. Slechts op 21 juni na 18.00 geeft het woongebouw extra schaduw op het plein. Dit heeft geen consequenties voor de terrassen van de horeca faciliteiten op het plein.

Alleen een deel van het vaste meubilair op het plein (de lange bank op de groenstroken) ligt na 18.00 uur in de schaduw. Uit deze bezonningsstudie blijkt globaal dat aan de gehanteerde ‘Haagse’ norm op de gehanteerde momenten wordt voldaan. 2. Lange zijde laagbouw haak; achterzijde naastliggende bebouwing (Five Guys): De studie laat zien dat het woongebouw op 21 maart, 23 september en 22 december, 19 februari en 21 oktober een schaduwverloop (11:00 – 16:00) over de appartementen van de lange zijde laagbouw haak geeft. Op 21 juni zorgt het woongebouw niet tot een schaduwwerking. Alle appartementen van de lange zijde laagbouw haak blijven – zo volgt uit een nadere beschouwing in de studie – voldoen aan de ‘Haagse’ norm. De studie laat verder zien dat het woongebouw op 21 maart, 21 juni, 23 september, 22 december, 19 februari en 21 oktober een schaduwverloop geeft over de buitenruimtes aan de achterzijde van de naastliggende bebouwing (Five Guys) (13:00 – 20:00), maar dat leidt er niet toe dat de ‘Haagse’ norm niet meer gehaald wordt. 3. Toren en korte zijde laagbouw haak De studie laat zien dat het woongebouw op 21 maart, 23 september, 22 december, 19 februari en 21 oktober een schaduw verloop (08:00‐ 12:00) geeft op de appartementen van de toren en korte zijde laagbouw haak.

Voor de appartementen in de korte zijde van de laagbouwhaak kan niet meteen worden gezien of deze twee bezonningsuren hebben op 21 maart, 23 september, 19 februari en 21 oktober. Bij wijze van nader onderzoek is per 30 minuten een beeld gemaakt zodat de invloed van het woongebouw nauwkeuriger bekeken kan worden. De studie laat zien dat het woongebouw op 19 februari en 21 maart een schaduwverloop geeft tussen 8:00 en 12:00 op de toren en korte zijde laagbouw haak. Op 23 september en 21 oktober geeft het woongebouw tussen 7:00 en 11.30 een schaduwverloop op de toren en korte zijde laagbouwhaak. Op de dagen dat het woongebouw wel leidt tot een schaduwwerking is het zeker niet zo dat de schaduwwerking louter door het woongebouw wordt veroorzaakt. Door omliggende bebouwing wordt meer schaduw veroorzaakt wat niet vreemd is in een dergelijke stedelijke omgeving. Voor alle appartementen in de Korte zijde laagbouw haak geldt in elk geval dat zij ook op de meest kritische momenten minimaal 1 tot 1,5 uur zon ontvangen, de meeste appartementen grote delen van het jaar wel minimaal 2 uur zon ontvangen op de gevel en al deze appartementen blijven voldoen aan de eisen uit het Bouwbesluit wat betreft daglicht toetreding. 4.

Naastgelegen bebouwing

Binnenstad 2010, 12e herziening (Pieter Vreedeplein)

23

Het woongebouw heeft geen invloed op de bezonning van de gevel aan de Pieter Vreedeplein zijde van de naastgelegen bebouwing. Het woongebouw geeft een schaduwverloop over het Pieter Vreedeplein op 21 maart, 19 februari en 21 oktober (09:00 – 15:00). Op 21 juni, 23 september en 22 december geeft het woongebouw een plaatselijk schaduwverloop over het plein (Pieter Vreedeplein) vanaf 12:00. Uit de bezonningsstudie blijkt dat het woongebouw een beperkte extra schaduwwerking op omliggende gebouwen oplevert. Dit is in beeld gebracht voor de relevante locaties. Uit deze bezonningsstudie blijkt dat de gehanteerde ‘Haagse’ norm op de gehanteerde maatgevende momenten op bijna alle locaties gehaald wordt. Alleen een aantal appartementen aan de Korte zijde laagbouw haak zouden niet meer voldoen aan de ‘Haagse’ norm. Van een onaanvaardbare verslechtering van de bezonning is echter geen sprake om de navolgende redenen: <0000> Het betreft een locatie in het centrum van Tilburg waar meer hoogbouw staat. In een dergelijk gebied mag minder bezonning verwacht worden dan in een open gebied. <0000> De ontwikkeling van het woongebouw betreft een gewenste ontwikkeling waar in beleid voor de Tilburgse binnenstad al op voorgesorteerd is en leidt tot een verbetering van het gebied, dat nu een braakliggend stuk grond betreft aan het Pieter Vreedeplein.

<0000> Voor nagenoeg alle omliggende appartementen leidt het woongebouw niet tot het niet meer voldoen aan de ‘Haagse’ norm, met uitzondering van enkele appartementen aan de Korte zijde laagbouw haak. Voor alle appartementen in de Korte zijde laagbouw haak geldt in elk geval dat zij ook op de meest kritische momenten minimaal 1 tot 1,5 uur zon ontvangen, de meeste appartementen grote delen van het jaar wel minimaal 2 uur zon ontvangen op de gevel en al deze appartementen blijven voldoen aan de eisen uit het Bouwbesluit wat betreft daglicht toetreding. <0000> De afstand van het mogelijk gemaakte woongebouw en de appartementen aan de Korte zijde laagbouw haak bedraagt minimaal 30 meter, hetgeen een behoorlijke afstand is. Voor wat betreft de loggia’s bij de appartementen is om dezelfde redenen geen sprake van een onaanvaardbare verslechtering van de bezonning. Aanvullende bezonningsstudie Op 27 juni 2023 is door Peutz een aanvullend bezonningsonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 4). Het onderzoek is gericht op de beoordeling van de bezonning bij de, op basis van eerdere onderzoeken, geïdentificeerde, meest kritische woningen in het gebied, te weten de tegenover het bouwplan gelegen appartementen.

In het onderzoek zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: Er is getoetst aan aan de door de gemeenteraad in het hoogbouwbeleid vastgelegde bezonningsnorm, te weten de Haagse bezonningsnorm. Deze norm is vastgelegd in RIS 170509 d.d. 9 februari 2010 en heeft een aantal specifieke kenmerken: <0000> Toetsingsdatum 19 februari (overeenkomend met 21 oktober). <0000> Minimale zonshoogte 10°. <0000> Minimale potentiële bezonningsduur 2 uur Hierbij gelden de volgende aanvullingen: <0000> Meetpunt op 0,75 meter hoogte in het midden van de gevel van de onderste woonlaag. <0000> Bezonningsduur ter plaatse van voor‐ en achtergevel bij elkaar optellen. <0000> Geen verdere verslechtering in situaties met minder dan 2 mogelijke zon‐uren. <0000> Bij dakopbouwen: maximale afname bezonningsduur 50% (excessenregeling). <0000> Weergave bezonningsduur en afname in tabelvorm. <0000> De norm is van toepassing bij de onderste woonlaag van bestaande woningen; de gevels van nieuwbouw behoeven niet onderzocht te worden. <0000> Voorts is de norm van toepassing op openbare en semi‐openbare ruimten met een recreatieve functie alsmede bij buitenruimten bij scholen en kindercentra. Er is hier in de berekening van de bezonningsduur sprake van voldoende bezonning indien meer dan 50% van de oppervlakte in de zon ligt.

Er zijn meetpunten geplaatst op 0,75 m hoogte in het midden van de meest kritische gevels van de onderste woonlaag. Er zijn punten geplaatst op zowel de voor‐ als achtergevel van de woningen. Voor de volledigheid zijn ook punten geplaatst op de twee woningen op de tweede woonlaag. Dit omdat uit eerder onderzoek

Binnenstad 2010, 12e herziening (Pieter Vreedeplein)

24

bekend is dat juist deze woningen de bezonning het meest kritisch is. Omdat de woningen op de tweede woonlaag een breedte hebben van drie stramienen liggen deze verschoven van de meetpunten op de eerste woonlaag, waar de woningen twee stramienen breed zijn.

