CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3.2. Ontwerp TAM hs 22p Kempenbaan toelichting.Pdf

Raadsvergadering 9 maart 2026, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel besluit wijzigen TAM omgevingsplan hs 22p Kempenbaan-Oost23.906 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Rond de Koningshoeven ontwikkelde zich een klein bedrijventerrein, met name na de vestiging van de fabrieken van de familie Houben in de tweede helft van de negentiende eeuw die aan deze weg ook een aantal villa’s liet bouwen. In 1947 is ten noorden van het plangebied de Ringbaan Zuid aangelegd als onderdeel van de Rijksweg 63 naar Breda. In 1958 werd direct ten zuiden van het plangebied de A58 aangelegd waarvoor vanaf de Ringbaan Zuid een verbindingsweg werd aangelegd (Kempenbaan).

3.3.2 Archeologie

Het plangebied bevindt zich in het beekdal van de Nieuwe Leij. Dit soort laaggelegen, natte gebieden waren in het verleden minder geschikt voor bewoning en landbouw, maar eventueel wel voor andere activiteiten zoals foerageergebied. Vanwege de ligging in een beekdal heeft het plangebied op de Archeologische Waarschuwingskaart van Tilburg (ARWATI) een basisverwachting of onbekende verwachting toebedeeld gekregen In 2007 is voor de opstelling van het bestemmingsplan Leijpark Koningshoeven een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd om deze verwachting nader te kunnen specificeren. Daarbij is naar verschillend aspecten van het landschap gekeken zoals reliëf, water, bodem en wegenpatroon, aangevuld met onder andere archeologische waarnemingen, bekende historische bebouwing en toponymisch onderzoek om een overzicht te krijgen van de historische bewoning en het type landschapsgebruik. Aan de hand van bekende nederzettingspatronen uit diverse perioden is vervolgens uitspraak gedaan over locaties die gunstig kunnen zijn geweest voor (pre)historische bewoning. Op basis van het bureauonderzoek is voor verschillende perioden de archeologische verwachting opgesteld. Deze verwachting geeft echter een historische situatie weer, waarbij geen rekening is gehouden met moderne en submoderne verstoringen waarmee de snelle urbanisatie van het plangebied in de twintigste eeuw gepaard is gegaan.

Zo zullen bij de aanleg van woonwijken delen van het plangebied zijn geëgaliseerd en/of afgegraven (funderingen), waardoor de kans op archeologische waarden sterk is verminderd of zelfs geheel is verdwenen. Deze delen van het plangebied hebben daardoor een lagere archeologische verwachting. Het plangebied valt geheel binnen het gebied met geen tot lage archeologische verwachting. Binnen het gebied zijn ook geen archeologisch waardevolle terreinen bekend. In het omgevingsplan hoeven geen bijzondere voorwaarden opgenomen te worden voor archeologie.

3.3.3 Objecten en structuren In het plangebied bevinden zich op grond van de Erfgoedwet 2016 of de gemeentelijke monumentenverordening drie beschermde monumenten. De bebouwing uit de periode 1850 – 1940 is geïnventariseerd in het Monumenten Inventarisatie Project (MIP). Deze bebouwing heeft geen formeel beschermde status maar komt wel voor op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant en wordt daar ook als waardevol beschouwd. In het plangebied bevinden zich diverse MIP-panden. Voor de architectuur en stedenbouw uit de periode na de Tweede Wereldoorlog dient onderzoek uit 2005 als basis. Uit deze periode bevinden zich geen waardevolle panden in het gebied. Rijksmonumenten: <0000> Koningshoeven 18-20, 30. Gemeentelijk monument: <0000> Koningshoeven 63 (villa Dennenhage). MIP-panden en cultuurhistorisch waardevolle bebouwing: <0000> Cenakel 1 tot en met 14; <0000> Koningshoeven 66, 74, 75, 79, 81, 83, 85, 87 en brug (ongenummerd); <0000> Enkele Oostenrijkse woningen uit 1947 aan de oostelijke zijde van de Koningshoeven; <0000> IJsclubweg 51 tot en met 65 (oneven). Naast het oude wegenpatroon bevinden zich in de nabijheid van het plangebied ook nieuwere lijnen en elementen (tot circa 1950) in het plangebied die historisch geografisch waardevol zijn: <0000> Ringbaan Zuid; <0000> Hoevense Kanaaldijk.

3.3.4 Conclusie Met het plan worden geen beschermde monumenten of cultuurhistorische waarden aangetast. Vanwege de lage archeologische verwachting hoeven in het omgevingsplan geen bijzondere voorwaarden opgenomen te worden voor archeologie. Archeologisch vervolgonderzoek is dan ook niet noodzakelijk.

3.4 Landschappelijke inpassing

3.4.1 Landschappelijke structuur Om de visuele impact van de ambulancepost te beperken, worden stevige groenstructuren aangelegd die zorgen voor een natuurlijke afscherming. Daarbij is ook het reeds vergunde stadsdistributiecentrum meegenomen. De landschappelijke inpassing heeft, voorzover dit nog niet in het vigerende omgevingsplan het geval was, in dit omgevingsplan de functie groen gekregen. Tegelijkertijd wordt ingezet op een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de bestaande lintbebouwing, zodat het karakter van het gebied behouden blijft. Een belangrijk onderdeel hiervan is het versterken van de historische laanbeplanting langs de Koningshoeven, waarmee de ruimtelijke kwaliteit en herkenbaarheid van het lint worden versterkt. Daarnaast is het behoud van de populieren langs de Kempenbaan essentieel om de bestaande groenstructuur te respecteren en bij te dragen aan een samenhangend, duurzaam landschap. Ingezet wordt op de toepassing van gebiedseigen soorten om bij te dragen aan de lokale ecologische waarden. De landschappelijke inpassing staat beschreven in het 'Stedenbouwkundig plan Kempenbaan-Oost, vastgesteld 1 juli 2025, welke als bijlage 1 is toegevoegd aan deze motivering.

3.4.2 ecologische verbindingszone Het Leijdal wordt ontwikkeld tot een robuust en weerbaar landschap dat bestand is tegen klimaatverandering en tegelijk de ecologische en recreatieve waarde versterkt. Als groene ader vormt het dal een belangrijke verbinding tussen de stad en het omliggende buitengebied, waarbij natuur, water en recreatie samenkomen. De aanleg van een ecologische verbindingszone in het beekdal draagt bij aan het versterken van de ecologische betekenis en biodiversiteit in het gebied. Door de introductie van poelen, ecologische oevers en boomstructuren ontstaat een gevarieerd leefgebied voor planten en dieren. Deze landschappelijke ingrepen verbeteren niet alleen de waterkwaliteit en het microklimaat, maar zorgen ook voor veilige verbindingen tussen natuurgebieden. Zo wordt het beekdal opnieuw een robuuste ecologische zone, waarin natuurlijke processen en soorten zich beter kunnen herstellen en ontwikkelen. Dit vormt een belangrijke stap in het duurzaam herstellen van de oorspronkelijke landschapsstructuur en ecologische waarde. Zo draagt het Leijdal bij aan een gezondere leefomgeving en een sterkere samenhang tussen stad en landschap.

