CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2. Omgevingsvergunning met motivering

Raadsvergadering 8 juni 2026, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel Bindend adviesrecht ‘prikkelarm wonen’ Stokhasseltlaan 3826.145 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

26 mei 2023 is als separate bijlage bij deze onderbouwing gevoegd. De resultaten worden onderstaand besproken. Hierbij wordt er achtereenvolgens ingegaan op de gebiedsbescherming, soortenbescherming en houtopstanden. Gebiedsbescherming Wij verwijzen hiervoor naar paragraaf 5.2.11.

43

Soortenbescherming Verkennend veldonderzoek Uit het verkennend veldonderzoek is naar voren gekomen dat een gewone dwergvleermuis zich in een vleermuiskast bevindt, dat er mogelijke huismusverblijfplaatsen aanwezig zijn en dat er gierzwaluwkasten hangen. Het terrein en bebouwing is geschikt voor steenmarter en kleine marterachtigen. Als laatste is 100 meter van de huidige woningen een bijburcht gevonden van een das en op 150 meter een eekhoornnest. Nader onderzoek Om deze reden is een nader onderzoek (oktober 2023 en februari 2024) uitgevoerd naar huismus, gierzwaluw, das, kleine marterachtigen, steenmarter, boommarter, eekhoorn, vleermuizen en (invasieve) exoten. Er zijn twee nestplaatsen van huismus, een verblijfplaats, wissels en foerageergebied van een das verderop in het terrein, een eekhoornnest verderop in het terrein, een gewone dwergvleermuis in een vleermuiskast en in een andere kast een gewone grootoorvleermuis aangetroffen. Beide vleermuiskasten zijn tijdelijke kasten en zijn opgehangen vanuit de tijdelijke compensatieopgave door de uitbreiding van Groenrijk in de directe omgeving. De kasten worden verwijderd op het moment dat deze leeg zijn. Voor de huismus is gebruik gemaakt van de gemeentelijke gedragscode. Hierdoor is een ontheffingsaanvraag niet nodig, maar wordt er wel gewerkt volgens een ecologisch werkprotocol.

De woningen worden voorafgaand aan de sloop ongeschikt gemaakt voor huismus. Door de relatief grote afstand tussen het plangebied en de dassenbijburcht en het eekhoornnest, worden tijdens de sloop geen negatieve effecten verwacht op deze soorten. Natuurinclusief bouwen In de nieuwe situatie wordt natuurinclusief gebouwd. Voor de huismus worden 12 kasten opgehangen. Voor de vleermuizen komen 2 kraamkasten en 12 kleine kasten. Daarnaast wordt de omgeving heel groen ingepast met veel inheemse bomen, struiken, een ecologische wadi, kruiden- en faunarijk grasland, hagen, een zoomvegetatie en een rustzone langs wateroever. 4.1.6

Bomenverordening

Bomenverordening Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Ook zijn ze van belang voor biodiversiteit en klimaatadaptatie. Om er niet te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden, is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Daarom zijn onderstaande documenten vastgesteld: - Bomenverordening Gemeente Tilburg 2024 - Beleidsregels bomen 2024 - Boomwaarde zoneringskaart 2024 - Kaart Monumentale Bomen 2024 Deze documenten samen vormen het bomenbeleid van de gemeente Tilburg. Bomenverordening 2024 De Bomenverordening Tilburg 2024 biedt het particuliere en het gemeentelijke bomenbestand bescherming door middel van een velverbod met bijbehorende regels. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in een normaal en hoog beschermingsregime. Ook de compensatieverplichting maakt onderdeel uit van deze verordening. Boomwaarde zoneringskaart 2024 (BWZ-kaart) Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare en particuliere houtopstanden binnen de gemeente Tilburg.

