Bijlage 3.3 ontwerp omgevingsplan motivering
Tekst van het document
Voor deze bomen zijn in de Bomenverordening en de beleidsregels Bomen criteria en regels opgesteld, waardoor ze voldoende juridische bescherming krijgen. Monumentale bomen vallen onder het eerder genoemde hoge TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g, Louis Bouwmeesterplein
37
beschermingsregime. Daarnaast hebben gemeentelijke monumentale bomen een hoge prioriteit bij het gemeentelijk beheer en onderhoud. Omgevingswet: bescherming houtopstanden buiten de bebouwde kom Naast de bomenverordening en de beleidsregels Bomen 2024 kunnen de rijksregels volgens de Omgevingswet over vellen van bomen gelden. Deze rijksregels zijn van kracht in het buitengebied van Tilburg. Wat er precies onder buitengebied valt, is vastgelegd met de bebouwingscontour kap (deze wordt vastgesteld door de gemeenteraad). Waar deze contour/grens precies ligt, is op de boomwaarde zoneringskaart terug te vinden. In de buiten-zone (van de BWZ-kaart) kunnen naast de rijksregels ook een gemeentelijk velverbod op grond van de Bomenverordening gelden. Beide regelingen kunnen in de buiten-zone dus naast elkaar van toepassing zijn. Het plangebied ligt niet in het buitengebied, waarmee deze regels voor dit plan niet van toepassing zijn. Toets van de ontwikkeling aan de bomenverordening In totaal zijn middels een Bomen Effect Analyse (zie bijlage 11 en 12) 64 bomen onderzocht in het Zomerpark, op het Louis Bouwmeesterplein en langs de Schouwburgring. Deze bomen binnen de gele markering, staan binnen de potentiële invloedsfeer van de voorgenomen ontwikkeling. Zie onderstaande figuur voor de huidige situatie.
Afbeelding: huidige situatie De realisatie van het plan heeft gevolgen voor het bestaande bomenbestand. Er zijn 28 bomen die niet duurzaam behouden kunnen blijven binnen de nieuwe ontwikkeling. Dit betreft de bomen zoals aangegeven in onderstaande afbeelding. Deze bomen kunnen niet worden behouden omdat op de locatie van deze bomen de nieuwbouw is voorzien. In de eerdere ontwerpfase is de gevel van de nieuwbouw aan de zijde van het Zomerpark zodanig opgeschoven dat nagenoeg alle bomen in het Zomerpark behouden blijven.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g, Louis Bouwmeesterplein
38
Afbeelding: te verwijderen bomen op basis van het plan De kap betreft bomen met een klimaatwaarde welke gecompenseerd moeten worden door de aanplant van nieuwe bomen. De herplant moet, conform de bomenverordening, plaatsvinden in dezelfde omgeving met dezelfde gebruiker. Er wordt 12070 m3 aan kroonvolume verwijderd, dit dient in 15 jaar tijd gecompenseerd te worden. Daarbovenop moeten de bomen in hun volwassen vorm 30% extra kroonvolume hebben, ten opzichte van het verwijderde kroonvolume in de huidige situatie. Het streven is om zo veel mogelijk bomen in de volle grond terug te planten. In de volle grond hebben de bomen het beste uitgangspunt om tot hun volwassen vorm uit te groeien en het kroonvolume dat benodigd is voor de compensatie te halen. Tevens is het belangrijk om de overgang van gevel naar maaiveld te verzachten door aanplant van nieuwe bomen rond de geplande bouwmassa. De nieuwe bomen dragen bij aan menselijke maat rondom het nieuwe gebouw zodat de nieuwe buitenruimte als prettig ervaren zal worden. Om succesvol nieuwe bomen duurzaam uit te kunnen laten groeien zijn grote boomvakken in de Kloosterstraat, Zomerstraat en aan de Parkring, met een goede ondergrondse groeiruimte, van groot belang. Ook op de daktuin zal compensatie in de vorm van bomen plaatsvinden.
Echter is het kroonvolume dat de bomen op deze locatie zullen halen beperkt ten opzichte van de bomen in volle grond rondom het gebouw. Dit omdat de groeiplaatsomstandigheden de bomen beperkt om tot de volledige potentie uit te kunnen groeien. Er ligt nog geen definitief herplantplan. Op basis van het meest recente ontwerp is een voorlopig herplantplan gemaakt (zie onderstaande tabel en afbeelding).
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g, Louis Bouwmeesterplein
39
Afbeelding: voorlopig herplantplan Op basis van dit voorlopige plan is getoetst of de compensatieopgave realistisch en uitvoerbaar is. Het voorlopige herplantplan bevat 12.425 m³ aan kroonvolume na 15 jaar en voldoet daarmee aan de compensatieopgave. Het voorlopige herplantplan is als volgt opgebouwd: Type boom
Aantal
m3 na 15 jaar
Totaal m3
Kleuraanduiding op voorlopig herplantplan
1e grootteklasse met zeer grote aanplantmaat (70-80) in volle grond
13
750
9.750
Paars
2e grootteklasse met zeer grote aanplantmaat (70-80) in volle grond
3
400
1.200
Geel
Boom op daktuin groot Boom op daktuin klein
3 8
225 100
675 800
Blauw Rood
Totaal
12.425 m3 kroonvolume na 15 jaar
Het definitieve herplantplan wordt als onderdeel van het inrichtingsplan openbare ruimte opgesteld en ingediend bij de kapvergunning. Het definitieve plan kan een andere combinatie aan boomtypen bevatten, mits de compensatieopgave wordt behaald. Eén boom is niet meegenomen in de BEA. Dit betreft de Davidia Involucrata, ofwel de zakdoekenboom. Dit is een herinneringsboom, specifiek een dialoogboom, die staat voor de ontmoeting en dialoog tussen joden en christenen. Inmiddels is de dialoog verbreed en nemen ook moslims deel aan deze ontmoetingen. Het is van groot belang dat deze boom behouden blijft, mogelijk wordt hij op enkele meters van zijn huidige locatie verplant. 4.1.8 Groen, klimaat en duurzaamheid Agenda groen in de stad De agenda groen in de stad (vastgesteld door het college op 19 juli 2016) gaat over de toekomst van groen in de stad. De agenda groen geeft de kaders om de impuls voor groen in de stad goed in te zetten. Het geeft duidelijk richting aan de groene koers voor de in de omgevingsvisie 2040 omschreven netwerken, gebieden en structuren en omvat een integrale visie op het groen voor de (middel)lange termijn gebaseerd op de drie pijlers klimaatbestendige stad, beleefbaar groen en het verhogen van biodiversiteit. TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g, Louis Bouwmeesterplein
40
Voor het halen van de doelstellingen op het gebied van biodiversiteit is de Stadsnatuurkaart 2040 opgesteld (gekoppeld aan agenda groen in de stad). Inmiddels is deze op 10 maart 2022 geactualiseerd (vastgesteld door de raad). Nota biodiversiteit 2024 Biodiversiteit omvat de totale verscheidenheid van alle levende planten en dieren op aarde. De biodiversiteit neemt wereldwijd af. Het doel van de nota, vastgesteld door de raad op 19 juli 2010 en geactualiseerd op 1 juli 2024 is de biodiversiteit in de gemeente Tilburg te verhogen en beter te beschermen. Voor de diversiteit van de flora en fauna zet de gemeente zich in aan de hand van vijf thema's. Er wordt ingezet op het (A) realiseren en borgen van leefgebieden en verbindingen, (B) het ecologisch beheren voor betere leefgebieden, (C) basiskwaliteit natuur als uitgangspunt in de gemeente Tilburg (in de nota inrichtingsbouwstenen genoemd). De ecologie wordt gemonitord om (D) zicht te houden en krijgen op hoe het gaat met de natuur. Als laatste zet de gemeente zich in op (E) kennisdeling en -vergaring. De stadsnatuurkaart 2040 maakt onderdeel uit van de beleidsnota biodiversiteit 2024 en is naast de inrichtingsbouwstenen van belang om de biodiversiteit op orde te krijgen.