Afbeelding: structuurkaart op grond van het stedenbouwkundig plan 3.4.3 Landschappelijke inpassing RAV-ambulancepost Het ontwerp voor de RAV-ambulancepost is gericht op een naadloze inpassing in de bestaande en nieuwe woonomgeving aan de Koningshoeven samen met het bestaande groen aan de Kempenbaan en langs de A58. Met groene accenten, variërende hoogtes en lokale beplanting wordt ervoor gezorgd dat de gebouwen zoveel mogelijk uit het zicht verdwijnen, terwijl de biodiversiteit wordt versterkt. Gebruik van de IBR (Integrale Beplantingsmethode Ruyten) garandeert dat alle beplanting tot een optimaal beeld kan uit groeien met beperkte beheersmaatregelen, wat uiteindelijk de biodiversteit ten goede komt.

Koningshoeven Aan de zijde van Koningshoeven grenst de nieuwbouw en bestaande woningen aan het bedrijventerrein. Hier wordt geplaatst: <0000> Houtwallen (bomen en struiken), die als groene wand werken; <0000> Een gemengde haag van ongeveer 2,00 m hoog, opgebouwd uit meerdere inheemse struikensoorten (zoals meidoorn, sleedoorn en rode kornoelje); <0000> Vrije opstelling van bomen en struiken. Door grote bomen en struiken te planten, wordt ervoor gezorgd dat de ambulancepost (en ook het stadsdistributicentrum) binnen korte tijd wordt ingepakt in het groen. Zo ontstaat er een groene buffer tussen de Koningshoeven en de bedrijven. Een gemengde haag combineert verschillende struiken in één erfafscheiding. Voordelen: 1. Doelgericht ecologisch: biedt variatie in bloei, vruchtdracht en bladstructuur. 2. Sterkte en veerkracht: als één soort minder presteert, nemen andere soorten de functie over. 3. Esthetiek: in elk seizoen heeft de haag een eigen uitstraling. Deze haag biedt schuil- en foerageerplekken voor vogels en kleine zoogdieren én draagt bij als afscheiding van de woningen richting de nieuwe ontwikkeling. Op het smalste deel, tussen de bedrijven en woonwijk, worden verticale groen-elementen aangebracht. Dit zijn voorzet-elementen waardoorheen klimplanten groeien, bijvoorbeeld klimop, blauwe regen, bruidsluier, kamperfoelie, etc.

Doel: <0000> Binnen twee jaar is de 14 m hoge gevel gedeeltelijk bedekt; <0000> De klimplanten worden in de volle grond geplant waardoor ze volledig vrij kunnen wortelen en optimaal uitgroeien. Achter het stadsdistributiecentrum ligt een laagte voor waterberging. Bij hevige regenval vangt dit gebied hemelwater op. In de semi-permanente natte zones blijft het water langer staan, wat leidt tot: <0000> stimulering van droge en natte vegatie; <0000> een biotoop voor amfibieën en insecten zoals libellen; <0000> een grotere variatie bloemen en kruiden wat gunstig is voor alle fauna. Buiten deze waterberging worden op cruciale plekken grondwallen aangebracht om de hoogte van bomen en heesters visueel te versterken. Rondom RAV en de Leij In dit deel wordt aangesloten op het natuurlijke beekdal. Hier groeien soorten die goed gedijen en voor een openere structuur zorgen en bijdragen aan de ecologische verbinding met het Leij-gebied. Kempenbaan Langs de Kempenbaan, waar de voorzijde van het stadsdistritibutiecentrum en ambulancepost zichtbaar zijn: <0000> De percelen worden ingezaaid met bloemrijke kruidenmengsels, zodat er in elk seizoen kleur en nectar aanwezig is. <0000> Rondom de ambulancepost en kantoren worden beplantingsvakken met siergrassen en bloemrijke vaste planten aangebracht, die het zicht op het terrein breken en aansluiten op de landschappelijke omgeving.

<0000> De bestaande bomenrij wordt uitgebreid met een houtwal op een grondwal. <0000> De huidige houtwal aan de A58 zijde gaat geleidelijk over in een nieuw aan te brengen houtwal met bestaande populieren richting het beekdal van de Leij.

3.4.4 Conclusie Door stevige groenstructuren aan te leggen wordt de visuele impact van het bedrijventerrein beperkt. Tevens zorgt een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de bestaande lintbebouwing ervoor dat het karakter van het gebied behouden blijft. Hiermee voegt de nieuwe ontwikkeling zich goed in de bestaande omgeving.

3.5 Verkeer en parkeren Ligging plangebied/bestaande situatie Het plangebied, gelegen in het zuidoosten van Tilburg, wordt begrensd door de Kempenbaan, de Koningshoeven en de A58. De belangrijkste ontsluitingsweg is de Kempenbaan als oostelijke entree van de stad

aansluitend op de Ringbaan Zuid en Ringbaan Oost. De maximum toegestane snelheid is 70 km/u tot aan de bebouwde komgrens ter hoogte van de Leij. Daarna is de maximum toegestane snelheid 50 km/h. De Koningshoeven is een erftoegangsweg met een maximum snelheid van 30 km/u. Deze weg is aangesloten middels een verkeerslichtentregelinstallatie (VRI) ter hoogte van het Cenakel op de Kempenbaan. Hiermee worden ook andere functies ontsloten zoals een hotel en sportclub aan de Ijsclubweg. De Koningshoeven functioneert als ontsluiting voor diverse woningen en bedrijvigheid. Bovendien dient de weg ook als ontsluiting voor het buitengebied rondom de Eindhovenseweg waar diverse functies zoals het trappistenklooster en agrarische bedrijven zijn gelegen. De Eindhovenseweg is ook de verbinding richting Moergestel. Autoverkeer De Kempenbaan is een belangrijke ontsluitings-as van de stad. De doorstroming moet gegarandeerd blijven vanwege het belang voor het totale Tilburgse wegennet en de verwachte toename van verkeer als gevolg van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Bovendien zal Rijkswaterstaat geen terugslag op de snelweg A58 toestaan. Om het plangebied te ontsluiten is een nieuw kruispunt met VRI voorzien op de Kempenbaan.

Het bestaande kruispunt Kempenbaan – Cenakel – Koningshoeven (hierna: kruispunt Cenakel) is zeer dicht gelegen op het kruispunt Ringbaan Zuid - Ringbaan oost – Kempenbaan, wat een negatief effect heeft op de doorstroming van de Kempenbaan en leidt tot filevorming in de spitsperioden. Het toevoegen van een extra kruispunt zou deze situatie verder verslechteren en is daarom alleen mogelijk als het kruispunt Cenakel wordt afgewaardeerd. Om die reden is ook een nieuwe verbindingsweg tussen de Kempenbaan en Koningshoeven door het plangebied noodzakelijk. Dit is ook vastgelegd in het raadsbesluit van december 2022. Op basis van de BOPA is het SDC vergund en ook de noodzaak van de nieuwe aansluiting op de Kempenbaan, de nieuwe verbindingsweg en de afwaardering van kruispunt Cenakel aangetoond middels het Verkeersonderzoek Kempenbaan Oost van adviesbureau Goudappel Coffeng (zie bijlage x 'Verkeersonderzoek Kempenbaan Oost' (017307.20240531.R1.03). In dit onderzoek is, naast de komst van het stadsdistributiecentrum, rekening gehouden met de komst van een ambulancepost en de bouw van 20 woningen. Ook voor de ambulancepost is een snelle en directe aansluiting op de Kempenbaan van wezenlijk belang, ivm het kunnen voldoen aan de wettelijke opkomsttijden bij calamiteiten. De Koningshoeven is hiervoor niet geschikt en zou ook teveel overlast geven voor bewoners bij gebruik van sirenes.

