Bijlage 3.3 ontwerp omgevingsplan motivering
Tekst van het document
Daarom is in de Handreiking Hoogbouw (2017) geen vast kaartbeeld opgenomen, maar de plicht om bij elk hoogbouwinitiatief een stedenbouwkundige analyse uit te voeren (dynamisch kaartbeeld), de programmatische behoefte aan te tonen en een belangenafweging te maken. Het huidige beleid laat de vaste blauwdruk van hoogtes en locaties los en vereist in plaats daarvan een gedegen stedenbouwkundige analyse van het betreffende stadsdeel waar de hoogbouwbehoefte speelt. Deze analyse – het hoogbouwlandschap – wordt verderop toegelicht. Het plan voldoet aan zowel het Stedenbouwkundig Plan en het Hoogbouwbeleid (stedenbouwkundige analyse). In de onderstaande paragrafen gebiedsprofiel en projectprofiel wordt een motivering van het hoogbouwinitiatief gegeven vanuit de in de Handreiking Hoogbouw (2017) en de actualisatie Handreiking Hoogbouw (2023) genoemde stedelijke en gebiedsgerichte criteria. 4.1.3.1 Gebiedsprofiel Het gebiedsprofiel beschrijft hoe het project, stedenbouwkundig wordt ingepast in haar context. Dit gebeurt aan de hand van een stedenbouwkundig model dat opgesteld is op basis van de voor dit plan gestelde stedenbouwkundige en programmatisch uitgangspunten. Het Omgevingsplan biedt ruimte om hier binnen de verdere stedenbouwkundige en architectonische uitwerking, enigszins in te variëren.
Ruimtelijke oriëntatie Hoogbouw markeert plekken, versterkt de ruimtelijke oriëntatie en draagt bij aan de leesbaarheid van de stad. De hoogbouw van het bouwblok Louis Bouwmeesterplein fungeert als scharnierpunt bij de entree van het stadscentrum en het Stadsforum, vanuit het zuidoosten van Tilburg. Als markant punt aan het einde van de TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g, Louis Bouwmeesterplein
20
Korvelseweg/Zomerstraat en de Bredaseweg biedt het herkenbaarheid en oriëntatie aan de rand van het centrum. De overgang van het Stadsforum naar de vernieuwde cityring (Parkring) wordt aan de oostzijde door deze bebouwing gemarkeerd.
Afbeelding: orientatie hoogbouw Vanuit het Stadspark Oude Dijk vormt het bouwblok een schakel in een groene verbindingsroute en markeert het vanuit die richting een nieuwe entree tot het centrum. Het bouwblok bestaat uit: Plint (stadse laag): circa 17 tot 20 meter hoog (5 of 6 bouwlagen) Binnentuin (dek parkeergarage): circa 4 meter boven maaiveld (één bouwlaag) Accenten: maximaal 4 met variërende hoogtes van 29, 32, 51 en 70 meter (circa 9, 10, 16 respectievelijk 22 bouwlagen). De hogere accenten markeren verschillende richtingen in de omgeving, waardoor het bouwblok een ankerpunt wordt in de verbinding met de stedelijke context.
Afbeelding: bouwblok in relatie tot de omgeving Silhouet en skyline
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g, Louis Bouwmeesterplein
21
In het stedenbouwkundig model is te zien dat het bouwblok met zijn accenten bijdraagt aan een evenwichtige skyline en de markering van belangrijke stadsentrees rond het centrum. Alleen de hoogste accenten reiken boven de 50 meter. Deze hoogtepunten zijn nadrukkelijk geen solitaire gebouwen, maar integraal onderdeel van het bouwblok. Het hoogste accent, gelegen aan de zijde van het Zomerpark, ligt terug ten opzichte van de straat. Deze positionering volgt de Tilburgse traditie waarbij grotere schaalelementen – zoals historische fabriekspanden – niet direct aan de straat worden geplaatst, maar dieper in het bouwveld liggen. Daarmee sluiten zij aan op de fijnmazige lintstructuur van lagere bebouwing aan de randen. Ook in het actuele hoogbouwstructuurbeeld van het centrum is dit principe zichtbaar: hogere volumes worden niet formeel of symmetrisch in de eerste lijn gepositioneerd, maar teruggelegd, waardoor de straatprofielen hun menselijke maat behouden. Zo ontstaat een geleidelijke overgang naar de omgeving, terwijl de hoogte toch duidelijk zichtbaar blijft. Het bouwblok fungeert hierdoor als een samenhangend stedelijk ensemble dat de openbare ruimte vormt en de omgeving bindt. Inpassing in de omgeving De opzet van het project sluit zorgvuldig aan op de bebouwing in de directe omgeving. Daarbij is onderscheid gemaakt in verschillende onderdelen van de geleding: <0000>
<0000>
<0000>
<0000>
Plint – De eerste twee lagen verbinden de schaal van het blok met de menselijke maat op ooghoogte. Met een gemengd programma en levendige functies draagt de plint bij aan een aantrekkelijke openbare ruimte rondom het blok. Stadse laag – Deze bouwhoogte sluit aan op de maat en schaal van de directe omgeving, waardoor het blok harmonieus opgaat in het stedelijk weefsel. Accenten – De hogere bouwdelen markeren de richtingen van grotere stedelijke structuren en verankeren het blok in het bredere stadsbeeld. Doorwaadbaarheid – Trappen en doorgangen zorgen voor een aantrekkelijk, openbaar toegankelijke route door de binnentuin, die de buitenruimte en het interieur van het blok verbindt.
Bij het vormen van de contouren is nadrukkelijk ingezet op herstel van de oorspronkelijke zichtlijn en verbinding tussen de Korvelseweg/Zomerstraat en het oude stadscentrum. Deze verbinding, die verdween bij de aanleg van de Schouwburgring, wordt voor zover mogelijk binnen dit plangebied stapsgewijs teruggebracht. Daarnaast vormt het bouwblok een nieuwe schakel in de routing tussen het Stadsforum en het Stadspark Oude Dijk, waarmee zowel functionele verbindingen als ruimtelijke samenhang worden versterkt. Draagvlak en functiemenging De ligging van het Louis Bouwmeesterplein – dicht bij het centrum van Tilburg, het station en de toekomstige mobiliteitshub – maakt het mogelijk om in hoge dichtheid te bouwen. Hierdoor wonen veel mensen op loopen fietsafstand van voorzieningen, wat deze beter benut en onderling versterkt. Door woningen, voorzieningen en mobiliteit verticaal te stapelen ontstaat een alzijdig aantrekkelijk bouwblok dat op een onderscheidende plek in de stad veel programma kan opnemen. De hogere bouw maakt het bovendien mogelijk om de huidige, beeldbepalende centrumparkeervoorziening ondergronds en inpandig te brengen. Deze wordt omgevormd tot een moderne mobiliteitshub, omzoomd door stedelijk programma in de plint en deels overbouwd met woningen.
Met maximaal 480 woningen levert het project direct draagvlak voor de voorzieningen in de plint én voor de centrumvoorzieningen in de omgeving. Het plan draagt zo bij aan de compacte, gemengde stad, waarin de verdichtingsopgave wordt gecombineerd met verbeterde bereikbaarheid, vergroening en nieuwe verbindingen. De onderste bouwlagen bieden ruimte aan functies die zowel de buurt als de stad versterken, zoals maatschappelijke voorzieningen, commerciële functies en ontmoetingsplekken. Daarnaast is er volop gelegenheid tot sociale interactie, zowel in de centrale binnentuin als aan de randen van het bouwblok.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g, Louis Bouwmeesterplein
22
Door deze geconcentreerde aanpak ontstaat een veelzijdig bouwblok met een onderscheidende woonkwaliteit, een mix van woningtypen en voorzieningen en een levendig programma. Deze ontwikkeling geeft een impuls aan de positionering van Tilburg als aantrekkelijke vestigingslocatie en versterkt de ruimtelijke én programmatische verbindingen in de stad. 4.1.3.2 Projectprofiel Het projectprofiel beschrijft puntsgewijs hoe het plan is getoetst op haar effecten voor de directe omgeving. Enkele aspecten zijn elders in deze toelichting of in aparte bijlagen nader uitgewerkt. Windhinder Hogere bebouwing kan windstromen beïnvloeden en daarmee hinder veroorzaken in de openbare ruimte. Om de effecten hiervan in beeld te brengen is een Kwalitatief Windhinderonderzoek (Quickscan Windanalyse Louis Bouwmeesterplein Tilburg (bijlage 1) uitgevoerd. In de huidige situatie lopen de windstromen voor een groot deel langs en over het plangebied. In de toekomstige situatie zal de wind tegen de nieuwe accenten aan stromen, waarna de wind aan de zijde van de Zomerstraat nadrukkelijker zal gaan stromen. Aan de oostzijde van het nieuwe blok zal onder meer door de beperkte aanwezigheid van grote bomen en wandvorming van het nieuw blok de wind het binnenhof in vallen. Uit de windanalyse vallen drie locaties op waar bij de uitwerking van het plan extra aandacht wenselijk is ter verbetering van het windcomfort.