Op de BWZ-kaart krijgen bomen een waarde toegekend; zones met houtopstanden met een klimaat- , eco-, of basiswaarde en daarnaast is er de buiten-zone. Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a. met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen (bescherming tegen vellen), herplantplicht en straatbeeld. Kaart Monumentale Bomen Tilburg 2024 (KMBT) Het hebben van een GLMB zorgt ervoor dat deze bomen voldoende juridische bescherming hebben via de 44

Bomenverordening Tilburg 2021. Daarnaast krijgen deze bomen de hoogste prioriteit bij beheer en onderhoud. Bebouwingscontour houtopstanden In de gemeente Tilburg heeft de gemeenteraad de bebouwingscontour houtopstanden artikel 11.111, lid 2 a (Bal) vastgesteld. Voor bepaalde groepen houtopstanden die buiten deze komgrens staan, geldt op grond van de Omgevingswet een verplichting. Bij velling in groepen houtopstanden met een grootte van meer dan 10 are of bij velling in een rij van meer dan 20 bomen, geldt een meldplicht aan Gedeputeerde Staten (GS) van de Provincie Noord-Brabant. Daarnaast geldt een herplantplicht. Het college van Gedeputeerde Staten kan een velverbod opleggen. Als er geveld gaat worden, dan is er op grond van de Omgevingswet de eis, dat er ook weer een gelijk aantal houtopstanden terug wordt geplant. Bos dat wordt gekapt, moet worden herplant. Als dat niet op dezelfde plaats kan, dan zal hiervoor ontheffing aan GS moeten worden gevraagd en elders (compensatie op grond van de Omgevingswet) moeten worden herplant. De houtopstanden waarop de Omgevingswet van kracht is, liggen in de zogenaamde Buiten-zone (van de BWZ-kaart). Daar kan daarnaast ook een gemeentelijk velverbod op grond van de Bomenverordening gelden. Beide regelingen kunnen dus naast elkaar van toepassing zijn.

Toets van de ontwikkeling aan de bomenverordening In of nabij het plangebied staan geen monumentale bomen.

Om het plan te kunnen realiseren worden 15 bomen gekapt, de bomen zijn onderdeel van een voormalige tuin en erfbeplanting. Het betreft een mix van soorten welke grotendeels gebiedsvreemd zijn, de soorten passen slecht in het landschap, het geheel heeft de uitstraling van een verwaarloosde tuin. Een viertal grote gezonde bomen welke passend zijn in het landschap blijven behouden. Ter compensatie van de te kappen bomen worden 37 nieuwe bomen met forse aanplantmaat (tussen 10 en 18 cm stamomtrek op 130 cm hoogte) aangeplant. Het betreft met name inheemse soorten welke goed passen in de overgang van landschap tussen stad en buitengebied. De kap van de 15 bomen is mogelijk binnen de bomenverordening 2024 Tilburg. De te kappen bomen zijn van beperkte waarden en worden gecompenseerd door aanplant van een veelvoud kwalitatieve bomen welke passend zijn in het landschap.

45

Huidige situatie, te kappen bomen

Nieuwe situatie, compensatie aanplant nieuwe bomen 4.1.7

Groen, klimaat en duurzaamheid

Nota Groen De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad 46

waar het goed wonen en werken is. Tilburg moet een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon- en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente. Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen. Op hoofdlijnen betekent dit: 1. Inzet op buitenstedelijke groengebieden en het groene netwerk; 2. het tot zijn recht laten komen van de verschillende karakters van het groen (klassiek-, recreatief- en natuurlijk groen); 3. het versterken en behouden van het natuurlijk groen. In 2012 is het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit vastgesteld. In dit programma wordt aanvullend op de agenda groen o.a. aangegeven hoe de ambities op het gebied van groen en biodiversiteit de komende jaren geprioriteerd zijn. Nota biodiversiteit Biodiversiteit omvat de totale verscheidenheid van alle levende planten en dieren op aarde. De biodiversiteit neemt wereldwijd af. Het doel van de nota, vastgesteld door de raad op 19 juli 2010, is de biodiversiteit in de gemeente Tilburg te verhogen en beter te beschermen. De visie is gericht op twee niveaus.