Door de inrichting van gebieden en/of structuren aan te sluiten bij de inrichtingsbouwstenen, kunnen soorten behouden worden en/of hun leefgebieden worden verbeterd. Hierbij kan worden gedacht aan het toepassen van bomen, struiken, water, gazon, bloemrijk grasland en/of faunavoorzieningen. Om deze goed te kunnen toepassen is de gemeente in zes verschillende ecotopen opgedeeld: oude stad, bedrijventerreinen, wijken en dorpen, agrarisch gebied, natuurgebied en de ecologische structuur (stadsnatuurkaart 2040). Voor elke ecotoop wordt aangegeven welke inrichtingsbouwstenen er nodig zijn om de biodiversiteit te vergroten. Dit is afgestemd op de dier- en plantsoorten die in deze ecotopen (moeten) voorkomen. Stadsnatuurkaart 2040 De laatste versie van de Stadsnatuurkaart 2040 is vastgesteld als onderdeel van de beleidsnota biodiversiteit Biodiversiteit en natuur zijn belangrijk voor al onze inwoners en de aantrekkelijkheid van de stad. Samen met de Bomenverordening, bijbehorend bomenbeleid en omgevingsplannen vormt de Stadsnatuurkaart 2040 de beleidsmatige randvoorwaarden en instrumenten die ervoor moeten zorgen dat biodiversiteit in het stedelijk gebied behouden blijft en wordt versterkt. Op de Stadsnatuurkaart 2040 zijn onder meer de ecologische structuren en plekken benoemd. Hieraan is een duidelijke maatvoering gekoppeld.
Deze maatvoering wordt zowel bij de start van ruimtelijke ontwikkelingen als gedurende het verdere proces meegenomen om zo de ecologische kwaliteit op een juiste manier mee te nemen. De grote ambities en veelheid van belangen die spelen in ruimtelijke ontwikkelingen, maken een heldere en duidelijke structuur en maatvoering voor ecologie noodzakelijk. Dit alles moet ertoe leiden dat ecologische plekken en structuren ecologisch functioneren. Afwegingskader 'mag het licht uit' Openbare verlichting is van groot belang voor de veiligheid en daarmee ook voor het gebruik en de beleving van de openbare ruimte. Het wordt vaak als vanzelfsprekend beschouwd dat wegen en paden verlicht worden. Maar op sommige plekken is verlichting juist niet gewenst. Veel kunstlicht is verstorend voor mensen en dieren. Met name nachtdieren worden onder andere bedreigd door te veel kunstlicht. In het afwegingskader ‘mag het licht uit?’ wordt aangegeven waar vanuit ecologie de duisternis gewenst is en waar deze behouden of teruggebracht zal worden. Dat geldt in eerste instantie voor openbare verlichting. Het afwegingskader wordt ingezet bij projecten om een integrale afweging te maken voor wel of geen verlichting of zo nodig aangepaste verlichting. Bij een voorgenomen (nieuwbouw)project zal in een gebied dat aangeduid is op de donkertekaart, een integrale afweging van de belangen plaatsvinden.
Puntensysteem voor natuur- en groeninclusief bouwen Er worden in onze gemeente veel nieuwe woningen en bedrijven gebouwd. Om een gezonde, aantrekkelijke en toekomstbestendige leefomgeving voor mens en dier te maken, moeten de natuur (en ook klimaatadaptatie) een volwaardige plaats krijgen in deze gebiedsontwikkelingen. Het instrument duurzaamheid (klimaatscores en puntensysteem natuurinclusief bouwen) helpt ontwikkelaars en archtitecten om natuur- en klimaatinclusief te bouwen en toetsing daarop mogelijk te maken. Op termijn gaat dit instrumentarium verankerd worden in het omgevingsplan (en krijgt daarmee een verplichtend karakter). TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g, Louis Bouwmeesterplein
41
Gebiedsontheffing gebouwbewoonde soorten De gemeente werkt sinds 2016 met een gebiedsontheffing voor gebouwbewonende vleermuizen en broedvogels. Hiermee worden noodzakelijke procedures vanuit de Omgevingswet vereenvoudigd. Doe van het soortenmanagementplan (SMP) en bijbehorende gebiedsontheffing is de gunstige staat van instandhouding van gebouwbewonende vleermuizen en vogels te waarborgen. Dat wil zeggen dat bij elk project (zowel van derden als van de gemeente) preventieve maatregelen worden genomen, gericht op het behouden en verbeteren van het aanbod van verblijfplaatsen. Het SMP kan ook gebruikt worden bij de verduurzaming van woningen, waarbij aandacht ligt op de leefgebieden van gebouwbewonende soorten. Met name bij de isolatie van spouwmuren en daken. Toets aan Groen, klimaat en duurzaamheid Het zomerpark van ongeveer 3200 m2 dat grenst aan het Louis Bouwmeesterplein is een ecologische stapsteen. Het park staat aan de zuidwestzijde in verbinding met Stadspark Oude Dijk en aan de noordoostzijde loopt het uit in de Schouwburgring/Stadsforum. Flora en fauna moeten zich dan ook langs de zuidwest – noordoost verbinding kunnen voortbewegen, zonder onnodige obstakels. Het park is onderdeel van de totale ontwikkeling en wordt ge(her)waardeerd.
De oppervlakte van het zomerpark mag bij de nieuwe ontwikkeling niet kleiner worden en het ecologisch functioneren moet erop vooruitgaan. Het zomerpark moet ecologisch functioneren voor kleine zoogdieren, vogels en insecten, dit zijn voornamelijk terrestrische soorten (dieren die op het land leven). Als er water wordt opgevangen dan dient dit buiten het zomerpark gerealiseerd te worden of dient het bij te dragen aan de ecologische functionaliteit. Het zomerpark is naast een ecologische stapsteen ook een park. Het kader stelt dat parken in principe niet verlicht hoeven te worden, uitzonderingen daargelaten. Alleen als aangetoond kan worden dat het park dient als belangrijke route (er is niet makkelijk omheen te lopen), de sociale veiligheid in het geding is of als verlichting de belevingswaarde verhoogt, kan gekeken worden naar verlichting op maat. Dit geldt voor verlichting in het park alsmede voor verlichting dat vanuit het projectgebied uitstraalt naar het park. Er dient zorgvuldig met verlichting te worden omgegaan. Zorg zoveel mogelijk voor gerichte verlichting en voorkom het bewust belichten van de bebouwing. De bebouwing wordt natuurinclusief gebouwd met vleermuisverblijven in de bebouwing. Bij de ontwikkeling dient rekening gehouden te worden met ruimte voor groen en faunaverblijven.
