Bijlage 5 Resultaat sprokkelfase Tilburg in 2050
Tekst van het document
Ten opzichte van het oostelijke deel van de provincie zijn er in het westen van Noord-Brabant minder banen binnen acceptabele reistijd beschikbaar, is er meer werkloosheid, wonen er meer mensen die aangeven moeite te hebben met rondkomen, is de leefbaarheid ongunstiger, voelen mensen zich minder vaak gezond en ervaren zij meer stress. In het oostelijke deel van de provincie is het verschil tussen ‘stad’ en ‘ommeland’ groter: het zijn steeds vooral de niet-stedelijke gemeenten die aan het langste eind trekken. Hier wonen relatief veel vermogende mensen, voelen mensen zich gezonder, is de leefbaarheid het gunstigst en is de sociale samenhang groter. Daarbij lijkt vermogen in Brabant een grotere scheidslijn op het gebied van wonen dan in de rest van Nederland. Opleidingsniveau als scheidslijn Opleidingsniveau is een belangrijke scheidslijn in Brabant – en in veel gevallen een breuklijn. Daarin wijkt Brabant overigens niet af van de rest van Nederland, net als in de trend dat steeds meer mensen een hoog opleidingsniveau hebben en het aandeel met een laag opleidingsniveau in rap tempo slinkt. Mensen met een hoger opleidingsniveau hebben over het algemeen een hoger inkomen en een groter vermogen.
Opleidingsniveau wordt een breuklijn wanneer we dit relateren aan de kans om werkloos te zijn: mensen met een laag opleidingsniveau zijn ruim twee keer zo vaak werkloos als mensen met een hoog opleidingsniveau.
Ook wonen mensen met een laag opleidingsniveau op plekken die minder leefbaar zijn en voelen zij zich vaker onveilig, zijn ze minder gelukkig en is hun gezondheid ongunstiger. Ook hierin wijkt Brabant niet af van de rest van Nederland. Geslacht als scheidslijn Geslacht is vooral een scheidslijn op het gebied van inkomen: Brabantse vrouwen verdienen veel minder dan Brabantse mannen, net als in de rest van het land. Ten opzichte van het Nederlands gemiddelde is de loonkloof echter minder sterk gedicht in Brabant. Vrouwen doen in Brabant wel meer vrijwilligerswerk – en hierin verschilt Brabant van Nederland, want landelijk gezien besteden mannen meer tijd aan vrijwilligerswerk. Op de overige thema's zijn de verschillen tussen mannen en vrouwen beperkt. Leeftijd als scheidslijn Jonge mensen hebben gemiddeld lagere inkomens en vermogens – zowel in Nederland als in Brabant. Leeftijd lijkt ook een breuklijn te zijn in Brabant: jongeren en jongvolwassenen voelen zich vaker onveilig, hebben minder vertrouwen in mensen, voelen zich (psychisch) minder vaak gezond en zijn minder vaak gelukkig dan oudere mensen – ten opzichte van het Nederlands gemiddelde. Deze trend lijkt op basis van de cijfers al vóór corona ingezet. Migratieachtergrond als scheidslijn Migratieachtergrond is een scheidslijn op verschillende terreinen.
Mensen met een niet-Europese achtergrond hebben lagere inkomens, zijn minder vaak gelukkig en hebben minder sociaal vertrouwen dan mensen met een Nederlandse achtergrond. Opvallend is ook het geringere vertrouwen in politieke instituties en de geringe deelname aan vrijwilligerswerk van mensen met een Europese achtergrond. Stad – Platteland als scheidslijn Ten opzichte van Nederland vallen Brabantse stedelijke gebieden op door een geringer vertrouwen, en een groter aandeel van de bevolking dat hoort tot de onderkant van de inkomens- en vermogensverdeling. Daarnaast bestaan binnen de niet-stedelijke regio's in Brabant grote verschillen. Er lijkt in Brabant een duidelijk onderscheid te zijn tussen een ‘arm' ommeland in het westen van de provincie en een ‘rijk’ ommeland in het oosten. Daarbij lijkt vermogen in Brabant een grotere scheidslijn op het gebied van wonen dan in de rest van Nederland: alleen vermogende mensen kunnen het zich veroorloven om in de ‘mooiste’, meest leefbare stukjes van Brabant te kunnen wonen – en omgekeerd geldt ook dat armere mensen vaker zijn aangewezen op de gebieden waar leefbaarheidsproblematiek speelt. Tot slot, de aanwezigheid van een scheids- of breuklijn in Brabant betekent niet automatisch dat er aanknopingspunten zijn voor specifiek Brabants beleid.
Wanneer scheidslijnen breuklijnen worden, en alleen of sterker in Brabant voorkomen dan in de rest van Nederland is een ‘Brabantse aanpak’ gewenst. Dit lijkt te gelden voor jongeren, die ten opzichte van leeftijdgenoten een ongunstige positie hebben op thema's veiligheid, gezondheid, geluk en vertrouwen. Mensen met een Europese migratieachtergrond hebben minder vertrouwen in politieke instituties en doen minder vrijwilligerswerk dan in de rest van het land – een opvallende bevinding, omdat juist in Brabant relatief veel personen met een Europese achtergrond wonen. Zie Breuklijnen in Brabant – Atlas Research
In opdracht van de Provincie Noord-Brabant heeft Het PON Telos onderzocht hoe Brabanders de kwaliteit van hun leven en leefomgeving waarderen in 2022. Hoe beoordelen Brabanders de eigen brede welvaart in het hier en nu en wat is daarop van invloed? Ook is onderzocht wat zij belangrijk vinden voor de verbetering van de brede welvaart in hun regio en welke zorgen zij zich maken voor de nabije toekomst. Verder is gekeken naar de mate waarin zij zelf bereid zijn om dingen anders te doen ter versterking van de brede welvaart. Wat is hun actiebereidheid (op thema’s) en hoe gaan ze om met veranderingen? Het onderzoek is uitgevoerd onder ruim 10.000 Brabanders van 18 jaar en ouder. Verschillende aspecten van brede welvaart zijn onderzocht: welbevinden, gezondheid, materiële welvaart, arbeid & vrije tijd, samenleving, wonen, veiligheid en milieu. Brabanders zijn over het algemeen redelijk tevreden met hun brede welvaart, met gemiddeld een 7,6 als rapportcijfer. Tegelijkertijd ervaart niet iedereen de brede welvaart positief. De verschillen tussen regio’s zijn gering; de verschillen binnen regio’s zijn veel groter. Van de inwoners van Noord-Brabant is 61% tevreden, 34% deels tevreden en 5% ontevreden met de kwaliteit van hun leven en leefomgeving. Tussen gemeenten zijn er relatief grote verschillen in ervaren brede welvaart.
Zeker een aantal middelgrote gemeenten (Roosendaal gemiddeld 53% tevreden, Waalwijk 52%) en grotere gemeenten (Tilburg en Eindhoven beiden 54%) scoren relatief laag. De ervaren brede welvaart van mensen op het platteland is iets hoger dan in de stad, mogelijk vanwege specifieke (grootstedelijke) problemen. Er zijn grote verschillen tussen generaties. Zo is slechts 43% van de jongere generatie (18-29 jaar) in de stad tevreden met de eigen brede welvaart, terwijl dat voor ouderen (65+) in de stad op 73% ligt. Op het platteland zelfs 78%.
Voorspellers brede welvaart Generatie, inkomen en vertrouwen zijn redelijk sterke voorspellers van ervaren brede welvaart, maar belangrijker zijn redzaamheid en verbondenheid met de buurt. Redzaamheid betreft de mate waarin mensen grip hebben op het leven en dus met veranderingen kunnen omgaan. Het onderzoek toont aan dat hoe redzamer mensen zijn, hoe meer tevreden ze zijn met de kwaliteit van hun leven en leefomgeving. Het gevonden verschil is majeur: 82% van de redzame mensen is tevreden met hun brede welvaart, terwijl slechts 37% van de niet-redzame mensen tevreden is. Daarnaast is buurtverbondenheid een sterke voorspeller voor ervaren brede welvaart: hoe meer verbonden mensen zijn met hun buurt, hoe meer tevreden ze zijn met de kwaliteit van hun leven en leefomgeving. 82% van mensen die zich verbonden voelen met de buurt is tevreden over de eigen brede welvaart in vergelijking met slechts 39% van de mensen die zich niet verbonden voelen met de buurt. Eerder onderzoek laat zien dat de afgelopen jaren de verbondenheid met de buurt onder de Brabanders flink is gestegen. Waar in 2017 minder dan de helft van de Brabanders (43%) zich redelijk tot sterk verbonden voelde met de buurt, is dat sinds de Covid-19 pandemie gestegen naar 72% in het voorliggende onderzoek.