Het eerste niveau is de flora en fauna, het tweede niveau is gericht op de mensen. Voor de flora en fauna wordt ingestoken op drie strategieën, namelijk vergroten, verbinden en versterken. Voor de realisatie van duurzame habitatnetwerken zal vaak gekozen worden voor een combinatie van deze strategieën. In de eerste plaats is dat het vergroten van leefgebieden. In de tweede plaats kan een duurzaam netwerk ontstaan door gelijksoortige leefgebieden met elkaar te verbinden. Tenslotte kan ingezet worden op het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden. Voor de mensen is natuurbeleving vooral ook van belang in de stad. Door middel van de groene lijnen en de groene gebieden in de stad, kunnen we dicht bij huis ook genieten van de natuur. Als de groene lijnen en groene gebieden helemaal op orde zijn kunnen de planten en dieren tot in de tuin of op het balkon waargenomen worden. In de nota worden vijf verschillende landschapstypen onderscheiden (agrarisch landschap, beekdallandschap, heide- en boslandschap, landgoederenzone en stedelijk gebied). Per landschapstype wordt een algemene beschrijving gegeven met bijbehorende doelstellingen, maatregelen en knelpunten. Doelstellingen nota biodiversiteit De achteruitgang van de biodiversiteit stoppen vanaf 2010, voor het buitengebied én het bebouwde gebied.

In het voorjaar van 2010 is met een nulmeting bepaald aan de hand van de flora en faunagegevens die voor handen zijn. Hierna kan jaarlijks de verandering in de biodiversiteit worden bijgehouden. Biodiversiteit 'tot aan de voordeur'. Biodiversiteit verhogen in het openbaar gebied waardoor het letterlijk tot aan de voordeur/ de voortuin van de bewoners van Tilburg komt. In 2020 zijn 50% van alle aangeplante bomen en struiken binnen de bebouwde kom ten gunste van de biodiversiteit. Zo veel mogelijk gebruik maken van autochtoon plantmateriaal met een aanvulling van soorten die een bijdrage leveren aan biodiversiteit door middel van bv. nestgelegenheid, voedsel en/of schuilgelegenheid. In 2016 is aanvullend op bovenstaand groenbeleid de 'agenda groen in de stad' vastgesteld (college 19-072016). Agenda groen in de stad De agenda groen in de stad (vastgesteld door het college op 19 juli 2016) gaat samen met beheerbeleidsplan Groen op Niveau, en de nota’s groen en biodiversiteit) over de toekomst van groen in de stad. De agenda groen geeft de kaders om de impuls voor groen in de stad goed in te zetten. Het geeft duidelijk richting aan de groene koers voor de in de omgevingsvisie 2040 omschreven netwerken, gebieden en structuren en omvat een

47

integrale visie op het groen voor de (middel)lange termijn gebaseerd op de drie pijlers klimaatbestendige stad, beleefbaar groen en het verhogen van biodiversiteit. Voor het halen van de doelstellingen op het gebied van biodiversiteit is de Stadsnatuurkaart 2040 opgesteld (gekoppeld aan agenda groen in de stad). Inmiddels is deze op 10 maart 2022 geactualiseerd (vastgesteld door de raad). Stadsnatuurkaart 2040 De Stadsnatuurkaart 2040, vastgesteld door de gemeenteraad op 10 maart 2022, is de actualisatie van de Stadsnatuurkaart die samen met de agenda groen in de stad in 2016 eerder is vastgesteld. Biodiversiteit en natuur zijn belangrijk voor al onze inwoners en de aantrekkelijkheid van de stad. Samen met de Bomenverordening, bijbehorend bomenbeleid en bestemmingsplannen vormt de Stadsnatuurkaart 2040 de beleidsmatige randvoorwaarden en instrumenten die ervoor moeten zorgen dat biodiversiteit in het stedelijk gebied behouden blijft en waar het kan, wordt versterkt. Op de Stadsnatuurkaart 2040 zijn onder meer de ecologische structuren benoemd. Hieraan is een duidelijke maatvoering gekoppeld. Deze maatvoering wordt zowel bij de start van ruimtelijke ontwikkelingen als gedurende het verdere proces meegenomen om zo de ecologische kwaliteit op een juiste manier mee te nemen.