Figuur: overzicht meetpunten Uit de resultaten blijkt dat de bezonning op de meest kritische woning op de onderste woonlaag uitkomt op 2:00 uur. Er is sprake van een significante achteruitgang van de mogelijke bezonningsduur ten opzicht van de huidige, maar er wordt voldaan aan de Haagse bezonningsnorm. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ook gekeken naar de bezonning van de twee woningen op de tweede woonlaag. Uit de resultaten blijkt dat de bezonning op de meetpunten op deze woningen terugloopt tot 1:35 uur. Hierbij worden een aantal kanttekeningen geplaatst: <0000> De periode waarin de bezonning onder de norm valt is relatief beperkt. Vanaf 21 maart is er minimaal 2 uur zon mogelijk. <0000> In binnenstedelijke situaties zijn er veel woningen die, ook zonder de aanwezigheid van hoogbouw in de buurt, door de hoge bebouwingsdichtheid niet voldoen aan de Haagsee norm. <0000> Er worden regelmatig noord‐zuidgerichte woningen gebouwd die per definitie niet voldoen aan de Haagse bezonningsnorm of andere gebruikte normen. Dit geldt bij voorbeeld voor de appartementen aan de noordzijde van de woontoren die het bestemmingsplan mogelijk maakt. Afwegingscriteria Uit het bezonningsonderzoek blijkt dat voor 2 woningen een afname van bezonning plaatsvindt, waarbij geen sprake meer is van voldoende bezonning in het kader van de Haagse norm.

Het betreft 2 woningen op de 2e woonlaag van het bestaande woningbouwcomplex aan het Pieter Vreedeplein. Voor deze woningen is afgewogen dat deze wijziging niet onevenredig in verhouding is met de tot het plan te dienen doelen, zoals het belang van extra woningen op deze locatie. In de Handreiking hoogbouw 2017, reparatie juni 2023, is de Haagse Norm de basis waaraan een nieuwe ontwikkeling wordt getoetst. Voor deze ontwikkeling wijken wij af van de Haagse Norm en daarmee van de Handreiking Hoogbouw. In de Handreiking hoogbouw is opgenomen dat gemotiveerd afwijken van deze norm mogelijk is, indien het plan kwalitatief en/of kwantitatief bijdraagt aan de verdichtingsopgave voor woningen binnen de bestaande stedelijke contouren én een acceptabel woon‐ en leefklimaat voor de directe omgeving is gewaarborgd. De nieuwe ontwikkeling is gelegen in een centrumstedelijke verdichtingslocatie, waarbij wordt gestreefd naar intensivering van het ruimtegebruik. In een dynamische, intensief bebouwde omgeving kan niet altijd worden voldaan aan de bezonningsnorm. In een stedelijke omgeving kunnen andere eisen worden gesteld aan bezonning en lichtinval dan in een omgeving met een ruime opzet. Daarnaast is de waardering van de openbare ruimte een steeds belangrijker onderwerp bij de ontwikkeling van de stad.

De vergroening, verduurzaming en hoogwaardige materialisering, alsmede en het terugdringen van de automobiliteit getuigen daarvan. De toegenomen gebruikswaarde en kwaliteit van de openbare ruimte kan, met name in de intensief bebouwde delen van de stad, een goed alternatief vormen voor bezonning van individuele woningen.

Binnenstad 2010, 12e herziening (Pieter Vreedeplein)

25

In dit geval liggen de woningen aan het Pieter Vreedeplein dat op termijn zal worden vergroend. Daarbij is de periode waarin de bezonning onder de norm valt relatief beperkt. Vanaf 21 maart is er minimaal 2 uur zon aanwezig. Hiermee is sprake van een acceptabel woon‐ en leefklimaat. Het plan levert een grote bijdrage aan de woningbouwopgave: er worden 130 woningen toegevoegd. Aanpassing van het gebouw is niet gewenst om de volgende redenen: <0000> De hoogte, het silhouet en de opbouw van het gebouw zijn zorgvuldig gekozen en ontworpen en het gevolg diverse stedelijke en omgevingsuitgangspunten. Die uitgangspunten zijn: <0000> De inpassing in het hoogbouwsilhouet: de woontoren is gelijkwaardig aan de Weverij toren met dezelfde hoogte. Samen spannen ze de nieuwe winkelas Frederikstraat van het Kernwinkelgebied op. Bij een lager gebouw zou die verwantschap minder helder zijn. <0000> De opbouw van de toren in plint, lijf en kroon. Deze opbouw is zeer zorgvuldig ontworpen teneinde vanuit andere diverse locaties (o.a. Heuvelplein, Heuvelstraat, Magazijnstraat en Frederikstraat) een samenhangend silhouet van de toren waar te nemen. Een slanker of anders gevormd gebouw is vrijwel geen optie zonder deze stedelijke belangen geweld aan te doen. <0000> Daarin is tevens rekening gehouden met privacy van en zicht vanuit de nabij gelegen bestaande Pieter Vreedetoren (op o.a.

de Heuvelse kerk). Deze belangen betreffen meer appartementen dan de appartementen in kwestie. <0000> Aanpassing van de woontoren zou strijd geven met deze uitgangspunten. <0000> Deze uitgangspunten dienen grotere en meer belangen dan die van de appartementen in kwestie. <0000> De aanpassingsmogelijkheden van de toren zijn dermate beperkt dat het effect daarvan zeer gering is en niet zal resulteren in meer dan 2 uren bezonning voor de appartementen in kwestie. Het belang van het nieuwbouwplan is in dit geval groter dan het belang van de bezonning van een klein aantal van de bestaande woningen. Hierbij wordt in overweging genomen dat nog steeds sprake is van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat, aanpassing van het gebouw ongewenst is en de ontwikkeling in kwalitatieve en kwantitatieve zin een bijdrage levert aan de verdichtingsopgave in de stad. Bezonning is geen noodzakelijke randvoorwaarde voor een goede woon‐ en leefklimaat. Dat is ook de reden dat bezonning niet is opgenomen in enige nationale of gemeentelijke wet‐ of regelgeving. Indien de totale belangenafweging daarom vraagt, kan dan ook af worden gewken van de bezonningsnorm.

4.2.6 Welstand Ingevolge de woningwet moeten bouwplannen worden getoetst aan ´redelijke eisen van welstand´. Naast het bestemmingsplan is het welstandsbeleid een middel om de ruimtelijke kwaliteit van de publieke omgeving te waarborgen bij de vele bouwplannen die in de stad worden gerealiseerd. Sinds 1 juli 2004 moet iedere gemeente de gehanteerde welstandscriteria vastleggen in een Welstandsnota, die door de raad moet worden vastgesteld. In Tilburg is dat in juni 2004 gebeurd, onder de titel ´Welstandsnota 2004. Meer aandacht waar dat moet, meer vrijheid waar dat kan´. Op 19 december 2011 heeft de gemeenteraad besloten tot actualisering van de Welstandsnota 2004. Op 15 november 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders ingestemd met de actualisatie van deze Welstandsnota 2012. De geactualiseerde nota is op 1 januari 2017 in werking getreden. Verder heeft de raad in mei 2011 besloten om een omgevingscommissie in te stellen. Deze commissie is op 1 januari 2012 van start gegaan en vervangt drie voormalige adviescommissies, te weten de Welstandscommissie, de Monumentencommissie en de Adviescommissie Stedelijk Groen. Voor dit plan heeft overleg plaatsgevonden met de Omgevingscommissie. De Omgevingscommissie heeft op 2 maart 2022 het plan akkoord bevonden. In navolging op de eerdere adviezen brengt de commissie een positief advies uit.