Om een goede doorstroming en verkeersveiligheid te borgen, zal een directe ontsluiting met VRI op de Kempenbaan worden gerealiseerd. Ter plaatse van deze aanlsuiting wordt ook een nieuwe verbindingsweg gerealiseerd tussen de Kempenbaan en Koningshoeven. Om de realisatie van de nieuwe kruising mogelijk te maken, zal de kruising Cenakel - Kempenbaan - Koningshoeven moeten worden afgewaardeerd. Fietsverkeer Langs het gebied loopt via de Koningshoeven een secondaire fietsroute richting Torentjeshoeve en Eindhovenseweg. Deze route sluit aan op de Hoevenseweg richting het centrum van Tilburg. Het profiel op de Koningshoeven is te smal voor aparte fietsvoorzieningen en vanwege de hoeveelheid verkeer en gereden snelheid onvoldoende veilig. De wens bestaat om waar mogelijk de hoeveelheid verkeer te verminderen waardoor de veiligheid voor langzaam verkeer beter gewaarborgd kan worden. Openbaar vervoer Door het plangebied loopt via de Koningshoeven een streeklijn 141 richting Moergestel. Op 2 plaatsen binnen de bebouwde kom liggen bushaltes. Parkeren Nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen aan het parkeerbeleid van de gemeente Tilburg. De parkeerbehoefte wordt bepaald op basis van de, op dat moment, vastgestelde parkeernota. Voor dit programma zijn de parkeernormen voor zone C van toepassing.

In de vergunning voor het stadsdistributiecentrum zit een parkeergebouw voorzien met ruimte voor 212 parkeerplaatsen. Uit een eerste berekening blijkt dat er dubbelgebruik mogelijk is voor alle geplande functies in dit gebied en dus voldoende parkeergelegenheid gerealiseerd kan worden voor de ambulancepost. Voor de woningen kunnen voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd worden. Bij vergunningverlening zal een definitieve parkeertoets plaatsvinden.

Hoofdstuk 4 Milieu & gezondheid 4.1 Inleiding Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan.

4.2 Mer-beoordeling 4.2.1 Wettelijk kader Bij een m.e.r.-beoordeling moet de gemeente toetsen of er bij een plan of programma aanzienlijke milieueffecten op kunnen treden (art. 16.36 lid 3 en 4 Ow). In 2 situaties is er een m.e.r.-beoordeling nodig: a. Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het gaat om projecten die niet in bijlage V van het Omgevingsbesluit staan. Een m.e.r.-beoordeling moet uitgevoerd worden. b. Het plan is kaderstellend voor projecten en komt terug in kolom 1 van bijlage V uit het Omgevingsbesluit. De drempel in kolom 2 uit bijlage V Omgevingsbesluit wordt niet overschreden. Een m.e.r.-beoordeling is nodig als: 1. Het plan een kleine wijziging van een plan of programma is 2. Het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als de gemeente bevoegd gezag is over het plan Uit de m.e.r.-beoordeling kan volgen dat aanzienlijke milieueffecten niet zijn uitgesloten. Dan volgt er een m.e.r. en dient een milieueffectrapport (MER) worden opgesteld. Wanneer direct duidelijk is dat aanzienlijke gevolgen zijn voor het milieu, bijvoorbeeld wanneer de drempelwaarde uit kolom V van het omgevingsbesluit overschreden wordt, dan ligt het voor de hand om de m.e.r.-beoordeling over te slaan en direct een m.e.r.-procedure op te starten.

4.2.2 Motivering - uitkomst onderzoek In het kader van de voorgenomen planontwikkeling is er een m.e.r. beoordeling opgesteld: ‘M.E.R.-beoordeling wijziging Omgevingsplan Kempenbaan-Oost’, Antea Group, 0501812.100, d.d. 8 augustus 2025 (definitief). (Bijlage ….) Uit de m.e.r.-beoordeling blijkt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van kenmerken en locatie van het plan, die zouden kunnen leiden tot aanzienlijke gevolgen voor het milieu ter plaatse. Voor de getoetste milieuaspecten geldt dat er geen effecten optreden, dan wel dat deze effecten met mitigerende maatregelen worden voorkomen dan wel beperkt. Het betreft de volgende (noodzakelijke) mitigerende maatregelen: <0000> Voor het aspect geluid dienen er geluidwerende maatregelen aan de grondgebonden woningen te worden gerealiseerd. Tevens is er aandacht voor geluidreductie vanaf de ambulancepost; <0000> Om de veiligheid van bewoners en gebruikers te waarborgen zijn er veiligheidsmaatregelen zoals het opnemen van instructies en het inrichten van vluchtroutes te nemen. Geconcludeerd wordt dat er geen aanzienlijke milieueffecten optreden door de voorgenomen ontwikkeling. 4.2.3 Conclusie Er is in het kader van het omgevingsplan geen noodzaak voor het doorlopen van een m.e.r.- procedure en het opstellen van een milieueffectrapport (MER) voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.3 Activiteiten en milieuzonering 4.3.1 Wettelijk kader

Bedrijven en milieuzonering nieuwe stijl richt zich op de relatie tussen milieuhinderlijke activiteiten en milieugevoelige activiteiten (VNG, handreiking milieuzonering nieuwe stijl, versie oktober 2024). Hierbij wordt gekeken naar functiemenging waar het kan (én gewenst is) en functiescheiding waar dat moet. De handreiking is niet van toepassing op industrieterreinen. Hiervoor geldt volgens het Bkl andere regelgeving, namelijk voor industrieterreinen met geluidproductieplafonds. De handreiking van de VNG geldt ook niet voor milieuhinderlijke activiteiten binnen een rustig woongebied. Onder een milieuhinderlijke activiteit wordt verstaan: een aan een locatie toegedeelde activiteit, anders dan wonen, die milieuhinder kan veroorzaken, in het bijzonder in de vorm van geluid- of geurhinder. Ook aan locaties toegedeelde activiteiten (anders dan wonen) die trillinghinder, stofhinder, veiligheidsrisico’s of lichthinder kunnen veroorzaken zijn milieuhinderlijke activiteiten. Een milieugevoelige activiteit is een activiteit waarvoor de ondervonden milieubelasting bepalend is voor het bereiken en in stand houden van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het gaat hierbij onder andere om locaties als woningen, scholen, kinderdagverblijven en ziekenhuizen.