De grote ambities en veelheid van belangen die spelen in ruimtelijke ontwikkelingen, maken een heldere en duidelijke structuur en maatvoering voor ecologie wenselijk. Puntensysteem voor natuur- en groeninclusief bouwen Verstedelijking zorgt wereldwijd voor een uitbreiding en een verdichting van het stedelijke gebied. In veel steden leidt dit tot een verlies aan biodiversiteit. Ook de opgave voor de energietransitie kan een bedreiging voor de natuur vormen. Natuur- en groeninclusief bouwen helpt om de stad prettig en de inwoners gezond te houden. Om het creëren van groene elementen in de stad te stimuleren is het puntensysteem ontwikkeld. Het systeem gaat uit van een lijst met groen- en natuurinclusieve maatregelen, waarbij elke maatregel een bepaald aantal punten waard is. Om te bepalen hoeveel van deze maatregelen genomen moeten worden bij de uitvoering van een bouwproject moet per project een te behalen puntenscore berekend worden. 4.1.8

Archeologie, cultuurhistorie en landschap

Toetsingskader archeologie In 1992 heeft Nederland het Verdrag van Valletta (Malta) ondertekend. Dit verdrag bepaalt, dat er op verantwoorde wijze dient te worden omgegaan met archeologisch erfgoed, onder andere bij planontwikkelingen. Dit verdrag komt momenteel tot uitdrukking in de Omgevingswet en in de Erfgoedwet. Het doel van het verdrag is het beschermen en behouden van archeologisch erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen. Het uitgangspunt hierbij is dat het behoud van archeologische waarden in situ (op de oorspronkelijke plaats) voorgaat op het behoud ex situ (opgraven en bewaren in depot). Van belang is dat door middel van vooronderzoek tijdig inzicht wordt verkregen in de archeologische waarden van een gebied, zodat deze bij beoogde planontwikkelingen kunnen worden betrokken. Toetsingskader cultuurhistorie Het cultureel erfgoed van Nederland wordt beschermd met de Erfgoedwet. Het Rijk pleit voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie, dus (onder meer) monumenten en archeologie gezamenlijk, in gebiedsvisies en omgevingsplannen. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken.

De verwachting daarbij is dat overheden, initiatiefnemers, eigenaren, ontwikkelaars en ruimtelijke ontwerpers ertoe aangezet worden om de waarde van het cultureel erfgoed als kans te zien bij de ontwikkeling van gebieden en het realiseren van economische en maatschappelijke doelen. In lijn met de Erfgoedwet neemt de gemeente Tilburg bij planontwikkelingen een onderbouwing op of de het plan betrokken (bouw)historische waarden en de archeologische waarden. Daarbij wordt de planontwikkeling getoetst aan de gemeentelijke monumenten verordening Tilburg, Routekaart Ruimtelijk Cultureel Erfgoed en de gemeentelijke welstandsnota.

48

Historische geografie In het landschapsplan van IDverde wordt beschreven hoe het landschap ter plaatse van dit project zich heeft ontwikkeld en op welke manier hiermee in het project rekening is gehouden. Archeologie In het huidige bestemmingsplan (Lobelia-Spinder-Rugdijk) heeft het plangebied geen dubbelbestemming ‘waarde archeologie’. Dit is grotendeels gebaseerd op de landschappelijke ligging. Het plangebied bevindt zich op relatief laaggelegen dekzandwelvingen op de overgang naar een beekdal dat direct ten oosten ligt. Dergelijke laag gelegen gronden hebben over het algemeen een lage verwachting op het aantreffen van archeologische resten. Verder zal het plangebied voorafgaand aan de ontwikkeling worden opgehoogd. Op basis van de landschappelijke ligging en de aard van de werkzaamheden wordt de kans op het aantreffen van archeologische resten laag ingeschat. Een archeologisch onderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Cultuurhistorie, objecten en structuren, historisch groen Er zijn ter plaatse van dit project geen specifieke cultuurhistorische waarden aanwezig die om bescherming vragen. Op de provinciale cultuurhistorische waardenkaart is dit gebied niet aangewezen als cultuurhistorisch waardevol gebied.