Het betreft hier een zeer complexe opgave (plek, programma) en de toren zal een grote impact hebben op de beleving van de binnenstad. De commissie waardeert de opbouw van de toren en de ontwerpthema’s die worden ingezet. Het plan heeft gedurende het ontwerpproces aan kracht en kwaliteit gewonnen. Zo is de verschijningsvorm van de kroon (8 verdiepingen) verzacht bezien vanuit de oostzijde, de scheiding tussen de verschillende gebouwdelen is versterkt, de dieptewerking en detaillering van de gevels is geoptimaliseerd.

Binnenstad 2010, 12e herziening (Pieter Vreedeplein)

26

4.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg 4.3.1 Historische geografie Het plangebied ligt op de noordoostelijke rand van het plateau waarop de oudste akkergronden van Tilburg lagen. Deze akkergronden, waartoe ook de Heuvelse Akkers en De Schijf behoorden, strekten zich uit vanaf de Heuvel tot voorbij de Ringbaan West. Langs de rand van het akkercomplex lagen de belangrijkste nederzettingen waaronder Veldhoven, Korvel, Berkdijk, Kerk en Heuvel. De Heuvelse Akkers, grofweg het gebied tussen de Spoorlaan, Heuvel, Heuvelstraat en Langestraat, behoren tot de 'oudere' ontginningen in het huidige centrumgebied. Over de exacte ouderdom is echter nog niets bekend. Hoogstwaarschijnlijk werd hier al in de vroege middeleeuwen geakkerd en mogelijk al sinds de bronstijd gezien de aanwezigheid van een grafveld ter hoogte van de Jan Aartestraat. De Heuvelse Akkers waren gedurende lange tijd in handen van de abdij van Tongerlo die hier al zeker sinds de veertiende eeuw een hoeve hadden. De Heuvelstraat is onderdeel van een prehistorische route door het gebied en wordt in de Middeleeuwen een belangrijk onderdeel van de lintenstructuur tussen de herdgangen Kerk en Heuvel. De route wordt tussen 1656 en 1659 bestraat en heeft in die periode aan weerszijden van de straat spaarzame, veelal agrarische bebouwing die zich steeds meer verdicht.

In 1863 wordt ten noorden van het plangebied de spoorlijn aangelegd en een station gebouwd. Het tussenliggende gebied verstedelijkt in de daaropvolgende decennia in hoog tempo waarbij de straatwanden van de Heuvelstraat nagenoeg dicht gebouwd worden. De gebruiksfuncties wijzigen in hoog tempo van agrarisch naar detailhandel. Tussen 1848 en 1853 neemt dankzij een stijgende binnenlandse afzet het aantal Tilburgse textielfabrieken toe van 58 naar 73. Van de 197 Nederlandse textielfabrieken stonden er in 1871 144 in Noord‐Brabant, waarvan 125 in Tilburg. Bovendien wordt omstreeks 1850 naar Engels en Duits voorbeeld een nieuw van stoomkracht voorzien fabriekstype geïntroduceerd, bestaande uit twee of drie, later vier of vijf bouwlagen. Aan de achterzijde van de lintbebouwing aan de zijde Heuvel‐Kerk (Noordstraat‐Nieuwlandstraat‐Oude Markt‐Heuvelstraat‐Heuvel) verrijzen in de voormalige tuinen de eerste fabrieken, waaronder ter hoogte van het huidige Pieter Vreedeplein de fabriek van G.C. van Spaendonck. Tot circa 1860 was een groot deel van de binnenstad van Tilburg niet of nauwelijks verstoord door grootschalig grondverzet en/of bebouwing. Dat veranderde met de aanleg van de wijk Heuvelse Akkers, ten oosten van onderhavig plangebied, op de voormalige akkergronden van de abdij van Tongerlo (na 1860).

Omstreeks 1920 wordt het gebied ten zuiden van de spoorlijn en het station door de nieuwe stadsaanwas onderdeel van het centrum. Dit heeft onder meer tot gevolg dat de winkelfunctie van het gebied wordt versterkt. Vele woonhuizen, met name in de doorgaande straten, worden in de volgende jaren op straatniveau van een winkelpui voorzien. Na 1960 krijgt de as Oude Markt‐Heuvel een echte city‐functie, hetgeen onder meer leidt tot de bouw van grote warenhuizen door landelijke winkelketens. De grootscheepse sanering van de textielindustrie sinds 1960 heeft geleid tot vrijwel algehele sloop van de fabrieken in dit stadsdeel. Niet alleen faillissementen, maar ook overplaatsingen naar het nieuwe industrieterrein Tilburg‐Noord liggen aan de sloopactiviteiten ten grondslag. De wolwasserijen verdwenen deels door verminderde afzet, maar vooral ook vanwege de steeds hogere milieueisen. De meeste terreinen zijn door de gemeente in het kader van de stadsvernieuwing opgekocht, waarna de bebouwing verwijderd werd ten faveure van onder meer de aanleg van het Pieter Vreedeplein. 4.3.2 Archeologie Binnen, dan wel in de directe nabijheid van het plangebied, zijn geen terreinen gelegen die zijn opgenomen in de Archeologische Monumenten kaart (AMK) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).

Het plangebied is voorts niet nader gewaardeerd op de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW). Op de Archeologische Waarschuwingskaart Tilburg (ArWaTi) is het plangebied gelegen in een zone met een hoge archeologische verwachting. Binnenstad 2010, 12e herziening (Pieter Vreedeplein)

27

In 2008 werd door Fontys Hogescholen/BILAN een Archeologisch en cultuurhistorisch bureauonderzoek 2008 voor het gebied binnen de cityring uitgevoerd. Voorts heeft SWECO in 2017 een Archeologisch onderzoek 2017 uitgevoerd voor de locatie Emmapassage / kernwinkelgebied Tilburg, mede inhoudende een historisch onderzoek bebouwing en gebruik. Het plangebied maakt deel uit van deze onderzoeken. Betreffende rapportages zijn als Bijlage 5 en 6 aan onderhavige toelichting gehecht. De herontwikkeling en herinrichting van het Pieter Vreedeplein rond 2007 maakt dat dit gebied grotendeels zwaar verstoord is, hetgeen is weergegeven in figuur 17 'Indicatieve verstoringskaart van het plangebied'. Om vast te stellen of de toekomstige werkzaamheden binnen het plangebied geen bedreiging vormen voor eventueel aanwezige archeologische waarden, is een verkennend verstoringsonderzoek uitgevoerd. Op basis van dit onderzoek heeft het overgrote deel van het plangebied een hoge archeologische verwachtingswaarde. Binnen de gebieden met een hoge verwachting wordt geadviseerd grondroerende werkzaamheden onder archeologische begeleiding uit te voeren.

Gezien het huidige gebruik en de locatie binnen de historische kern is het reguliere AMZ‐traject van het eerst uitvoeren van inventariserend en/of karterend veldonderzoek en op basis van de resultaten daarvan een vervolgstrategie vaststellen, mogelijk nog zinvol.

Uitsnede verwachtingskaart plangebied Emmapassage In de planregels wordt een dubbelbestemming Waarde ‐ Archeologie opgenomen. 4.3.3 Cultuurhistorie Per 2 november 2012 is het de binnenstad van rijkswege als beschermd stadsgezicht aangewezen: 'Gezicht Stadskern Tilburg'. Het gebied is van belang vanwege de historische structuur waarbij het pre‐stedelijke lintennetwerk in de loop van de twintigste eeuw werd opgenomen in de snel verstedelijkende omgeving. Verder is het gebied een staalkaart van de vele eclectische en nieuwe bouwstijlen die in de periode 1850‐1940 in zwang waren. Onderhavig plangebied is het binnen dit beschermde stadsgezicht gelegen. In het moederplan 'Binnenstad 2010' is het beschermd stadsgezicht voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde ‐ Cultuurhistorie'. Deze dubbelbestemming bevat regels met betrekking tot Historische structuren. Het plangebied betreft een voormalig expeditieterrein en is geheel onbebouwd. Binnen het plangebied zijn geen objecten aanwezig die op grond van de Monumentenwet 1988, dan wel de Monumenten‐ verordening

Binnenstad 2010, 12e herziening (Pieter Vreedeplein)

28

gemeente Tilburg zijn aangewezen als beschermde monumenten. Ook anderszins is binnen het plangebied geen sprake van cultuurhistorisch waardevolle elementen. Omdat het plangebied in het beschermd stadsgezicht ligt, is het aspect cultuurhistorie middels een dubbelbestemming geborgd in de regels van dit bestemmingsplan. 4.3.4 Conclusie De aspecten archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg vormen geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan.