Hierbij wordt opgemerkt dat milieu-aspecten zoals externe veiligheid, trillingen, stofhinder en luchtverontreiniging, lichthinder, spuitzones, geur door agrarische activiteiten in het buitengebied en hinder door verkeersaantrekkende werking zich vaak niet lenen om de inpasbaarheid van activiteiten indicatief te bepalen. Daarom gaat de milieuzonering onder de Omgevingswet enkel over geluid- en geurhinder. Voor de overige milieu-aspecten moet aan de hand van specifieke regelgeving worden bepaald of de activiteit op een locatie inpasbaar is. Het gaat dan zowel om rijksregels als decentrale regels, bijvoorbeeld regels in het omgevingsplan. Zie hiervoor ook paragraaf 1.9 voor externe veiligheid, 1.4 voor luchtkwaliteit en 1.8 voor trillingen. Ook enkele ‘zware’ activiteiten zijn niet geschikt voor de toetsing van bedrijven en milieuzonering en een nadere, zorgvuldige afweging is nodig. Welke activiteiten dit betreft staat toegelicht in bijlage 7 van de handreiking. Milieuzonering onder de Omgevingswet werkt met gebruiksruimte gekoppeld aan milieunormen in plaats van met milieucategorieën en richtafstanden. De wettelijke basis hiervoor is terug te vinden in artikel 5.69 voor geluid en 5.93 voor geur uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Daarnaast dienen de waarden en regels voor geluid- en geurgevoelige gebouwen uit het Bkl in acht genomen te worden.

Er moet rekening gehouden worden met de maximale planologische mogelijkheden van de milieubelastende activiteiten. Deze ‘ruimtelijke’ milieunormen bestaan naast de normen in het milieuspoor. Voor specifieke activiteiten of voor het projecteren van woningen en andere gevoelige functies nabij bestaande milieubelastende activiteiten kan een geluid- of geuronderzoek verplicht zijn, dit is te achterhalen via het Bal en de bruidsschat. 4.3.2 Motivering - uitkomst onderzoek In het kader van de voorgenomen planontwikkeling is een nader onderzoek Activiteiten en Milieuzonering uitgevoerd (‘Memo Activiteiten en Milieuzonering – revisie 02’, Antea Group, 0501812.100, d.d. 8 augustus 2025. (Bijlage ….) Voor de functies in de omgeving van het plangebied wordt er voldaan aan de richtafstanden. Deze functies vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingen. Binnen het plangebied wordt er tussen het stadsdistributiecentrum, de brandweerkazerne en de (toekomstige) woningen niet voldaan aan de richtafstanden voor geluid en gevaar. Het aspect gevaar is echter niet relevant, omdat risicovolle activiteiten zijn uitgesloten binnen het plangebied. Voor het aspect geluid is het benodigd om een nader akoestisch onderzoek uit te voeren (Zie paragraaf 1.7 Geluid). 4.3.3 Conclusie Activiteiten en Milieuzonering vormt geen belemmering.

4.4 Gezondheid

4.4.1 Wettelijk kader Beschermen van de gezondheid en van het milieu maakt onderdeel uit van het omgevingsplan (§5.1.4 Bkl). De Omgevingswet bepaalt dat bij evenwichtige toedeling van functies aan locaties de gemeente in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Omgevingswet).

Hierbij moet de gemeente rekening houden met de lokale specifieke omstandigheden en de gevolgen van de activiteiten voor de gezondheid van haar burgers (artikel 2.1 en artikel 2.4 Omgevingswet). Belangrijk is om te motiveren hoe het plan inspeelt op gezondheidsvragen. Gedacht kan worden aan de thema’s bestrijdingsmiddelen, ziekteverwekkers bij veehouderijen, hoogspanningslijnen (magneetvelden), veiligheid, de mogelijkheid tot bewegen en andere vormen van gezondheidsbevordering, hittestress, sociale contacten, bereikbaarheid van voorzieningen, zeer zorgwekkende stoffen in het milieu, de mogelijkheid om in contact te komen met bodemverontreiniging (bijvoorbeeld kinderen ter plaatse van speeltuinen), lichthinder en een groene leefomgeving. Deze opsomming is niet volledig en ook welke thema’s wel of niet relevant zijn is wisselend per plan. Verder is het van belang om scherp te zijn op de cumulatie van gezondheidseffecten. Bijvoorbeeld voor de onderdelen geur, geluid en luchtkwaliteit. Zo kunnen bronnen in de omgeving van een ontwikkeling op zichzelf voldoen aan wettelijke normen. Stel dat er meerdere bronnen bij elkaar opgeteld worden dan dient men te toetsen of er nog steeds sprake is van een gezond woon- en leefklimaat en er geen sprake is van overbelasting.

4.4.2 Motivering - uitkomst onderzoek Ten aanzien van de afweging of er sprake is van een toekomstige gezonde leefomgeving zijn met name de aspecten luchtkwaliteit en geluid van belang. Het plangebied is reeds hoog geluidbelast vanwege wegverkeer (A58 en Kempenbaan). Voor het aspect geluid worden nadere maatregelen voorgeschreven voor de nieuw te bouwen woningen. Voor wat betreft luchtkwaliteit wordt voldaan aan de geldende normering, en is er geen sprake van bijzonder gevoelige objecten. Voor wat betreft de aspecten geur, trillingen en lichthinder blijkt dat er geen toename van gezondheidsrisico’s voor bestaande en nieuwe woningen optreedt. De cumulatie van deze milieueffecten, inclusief de te nemen maatregelen voor geluid, leiden daarmee niet tot een eindsituatie waarin sprake is van extra gezondheidsrisico’s. 4.4.3 Conclusie De voorgenomen planontwikkeling leidt niet tot overbelasting op bestaande en nieuwe woningen. Geconcludeerd kan worden dat er in de toekomstige situatie geen sprake is van een verslechtering van het woon- en leefklimaat ten opzichte van de huidige situatie.

4.5 Luchtkwaliteit 4.5.1 Wettelijk kader Omgevingswaarden Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 uit het Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden. De gemeente Tilburg heeft vooralsnog geen gemeentelijke omgevingswaarden opgenomen in het omgevingsplan en er zijn ook geen provinciale omgevingswaarden, waardoor de rijksomgevingswaarden gelden (paragraaf 2.2.1 van het Bkl). De rijksomgevingswaarden van zwaveldioxide, stikstofdioxide (NO2), stikstofoxiden, benzeen, koolmonoxide en ozon, fijnstof (PM10 en PM2,5) zijn terug te vinden in de artikelen 2.3 tot en met 2.8a van het Bkl. Met uitzondering van fijnstof en stikstofdioxide, zijn de achtergrondconcentraties van de overige stoffen binnen de gemeente dusdanig laag dat er geen overschrijding van de luchtkwaliteit te verwachten is. Vandaar dat fijnstof en stikstofdioxide de kritische stoffen zijn die getoetst dienen te worden. Tabel 4.1. grenswaarden (concentraties in de buitenlucht, zoals die gelden op basis van het Bkl) Stof Jaargemiddelde Jaargemiddelde 24-uurgemiddelde Uurgemiddelde concentratie blootstellingsconcentratie concentratie concentratie (µg/m3) (µg/m3) (µg/m3) (µg/m3) PM10 40 -50* -PM2,5 NO2

25

20

--

--

40

--

--

200**

*Mag 35 keer per jaar overschreden worden ** Mag 18 keer per jaar overschreden worden

