CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3c ontwerpbesluit wijziging omgevingsplan 'TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22l Hopliedenkade' motivering

Raadsvergadering 8 juni 2026, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22l Hopliedenkade32.607 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Figuur: Riolering in de omgeving van het plangebied Beleid en regelgeving Het waterbeleid van de gemeente Tilburg is onder meer vastgelegd in het Programma Water en Riolering 2024-2027 (PWR). Het PWR is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l, Hopliedenkade (Residentie)

41

weergeeft. Eén van de doelstellingen in het PWR is om het water- en rioleringssysteem toekomstbestendig te maken. Bij de bepaling van de benodigde waterberging of compensatie wordt er vanuit de gemeente geen rekening gehouden met de voormalige verharding op het terrein. Voor de regenwateropgave maakt het dus niet uit of het terrein voorheen onverhard (bijvoorbeeld groen waar gebouwd wordt) of al verhard was (bijvoorbeeld sloop en nieuwbouw). Hiermee gaat de gemeente Tilburg verder dan het Hydrologisch-neutraal-ontwikkelen principe van de Brabantse waterschappen waarbij alleen voor de toename van verharding een regenwateropgave geldt. De gemeente hanteert daarom het verdergaande beleid van Hydrologisch-positief-ontwikkelen. Voor nieuw verhard oppervlak geldt altijd een wateropgave ook als het terrein voorheen ook al verhard was. De regenwateropgave verplicht tot het aanbrengen van regenwaterberging en is in lijn met de wateropgave die het waterschap oplegt. Op dit moment is dat 60 mm. Voor uitbreidingen is de opgave om de nieuwe omgeving klimaatadaptief in te richten, met voldoende ruimte voor waterberging. De criteria zoals navolgend weergegeven bepalen de regenwateropgave voor verschillende categorieën van werkzaamheden.

<0000> < 50 m²: Voor een verhard oppervlakte tot 50m² wordt geen waterbergingsopgave gesteld; <0000> 50 tot 200 m²: Voor een verhard oppervlak van 50 tot 200 m² geldt in basis een opgave van 20 mm bij nieuwe toename verharding en 10 mm bij vervanging van bestaande verharding; <0000> =>200 m²: Vanaf 200 m² verhard oppervlak geldt in basis een opgave van 60 mm (zowel voor toename als vervanging). Verhard oppervlak en bergingsopgave In de bestaande situatie is het plangebied voor 75% bebouwd en verhard. Zie onderstaande tabel. Tabel Oppervlakten bestaande situatie Type oppervlak Bebouwing Verharding Groen Totaal

Oppervlak (m2)

Verhardingspercentage (%)

Verhard (m2)

Regenwateropgave (m3)

3.322 3.533 2.394 9.249

100 100 0 -

3.322 3.533 0 6.855

199 212 411

Figuur: Verharding in de bestaande situatie

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l, Hopliedenkade (Residentie)

42

De realisatie van de geplande hoogbouw en parkeergarage resulteert in een verhard oppervlak van 7.546 m2. Ten opzichte van de huidige situatie zal ten aanzien van de ontwikkeling het verhard oppervlak toenemen met 691 m2. In onderstaande tabel staan de oppervlakten van de toekomstige bebouwing(en) en verhardingen weergegeven. Tabel Oppervlakten toekomstige situatie Type oppervlak

Oppervlak (m2)

Bebouwing Verharding Daktuin (parkeergarage) Overig/onverhard Totaal

3219 3453 1249 1328 9249

Verhardingspercentage (%) 100 100 70

Verhard (m2) 3219 3453 874

Regenwateropgave (m3) 193 53 53

0

0 7546

0 453

Figuur: Verharding in de toekomstige situatie De gemeente Tilburg hanteert het beleid van Hydrologisch-positief-ontwikkelen. Voor nieuw verhard oppervlak geldt altijd een wateropgave ook als het terrein voorheen al verhard was. Om het water- en rioleringssysteem toekomstbestendig te houden is vanuit de gemeente een regenwateropgave geïntroduceerd die verplicht tot het aanbrengen van een regenwaterberging van 60 mm per vierkante meter verhard oppervlak. Op basis van de toekomstig verhard oppervlak bedraagt de waterbergingsopgave voor het plangebied in totaal 453 m3 (7.546 m2 x 60 mm). Waterhuishouding Randvoorwaarden en uitgangspunten

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l, Hopliedenkade (Residentie)

43

Ten aanzien van het plan en de omgang met hemelwater zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: <0000> Toepassen voorkeursvolgorde waterkwantiteit (vasthouden, bergen en afvoeren); <0000> Toepassen voorkeursvolgorde waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren); <0000> Niet afwentelen op anderen in ruimte en tijd; <0000> Verhard oppervlak 7.546 m2. <0000> Toename verhard oppervlak 691 m2. <0000> Wateropgave 453 m3; <0000> Aanlegdiepte bergingsvoorzieningen boven de GHG; <0000> GHG 11,50 - 12,00 m +NAP; <0000> Calamiteit in beschouwing nemen (mag niet tot overlast leiden); <0000> Geen gebruik van uitlogende (bouw)materialen. Hemelwater Voor het verwerken van regenwater hanteert de gemeente de volgende voorkeursvolgorde (vasthouden, bergen, afvoeren): <0000> Regenwater infiltreren; <0000> Regenwater bovengronds bergen in openbare groenvoorzieningen zoals wadi's, taluds, verlaagde bloemperken, etc.; <0000> Regenwater bergen op gebouwen (retentiedak); <0000> Regenwater bovengronds bergen op straat o.a. holle wegen, tussen trottoirbanden, verdiepte parkeervakken; <0000> Regenwater bergen in ondergrondse voorziening (mits goed te onderhouden); <0000> Regenwater oppervlakkig/ zichtbaar afvoeren over de weg; <0000> Regenwater ondergronds afvoeren via riolen. Water wordt bij de verdere planuitwerking expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing genomen.

In de toekomstige situatie wordt het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) gescheiden van het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) ingezameld en binnen het plangebied verwerkt. Om te kunnen voorzien in voldoende waterberging en eventueel hergebruik van regenwater, worden het dakoppervlak van gebouwen 2, 3 en 4 voorzien van waterberging Het dakoppervlak van gebouw 1 wordt vooralsnog voor 50% beschouwd als geschikt voor de aanleg van waterberging. Gebouw 5 krijgt geen waterberging. In totaal wordt 2.380 m2 aangelegd als waterberging. De daken worden voorzien van groen waar mogelijk. Op de parkeergarage wordt een daktuin aangelegd. Voor het oppervlak van de parkeergarage en daktuin met een oppervlak van 1.249 m2 is een reductie toegepast van 30%. In onderstaande figuur is de situering en ligging van de verschillende gebouwen en parkeergarage weergegeven.