Voor gebouwgroen geldt een combinatie tussen groene daken, geveltuinen, gevelgroen en vermindering lichtuitstraling. In het kader van het puntensysteem Natuurinclusief bouwen moeten minimaal 30 punten worden behaald voor gebouwgroen, verblijven en omgevingsgroen. 4.1.9 energie en warmte Transitievisie warmte In het gebied binnen de Ringbanen voorziet de gemeente voorlopig geen grote ingrepen richting aardgasvrij. Het gebied is erg divers. Er staan veel verschillende gebouwen, zowel oude monumenten als nieuwbouw. Voor het gebied zijn tijdelijke, individuele oplossingen interessant. Ook zullen we proberen kansen te benutten. Bijvoorbeeld als een woningcorporatie haar huurwoningen gaat renoveren en de omliggende koopwoningen kunnen worden meegenomen. Voor deze ontwikkeling geldt dat deze gasvrij wordt opgeleverd. Er wordt onderzocht een bodemwarmtesysteem uitvoerbaar is voor deze locatie. Dit heeft de voorkeur boven een luchtwarmtesysteem, maar moet wel (zowel technisch gezien als bodemgesteldheid als economisch) haalbaar zijn in het plan. Energie Hoewel in de nota Duurzaamheidsbeleid voor nieuwbouw van woningen en utiliteitsbouw, energieneutraal bouwen het uitgangspunt is, is dit voor gestapelde bouw in meer dan 5 bouwlagen momenteel niet haalbaar. Daarbij kunnen in dit omgevingsplan geen extra eisen bovenop de eisen uit het Bbl worden gesteld.
Het project beoogt voor alle woningen BENG < 25 kWh/m2/jr en stuurt waar mogelijk op BENG = 0 kWh/m2/jr. 4.1.10 archeologie, cultuurhistorie en landschap TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g, Louis Bouwmeesterplein
42
Toetsingskader archeologie In 1992 heeft Nederland het Verdrag van Valletta (Malta) ondertekend. Dit verdrag bepaalt, dat er op verantwoorde wijze dient te worden omgegaan met archeologisch erfgoed, onder andere bij planontwikkelingen. Dit verdrag komt momenteel tot uitdrukking in de Erfgoedwet. Het doel van het verdrag is het beschermen en behouden van archeologisch erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen. Het uitgangspunt hierbij is dat het behoud van archeologische waarden in situ (op de oorspronkelijke plaats) voorgaat op het behoud ex situ (opgraven en bewaren in depot). Van belang is dat door middel van vooronderzoek tijdig inzicht wordt verkregen in de archeologische waarden van een gebied, zodat deze bij beoogde planontwikkelingen kunnen worden betrokken. In opdracht van de Gemeente Tilburg is door BAAC b.v. een bureauonderzoek uitgevoerd (Archeologisch en cultuurhistorisch bureauonderzoek BAAC-rapport V-25.0083, bijlage 13) waarmee de aanwezige cultuurhistorische waarden en archeologische verwachting van het plangebied in kaart is gebracht en een advies voor het vervolgtraject is geformuleerd (Van den Blink 2025). Op het vigerende bestemmingsplan (Centrum Zuid 2008) heeft het westen en zuidwesten van het plangebied een dubbelbestemming waarde archeologie.
Bij het opstellen van een actuele archeologische verwachting is gebruik gemaakt van de concept gemeentelijke verwachtingskaart (in voorbereiding door BAAC b.v.). Het gehele plangebied heeft daarop een middelhoge tot hoge verwachting op resten van jager-verzamelaars en een middelhoge tot hoge verwachting op resten van boeren- en staatse samenlevingen. Deze verwachting is gebaseerd op de ligging op de flank van een dekzandplateau naar een beekdal (periglaciaal dal) en de situering in de historische kern van Kerk. Het plangebied ligt op de flank van het Tilburg dekzandplateau. Ten zuiden van het plangebied was een periglaciaal dal aanwezig. De natuurlijke ondergrond bestaat naar verwachting uit dekzandafzettingen die boven fluvioperiglaciale afzettingen liggen. Binnen de dekzandafzettingen kan onderscheid worden gemaakt tussen Oud en Jong dekzand. Deze grens ligt in het plangebied op een onbekende diepte. In de top van het dekzandpakket kan een podzolbodem hebben gevormd. In de loop van de late middeleeuwen en nieuwe tijd is er naar verwachting een esdek opgebracht die de natuurlijke ondergrond heeft afgedekt. Het esdek kan zijn afgedekt door stedelijke ophooglagen. In het plangebied worden hoge zwarte enkeerdgronden verwacht. In het zuiden van het plangebied kunnen mogelijk nog gooreerdgronden voorkomen.
Vanwege de bodemverstorende activiteiten in jongere perioden is de verwachting dat de kwetsbare vindplaatsen van jager-verzamelaars (laat-paleolithicum tot neolithicum) grotendeels zijn aangetast. De aanwezigheid van deze vindplaatsen kan niet geheel worden uitgesloten waardoor de archeologische verwachting op deze vindplaatsen middelhoog. Voor de vindplaatsen van landbouwende samenlevingen krijgt het plangebied een hoge verwachting toegekend. In het noordwesten van het plangebied is de verwachting hoog voor het aantreffen van funderingen en erfstructuren uit de late middeleeuwen tot nieuwe tijd en voor het aantreffen van oude wegniveaus uit dezelfde periode van de Zomerstraat. Ter hoogte van de bestaande bebouwing (o.a. appartementencomplex en parkeergarage) is vanwege bekende diepe bodemverstoringen de archeologische verwachting laag, met uitzondering van dieper gelegen paleosolen. Er kunnen op onbekende diepte nog oude bodems voorkomen die informatie verschaffen over de landschappelijke ontwikkeling van Tilburg. Het betreft hier met name de overgang tussen het Oud en Jong dekzand. In deze bodemlagen kunnen ook nog vroege vuursteenvindplaatsen tot het laat-paleolithicum worden verwacht.
Vervolgtraject archeologie Op basis van het bureauonderzoek zijn verschillende zones aan te wijzen waarin potentieel archeologische resten aanwezig zijn (zie kaart archeologische verwachting). In het omgevingsplan is voor het hele plangebied een zone waarde-archeologie opgenomen opgenomen. Bij de geplande ontwikkeling dient hiermee als volgt om te worden gegaan: Potentiële archeologische resten zullen door de geplande bodemverstorende werkzaamheden met zekerheid worden aangetast. Vanwege de middelhoge tot hoge verwachting en de specifieke verwachting van historische structuren in het plangebied dient na de sloop van de huidige bebouwing en voorafgaand aan de nieuwbouw TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g, Louis Bouwmeesterplein
43
een vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven te worden uitgevoerd in de zones met een (middel)hoge archeologische verwachting. Tijdens het proefsleuvenonderzoek dient door middel van profielgaten en aanvullende boringen ook onderzocht te worden of en op welke diepte dieper gelegen paleosolen aanwezig zijn. Op basis van het proefsleuvenonderzoek wordt bepaald of er in het plangebied behoudenswaardige archeologische resten aanwezig zijn en of aanvullende eisen aan de vergunning gesteld worden (zoals het doen van een archeologische opgraving om bedreigde archeologische vindplaatsen te documenteren).