Aandachtgebieden Voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) zijn er landelijk aparte aandachtsgebieden aangewezen. De gemeente Tilburg bevindt zich niet binnen een aandachtsgebied. Luchtkwaliteit buiten aandachtgebieden Voor enkele activiteiten moet de luchtkwaliteit altijd beoordeeld worden, ook buiten aandachtgebieden (artikel 5.50 Bkl). Dit geldt bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit en bij het toelaten in het omgevingsplan van de aanleg van een wegtunnel langer dan 100 meter; een wijziging van een wegtunnel daarbij de lengte met minimaal 100 meter toeneemt of de aanleg van een autoweg of een autosnelweg. De regel is dat de luchtkwaliteit niet beoordeeld wordt op plekken die niet openbaar toegankelijk zijn voor het publiek. Daarom zijn deze plaatsen uitgezonderd van toetsing aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit. Het toepasbaarheidsbeginsel komt op meerdere plekken voor in het Bkl: artikel 5.52, 8.17 en 11.19. Het blootstellingscriterium staat op verschillende plekken in de Omgevingsregeling, bijvoorbeeld in artikel 8.11 (toetsing van wegen) en artikel 8.17 (toetsen van milieubelastende activiteiten). De eisen van een luchtkwaliteitsonderzoek staan in § 8.2.3.1.2. van de Omgevingsregeling.

Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: <0000> er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; <0000> het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; <0000> het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. 4.5.2 Motivering - uitkomst onderzoek Op de planlocatie is geen sprake van een (dreigende) overschrijding van de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit in de huidige situatie . Daarnaast dient beoordeeld te worden of deze ontwikkeling voldoet aan de criteria voor projecten die niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtkwaliteit. Voor deze beoordeling is gebruik gemaakt van de rekentool NIBM (versie 14-4-2025) welke beschikbaar is via het Informatiepunt Leefomgeving.

Als input voor deze rekentool is uitgegaan van de volgende invoergegevens: <0000> Verkeersgeneratie conform ‘Verkeersonderzoek Kempenbaan Oost – Tilburg (definitief rapport)’, Goudappel, 017307.20240531.R1.03, d.d. 18 juli 2025; <0000> De verkeersaantallen conform het scenario ‘hoog’ uit de rapportage van Goudappel; <0000> Jaar van (volledige) planrealisatie: 2028 <0000> Omrekenfactor van werkdag naar weekdagintensiteiten van 0,75 voor werkgebieden. Dit leidt tot een totale aantal voertuigbewegingen van 1653 mvt/weekdag, waarvan 5,6% vrachtverkeer.

Afbeelding: Rekenresultaat NIBM-tool (versie 14-4-2025) 4.5.3 Conclusie Luchtkwaliteit levert geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

4.6 Stikstof 4.6.1 Wettelijk kader Natuurgebieden kunnen schade ondervinden van depositie (neerslag) van zwaveldioxide (SO2) en stikstofoxiden (NOx). De laatste jaren wordt steeds duidelijker dat de grote hoeveelheid stikstofuitstoot voor schade zorgt aan onze natuur. De bodem verzuurt en daardoor sterven bepaalde planten af en krijgen andere soorten juist de overhand. Dit tast de biodiversiteit aan en zorgt ervoor dat natuurgebieden veranderen en zeldzame planten en dieren verdwijnen. Er gelden omgevingswaarden om de kwetsbare vegetatie te beschermen (artikel 2.3 lid 1c en d en artikel 2.4 lid 2 Bkl). Deze omgevingswaarden gelden alleen voor een natuurgebied met een oppervlakte van 1000 m2 of meer. Bovendien moet dit natuurgebied liggen binnen: <0000> 20 km van een aangewezen aaneenschakeling van steden en dorpen (in vaktaal: agglomeratie) <0000> 5 km van bebouwing, een IPPC-installatie of een andere milieubelastende installatie, of een autosnelweg of autoweg. Van deze weg moeten dan wel meer dan 50.000 motorvoertuigen per dag gebruikmaken. De gemeente is verplicht om bij een omgevingsplan te toetsen of Natura-2000 activiteit uit de Omgevingswet van toepassing is. Is er sprake van een te hoge stikstofneerslag op een Natura 2000-gebied, dan is de provincie Noord-Brabant het bevoegd gezag.

4.6.2 Motivering - uitkomst onderzoek In het kader van stikstof is een nader onderzoek, inclusief Aerius berekening, uitgevoerd. (‘Stikstof-onderzoek Kempenbaan-Oost Tilburg’, Antea Group, Projectnr. 0501812.100, revisie 01, d.d. 5 augustus 2025), bijlage x. Uit het opgestelde AERIUS-model blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jaar op enig Natura 2000-gebied. Er is daarbij geen gebruik gemaakt van in- of extern salderen. Significante negatieve effecten op Natura-2000 gebieden zijn daarmee uitgesloten. Er zijn daarmee geen belemmering om het plan vast te stellen. 4.6.3 Conclusie Stikstof vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

4.7 Geur 4.7.1 Wettelijk kader In het Bkl (§ 5.1.4.6) is bepaald dat geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar moet zijn. Alleen voor rioolwaterzuiveringsinstallaties, het houden van landbouwhuisdieren en verschillende agrarische activiteiten is een toetsingskader opgenomen. Voor alle andere activiteiten die geurhinder kunnen

veroorzaken kan de gemeente regels in het omgevingsplan opnemen (zoals industriële activiteiten, horecabedrijven, maneges, etc.). Deze activiteiten vallen, omdat deze nu nog niet zijn opgenomen in het nieuwe deel van het omgevingsplan van de gemeente Tilburg, onder de specifieke zorgplicht in art. 2.11 Bal en, of art. 22.44 van de bruidsschat en de middelvoorschriften in de bruidsschat. Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). Een geurgevoelig gebouw is een gebouw met een functie als woning of onderwijs, zorg of kinderopvang. Daarnaast moet volgens het Bkl ook rekening worden gehouden met geprojecteerde gebouwen (art. 5.91 Bkl). Tijdelijke geurgevoelige gebouwen (korter dan 10 jaar) onder het Bkl niet aangemerkt als geurgevoelig. Uiteraard moet wel sprake zijn van een aanvaardbare situatie. De normen en afstanden voor geur door een activiteit, gelden ook niet op een geurgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit (bedrijfswoning) (art. 5.95 Bkl) Onder de Omgevingswet dient er ook rekening gehouden te worden met de cumulatie van geur door bedrijven. Er zijn nog geen gemeentelijke regels opgenomen in het nieuwe deel van het omgevingsplan.

Met als gevolg dat vooralsnog de regels uit de bruidsschat gelden, namelijk: <0000> Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS); <0000> Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS); <0000> Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 BS); <0000> Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS). Wat altijd geldt is de eis dat er sprake moet zijn van een aanvaardbaar hinderniveau (art 5.92, Bkl). Overige activiteiten waarvoor regels ter beperking van de geuremissie zijn opgenomen betreffen: <0000> Niet-industriële voedselbereiding (artikel 22.199, Bruidsschat) <0000> Voedingsmiddelenindustrie (artikel 22.201, Bruidsschat). <0000> Slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen ( artikel 22.205, Bruidsschat). <0000> Bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage (artikel 22.226, Bruidsschat). In het Bkl zijn hiervoor geen aparte instructieregels opgenomen. De geurbelasting moeten aanvaardbaar zijn (art 5.92 Bkl). Bij het tijdelijk deel van het omgevingsplan kan er sprake zijn strijdigheid van de regels.