Figuur: Bebouwing en toepassing groene daken

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l, Hopliedenkade (Residentie)

44

In het algemeen kan er onderscheid gemaakt worden tussen twee soorten groendaken: extensieve en intensieve groendaken. Extensief Een extensieve groendak zijn lichtgewicht begroeide daken met een kortstondige vertraagde afvoer. Deze daken worden ook wel sedum-, gras- of kruidendaken genoemd. In een dergelijke reguliere en extensieve systeemopbouw voor de beplanting en/of bestrating kan op een bepaalde mate waterberging plaatsvinden. Dit wordt ook wel sponswerking genoemd. Hoewel de sponswerking nuttig is voor bijvoorbeeld beplantingen, is het een zogenaamde niet-reguleerbare waterberging. De sponswerking van lichtgewicht begroeide daken is het grootst bij kleine tot gemiddelde regenbuien. Bij heftige en langdurige regenbuien wordt de eerste piek van de bui afgezwakt, maar de substraat- en drainagelaag zijn snel verzadigd. Met een begroeid dak van dit type kan in een toestand waarbij de maximale waterbergingscapaciteit is bereikt ongeveer 15 tot < 20 mm regenwater tijdelijk vastgehouden worden. Intensief Een intensieve groendak of te wel groenblauw dak heeft in tegenstelling tot een extensief dak een drainagelaag voorzien van extra bergingscapaciteit of retentie. Retentie is in deze het overkoepelende begrip voor het vasthouden en vertraagd afvoeren van hemelwater.

In een dergelijk systeem blijft er altijd een hoeveelheid water in de drainagelaag achter die beschikbaar blijft voor de vegetatielaag. De hoeveelheid water die blijft staan in de drainagelaag is afhankelijk van de afvoerregeling. Met een begroeid dak van dit type kan in een toestand waarbij de maximale waterbergingscapaciteit is bereikt 45 tot = 60 mm regenwater tijdelijk vastgehouden worden. Vooralsnog is met de gemeente Tilburg besproken dat voor de toekomstige dakoppervlakten van groene daken wordt uitgegaan van een beschikbare berging van 60 mm per m2. Op basis van een dakoppervlak van 2.380 m2 wordt op de groendaken voorzien in een retentie of waterberging van ca. 143 m3 (2.380 m2 x 60 mm). Het restant van de waterbergingsopgave, 310 m3 (453 m3 - 143 m3) kan bijvoorbeeld worden opgevangen door het realiseren van extra retentie in de opbouw van de daktuin en door het maaiveld binnen de groene delen in het plan te verlagen. Het vullen van het systeem kan op conventionele wijze middels kolken en verbuizing, en/of lijn,- molgoten. Eventueel kan het toepassen van het watermanagementsysteem als lijninfiltratie een mogelijkheid beiden. Kwaliteit Uitgangspunt bij elke ruimtelijke ontwikkeling is, dat de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater ten opzichte van de huidige situatie niet mag verslechteren. Waar mogelijk wordt een verbetering nagestreefd.

De waterkwaliteit wordt beïnvloed door het (veranderende) ruimtegebruik en het gebruik van bouwmaterialen. Om de water- en bodemkwaliteit niet negatief te beïnvloeden wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen (koper, zink, lood). De emissies vanuit bouwmaterialen worden beperkt door gebruik te maken van producten die voorzien zijn van een keurmerk. Grondwater In het planvoornemen is momenteel de aanleg van een parkeergarage voorzien. Ondergrondse werken mogen een vrije afstroming van grondwater naar het oppervlaktewater niet belemmeren. In overleg met de waterbeheerders zal tijdens verdere planuitwerking, middels het uitvoeren van een geohydrologisch onderzoek (zogenoemde barrièreberekening) en bemalingsadvies, moeten worden berekend c.q. worden aangetoond dat de ondergrondse constructie geen nadelige gevolgen heeft voor de omgeving. Vuilwater Hemelwater en afvalwater wordt gescheiden ingezameld, verwerkt en aangeleverd. Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater (mogelijk) wijzigen. Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. De mogelijkheden en wijze van aansluiting worden in overleg met de gemeente nader besproken. Conclusies en aanbevelingen

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l, Hopliedenkade (Residentie)

45

Er zijn vooralsnog geen aanvullende gegevens beschikbaar van de grondwaterstand op locatie. Hierdoor is geen inzicht in het lokale grondwaterregime en interactie of correlatie met neerslag of waterpeil in de Piushaven. Vanwege de realisatie van de voorziene parkeergarage en de zeer beperkte lokale grondwaterdata wordt geadviseerd om binnen het plangebied een peilbuis te plaatsen en de grondwaterstand te monitoren. In het plangebied wordt een verhard oppervlak gerealiseerd van circa 7.546 m2. De benodigde waterberging bedraagt ca. 453 m³. Hemelwater wordt in eerste instantie opgevangen op de toekomstige daken. Ter compensatie van het verhard oppervlak en het voorkomen van een versnelde afvoer van neerslag is in totaal ca. 2.380 m2 dakoppervlak voorzien als groen dak. Uitgaande van een berging of retentie van 60 mm per vierkante meter kan op de toekomstige daken 143 m3 water worden geborgen. Het restant van de waterbergingsopgave, 310 m3, zal worden opgevangen door het realiseren van extra retentie in de daktuinopbouw boven de parkeergarage en door het maaiveld binnen de groene delen in het plan te verlagen. De exacte invulling van de waterbergingsopgave en compenserende maatregelen, waaronder systeemkeuze en situering, wordt na vaststellen van de ruimtelijke motivering nader uitgewerkt in een waterhuishoudkundigplan en afgestemd met gemeente en waterschap.

Bij betreffende uitwerking zal separaat dan wel geïntegreerd ook een rioleringsplan, drainageplan en waterbergingsplan worden opgesteld. Ten aanzien van de aanleg van de parkeergarage zal in overleg met de waterbeheerders tijdens verdere planuitwerking, middels het uitvoeren van een geohydrologisch onderzoek (zogenoemde barrièreberekening) en bemalingsadvies, inzichtelijk worden gemaakt of de ondergrondse constructie geen nadelige gevolgen heeft voor de omgeving. 4.1.6 Natuur en ecologie De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Omgevingswet en is grotendeels bepaald door de Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Onder de Omgevingswet wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende activiteiten die de natuur betreffen. Natura 2000 Het Natura 2000-netwerk bestaat uit gebieden die zijn aangewezen onder de Vogelrichtlijn en onder de Habitatrichtlijn. Werkzaamheden die worden uitgevoerd binnen de grenzen van een Natura 2000-gebied of die significante gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied vallen onder een ‘Natura 2000-activiteit’ en zijn vergunningsplichtig. Een Natura 2000-activiteit is een activiteit dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.