49

4.2 4.2.1

Milieu & gezondheid Milieueffect rapportage – beoordeling

Wettelijk kader Bij een m.e.r.-beoordeling moet de gemeente toetsen of er bij een plan of programma aanzienlijke milieueffecten op kunnen treden (art. 16.36 lid 3 en 4 Ow). In twee situaties is er een m.e.r.-beoordeling nodig: - Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het gaat om projecten die niet in bijlage V van het Omgevingsbesluit staan. Een m.e.r.-beoordeling moet uitgevoerd worden. - Het plan is kaderstellend voor projecten en komt terug in kolom 1 van bijlage V uit het Omgevingsbesluit. De drempel in kolom 2 uit bijlage V Omgevingsbesluit wordt niet overschreden. Een m.e.r.-beoordeling is in plaats van een m.e.r. nodig als: - Het plan een kleine wijziging van een plan of programma is; - Het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als de gemeente bevoegd gezag is over het plan. Uit de m.e.r.-beoordeling kan volgen dat aanzienlijke milieueffecten niet zijn uitgesloten. Dan volgt er een m.e.r. en dient een milieueffectrapport (MER) worden opgesteld. Wanneer direct duidelijk is dat aanzienlijke gevolgen zijn voor het milieu, bijvoorbeeld wanneer de drempelwaarde uit kolom V van het omgevingsbesluit overschreden wordt, dan ligt het voor de hand om de m.e.r.-beoordeling over te slaan en direct een m.e.r.-procedure op te starten.

Motivering/Uitkomst onderzoek De woningbouwontwikkeling aan de Stokhasseltlaan (project Prikkelarm Wonen) kan geschaard worden onder categorie J11 (‘Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen’). Voor een stedelijk ontwikkelingsproject gaat het altijd om een fysieke uitbreiding van het te bebouwen oppervlak en aantal wooneenheden. Een renovatie van een bestaand gebouw is geen stedelijk ontwikkelingsproject. Voor deze categorie (J11) geldt geen m.e.r.-plicht, maar geldt in geval van aanleg, wijziging of uitbreiding een m.e.r. beoordelingsplicht (kolom 3 uit Bijlage V Omgevingsbesluit). Conclusie Voor deze ontwikkeling geldt een m.e.r. beoordelingsplicht. Vervolg Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten, bedoeld in artikel 16.43, tweede lid, van de wet, met de bijbehorende motivering op in het besluit en, voor zover hier sprake van is, in het ontwerp van het besluit (artikel 11.11, lid 2 Omgevingsbesluit) Motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Omgevingsbesluit) In de motivering van de beslissing wordt in ieder geval verwezen naar: • de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; en • als is beslist dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt: 1.

de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en 2. het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd. Planspecifiek Er is een aanmeldnotitie opgesteld om te bezien of sprake is van aanzienlijke milieueffecten. Deze notitie is als separate bijlage bij de bij de vergunning behorende stukken gevoegd. Gelet op de kenmerken van het project, de locatie van het project en de kenmerken van de potentiële effecten wordt geconcludeerd dat het project 50

niet leidt tot aanzienlijke milieueffecten. De effecten blijven beperkt tot het project en zijn directe omgeving. Er is daarom geen aanleiding of noodzaak voor het opstellen van een milieueffectrapportage. 4.2.2

Bedrijven en milieuzonering

Wettelijk kader Bedrijven en milieuzonering nieuwe stijl richt zich op de relatie tussen milieuhinderlijke activiteiten en milieugevoelige activiteiten (VNG, handreiking milieuzonering nieuwe stijl, versie oktober 2024). Hierbij wordt gekeken naar functiemenging waar het kan (én gewenst is) en functiescheiding waar dat moet. De handreiking is niet van toepassing op industrieterreinen. Hiervoor geldt volgens het Bkl andere regelgeving, namelijk voor industrieterreinen met geluidproductieplafonds. De handreiking van de VNG geldt ook niet voor milieuhinderlijke activiteiten binnen een rustig woongebied. Onder een milieuhinderlijke activiteit wordt verstaan: een aan een locatie toegedeelde activiteit, anders dan wonen, die milieuhinder kan veroorzaken, in het bijzonder in de vorm van geluid- of geurhinder. Ook aan locaties toegedeelde activiteiten (anders dan wonen) die trillinghinder, stofhinder, veiligheidsrisico’s of lichthinder kunnen veroorzaken zijn milieuhinderlijke activiteiten. Een milieugevoelige activiteit is een activiteit waarvoor de ondervonden milieubelasting bepalend is voor het bereiken en in stand houden van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het gaat hierbij onder andere om locaties als woningen, scholen, kinderdagverblijven en ziekenhuizen.