In de voorrangsbepaling is bepaald welke regels in dat geval gelden (art 22.1, Bruidsschat). Wanneer bruidsschatregels niet voldoen aan het Bkl, dienen deze bij het vaststellen van de regels in het omgevingsplan gewijzigd te worden zodat aan het Bkl voldaan wordt. Bij omzetting in het omgevingsplan staan deze regels open voor zienswijzen. 4.7.2 Motivering - uitkomst onderzoek In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen bedrijven met een relevante agrarische geuremissie. Er bevinden zich geen bedrijven met een relevante industriële geuremissie in de omgeving van het plangebied. Binnen het plan worden geen bedrijven mogelijk gemaakt met een relevantie industriële of agrarische geuremissie. 4.7.3 Conclusie Geur vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

4.8 Geluid 4.8.1 Wettelijk kader Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. De instructieregels voor geluid zijn terug te vinden in §5.1.4.2 en 5.1.4.3 van het Bkl en gaan over aanvaardbaarheid van geluid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen,

spoorwegen en industrieterreinen (artikel 3.18 lid 1 Bkl) en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (artikel 3.20 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp, artikel 2.11a Ow) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Ook via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid zijn regels toegevoegd aan de Omgevingswet. In de bruidsschat is het onderdeel geluid voor een aantal activiteiten geregeld in paragraaf 22.3.4. In de omgevingsverordening van de provincie kunnen ook instructies staan voor geluid. Ook wanneer er geen (instructie)regels zijn voor geluid moet er sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). De gemeente Tilburg hanteert een eigen Hogere Waardenbeleid. In dit beleid zijn randvoorwaarden opgenomen voor het bouwen van woningen op locatie waar niet aan de streefwaarde voor geluid kan worden voldaan. 4.8.2 Motivering - uitkomst onderzoek In verband met de ligging aan de Koningshoeve, Ringbaan Oost, Kempenbaan en A58 is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd.

In verband met de realisatie van enkele bedrijfsactiviteiten en de aanwezigheid van andere bedrijven in de omgeving is een onderzoek Bedrijven- en Milieuzonering (incl. industrielawaai uitgevoerd) (bijlage x). Industrielawaai Voor de resultaten ten aanzien van industrielawaai zie paragraaf 1.2 Bedrijven en Milieuzonering. Hoewel niet volledig aan de richtafstanden kan worden voldaan, zijn de bedrijfsactiviteiten zodanig gepositioneerd dat er geen overschrijding van de richtwaarden voor industrielawaai op bestaande en nieuwe woningen zal optreden. Wegverkeerslawaai Wijziging gemeentelijke Wegen Als gevolg van de wijziging van de gemeentewegen en de aanleg van de nieuwe weg richting de ambulancepost is er sprake van een overschrijding van de standaardwaarde bij 4 geluidgevoelige gebouwen, waarin 15 adressen met een geluidgevoelige functie zijn gelegen. Het geluid loopt op tot 62 dB. Er is geen sprake van indirecte akoestische effecten. Met de toepassing van een snelheidsverlaging op de Ringbaan-Zuid (deze is reeds beoogd) en een geluidreducerend wegdektype in de vorm van akoestisch geoptimaliseerd SMA (of ten minste gelijkwaardig) op de Kempenbaan kan bij de benoemde geluidgevoelige gebouwen worden voldaan aan de standaardwaarde.

Nieuwe geluidgevoelige gebouwen Ter plaatse van de nieuwe geluidgevoelige gebouwen is sprake van een overschrijding van de standaardwaarde als gevolg van gemeentewegen en een overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting als gevolg van de Kempenbaan (het betreft een - gedeeltelijk – provinciale weg). Daarnaast is er sprake van een overschrijding van de standaardwaarde en de grenswaarde als gevolg van rijkswegen. Uit het maatregelonderzoek volgen een aantal mogelijke maatregelen die het geluid bij de nieuwe geluidgevoelige gebouwen kunnen reduceren. Het is aan het bevoegd gezag om te beoordelen of de maatregelen financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. Zelfs met de toepassing van de voorgestelde maatregelen wordt niet bij alle geprojecteerde woningen voldaan aan de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting, standaardwaarde en/of grenswaarde als gevolg van alle relevante geluidbronsoorten. Daarmee zijn ontvangermaatregelen noodzakelijk om te voldoen aan de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving en de beleidseisen van de gemeente Tilburg, en zodat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Daarbij dient ten minste rekening te worden gehouden met het volgende: <0000> Daar waar de grenswaarde wordt overschreden dient een niet-geluidgevoelige gevel te worden toegepast. Niet-geluidgevoelige gevels worden als dusdanig vastgelegd in het Omgevingsplan. <0000> Elke woning beschikt over een geluidluwe zijde en geluidluwe buitenruimte (ter plaatse van een geluidluwe zijde of buitenruimte bedraagt de gecumuleerde geluidbelasting (Lcum) maximaal 55 dB). <0000> In een buitenruimte, zowel in gesloten als in open toestand, sprake is van buitenluchtcondities.

4.8.3 Conclusie Vanwege de hoogte van de geluidbelasting op bestaande en nieuwe woningen is het noodzakelijk maatregelen te treffen. Het betreft een (reeds beoogde) verlaging van de maximum snelheid op de Ringbaan-Zuid en de toepassing van een stiller type wegdek. Daarnaast zullen bij de nieuwe woningen gebouwgebonden maatregelen getroffen moeten worden.

4.9 Trillingen 4.9.1 Wettelijk kader De gemeente Tilburg heeft in het nieuwe deel van het omgevingsplan vooralsnog geen normen opgenomen voor continue en herhaald voorkomende trillingen conform artikelen 5.87 en 5.87a uit het Bkl. Tot deze normen opgenomen zijn wordt verwezen naar de bruidsschat (art. 22.88) waar normen opgenomen zijn voor het totaal aan trillingen, zowel continu als herhaald voorkomend. Verder staan in de bruidsschat staan regels die toezien op de trillingen in trillinggevoelige ruimten in trillinggevoelige gebouwen, veroorzaakt door activiteiten (paragraaf 22.3.5, art. 22.83 t/m 22.89 bruidsschat). Onder trillinggevoelige gebouwen wordt niet verstaan (art. 22.83 lid 2 bruidsschat): gebouwen die geheel of gedeeltelijk liggen op een industrieterrein met geluidproductieplafonds of gebouwen die zijn toegelaten voor een duur van niet meer dan 10 jaar. Ook een bedrijfswoning wordt niet beschermd tegen trillingen vanwege een eigen bedrijf (art. 22.86 bruidsschat) net als een voormalige bedrijfswoning niet beschermd wordt tegen een agrarische activiteit (art. 22.87 bruidsschat).