Of een activiteit al dan niet significante gevolgen kan hebben dient voorafgaand aan de activiteit met een passende beoordeling of het doorlopen van een ADC-toets te worden onderzocht. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend. Het plangebied ligt op ruime afstand van wettelijk beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft het gebied “Kampina & Oisterwijkse Vennen” dat op ongeveer 3,3 kilometer ten oosten van het plangebied ligt. Een andere nabijgelegen Natura2000-gebied is “Regte Heide & Riels Laag” op ongeveer 4,9 kilometer. Gezien deze afstand en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling kunnen directe negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l, Hopliedenkade (Residentie)

46

Figuur: Ligging plangebied (blauwe marker) ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland en Natura2000-gebieden (Bron: Atlas Leefomgeving) Indirecte effecten zoals stikstofdepositie kunnen op voorhand niet worden uitgesloten. Om deze effecten te bepalen zijn er stikstofdepositieberekeningen uitgevoerd. Deze onderzoeken zijn als bijlage bij deze onderbouwing bijgevoegd. Voor de gebruiksfase zijn de volgende uitgangspunten genomen: <0000> Verkeersaantrekkende werking: a. De verkeersaantrekkende werking is in paragraaf 5.1.2 bepaald op 725 verkeersbewegingen per etmaal. b. Er is geen rekening gehouden met vrachtverkeer vanwege de milieunormen die gelden in het gebied. <0000> Koude starts: a. Uitgangspunt is dat alle vertrekkende bewegingen een koude start genereren. Dit komt neer op 363 koude starts per etmaal. <0000> Verkeersverdeling: a. Uitgegaan is van de volgende verkeersverdeling: Het verkeer verdeelt zich gelijkmatig over 4 windrichtingen (25% elk), rekening houdende met eenrichtingswegen. b. Het verkeer dat in noordwestelijke richting gaat, is vanwege eenrichtingswegen ingevoerd voor 12,5%. Het verkeer gaat hier op de Koopvaardijstraat/Piusstraat. c. Het verkeer in oostelijke richting gaat op in het heersende verkeersbeeld op de Wethouder Baggermanlaan. De toename van het verkeer ligt onder de waarde van 5% van de heersende intensiteit. d.

Het verkeer in zuidelijke richting gaat op in het heersende verkeersbeeld op de Groenstraat. De toename van het verkeer ligt onder de waarde van 5% van de heersende intensiteit. e. Het verkeer in westelijke richting gaat op in het heersende verkeersbeeld op de Broekhovenseweg. De toename van het verkeer ligt onder de waarde van 5% van de heersende intensiteit. Deze uitgangspunten resulteert in een toename van 0,00 mol N/ha/jaar voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase. In bijlage 5 (stikstofmemo) en bijlage 6 en bijlage 7 (Aeriusberekeningen) is de stikstofberekening opgenomen. Soortenbescherming In het wild levende planten en dieren zijn beschermd onder de wet. Bij handelingen of werkzaamheden die effect hebben op deze soorten zal een vergunning voor een ‘flora en fauna-activiteit’ aangevraagd moeten worden. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën: <0000> Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats <0000> Overige inheemse broedvogels zoals bedoeld in de Vogelrichtlijn <0000> Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn <0000> Soorten vermeld in bijlage II bij het verdrag van Bern

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l, Hopliedenkade (Residentie)

47

<0000> <0000>

Soorten vermeld in bijlage I bij het verdrag van Bonn Nationaal beschermde soorten vermeld in bijlage IX van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en eieren opzettelijk te vernielen of te rapen en tevens rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode. Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om eieren of rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen.

De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er is geen vergunning nodig indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode of voor het vangen of opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste rust of verblijfplaatsen of rustplaatsen van soorten genoemd in tabel 3.82 van de TAM-Omgevingsverordening Noord-Brabant.

Toetsing Er is een quickscan flora fauna uitgevoerd (bijlage 8) om inzichtelijk te maken welke beschermde plant- en diersoorten aanwezig (kunnen) zijn binnen het plangebied. Dit document is als Bijlage 4 bij deze motivering gevoegd. In onderstaande tabel staan de voornaamste conclusies uit het onderzoek. Soorten Flora Vleermuizen Grondgebonden zoogdieren Vogels Vissen Reptielen en amfibieën Ongewervelden

Negatieve effecten te verwachten? Nee

Algemene vrijstelling?

Nader onderzoek geadviseerd?

-

-

Ja Ja

Nee Ja

Ja, gebouwbewonende vleermuizen Nee

Ja Nee Nee Nee

Nee -

Ja, huismus -

Voor grondgebonden zoogdieren, gebouwbewonende vleermuizen en huismus kunnen negatieve effecten vanwege het plan niet worden uitgesloten. Voor grondgebonden zoogdieren geldt een algemene vrijstelling conform het Besluit activiteiten leefomgeving. Wel dient de zorgplicht in acht te worden genomen. Voor gebouwbewonende vleermuizen en huismus wordt nader onderzoek geadviseerd. Echter, voor de huismus, gierzwaluw en vleermuizen binnen de bebouwde kom (woongebieden) van Tilburg, Berkel-Enschot, Udenhout en Biezenmortel is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) bij sloop, renovatie of verduurzaming van woningen. Deze ontheffing staat gelijk aan de vergunning voor een flora- en fauna-activiteit onder de Omgevingswet (Besluit activiteit leefomgeving). De ontheffing is afgegeven tot 13 maart 2028. Aangezien de bebouwing binnen het plangebied vóór die datum wordt gesloopt, kan gebruik worden gemaakt van de ontheffing. Er dient een aanvraag gedaan te worden om gebruik te maken van deze ontheffing. Na de aanvraag moet er een ecologisch werkprotocol (ewp) worden opgesteld met daarin mitigerende en compenserende

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l, Hopliedenkade (Residentie)

48

maatregelen. Na goedkeuring van het ewp wordt een overeenkomst opgesteld en ondertekend opgestuurd naar de initiatiefnemer. Dit geldt dan als bewijs dat er gewerkt wordt onder de gebiedsontheffing. . Ten behoeve van de Wnb-ontheffing is een soortenmanagementplan (SMP) opgesteld. In dit SMP zijn maatregelen opgenomen om het opzettelijk doden van dieren, te voorkomen. Het SMP bestaat uit een hoofdrapport en aantal deelrapporten, waaronder een deelrapport voor 'Oude stad'. Het hoofdrapport en deelrapport Oude Stad zijn als Bijlage 9 en Bijlage 10 bij deze motivering opgenomen. De gemeente Tilburg is ontheffingshouder en daarmee verantwoordelijk voor implementatie en toepassen van de voorwaarden in de ontheffing. Voor dit project heeft gemeente Tilburg de ontheffing ingezet. De sloopactiviteiten dienen plaats te vinden conform de voorwaarden uit het SMP. Daarmee wordt een overtreding van het Besluit activiteit leefomgeving voorkomen. Specifieke zorgplicht Nieuw binnen de Omgevingswet is de specifieke zorgplicht. De specifieke zorgplicht geldt altijd, ook bij floraen fauna-activiteiten die niet vergunningsplichtig zijn.