Afbeelding Plangebied Louis Bouwmeesterplein te Tilburg. Bron: Archeologisch en cultuurhistorisch bureauonderzoek BAAC-rapport V-25.0083 Toetsingskader cultuurhistorie Het cultureel erfgoed van Nederland wordt beschermd met de Erfgoedwet. Het Rijk pleit voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie, dus (onder meer) monumenten en archeologie gezamenlijk, in gebiedsvisies en omgevingsplannen. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. De verwachting daarbij is dat overheden, initiatiefnemers, eigenaren, ontwikkelaars en ruimtelijke ontwerpers er toe aangezet worden om de waarde van het cultureel erfgoed als kans te zien bij de ontwikkeling van gebieden en het realiseren van economische en maatschappelijke doelen. In lijn met de Erfgoedwet neemt de gemeente Tilburg bij planontwikkelingen een onderbouwing op of de het plan betrokken (bouw)historische waarden en de archeologische waarden. Daarbij wordt de planontwikkeling TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g, Louis Bouwmeesterplein
44
getoetst aan de gemeentelijke monumenten verordening Tilburg, Routekaart Ruimtelijk Cultureel Erfgoed en de gemeentelijke welstandsnota. Het plangebied ligt aan de zuidwestzijde van de historische kern van Kerk, het latere religieuze en bestuurlijke hart van Tilburg. De noordwestzijde van het plangebied was begin 19e eeuw bebouwd, de rest van het plangebied bestond uit wei- en hooilandpercelen. Op de wei- en hooilanden is in 1881 een stoomfabriek gesticht die later is omgevormd tot wollenstoffenfabriek. Nog aanwezige waarden De Zomerstraat tot en met de moderne afbuiging: De Zomerstraat is een doorgaande route geweest tussen de herdgangen Korvel, Haringseind en Kerk en kent een middeleeuwse oorsprong. In de loop van de 19e eeuw groeiden de bewoningskernen van Haringseind en Kerk via de Zomerstraat aan elkaar. In de jaren ’60 van de 20e eeuw werd de Zomerstraat door de aanleg van de Schouwburgring die naar het westen toe aansloot op de Bredaseweg doorsneden. De Schouwburgring werd geflankeerd door flatgebouwen waardoor dit de ruimtelijk dominante structuur in het gebied werd. Aan de noordzijde van de Zomerstraat is nog een relict van de oude bewoningslinten aanwezig: Zomerstraat 49. Het herenhuis dateert uit 1907 en is een door de Tilburgse architect Jan van der Valk ontworpen rijksmonument.
In het noorden van het plangebied was langs beide zijden van de Zomerstraat bebouwing aanwezig. De bebouwing langs de Zomerstraat vormde een aaneengesloten bewoningslint van kleinschalige bebouwing. Vanaf 1853 werd achter dit bebouwingslint in het plangebied een stoomfabriek gebouwd. Deze werd later omgevormd tot wollenstoffenfabriek. De fabrieksbebouwing breidde zich langzaam uit tot een grootschalig fabrieksterrein. Tot aan de verkoop aan de gemeente in 1961 is de fabriek meermaals verbouwd en uitgebreid. Aan de Zomerstraat stond het herenhuis van de eigenaren (de familie Straeter of Sträter). In de achtertuin werd een langgerekte stadstuin aangelegd welke tot aan de achterzijde van het perceel heeft gereikt. Na de verkoop van de fabriek en de bijbehorende woning is het gehele complex afgebroken. Van deze historische bebouwing is in het plangebied niets meer aanwezig. Het vrijgekomen terrein kreeg een invulling als parkeerterrein met aan de westzijde een parkeergarage. De Kloosterstraat is een cultuurhistorische lijn die aansluit op de Oude Dijk in het oosten. Ten zuidoosten van het plangebied ligt hier en aan de Oude Dijk het klooster van de Zusters van Liefde met een oorsprong in 1834. Tegenwoordig bestaat het kloostercomplex uit meerdere gebouwen uit de 19e, 20ste en 21ste eeuw. Een groot deel van het kloostercomplex heeft de rijksmonumentenstatus.
Het Zomerpark: in het zuidwesten van het plangebied ligt het Zomerpark. Op deze locatie was voorheen de stadstuin van de familie Straeter. Na de verkoop van de afbraak van het bewoningslint en het fabrieksterrein is de stadstuin omgevormd tot stadspark. In het Zomerpark zijn enkele bomen uit de voormalige tuin behouden. Aan de noordwestelijke zijde van de parkeergarage staat in het Zomerpark een uit 1973 daterende ronde fontein met gestapelde natuurstenen blokken in de vijver. Deze is een geschenk van IFF aan de stad Tilburg. De maker is onbekend. De fontein is kenmerkend voor de omgevingskunst uit de jaren zeventig van de 20ste eeuw. Op basis van de huidige plannen zal de oude ligging van de Zomerstraat terugkeren in het straatbeeld als doorgang voor voetgangers en zal de Kloosterstraat gehandhaafd blijven. In de historische situatie lag het plangebied op een overgang van kleinschalige bebouwing (woningen) in het noordwesten van het plangebied (Zomerstraat) naar grootschalige bebouwing (fabrieksterrein en kloosterterrein) richting het zuidoosten. De ligging van het Zomerpark wordt in de huidige plannen al gehandhaafd en behoudt het gevoel van een hierin besloten stadstuin. Aan de randen van het plangebied bevinden zich nog enkele beschermde monumenten. Aan de oostzijde werd tussen 1959 en 1961 de schouwburg gebouwd naar ontwerp van de architecten Bijvoet en Holt.
Een samengesteld bouwvolume in gele baksteen, glas en staal dat in 2014 werd aangewezen als rijksmonument.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g, Louis Bouwmeesterplein
45
Op de hoek van de Zomerstraat en de Schouwburgring werd in 1962-1963 naar ontwerp van architect Jan Mulders een markant winkelpand met 12 luxe flats daarboven gebouwd. Dit pand werd in 2018 aangewezen als gemeentelijk monument.
4.2 milieu en gezondheid 4.2.1 Milieueffectrapportage Wettelijk kader Bij een m.e.r.-beoordeling moet de gemeente toetsen of er bij een plan of programma aanzienlijke milieueffecten op kunnen treden (art. 16.36 lid 3 en 4 Ow). In 2 situaties is er een m.e.r.-beoordeling nodig: 1. Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het gaat om projecten die niet in bijlage V van het Omgevingsbesluit staan. Een m.e.r.-beoordeling moet uitgevoerd worden. 2. Het plan is kaderstellend voor projecten en komt terug in kolom 1 van bijlage V uit het Omgevingsbesluit. De drempel in kolom 2 uit bijlage V Omgevingsbesluit wordt niet overschreden. Een m.e.r.-beoordeling is nodig als het plan een kleine wijziging van een plan of programma is, of het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als de gemeente bevoegd gezag is over het plan. Motivering/Uitkomst onderzoek De woningbouw ontwikkeling Louis Bouwmeesterplein kan geschaard worden onder categorie J11 (‘Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen’) zoals beschreven in Bijlage V van het Omgevingsbesluit. Voor een stedelijk ontwikkelingsproject gaat het altijd om een fysieke uitbreiding van het te bebouwen oppervlak en aantal wooneenheden. Een renovatie van een bestaand gebouw is geen stedelijk ontwikkelingsproject.
Voor deze categorie (J11) geldt geen directe m.e.r.-plicht, maar geldt in geval van aanleg, wijziging of uitbreiding een m.e.r. beoordelingsplicht (kolom 3 uit Bijlage V Omgevingsbesluit). Voor de ontwikkeling is een aanmeldnotitie m.e.r. beoordeling opgesteld (bijlage 14). Hieruit blijkt dat het plangebied niet is gelegen in kwetsbaar gebied en/of een gebied met een beschermde status. Verder leiden de aard en omvang van het project niet tot aanzienlijke milieueffecten. De activiteiten die mogelijk worden gemaakt zijn, gelet op de plaats van de activiteiten en de kenmerken van potentiele effecten, niet zodanig van invloed op het milieu dat een milieueffectrapportage (MER) moet worden opgesteld en een volledige MER-procedure moet worden doorlopen. 4.2.2 Bedrijven en milieuzonering Wettelijk kader Bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van nieuwe ontwikkelingen wordt getoetst aan de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009). Deze handreiking geeft richtafstanden weer tussen milieubelastende functies (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen). Deze richtafstanden zijn bepaald op basis van hinderaspecten als geluid en geur. De richtafstanden zijn zodanig bepaald om een goed woon- en leefklimaat te waarborgen en tevens bedrijfsactiviteiten niet onnodig te belemmeren. De richtafstanden zijn tevens afhankelijk van het type omgeving.