1. Locatie Schouwburgring – Kloosterstraat: windsnelheid komt nu al voor. Mogelijk kan er bij herinrichting Schouwburgring worden gekeken naar het extra breken van de wind. 2. Locatie Zomerstraat: extra aandacht is wenselijk bij de inrichting openbare ruimte om wind door aanwezige windcorridor en windval te beperken. Toevoegen van bomen kan hier een dempend effect hebben. 3. Locatie Kloosterstraat: extra aandacht gewenst bij de inrichting van de openbare ruimte. De gemiddelde windsnelheid op is op deze locaties is 5 m/s. Deze windsnelheid wordt beschreven als een merkbare, maar niet hinderlijke wind. Dit is ook de hoogst gemeten windsnelheid op maaiveld- en dekniveau, en daarmee het meest relevant ten aanzien van een mogelijk nadelig windcomfort. De windsnelheid op het dak van de hoogteaccenten is 5 m/s of meer, maar vallen buiten de onderzoeksscope. Toevoegen van bomen kan een positieve bijdrage leveren aan het breken van de wind, waardoor er comfortabelere windluwe gebieden kunnen worden gecreëerd. In de eerste studies voor de inrichting van de openbare ruimte wordt ook al rekening gehouden met nieuwe bomen. Aandachtspunt is de positionering van nieuwe bomen in relatie tot de bebouwing. Daarbij zal ook naar soort, omvang bij aanplant en geschiktheid gekeken moeten worden zodat bomen ook aanslaan en overleven.
Naast toevoeging van bomen in het openbaar gebied kan ook met de uitwerking van de bouwvolumes een positieve bijdrage aan het windklimaat worden gerealiseerd door nadere positionering en vormgeving van bouwvolumes en toevoegen van bouwkundige elementen. Schaduwwerking Het plan heeft invloed op de zonlichttoetreding en de schaduwwerking in de omgeving. Hiervoor is een bezonningonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 2 van deze motivering. Op enkele locaties wordt de norm overschreden. Van de bezonningsnorm kan worden afgeweken wanneer dit goed wordt onderbouwd. In dit geval is aanpassing van het bouwblok ongewenst om de volgende redenen: <0000>
<0000>
<0000>
<0000>
<0000>
Zorgvuldige hoogte en opbouw – De hoogte, het silhouet en de opbouw van het gebouw zijn zorgvuldig gekozen op basis van stedelijke en omgevingsuitgangspunten. Inpassing in het hoogbouwsilhouet – De hoogbouw markeert de stadsentree en het Stadsforum aan de zuidwestzijde van het centrum. Opbouw in plint, stadslaag en accenten – Deze gelaagde opbouw zorgt voor een goede aansluiting op de schaal van de omgeving en maakt een samenhangend silhouet vanuit meerdere richtingen zichtbaar. Bijdrage aan woningbouwopgave – Het plan voegt circa 480 woningen toe aan de stad, een substantiële bijdrage aan de gemeentelijke doelstellingen. Beperkte aanpassingsmogelijkheden – Eventuele aanpassingen zouden slechts een minimaal effect hebben op de bezonning, ook al is die aanpassing substantieel.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g, Louis Bouwmeesterplein
23
<0000>
De belangenafweging valt uit in het voordeel van het nieuwbouwplan: er blijft sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, aanpassing van het gebouw is onwenselijk en de ontwikkeling levert in kwalitatieve en kwantitatieve zin een bijdrage aan de verdichtingsopgave. Bezonning is geen wettelijke randvoorwaarde voor een goed woon- en leefklimaat, waardoor afwijken van de norm hier gerechtvaardigd is.
Uitzicht Uitzicht betreft het effect van het nieuwe gebouw op de zichtlijnen vanuit omliggende bebouwing en hoe eventuele negatieve effecten worden beperkt. De huidige situatie wordt gekenmerkt door een appartementencomplex met een representatieve voorzijde en een gesloten, logistieke achterzijde, inclusief parkeergarage en geparkeerde auto’s. Na realisatie van het plan kijkt men uit op een alzijdig, levendig en gemengd bouwblok met gevarieerde hoogtes en een mix van woon-, werk- en verblijfsfuncties aan het openbaar gebied. Het nieuwe blok heeft een leesbare stedelijke laag die aansluit op de schaal van de omliggende bebouwing, met daarboven diverse hoogteaccenten en setbacks. Op basis van massa- en volumestudies zijn de posities van deze accenten zorgvuldig bepaald, zodat ze de structuurrichtingen in het plan begeleiden en het uitzicht vanaf elke zijde van het blok goed is afgestemd op de omgeving. Door de aangepaste bebouwingscontour wordt bovendien de cultuurhistorische zichtlijn en route van de Korvelseweg/Zomerstraat naar het centrumgebied tot aan de Schouwburgring hersteld. Privacy Privacy gaat over de mate van inkijk vanuit de nieuwbouw naar bestaande woningen en buitenruimtes. De Handreiking Hoogbouw noemt een afstand van 25 meter tussen gevels als acceptabel voor privacy.
In binnenstedelijke situaties is dit niet altijd haalbaar, maar kan met ontwerpmaatregelen toch voldoende privacy worden geborgd. In dit plan is de afstand tussen gevels in de meeste gevallen groter dan 25 meter. Op drie locaties wordt deze afstand beperkt overschreden: a.
Zomerstraat: De kleinste onderlinge gevelafstand ligt hier net onder de 25 meter. Gezien de minimale afwijking, de binnenstedelijke ligging en het feit dat er openbare ruimte tussen beide gevels ligt, wordt deze situatie als aanvaardbaar beschouwd. b. Kloosterstraat: De afstand varieert tussen circa 23 en 24 meter, voor het grootste deel ligt de gevel buiten de 25-meterlijn. Bestaande muren (semi-open), hoge hagen en volwassen bomen zorgen bovendien voor extra privacy. Gezien de beperkte impact en de binnenstedelijke context zijn deze afwijkingen acceptabel. c. Achterzijde Schouwburg: Afstand op maaiveldniveau ca. 12,5 meter (kantoren in plint), vanaf de derde laag ca. 20 meter. De gevel is grotendeels gesloten, eventuele inkijk betreft werkruimtes, wat in deze context aanvaardbaar is.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g, Louis Bouwmeesterplein
24
Afbeelding: bouwblok met 25 meter contour Schaalsprong De schaalsprong betreft het schaalverschil, zowel verticaal als horizontaal, tussen hoogbouw en omliggende bebouwing. Het bouwblok bestaat uit meerdere stedelijke volumes rond een verhoogd groen binnenhof, met verschillende hoogteaccenten en een parkeergarage met drie lagen (waarvan twee ondergronds). <0000> <0000>
Stedelijke laag – Vier tot zes bouwlagen met setbacks, afgestemd met het volume op de directe omgeving. Hoogteaccenten – Vier accenten variërend in hoogte en positie: <0000>
<0000>
<0000>
<0000>
Kloosterstraat Het laagste hoogteaccent begeleidt de richting van de Kloosterstraat en sluit in maat en schaal aan op het huidige podiumhuis van de Schouwburg en de Concertzaal. Hiermee wordt de overgang gemaakt van de nieuwbouw naar de kleinere schaal van de woningbouw aan de overzijde van de straat. Schouwburgring Het hoogteaccent aan de Schouwburgring staat haaks op de ring en reageert op de wederopbouwarchitectuur in dit deel van de stad. Op straatniveau begeleidt het de looproute naar de historische Pauluskerk en sluit het aan bij de smalle straten en stegen die kenmerkend zijn voor het omliggende Dwaalgebied. Dit accent draagt bij aan de stedelijke ambities die passen bij de Schouwburgring en vormt onderdeel van de reeks oude en nieuwe bouwvolumes en hoogteaccenten langs de cityring. Een deel van de stedelijke laag loopt vóór dit accent door, waardoor een gelaagde opbouw ontstaat die aansluit bij de compositie van de Schouwburg. Het Omgevingsplan biedt ruimte om dit accent in de uitwerking nauwkeurig af te stemmen op het volume en de maatvoering van de Schouwburg. Zomerstraat Het accent aan de Zomerstraat markeert de aansluiting van het historische lint op de Schouwburgring en begeleidt ruimtelijk de richting en structuur van het Zomerpark. Tegelijkertijd bevindt het zich aan een deel van de ring met een grotere schaal van bebouwing.