Het vasthouden van deze sterke buurtbetrokkenheid in Noord-Brabant lijkt gezien de sterke voorspellende kracht voor positief ervaren brede welvaart wenselijk.
Thema’s brede welvaart Als we inzoomen op de verschillende thema’s van brede welvaart, blijkt dat Brabanders het meest tevreden zijn over het thema wonen. Materiële welvaart en tevredenheid met werk en vrije tijd scoren het laagst. Voor wat betreft gezondheid scoort met name tevredenheid over de fysieke gezondheid laag – slechts 42% van de Brabanders is daar tevreden over. Ook als we naar de afzonderlijke thema’s kijken blijkt redzaamheid de belangrijkste voorspeller voor de tevredenheid met die thema’s van brede welvaart. Hoe zelfredzamer hoe meer tevreden met het eigen welbevinden, de gezondheid, etc. Ook verbondenheid met de buurt, generatie, inkomen en vertrouwen blijken opnieuw belangrijke voorspellers voor tevredenheid met de verschillende thema’s. Kijkend naar het relatieve belang van de verschillende thema’s voor de tevredenheid met het leven in het algemeen, dan springt gezondheid eruit, in het bijzonder psychische gezondheid. Daarna(ast) dragen tevredenheid met werk en dagelijkse bezigheden, materiële welvaart en sociale contacten een belangrijk deel bij aan de levenstevredenheid. De sociale en zeker de fysieke omgeving tellen daarin minder zwaar. Verschillen in bouwstenen zijn er vooral tussen generaties, waarbij opvalt dat vooral voor jongeren (18-29 jaar) hun gezondheid veel bijdraagt aan een tevreden leven. De positie van gezondheid te midden van andere thema’s is
opvallend: het scoort relatief laag qua tevredenheid (zeker lichamelijk) en vormt de belangrijkste bouwsteen voor tevredenheid met het leven in het algemeen – vooral voor jongeren. Het onderschrijft het belang van aandacht voor dit thema op beleids- en bestuursniveau. In Nederland groeien de verschillen in kansengelijkheid tussen de regio’s. In Noord-Brabant zijn er geen regio’s waar voor de regio als geheel sprake is van een stapeling van achterstanden. Binnen de regio’s komen die plekken overigens wel voor. Brede welvaart is ook in Noord-Brabant niet gelijkelijk verdeeld en verbeteringen zijn mogelijk. Als je Brabanders zelf vraagt wat volgens hen beter moet in de eigen regio, staat opnieuw gezondheid op één, gevolgd door veiligheid en de tevredenheid van mensen over hun financiële situatie. Tussen generaties zijn hierin weinig verschillen, al is de volgorde van de ranking per generatie wel verschillend. Gevraagd naar zorgen van Brabanders over maatschappelijke ontwikkelingen, springen zorgen over de stijgende kosten van levensonderhoud/inflatie er (najaar 2022) sterk uit, gevolgd door de toestroom van vluchtelingen en de verharding in de manier waarop mensen omgaan met elkaar. Als het gaat om de eigen mogelijkheden dan maken Brabanders zich vooral zorgen over hun toekomstige materiële welvaart en gezondheid.
Aanvullende analyses laten zien dat huidige tevredenheid een voorspeller is van zorgen over de eigen mogelijkheden: hoe tevredener nu – hoe minder zorgen over de eigen brede welvaart in de nabije toekomst. Veranderingen ten behoeve van een duurzame en toekomstbestendige samenleving vragen om aanpassingen in het gedrag en leefstijl van haar inwoners. In het onderzoek is ook gekeken of Brabanders willen en kunnen meebewegen met de maatschappelijke thema’s waar we als samenleving voor aan de lat staan. De actiebereidheid van Brabanders blijkt domeinspecifiek te zijn. Zo is 80% van de Brabanders zeer bereid om zich in te zetten voor energiebesparingen in eigen huis, maar ligt bijvoorbeeld de bereidheid om meer te gaan werken of om te verhuizen veel lager. Of hierin verandering mogelijk is, is niet alleen een vraag naar het ‘willen’, maar ook een naar het ‘kunnen’ van mensen.
Redzaamheid en typologie van mensen Naast actiebereidheid is in dit onderzoek daarom gekeken naar redzaamheid: de capaciteit van mensen om met veranderingen om te gaan. Gecombineerd levert dat een typologie van 4 typen mensen, die op verschillende manieren in beweging komen en gebracht kunnen worden. De typologie van vier typen mensen laat helder zien hoe belangrijk het is om de situatie van inwoners beter te leren begrijpen. Een ‘standvastige redzame’ vraagt immers een andere benadering in beleid dan de ‘afhankelijke beweger’. De typologie kan ingezet worden als middel om de bewustwording over al dan niet realistische mensbeelden bij beleid te stimuleren. Het is daarbij van belang te realiseren dat het aantal inwoners van Noord-Brabant evenredig verdeeld is over de vier typen. En ook dat de typen divers van aard zijn; redelijk vergelijkbare verdeling van klassieke achtergrondkenmerken als inkomen, stad-platteland en generatie. Dit betekent dat bijvoorbeeld de ‘redzame beweger’ zowel jong als oud kan zijn, in de stad als op het platteland kan wonen en veel of weinig te besteden kan hebben.
Oog voor menselijke maat Ten slotte worden in het rapport diverse aanbevelingen gedaan om te komen van denken naar doen. Dat daarbij in beleid en uitvoering een scherper oog voor verschillen tussen mensen noodzakelijk is, komt opnieuw nadrukkelijk naar voren. Het onderzoek onderschrijft het belang van aandacht voor de menselijke maat op beleids- en uitvoeringsniveau. Het debat – of beter: de dialoog – is daarbij een onmisbare aanvulling op monitoring in de beleidsuitvoering en systematische impactmonitoring voor de langere termijn. Zie Ervaren brede welvaart, Het PON Telos, juni 2023
Staatscommissie Demografische ontwikkelingen – Gematigde groei De Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050 is op verzoek van de Tweede Kamer door het vorige kabinet in 2022-2023 ingesteld. Het rapport van de commissie behandelt demografische scenario’s richting 2050 (deel I), de gevolgen daarvan voor ruimte, voor economie en voor publieke voorzieningen (deel II), en biedt de politiek handelingsmogelijkheden vanuit het perspectief van brede welvaart en sociale cohesie (deel III). Het vormgeven van een gematigde groei van de bevolking tot 2050 is volgens de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050 essentieel voor de brede welvaart in Nederland. Om voor iedereen in Nederland wonen, zorg en onderwijs toegankelijk te houden en leefbaarheid te bevorderen is een kwalitatief hoogwaardige economie nodig. In samenhang daarmee zijn politieke keuzes nodig over de gewenste omvang en vormen van migratie. Niet alleen de omvang van de bevolking verandert in de komende periode, ook de samenstelling. De culturele diversiteit neemt toe en de vergrijzing van de bevolking piekt in de komende 10 tot 15 jaar en resulteert in een blijvend ‘oudere’ samenleving naar 2050. In haar rapport ‘Gematigde groei’ beschrijft de staatscommissie dat de vergrijzing tot toenemende personeelstekorten in bijvoorbeeld de zorg en in het onderwijs leidt.