Het kan hier gaan om een gemengd gebied of een gebied met alleen woonfunctie aanwezig. In 2024 heeft de VNG een nieuwe publicatie gemaakt. Dit is de handreiking milieuzonering nieuwe stijl (oktober 2024). Hierbij wordt gekeken naar functiemenging waar het kan (én gewenst is) en functiescheiding waar dat moet. De basisprincipes van milieuzonering blijven hetzelfde maar de systematiek is wezenlijk anders. De gemeente Tilburg hanteert de publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009) vanwege de nog beperkte gebruikspraktijk van deze nieuwe handreiking. Hierbij wordt opgemerkt dat milieu-aspecten zoals externe veiligheid, trillingen, stofhinder en luchtverontreiniging, lichthinder, spuitzones, geur door agrarische activiteiten in het buitengebied en hinder door verkeersaantrekkende werking zich vaak niet lenen om de inpasbaarheid van activiteiten indicatief te bepalen. Daarom gaat de milieuzonering onder de Omgevingswet enkel over geluid- en geurhinder. Daarom zal TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g, Louis Bouwmeesterplein
46
voor het onderdeel Bedrijven en milieuzonering alleen worden ingegaan op geluid en geur. Voor de overige milieu-aspecten moet aan de hand van specifieke regelgeving worden bepaald of de activiteit op een locatie inpasbaar is. Het gaat dan zowel om rijksregels als decentrale regels, bijvoorbeeld regels in het omgevingsplan. Zie hiervoor ook paragraaf 1.9 voor externe veiligheid, 1.4 voor luchtkwaliteit en 1.8 voor trillingen. De wettelijke basis hiervoor is terug te vinden in artikel 5.69 voor geluid en 5.93 voor geur uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Daarnaast dienen de waarden en regels voor geluid- en geurgevoelige gebouwen uit het Bkl in acht genomen te worden. Er moet rekening gehouden worden met de maximale planologische mogelijkheden van de milieubelastende activiteiten. Deze ‘ruimtelijke’ milieunormen bestaan naast de normen in het milieuspoor. Voor specifieke activiteiten of voor het projecteren van woningen en andere gevoelige functies nabij bestaande milieubelastende activiteiten kan een geluid- of geuronderzoek verplicht zijn, dit is te achterhalen via het Bal en de bruidsschat. Motivering/Uitkomst onderzoek In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich een aantal bedrijven welke vallen binnen verschillende voormalige bestemmingsplannen. Ten noorden van de planlocatie is een brandweerkazerne gevestigd.
Deze valt onder milieucategorie 3.2 met als grootste richtafstand 50 meter. De planlocatie ligt op ongeveer 400 meter afstand van de brandweerkazerne. De richtafstand wordt daarmee ruimschoots in stand gehouden. 200 meter ten westen van de planlocatie is een fietsenmaker gevestigd. Dit type bedrijf veroorzaakt geen milieuhinder en is niet gecategoriseerd als milieucategorie 1 met een maximale richtafstand van 10 meter. Verder zijn er in de omgeving geen bedrijven aanwezig die in het kader van milieuzonering invloed kunnen hebben op de geplande ontwikkeling. Conclusie Bedrijven en Milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. 4.2.3 Omgevingsveiligheid Wettelijk kader Een van de doelen van de Omgevingswet is dat de gemeente bij plannen zo vroeg mogelijk kijkt naar veiligheid. Er staat dat het omgevingsplan rekening moet houden met de mogelijkheden om een brand, ramp of crisis te voorkomen, te beperken en te bestrijden (art. 5.2 Bkl). Ook staan er instructieregels (§ 5.1.2 Bkl) in over de manier waarop bij de inrichting van een gebied omgevingsveiligheid meegenomen moet worden. Samenvattend gaan de instructieregels uit het Bkl over de volgende onderwerpen risicobronnen, het plaatsgebonden risico, het groepsrisico, aandachtsgebieden en voorschriftgebieden.
In de bruidsschat (HF 22 uit omgevingsplan gemeente Tilburg) zijn regels te vinden met betrekking tot propaan/propeen, LPG, traditioneel schieten, vergunningsvrij bouwen en brandbestrijding. Ook staan er verschillende milieubelastende activiteiten in het Bal: het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); buisleidingen met gevaarlijke stoffen en windturbines.
Aandachtsgebieden & groepsrisico Nieuw onder de Omgevingswet zijn aandachtsgebieden, hier zijn drie soorten van: <0000> Brand (warmtestraling); <0000> Explosie (warmtestraling en/of overdruk); <0000> Gifwolk (concentratie gevaarlijke stoffen in de lucht). Deze aandachtsgebieden zijn van belang in het kader van het groepsrisico. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g, Louis Bouwmeesterplein
47
Onder de Omgevingswet is het niet meer verplicht om het groepsrisico te berekenen. Er is sprake van een kwalitatieve benadering, waarbij het bevoegd gezag afweegt waar (binnen aandachtsgebieden) extra maatregelen nodig zijn om aanwezigen te beschermen tegen de gevolgen van een ongeval. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet dus optioneel. Een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Vanuit het REV (Register Externe Veiligheidsrisico’s) wordt de informatie over aandachtsgebieden zichtbaar gemaakt via kaarten, in onder andere de Atlas leefomgeving. Gebouwen en locaties Gebouwen en locaties zijn ingedeeld in 3 categorieën: 1. zeer kwetsbaar (alleen gebouwen); 2. kwetsbaar (gebouwen en locaties); 3. beperkt kwetsbaar (gebouwen en locaties). In bijlage VI van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staat de onderverdeling welke gebouwen en locaties onder welke categorieën vallen. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Voorheen ging het om de bescherming van het gehele gebouw, ook indien maar een deel van het gebouw werd gebruikt voor een kwetsbare functie.
Onder de Omgevingswet wordt alleen gekeken naar de delen van het gebouw met kwetsbare gebruiksfuncties. Vanuit het REV (Register Externe Veiligheidsrisico’s) worden (zeer) kwetsbare gebouwen en locaties zichtbaar gemaakt via kaarten, in onder andere de Atlas leefomgeving. Voorschriftengebieden Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. In de voorschriftengebieden gelden aanvullende bouwkundige eisen voor nieuwbouw (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). In het omgevingsplan wordt een brandaandachtsgebied standaard aangewezen als brandvoorschriftengebied en een explosieaandachtsgebied als explosievoorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Plaatsgebonden risico De belangrijkste norm voor externe veiligheid uit het Bkl is het plaatsgebonden risico (PR).