De specifieke zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer die een flora en fauna-activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de bescherming van de aanwezige natuur verplicht is alle maatregelen te nemen om negatieve gevolgen te voorkomen. In de Omgevingswet zijn er ten aanzien van de specifieke zorgplicht een aantal verplichtingen opgenomen. Zo dient er voorafgaand aan het verrichten van de activiteit te worden nagegaan of op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid daarvan soorten kunnen voorkomen die van nature in Nederland in het wild leven of voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats. Bij aanwezigheid van soorten dient te worden onderzocht/nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor planten of dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen en hun eieren en dienen passende preventieve maatregelen getroffen te worden. Tot slot dient er tijdens en na het verrichten van de activiteit te wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben. Als nadelige gevolgen niet voorkomen kunnen worden, zullen de werkzaamheden moeten worden gestaakt.

Wanneer de zorgplicht aan de orde is dient de gemeente hiervan te worden geïnformeerd en kan in overleg met de ecologen mogelijk gezorgd worden naar een oplossing. Omgevingsverordening Brabant Naast genoemde wettelijke kaders vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in de Omgevingsverordening en het Nationaal Natuurnetwerk Nederland, wat op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciaal vastgelegde natuurwaarden bestaan uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en zones met Groenblauwe waarden. Deze groenstructuren zijn ruimtelijk vastgelegd in de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden. De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke omgevingsplannen. Binnen Groenblauwe waarden is het beleid gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van een klimaatbestendig en veerkrachtig watersysteem en de ontwikkeling van groenblauwe waarden, natuur en landschap.

Voor de natuur betekent dit vooral versterking van de leefgebieden voor plant- en diersoorten en de bevordering van de biodiversiteit buiten het NNB. Binnen de groenblauwe waarden streeft de provincie naar een samenhangende aanpak van natuur, landschap en water die de omgevingskwaliteit en recreatiemogelijkheden versterkt en waardoor de gevolgen van klimaatveranderingen voor de natuur en het watersysteem beter kunnen worden opgevangen. Binnen Groenblauwe waarden geldt dat ontwikkelingen bijdragen aan de natuur- en landschapswaarden en het bodem- en watersysteem. Toetsing Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Brabant en de Groenblauwe waarden, zoals begrensd op de kaarten van de Omgevingsverordening Noord-Brabant. De dichtstbijzijnde gebieden die tot het Natuurnetwerk Brabant behoren, liggen op circa 1,1 kilometer ten zuidoosten van het plangebied (Nieuwe Leij). Externe effecten op het Natuurnetwerk Brabant, zoals benoemd in artikel 5.31 van de Omgevingsverordening, zijn gezien deze afstand en zeer beperkte externe invloed redelijkerwijs uit te sluiten.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l, Hopliedenkade (Residentie)

49

4.1.7 bomenverordening en beleidsregels bomen 2024 Bomen staan steeds meer onder druk. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van stedelijke druk. Dat is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Ook zijn ze van nadrukkelijk belang voor biodiversiteit, klimaatadaptatie en een gezonde leefomgeving. Om er niet te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken door o.. stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden, is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Daarom zijn onderstaande documenten vastgesteld: <0000> Bomenverordening Gemeente Tilburg 2024 <0000> Beleidsregels Bomen 2024 <0000> Boomwaarde zoneringskaart 2024 (BWZ-kaart) <0000> Kaart Monumentale Bomen Tilburg (KMBT) Deze documenten samen zorgen ervoor dat er een juiste balans is tussen ruimtelijke ontwikkelingen en de leefbaarheid van de stad. Bomenverordening 2024 en beleidsregels Bomen 2024 De Bomenverordening en de beleidsregels Bomen 2024 bieden het particuliere en gemeentelijke bomenbestand bescherming met een velverbod met bijbehorende regels (vellen = rooien, kappen, verplanten of snoeien van meer dan 20% van de kroon of wortels).

Hierbij wordt onderscheid gemaakt in een normaal en hoog beschermingsregime (zie BWZ-kaart en de KMBT). Ook de compensatieverplichting maakt onderdeel uit van de Bomenverordening en beleidsregels. Boomwaarde zoneringskaart 2024 (BWZ-kaart) Deze kaart geeft alle huidige openbare en particuliere houtopstanden in de gemeente Tilburg een waarde; er zijn zones met houtopstanden met een klimaat- , eco- of basiswaarde en daarnaast is er de buiten-zone. Voor bomen in deze zones zijn in de Bomenverordening en de beleidsregels Bomen criteria opgesteld o.a. over het verlenen van omgevingsvergunningen (bescherming tegen vellen), compensatieverplichting en straatbeeld. <0000> Hoog beschermingsregime: monumentale bomen en bomen met een klimaat- of ecowaarde. Het is in principe verboden deze bomen te vellen. Een vergunning wordt alleen afgegeven als er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang dat zwaarder weegt dan het duurzaam behoud van de boom. <0000>

Normaal beschermingsregime: dit zijn bomen met een basiswaarde of in de buiten-zone. Een omgevingsvergunning voor het vellen van deze bomen wordt verleend, tenzij er weigeringsgronden zijn op basis van natuur- en milieuwaarde, landschappelijke waarde, waarde voor straat- of stadsbeeld cultuurhistorische waarde, waarde voor recreatie of klimaatadaptieve waarde.

Kaart Monumentale Bomen (KMBT) Op de KMBT staan alle monumentale bomen in de gemeente Tilburg (particulier en gemeentelijk). Voor deze bomen zijn in de Bomenverordening en de beleidsregels Bomen criteria en regels opgesteld, waardoor ze voldoende juridische bescherming krijgen. Monumentale bomen vallen onder het eerder genoemde hoge beschermingsregime. Daarnaast hebben gemeentelijke monumentale bomen een hoge prioriteit bij het gemeentelijk beheer en onderhoud. Omgevingswet: bescherming houtopstanden buiten de bebouwde kom Naast de bomenverordening en de beleidsregels Bomen 2024 kunnen de rijksregels volgens de Omgevingswet over vellen van bomen gelden. Deze rijksregels zijn van kracht in het buitengebied van Tilburg. Wat er precies onder buitengebied valt, is vastgelegd met de bebouwingscontour kap (deze wordt vastgesteld door de gemeenteraad). Waar deze contour/grens precies ligt, is op de boomwaarde zoneringskaart terug te vinden. Voor bepaalde groepen houtopstanden die buiten de bebouwingscontour kap staan (dus in het buitengebied), geldt op grond van de rijksregels over vellen een verplichting; bij velling van groepen houtopstanden met een grootte van meer dan 10 are of bij vellingen in een rij van meer dan 20 bomen geldt een meld- en herplantplicht bij het bevoegd gezag. Dit kan bijvoorbeeld de provincie zijn of het ministerie van LNNV. Zij kunnen een velverbod opleggen.