Hierbij wordt opgemerkt dat milieu-aspecten zoals omgevingsveiligheid, trillingen, stofhinder en luchtverontreiniging, lichthinder, spuitzones, geur door agrarische activiteiten in het buitengebied en hinder door verkeersaantrekkende werking zich vaak niet lenen om de inpasbaarheid van activiteiten indicatief te bepalen. Daarom gaat de milieuzonering onder de Omgevingswet enkel over geluid- en geurhinder. Voor de overige milieu-aspecten moet aan de hand van specifieke regelgeving worden bepaald of de activiteit op een locatie inpasbaar is. Het gaat dan zowel om rijksregels als decentrale regels, bijvoorbeeld regels in het omgevingsplan. Zie hiervoor ook paragraaf 5.2.3 voor omgevingsveiligheid, 5.2.5 voor luchtkwaliteit en 5.2.8 voor trillingen. Ook enkele ‘zware’ activiteiten zijn niet geschikt voor de toetsing van bedrijven en milieuzonering en een nadere, zorgvuldige afweging is nodig. Welke activiteiten dit betreft staat toegelicht in bijlage 7 van de handreiking. Milieuzonering onder de Omgevingswet werkt met gebruiksruimte gekoppeld aan milieunormen in plaats van met milieucategorieën en richtafstanden. De wettelijke basis hiervoor is terug te vinden in artikel 5.69 voor geluid en 5.93 voor geur uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Daarnaast dienen de waarden en regels voor geluid- en geurgevoelige gebouwen uit het Bkl in acht genomen te worden.

Er moet rekening gehouden worden met de maximale planologische mogelijkheden van de milieubelastende activiteiten. Deze ‘ruimtelijke’ milieunormen bestaan naast de normen in het milieuspoor. Voor specifieke activiteiten of voor het projecteren van woningen en andere gevoelige functies nabij bestaande milieubelastende activiteiten kan een geluid- of geuronderzoek verplicht zijn, dit is te achterhalen via het Bal en de bruidsschat. Motivering/Uitkomst onderzoek In de directe omgeving van het plangebied bevindt zich een aantal bedrijven (Stokhasseltlaan 39, 42, 43, 44 en 46). Daarnaast bevindt zich in de omgeving een hoogspanningsstation. Het hoogspanningsstation bevindt zich op bijna 300 meter van de planlocatie. Deze afstand is ruim voldoende om geen hinder als gevolg van de activiteiten van het hoogspanningsstation op de projectlocatie te verwachten. Aan de Stokhasseltlaan 46 bevindt zich een paardenhouderij/manege. Gezien de afstand tot de projectlocatie is ook hiervan geen hinder te verwachten. Voor het aspect geur geldt voor paarden een vaste richtafstand van 50 meter. Hieraan wordt ruimschoots voldaan. Voor de activiteiten van de overige vier bedrijven is geluid het maatgevende milieuaspect. Daarom is een onderzoek industrielawaai (Adviesbureau de Haan bv, kenmerk AH.2023.1188.00.R001, d.d. 29 januari 2024)

51

uitgevoerd. Voor de bedrijven op de adressen Stokhasseltlaan 42, 43 en 44 kan op basis van de bekende bedrijfsactiviteiten en afstand tot het projectgebied geconcludeerd worden dat de streefwaarde voor geluid niet zal worden overschreden. Deze bedrijven zijn niet nader onderzocht. De bedrijfsactiviteiten van het bedrijf op Stokhasseltlaan 39 zijn nader onderzocht. Geconcludeerd kan worden dat voor zowel het langtijdgemiddelde als de maximale geluidniveaus voldaan kan worden aan de streefwaarde. De streefwaarden voor geluid zijn opgesteld om te toetsen of er sprake is van een goed woon/leefklimaat. De streefwaarden doen geen uitspraak of er sprake is van een prikkelarme omgeving. Omdat er geen toetsingskader ‘Prikkelarm’ beschikbaar is, is hierop niet getoetst. Conclusie Bedrijven en Milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. 4.2.3