Onder het toepassingsbereik van de trillingregels van de bruidsschat vallen: <0000> activiteiten in een openbaar toegankelijk gebouw, zoals een parkeergarage of stadhuis; <0000> laden en lossen op de openbare weg, bijvoorbeeld bij een winkel; <0000> verkeer van en naar een bedrijf De trillingregels van de bruidsschat gelden niet voor trillingen vanwege (art. 22.41 lid 2 bruidsschat): <0000> Wonen. <0000> Bouw-, sloop- en onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of terrein. <0000> Een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht. <0000> Doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen. <0000> Een evenement dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen en voor evenementen waarvoor in het omgevingsplan een incidentele of collectieve ontheffing is verleend (artikel 5.68 Bkl). <0000> Werkzaamheden met een mobiele installatie in een weiland, akker of bos. <0000> Bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen. Bouw- en sloopwerkzaamheden Trillingen als gevolg van bouw- en sloopwerkzaamheden zijn niet gereguleerd in het Bkl, de omgevingsverordening of de bruidsschat.

Wel staan hiervoor bepalingen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), die gelden in een verblijfsgebied van een woonfunctie, bijeenkomstfunctie voor kinderdagopvang, gezondheidsfunctie of onderwijsfunctie (art. 7.18 lid 2 Bbl) De toegestane trillingsterkte hierbij is terug te vinden in het Bbl (art. 7.18 lid 1). Een beperkte mate van versoepeling is onder voorwaarden mogelijk (art. 7.5 lid 2 en art. 7.23 lid 1 Bbl). Spoorwegen Voor woningen langs het spoor gelden geen instructieregels van het Rijk. De beoordeling moet plaatsvinden binnen de taak van 'een evenwichtige toedeling van functies aan locaties' (artikel 4.2 van de Omgevingswet). Hierbij wordt meestal de Meet- en Beoordelingsrichtlijn, deel B, 'Hinder voor personen in gebouwen 2006' van de Stichting Bouwresearch Rotterdam (SBR-richtlijn) toegepast. In het algemeen moet binnen een afstand van 100 meter van het spoor het risico op trillinghinder worden beoordeeld. In sommige gevallen is het zelfs nodig om het onderzoeksgebied uit te breiden tot 250 meter aan

weerszijden van het spoor. De redenen om uit te breiden van 100 naar 250 meter voor onderzoek zijn (cf. Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen, ministerie van infrastructuur en waterstaat, mei 2019): <0000> Wanneer er al sprake is van klachten door van het spoor op een grotere afstand van 100 meter; <0000> De plaatselijke bodemopbouw en/of het treinbeeld kunnen leiden tot trillingshinder. In de gemeente Tilburg wordt enkel bij ontwikkelingen binnen 100 meter van het spoor een onderzoek trillingshinder gevraagd. 4.9.2 Motivering - uitkomst onderzoek De planlocatie ligt niet binnen 100 meter van het spoor. Daarom is geen aanvullend trillingsonderzoek uitgevoerd. 4.9.3 Conclusie Trillingen vormen geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

4.10 Omgevingsveiligheid 4.10.1 Wettelijk kader Eén van de doelen van de Omgevingswet is dat de gemeente bij plannen zo vroeg mogelijk kijkt naar veiligheid. Er staat dat het omgevingsplan rekening moet houden met de mogelijkheden om een brand, ramp of crisis te voorkomen, te beperken en te bestrijden (art. 5.2 Bkl). Ook staan er instructieregels (§ 5.1.2 Bkl) in over de manier waarop bij de inrichting van een gebied omgevingsveiligheid meegenomen moet worden. Samenvattend gaan de instructieregels uit het Bkl over de volgende onderwerpen risicobronnen, het plaatsgebonden risico, het groepsrisico, aandachtsgebieden en voorschriftgebieden. In de bruidsschat zijn regels te vinden met betrekking tot propaan/propeen, LPG, traditioneel schieten, vergunningsvrij bouwen en brandbestrijding. Ook staan er verschillende milieubelastende activiteiten in het Bal: het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); buisleidingen met gevaarlijke stoffen en windturbines. Aandachtsgebieden & groepsrisico Nieuw onder de Omgevingswet zijn aandachtsgebieden, hier zijn drie soorten van: <0000> Brand (warmtestraling); <0000> Explosie (warmtestraling en/of overdruk); <0000> Gifwolk (concentratie gevaarlijke stoffen in de lucht). Deze aandachtsgebieden zijn van belang in het kader van het groepsrisico.

Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Onder de Omgevingswet is het niet meer verplicht om het groepsrisico te berekenen. Er is sprake van een kwalitatieve benadering, waarbij het bevoegd gezag afweegt waar (binnen aandachtsgebieden) extra maatregelen nodig zijn om aanwezigen te beschermen tegen de gevolgen van een ongeval. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet dus optioneel. Een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Vanuit het REV (Register Externe Veiligheidsrisico’s) wordt de informatie over aandachtsgebieden zichtbaar gemaakt via kaarten, in onder andere de Atlas leefomgeving.

Er wordt een standaard advies bij een beperkte verantwoording van het groepsrisico gehanteerd als: <0000> het initiatief zich bevindt binnen het invloedsgebied van een Basisnetroute, maar buiten de 200 meterzone en/of buiten de brand- en/of explosieaandachtsgebieden van transportroutes; <0000> het initiatief binnen het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen ligt, maar buiten de PR 10-8 contour en/of buiten de branden/of explosieaandachtsgebieden van inrichtingen. Gebouwen en locaties Gebouwen en locaties zijn ingedeeld in 3 categorieën: 1. zeer kwetsbaar (alleen gebouwen); 2. kwetsbaar (gebouwen en locaties); 3. beperkt kwetsbaar (gebouwen en locaties).

In bijlage VI van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staat de onderverdeling welke gebouwen en locaties onder welke categorieën vallen. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Voorheen ging het om de bescherming van het gehele gebouw, ook indien maar een deel van het gebouw werd gebruikt voor een kwetsbare functie. Onder de Omgevingswet wordt alleen gekeken naar de delen van het gebouw met kwetsbare gebruiksfuncties. Vanuit het REV (Register Externe Veiligheidsrisico’s) worden (zeer) kwetsbare gebouwen en locaties zichtbaar gemaakt via kaarten, in onder andere de Atlas leefomgeving. Voorschriftengebieden Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. In de voorschriftengebieden gelden aanvullende bouwkundige eisen voor nieuwbouw (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). In het omgevingsplan wordt een brandaandachtsgebied standaard aangewezen als brandvoorschriftengebied en een explosieaandachtsgebied als explosievoorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl).

Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Plaatsgebonden risico De belangrijkste norm voor externe veiligheid uit het Bkl is het plaatsgebonden risico (PR). Dit is de kans op het overlijden van een onbeschermd en continu aanwezig persoon buiten de begrenzing van de locatie van de risicobron als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door die risicobron. In het Bkl (art. 5.7, 5.10 en 5.11) staan instructieregels over het plaatsgebonden risico voor het omgevingsplan. Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). 4.10.2 Motivering - uitkomst onderzoek Er is een onderzoek omgevingsveiligheid uitgevoerd. (‘Omgevingsveiligheid Kempenbaan-Oost’, Antea Group, projectnummer 0501812.100, revisie 0.2, d.d. 6 augustus 2025) (bijlage x). Rijksweg A58 <0000> Het plangebied valt niet in binnen de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour van de Rijksweg.