4.4 Volkshuisvesting 4.4.1 Woonvisie,Woningmarktonderzoek, Kwalitatief Woningbehoefteonderzoek en update stedelijke ontwikkelingsstrategie 2021 Het gemeentelijk woonbeleid volgt primair uit de Woonvisie Tilburg 2015 en de Woonagenda 2020‐2025. Hierin staan de thema's en trends in het wonen, zijn actuele knelpunten geduid en zijn de woonopgaven voor de komende jaren benoemd. In de woonvisie en woonagenda wordt ingezet op de samenstelling en kwaliteit van de bestaande woningvoorraad. Daarnaast blijft de nieuwbouwopgave voor Tilburg belangrijk vanwege de natuurlijke groei, gezinsverdunning en migratie. Betaalbaarheid van Wonen Met de Woonagenda 2020‐2025 en het recent vastgestelde Addendum op deze Woonagenda zetten we stevig in op de betaalbaarheid van Wonen. Omdat het hier een planontwikkeling betreft die ruim voor de vaststelling van Woonagenda en/of Addendum is gestart, is voor deze ontwikkeling geen afspraak gemaakt over een aandeel sociale (en of middeldure) huur. Er is geen aanleiding geweest hierover in een later stadium alnog afspraken te maken. Daarom wijkt het programma af van huidig beleid. Woonadvies specifiek voor plangebied Voor alle woningmarktgebieden zijn gebiedsprofielen opgesteld. Het plangebied maakt onderdeel uit van de Binnenstad Oost. Een buurt die zeer vergelijkbaar is met de westelijke binnenstad.

Het aandeel eenpersoonshuishoudens in de gehele binnenstad met meer dan 70% is groot in vergelijking met andere wijken en buurten. Er zijn kansen zo blijkt uit het gebiedsprofiel om de vraag naar binnenstedelijk wonen beter te benutten en er ligt een uitdaging in de binding van koopkrachtige huishoudens. De voorgestelde ontwikkeling sluit hierop aan. Gezien de toenemende vergrijzing adviseren we de appartementen levensloopbestendig en nultreden uit te voeren. Als uitgangspunt voor alle nieuwbouwprojecten in Tilburg geldt dat het Politiekeurmerk dient te worden toegepast en dat certificering plaatsvindt, zowel op woningniveau als op het niveau van de woonomgeving.

4.5 Groen en speelruimte 4.5.1 Bomenbeleid Tilburg Bomenverordening 2021 De Bomenverordening Tilburg 2021 biedt het particuliere en het gemeentelijke bomenbestand bescherming door middel van een velverbod met bijbehorende regels. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in een normaal en hoog beschermingsregime. Ook de compensatieverplichting maakt onderdeel uit van deze verordening. Boomwaarde zoneringskaart 2021 (BWZ-kaart) Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare en particuliere houtopstanden binnen de gemeente Tilburg. Op de BWZ‐kaart krijgen bomen een waarde toegekend; zones met houtopstanden met een klimaat‐ , eco‐,hoofd‐, neven of basiswaarde en daarnaast is er de buiten‐zone. Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a. met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen (bescherming tegen vellen), herplantplicht enstraatbeeld.

Binnenstad 2010, 12e herziening (Pieter Vreedeplein)

29

Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen (GLMB) Het hebben van een GLMB zorgt ervoor dat deze bomen voldoende juridische bescherming hebben via de Bomenverordening Tilburg 2021. Daarnaast krijgen deze bomen de hoogste prioriteit bij beheer en onderhoud. Wet natuurbescherming (buiten grens bebouwde kom) In de gemeente Tilburg heeft de gemeenteraad de bebouwde kom ex artikel 4.1 Wet natuurbescherming (Wnb) vastgesteld. Voor bepaalde groepen houtopstanden die buiten deze komgrens staan, geldt op grond van de Wnb een verplichting. Bij velling in groepen houtopstanden met een grootte van meer dan 10 are of bij velling in een rij van meer dan 20 bomen, geldt een meldplicht aan Gedeputeerde Staten (GS) van de Provincie Noord‐Brabant. Daarnaast geldt een herplantplicht. Het college van Gedeputeerde Staten kan een velverbod opleggen. Als er geveld gaat worden, dan is er op grond van de Wnb de eis, dat er ook weer een gelijk aantal houtopstanden terug wordt geplant. Bos dat wordt gekapt, moet worden herplant. Als dat niet op dezelfde plaats kan, dan zal hiervoor ontheffing aan GS moeten worden gevraagd en elders (compensatie op grond van de Wnb) moeten worden herplant. De houtopstanden waarop de Wet natuurbescherming van kracht is, liggen in de zogenaamde Buiten‐zone (van de BWZ‐kaart). Daar kan daarnaast ook een gemeentelijk velverbod op grond van de Bomenverordening gelden.

Beide regelingen kunnen dus naast elkaar van toepassing zijn. Maatregelen in bestemmingsplan De BWZ‐kaart dient gebruikt te worden als basis bij alle nieuwbouw‐, herontwikkelings‐ of herstructureringsplannen waar bestaande houtopstanden mee gemoeid zijn. Bomen met een klimaat‐, eco‐ en hoofdwaarde en monumentale bomen zijn op deze BWZ‐kaart opgenomen. De juridisch‐planologische bescherming bestaat uit een bouwverbod en een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen een straal van 15 meter uit het hart van de desbetreffende boom. In dit geval zijn op de planlocatie en in de aangrenzende omgeving geen bomen aanwezig.

4.5.2 Nota Groen De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is. Tilburg moet een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon‐ en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente. Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen. Op hoofdlijnen betekent dit: 1. Inzet op buitenstedelijke groengebieden en het groene netwerk; 2. het tot zijn recht laten komen van de verschillende karakters van het groen (klassiek‐, recreatief‐ en natuurlijk groen); 3. het versterken en behouden van het natuurlijk groen. In 2012 is het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit vastgesteld. In dit programma wordt aanvullend op de agenda groen o.a. aangegeven hoe de ambities op het gebied van groen en biodiversiteit de komende jaren geprioriteerd zijn.