Hierdoor vervult het accent een schakelfunctie: het sluit in maat en schaal aan bij de toren Elegance aan de overzijde van de Schouwburgring en bij de bestaande hoogteaccenten langs de cityring. Zomerpark Dit accent staat haaks op het Zomerpark en is het hoogste van het plan. Het markeert het bouwblok op stadsniveau en sluit aan op de richting en structuur van het historische lint. Door zijn hoogte is het vanuit meerdere plekken in de stad goed zichtbaar en maakt het het tot nu toe verborgen Zomerpark herkenbaar in het stedelijk beeld. Door de positie heeft dit accent, ondanks zijn hoogte, slechts een beperkte invloed op de directe stedelijke ruimte.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g, Louis Bouwmeesterplein
25
Alle accenten worden in de architectonische uitwerking nader verfijnd om richting, rankheid en buitenruimtes optimaal te realiseren. Plint, openbare ruimte en groen De plint vormt de verbinding tussen het bouwblok en de stad op ooghoogte. Levende functies zoals woningen, commerciële en maatschappelijke ruimten liggen aan de randen van het blok, terwijl logistieke functies zoals bergingen, fietsenstallingen en parkeergarage inpandig in het hart zijn gesitueerd. Het ontwerp van de plint en gevels volgt de uitgangspunten uit het stedenbouwkundig plan en het beeldkwaliteitskader, en wordt verder uitgewerkt door de architect en beoordeeld door het Kwaliteitsteam. Het Zomerpark, de openbare ruimte rond het plan en het binnenhof maken deel uit van het programma 013 Parken van de gemeente Tilburg. Dit programma versterkt de groene structuur van de stad, maakt deze klimaatbestendig en aantrekkelijk, en legt nadruk op strategische sleutelplekken, zoals deze projectlocatie. 4.1.4 Verkeer en parkeren 4.1.4.1 Mobiliteitsaanpak Tilburg De 'Mobiliteitsaanpak Tilburg, Samen op weg naar 2040' schetst een toekomst waarin slim en duurzaam vervoer centraal staat. Dat betekent: nieuwe technologieën toepassen, maar ook de gebruiker centraal stellen. Niet als doel op zich, maar om bij te dragen aan een leefbare stad.
Daarnaast zetten we in op duurzaamheid: we houden nadrukkelijk rekening met toekomstige generaties. Mobiliteitsagenda 013 De hoofdlijnen uit de mobiliteitsaanpak zijn nu uitgewerkt in een agenda met concrete maatregelen en opgaven voor de korte, middellange en lange termijn. In een aantal Tilburgse proeftuinen wordt samen met onderwijs, bedrijfsleven en uiteraard de gebruikers gewerkt aan innovaties op het gebied van slimme mobiliteit. Deze MobiliteitsAgenda013 wordt jaarlijks geactualiseerd in september. 4-sporen beleid parkeren 2021 Op 18 november 2021 heeft de raad met betrekking tot parkeren in de binnenstad het 4-Sporenbeleid Parkeren en Deelmobiliteit vastgesteld. Dit houdt onder andere in dat bij een nieuwe ontwikkeling de ontwikkelaar in de basis nog steeds geacht wordt het parkeren op de eigen ontwikkelplot op te lossen, maar dat er meer handvatten komen waarmee de gemeente een helpende hand kan bieden. De vier sporen zijn: 1. Het beter benutten van restcapaciteit in openbare parkeergarages Hiervoor zijn nieuwe abonnementsvormen ingevoerd waarbij de garages op rustige momenten beter worden gebruikt en op drukke momenten voornamelijk ruimte bieden voor bezoekersparkeren. Voor bezoekers van bewoners wordt een bezoekersregeling in de garages ontwikkeld. 2. Met een hoogwaardig en betaalbaar aanbod deelmobiliteit een goed alternatief bieden voor de eigen auto.
Met behulp van een vergunningenstelsel voor deelscooters en deelfietsen wordt actief gestuurd op een hoogwaardig aanbod. Ook voor deelauto’s is een dergelijk vergunningenstelsel volgens planning eind 2023 beschikbaar. In de nota parkeernormen zijn de voorwaarden voor deelmobiliteit opgenomen. 3. Gebiedsgericht aan de rand van de binnenstad openbare parkeercapaciteit toevoegen Op 26 mei 2023 heeft het college besloten dat er aan de oostkant van het centrum een aantal van 500 á 600 extra parkeerplaatsen in openbare gebouwde voorziening wordt gerealiseerd. Daarnaast wordt aan de westzijde van de binnenstad een tijdelijke garage van ca. 350 parkeerplaatsen gerealiseerd. 4. Transferia bij de toegangspoorten van de stad Op 26 mei 2023 heeft het college besloten dat een tweetal transferia, bij de Kempenbaan en in Noord, worden uitgewerkt. Deze worden voorzien van hoogwaardig natransport, waaronder snelle en frequente buslijnen. 4.1.4.2 Nota Parkeernormen Tilburg 2023 Op 1 januari 2024 is de nota Parkeernormen Tilburg 2023 in werking getreden. In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2023' zijn de geactualiseerde parkeernormen en berekeningsmethode vastgelegd. Het doel van nota parkeernormen is om ervoor te zorgen dat de mobiliteit voor (toekomstige) bewoners, gebruikers, en TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g, Louis Bouwmeesterplein
26
bezoekers bij bouwontwikkelingen gefaciliteerd wordt, zodat de locatie toegankelijk is en ook in de toekomst bereikbaar blijft, zonder dat de extra mobiliteitsbehoefte wordt afgewenteld op de omgeving. Tegelijkertijd voorkomen we met de nota parkeernormen dat er te veel parkeerplaatsen worden aangelegd en er meer auto’s in de stad komen dan nodig is. Omdat we het aantal toe te voegen autoparkeerplaatsen bij bouwontwikkelingen willen begrenzen, maar individuele initiatiefnemers niet altijd de mogelijkheid hebben om alternatieven voor parkeren goed en efficiënt te regelen, introduceren we naast het Parkeerfonds een Mobiliteitsfonds. Met dit fonds kunnen we bijvoorbeeld bijdragen aan het organiseren van een stadsbreed hoogwaardig én betaalbaar aanbod aan alternatieve vormen van mobiliteit, zoals deelmobiliteit of het inrichten van een gebiedsgerichte mobiliteitshubs met deelvoertuigen (zoals auto’s, fietsen en scooters). Om te voorkomen dat nieuwe ontwikkelingen tot overlast leiden in de omgeving, plaatsen we deze ontwikkelingen op de BROP-lijst (Beperkt Recht Op Parkeerproduct). Hierin staan de afspraken over parkeervergunningen en -abonnementen. Het uitgangspunt is dat gebruikers (en bezoekers) van de nieuwe ontwikkeling niet in aanmerking komen voor een gemeentelijk product. Bij iedere ontwikkeling bepalen we de normatieve parkeerbehoefte.