Verder zijn er keuzes nodig om passende huisvesting voor de kleiner wordende huishoudens te realiseren in een permanent ‘oudere’ samenleving. In sommige regio’s zijn de effecten van migratie en vergrijzing groter dan in andere en komt de toegang van voorzieningen verder onder druk te staan. Ook nemen verschillen tussen generaties, in opleidingsniveau en tussen mensen met en zonder migratieachtergrond toe. Dit heeft gevolgen voor de sociale samenhang in ons land. De staatscommissie bepleit daarom het vormgeven van een gematigde groei van de bevolking naar 19 à 20 miljoen mensen in 2050 om de druk op de woningmarkt, de zorg en het onderwijs het hoofd te bieden en economische groei te ondersteunen. Hiervoor is een consistente langetermijnvisie en aanpak over meerdere kabinetsperioden heen nodig, waarbij de inzet op een kwalitatief hoogproductieve economie en brede welvaart centraal staat. Daarbij horen nationale en internationale politieke keuzes over gewenste, langjarige bandbreedtes voor arbeids-, gezins-, asiel- en studiemigratie. Gematigde groei biedt de Nederlandse bevolking in 2050 beter perspectief dan een scenario van krimp van de bevolking (onder de huidige 18 miljoen inwoners) en dan een scenario van hoge groei naar 21 à 23 miljoen inwoners.
Door nu al te sturen op een gematigde groei van de bevolking richting 2050 kunnen schaarste aan voorzieningen en ongelijkheid tussen groepen in de samenleving zoveel mogelijk worden beperkt. Ter voorbereiding op een veranderende en oudere bevolking moeten samenhangende politieke afwegingen worden gemaakt op het gebied van ruimte en wonen, de economie en publieke voorzieningen. Het combineren van de gewenste inrichting van de economie en de toekomstige ruimtelijke vormgeving van Nederland, waaronder innovatieve woningbouw, bieden ook kansen voor klimaat- en energietransities. De Staatscommissie benadrukt dat politieke keuzes niet alleen nodig, maar ook reëel en mogelijk zijn. Dit is in de kern het antwoord op de vraag van de Tweede Kamer die op instelling van deze Staatscommissie aandrong. Zie Rapport Demografische ontwikkelingen 2050, Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen, januari 2024: Home | Staatscommissie demografische ontwikkelingen 2050 (staatscommissie2050.nl) en voor samenvatting: Samenvatting Staatscommissie
Centraal Plan Bureau – Kiezen voor later. Vier visies voor 2050 Het Centraal Plan Bureau (CPB) stelt dat Nederland voor grote uitdagingen staat. Het gaat dan om zorgen over internationale afhankelijkheid, vergrijzing, de verdeling van schaarse ruimte, druk op de woningmarkt, teruglopende economische groei, de verdeling van welvaart en de gebrekkige duurzaamheid van de huidige
productie en consumptie. Deze uitdagingen vragen om een langetermijnperspectief op beleid en vragen om heldere keuzes nu voor de aanpak van deze opgaven. Burgers en bedrijven moeten namelijk kunnen vertrouwen op consistent beleid en het voor langere termijn vasthouden aan de koers. De toekomst is onzeker, maar er valt wel wat te kiezen. Het kiezen voor het ene beleidsdoel leidt tot concessies op andere vlakken. Niet alles kan, en zeker niet tegelijkertijd. Het is van belang om gericht in te zetten op noodzakelijke en prioritaire beleidsaanpassingen. Hoe langer keuzes vooruit worden geschoven, hoe groter het risico op schoksgewijze en kostbare aanpassingen. Voor het CPB reden om een viertal scenario’s te presenteren om het debat over de lange termijn doelen van de overheid en over de daarbij te maken keuzes te entameren: Markt, Autonoom, Duurzaam en Samen. In deze vier scenario’s stellen ze de keuzes voor de toekomst op scherp. In elk scenario staat een maatschappijvisie centraal die leidend is in de prioritering van beleidsdoelen. De scenario’s laten zien hoeveel er in één generatie kan veranderen, dat er veel te kiezen valt in hoe de samenleving wordt ingericht én dat die keuzes consequenties hebben die op langere termijn sterk verschillend uitwerken.
De scenario’s kunnen ook worden gelezen in termen van de prioriteiten die worden gehecht aan de verschillende aspecten van brede welvaart. In het scenario Markt staan individuele vrijheid en het streven naar materiële welvaartsgroei centraal. In een context van sterke internationale verwevenheid en een beperkt vertrouwen in de overheid. In dit scenario is Nederland gemiddeld het rijkst, met een dynamische economie met veel internationale handel en een groeiende bevolking door veel migratie. De arbeidsmarkt is flexibel met veel ruimte voor technologie en automatisering. Voor de werknemers is er minder zekerheid. Het sociale zekerheidsstelsel is sober en eenvoudig met lage uitkeringen en belastingen. Het zorgpakket is kleiner en goedkoper. Ook worden er in dit scenario veel nieuwe woningen gebouwd. Daarvoor betaalt de samenleving ook een prijs: er is meer ongelijkheid en de leefomgeving heeft te lijden onder vervuilende productie en druk op de ruimte door de economische activiteit en de bevolkingsgroei. In het scenario Autonoom staan zelfvoorziening en gemeenschapszin en -denken voorop, tegen een achtergrond van toenemende geopolitieke spanningen. Nederland neemt meer economische activiteiten in eigen hand en heeft relatief meer ruimte omdat de bevolking door de beperkte migratie nauwelijks groeit. De overheid laat veel over aan lokaal en maatschappelijk initiatief.
De arbeidsmarkt koerst op zekerheid en werkt veel met vaste contracten. De ruimte voor technologie en automatisering is kleiner. De keerzijde is dat de economie amper groeit door de beperktere internationale samenwerking en de sociale voorzieningen zijn soberder, regionaal ingericht en sluiten aan op lokale behoeften. Mantelzorg speelt een grotere rol in de zorg en mensen zonder sociaal netwerk kunnen buiten de boot vallen. Ook zijn er in dit scenario minder woningen nodig en wordt er meer buiten de steden gebouwd. In het scenario Duurzaam staat de leefbaarheid van de aarde nu en in de toekomst centraal, en internationaal wordt hieraan sterk samengewerkt om vervuilende productie en consumptie te beperken. Dit zorgt er wel voor dat veel producten duurder worden. Ook hebben huishoudens en bedrijven te maken met veel regulering en andere overheidsinmenging die hun keuzes begrenst. Op de arbeidsmarkt worden vaste contracten minder vast en flexibele contracten minder flexibel. Tegelijkertijd wordt er veel waarde gehecht aan balans en gelijke
kansen, zowel binnen als tussen generaties. Mensen gaan kleiner en duurzamer wonen in steden om ruimte te geven aan de natuur. In het scenario Samen vormen solidariteit en een meer gelijke verdeling van kansen en brede welvaart het uitgangspunt en is er veel vertrouwen in de sturende en herverdelende overheid. In dit scenario is er veel vertrouwen in de (nationale) overheid, die brede voorzieningen biedt om de sociale verschillen te beperken, zoals ruime uitkeringen, toegankelijke zorg en betaalbare (huur)woningen. Om de voorzieningen te kunnen financieren en bemensen, staat daar tegenover dat de belastingen worden verhoogd en de pensioenleeftijd sneller stijgt. De arbeidsmarkt kent veel vaste contracten en er zijn veel banen bij de overheid en in de zorgsector. De zorg is ruim en toegankelijk, de eigen bijdragen zijn afgeschaft. Dit gaat gepaard met dure zorg zijn lange wachtlijsten. De nieuwe woningen worden gespreid over de regio’s gerealiseerd en bevatten meer sociale huur. Het CPB werkt de vier scenario’s verder uit voor vijf thema’s: economische inrichting, arbeidsmarkt, sociale zekerheid, zorg en ruimte & wonen. De scenario’s zijn nadrukkelijk geen voorspellingen. Het CPB ziet de scenario’s als een aansporing om het beleidsdebat meer te richten op de lange termijn en op de beleidskeuzes die daar nu voor moeten worden gemaakt. Zie Centraal Planbureau, Kiezen voor later.