Er wordt voldaan aan de grens- en standaardwaarde ten aanzien van het plaatsgebonden risico; <0000> Het plangebied valt binnen het explosieaandachtsgebied en volledig binnen het gifwolkaandachtsgebied van de Rijksweg. Conform artikel 5.15 van het Bkl dient het bevoegd gezag in het omgevingsplan te beschouwen hoe groepen mensen beschermd worden en of deze bescherming afdoende is. LPG-tankstation <0000> Het plangebied valt niet in binnen de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour van het tankstation. Er wordt voldaan aan de grens- en standaardwaarde ten aanzien van het plaatsgebonden risico; <0000> Het plangebied valt binnen het explosieaandachtsgebied van het tankstation. Conform artikel 5.15 van het Bkl dient het bevoegd gezag in het omgevingsplan te beschouwen hoe groepen mensen beschermd worden en of deze bescherming afdoende is. 4.10.3 Conclusie Omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

4.11 Bodem 4.11.1 Wettelijk kader Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde

waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: <0000> Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift. (paragraaf 2.3.6a.2) <0000> Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22Bal); <0000> Maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen, (paragraaf 2.3.6a.5). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. 4.11.2 Bodem plangebied Voor het voormalige HACAS terrein, Koningshoeven 73-77, gelegen tussen de Kemperbaan-Oost, de Koningshoeven, de A58 en de Nieuwe Leij geldt dat dit op basis van diverse uitgevoerde bodemonderzoeken de grond plaatselijk sterk verontreinigd is met zware metalen, PAK, PCB en asbest. Ook is het grondwater plaatselijk sterk verontreinigd met naftaleen.

Op 23 december 2024 is door de OMWB een beschikking afgegeven op een deelsaneringsplan voor de locatie Koningshoeven 67-81 te Tilburg, zie bijlage 9. Op basis van de beschikking is sprake van twee gevallen van ernstige bodemverontreiniging en van drie spots: <0000>

<0000> <0000> <0000> <0000>

Geval 1: Een geval van ernstige en heterogene verontreiniging met zware metalen en PAK in grond. Het is een diffuse verontreiniging die samenhangt met de aard en herkomst van de ophooglaag die op het gehele terrein aanwezig is tot circa 2,5 meter beneden maaiveld. Deze laag bestaat uit grond vermengd met slakken, sintels kolengruis, puin en dergelijke. Geval 2: Een geval van ernstige verontreiniging met asbest in grond. Spot 1: Een lokale sterke verontreiniging met PCB in grond van minder dan 25m3. Spot 2: Een lokale sterke verontreiniging met minerale olie in grond van minder dan 25m3. Spot 3: Een lokale sterke verontreiniging met naftaleen in grondwater in minder dan 100m3 bodemvolume.

De locatie is braakliggend. Dit gebruik blijft na afloop van de deelsanering niet gehandhaafd. Na afloop van de deelsanering wijzigt het gebruik naar onder andere groen, wonen met tuin, infrastructuur en industrie. De saneringsdoelstelling van het deelsaneringsplan is het geschikt maken van de locatie voor het toekomstig gebruik. Dit wordt gerealiseerd door deels te ontgraven, deels af te voeren en deels te herschikken. De saneringslocatie wordt overal afgedekt met een duurzaam aaneengesloten afdeklaag of een leeflaag. De leeflaag heeft ter plaatse van de toekomstige gebruiksfunctie ‘wonen met tuin’ een minimale dikte van 1,0 m met een minimale kwaliteitsklasse ‘Wonen’ en ter plaatse van de overige gebruiksfuncties een minimale dikte van 0,5 m met een minimale kwaliteitsklasse ‘Industrie’. Na afloop van de sanering blijft op het hele terrein onder de afdek- of leeflaag heterogene verontreiniging met zware metalen en PAK achter. Zo lang de sanering niet is uitgevoerd zijn alle werkzaamheden in de verontreinigde grond binnen de interventiewaardencontour alleen toegestaan na goedkeuring van het bevoegd gezag. 4.11.3 Conclusie Met inachtneming van het bovenstaande vormt het aspect bodem geen belemmering voor de wijziging van het omgevingsplan.

4.12 Natuur en ecologie 4.12.1 Wettelijk kader

De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Omgevingswet. Het nationale natuurbeschermingsrecht binnen de Omgevingswet is voor een groot deel bepaald door de Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Onder de Omgevingswet wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende activiteiten die de natuur betreffen. Net als onder het oude recht kan daarbij voor de meest voorkomende activiteiten een verdeling gemaakt worden tussen gebiedsbescherming soortenbescherming en houtopstanden. De Omgevingswet introduceert daarbij nieuwe terminologie: zo wordt een activiteit die significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied aangeduid als een 'Natura 2000-activiteit', en een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten als een 'flora- en fauna-activiteit'. Een ‘Natura 2000-activiteit’ heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Een Natura 2000-activiteit is een activiteit dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.

Of een activiteit al dan niet significante gevolgen kan hebben dient voorafgaand aan de activiteit met een passende beoordeling of het doorlopen van een ADC-toets te worden onderzocht. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend. Een ‘flora en fauna-activiteit’ heeft betrekking op alle van nature in Nederland in het wild levende/voorkomende dieren en planten. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën: <0000> Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats; <0000> Overige inheemse broedvogels zoals bedoeld in de Vogelrichtlijn; <0000> Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn; <0000> Soorten vermeld in bijlage II bij het verdrag van Bern; <0000> Soorten vermeld in bijlage I bij het verdrag van Bonn; <0000> Nationaal beschermde soorten vermeld in bijlage IX van het Besluit activiteiten leefomgeving. Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime.

Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en eieren opzettelijk te vernielen of te rapen en tevens rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode. Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om eieren of rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft.

Er is geen vergunning nodig indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode of voor het vangen of opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste rust of verblijfplaatsen of rustplaatsen van soorten genoemd in tabel 3.82 van de TAM-Omgevingsverordening Noord-Brabant. Specifieke zorgplicht Nieuw binnen de Omgevingswet is de specifieke zorgplicht. De specifieke zorgplicht geldt altijd, ook bij floraen fauna-activiteiten die niet vergunningsplichtig zijn. De specifieke zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer die een flora en fauna-activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de bescherming van de aanwezige natuur verplicht is alle maatregelen te nemen om negatieve gevolgen te voorkomen. In de Omgevingswet zijn er ten aanzien van de specifieke zorgplicht een aantal verplichtingen opgenomen. Zo dient er voorafgaand aan het verrichten van de activiteit te worden

nagegaan of op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid daarvan soorten kunnen voorkomen die van nature in Nederland in het wild leven of voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats. Bij aanwezigheid van soorten dient te worden onderzocht/nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor planten of dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen en hun eieren en dienen passende preventieve maatregelen getroffen te worden. Tot slot dient er tijdens en na het verrichten van de activiteit te wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben. Als nadelige gevolgen niet voorkomen kunnen worden, zullen de werkzaamheden moeten worden gestaakt. Naast bovengenoemd wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in de TAM-Omgevingsverordening Noord-Brabant en het Nationaal Natuurnetwerk Nederland, wat op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciaal vastgelegde natuurwaarden bestaan uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en zones met Groenblauwe waarden. Deze groenstructuren zijn ruimtelijk vastgelegd in de TAM-Omgevingsverordening Noord-Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16381673/1