Per functie wordt het normatieve aantal parkeerplaatsen van de ontwikkeling berekend. Dit gebeurt op basis van de parkeernorm per functie. Bij de berekening van de parkeerbehoefte wordt rekening gehouden met zaken als dubbelgebruik en de regeling 'oud voor nieuw'. Het uitgangspunt is dat deze parkeerbehoefte op eigen terrein wordt opgelost. In sommige gevallen is het wenselijk om minder parkeerplaatsen te maken. Met name binnenstedelijk, waar voldoende vervoersalternatieven zijn, kunnen we de parkeerbehoefte beïnvloeden. Daar hebben we ook de mogelijkheid in de vorm van betaald parkeren om de omgeving te beschermen tegen mogelijke parkeeroverlast. Een andere vorm om de parkeerbehoefte te beïnvloeden is het inzetten van deelmobiliteit. Het inzetten van deelauto’s en andere vormen van deelvervoer bij woonfuncties heeft alleen invloed op de parkeerbehoefte van bewoners. In sommige gevallen is parkeren op eigen terrein niet mogelijk of niet wenselijk. In de nota parkeernormen 2023 zijn hiervoor verschillende vrijstellingsregels opgenomen. Tenslotte is de richtlijn laadpunten bij nieuwbouw opgenomen. Deze richtlijn heeft als doel om in de pas te blijven met de opgave die voor ons ligt, namelijk het realiseren van afdoende laadvoorzieningen in de stad om elektrisch vervoer mogelijk te maken en houden.
4.1.4.3 Fietsparkeren In de basis geldt dat fietsparkeervoorzieningen op eigen terrein worden gerealiseerd. Normen hiervoor zijn opgenomen in de Nota Parkeernormen 2023. Daarbij maken we onderscheid in de fietsparkeervoorziening voor vaste gebruikers en de fietsparkeervoorziening voor bezoekers. Vaste gebruikers parkeren hun fiets in een overdekte voorziening die afgesloten dan wel bewaakt is. Bezoekers parkeren hun fiets in een openbaar toegankelijke voorziening. De invulling van deze fietsparkeervoorzieningen is verschillend voor grondgebonden woningen en appartementen. Bij grondgebonden woningen is het uitgangspunt dat bezoekers hun fiets zonder hinder van het overige verkeer (voetgangers) nabij de woning kunnen stallen, bijvoorbeeld in de voor- of achtertuin of tegen de voorgevel. Bij appartementen stallen meerdere bezoekers op kleiner oppervlak, waardoor fietsparkeervoorzieningen als nietjes of rekken benodigd zijn. Tilburg Fietst!, de Tilburgse Fietsagenda 2020 Het Tilburgs beleid voor de fiets is vastgelegd in “Tilburg Fietst!, de Tilburgse Fietsagenda 2020”, welke door het college is vastgesteld op 8 december 2020. De fietsagenda is één van de vijf uitwerkingen van de Mobiliteitsaanpak Tilburg 2040 (MAT2040) en de MobiliteitsAgenda 013.
Hierin is de doelstelling opgenomen dat tweederde van de verplaatsingen binnen de stad in 2040 op actieve wijze plaatsvindt (lopen en fietsen) en een groei van 20% van het aantal gereden fietskilometers in 2027 ten opzichte van 2017. Fietsen is inclusief, draagt bij aan een duurzame stad en is cruciaal in gezondheidspreventie. Daarom kiest de gemeente Tilburg voor de fiets en doet dit consequent. Hierbij wordt ingezet op drie pijlers: fietsinfrastructuur, fietsparkeren en fietsstimulering. De fietsagenda verbindt het Tilburgs fietsbeleid met het Regionaal Fietsbeleidsplan 2016-2020 (regio Hart van Brabant), met de Samenwerkingsagenda BrabantStad Fiets 2019-2022 (de vijf Brabantse steden, de provincie NoordBrabant en BUas) en met het landelijke Tour de Force 2e etappe Schaalsprong Fiets (samenwerking tussen het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g, Louis Bouwmeesterplein
27
Ministerie van I&W, IPO, VNG/F10, vervoerregio’s en diverse organisaties waaronder de ANWB en de RAI Vereniging). 4.1.4.4 Agenda voor het stedelijk openbaar vervoer in Tilburg De Tilburgse OV-agenda vormt een uitwerking van actuele kaders, waaronder de Mobiliteitsaanpak Tilburg (2016), Verstedelijkingsstrategie (2022), Parkeerstrategie (2022) en de Actualisatie Netwerkanalyse 2040 (2025). In het bestuursakkoord ‘Meer voor Elkaar’ (2022) is opgenomen dat voor het realiseren van de woningbouwopgave en voor een prettig en gezond verblijfsklimaat een mobiliteitstransitie noodzakelijk is met inzet op hoogwaardig openbaar vervoer voor de lange termijn. Om Tilburg leefbaar en bereikbaar te houden, dient het aantal reizigers in 2040 met een factor 3-4 te zijn gegroeid ten opzichte van 2019. Om dat te bereiken, zet Tilburg op hoofdcorridors in op Bus Rapid Transit (BRT). Hier reizen inwoners en bezoekers snel en comfortabel over busbanen naar hun bestemming. Aanvullend op BRT worden sterke ontsluitende stads- en streeklijnen gehandhaafd. Een hoogfrequente stadslijn door de oude stad van noord naar zuid verbindt de Parkring, het Museumkwartier, Wagnerplein en mogelijk het ziekenhuis en te ontwikkelen transferia in Noord en Zuid. Tenslotte gaan reizigers voor de kleine vervoersbehoeften gebruik maken van flexibele, ondersteunende, toegankelijke diensten.
4.1.4.5 Netwerkanalyse, de auto-agenda Tilburg De Omgevingsvisie uit 2015, de Mobiliteitsaanpak uit 2016 en TilburgNext uit 2017, sturen in combinatie met een mobiliteitstransitie en een toename van een fors aantal inwoners aan op stedelijke ontwikkeling die bijdraagt aan een vitale, economische sterke, inclusieve en mooie stad om in te wonen en werken. Dit geldt ook voor de binnenstad, dat als nieuw centrum toe moet naar meer bezoekers, meer inwoners en meer verblijfskwaliteit. Dit vergt echter ruimte en die is slechts beperkt beschikbaar. Ten behoeve hiervan is de netwerkanalyse uitgevoerd en vastgesteld door de raad op 1 februari 2021. Op 30 juni 2025 heeft de raad de Actualisatie Netwerkanalyse 2040 en samenhangende mobiliteitsmaatregelen vastgesteld. In de netwerkanalyse is een betere benutting van de buitenring van de stad, voor vracht en doorgaand verkeer, door een optimalisering van deze routes, opgenomen. Daarnaast is vastgesteld dat de gehele cityring in een kwalitatieve en leefbare openbare ruimte geïntegreerd moet worden, met gegarandeerde bereikbaarheid van de binnenstad voor bewoners, bezoekers en bevoorrading. Hiervoor is op 4 oktober 2021 door de raad een aantal concrete, aanvullende, maatregelen vastgesteld die de hoeveelheid verkeer op de cityring in voldoende mate terugbrengt.