Vier visies voor 2050, oktober 2024: Kiezen voor later: vier visies voor 2050 | CPB.nl
Draghi-rapport - Future of European Competitiveness Sinds het begin van deze eeuw vertraagt de economische groei in Europa. Verschillende strategieën om deze trend te doorbreken hebben niet tot verandering geleid. De kloof in het BBP tussen de EU en de VS wordt op verschillende vlakken groter en wordt voornamelijk veroorzaakt door een sterkere vertraging van de productiviteitsgroei in Europa. Inmiddels is per hoofd van de bevolking het reële besteedbare inkomen in de VS sinds 2000 bijna twee keer zo hard gegroeid als in de EU-landen. De afgelopen jaren wist Europa de vertragende economie op te vangen met het veroveren van marktaandelen in sneller groeiende delen van de wereld, met name Azië. Meer vrouwen gingen werken waardoor de bijdrage van arbeid aan de groei toenam. De EU profiteerde ook van een gunstig mondiaal klimaat. En na de crises van 2008 tot 2012 daalde de werkloosheid in heel Europa gestaag, wat hielp om de ongelijkheid te verminderen en de sociale zekerheid te behouden. Europa zag de afnemende economische groei eerder als een ongemak, dan een ramp voor. In een wereld van stabiele geopolitiek hadden we geen reden om ons zorgen te maken over de toenemende afhankelijkheid van landen waarvan we verwachtten dat ze onze vrienden zouden blijven. Het tij is inmiddels gekeerd, zo maakt Draghi duidelijk. Het tijdperk van snelle groei van de wereldhandel lijkt voorbij.
Europese bedrijven krijgen te maken met zowel grotere concurrentie van buitenaf als een lagere toegang tot overzeese markten. Ondertussen neemt de geopolitieke stabiliteit af en zijn onze afhankelijkheden kwetsbaar gebleken. Europa heeft de digitale revolutie grotendeels gemist en is zwak in de opkomende technologieën die de toekomstige groei zullen stimuleren. Slechts vier van 's werelds top 50 technologiebedrijven zijn Europees. Om de Europese economie te digitaliseren en te werken aan CO2-reductie en onze defensiecapaciteit te vergroten, zal het investeringsaandeel in Europa met ongeveer 5 procentpunten van het BBP moeten stijgen tot niveaus die we voor het laatst hebben gezien in de jaren ‘60 en ‘70 van de vorige eeuw. Dit is ongekend. Ter vergelijking: de extra investeringen die het Marshallplan tussen 1948-51 bood, bedroegen jaarlijks ongeveer 12% van het BBP. Als Europa niet productiever kan worden dan staan we voor een existentiële uitdaging. We zullen gedwongen worden om te kiezen. We kunnen niet én leider worden in nieuwe technologieën én een baken van klimaatverantwoordelijkheid zijn én een onafhankelijke speler op het wereldtoneel zijn. We zullen een deel, zo niet al onze ambities moeten terugschroeven. De enige manier om deze uitdaging aan te gaan, is door te groeien en productiever te worden, waarbij we onze waarden van gelijkheid en sociale inclusie behouden.
En de enige manier om productiever te worden, is door Europa radicaal te veranderen. Draghi ziet drie majeure transformaties om duurzame groei weer aan te
wakkeren. We beginnen niet op nul. Europa heeft nog steeds sterke punten – zoals sterke onderwijs- en zorgstelsels en robuuste verzorgingsstaten – waarop we kunnen voortbouwen. Tot nu toe slagen we er als collectief van landen niet in om deze sterke punten om te zetten in productieve en concurrerende industrieën op het wereldtoneel. Eerste actiegebied: versnelde innovatie en nieuwe groeisectoren Europa moet haar collectieve inspanningen richten op het dichten van de innovatiekloof met de VS en China, met name op het gebied van geavanceerde technologieën. Europa kent vele getalenteerde onderzoekers en innovatieve ondernemers die patenten aanvragen. Echter, we slagen er niet in deze innovaties te commercialiseren. Ook onze inconsistente en beperkende regelgeving werkt daarbij belemmerend. Innovatieve bedrijven die willen opschalen ervaren dezelfde belemmering vanuit regelgeving. Als Europa moeten we ons innovatieve potentieel beter ontsluiten. Niet alleen om voorop te kunnen lopen in nieuwe technologieën, maar ook om AI te integreren in onze bestaande industrieën. Daarnaast is het belangrijk dat de Europeanen over vaardigheden beschikken waardoor ze kunnen profiteren van deze nieuwe technologieën. Zo kan technologie en sociale inclusie hand in hand gaan.
Tweede actiegebied: CO2-reductie en vergroten concurrentievermogen Europa moet een gecombineerd plan maken waar CO2-reductie en het vergroten van het concurrentievermogen hand in hand gaan. Als we er niet in slagen om ons beleid op elkaar af te stemmen, bestaat het risico dat het werken aan CO2-reductie haaks staat op concurrentievermogen en groei. Het werken aan ambitieuze klimaatdoelstellingen en daarmee aan CO2-reductie kan op de middellange termijn helpen om de elektriciteitsopwekking te verschuiven naar veilige, goedkope, schone energiebronnen. Daarbij moeten we accepteren dat fossiele brandstoffen nog minstens de rest van dit decennium een centrale rol blijven spelen in de energieprijzen. Zonder een plan waar ook de eindgebruikers profiteren van de voordelen van CO2-reductie, zullen energieprijzen de groei blijven drukken. Derde actiegebied: vergroten van de veiligheid en verminderen van afhankelijkheden Veiligheid is een voorwaarde voor duurzame groei. Toenemende geopolitieke risico's kunnen de onzekerheid vergroten en investeringen dempen, terwijl grote geopolitieke schokken of plotselinge handelsstops extreem verstorend kunnen zijn.Toenemende onzekerheid – als gevolg van geopolitieke instabiliteit - kan een bedreiging zijn voor groei en vrijheid in Europa. Vrede is het eerste en belangrijkste doel van Europa.
Tegelijkertijd nemen fysieke veiligheidsdreigingen toe en moeten we ons voorbereiden op mogelijk andere tijden. Na de Verenigde Staten heeft Europa als collectief de hoogste militaire uitgaven ter wereld. Deze uitgaven zien we echter niet weerspiegeld in de omvang van onze defensie-industrie in Europa. De defensie-industrie is te gefragmenteerd, wat haar vermogen om op grote schaal te produceren belemmert. Ook lijdt ze aan een gebrek aan standaardisatie en interoperabiliteit van apparatuur, wat Europa's vermogen om als een samenhangende macht te fungeren verzwakt. Zo worden er in Europa twaalf verschillende soorten gevechtstanks gebruikt, terwijl de VS slechts één produceert. Wat staat ons in de weg? Kortom, Europa staat voor een forse uitdaging als het gaat om de toekomstige concurrentiekracht. Het betekent vanuit de fundamentele waarden van voorspoed, gelijkheid, vrijheid, vrede en democratie de kracht van Europa beter benutten. Wat staat ons in de weg om te werken aan een veilig, zelfstandig en economisch sterk Europa? Draghi ziet drie barrières. Ten eerste ontbreekt het Europa aan focus. Hoewel we gezamenlijke doelen formuleren, gaan ze niet vergezeld van een duidelijke prioritering en worden ze niet ondersteunend door gezamenlijk beleid van de Europese landen. Ten tweede verspilt Europa zijn inzet van middelen.
Hoewel Europa over veel middelen beschikt, verspreiden we deze veel te veel over nationale en EU-instrumenten zoals op het terrein van defensie en op het gebied van R&D. Ten derde coördineert Europa niet tussen de lidstaten als het nodig is. Europese besluitvorming is complex en traag waardoor Europa niet in staat is snel antwoord te kunnen geven op nieuwe ontwikkelingen. Wil de toekomstige concurrentiestrategie kans van slagen hebben dan moeten we als Europa tot ons laten doordringen dat het twee voor twaalf is. Ook moeten we bepalen welke doelen prioriteit krijgen, welke risico’s
we willen vermijden en welke afwegingen we moeten maken. Daarbij moeten we ervoor zorgen dat ons democratisch gekozen instituties het centrum voor debat zijn. Échte veranderingen en transformaties in Europa kunnen alleen duurzaam slagen als deze ook democratisch gelegitimeerd zijn. Zie Draghi-report, The future of European competitiveness. A competitiveness strategy for Europe, september 2024: The Draghi report on EU competitiveness.