4.5.3 Nota biodiversiteit Biodiversiteit omvat de totale verscheidenheid van alle levende planten en dieren op aarde. De biodiversiteitneemt wereldwijd af. Het doel van de nota, vastgesteld door de raad op 19 juli 2010, is de biodiversiteit in de gemeente Tilburg te verhogen en beter tebeschermen. De visie is gericht op twee niveaus. Het eerste niveau is de flora & fauna, het tweede niveau is gericht op de mensen. Voor de flora en fauna wordt ingestoken op drie strategieën, namelijk vergroten, verbinden en versterken. Voor de realisatie van duurzame habitatnetwerken zal vaak gekozen worden voor een combinatie van deze strategieën. In de eerste plaats is dat het vergroten van leefgebieden. In de tweede plaats kan een duurzaam netwerk ontstaan door gelijksoortige leefgebieden met elkaar te verbinden. Tenslotte kan ingezet worden op het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden. Voor de mensen is natuurbeleving vooral ook van belang in de stad. Door middel van de groene lijnen en de groene gebieden in de stad, kunnen we dicht bij huis ook genieten van de natuur. Als de groene lijnen en groene gebieden helemaal op orde zijn kunnen de planten en dieren tot in de tuin of op het balkon waargenomen worden. In de nota worden vijf verschillende landschapstypen onderscheiden (agrarisch landschap, beekdallandschap,

Binnenstad 2010, 12e herziening (Pieter Vreedeplein)

30

heide‐ en boslandschap, landgoederenzone en stedelijk gebied). Per landschapstype wordt een algemene beschrijving gegeven met bijbehorende doelstellingen, maatregelen en knelpunten. Doelstellingen nota biodiversiteit 1. De achteruitgang van de biodiversiteit stoppen vanaf 2010, voor het buitengebied én het bebouwde gebied. In het voorjaar van 2010 is met een nulmeting bepaald aan de hand van de flora en faunagegevens die voor handen zijn. Hierna kan jaarlijks de verandering in de biodiversiteit worden bijgehouden. 2. Biodiversiteit 'tot aan de voordeur'. Biodiversiteit verhogen in het openbaar gebied waardoor het letterlijk tot aan de voordeur/ de voortuin van de bewoners van Tilburg komt. 3. In 2020 zijn 50% van alle aangeplante bomen en struiken binnen de bebouwde kom ten gunste van de biodiversiteit. Zo veel mogelijk gebruik maken van autochtoon plantmateriaal met een aanvulling van soorten die een bijdrage leveren aan biodiversiteit door middel van bv. nestgelegenheid, voedsel en/of schuilgelegenheid. In 2016 is aanvullend op bovenstaand groenbeleid de 'agenda groen in de stad' vastgesteld (college 19‐07‐2016).

4.5.4 Agenda groen in de stad De agenda groen in de stad (vastgesteld door het college op 19 juli 2016) gaat samen met beheerbeleidsplan Groen op Niveau, en de nota’s groen en biodiversiteit) over de toekomst van groen in de stad. De agenda groen geeft de kaders om de impuls voor groen in de stad goed in te zetten. Het geeft duidelijk richting aan de groene koers voor de in de omgevingsvisie 2040 omschreven netwerken, gebieden en structuren en omvat een integrale visie op het groen voor de (middel)lange termijn gebaseerd op de drie pijlers klimaatbestendige stad, beleefbaar groen en het verhogen van biodiversiteit. Voor het halen van de doelstellingen op het gebied van biodiversiteit is de Stadsnatuurkaart 2040 opgesteld (gekoppeld aan agenda groen in de stad). Inmiddels is deze op 10 maart 2022 geactualiseerd (vastgesteld door de raad).

4.5.5 Stadsnatuurkaart 2040 De Stadsnatuurkaart 2040, vastgesteld door de gemeenteraad op 10 maart 2022, is de actualisatie van de Stadsnatuurkaart die samen met de agenda groen in de stad in 2016 eerder is vastgesteld. Biodiversiteit en natuur zijn belangrijk voor al onze inwoners en de aantrekkelijkheid van de stad. Samen met de Bomenverordening, bijbehorend bomenbeleid en bestemmingsplannen vormt de Stadsnatuurkaart 2040 de beleidsmatige randvoorwaarden en instrumenten die ervoor moeten zorgen dat biodiversiteit in het stedelijk gebied behouden blijft en waar het kan, wordt versterkt. Op de Stadsnatuurkaart 2040 zijn onder meer de ecologische structuren benoemd. Hieraan is een duidelijke maatvoering gekoppeld. Deze maatvoering wordt zowel bij de start van ruimtelijke ontwikkelingen als gedurende het verdere proces meegenomen om zo de ecologische kwaliteit op een juiste manier mee te nemen. De grote ambities en veelheid van belangen die spelen in ruimtelijke ontwikkelingen, maken een heldere en duidelijke structuur en maatvoering voor ecologie wenselijk. In de memo 'inbouwvoorzieningen gierzwaluwen en vleermuizen & groendak' d.d. 26 juni 2023 (bijlage 7) zijn de voorzieningen opgenomen t.a.v. gierzwaluwen en vleermuiskasten in de ontwikkeling. Ten behoeve van vleermuizen worden in totaal vier inbouwkraamkasten ingemetseld in de gevels.

Ten behoeve van gierzwaluwen worden een tiental stuks inbouwstenen gepositioneerd in de oost‐ & westgevel van het gebouw.

4.5.6 Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie Koel Tilburg We krijgen in Nederland en dus ook in Tilburg te maken met steeds extremer weer. Het gaat vaker en harder regenen, er komen meer en langere hittegolven en de bodem droogt steeds verder uit. De veranderingen gaan gepaard met overlast en schade voor mens en natuur en zet de leefbaarheid van de stad onder druk. Doel van de uitvoeringsagenda (vastgesteld door het college op 30 juni 2020) is bewustwording, gedeeld eigenaarschap en projecten. De gemeente heeft daarnaast een zelfstandige opgave op het gebied van klimaatadaptatie bij eigen projecten, bij het meegeven van randvoorwaarden bij stedelijke ontwikkeling en een rol in het verankeren van klimaatadaptatie in andere beleidsvelden en organisaties. Er zijn zes doelstellingen geformuleerd om klimaatbestendiger te worden: <0000> Een gevarieerd, natuurlijk en vitaal buitengebied;

Binnenstad 2010, 12e herziening (Pieter Vreedeplein)

31

<0000> <0000> <0000> <0000> <0000>

Robuuste groen‐ blauwe structuren; Een koele woonomgeving; Onze nieuwbouw stelt het voorbeeld; Klimaatbestendige bedrijventerreinen; Klimaatbewustwording en Koel gedrag.

Onderstaande beleidsregels geven handvatten en richtlijnen voor een klimaatrobuuste inrichting en ontwerp: <0000> Zorg voor voldoende groen in straten, pleinen en op gebouwen; <0000> Zorg voor ‘koelte‐eilanden’ en koele looproutes; <0000> Zorg dat regenwater infiltreert op de plek waar het valt, dan droogt de bodem niet uit; <0000> Zorg voor waterbergingsruimte om extreme buien op te vangen; <0000> Gebruik groen als basis en verharding waar nodig. In de memo 'inbouwvoorzieningen gierzwaluwen en vleermuizen & groendak' d.d. 26 juni 2023 (bijlage 7) is aangegeven dat de lage daken van het gebouw worden voorzien van een mossedumdak.

4.5.7 Nota Ruimte voor Buitenspelen Naar aanleiding van de ambities uit de Kadernota Jeugd en de behoefte aan algemene voorwaarden ten aanzien van richtlijnen voor de aanleg van speelplekken is de nota Ruimte voor Buitenspelen (2003) opgesteld. Doel van de nota is dat de jeugd als volwaardige medegebruikers van de openbare ruimte wordt geaccepteerd. Spelen is noodzakelijk voor de ontwikkeling van een kind. De nota geeft o.a. een analyse van de formele speelruimte in Tilburg weer. Algemene voorwaarden ten aanzien van speelruimte (veiligheid, bereikbaarheid, spreiding, ruimtegebruik, inrichting) en programmering van de spelenplannen en inrichtingseisen van speelruimte komen aan de orde. Een minimumnorm voor formele speelruimte wordt gesteld om voldoende speelruimte te kunnen garanderen. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen transformatiegebieden (> 50 woningen), nieuwbouw en bestaande bouw. Transformatiegebieden Er worden twee stappen doorlopen: 1. per hectare uitgegeven gebied wordt 300m2 van de ruimte gereserveerd voor formele speelruimte; 2. de huidige grondoppervlakte aan formele speelruimte per kind bedraagt voor Tilburg 7,2m2. Naar aanleiding van het aantal kinderen woonachtig in het transformatiegebied wordt bepaald hoeveel formele speelruimte er in een wijk/buurt gerealiseerd dient te zijn. Nieuwbouw Bij nieuwbouwgebieden wordt uitgegaan van stap 1.