Dit is de kans op het overlijden van een onbeschermd en continu aanwezig persoon buiten de begrenzing van de locatie van de risicobron als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door die risicobron. In het Bkl (art. 5.7, 5.10 en 5.11) staan instructieregels over het plaatsgebonden risico voor het omgevingsplan. Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Motivering/Uitkomst onderzoek De locatie bevindt zich niet binnen een brand-, explosie- of explosieaandachtsgebied. Er is geen sprake van de bouw van zeer kwetsbare gebouwen en daarmee is er geen sprake van een voorschriftengebied. De nieuw te bouwen woningen worden gecategoriseerd als kwetsbare gebouwen. De locatie bevindt zich tevens niet in een vastgesteld contour voor plaatsgebonden risico. Er is daarom geen onderzoek Omgevingsveiligheid noodzakelijk. Bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid Uit het volumemodel voor het plan (Wissing, 21-08-2025) blijkt dat er op de locatie woningen, een groene binnenhof en commerciële en maatschappelijke functies aanwezig zullen zijn. De doelgroep van de bewoners wordt niet gekenmerkt door lage zelfredzaamheid zoals bijvoorbeeld ouderen of mensen met een beperking.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g, Louis Bouwmeesterplein
48
Aanvullend is er door de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant geadviseerd op de onderdelen bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid (VRMWB, DVR2025-147685, 11-06-2025). Voor het plangebied is sprake van een doodlopende weg. Geadviseerd wordt om de maatvoering van de weg te verduidelijken zodat gekeken kan worden of er wordt voldaan aan de voorwaarden voor een doodlopende weg. Verder dient er nog een situatietekening te worden gemaakt waar onder meer bluswatervoorzieningen, wegbreedtes, wegverharding en opstelplaatsen worden weergegeven. Conclusie Indien aan bovenstaande aanbevelingen wordt voldaan, vormt het aspect omgevingsveiligheid geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.2.4 Geluid Wettelijk kader Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. De instructieregels voor geluid zijn terug te vinden in §5.1.4.2 van het Bkl en gaan over aanvaardbaarheid van geluid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp, artikel 2.11a Ow) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Ook via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid zijn regels toegevoegd aan de Omgevingswet.
In de bruidsschat is het onderdeel geluid voor een aantal activiteiten geregeld in paragraaf 22.3.4. In de omgevingsverordening van de provincie kunnen ook instructies staan voor geluid. Ook wanneer er geen (instructie)regels zijn voor geluid moet er sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). De gemeente Tilburg hanteert een eigen Hogere Waardenbeleid. In dit beleid zijn randvoorwaarden opgenomen voor het bouwen van woningen op locatie waar niet aan de streefwaarde voor geluid kan worden voldaan. Motivering/Uitkomst onderzoek In het kader van de realisatie van het appartementencomplex is een akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai uitgevoerd (Kragten, 202507107-BPD032-RAP-AKO-VL 2.0, 7 juli 2025, (bijlage 15). Industrielawaai Voor de resultaten ten aanzien van industrielawaai zie paragraaf 4.2.2 Bedrijven en Milieuzonering. Wegverkeerslawaai Uit de rekenresultaten van het akoestisch onderzoek blijkt dat het geluid aan de noordkant van het plangebied maximaal 58 dB bedraagt. Deze waarde overschrijdt de standaardwaarde voor gemeentewegen (53 dB, Bkl 5.78t) maar voldoet aan de grenswaarde van 70 dB voor gemeentewegen. De gemeente Tilburg hanteert het eigen Hogere Waarde beleid.
Hierin wordt 55 dB gesteld als maximaal geluidsniveau voor een geluidluwe gevel. Deze wordt ook overschreden. De standaardwaarde ten aanzien van het railverkeer wordt niet overschreden. De hoogste cumulatieve geluidbelasting bedraagt 58 dB vanwege wegverkeer. Gezien de overschrijding van de standaardwaarde en de waarde uit het Hogere Waarde beleid dient er gemotiveerd te worden afgeweken. In eerste instantie wordt gekeken naar bronmaatregelen. Terugdringen van verkeersintensiteit, vervangen van het wegdek en afscherming tussen het appartementengebouw en wegdek worden als niet redelijkerwijs toepasbaar geacht. Woningen dienen te voldoen aan het hogere waardebeleid van de gemeente Tilburg. Dit is geborgd in de regels van dit omgevingsplan. Aanvullend wordt een onderzoek gevelgeluidwering uitgevoerd, om het maximale binnenniveau van 33 dB te kunnen borgen. Dit geluidniveau garandeert een aanvaardbaar en gezond akoestisch binnenklimaat.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g, Louis Bouwmeesterplein
49
Gevelbelasting Nog aan te vullen Conclusie Uit voorgaand akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai blijkt dat de standaardwaarde uit het Bkl en de waarde uit het Hogere waarde beleid wordt overschreden. De grenswaarde wordt niet overschreden. Om gemotiveerd af te kunnen wijken van de standaardwaarde en het binnenniveau van 33 dB te borgen is aanvullend akoestisch onderzoek gevelbelasting uitgevoerd. 4.2.5 Luchtkwaliteit Wettelijk kader Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 uit het Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden. De gemeente Tilburg heeft vooralsnog geen gemeentelijke omgevingswaarden opgenomen in het omgevingsplan en er zijn ook geen provinciale omgevingswaarden, waardoor de rijksomgevingswaarden gelden (paragraaf 2.2.1 van het Bkl). De rijksomgevingswaarden van zwaveldioxide, stikstofdioxide (NO2), stikstofoxiden, benzeen, koolmonoxide en ozon, fijnstof (PM10 en PM2,5) zijn terug te vinden in de artikelen 2.3 tot en met 2.8a van het Bkl. Met uitzondering van fijnstof en stikstofdioxide, zijn de achtergrondconcentraties van de overige stoffen binnen de gemeente dusdanig laag dat er geen overschrijding van de luchtkwaliteit te verwachten is. Vandaar dat fijnstof en stikstofdioxide de kritische stoffen zijn die getoetst dienen te worden. Tabel 4.2.5.1.
grenswaarden (concentraties in de buitenlucht, zoals die gelden op basis van het Bkl) Stof Jaargemiddelde Jaargemiddelde 24-uurgemiddelde Uurgemiddelde concentratie (µg/m3) blootstellingsconcentratie (µg/m3) concentratie (µg/m3) concentratie (µg/m3) PM10 40 -50* -PM2,5 25 20 --NO2 40 --200** *Mag 35 keer per jaar overschreden worden ** Mag 18 keer per jaar overschreden worden
Aandachtgebieden Voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) zijn er landelijk aandachtsgebieden aangewezen. Een gemeente is verplicht de gevolgen van een plan voor de luchtkwaliteit (NO2 en/of PM10) binnen een landelijk aandachtsgebied te beoordelen. De gemeente Tilburg bevindt zich niet binnen een aandachtsgebied. Luchtkwaliteit buiten aandachtgebieden Voor enkele activiteiten moet de luchtkwaliteit altijd beoordeeld worden, ook buiten aandachtgebieden (artikel 5.50 Bkl). Dit geldt bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit en bij het toelaten in het omgevingsplan van de aanleg van een wegtunnel langer dan 100 meter; een wijziging van een wegtunnel daarbij de lengte met minimaal 100 meter toeneemt of de aanleg van een autoweg of een autosnelweg. De regel is dat de luchtkwaliteit niet beoordeeld wordt op plekken die niet openbaar toegankelijk zijn voor het publiek. Daarom zijn deze plaatsen uitgezonderd van toetsing aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit. Het toepasbaarheidsbeginsel komt op meerdere plekken voor in het Bkl: artikel 5.52, 8.17 en 11.19. Het blootstellingscriterium staat op verschillende plekken in de Omgevingsregeling, bijvoorbeeld in artikel 8.11 (toetsing van wegen) en artikel 8.17 (toetsen van milieubelastende activiteiten). De eisen van een luchtkwaliteitsonderzoek staan in § 8.2.3.1.2.