Bevolkings- en Woningbehoefte prognose Noord-Brabant – Actualisering 2023 Om goed zicht te houden op demografische trends en ontwikkelingen actualiseert provincie Noord-Brabant regelmatig haar prognoses, gemiddeld eens in de drie jaar. Zo bestaat steeds een actueel beeld van de veranderingen in omvang en samenstelling van de Brabantse bevolking, evenals de effecten hiervan op ‘het wonen’. In de bevolkings- en woningbehoefte prognose van de provincie staan tien thema’s centraal. 1. Prognoses vergeleken (met voorgaande jaren) Vergeleken met de vorige prognose ligt de groei van de Brabantse bevolking duidelijk hoger. Dit hangt vooral samen met de hoger ingeschatte buitenlandse migratiesaldi. Ook de woningvoorraad bereikt een grotere omvang. Naast de hogere bevolkingstoename speelt hierbij de sterke huishoudensgroei een rol. 2. Geboorte en sterfte in Brabant Door de vergrijzing van de bevolking neemt het aantal sterfgevallen de komende decennia sterk toe. Verwacht wordt dat tegen het einde van de jaren '30 de sterfte het aantal geboorten gaat overtreffen en de natuurlijke aanwas omslaat in een natuurlijke afname. 3. Binnenlandse en buitenlandse migratie ontwikkelingen Het binnenlands migratiesaldo is het aantal personen dat zich in Brabant vestigt minus het aantal inwoners dat Brabant verlaat.
De komende tijd wordt in Brabant een licht positief binnenlands migratiesaldo verwacht van gemiddeld zo'n +1.000 personen per jaar. Dit is in lijn met het gemiddelde saldo over de laatste jaren. Het buitenlands migratiesaldo is het aantal immigranten minus het aantal emigranten. Het buitenlands migratiesaldo is vooral na 2015 sterk toegenomen. Ook de komende tijd worden positieve buitenlandse saldi verwacht, waarbij het gemiddeld jaarlijks saldo terugloopt van ruim 20.000 in 2023 tot zo'n 12.000 personen vanaf 2030. 4. Bevolkingsgroei in Brabant In 2050 telt Brabant 3 miljoen inwoners, 375 duizend mensen meer dan in 2023. De bevolkingstoename wordt vooral bepaald door positieve buitenlandse migratiesaldi. De komende decennia neemt de groei van de bevolking geleidelijk aan af. De komende decennia zal de Brabantse bevolking naar verwachting nog met zo'n 375.000 mensen groeien (+14,2%), van 2.626.000 inwoners in 2023 tot bijna 3.000.000 in 2050. 5. Groei en krimp per gemeente De bevolkingsgroei in Brabant neemt af en vanaf eind jaren '30 zullen steeds meer gemeenten te maken krijgen met een afname van het aantal inwoners. Op termijn zal bevolkingskrimp zich eerst vooral in het landelijk gebied voordoen. De groei concentreert zich in steden. Dit is ook terug te zien in de cijfers voor Tilburg.
Waar Tilburg in 2024 230.000 inwoners telt, is de stad in 2040 gegroeid tot 265.000 inwoners. 6. Veranderingen in leeftijdssamenstellingen Rond 2040 bereikt de vergrijzing van de Brabantse bevolking haar hoogtepunt. Dan is ruim 25% 65 jaar of ouder, tegen 21% in 2023. De hoogste leeftijdsgroepen (75+) groeien het sterkst. Het landelijk gebied vergrijst meer dan het stedelijk gebied. 7. Ontwikkeling van de beroepsbevolking Tot 2040 en gemeten vanaf 2012 – het laatste jaar waarin de AOW-leeftijd op 65 jaar lag – groeit de potentiële beroepsbevolking van 20 tot 65 jaar met iets meer dan 75.000 mensen (+5,1%). Door de verhoging van de AOW-leeftijd neemt het arbeidspotentieel in diezelfde periode echter veel sterker toe, met in totaal zo’n 180.000 mensen (+12,2%).
Uitgaande van landelijke 'pensioenafspraken' telt Brabant in 2050 ruim 1,75 miljoen potentiële werknemers, bijna 150.000 meer als in 2023. Hiervan zal bijna 7% dan 65 jaar of ouder zijn. 8. Veranderingen in huishoudsamenstellingen Tot 2050 komen er in Noord-Brabant nog ruim 225.000 huishoudens bij. Vooral het aantal alleenstaanden groeit sterk. Verwacht wordt dat in 2050 van alle huishoudens meer dan 40% een eenpersoonshuishouden is. Vooral het aantal oudere alleenstaanden (75+) neemt sterk toe. Tussen het stedelijk en het landelijk gebied bestaan duidelijke verschillen in huishoudenssamenstelling. Zo ligt het percentage eenpersoonshuishoudens in het stedelijk concentratiegebied – en dan met name in de grote steden– beduidend hoger, terwijl we in het landelijk gebied en in de randgemeenten rond de steden (het overig stedelijk concentratiegebied) verhoudingsgewijs juist meer samenwonenden aantreffen. In 2023 is bijna 45% van de huishoudens in de grote steden een eenpersoonshuishoudens, terwijl dit percentage in de landelijke regio's en de genoemde (suburbane) randgemeenten op 'slechts' 31% à 32% ligt, zo'n 14 procentpunten lager dus. In de middelgrote steden is 35% van de huishoudens een alleenstaande. In Tilburg komen in de periode tot aan 2024 22.700 huishoudens erbij, waarvan meer dan de helft (13.650) eenpersoonshuishoudens. 9.
Ontwikkeling Brabantse woningvoorraad De komende jaren wacht Brabant nog een flinke woningbouwopgave. Alleen al tot 2035 zal de woningvoorraad nog met 165.000 woningen moeten toenemen, oftewel zo'n 13.500 woningen per jaar. Dit om de verwachte groei van het aantal huishoudens op te kunnen vangen en woningtekorten terug te dringen. Overal in Brabant is de behoefte aan nieuwe woonruimte groot, al concentreert de groei zich wel wat meer in het stedelijk gebied. In Tilburg stijgt het aantal woningen van 105.500 in 2023 naar 130.000 in 2040. Een toename van 24.500 woningen. 10. Wonen met zorg en welzijn Samenhangend met de vergrijzing liggen er in Brabant forse opgaven op het vlak van 'wonen met zorg en welzijn'. Er ligt vooral een grote opgave om geclusterde ouderenwoningen – al dan niet met verpleegzorg – te realiseren in een geschikte woonomgeving, zodat ouderen langer thuis kunnen blijven wonen. Naast nieuwbouw kan een deel van de opgave ook gerealiseerd worden door de bestaande woningvoorraad aan te passen. Zie Bevolkings- en woningbehoefte prognose Noord-Brabant – Actualisering 2023
Zoals eerder aangegeven, is de huidige omgevingsvisie Tilburg 2040 vastgesteld in 2015. De Omgevingsvisie 2040 is een stadsbrede visie met ambities en strategieën voor de lange termijn, het geeft richting aan de ruimtelijke ontwikkeling van de stad, de dorpen en het buitengebied en is voor de gemeente Tilburg de basis voor plannen van hogere overheden (provincie, Rijk, waterschappen). De bestaande Omgevingsvisie Tilburg 2040 wordt herijkt en legt daarbij de blik tien jaar verder van 2040 naar het jaar 2050. Inmiddels is negen jaar verstreken sinds vaststelling van de huidige omgevingsvisie en hebben diverse veranderingen plaatsgevonden, zoals de toenemende vraag naar meer woningen en veranderende inzichten op het gebied van thema’s als gezondheid, gezonde leefomgeving, klimaatadaptatie, energietransitie en circulaire economie. In het Akkoord ‘Meer voor elkaar 2022-2026’ is een actualisatie van de Omgevingsvisie aangekondigd, zodat met hulp van deze visie de balans tussen duurzaamheid, gezondheid en het versterken van de sociale basis nog meer als uitgangspunt wordt genomen. Diverse ontwikkelingen in de stad, de regio, de provincie en (inter)nationaal vragen om stil te staan bij de toekomst van Tilburg – Tilburg 2050 – en om een actualisatie van de Omgevingsvisie Tilburg 2040.
Daarnaast vraagt de inwerkingtreding van de Omgevingswet in 2024 om de actualisatie van de Omgevingsvisie.