Met deze aanpassingen wordt ook de naam “cityring” vervangen door een naam die de lading beter dekt en verwijst naar de parkeerroute en het gewenste groene karakter van de ring. De huidige werknaam hiervoor is “Parkring”. 4.1.4.6 Tilburg loopt!, de loopagenda Tilburg 2020-2023 Lopen draagt bij aan de doelen in het bestuursakkoord. Lopen maakt, zoals wetenschappelijk is bewezen, gezond en gelukkig. Lopen is inclusief, duurzaam en draagt bij aan de vitaliteit van onze inwoners. Met dit doel is op 12 mei 2020 de loopagenda vastgesteld. Deze agenda geeft invulling aan het handvest voor lopen, het partnerschap van het platform ruimte voor lopen, de mobiliteitsaanpak 2040 en de mobiliteitsagenda 013. Bij de mobiliteitsaanpak 2040 horen uitvoeringsagenda's. In de loopagenda is het uitvoeringsprogramma voor de voetganger opgenomen. De uitgangspunten die zijn vastgesteld gaan uit van volledige toegankelijkheid voor iedereen. Lopen maakt deel uit van elke verplaatsing ook die waarbij andere vervoerswijzen betrokken zijn. Het kan ook alleen een ommetje zijn. Er moet voor voetgangers een basiskwaliteit zijn, maar op plaatsen waar veel voetgangers komen moet dat een extra kwaliteitsimpuls krijgen. 4.1.4.7 Toetsing van het plan Ligging plangebied Het plangebied ligt aan de rand van de zuidelijke binnenstad van Tilburg, tussen de Schouwburgring, het Louis Bouwmeesterplein en de Zomerstraat.
Aan de oostzijde ligt de Stadsschouwburg en aan de zuidzijde staat woonbebouwing. Fietsroutes TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g, Louis Bouwmeesterplein
28
Het Louis Bouwmeesterplein is aan de westzijde en aan de noordzijde ontsloten door middel van hoofdfietsroutes. Aan de westzijde loopt deze over de Zomerstraat en aan de noordzijde via de Schouwburgring. Omliggende wegenstructuur en ontsluiting Het Louis Bouwmeesterplein ligt aan de zuidzijde van de Schouwburgring, onderdeel van de Parkring. Op de Schouwburgring geldt eenrichtingsverkeer van oost naar west. De Schouwburgring wordt in de periode 2026-2028 heringericht tot een 30 km-gebied met een smalle rijbaan en een vrijliggend fietspad aan de zuidzijde. Aan de westzijde ligt de Zomerstraat, hier geldt eenrichtingsverkeer van zuid naar noord. De Zomerstraat wordt eveneens heringericht en ook daar gaat een maximaal toegestane snelheid van 30 km/h gelden. De Zomerstraat wordt voorzien van fietsvoorzieningen die passen bij de status van hoofdfietsroute. De ontsluiting van de planontwikkeling voor fietsverkeer vindt op maaiveld plaats op de fietsinfrastructuur in openbaar gebied. Onder de planontwikkeling komt een parkeergarage. Deze faciliteert al het autoverkeer van en naar de ontwikkeling. De functie van openbare parkeergarage is voornamelijk gericht op bezoekers uit zuidwestelijke richting. De voornaamste aanrijdroute en route om de garage te verlaten is vanuit en naar westelijke richting. De entree van de parkeergarage komt aan de westzijde in de Zomerstraat.
Hiervoor wordt in het openbaar gebied een hellingbaan aangebracht naar de eerste etage onder maaiveld. De garage is vanuit zuidwestelijke richting rechtstreeks te benaderen. Vanuit oostelijke richting is de garage indirect te bereiken door eerst de garage voorbij te rijden en vervolgens alsnog naar de westzijde van het plangebied te rijden. De uitrit van de garage komt aan de zuidoostzijde van het plangebied, op de Kloosterstraat en Louis Bouwmeesterplein. Het Louis Bouwmeesterpleine sluit direct aan op de Schouwburgring. Om de afwikkeling van het uitrijdend verkeer te borgen zijn op de kruising van het Louis Bouwmeesterplein met de Schouwburgring verkeerslichten voorzien. De ontsluiting van/naar de openbare parkeergarage is in onderstaande afbeelding schematisch weergegeven.
Afbeelding: ontsluiting nieuwe parkeergarage Louis Bouwmeesterplein In de memo “Verkeersonderzoek Louis Bouwmeesterplein Tilburg” (bijlage 3) is aangetoond dat de extra verkeersproductie als gevolg van de planontwikkeling door de bestaande en toekomstige infrastructuur op de Parkring kan worden afgewikkeld als aan een aantal voorwaarden wordt voldaan: <0000> Op de kruising Louis Bouwmeesterplein – Schouwburgring worden verkeerslichten geplaatst. <0000> De kruising Lange Schijfstraat – Bredaseweg – Noordhoekring wordt volgens het nog vast te stellen ontwerp van de Parkring gerealiseerd. <0000> De kruising Lange Schijfstraat – Lieve Vrouweplein vraagt een extra aanpassing bovenop de reeds voorziene aanpassing in het kader van de herinrichting van de Korvelseweg. In het verkeersonderzoek zijn TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g, Louis Bouwmeesterplein
29
<0000>
drie (technisch uitvoerbare) varianten uitgewerkt. De variant waarbij het kruispunt Lieve Vrouweplein wordt opgesplitst in twee deelkruispunten (kruispunt Lange Schijfstraat – Capucijnenstraat – Zomerstraat en kruispunt Langeschijfstraat Lieve Vrouweplein) is de voorkeursvariant. Deze variant is weergegeven in onderstaande afbeelding. Deze extra aanpassing wordt meegenomen in het definitieve ontwerp en uitvoering van de herinrichting van de Korvelseweg en noodzakelijke aanpassing van de openbare ruimte in het kader van de herontwikkeling Louis Bouwmeesterplein. De kruising van fietsverkeer in noordelijke richting op de Zomerstraat kruist verkeer wat de parkeergarage inrijdt ongelijkvloers. Dit uitgangspunt wordt meegenomen in het ontwerp van de openbare ruimte in het kader van de herontwikkeling Louis Bouwmeesterplein.
Afbeelding: inrichtingsvoorstel voorkeursvariant 3 twee deelkruispunten De ontwikkeling is op basis van bovenstaande uitgangspunten verkeerskundig inpasbaar. Openbaar vervoer Het gebied is goed met openbaar vervoer bereikbaar. Aan de noordzijde ligt een bushalte aan de Schouwburgring en aan de Noordhoekring. Aan de zuidwestzijde ligt een bushalte aan de Korvelseweg. Het NS-station ligt op een loopafstand van ongeveer 800m van het plangebied. Parkeren Autoparkeren: Op de locatie van de planontwikkeling ligt een bestaande openbare parkeergarage en een parkeerterrein voor vergunninghouders. Onderdeel van het plan is een nieuwe, openbare parkeergarage met circa 700 parkeerplaatsen. De Nota Parkeernormen 2023 is het toetsingskader en daar voldoet het plan aan. De parkeerbalans van de ontwikkeling bestaat uit twee delen: (i) de parkeerbehoefte vanuit de ontwikkeling en (ii) de bestaande parkeerbehoefte in de huidige parkeervoorziening. De parkeernormen uit de nota bepalen parkeerbehoefte vanuit de ontwikkeling. De regeling ‘oud’ voor ‘nieuw’ wordt toegepast: behoefte van de huidige, te verdwijnen, functies wordt in mindering gebracht op de behoefte van de nieuwe ontwikkeling. De nieuwe woningen krijgen, net als in de huidige situatie, geen toegewezen parkeerplaatsen. Er worden abonnementen uitgegeven.
Op basis van het meest recente programma van 480 woningen is de parkeereis circa 200 parkeerplaatsen. Deze komen in de vorm van abonnementen beschikbaar. Omdat er geen sprake is van toegewezen parkeerplaatsen kan dubbelgebruik optimaal worden toegepast. Bewoners en gebruikers van de nieuwe ontwikkeling komen niet in aanmerking TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g, Louis Bouwmeesterplein
30
voor een parkeervergunning en/of bezoekersregeling op straat. De toekomstige adressen worden op de BROP-lijst (Beperkt Recht op Parkeerproduct) geplaatst. Het plan zet maximaal in op het stimuleren van deelmobiliteit. Bij een programma van 480 woningen worden er 19 parkeerplaatsen voor deelauto’s en 38 stalplaatsen voor deelfietsen en/of -scooters ingericht. Voor de parkeerbehoefte vanuit de bestaande parkeergarage is gekeken naar het daadwerkelijke, huidige gebruik van de deze garage. De 10e drukste dag wordt als piekmoment gebruikt, omdat ruimte geven aan het absolute piekmoment (zoals de kermis of een feestdag) zorgt voor veel leegstand op alle andere dagen en dus een weinig efficiënt gebruik van de ruimte. Als gevolg van het plan komen er 60 parkeerplaatsen in de openbare ruimte te vervallen. Deze worden gecompenseerd in de nieuwe parkeergarage. Een maximaal woonprogramma van 480 woningen, de behoefte vanuit de bestaande parkeergarage, deelmobiliteit en compensatie parkeerplaatsen resulteert in een parkeerbehoefte van circa 735 parkeerplaatsen op het maatgevend moment (de werkdag avond).