van de Omgevingsregeling. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g, Louis Bouwmeesterplein
50
• er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Motivering/Uitkomst onderzoek De planlocatie bevindt zich niet binnen een landelijk aandachtsgebied voor luchtkwaliteit. Op de planlocatie wordt voldaan aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit op basis van de gegevens uit het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). In Bkl artikel 5.54 staat dat gebouwen met een woonfunctie met één ontsluitingsweg en ten hoogste 1500 woningen per definitie niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Er zullen 450-480 woningen worden gebouwd. Daarom voldoet het plan zelf ruimschoots aan de criteria voor projecten die niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtkwaliteit. Conclusie Luchtkwaliteit levert geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. 4.2.6 Geur 4.2.6.1 Agrarische geur Toetsingskader De Omgevingswet beschermt geurgevoelige objecten zoals woningen tegen geurhinder van veehouderijen.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving staan instructieregels voor het opstellen van geurregels in het omgevingsplan met als doel het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1, Omgevingswet). Bij aanvragen van veehouderijen om een omgevingsvergunning (activiteit milieu) wordt getoetst aan de geurregels uit het omgevingsplan. Het Bkl maakt onderscheid tussen dieren met geuremissiefactoren en dieren zonder geuremissiefactoren. Voor dieren met geuremissiefactoren (zoals varkens en pluimvee) gelden normen voor geurbelasting, die wordt uitgedrukt in aantal odour units in kubieke meter lucht (ouE/m3). Daarnaast gelden voor dieren met geuremissiefactoren minimumafstanden tot (voormalige) bedrijfswoningen bij andere veehouderijen. Voor dieren zonder geuremissiefactoren (zoals melkrundvee) gelden alleen minimumafstanden, die moeten worden aangehouden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als een ruimtelijk plan de realisatie van geurgevoelige objecten mogelijk maakt, moet vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) twee aspecten bekeken worden. Ten eerste moet worden gemotiveerd dat ter plaatse van de geurgevoelige objecten sprake is van een goed woon- en leefklimaat (aanvaardbeidsbeginsel, artikel 5.92, Bkl).
Er is in ieder geval sprake van aanvaardbaarheid als voldaan wordt aan de standaardwaarden en de vaste afstanden uit het Bkl/omgevingsplan (of bruidsschat). Ten tweede is van belang dat omliggende veehouderijen niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Dit wordt ook wel de omgekeerde werking genoemd. De gemeente Tilburg bevindt zich binnen een concentratiegebied van de Meststoffenwet. Een belangrijk uitgangspunt is dat in gebieden met veel veehouderijen (de concentratiegebieden) mensen minder snel geur als hinderlijk ervaren dan mensen in de niet-concentratiegebieden. De standaard wettelijke geurnormen voor intensieve veehouderijen zijn daarom in het niet- concentratiegebied strenger dan in de concentratiegebieden. Ook zijn er verschillen met betrekking tot de bandbreedte waarbinnen gemeenten aangepaste normen mogen vaststellen. Het Bkl geeft de mogelijkheid om op lokaal niveau gemotiveerd afwijkende normen of afstanden op te nemen in het omgevingsplan. De gemeente Tilburg heeft geen afwijkende normen of afstanden vastgesteld. Dit betekent dat de geurnormen en -afstanden uit het Bkl van toepassing zijn. TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g, Louis Bouwmeesterplein
51
Motivering/uitkomst onderzoek Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom ten zuidwesten van het centrum in gemengd stedelijk gebied. Verder ligt de gemeente Tilburg in een concentratiegebied zoals gedefinieerd in de Meststoffenwet. De Meststoffenwet levert geen directe beperkingen op voor de bouw van woningen. De ODZOB voorziet in een kaart met contouren van veehouderijen en bijbehorende geurbelasting. Hieronder een uitsnede van de kaart inclusief een legenda met de waarden van de achtergrondbelasting.
Afbeelding: Achtergrondbelasting voor geur in ouE/m3 Uit de kaart van de ODZOB blijken de volgende gegevens. De planlocatie bevindt zich qua leefklimaat in de categorie ‘’Zeer goed’’ met een achtergrondbelasting van <3 ouE/m3. De dichtstbijzijnde veehouderij ligt op ongeveer 2,5 kilometer ten zuidoosten van de planlocatie. Deze afstand voldoet ruim aan de aan de richtafstanden die voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde komt worden gehanteerd (100 meter, Bruidsschat artikel 22.3.6.2). Conclusie Het aspect agrarische geurhinder vormt geen belemmering voor de vaststelling van het omgevingsplan. 4.2.6.2 Industriële geur Toetsingskader De Omgevingswet beschermt geurgevoelige objecten zoals woningen tegen geurhinder afkomstig van industriële activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving ( Bkl) staan instructieregels voor het opstellen van geurregels in het omgevingsplan met als doel het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1, Omgevingswet). In het Bkl zijn slechts beperkt instructieregels opgenomen om geurhinder als gevolg van industriële activiteiten tegen te gaan. Deze instructieregels hebben betrekking op waterzuiveringsinstallaties. Voor alle overige activiteiten geldt dat er sprake moet zijn van een aanvaardbaar geurniveau (artikel 5.92, Bkl). De gemeenteraad moet beslissen of het geurniveau aanvaardbaar is.
De gemeente Tilburg heeft geen eigen geurbeleid. Motivering Binnen een straal van 500 meter zijn geen bedrijfsactiviteiten aanwezig die veroorzaker zijn van geurhinder voor de geplande woningbouw. Er is ten aanzien van geur industrieel geen sprake van een onaanvaardbaar geurniveau. Conclusie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g, Louis Bouwmeesterplein
52
Het aspect industriële geurhinder vormt geen belemmering voor de vaststelling van het wijzigingsplan. 4.2.7 Trillingen Wettelijk kader De gemeente Tilburg heeft in het nieuwe deel van het omgevingsplan vooralsnog geen normen opgenomen voor continue en herhaald voorkomende trillingen conform artikelen 5.87 en 5.87a uit het Bkl. Tot deze normen opgenomen zijn wordt verwezen naar de bruidsschat (art. 22.88) waar normen opgenomen zijn voor het totaal aan trillingen, zowel continu als herhaald voorkomend. Verder staan in de bruidsschat staan regels die toezien op de trillingen in trillinggevoelige ruimten in trillinggevoelige gebouwen, veroorzaakt door activiteiten (paragraaf 22.3.5, art. 22.83 t/m 22.89 bruidsschat). Het wettelijk kader voor trillingen geldt niet voor (art. 22.83 lid 2 bruidsschat): gebouwen die geheel of gedeeltelijk liggen op een industrieterrein met geluidproductieplafonds of gebouwen die zijn toegelaten voor een duur van niet meer dan 10 jaar. Ook een bedrijfswoning wordt niet beschermd tegen trillingen vanwege een eigen bedrijf (art. 22.86 bruidsschat) net als een voormalige bedrijfswoning niet beschermd wordt tegen een agrarische activiteit (art. 22.87 bruidsschat). Spoorwegen Voor woningen langs het spoor gelden geen instructieregels van het Rijk.