De nieuwe omstandigheden en nieuwe uitdagingen voor de gemeente van het afgelopen decennium hebben in sommige gevallen geleid tot het opstellen van nieuw beleid. Deze nieuwe situatie hebben we, samen met ingenieursbureau Arcadis, in beeld gebracht met behulp van de foto van de leefomgeving. De foto geeft aan waar we nu staan voor de verschillende thema’s en wat de gevolgen zijn als we ons huidige beleid succesvol uitvoeren. Het vormt de basis voor het opstellen van het omgevingseffectrapport(OER) in het kader van de Omgevingsvisie. Het doel van het OER is het beoordelen van de plannen en de ambities in de Omgevingsvisie op de effecten op de fysieke leefomgeving. Deze beoordeling geeft richting aan te maken keuzes, toetst de haalbaarheid van de ambities (niet alles kan overal) en scherpt daarmee de omgevingsvisie aan. Door de wisselwerking tussen het opstellen van de Omgevingsvisie en het beoordelen van de ambities draagt het OER bij aan een gedegen en realistische Omgevingsvisie. Het onderstaande Rad van de leefomgeving laat zien hoe de gemeente Tilburg op dit moment scoort voor de verschillende aspecten van deze leefomgeving. De blauwe lijn laat de score van de huidige situatie zien. Daarnaast geeft de oranje lijn aan waar de gemeente Tilburg staat als wij ons huidige beleid goed uitvoeren, rekening houdend met de ontwikkelingen, die gaande zijn.
Zie ook de volgende paragraaf met trends en ontwikkelingen.
Het rad van de leefomgeving laat enkele aandachtspunten zien met aspecten van de fysieke leefomgeving, die in de toekomst (nog) niet goed scoren (score +/-) aan de hand van de trends en ontwikkelingen en ons huidige beleid, te weten: • Droogte: speelt in ons buitengebied, nog geen concrete maatregelen • Wonen: voldoende woningen voor starters en toenemende vergrijzing? • Mobiliteit: er is veel autoverkeer, meer ruimte gewenst (modal shift) voor voetganger en fietser • Omgevingsveiligheid: Tilburg kent milieubelastende activiteiten, waaronder vervoer gevaarlijke stoffen over het spoor, dat komende jaren toe zal nemen • Geluidhinder: met name binnenstad kent veel activiteiten met hoge geluidsniveaus, zoals weg- en railverkeer, festivals, evenementen en buren.
Gezien de autonome ontwikkelingen zien we alle aspecten verbeteren. Er is één uitzondering, die een verslechtering laat zien in de score: • Recreatie en toerisme: met name evenementen komen in de verdrukking door de verdichtingsopgave Zie Foto van de Leefomgeving – Arcadis
Het bereiken van een breed welvarend Tilburg in 2050 hebben we niet volledig zelf in de hand. We zijn mede afhankelijk van trends en ontwikkelingen, die spelen en invloed hebben op de ontwikkeling van onze gemeente en het welvaart van onze inwoners. Het bepaalt tevens de focus van onze activiteiten. In deze paragraaf staan we stil bij de belangrijkste trends en ontwikkelingen, die we voor nu en in de komende jaren op ons af zien komen. Onze inwoners worden gemiddeld steeds ouder en de groep ouderen in Tilburg wordt groter. Er is sprake van dubbele vergrijzing. Dit bereikt zijn hoogtepunt in 2040. Vergrijzing van de Nederlandse bevolking heeft niet alleen impact op de zorg (meer mensen met een chronische aandoening), maar ook op de Nederlandse economie. 1 op de 10 werknemers in Nederland is op dit moment 60 jaar of ouder en zal binnen nu en 7 jaar met pensioen gaan. Dit heeft vooral effect op de sectoren, waar nu veel 60 plussers werken, zoals zorg en welzijn, industrie en openbaar bestuur. De Nederlandse economie in een vergrijzende samenleving krijgt naast hardnekkige arbeidsmarkttekorten ook te maken met een stagnerende productiviteit. Andere mogelijke verklaringen voor deze arbeidsmarktkrapte zijn deeltijdwerken, de flexibele arbeidsmarkt en de stagnerende groei van de arbeidsproductiviteit.
Deze krapte is zorgwekkend omdat er vele opgaven liggen die om een oplossing vragen, zoals de al genoemde zorgverlening, de energietransitie en de woningbouw. Door digitalisering en robotisering verandert het werk van mensen: de nadruk ligt op het aanleren van en bijblijven met vaardigheden (skills). We werken meer thuis en werken meer datagedreven. Automatisering en Kunstmatige Intelligentie (AI) kunnen in het licht van de vergrijzing kansen bieden om brede welvaart op peil te houden. Maar daarin bestaan ook risico’s. Sommige (type) banen zullen verdwijnen. Niet iedereen kan even makkelijk “mee” in de digitaliseringsslag. Digitalisering, Artificiële Intelligentie, robotisering en sociale media zullen de komende periode de structuur van onze samenleving blijven veranderen. De digitale wereld maakt geografische afstand op sommige vlakken irrelevant. Het beïnvloedt ook de relatie tussen burger en samenleving. Techbedrijven achter de diensten die we gebruiken hebben invloed op de digitale wereld die we onder ogen krijgen, en maken ons kwetsbaar voor (politieke) beïnvloeding. Een sterk gedigitaliseerde overheid kan een gevaar vormen voor haar burgers op het moment dat “computer says no” de mogelijkheid voor menselijke afweging en maatwerk naar de achtergrond duwt. Ook op het gebied van veiligheid zien we de invloed van digitalisering met de toename van cybercriminaliteit.
De traditionele criminaliteit, zoals inbraken, neemt af. De huidige maatschappij kenmerkt zich door een toenemende maatschappelijke onrust en gevoel van onveiligheid. Er zijn meer demonstraties, rellen, intimidaties en bedreigingen. Onder meer de geopolitieke spanning veroorzaakt sociale spanningen. De geopolitieke spanning heeft grote gevolgen voor de asielinstroom, arbeidsmarkt en economie. Actueel voor deze spanning zijn de oorlog in Oekraïne waar Rusland steun vindt bij Noord-Korea en China en het conflict tussen Israël en Palestina. Europa en de Verenigde Staten hebben nog geen adequaat antwoord gevonden voor de situatie. Na de laatste verkiezingen in de Verenigde Staten komen bondgenootschappen (verder) onder druk te staan, zowel voor het conflict in Oekraïne als voor het conflict in Palestina. De conflicten tussen Israël en de Palestijnen, Iran en Hezbollah hebben ook effect op ons eigen land. De mondiale machtsbalans verschuift van het westen naar Azië met China en India als nieuwe wereldspelers. Nederland als internationaal handelsland zal de economische gevolgen voelen en moet nadenken hoe hiermee om te gaan. De gezondheid van de Tilburgers staat onder druk. Aan de ene kant toont een deel van de inwoners, vaak met een lage sociaaleconomische status, risicogedrag met roken, overmatig alcohol gebruik, en te weinig beweging.
We zien een toename in vraagstukken rond overgewicht door een ongezondere voedselomgeving, minder bewegen en een toename van achterliggende oorzaken (mentale gezondheid, chronische stress). In Tilburg sportte in 2020 46% van de bevolking van 19 jaar en ouder niet wekelijks. Steeds meer mensen hebben obesitas, in Tilburg heeft zelfs de helft van de inwoners overgewicht. Tussen de 15 en 20 procent van de Tilburgers heeft een BMI van meer dan 30 (obesitas). Dit zal naar verwachting blijven toenemen. Meer mensen blijven achter en sociale ongelijkheid tussen mensen groeit. Bij ongewijzigd beleid zal er steeds meer armoede zijn in de toekomst. Wel heerst er een hoge sociale mobiliteit: verschillende doelgroepen (met dunne scheidslijnen) lopen dwars door elkaar heen: theoretisch en praktisch opgeleid, tussen leeftijd en etnische groepen, gezond en ongezond, mensen met en zonder sociaal netwerk. De optelsom van deze factoren maakt verschillen in en tussen wijken zichtbaar. Het wordt steeds duidelijker dat er gesloten gemeenschappen ontstaan die zich niet altijd een geaccepteerd onderdeel voelen van de Nederlandse maatschappij, en zich daar soms zelfs van afkeren. Geclusterd in woonwijken waarin woningen, voorzieningen en onderwijskwaliteit gemiddeld van lagere kwaliteit zijn, bevinden zij zich niet zelden in een negatieve vicieuze intergenerationele cirkel.