Als er geveld gaat worden, dan is er op grond van de rijksregels de eis dat er ook weer een gelijk aantal bomen worden teruggeplant. Veel Tilburgse bossen maar ook andere terreinen met veel bomen vallen onder de rijksregels over vellen. Voor bossen en andere terreinen die binnen de bebouwingscontour vallen (dus in het stedelijk gebied), zijn de rijksregels niet van kracht, maar de Bomenverordening 2024.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l, Hopliedenkade (Residentie)

50

In de buiten-zone (van de BWZ-kaart) kunnen naast de rijksregels ook een gemeentelijk velverbod op grond van de Bomenverordening gelden. Beide regelingen kunnen in de buiten-zone dus naast elkaar van toepassing zijn. Toetsing De voorgenomen sloop en nieuwbouw binnen het plangebied heeft directe gevolgen voor de leibomen (35 stuks leilinden) aan de Hopliedenkade en een aantal platanen aan de Tamboerskade. Op onderstaande afbeelding zijn de betreffende bomen aan de Piushaven en Tamboerskade groen omcirkeld en de leibomen groen omlijnd. Volgens de digitale kaart 'Monumentale bomen' van gemeente Tilburg komen er geen monumentale bomen binnen of direct buiten het plangebied voor.

Afbeelding: Werkzaamheden ten opzichte van de te behouden bomen Voor het plan is een BoomEffectAnalyse (bijlage 11) opgesteld. De leilindes kunnen uit praktisch oogpunt niet behouden blijven in verband met het bouwverkeer dat over de Hopliedenkade zal rijden en opstelplekken moet krijgen. Bovendien passen de bomen niet in de nieuwe ontwerpgedachte van de Hopliedenkade. De kade zal worden ingericht als een overzichtelijke en doorwaadbare openbare ruimte, waarbij de verschillende groene plekken tussen de gebouwen verbonden zullen worden. De vergroening van de oude kade vindt plaats door aanplant van een meer divers assortiment van solitaire bomen, met grotere en beter verspreide boomkronen. De nieuwe bomen zullen daardoor meer toevoegen aan klimatologische en ecologische doelen dan de lindes die er nu staan. Voor de platanen aan de Tamboerskade en Piushaven is onderzocht wat ervoor nodig is om deze bomen te behouden. Aangezien de bomen zowel in de huidige als toekomstige situatie dicht op de bebouwing staan, kunnen de bomen niet duurzaam worden behouden. Er is gestudeerd op diverse ontwerpen om zo veel mogelijk bomen te kunnen behouden. Hiermee hebben we het grootste gedeelte van de bomenlaan aan de Tamboerskade weten te sparen.

Echter heeft de nieuwbouw en de werkzaamheden die hiermee gepaard gaan, als gevolg dat er vier platanen aan de Tamboerskade niet duurzaam behouden kunnen blijven en dus gekapt moeten worden (bijlage 7).

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l, Hopliedenkade (Residentie)

51

Figuur: Uitsnede Boomwaardezoneringskaart 2024 met plangebied blauw omkaderd. Uit de boomwaardezoneringskaart 2024 volgt dat het groen binnen het plangebied is aangemerkt als 'ecowaarde'. Volgens de Bomenverordening Tilburg 2024 is het binnen gebiedstype 'ecowaarde' verboden om houtopstanden te vellen voor zover het bomen betreft met een minimale stamomtrek van 40 cm gemeten op 1,30m hoogte boven het maaiveld. Van dit verbod kan het bevoegd gezag ontheffing verlenen indien een zwaarwegend maatschappelijk belang zwaarder weegt dan duurzaam behoud van de houtopstand. In dit geval weegt het maatschappelijke belang van de herontwikkeling binnen het plangebied, waarbij 150 woningen worden toegevoegd om te voorzien in de grote woningbehoefte en tevens een impuls wordt gegeven aan de Piushaven, zwaarder dan het belang om de bomen te behouden. Bovendien zijn in het nieuwe ontwerp voor de buitenruimte nieuwe bomen ingepast ten behoeve van enerzijds de waarde voor het straatbeeld en anderzijds vanwege de ecologische en klimaatadaptieve waarde. Er wordt in totaal 6065 m3 aan kroonvolume verwijderd. Om dit te compenseren worden er 27 bomen terug geplant zodat het verwijderde kroonvolume na 15 jaar hersteld is. In de volwassen situatie leveren deze bomen 30% extra kroonvolume ten opzichte van de huidige situatie.

De bomen worden conform de richtlijnen uit de Bomenverordening Tilburg 2024 gecompenseerd in het plangebied.

Figuur: Concept inrichtingsplan openbare ruimte (Bron: Gemeente Tilburg)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l, Hopliedenkade (Residentie)

52

De vergunning voor het vellen van bomen zal worden aangevraagd in kader van de realisatie van het project en doorloopt een afzonderlijke procedure. Er is in voldoende mate aangetoond dat er in de nieuwe situatie voldoende hoogwaardig groen terugkomt, ondanks dat de leilinden en platanen zullen worden geveld. De bomen die behouden moeten blijven worden op de boomwaardekaart en worden daarmee in het omgevingsplan beschermd. 4.1.8 Groen, klimaat en duurzaamheid Agenda groen in de stad De agenda groen in de stad (vastgesteld door het college op 19 juli 2016) gaat over de toekomst van groen in de stad. De agenda groen geeft de kaders om de impuls voor groen in de stad goed in te zetten. Het geeft duidelijk richting aan de groene koers voor de in de omgevingsvisie 2040 omschreven netwerken, gebieden en structuren en omvat een integrale visie op het groen voor de (middel)lange termijn gebaseerd op de drie pijlers klimaatbestendige stad, beleefbaar groen en het verhogen van biodiversiteit. Voor het halen van de doelstellingen op het gebied van biodiversiteit is de Stadsnatuurkaart 2040 opgesteld (gekoppeld aan agenda groen in de stad). Inmiddels is deze op 10 maart 2022 geactualiseerd (vastgesteld door de raad). Nota biodiversiteit 2024 Biodiversiteit omvat de totale verscheidenheid van alle levende planten en dieren op aarde. De biodiversiteit neemt wereldwijd af.

Het doel van de nota, vastgesteld door de raad op 19 juli 2010 en geactualiseerd op 1 juli 2024 is de biodiversiteit in de gemeente Tilburg te verhogen en beter te beschermen. Voor de diversiteit van de flora en fauna zet de gemeente zich in aan de hand van vijf thema's. Er wordt ingezet op het (A) realiseren en borgen van leefgebieden en verbindingen, (B) het ecologisch beheren voor betere leefgebieden, (C) basiskwaliteit natuur als uitgangspunt in de gemeente Tilburg (in de nota inrichtingsbouwstenen genoemd). De ecologie wordt gemonitord om (D) zicht te houden en krijgen op hoe het gaat met de natuur. Als laatste zet de gemeente zich in op (E) kennisdeling en -vergaring. De stadsnatuurkaart 2040 maakt onderdeel uit van de beleidsnota biodiversiteit 2024 en is naast de inrichtingsbouwstenen van belang om de biodiversiteit op orde te krijgen. Door de inrichting van gebieden en/of structuren aan te sluiten bij de inrichtingsbouwstenen, kunnen soorten behouden worden en/of hun leefgebieden worden verbeterd. Hierbij kan worden gedacht aan het toepassen van bomen, struiken, water, gazon, bloemrijk grasland en/of faunavoorzieningen. Om deze goed te kunnen toepassen is de gemeente in zes verschillende ecotopen opgedeeld: oude stad, bedrijventerreinen, wijken en dorpen, agrarisch gebied, natuurgebied en de ecologische structuur (stadsnatuurkaart 2040).