De inrichting van de formele speelplekken wordt gedaan aan de hand van de actieradius voor speelplekken. In de toekomst zal dit wordt gedaan naar aanleiding van gegevens vanuit het woningbouwprogramma waarmee een schatting gemaakt zal kunnen worden van het aantal kinderen dat in de nieuwbouwwijk komt te wonen (dit wordt in het kader van de uitvoering van de nota Ruimte voor Buitenspelen uitgewerkt). Bestaande stad Voor de bestaande stad wordt uitgegaan van een standstill‐situatie. Dit betekent dat het bestaande oppervlak voor buitenspelen niet (verder) mag afnemen. Bij nieuwe stedenbouwkundige plannen dient reeds bij de nota van uitgangspunten (programma van eisen) de speelruimtenormering ‐ zoals hierboven beschreven ‐ te worden meegenomen. Dit geldt zowel voor gemeentelijke als particuliere plannen. Op deze manier worden formele speelplekken al vroegtijdig in het ontwerpproces meegenomen.

4.6 Kantoren 4.6.1 Nota Ruimte voor kantoren In het werklocatiebeleid, toekomstbestendige werklocaties uit 2020 is opgenomen dat de binnenstad van Tilburg behoort tot één van de kantoor concentratiegebieden. Op deze locatie wil de gmeente Tilburg kantoren behouden en versterken.

Binnenstad 2010, 12e herziening (Pieter Vreedeplein)

32

4.6.2 Maatregelen in bestemmingsplan Onderhavige ontwikkeling voorziet niet rechtstreeks in nieuw te ontwikkelen kantoren. Wel wordt de huidige bestemming 'Centrum ‐ Binnenstad' overgenomen uit het geldende bestemmingsplan, waarbij in de bestemmingsomschrijving de aangewezen gronden tevens bestemd zijn voor kantoren, met dien verstande dat er in de regels een maximum vloeroppervlakte van 301 m² voor commerciële ruimtes (waaronder kantoren) is toegestaan. Beleidsmatig behoort de projectlocatie tot één van de kantoor concentratiegebieden van Tilburg.

4.7 Detailhandel 4.7.1 Visie detailhandel Uitgangspunten Met de Detailhandelsvisie 2020 is een helder beleidskader vastgesteld met een onderbouwd en afgestemd toekomstbeeld voor de gewenste Tilburgse detailhandelsstructuur en welke inspanningen nodig zijn om deze gewenste structuur te realiseren. Dit beleid is op te vatten als een thematisch ‘programma’ binnen de omgevingswet, dat zoveel mogelijk gebiedsgericht is opgezet.

Figuur: Hoofdstructuur detailhandel gemeente Tilburg In de detailhandelsvisie wordt de bestaande structuur van winkelgebieden centraal gesteld, winkels dienen zich binnen deze gebieden te vestigen, tenzij er nadrukkelijk redenen zijn om daarvan af te wijken. Daartoe in het beleid omschreven voorwaarden voor maatwerk opgenomen. Winkelen en boodschappen doen Traditioneel kennen we verschillende lagen in de detailhandelsstructuur. Deze gelaagdheid is zowel voor de concept structuurvisie 2040 van Tilburg als deze detailhandelsvisie het uitgangspunt. De Binnenstad is het belangrijkste winkelgebied van de stad, naast een boodschappenfunctie staat recreatief winkelen centraal, het

Binnenstad 2010, 12e herziening (Pieter Vreedeplein)

33

is ook primair het gebied waar winkelbezoek gecombineerd wordt met andere bezoekdoelen zoals, theaterbezoek, evenementen en dergelijke. Bij de wijk, buurt en dorpscentra is de winkelfunctie de basis, maar wordt de ontmoetingsfunctie steeds belangrijker. Voor de linten is de nadruk gelegd op boodschappen doen in combinatie met bezoek aan speciaalzaken. Bij alle gebieden geldt dat – mede als gevolg van de teruglopende behoefte aan winkels – dat een verdere menging van functies mogelijk en wenselijk is. Naast detailhandel zijn dat andere op consumentengerichte functies als kapsalons en adviseurs, maar ook zorgverleners. Grootschalige en perifere detailhandelsvestigingen Naast winkels met het accent op dagelijkse boodschappen of meer recreatief en vergelijkend winkelen zijn er ook verschillende, verspreid gelegen, locaties voor grootschalige en perifere detailhandelsvestigingen die meer doelgericht worden bezocht. Deze bieden ruimte aan winkels die vanwege hun omvang of branche veelal niet passend zijn in andere winkelgebieden. Het gaat hierbij onder andere om bouwmarkten, autobedrijven en woonwinkels.

Winkels op perifere detailhandelslocatie moeten voldoen aan een aantal eisen om zich daar te kunnen vestigen, hiermee willen we voorkomen dat trekkers die voor winkelgebieden als de Binnenstad belangrijk zijn voor het functioneren zoals grote sportzaken of electronicawinkels zich overal kunnen vestigen. Daarom staan we winkels in bepaalde branches niet overal toe en worden er (voor een aantal branches) eisen gesteld aan de minimale oppervlakte van winkels op een perifere detailhandelsconcentratie. Voor alle binnen de bestemming perifere detailhandel toegestane branches geldt een minimale maat van 1.000 m2 wvo voor zover de winkel niet gelegen is binnen een van de perifere concentraties zoals is weergeven in fig. x.x.. Voor winkels wel gevestigd op perifere concentraties blijft de minimale 1.000 m2 gehandhaafd voor de branches Sport‐ en Speelgoed en Wit‐ en Bruingoed/electronica. Voor Woninginrichting geldt daar een minimale omvang van 500 m2 wvo. Voor de branches, keukens, sanitair, doe‐het‐zelf/bouwmarkten wordt geen minimale eis gesteld aan de omvang.

Voor de in het beleid opgenomen perifere concentraties gelden de volgende toegestane branches: AaBe Fabriek: Doe‐het‐zelf/Bouwmarkten, Keukens, Sanitair, Tuincentra, Woninginrichting, Fietsen, Sport en Speelgoed, Wit‐ en Bruingoed/Electronica Vossenberg Oost: Doe‐het‐zelf/Bouwmarkten, Keukens, Sanitair en Tuincentra; Leijendaal: Doe‐het‐zelf/Bouwmarkten, Keukens, Sanitair en Tuincentra, Woninginrichting; Bosscheweg: Doe‐het‐zelf/Bouwmarkten, Keukens, Sanitair en Tuincentra, Woninginrichting; Kraaiven: Auto’s, Boten, Caravans, Fietsen (en motoren) De Groene Kamer: Tuincentra, Sport (cf. collegebesluit 2016) Rugdijk/Stokhasselt: Tuincentra, Doe‐het‐zelf/Bouwmarkten Nieuwe ontwikkelingen Trends, ontwikkelingen, consumentengedrag en de behoefte van retailers krijgen een prominente plek in de Tilburgse detailhandelsstructuur. Met dat in het achterhoofd stimuleren we het behoud en versterking van de bestaande winkelgebieden. Als we de huidige markt willen volgen zullen we incidenteel zeker ook ruimte moeten kunnen bieden aan ontwikkelingen buiten de bestaande locaties. Onze doelstelling is daarmee de kwaliteit en vitaliteit van de bestaande structuur te versterken en te voldoen aan de wens van de consument.