Voor onze mobiliteit is het autogebruik het meest belangrijk en dit neemt nog steeds toe. In 2022 vormde de auto 64% van alle gereden kilometers. Het openbaar vervoer (22%) en de fiets (12%) volgen op afstand. Inflatie leidt ertoe dat reizen per OV duurder wordt en zal worden, waar (elektrisch) autorijden in de toekomst goedkoper zal worden. In Nederland rijden momenteel zo'n 400.000 elektrische auto's en 3,4 miljoen e-bikes rond. Dat aantal zal gaan groeien. Daarnaast zal komende jaren een breder 'spectrum’ aan klein-elektrische voertuigen gaan ontstaan (e-bike, bakfietsen, fatbikes, (deel)snorscooters en de e-step). De verkeersveiligheid vraagt hierbij om de nodige aandacht. Ons klimaat verandert. Het wordt warmer en natter. We krijgen vaker te maken met extreem weer: langere warme periodes, langere natte periodes en plots zware neerslag. Opwarming van de aarde is een urgent probleem. De hittekaart van Tilburg voor het jaar 2050 toont aan dat het bij ongewijzigd beleid in 2050 te warm is in de stad en het niet meer fijn wonen en leven is. Dat betekent dat we niet meer kunnen ontwikkelen op een manier zoals we dat tot nu toe gedaan hebben. Er is ruimte nodig voor een groenblauwe dooradering in de stad, waarmee de water- en groenopgave worden gefaciliteerd, de stad af kan koelen en verdroging tegen wordt gegaan.
Ook voor de biodiversiteit is het van groot belang dat we rekening houden met de klimaatverandering en maatregelen nemen om de huidige biodiversiteit in stand te houden. De populatie van diersoorten is in de afgelopen 50 jaar met 70% afgenomen. Door schaarste aan grondstoffen veranderen huidige productie- en consumptiemodellen. We gaan van een lineaire naar een circulaire economie en samenleving. Waardebehoud van grondstoffen wordt bij de ontwikkeling van producten steeds meer het uitgangspunt. Om dit voor elkaar te krijgen is een integrale en gezamenlijke aanpak nodig waarin bedrijfsleven, kennis en de gemeente samenkomen. Ook de energietransitie gaat uit van het gebruik van herbruikbare bronnen en grondstoffen in plaats van fossiele brandstoffen. Diverse opgaven vragen om ruimte in de stad de woningbouw, groen/ biodiversiteit, opvang asielzoekers, energietransitie, mobiliteit. Dit leidt tot een schaarste in ruimte, waar we verstandig mee om moeten gaan. Zie Trends en ontwikkelingen - Navigeren richting 2050
Het perspectief van brede welvaart is één van de nieuwe inzichten en vergezichten die we als leidraad bij het opstellen van de toekomstvisie willen gebruiken. Wat betekent het begrip en hoe kan deze manier van kijken ons helpen bij het nadenken over de toekomst van onze stad en dorpen: Tilburg in 2050? Tilburg University onderzoekt samen met bedrijven en overheden in de academische werkplaats ‘(Be)sturen op brede welvaart’ hoe brede welvaart als kompas kan dienen voor de beslissingen die bestuurders elke dag nemen over de koers die ze willen varen. De gemeente Tilburg neemt deel aan deze werkplaats. We hebben Tilburg University (met de academische werkplaats) uitgenodigd ons te helpen met het verkennen en verder uitdiepen van het begrip brede welvaart. Deze samenwerking heeft geresulteerd in een zestal lezingen over brede welvaart in de eerste helft van 2024. Joks Janssen, Otto Raspe, Ton Wilthagen, Hans Mommaas, Peter Achterberg en Kim Putters hebben ieder vanuit hun eigen perspectief en expertise, uiteengezet wat brede welvaart is en wat Tilburg te doen staat om in 2050 een breed welvarend Tilburg te zijn. Vijf lezingen zijn in de raadszaal van het stadhuis gehouden. De zesde lezing hebben we samen met het Science Café Tilburg in de Schouwburg georganiseerd.
Een breed publiek van inwoners, organisaties, raadsleden en ambtenaren (in totaal ongeveer 700 personen) heeft deelgenomen aan deze lezingen. Futuroloog Peter van der Wel geeft aan dat het als mens moeilijk is om de toekomst te verbeelden. 25 jaar vooruit kijken kleuren we al snel in door wat we nu kennen en weten en - hoe optimistisch we ook zijn - we kleuren de toekomst negatiever in dan nodig. We zien eerder problemen dan kansen en verwachten eerder teloorgang dan vooruitgang. Tegelijkertijd overschatten we de inzet van technologie en onderschatten we de sociale vooruitgang. De stadsgesprekken over brede welvaart zijn voor ons een welkome handreiking om de hierboven geschetste denkfouten over de toekomst op tijd te herkennen en misschien te voorkomen. In dit tweede deel over brede welvaart in Tilburg geven we een korte weerslag van de stadsgesprekken over brede welvaart en nemen we de lezer mee in de belangrijkste bevindingen en lessen uit deze lezingen.
Brede welvaart gaat over de kwaliteit van leven, hier en nu, later en elders. Het gaat over de kwaliteit van leven en leefomgeving nu in Nederland, hier in Tilburg en de mate waarin deze ten koste gaat van de brede welvaart van latere generaties of die van mensen elders in de wereld. We schuiven onze problemen dus niet door naar de toekomst en niet naar andere plekken in de wereld, maar lossen ze hier en nu op. Brede welvaart gaat niet alleen over economische welvaart. Economische welvaart is smalle welvaart. Brede welvaart houdt juist rekening met andere aspecten die mensen nu en in de toekomst van waarde vinden. Zoals de kwaliteit van natuur en milieu, de staat van het onderwijs, de arbeidsmarkt, de volksgezondheid, armoede en veiligheid. Deze waarden spelen een even belangrijke en soms belangrijkere rol dan economische welvaart. Dit is de omschrijving van brede welvaart zoals die op hoofdlijnen wordt gehanteerd door het CBS, Tilburg University, Het PON Telos, Rabobank Research, Universiteit Utrecht en vele anderen. We kunnen de term brede welvaart zien als een doorvertaling van de duurzame ontwikkeling, waarbij (economische) groei en sociale ontwikkelingen niet van negatieve impact mogen zijn op toekomstige generaties. En waarbij we zoeken naar de balans tussen de factoren ‘planet’, ‘people’ en ‘profit’.
Kijken door de bril van brede welvaart stimuleert het maken en toepassen van integraal beleid. Hierdoor worden beleidskeuzes in samenhang bezien en tegen elkaar afgewogen. Het resultaat is beleid dat meer focust op het algemene welzijn van de inwoners in plaats van alleen de materiële welvaart. Tevens voegt het 'hier en nu’ en 'later en elders’ belangrijke perspectieven toe. Zo wordt bij beleid het effect op de welvaart van de toekomstige generaties en elders in de wereld mee- en afgewogen.
In de eerste lezing over brede welvaart neemt Joks Janssen ons mee in het concept van brede welvaart. Wat is het en wat kun je ermee doen als gemeente en als (stedelijke) regio?
Joks Janssen is als praktijkhoogleraar verbonden aan Tilburg University en nauw betrokken bij de Academische Werkplaats Brede Welvaart. Binnen de Academische Werkplaats houdt Joks zich voornamelijk bezig met de vraag: Hoe kan beleid voor de fysieke leefomgeving bijdragen aan het versterken van de brede welvaart in regio's? Daarnaast werkt hij als senior adviseur-onderzoeker op het gebied van duurzame gebiedsontwikkeling bij Het PON Telos.