Voor elke ecotoop wordt aangegeven welke inrichtingsbouwstenen er nodig zijn om de biodiversiteit te vergroten. Dit is afgestemd op de dier- en plantsoorten die in deze ecotopen (moeten) voorkomen. Toetsing De openbare ruimte van de Residentie wordt een combinatie van waterberging en beplanting. Vanuit de Nota biodiversiteit is de ambitie gesteld om minimaal 80% van de beplanting bij te laten dragen aan de biodiversiteit. Hierbij is het van belang dat zoveel mogelijk wordt ingezet op inheemse beplanting. Als dit niet kan of past binnen het plangebied dan dienen zoveel mogelijk klonen met enkelbloemige bloemen van inheemse beplanting te worden toegepast. Stadsnatuurkaart 2040 De laatste versie van de Stadsnatuurkaart 2040 is vastgesteld als onderdeel van de beleidsnota biodiversiteit Biodiversiteit en natuur zijn belangrijk voor al onze inwoners en de aantrekkelijkheid van de stad. Samen met de Bomenverordening, bijbehorend bomenbeleid en omgevingsplannen vormt de Stadsnatuurkaart 2040 de beleidsmatige randvoorwaarden en instrumenten die ervoor moeten zorgen dat biodiversiteit in het stedelijk gebied behouden blijft en wordt versterkt. Op de Stadsnatuurkaart 2040 zijn onder meer de ecologische structuren en plekken benoemd. Hieraan is een duidelijke maatvoering gekoppeld.

Deze maatvoering wordt zowel bij de start van ruimtelijke ontwikkelingen als gedurende het verdere proces meegenomen om zo de ecologische kwaliteit op een juiste manier mee te nemen. De grote ambities en veelheid van belangen die spelen in ruimtelijke ontwikkelingen, maken een heldere en duidelijke structuur en maatvoering voor ecologie noodzakelijk. Dit alles moet ertoe leiden dat ecologische plekken en structuren ecologisch functioneren.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l, Hopliedenkade (Residentie)

53

Toetsing De Piushaven is onderdeel van de stadsnatuurkaart, vanaf het Wilhelminakanaal tot Den Ophef ligt er een 1e orde ecologische structuur, daarna volgt er sec aan de noordzijde (dus niet aan de Hopliedenkade) een 3e orde ecologische structuur. De Piushaven zelf heeft al veel natuurlijke oevers met riet, wilgen en bloemrijke bermen. Deze vormen een grotendeels ononderbroken structuur. De verbondenheid stopt ter hoogte van de verbreding van de haven waar het splitst in de twee havenkoppen. De ontwikkeling ligt ter hoogte van de zuidelijke drooggelegde havenkop De gebiedsontwikkeling levert een belangrijke bijdrage aan het versterken van de ecologische structuur.

Afbeelding: doorlopende structuur Piushaven Afwegingskader 'mag het licht uit' Openbare verlichting is van groot belang voor de veiligheid en daarmee ook voor het gebruik en de beleving van de openbare ruimte. Het wordt vaak als vanzelfsprekend beschouwd dat wegen en paden verlicht worden. Maar op sommige plekken is verlichting juist niet gewenst. Veel kunstlicht is verstorend voor mensen en dieren. Met name nachtdieren worden onder andere bedreigd door te veel kunstlicht. In het afwegingskader ‘mag het licht uit?’ wordt aangegeven waar vanuit ecologie de duisternis gewenst is en waar deze behouden of teruggebracht zal worden. Dat geldt in eerste instantie voor openbare verlichting. Het afwegingskader wordt ingezet bij projecten om een integrale afweging te maken voor wel of geen verlichting of zo nodig aangepaste verlichting. Bij een voorgenomen (nieuwbouw)project zal in een gebied dat aangeduid is op de donkertekaart, een integrale afweging van de belangen plaatsvinden. Toetsing Voor deze ontwikkeling geldt dat sfeerverlichting is toegestaan, op een manier dat de ecologische structuur blijft functioneren. Voornamelijk de vleermuizen in de Piushaven kunnen last hebben van de verlichting. Door zoveel mogelijk gebruik te maken van gerichte verlichting, natuurvriendelijke verlichting en verlichting met dimregimes, worden negatieve effecten voorkomen.

Puntensysteem voor natuur- en groeninclusief bouwen Er worden in onze gemeente veel nieuwe woningen en bedrijven gebouwd. Om een gezonde, aantrekkelijke en toekomstbestendige leefomgeving voor mens en dier te maken, moeten de natuur (en ook klimaatadaptatie) een volwaardige plaats krijgen in deze gebiedsontwikkelingen. Het instrument duurzaamheid (klimaatscores en puntensysteem natuurinclusief bouwen) helpt ontwikkelaars en archtitecten om natuur- en klimaatinclusief te bouwen en toetsing daarop mogelijk te maken. Op termijn gaat dit instrumentarium verankerd worden in het omgevingsplan (en krijgt daarmee een verplichtend karakter). Toetsing Binnen het systeem moeten punten behaald worden voor gebouwgroen (7), verblijfplaatsen (10) en omgevingsgroen (13). Dat betekent dat in de openbare ruimte voldoende ruimte gereserveerd moet worden voor bijvoorbeeld inheemse struiken en bomen, bloemrijk grasland en/of natuurlijke wadi's.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l, Hopliedenkade (Residentie)

54

Gebiedsontheffing gebouwbewoonde soorten De gemeente werkt sinds 2016 met een gebiedsontheffing voor gebouwbewonende vleermuizen en broedvogels. Hiermee worden noodzakelijke procedures vanuit de Omgevingswet vereenvoudigd. Doe van het soortenmanagementplan (SMP) en bijbehorende gebiedsontheffing is de gunstige staat van instandhouding van gebouwbewonende vleermuizen en vogels te waarborgen. Dat wil zeggen dat bij elk project (zowel van derden als van de gemeente) preventieve maatregelen worden genomen, gericht op het behouden en verbeteren van het aanbod van verblijfplaatsen. Het SMP kan ook gebruikt worden bij de verduurzaming van woningen, waarbij aandacht ligt op de leefgebieden van gebouwbewonende soorten. Met name bij de isolatie van spouwmuren en daken. Maatregelen in het plan Met de stadsnatuurkaart, het bomenbeleid, de nota biodiversiteit en het puntensysteem natuurinclusief bouwen heeft de gemeente Tilburg een beleidskader om Tilburg meer natuurinclusief en biodiverser te maken. In dit plan ligt de ambitie voor wat betreft groen en klimaatadaptatie hoog. Er wordt met de inrichting van de openbare ruimte geanticipeerd op het extremer wordende weer. Het maaiveld wordt zo groen mogelijk ingericht. Daar waar mogelijk worden bomen toegevoegd. Daar waar bebouwing komt worden de gevels en daken zo groen mogelijk.