Op trafficlocaties (zoals stations, bedrijventerreinen, ziekenhuizen of andere drukbezochte locaties waar veel mensen om andere redenen dan winkelen komen) blijft een beperkte mogelijkheid voor detailhandel aanwezig. In bijzondere gevallen kan de gemeente detailhandel buiten winkelcentra toestaan, denk aan (zeer) stedelijke gebiedsontwikkelingen waar een menging van functies stellen wenselijk is. Maatregelen bestemmingsplan Dit bestemmingsplan voorziet in detailhandel op de eerste twee bovengrondse verdiepingen van het woongebouw met een maximum bruto vloeroppervlak van 301m2. Met de nieuwe doorsteek in de vorm van de Frederikstraat wordt het Pieter Vreedeplein beter bij het hoofdwinkelgebied rondom de Heuvelstraat betrokken. Bovendien maakt de doorsteek onderdeel uit van een nieuwe noord‐zuidverbinding vanaf de Spoorlaan, via het Pieter Vreedeplein richting de Emma winkelpassage. Daarmee komt de ontwikkeling de gastvrijheid en kwaliteit van het hoofdwinkelgebied ten goede. Deze aspecten staan centraal in het kernwinkelgebied van Tilburg. Winkels in alle branches en in verschillende oppervlakten worden in dit gebied toegestaan.

Binnenstad 2010, 12e herziening (Pieter Vreedeplein)

34

4.8 Horeca 4.8.1 Algemeen De raad heeft op 30 januari 2017 het horecabeleid vastgesteld. Daarin is de volgende doelstelling opgenomen. "Tilburg wil een gastvrije stad zijn. Met het nieuwe horecabeleid willen we een bijdrage leveren aan een horeca-aanbod dat aansluit bij de wensen van de bewoners en bezoekers van de stad. We kiezen voor horeca die een meerwaarde heeft voor de functie van gebieden, om daarmee de gastvrijheid van Tilburg te benadrukken. Daarnaast willen we binnen het beleid ruimte houden voor vernieuwing van het aanbod. De stad realiseert hiermee een horeca aanbod waarvoor mensen nu, en in de toekomst, naar Tilburg komen en er willen verblijven." Ruimte voor vernieuwing/innovatie van het aanbod Nieuwe horeca‐initiatieven moeten de aantrekkelijkheid van bepaalde gebieden vergroten of behouden. Gebieden als de binnenstad en het buitengebied zijn van groot belang voor het woon‐ en leefklimaat en bezoekers, vanwege de vele voorzieningen en mogelijkheden voor recreatie en ontspanning. Door daar in te zetten op (vernieuwende) horeca(concepten) kunnen deze gebieden een grotere waarde krijgen voor inwoners en bezoekers. Onderscheidende horecaconcepten, al dan niet in combinatie met een bijzondere locatie, moeten ruimte kunnen krijgen in Tilburg.

Evenwichtig aanbod Bij het vormgeven van het horecabeleid dient tevens een balans te worden gevonden met andere functies zoals de leefbaarheid in wijken of de mogelijkheid om te ondernemen (in andere sectoren). Ook bij de omvang van het aantal horecagelegenheden moet een balans worden gevonden. Het toevoegen van horeca komt de diversiteit en spreiding van het aanbod ten goede. Bij overaanbod kan het rendement van horecabedrijven onder druk komen staan. Dit kan tot gevolg hebben dat de kwaliteit afneemt en dat daardoor niet voldoende ruimte is voor vervangingsinvesteringen en het investeren in het vernieuwen van het concept.

4.8.2 Horeca-categorieën In het horecabeleid zijn categorieën opgenomen. Zo ontstaat de mogelijkheid om te sturen op de ontwikkeling van horeca die past bij het karakter van het gebied. Denk hierbij aan de wenselijkheid van daghoreca in winkelgebieden en het voorkomen van overlast van horeca die lang geopend is in gebieden waar ook (relatief veel) woningen aanwezig zijn. In het horecabeleid is daarom gekozen voor een nieuwe typering van horeca‐categorieën waarmee aansluiting gezocht wordt bij het belangrijkste bezoekmotief van de consument en waarmee richting kan worden gegeven aan de ontwikkeling van horeca die aansluit bij de kwaliteiten van een specifiek gebied. Categorie 1 (Daghoreca) Horeca inrichting, met openingstijden gerelateerd aan de winkeltijden (daghoreca), niet zijnde een horeca inrichting als bedoeld in categorie II, waar: hoofdzakelijk (kleine etenswaren) en/of dranken worden verstrekt. Voorbeelden zijn: thee & koffie‐concepten, brood & lunchconcepten, ijs & yoghurt concepten. Daarnaast zijn ook concepten zoals omschreven bij categorie III mogelijk indien de openingstijden kunnen worden beperkt. Categorie 2 (Droge horeca): Horeca inrichting waar: hoofdzakelijk kleine etenswaren en/of alcoholvrije dranken worden verstrekt. Voorbeelden zijn aan te merken: fastfoodconcepten, healthy fastfoodconcepten, snackbars, shoarmazaken.

Indien alcohol wordt verstrekt valt het bedrijf in categorie III. Categorie 3 (Eetgelegenheden): Horeca inrichting, niet zijnde een horeca inrichting als bedoeld in categorie II, waar hoofdzakelijk maaltijden worden verstrekt. Voorbeelden zijn: restaurants, pizzeria's, all‐you‐can‐eat‐concepten, café‐restaurant.

Binnenstad 2010, 12e herziening (Pieter Vreedeplein)

35

Categorie 4 (Café - Barconcepten): Horeca inrichting waar: hoofdzakelijk dranken worden verstrekt, en waar eventueel in combinatie daarmee kleine etenswaren worden verstrekt. Voorbeelden zijn: cafés, bars, pubs, bier‐, wijn‐ en cocktailconcepten. Categorie 5 (Uitgaan & Zalen): Horeca inrichting waar: hoofdzakelijk dranken worden verstrekt en entertainment wordt aangeboden, zoals (live) optredens en mechanische muziek. Voorbeelden zijn: clubs, discotheken, feestcafés, uitgaansconcepten, zalen‐ en partycentra, danscafés, karaokebars. Combinatie met (onderdelen) van categorieën III en IV vallen ook binnen deze categorie. Categorie 6 (Verblijfshoreca): Horeca inrichting waar: hoofdzakelijk gelegenheid tot tijdelijk slaapverblijf wordt gegeven, en waar eventueel in combinatie daarmee maaltijden, dranken en/of kleine etenswaren worden verstrekt. Voorbeelden zijn: hotels, motels en pensions. 4.8.3 Gebiedsgerichte horecavisie Tilburg 2023-2027 Met deze horecavisie geeft Tilburg richting aan de gewenste ontwikkeling van horeca voor de komende 5 jaar. Het ontwikkelperspectief met de daarbij behorende gebiedsprofielen vormen de strategische uitwerking van deze visie.

Dit perspectief is het richtinggevend kader waarin we onze stip op de horizon schetsen: De Tilburgse horeca in 2027 creëert met ons samen bruisende plekken voor een groeiende bloeiende stad, biedt een gedifferentieerd aanbod voor een inclusieve stad, komt met vernieuwende initiatieven voor een duurzame stad en zorgt voor balans tussen levendigheid en leefbaarheid. Voor de binnenstad is de volgende ontwikkelingsrichting opgenomen: De Tilburger wordt aangetrokken tot de Binnenstad, die in diversiteit, onderscheidend vermogen en energie het voorbeeld is voor ondernemend Tilburg in de transitie naar meer stedelijke allure. Een Binnenstad die goed te bereiken is voor inwoner en bezoeker, te voet, met de fiets, auto of OV. De Binnenstad leeft overdag en bruist in het weekend. Voor ieder wat wils, maar wel wat te kiezen! De subgebieden van de Tilburgse Binnenstad bieden een gedifferentieerd, verrassend aanbod waarbij ieder gebied een eigen, onderscheidende identiteit heeft. Uniek & creatief aanbod voor rood, luxe & klassiek voor blauw, gezellig & hip aanbod voor geel en laagdrempelig & herkenbaar voor groen. Dit geldt voor zowel de inrichting en sfeer binnen als de uitstraling van het terras.