Parkeerbehoefte nieuwbouw Parkeerbehoefte deelmobiliteit Parkeerbehoefte parkeergarage Parkeerbehoefte openbaar gebied Totale parkeerbehoefte
Werkdag ochtend
Werkda g middag
Werkdag avond
Koop avond
Werkdag nacht
Zaterda g middag
Zaterda g avond
Zondag middag
101 pp 19 pp
89 pp 19 pp
217 pp 19 pp
173 pp 19 pp
205 pp 19 pp
104 pp 19 pp
175 pp 19 pp
127 pp 19 pp
267 pp
407 pp
458 pp
430 pp
136 pp
468 pp
437 pp
450 pp
60 pp
60 pp
60 pp
60 pp
60 pp
60 pp
60 pp
60 pp
428 pp
556 pp
735 pp
663 pp
401 pp
632 pp
672 pp
637 pp
De definitieve parkeerbehoefte wordt bij vergunningsaanvraag berekend op basis van het definitieve woonprogramma. Toetsingskader is de Nota Parkeernormen 2023 en het Mobiliteitsplan Parkeren Louis Bouwmeesterplein (bijlage 4). Omdat de definitieve parkeerbehoefte nog niet bekend is, wordt er in het omgevingsplan gesproken over een parkeergarage van ‘circa 700 parkeerplaatsen’. Fietsparkeren: Goede voorzieningen voor het stallen van fietsen zijn nodig om het fietsgebruik te stimuleren. Het stallen van fietsen voor bezoekers kan worden gefaciliteerd in de gemeentelijke openbare fietsstallingen welke op loopafstand aanwezig zijn. Daarnaast moet op maaiveld, openbaar toegankelijk, worden voorzien in stallingsvoorzieningen voor fietsen. Voor bewoners en ander vaste gebruikers dient voldoende capaciteit inpandig te worden voorzien. Daarbij moet ook capaciteit voor buitenmaat fietsen en scooters en bromfietsen worden voorzien. De Nota parkeernormen Tilburg 2023 is van toepassing. In de bestaande openbare parkeergarage zit een fietsenstalling voor studentenvereniging Plato. Deze komt niet terug in de nieuwe parkeergarage. In overleg met de studentenvereniging wordt voorzien in fietsstalplaatsen in de openbare ruimte en gebruik gemaakt van bestaande openbare fietsenstallingen. Afvalinzameling Afvalinzameling vindt plaats aan de rand van het plangebied.
Voor de afvalinzameling gelden de richtlijnen zoals deze door het BAT zijn opgesteld. Noodhulpdiensten Het gebied moet bereikbaar zijn voor noodhulpdiensten volgens de bijbehorende bereikbaarheidseisen.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g, Louis Bouwmeesterplein
31
4.1.5 Water en watersystemen Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie Koel Tilburg Het klimaat verandert sneller dan verwacht en zet de leefbaarheid van de stad onder druk. We willen dat onze stad en dorpen prettig zijn om in te wonen, te werken en te verblijven. Daarom willen we dat de stad leefbaar blijft tijdens hittegolven, dat regenwater geen schade veroorzaakt en dat de Tilburgse bodem niet verder uitdroogt. In de Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie is opgeschreven hoe we in Tilburg samenwerken aan een Koel Tilburg. De Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie Koel Tilburg is tot stand gekomen door in gesprek te gaan met partijen uit de stad. We zetten in op bewustwording, gedeeld eigenaarschap en projecten van en met de stad. Om hier een olievlekwerking van uit te laten gaan. Initiatiefnemers, bedrijven en organisaties uit de stad die bijdragen aan de doelstellingen nodigen we nadrukkelijk uit om mee te gaan in de beweging die met de Uitvoeringagenda Klimaatadaptatie Koel Tilburg in gang is gezet. Het klimaat verandert sneller dan gedacht. Daarom vinden we dat ieder initiatief moet bijdragen aan het klimaatbestendiger maken van de stad. Om hier richting aan te geven hebben we zes doelstellingen geformuleerd en zijn er beleidsregels voor een klimaatrobuuste inrichting en ontwerp vastgesteld.
De beleidsregels voor het omgaan met regenwater zijn uitgewerkt in het Programma Water en Riolering 2024 2027. De beleidsregels worden vertaald in het Handboek Openbare Ruimte en in het omgevingsplan. De zes doelstellingen: <0000> Een gevarieerd, natuurlijk en vitaal buitengebied; <0000> Robuuste groen- blauwe structuren; <0000> Een koele woonomgeving; <0000> Onze nieuwbouw stelt het voorbeeld; <0000> Klimaatbestendige bedrijventerreinen; <0000> Klimaatbewustwording en Koel gedrag. Onderstaande beleidsregels geven handvatten en richtlijnen voor een klimaatrobuuste inrichting en ontwerp: <0000> Zorg voor voldoende groen in straten, pleinen en op gebouwen; <0000> Zorg voor ‘koelte-eilanden’ en koele looproutes; <0000> Zorg dat regenwater infiltreert op de plek waar het valt, dan droogt de bodem niet uit; <0000> Zorg voor waterbergingsruimte om extreme buien op te vangen; <0000> Gebruik groen als basis en verharding waar nodig. Programma Water en Riolering Het Programma Water en Riolering (PWR) is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het PWR wordt vastgelegd wat de gemeente wil bereiken en wat de rolverdeling is tussen overheid, bewoners en bedrijven ten aanzien van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater. Het PWR is tevens de basis voor de gemeentelijke rioolheffing.
Eén van de doelstellingen in het PWR is om het water- en rioleringssysteem toekomstbestendig te maken. Door klimaatverandering krijgen we te maken met zwaardere buien, een toename van warme dagen, langdurige perioden van droogte en een verandering van de biodiversiteit. Deze verandering stelt nieuwe eisen aan het watersysteem, de waterketen en de omgeving. Als we droge voeten en een leefbare omgeving willen behouden, moet iedereen hier een steentje aan bijdragen. Als gevolg van het veranderende klimaat is de bestaande situatie vaak niet bestand tegen hevige buien en langdurige droogte. Om wateroverlast (hinder of ernstige hinder) te beperken en de kans op waterschade te minimaliseren, zijn maatregelen nodig. Daarom geldt voor werkzaamheden in de bestaande omgeving een regenwateropgave. Voor uitbreidingen is de opgave om de nieuwe omgeving klimaatadaptief in te richten, met voldoende ruimte voor waterberging. De volgende criteria bepalen de regenwateropgave voor verschillende categorieën van werkzaamheden:
Regenwateropgave
Opgave bij A < 50
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g, Louis Bouwmeesterplein
Opgave bij 50 m² ≤
Opgave bij A ≥ 200 32
m² m² vervanging* Geen m² toename* Geen m² vervanging* Geen m² toename* Geen Tabel regenwateropgave per type en schaal van ontwikkeling Ruimtelijke ontwikkeling Openbare ruimte
A < 200 m² 10 mm 20 mm 10 mm 20 mm
m² 60 mm*** 60 mm*** Locatiespecifiek** 60 mm
*De opgave geldt voor verhard oppervlak waarvan het hemelwater op het watersysteem wordt aangesloten. Verhard oppervlak waar niets mee gebeurt of verhard oppervlak waarvan het hemelwater direct infiltreert in de bodem zonder overloop, krijgt geen opgave. **Er geldt altijd een minimale opgave van 10 mm voor bergen en infiltreren. ***Bij ruimtelijke ontwikkelingen mag rekening worden gehouden met bestaande berging (mits aantoonbaar en beschikbaar).