Op de platte daken en terrassen worden (gemeenschappelijke) groene tuinen gerealiseerd. Op de parkeerkelder wordt gronddekking aangebracht. Hiermee ontstaat een voedingsbodem voor de beplanting van onder andere het gevelgroen. De Middenpier krijgt een aantrekkelijk en groen karakter. Qua materialisatie wordt er aangesloten op de bestaande kade. Op deze kade worden bomen toegevoegd en plantvakken gemaakt. Er worden ontmoetingsplekken en verblijfsplekken gemaakt. Door de groene inrichting van het plangebied kan de doorlopende structuur van de Piushaven worden versterkt, waarmee de ecologische corridor verder de stad ingetrokken wordt. Met het inrichten van de groene haven, het maken van groen gevels en groene daken en daktuin wordt het areaal aan groen/ flora substantieel vergroot. Er zullen ook meer nestkasten, verblijfsplaatsen en schuilplekken voor dieren/fauna in deze ontwikkeling gerealiseerd worden. 4.1.9 energie en warmte Regionale Klimaat- en Energiestrategie (REKS) In regionaal verband is een REKS opgesteld. Met de REKS voor regio Hart van Brabant is in kaart gebracht waar energie kan worden bespaard en duurzaam kan worden opgewekt en hoe de fysieke leefomgeving kan worden aangepast aan het veranderende klimaat. Transitievisie warmte In het gebied binnen de Ringbanen voorziet de gemeente voorlopig geen grote ingrepen richting aardgasvrij. Het gebied is erg divers.

Er staan veel verschillende gebouwen, zowel oude monumenten als nieuwbouw. Voor het gebied zijn tijdelijke, individuele oplossingen interessant. Ook zullen we proberen kansen te benutten. Bijvoorbeeld als een woningcorporatie haar huurwoningen gaat renoveren en de omliggende koopwoningen kunnen worden meegenomen. Voor deze ontwikkeling geldt dat deze gasvrij wordt opgeleverd. De verwarming van de woningen zal plaatsvinden via een indivuele warmtepompen, waarschijnlijk een luchtwarmtesysteem. Duurzaamheidsbeleid voor nieuwbouw van woningen en utiliteitsbouw Hoewel in de nota Duurzaamheidsbeleid voor nieuwbouw van woningen en utiliteitsbouw, energieneutraal bouwen het uitgangspunt is, is dit voor gestapelde bouw in meer dan 5 bouwlagen momenteel niet haalbaar. Daarbij kunnen in dit omgevingsplan geen extra eisen bovenop de eisen uit het Bbl worden gesteld. Het project beoogt voor alle woningen BENG < 25 kWh/m2/jr.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l, Hopliedenkade (Residentie)

55

Toetsing De beoogde ontwikkeling maakt appartementen en ruimten voor commerciële en maatschappelijke functies mogelijk. Deze zullen voldoen aan de hedendaagse kwaliteit- en duurzaamheidseisen. Dat wil enerzijds zeggen gedegen isolatie en warmtepompen om energieverbruik te minimaliseren. Anderzijds worden duurzame energiebronnen ingezet, zoals zonnepanelen op daken. 4.1.10 archeologie, cultuurhistorie en landschap Toetsingskader archeologie In 1992 heeft Nederland het Verdrag van Valletta (Malta) ondertekend. Dit verdrag bepaalt, dat er op verantwoorde wijze dient te worden omgegaan met archeologisch erfgoed, onder andere bij planontwikkelingen. Dit verdrag komt momenteel tot uitdrukking in de Erfgoedwet. Het doel van het verdrag is het beschermen en behouden van archeologisch erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen. Het uitgangspunt hierbij is dat het behoud van archeologische waarden in situ (op de oorspronkelijke plaats) voorgaat op het behoud ex situ (opgraven en bewaren in depot). Van belang is dat door middel van vooronderzoek tijdig inzicht wordt verkregen in de archeologische waarden van een gebied, zodat deze bij beoogde planontwikkelingen kunnen worden betrokken. Toetsingskader cultuurhistorie Het cultureel erfgoed van Nederland wordt beschermd met de Erfgoedwet.

Het Rijk pleit voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie, dus (onder meer) monumenten en archeologie gezamenlijk, in gebiedsvisies en omgevingsplannen. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. De verwachting daarbij is dat overheden, initiatiefnemers, eigenaren, ontwikkelaars en ruimtelijke ontwerpers er toe aangezet worden om de waarde van het cultureel erfgoed als kans te zien bij de ontwikkeling van gebieden en het realiseren van economische en maatschappelijke doelen. In lijn met de Erfgoedwet neemt de gemeente Tilburg bij planontwikkelingen een onderbouwing op over de bij het plan betrokken (bouw)historische waarden en de archeologische waarden. Daarbij wordt de planontwikkeling getoetst aan de gemeentelijke monumenten verordening Tilburg, Routekaart Ruimtelijk Cultureel Erfgoed en de gemeentelijke welstandsnota. Historische geografie Tilburg is gelegen op een dekzandrug die loopt van Breda, Den Bosch naar Oss. In het golvende patroon van deze dekzandrug liepen vroeger een aantal beken. De Piushaven is aan het begin van de vorige eeuw deels aangelegd in de bedding van de Korvelse Waterloop. Vanaf 1794 werden al plannen ontwikkeld voor een kanaal dat Tilburg met de zeehavens verbond. Het laatste plan werd in de periode 1910-1923 uitgevoerd.

Op 4 april 1923 is de Piushaven voor het scheepvaartverkeer geopend. De Piushaven is met een toeloopkanaal verbonden met het Wilhelminakanaal. Het Wilhelminakanaal vormt de verbinding tussen de Zuid-Willemsvaart en de Maas (via de Donge). Met deze twee kanalen is Tilburg nu met diverse steden verbonden (o.a. Breda, Tilburg, Helmond, Den Bosch, Maastricht). Via de Maas zijn de zeehavens bereikbaar. Aan het begin van de vorige eeuw was deze bereikbaarheid van groot belang voor de export van producten uit de lokale (wol) industrie en de import van (bulk)goederen. Na de aanleg van de nieuwe haven in Loven werden de havenactiviteiten vlak bij het centrum minder en raakte de haven deels in verval. Vanaf 1998 is de herontwikkeling van de Piushaven en omgeving begonnen. De bereikbaarheid van de haven is nog steeds van groot belang voor de huidige bezoekers van de passantenhaven. De Piushaven bestond uit twee havenarmen met vier laad- en loskades. De middenpier met twee kades werd vooral gebruikt voor bulkgoederen. In 1983 is de zuidelijke havenarm gedempt ten behoeve van de bouw van het appartementencomplex "De Residentie". Archeologie De planlocatie kent geen archeologische verwachtingswaarde. Bij de aanleg van de Piushaven zijn eventueel aanwezige archeologische waarden bovendien al verstoord. Nadien is de havenarm gedempt met zand,

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l, Hopliedenkade (Residentie)

56

waardoor geen archeologische waarden te verwachten zijn. Derhalve wordt een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht. Cultuurhistorie, objecten en structuren, historisch groen In de ondergrond zit bij de oorspronkelijke tweede havenarm nog de fundering van de kademuur, deze fundering zal bij de bouw van de parkeergarage komen te vervallen. Deze paalfunderingen hebben echter geen formele status als beschermd monument. Het plangebied vormt een relatief klein onderdeel van de totale Piushaven. Na verwijdering van het relatief kleine aandeel aan funderingpalen binnen de Piushaven, blijft er voldoende bewaard op andere plekken in de Piushaven.