De beoordeling moet plaatsvinden binnen de taak van 'een evenwichtige toedeling van functies aan locaties' (artikel 4.2 van de Omgevingswet). Hierbij wordt meestal de Meet- en beoordelingsrichtlijn, deel B, 'Hinder voor personen in gebouwen 2006' van de Stichting Bouwresearch Rotterdam (SBR-richtlijn) toegepast. In het algemeen moet binnen een afstand van 100 meter van het spoor het risico op trillinghinder worden beoordeeld. In sommige gevallen is het zelfs nodig om het onderzoeksgebied uit te breiden tot 250 meter aan weerszijden van het spoor. De redenen om uit te breiden van 100 naar 250 meter voor onderzoek zijn (cf. Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen, ministerie van infrastructuur en waterstaat, mei 2019): Wanneer er al sprake is van klachten door het spoor op een grotere afstand van 100 meter; De plaatselijke bodemopbouw en/of het treinbeeld kunnen leiden tot trillingshinder. In de gemeente Tilburg wordt enkel bij ontwikkelingen binnen 100 meter van het spoor een onderzoek trillingshinder gevraagd. Motivering/Uitkomst onderzoek De planlocatie ligt ongeveer 700 meter ten zuiden van de spoorlijn. Daarom is geen aanvullend trillingsonderzoek uitgevoerd. Conclusie Trillingen vormen geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.
4.2.8 Gezondheid Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. In het Bkl zijn een aantal instructieregels opgenomen, die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking op de aspecten geluid, trillingen luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in de voorliggende paragrafen reeds gemotiveerd. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling een bijdrage levert aan de gezonde fysieke leefomgeving. Geitenmoratorium In juni 2017 heeft de Provincie een geitenmoratorium (voor geitenhouderijen met meer dan 50 geiten) opgenomen in de Verordening ruimte. Dit betekent dat geitenhouderijen hun dierenverblijven niet mogen uitbreiden en er geen nieuwe geitenhouderijen mogen worden opgericht. Aanleiding hiervoor was het RIVM-onderzoek "Veehouderij en gezondheid Omwonenden- aanvullende studies" (VGO2). Uit dit onderzoek blijkt dat mensen die binnen 2 kilometer van een geitenhouderij wonen een verhoogde kans op longontsteking TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g, Louis Bouwmeesterplein
53
hebben. De oorzaak van dit verhoogde risico op longontsteking is niet bekend en wordt op dit moment in opdracht van het Rijk nader onderzocht door het RIVM. De provinciale verordening regelt alleen de situatie gezien vanuit de positie van geitenboeren (voor hen geldt namelijk dat verbod). Echter, bij het opstellen van ruimtelijke plannen (o.a. omgevingsplannen) moet ook aan de zgn. omgekeerde werking worden getoetst. Hiervoor heeft het college op d.d. 14 mei 2019 de beleidslijn geitenmoratorium in ruimtelijke plannen vastgesteld. Dit houdt in dat: 1. Wooninitiatieven binnen stedelijk gebied (zgn. inbreidingslocaties) zonder meer worden toegestaan. 2. Kleine woningbouwinitiatieven buiten de bebouwde kom worden toegestaan met een maximum van 5 Ruimte voor Ruimte-woningen in ruil voor het inleveren van vergunde fosfaatrechten binnen de gemeentelijke grenzen. 3. Met initiatiefnemers worden afspraken gemaakt om potentiële bewoners van nieuwe woningen binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij te informeren over de gezondheidsrisico's. 4. Nieuwe initiatieven met de planologische bestemmingen kinderdagverblijf, verzorgingshuis, verpleeghuis en zorgwoning niet worden toegestaan binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij. 5.
De overige initiatieven waarvoor een ruimtelijke afweging nodig is en niet passen in bovenstaande criteria worden voorgelegd aan de GGD voor screening van de gezondheidsrisico's. Wanneer nieuwe onderzoeken tot andere inzichten leiden over gezondheidsrisico's in relatie tot geitenhouderijen zal een nieuw beleidsvoorstel worden gedaan. De planlocatie ligt in het stedelijk gebied en niet binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij. Het geitenmoratorum vormt geen belemmering voor de planontwikkeling. Magneetvelden en lichthinder De planlocatie bevindt zich buiten de magneetvelden van bovengrondse hoogspanningslijnen. Qua lichthinder wordt gekeken naar de gegevens uit de BrabantScan van de GGD2. De locatie bevindt zich ter plaatse van een gebied van 400 E-10 Watt/cm2/steradiaal wat relatief hoog is vergeleken met andere gebieden binnen de gemeente Tilburg. Uit de data wordt verwacht dat 40% van de volwassenen 18-64 jaar mogelijk wordt gehinderd door licht (één of meer bronnen). Het gemiddelde in de regio West-Brabant is 30%. De impact van lichthinder dient op deze locatie daarom extra aandacht te krijgen. De impact op de gezondheid is afhankelijk van verschillende factoren zoals blootstellingsduur, tijdstip en individuele gevoeligheid.
Passende afscherming of de realisatie van een prikkelarme omgeving bij de realisatie van de woningen is op zijn plaats en dient nadrukkelijk worden meegenomen in bouwkundige afwegingen. Sociaal netwerk en voorzieningen De geplande woningen zijn sterk centraal gelegen ten zuidwesten van het centrum. Voldoende maatschappelijke voorzieningen in de nabije omgeving resulteren in volop mogelijkheden voor een sociaal netwerk in de omgeving. Ook zal er een gemeenschappelijke tuin gerealiseerd worden met verdere mogelijkheden voor ontmoeting. De bereikbaarheid van voorzieningen is in dit gebied meer dan voldoende aanwezig. Cumulatie De afzonderlijke milieuaspecten zijn in separate paragrafen getoetst en beoordeeld. Geconcludeerd is dat de afzonderlijke milieuaspecten geen belemmeringen opleveren voor dit plan. Daarnaast zien we ook geen cumulatie van de afzonderlijke milieuaspecten die op deze locatie aanleiding zouden kunnen geven voor een mogelijk effect op de gezondheid. Zie paragraaf 1.7. geluid voor een nadere toelichting over de cumulatie van geluid op deze locatie. 4.2.9 Bodem Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het Bkl bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding.
Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g, Louis Bouwmeesterplein
54
De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang: <0000> Beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen. <0000> Evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem. <0000> Duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89k Bkl). In beginsel dient een (wijziging op) omgevingsplan vergezeld te worden van een bodemonderzoek conform NEN 5740. Een bodemonderzoek is in ieder geval 2 jaar geldig. In overleg met het bevoegd gezag kan deze termijn worden verlengd. Een deel van het toekomstige gebruik is gevoeliger ten opzichte van het huidige gebruik.
In het archief van de gemeente Tilburg zijn voor de locatie geen actuele relevante bodemonderzoeken bekend. Wel is recentelijk een historisch bodemonderzoek conform NEN5725 uitgevoerd (bijlage 16). Ter plaatse worden geen sterke verontreinigingen verwacht, maar in de omgeving is wel sprake van potentiële sterke verontreinigingen. Bovendien is op basis van het toekomstig gevoeliger gebruik het noodzakelijk om op basis van een bodemonderzoek eventuele risico's voor het toekomstig gebruik definitief uit te kunnen sluiten. Dit onderzoek wordt in opdracht van de gemeente TiIburg uitgevoerd en zit momenteel in de voorbereidende fase. Conclusie Gezien de resultaten uit het historisch onderzoek, waarbij geen belemmeringen voor de bestemmingswijziging worden verwacht, kan de TAM-IMRO procedure wat bodem betreft worden afgerond. Dit onder voorwaarde dat het bodemonderzoek in afzienbare tijd wordt afgerond en eventuele ontoelaatbare risico's voor het toekomstig gebruik die uit dat onderzoek naar voren komen, worden weggenomen.