De opgave van 10 mm heeft als doel om het water van de kleine buien af te vangen en toe te voegen aan de grondwatervoorraad met het oog op de toenemende verdroging. Locatiekenmerken en check waterbelangen Gegevens planlocatie en checklist wateraspecten Planontwikkeling
Louis Bouwmeesterplein
Oppervlak planlocatie
ca. 12.000m2
Maaiveldhoogte
Tussen 14 – 14,5 m+NAP
GHG
Ca 12 m+NAP (brond: grondwatermeetnet Gemeente Tilburg)
Bodem
Overwegend zeer fijn zand met plaatselijk een leemlaag
Waterschap
De Dommel
Oppervlaktewater in omgeving?
nee
Drinkwaterbeschermingsgebied?
nee
Waterbergingsgebied?
nee
Attentiegebied waterhuishouding?
nee
Beekdal/flank/kop
Hoge kop
Rioolwatertransportleiding
nee
vanwaterschap in omgeving? Natuurnetwerk Brabant in omgeving?
nee
Omgeving plangebied gerioleerd
Nu nog gemengd maar wordt op korte termijn gescheiden
Regenwateroverlast in huidige
Zeer beperkt
situatie?
Huidige situatie Het plangebied bestaat nu uit een versteend plein met fontein aan de noordkant, het zomerpark aan de zuidwestkant, een appartementencomplex met op de begane grond winkels aan de noordkant en een parkeergarage en parkeerplaats aan de oostkant van het terrein. Het gebied is grotendeels verhard. TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g, Louis Bouwmeesterplein
33
Het plangebied is gelegen in het centrum van Tilburg. Het gebied is zeer sterk verstedelijkt. Ten zuiden van het gebied ligt een wat groenere band met onder andere het Zomerpark, Stadspark Oude Dijk en het Muzenpark. Dit is het oude beekdal van de Korvelse Waterloop dat van oudsher minder geschikt was om te bouwen en dus relatief groen is gebleven. Dat het gebied bij een beekdal ligt is in de winters van 2023 en 2024 nog goed te merken geweest. Toen is er sprake geweest van langdurige wateroverlast in onder andere het Stadspark Oude Dijk. Op de planlocatie wordt geen water op straat berekend bij een T=2 bui. Bij een T=100 wordt en aan de overkant van de Zomerstraat en voor het pand ten zuidwesten van de locatie (de Jumbo-winkel) water tegen de gevel berekend. In het zomerpark en rondom de fontein wordt bij een T=100 bui beperkt water op straat berekend. Toekomstige situatie Op de locatie worden maximaal 480 woningen gebouwd. Een klein deel hiervan is gepland als grondgebonden woningen, het overgrote deel komt in hoogbouw. Bij de woningen komt een ondergrondse parkeergarage. Het deel van de parkeergarage dat niet bebouwd wordt krijgt een een groendak. Een deel van de locatie wordt openbare ruimte.
Wateraspecten Regenwater De regenwateropgave voor de ontwikkeling geldt, conform het Tilburgse beleid, niet alleen voor de toename van verhard oppervlak maar ook voor vervanging van verhard oppervlak (hydrologisch positief ontwikkelen). In de planontwikkeling wordt al het verhard oppervlak vervangen, de wateropgave geld dus voor al het toekomstige verhard oppervlak. De regenwateropgave voor de nieuwe ontwikkeling is 60 mm, de regenwateropgave voor de herinrichting van de openbare ruimte is 50 mm. Het regenwater moet worden opgevangen in een regenwatervoorziening. Hierbij geldt de volgende voorkeursvolgorde: <0000> Gebruik regenwater (gebruik voor toiletdoorspoeling, beregening van groen) <0000> Infiltratie regenwater voor aanvulling grondwater. In Tilburg geldt dat ten minste de eerste 10 mm binnen de wateropgave moet kunnen infiltreren maar meer is beter <0000> Vertraagde afvoer naar regenwaterriool <0000> Vertraagde afvoer naar gemengd riool Verder gaat voor een infiltratie- en bergingsvoorziening de voorkeur uit naar een natuurlijke, bovengrondse voorziening. Alleen als dat niet kan, mag gekozen worden voor een ondergrondse technische oplossing. Deze moet boven de grondwaterstand liggen zodat het regenwater onder vrij verval naar de bodem of het rioolstelsel kan worden afgevoerd. Volgens het beleid van waterschap De Dommel ligt het gebied op een ‘hoge flank’.
Daar ligt de nadruk op het vasthouden en laten infiltreren van regenwater. Door ten minste 10 mm regenwater te laten infiltreren wordt daaraan voldaan. Het plan Louis Bouwmeester gaat uit van waterberging op daken. Een deel van het regenwater van de hoge daken wordt gebruikt voor de groenvoorziening op de lager gelegen daktuin(en). Overtollig water van de daken en daktuin wordt opgevangen in een ondergrondse berging met infiltratiemogelijkheid en vertraagde afvoer. Deze bergingsvoorziening komt tussen de nieuwbouw en het zomerpark te liggen. Het infiltrerende water komt daarmee ook ten goede aan het groen in het zomerpark. In de toekomst krijgt de bergingsvoorziening een aansluiting op een nog aan te leggen blauwe ader. Tot die tijd wordt de noodoverloop met terugslagklep aangesloten op het gemengd riool in de Kloosterstraat.
Riolering (DWA) Het vuilwater moet, gescheiden van de overloop vanuit de regenwatervoorziening, worden aangesloten op het gemeentelijke rioolstelsel.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g, Louis Bouwmeesterplein
34
Pilot Circulair water Binnen het plan wordt de mogelijkheid van een pilot circulair water onderzocht. Dit houdt in dat er wordt gekeken naar de mogelijkheden voor circulair gebruik van water met als doel het verminderen van drinkwatergebruik. Circulair water houdt in dat regenwater of licht verontreinigd water (bijvoorbeeld uit douches als grijswater) wordt ingezet als alternatief voor het gebruik van drinkwater. Dit gebeurt voornamelijk bij activiteiten waarbij een lagere kwaliteit van water geen probleem vormt, zoals bij het doorspoelen van toiletten of het beregenen van een groen dek. Er is nog geen concreet concept met betrekking tot circulair water uitgewerkt, maar het onderzoek hiernaar is onderdeel van de uitwerking van ontwerp. 4.1.6 Natuur en ecologie De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Omgevingswet en is grotendeels bepaald door de Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Onder de Omgevingswet wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende activiteiten die de natuur betreffen. Natura 2000 Het natura 2000-netwerk bestaat uit gebieden die zijn aangewezen onder de Vogelrichtlijn en onder de Habitatrichtlijn. Werkzaamheden die worden uitgevoerd binnen de grenzen van een natura 2000-gebied of die significante gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied vallen onder een ‘Natura 2000-activiteit’ en zijn vergunningsplichtig.
Een Natura 2000-activiteit is een activiteit dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Of een activiteit al dan niet significante gevolgen kan hebben dient voorafgaand aan de activiteit met een passende beoordeling of het doorlopen van een ADC-toets te worden onderzocht. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend. Het plangebied ligt op ruime afstand van wettelijk beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Kampina en Oisterwijkse vennen en ligt op ruim 4,3km van de projectlocatie. Gezien deze afstand en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling kunnen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten. Er is een Stikstofdepositieonderzoek (bijlage 5) met AERIUS-berekeningen (zie bijlage 6, 7, 8 en 9) uitgevoerd en de stikstofnorm wordt niet overschrede. Soortenbescherming In het wild levende planten en dieren zijn beschermd onder de wet. Bij handelingen of werkzaamheden die effect hebben op deze soorten zal vergunning voor een ‘flora en fauna-activiteit’ aangevraagd moeten worden.
Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën: <0000> Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats. <0000> Overige inheemse broedvogels zoals bedoeld in de Vogelrichtlijn. <0000> Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn. <0000> Soorten vermeld in bijlage II bij het verdrag van Bern. <0000> Soorten vermeld in bijlage I bij het verdrag van Bonn. <0000> Nationaal beschermde soorten vermeld in bijlage IX van het Besluit activiteiten leefomgeving. Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en eieren opzettelijk te vernielen of te rapen en tevens rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook.
Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode. Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om eieren of rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g, Louis Bouwmeesterplein
35
plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er is geen vergunning nodig indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode of voor het vangen of opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste rust of verblijfplaatsen of rustplaatsen van soorten genoemd in tabel 3.82 van de TAM-Omgevingsverordening Noord-Brabant. Specifieke zorgplicht Nieuw binnen de Omgevingswet is de specifieke zorgplicht. De specifieke zorgplicht geldt altijd, ook bij floraen fauna-activiteiten die niet vergunningsplichtig zijn. De specifieke zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer die een flora en fauna-activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de bescherming van de aanwezige natuur verplicht is alle maatregelen te nemen om negatieve gevolgen te voorkomen. In de Omgevingswet zijn er ten aanzien van de specifieke zorgplicht een aantal verplichtingen opgenomen.
Zo dient er voorafgaand aan het verrichten van de activiteit te worden nagegaan of op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid daarvan soorten kunnen voorkomen die van nature in Nederland in het wild leven of voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats. Bij aanwezigheid van soorten dient te worden onderzocht/nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor planten of dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen en hun eieren en dienen passende preventieve maatregelen getroffen te worden. Tot slot dient er tijdens en na het verrichten van de activiteit te wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben. Als nadelige gevolgen niet voorkomen kunnen worden, zullen de werkzaamheden moeten worden gestaakt. Wanneer de zorgplicht aan de orde is dient de gemeente hiervan te worden geïnformeerd en kan in overleg met de ecologen mogelijk gezorgd worden naar een oplossing. Er is een quickscan naar flora en fauna, Quickscan natuur Louis Bouwmeesterplein Tilburg, 2025 (bijlage 10) uitgevoerd door idverde Advies. Daaruit is gebleken dat er in de te slopen bebouwing mogelijk kraam-, zomeren/of paarverblijven van vleermuizen aanwezig zijn.
Om verstoring te voorkomen wordt gebruik gemaakt van de gemeentelijke gebiedsontheffing voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen en bijbehorend soortenmanagementplan (SMP). In voorliggend plan wordt voor de sloop van de aanwezige bebouwing gebruik gemaakt van deze gebiedsontheffing. Om te voldoen aan de ontheffingseisen zal men maatregelen in acht nemen. Deze maatregelen zijn enerzijds gericht op zorgvuldig werken en anderzijds op het creëren van vervangende verblijfplaatsen. Daarnaast is de aanwezigheid van beschermde algemene vogels en zoogdieren niet uit te sluiten. Voor deze soorten en voor vleermuizen dienen extra voorzorgsmaatregelen genomen te worden om schadelijk handelen te voorkomen. Omgevingsverordening Brabant Naast genoemde wettelijke kaders vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in de Omgevingsverordening en het Nationaal Natuurnetwerk Nederland, wat op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciaal vastgelegde natuurwaarden bestaan uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en zones met Groenblauwe waarden. Deze groenstructuren zijn ruimtelijk vastgelegd in de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden.
Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden. De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke omgevingsplannen. Binnen Groenblauwe waarden is het beleid gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van een klimaatbestendig en veerkrachtig watersysteem en de ontwikkeling van groenblauwe waarden, natuur en landschap. Voor de natuur betekent dit vooral versterking van de leefgebieden voor plant- en diersoorten en de bevordering van de biodiversiteit buiten het NNB. Binnen de groenblauwe waarden streeft de provincie naar een samenhangende aanpak van natuur, landschap en water die de omgevingskwaliteit en recreatiemogelijkheden versterkt en waardoor de gevolgen van klimaatveranderingen voor de natuur en het watersysteem beter kunnen worden opgevangen. Binnen Groenblauwe waarden geldt dat ontwikkelingen bijdragen aan de natuur- en landschapswaarden en het bodem- en watersysteem.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g, Louis Bouwmeesterplein
36
Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Brabant (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) en de Groenblauwe Mantel, zoals begrensd op de kaarten van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. De dichtstbijzijnde gebieden die tot het Natuurnetwerk Brabant behoren, liggen op ruim 2000m van het plangebied. Externe effecten op het Natuurnetwerk Brabant, zoals benoemd in artikel 3.16 van de Interim Omgevingsverordening, zijn gezien deze afstand en zeer beperkte externe invloed redelijkerwijs uit te sluiten. Conclusie <0000> Het plangebied ligt op ruime afstand van Natura2000-gebied Kampina en Oisterwijkse vennen. Negatieve effecten kunnen redelijkerwijs worden uitgesloten. <0000> Uit de AERIUS-berekening blijkt dat de stikstofnorm niet wordt overschreden. <0000> Het plangebied ligt op ruime afstand van het Natuurnetwerk Brabant. Negatieve effecten zijn hierdoor uit te sluiten. <0000> Het plangebied ligt binnen het gebied waarin het soortenmanagementplan van kracht is. Hier wordt gebruik van gemaakt om te voldoen aan de natuurwetgeving. <0000> Uit de quickscan flora en fauna komt naar voren dat beschermde algemene vogelsoorten en zoogdiersoorten verstoord kunnen raken. Door voorzorgsmaatregelen te treffen, worden negatieve effecten weggenomen. 4.1.7 bomenverordening en beleidsregels bomen 2024 Bomen staan steeds meer onder druk.
De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van stedelijke druk. Dat is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Ook zijn ze van nadrukkelijk belang voor biodiversiteit, klimaatadaptatie en een gezonde leefomgeving. Om er niet te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken door o.. stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden, is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Daarom zijn onderstaande documenten vastgesteld: <0000> Bomenverordening Gemeente Tilburg 2024 <0000> Beleidsregels Bomen 2024 <0000> Boomwaarde zoneringskaart 2024 (BWZ-kaart) <0000> Kaart Monumentale Bomen Tilburg (KMBT) Deze documenten samen zorgen ervoor dat er een juiste balans is tussen ruimtelijke ontwikkelingen en de leefbaarheid van de stad. Bomenverordening 2024 en beleidsregels Bomen 2024 De Bomenverordening en de beleidsregels Bomen 2024 bieden het particuliere en gemeentelijke bomenbestand bescherming met een velverbod met bijbehorende regels (vellen = rooien, kappen, verplanten of snoeien van meer dan 20% van de kroon of wortels). Hierbij wordt onderscheid gemaakt in een normaal en hoog beschermingsregime (zie BWZ-kaart en de KMBT).
Ook de compensatieverplichting maakt onderdeel uit van de Bomenverordening en beleidsregels. Boomwaarde zoneringskaart 2024 (BWZ-kaart) Deze kaart geeft alle huidige openbare en particuliere houtopstanden in de gemeente Tilburg een waarde; er zijn zones met houtopstanden met een klimaat- , eco- of basiswaarde en daarnaast is er de buiten-zone. Voor bomen in deze zones zijn in de Bomenverordening en de beleidsregels Bomen criteria opgesteld o.a. over het verlenen van omgevingsvergunningen (bescherming tegen vellen), compensatieverplichting en straatbeeld. <0000> Hoog beschermingsregime: monumentale bomen en bomen met een klimaat- of ecowaarde. Het is in principe verboden deze bomen te vellen. Een vergunning wordt alleen afgegeven als er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang dat zwaarder weegt dan het duurzaam behoud van de boom. <0000> Normaal beschermingsregime: dit zijn bomen met een basiswaarde of in de buiten-zone. Een omgevingsvergunning voor het vellen van deze bomen wordt verleend, tenzij er weigeringsgronden zijn op basis van natuur- en milieuwaarde, landschappelijke waarde, waarde voor straat- of stadsbeeld cultuurhistorische waarde, waarde voor recreatie of klimaatadaptieve waarde. Kaart Monumentale Bomen (KMBT) Op de KMBT staan alle monumentale bomen in de gemeente Tilburg (particulier en gemeentelijk).