4.2 milieu en gezondheid 4.2.1 Milieueffectrapportage Of een besluit project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van maximaal 272 appartementen. Hiermee valt de beoogde ontwikkeling onder de categorie 'stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen'. In dit geval worden de maximaal 272 appartementen en ongeveer 1.000 m² t.b.v. commerciële en/of maatschappelijke functies gerealiseerd. Ook de (openbare) ruimte rondom de bebouwing wordt opnieuw ingericht. Gelet op de aard en omvang kan het project worden aangemerkt als 'stedelijk ontwikkelingsproject' en moet een m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd. In het kader van bovenstaande is er een m.e.r.-beoordelingsnotitie opgesteld (bijlage 12). Hieruit blijkt dat het plangebied niet is gelegen in kwetsbaar gebied en/of een gebied met een beschermde status. Verder leiden de aard en omvang van het project niet tot aanzienlijke milieueffecten.

De activiteiten die mogelijk worden gemaakt zijn, gelet op de plaats van de activiteiten en de kenmerken van potentiele effecten, niet zodanig van invloed op het milieu dat een milieueffectrapportage (MER) moet worden opgesteld en een volledige MER-procedure moet worden doorlopen. 4.2.2 Bedrijven en milieuzonering Bij de realisatie van nieuwe ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de milieuzonering van die bedrijfsactiviteiten en omliggende bedrijfsactiviteiten. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) die per bedrijfssoort aangeeft van welke milieu-invloed (in de vorm van geur, stof, geluid en gevaar) kan worden uitgegaan en met welke indicatieve (richt)afstand tussen een bedrijf en een rustige woonwijk rekening moet worden gehouden. Voor gebieden met functiemenging (stadscentra, winkelcentra, woonwerkgebieden met kleinschalige vooral ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies) reikt de brochure een afzonderlijke staat van bedrijfsactiviteiten aan waarin is vermeld welke bedrijfsactiviteiten uit het oogpunt van hinder en gevaar goed inpasbaar zijn in gebieden met functiemenging, mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Toetsing In dit geval is sprake van een gebied waar gemeente Tilburg functiemenging nastreeft. De Piushaven moet een levendige woonwerklocatie worden.

Aan de noordzijde zijn al gemengde functies gevestigd. In het bestemmingsplan 'Piushavengebied 2009' hebben deze functies de bestemming 'Gemengd-2' gekregen. Hier zijn horecagelegenheden, sociaal-medische en commerciële dienstverlening, detailhandel en wonen direct naast elkaar te vinden. Deze functies zijn in alle gevallen gelegen op ongeveer 50 meter van de nieuwe woongebouwen binnen voorliggend plangebied, waardoor de gemengde functies niet van invloed zijn op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. Aan de zuidzijde wil gemeente Tilburg eenzelfde impuls geven, onder andere door binnen het plangebied ruimtes voor commerciële en maatschappelijke functies in de plint te realiseren met wonen. Ook is in 2017 een horecagelegenheid op de voormalige middenpier gerealiseerd. Het gaat om een horecagelegenheid van categorie 1. Hiertoe wordt volgens het Omgevingsplan gemeente Tilburg gerekend een (eet)café, restaurant, brasserie, lunchroom, cafetaria, snackbar en dergelijke. Volgens de VNG-publicatie 'Bedrijven en

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l, Hopliedenkade (Residentie)

57

milieuzonering' (2009) geldt voor restaurants, cafés en bars een richtafstand van 10 meter vanwege de aspecten (geur,) geluid en gevaar. Voor een muziekcafé geldt een richtafstand van 30 meter vanwege geluid en 10 meter vanwege gevaar. Deze afstanden gelden voor het gebiedstype rustige woonwijk. De richtafstanden voor geur en geluid mogen met één afstandstap worden teruggebracht omdat in het Piushavengebied sprake is van gemengd gebied naar respectievelijk 10 en 0 meter. Zodoende moet voor de horecagelegenheid rekening worden gehouden met een richtafstand van 10 meter. In de beoogde situatie worden de nieuwe woongebouwen opgericht op meer dan 10 meter van de horecagelegenheid. De ontwikkeling wordt zodoende niet belemmerd door de horecagelegenheid en andersom maakt deze ontwikkeling geen inbreuk op de gebruiksmogelijkheden van de horecagelegenheid. Voor de nieuwe ruimten voor commerciële en/of maatschappelijke functies geldt dat deze een richtafstand van 10 meter hebben vanwege het aspect geluid, die binnen gemengd gebied naar 0 meter mag worden teruggebracht. Dat maakt dat deze functies en de woningen direct boven elkaar aanvaardbaar zijn. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.2.3 Omgevingsveiligheid Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De ontwikkeling bestaat uit de sloop van de bestaande bebouwing en nieuwbouw van woningen in meerdere woongebouwen met een herinrichting van het openbaar gebied op de beoogde projectlocatie. Tevens wordt voorzien in publieksfuncties in de plint(en) van de gebouwen. Een gedeelte van de woningen is bedoeld voor senioren, het gaat echter niet om zorgwoningen. Een woning is een kwetsbaar gebouw. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het 'Plaatsgebonden Risico (PR)' ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art.

5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied.

Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l, Hopliedenkade (Residentie)

58

Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: <0000> Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl; <0000> Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl; <0000> Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl); <0000> Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl).

Toetsing Met behulp van de kaart 'Externe veiligheid' van de Atlas Leefomgeving is beoordeeld of het plangebied zich bevindt in de nabijheid van een risicovolle inrichting, een transportroute over land waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd of een buisleiding voor vervoer van gevaarlijke stoffen. Het plangebied bevindt zich niet in een PR-contour of aandachtsgebied van een risicobron. Het aspect externe veiligheid (omgevingsveiligheid) vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Figuur : Uitsnede kaart 'Externe veiligheid' met het plangebied rood omcirkeld (Bron: Register Externe Veiligheid (2024), Ministerie IenW, ontsloten via Atlas Leefomgeving) 4.2.4 Geluid In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1, lid 3, onder b en c Ow) stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l, Hopliedenkade (Residentie)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16700877/1