Naar een nieuwe welvaartsindex Sinds decennia meten we in Nederland welvaart aan de hand van het Bruto Binnenlands Product (BBP). Onbedoeld ontstaat hiermee een “overfocus” op economische groei en welvaren. Tevens geeft deze manier van kijken een vertekend beeld van de samenleving. Alles wat niet in geld kan worden uitgedrukt, blijft buiten beschouwing. Zo wordt vrijwilligerswerk niet meegeteld, maar ook milieueffecten en sociale factoren blijven onderbelicht. BBP zegt niets over hoe de welvaart is verdeeld. De scheefgroei in welvaart neemt intussen toe en niet iedereen (Easterlin-paradox, 1974) deelt mee in de groeiende welvaart. Onderzoek toont aan dat boven een bepaalde welvaartsdrempel meer geld niet tot meer geluk leidt bij een individu (zie figuur hiernaast: Easterlin-paradox (1974)). Volgens Joks moeten we op zoek naar een nieuwe welvaartsindex. Een index die niet na een crisis van tafel wordt geveegd, maar een index die meet wat mensen van waarde vinden. Dit wordt al langer bepleit door o.a. Kennedy (1968) en Stiglitz (2009). Brede welvaart kan de nieuwe welvaartsindex zijn en het kompas om te anticiperen op veranderingen.
Zoektocht naar regionale samenhang Voor het toepassen van brede welvaart als welvaartindex kijken we niet alleen naar landelijke welvaart, maar ook naar de regionale welvaart. Steeds meer maatschappelijke opgaven komen samen in de (stedelijke) regio, zoals economische-, verstedelijkings- en verduurzamingsopgaven. Binnen deze opgaven moeten we op zoek naar de samenhang en het organiserend vermogen om de opgaven (integraal) binnen de regio aan te pakken. Samenhang tussen sectoren, samenhang tussen gebieden, samenhang tussen schaalniveaus en samenhang in tijd. Dit kan alleen als alle betrokken partijen binnen de regio actief deelnemen aan het uitruilen van informatie en de mogelijke synergiën samen in beeld brengen. Kijken vanuit het brede welvaartsperspectief geeft ons inzicht in de regionale kansen en kwetsbaarheden.
(Be)sturen op brede welvaart Om uiteindelijk te kunnen (be)sturen op brede welvaart geeft Joks verschillende tips en ideeën. Zo moeten we nadenken over het ontwikkelen van een kompas. Met dit kompas bepalen we aan de hand van brede welvaart thema’s welk minimumniveau van brede welvaart we acceptabel vinden in Tilburg en in de regio. Door het stellen van een nul waarde en grenswaarden kunnen we de urgentie van (overheids)ingrijpen beter bepalen. Tevens kunnen we beter beleid maken en actie ondernemen op de thema’s waar we een achterstand zien of waar we relatief laag scoren (prioriteren). Binnen het sturen op brede welvaart is het van belang zicht te hebben op de groeiende verschillen in de samenleving. Hoewel het ‘overall’ goed gaat, gaat het niet overal (en met iedereen) goed. Zo stijgt Tilburg weliswaar gemiddeld qua brede welvaart ‘overall’, maar nemen aan de onderkant de achterstanden toe. Hierdoor groeit de groep stadsbewoners die kwetsbaarder is voor een opeenstapeling van problemen. Ook blijft brede welvaart van werklozen, migranten en lage inkomens te ver achter. Tot slot is de gezondheid van de Tilburgse inwoners een signaal voor de verdiepende verschillen in de stad en dorpen en tussen inwoners.
Wat staat ons te doen? We moeten op zoek naar de ‘drivers’ die brede welvaart kunnen versterken. Deze kunnen we vinden in de verschillende transities waar we nu als maatschappij voor staan: klimaat- en energie, zorg, arbeidsmarkt etc. Deze transities kunnen een uitdaging zijn omdat ze verschillen in brede welvaart kunnen verdiepen. Maar ze bieden ook kansen om de welvaart breder en beter te verdelen onder mensen zodat juist de verschillen in brede welvaart tussen mensen afneemt. Het is van belang de transities niet afzonderlijk te bezien, maar juist in samenhang. Zij groeien dan uit tot een aanjager voor het versterken van de brede welvaart in stad en regio. Hoe een transitie ook een driver of aanjager kan zijn voor brede welvaart legt Joks uit aan de hand van de energietransitie. Zo is energiearmoede niet de enige financiële zorg voor kwetsbare inwoners. Ook op het gebied van gezondheid, werk, sociale contacten etc. hebben zij zorgen. Met de energietransitie verduurzamen we de woningen in onze stad en komen we bij inwoners achter de voordeur. In deze transitie en met dit persoonlijke contact ligt de sleutel om meerdere zaken tegelijk aan te pakken zoals gezondheid, vitaliteit, werkgelegenheid en het aanpakken van de klimaatopgave.
VRAAG UIT PUBLIEK: “Wat kunnen we zelf doen aan Brede welvaart?” ANTWOORD JOKS: “Brede welvaart is niet gebaat met wachten op regelgeving of beleid uit Den Haag of Brussel. Dus ga aan de slag, pak een onderwerp samen met anderen op en spreek goed af wat iedereen gaat doen.”
Joks sluit af met de woorden dat brede welvaart een perspectief én kompas tegelijk is voor stedelijke en regionale keuzes. Daarmee is het niet alleen een meetinstrument maar ook een afwegingskader voor gemeentelijk en regionaal beleid. Kijken vanuit de regio versterkt de samenhang en synergie tussen beleidsdomeinen, brengt knel- en kantelpunten naar voren en verscherpt de blik op het welzijn van alle inwoners. Tot slot geeft Joks drie concrete aanbevelingen aan ons mee: 1. Ga voorbij het gemiddelde Breng specifieke groepen en gebieden in kaart en pak de achterstand aan. 2. Betrek bij de aanpak de stakeholders in een interactieve dialoog 3. Kijk breed, maar kies scherp Oftewel, kijk vanuit een Brede Welvaart agenda, maar beperk het aantal thema’s waar actie op moet worden gezet.
Ten behoeve van de toekomstvisie Tilburg in 2050 heeft Het PON Telos een Brede welvaart foto gemaakt van Tilburg. Deze foto laat zien hoe een buurt, wijk of de gemeente er nu voor staat op de verschillende thema’s en waar kansen en uitdagingen liggen. De foto helpt bij de prioritering en agendering van de belangrijkste opgaven en kan zo als een eerste kompas worden gezien om te werken aan brede welvaart in de stad en dorpen. Het
biedt aanknopingspunten voor het bepalen van lange termijn doelen. Dat geldt zowel voor de gemeentelijke organisatie & bestuur, het regiobestuur als de verschillende (maatschappelijke) organisaties binnen de gemeente.
Met de Brede Welvaart foto vergelijkt Het PON Telos het Tilburg van 2023 met de situatie in 2019. Op die manier zien we de ontwikkelingen in een gebied, zowel positief als negatief. Tilburg kent indicatoren waarop we relatief goed scoren en sterk groeien maar ook indicatoren waarop we relatief slecht scoren en dalen. De onderzoekers concluderen dat Tilburg in de afgelopen jaren een aantal belangrijke stappen voorwaarts heeft gezet op brede welvaart. Zo zien zij relatief goede scores op de thema’s Energie & grondstoffen, Arbeid & vrije tijd en Onderwijs & Kennis en laten deze thema’s daarnaast ook allen vooruitgang zien. Welbevinden & vertrouwen en Bereikbaarheid & mobiliteit laten eveneens een positieve ontwikkeling zien. Aan de andere kant zien de onderzoekers een negatieve ontwikkeling terug bij de thema’s Sociale cohesie & participatie, Voeding & ecosystemen, Gezondheid & leefstijl en Wonen & woonomgeving.
Het PON Telos heeft Tilburg vergeleken met andere Nederlandse gemeenten van vergelijkbare grootte (inwonertal) op basis van een aantal kwalitatieve kenmerken (typologieën), te weten: groeigemeenten, centrumgemeenten, toeristische gemeenten, voormalig industrie gemeenten en studentensteden. Tilburg scoort in die vergelijking beter bij de thema’s Energie & grondstoffen, Kunst & cultuur, Arbeid & vrije tijd en Lucht & klimaat. Bij de thema’s Materiële welvaart & inkomen, Bodem & oppervlaktewater en Sociale cohesie & participatie scoren we daarentegen minder goed.