Door de optimale mix van concepten en sectoren en de aansluiting op de functies van de subgebieden (winkelen, wonen, werken, uitgaan) ontstaat een natuurlijke samenhang van de subgebieden en vormt de Binnenstad een bruisend geheel. Het is belangrijk optimale fysieke verbindingen te creëren tussen de subgebieden met aantrekkelijke looproutes bij binnenkomst in de stad. We zetten in op verkleuren in plaats van toevoegen door stimulatie van zowel eetgelegenheden als borrelcafés en hotels. Toevoeging van horeca op locaties die de natuurlijke loop van het winkelrondje bevorderen is gewenst. De projectlocatie ligt aan het Pieter Vreedeplein. Dit gebied wordt gedomineerd door groene concepten en fastfood en nodigt in mindere mate uit tot langer verblijven. Er is beperkte levendigheid einde middag / begin avond. Met de beoogde ontwikkeling wordt voorzien in de gewenste levendigheid door het toevoegen van woningen in combinatie met commerciële ruimte. Bij een invulling met horeca ontstaat de kans om een nieuw complementair concept toe te voegen aan het winkelrondje. Het nieuwe Frederiksstraatje verbindt het Pieter Vreedeplein en de Emmapassage in een aantrekkelijke winkelroute. Maatregelen in bestemmingsplan In dit bestemmingsplan heeft het woongebouw de bestemming 'Centrum ‐ Binnenstad' gekregen.

Binnen deze bestemming is uitsluitend Daghoreca van categorie I rechtstreeks toegestaan met een maximum

Binnenstad 2010, 12e herziening (Pieter Vreedeplein)

36

vloeroppervlakte van 301m². Daarnaast zijn ook concepten zoals omschreven bij categorie III mogelijk indien de openingstijden kunnen worden beperkt.

4.9 Verkeer en parkeren 4.9.1 Mobiliteitsaanpak Tilburg De 'Mobiliteitsaanpak Tilburg, Samen op weg naar 2040' schetst een toekomst waarin slim en duurzaam vervoer centraal staat. Dat betekent: nieuwe technologieën toepassen, maar ook de gebruiker centraal stellen. Niet als doel op zich, maar om bij te dragen aan een leefbare stad. Daarnaast zetten we in op duurzaamheid: we houden nadrukkelijk rekening met toekomstige generaties. Onze gemeentelijke mobiliteitsaanpak is het vervolg op het Tilburgs Verkeers‐ en Vervoersplan (TVVP). Dat ging vooral over verkeersstromen en vervoermiddelen. In onze nieuwe werkwijze vormt de mens het uitgangspunt: wat hebben onze inwoners, bezoekers en bedrijven nodig om van A naar B te komen? Met onze aanpak willen we meer dan alleen verkeersstromen in goede banen leiden. We willen de kwaliteit van leven in de stad behouden en verbeteren. Mobiliteitsagenda 013 De hoofdlijnen uit de mobiliteitsaanpak zijn nu uitgewerkt in een agenda met concrete maatregelen en opgaven voor de korte, middellange en lange termijn. In een aantal Tilburgse proeftuinen wordt samen met onderwijs, bedrijfsleven en uiteraard de gebruikers gewerkt aan innovaties op het gebied van slimme mobiliteit. Deze MobiliteitsAgenda013 wordt jaarlijks geactualiseerd in september.

4.9.2 Tilburg Fietst!, deTilburgse Fietsagenda 2020 Het Tilburgs beleid voor de fiets ia vastgelegd in “Tilburg Fietst!, de Tilburgse Fietsagenda 2020”, welke door het college is vastgesteld op 8 december 2020. De fietsagenda is één van de vijf uitwerkingen van de Mobiliteitsaanpak Tilburg 2040 (MAT2040) en de MobiliteitsAgenda 013. Hierin is de doelstelling opgenomen dat tweederde van de verplaatsingen binnen de stad in 2040 op actieve wijze plaatsvindt (lopen en fietsen) en een groei van 20% van het aantal gereden fietskilometers in 2027 ten opzichte van 2017. Fietsen is inclusief, draagt bij aan een duurzame stad en is cruciaal in gezondheidspreventie. Daarom kiest de gemeente Tilburg voor de fiets en doet dit consequent. Hierbij wordt ingezet op drie pijlers: fietsinfrastructuur, fietsparkeren en fietsstimulering. De fietsagenda verbindt het Tilburgs fietsbeleid met het Regionaal Fietsbeleidsplan 2016‐2020 (regio Hart van Brabant), met de Samenwerkingsagenda BrabantStad Fiets 2019‐2022 (de vijf Brabantse steden, de provincie NoordBrabant en BUas) en met het landelijke Tour de Force 2e etappe Schaalsprong Fiets (samenwerking tussen het Ministerie van I&W, IPO, VNG/F10, vervoerregio’s en diverse organisaties waaronder de ANWB en de RAI Vereniging).

4.9.3 Agenda voor het stedelijke openbaar vervoer in Tilburg De Tilburgse OV‐agenda vormt een uitwerking van actuele kaders, waaronder de Mobiliteitsaanpak Tilburg (2016), Verstedelijkingsstrategie (2022), Parkeerstrategie (2022) en de Netwerkanalyse (2020). In het bestuursakkoord ‘Meer voor Elkaar’ (2022) is opgenomen dat voor het realiseren van de woningbouwopgave en voor een prettig en gezond verblijfsklimaat een mobiliteitstransitie noodzakelijk is met inzet op hoogwaardig openbaar vervoer voor de lange termijn. Om Tilburg leefbaar en bereikbaar te houden, dient het aantal reizigers in 2040 met een factor 3‐4 te zijn gegroeid ten opzichte van 2019. Om dat te bereiken, zet Tilburg op hoofdcorridors in op Bus Rapid Transit (BRT). Hier reizen inwoners en bezoekers snel en comfortabel over busbanen naar hun bestemming. Aanvullend op BRT worden sterke ontsluitende stads‐ en streeklijnen gehandhaafd. Een hoogfrequente stadslijn door de oude stad van noord naar zuid verbindt de Parkring, het Museumkwartier, Wagnerplein en mogelijk het ziekenhuis en te ontwikkelen transferia in Noord en Zuid. Tenslotte gaan reizigers voor de kleine vervoersbehoeften gebruik maken van flexibele, ondersteunende, toegankelijke diensten. 4.9.4 Netwerkanalyse, de auto-agenda Tilburg

Binnenstad 2010, 12e herziening (Pieter Vreedeplein)

37

De Omgevingsvisie uit 2015, de Mobiliteitsaanpak uit 2016 en TilburgNext uit 2017, sturen in combinatie met een mobiliteitstransitie en een toename van een fors aantal inwoners aan op stedelijke ontwikkeling die bijdraagt aan een vitale, economische sterke, inclusieve en mooie stad om in te wonen en werken. Dit geldt ook voor de binnenstad, dat als nieuw centrum toe moet naar meer bezoekers, meer inwoners en meer verblijfskwaliteit. Dit vergt echter ruimte en die is slechts beperkt beschikbaar. Ten behoeve hiervan is de netwerkanlyse uitgevoerd en vastgesteld door de raad op 1 februari 2021. In de netwerkanalyse is een betere benutting van de buitenring van de stad, voor vracht en doorgaand verkeer, door ene optimalisering van deze routes, opgenomen. Daarnaast is vastgesteld dat de gehele cityring in een kwalitatieve en leefbare openbare ruimte geïntegreerd moet worden, met gegarandeerde bereikbaarheid van de binnenstad voor bewoners, bezoekers en bevoorrading, waarbij er zodanige maatregelen getroffen worden dat er sprake is van een maximumsnelheid van 30km/uur en er uiterlijk in 2023 op de zuidelijke cityring nog maximaal 8.000 auto’s per etmaal rijden; Hiervoor is op 4 oktober 2021 door de raad een aantal concrete, aanvullende, maatregelen vastgesteld die de hoeveelheid verkeer op de cityring in voldoende mate terugbrengt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13496549/1