Omgevingsveiligheid

Wettelijk kader Een van de doelen van de Omgevingswet is dat de gemeente bij plannen zo vroeg mogelijk kijkt naar veiligheid. Er staat dat het omgevingsplan rekening moet houden met de mogelijkheden om een brand, ramp of crisis te voorkomen, te beperken en te bestrijden (art. 5.2 Bkl). Ook staan er instructieregels (§ 5.1.2 Bkl) in over de manier waarop bij de inrichting van een gebied omgevingsveiligheid meegenomen moet worden. Samenvattend gaan de instructieregels uit het Bkl over de volgende onderwerpen: risicobronnen, het plaatsgebonden risico, het groepsrisico, aandachtsgebieden en voorschriftgebieden. In de bruidsschat zijn regels te vinden met betrekking tot propaan/propeen, LPG, traditioneel schieten, vergunningsvrij bouwen en brandbestrijding. Ook staan er verschillende milieubelastende activiteiten in het Bal: het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); buisleidingen met gevaarlijke stoffen en windturbines. Aandachtsgebieden en groepsrisico Nieuw onder de Omgevingswet zijn aandachtsgebieden, hier zijn drie soorten van: - Brand (warmtestraling); - Explosie (warmtestraling en/of overdruk); - Gifwolk (concentratie gevaarlijke stoffen in de lucht). Deze aandachtsgebieden zijn van belang in het kader van het groepsrisico.

Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Onder de Omgevingswet is het niet meer verplicht om het groepsrisico te berekenen. Er is sprake van een kwalitatieve benadering, waarbij het bevoegd gezag afweegt waar (binnen aandachtsgebieden) extra maatregelen nodig zijn om aanwezigen te beschermen tegen de gevolgen van een ongeval. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet dus optioneel. Een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Vanuit het REV (Register Externe Veiligheidsrisico’s) wordt de informatie over aandachtsgebieden zichtbaar gemaakt via kaarten, in onder andere de Atlas leefomgeving.

Er wordt een standaard advies bij een beperkte verantwoording van het groepsrisico gehanteerd als: - het initiatief zich bevindt binnen het invloedsgebied van een Basisnetroute, maar buiten de 200 meterzone en/of buiten de brand- en/of explosieaandachtsgebieden van transportroutes; - het initiatief binnen het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen ligt, maar buiten de PR 10-8 contour en/of buiten de branden/of explosieaandachtsgebieden van inrichtingen. Gebouwen en locaties Gebouwen en locaties zijn ingedeeld in 3 categorieën: 1. zeer kwetsbaar (alleen gebouwen); 2. kwetsbaar (gebouwen en locaties); 52

3. beperkt kwetsbaar (gebouwen en locaties). In bijlage VI van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staat de onderverdeling welke gebouwen en locaties onder welke categorieën vallen. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Voorheen ging het om de bescherming van het gehele gebouw, ook indien maar een deel van het gebouw werd gebruikt voor een kwetsbare functie. Onder de Omgevingswet wordt alleen gekeken naar de delen van het gebouw met kwetsbare gebruiksfuncties. Vanuit het REV (Register Externe Veiligheidsrisico’s) worden (zeer) kwetsbare gebouwen en locaties zichtbaar gemaakt via kaarten, in onder andere de Atlas leefomgeving. Voorschriftengebieden Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. In de voorschriftengebieden gelden aanvullende bouwkundige eisen voor nieuwbouw (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). In het omgevingsplan wordt een brandaandachtsgebied standaard aangewezen als brandvoorschriftengebied en een explosieaandachtsgebied als explosievoorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl).

Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Plaatsgebonden risico De belangrijkste norm voor externe veiligheid uit het Bkl is het plaatsgebonden risico (PR). Dit is de kans op het overlijden van een onbeschermd en continu aanwezig persoon buiten de begrenzing van de locatie van de risicobron als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door die risicobron. In het Bkl (art. 5.7, 5.10 en 5.11) staan instructieregels over het plaatsgebonden risico voor het omgevingsplan. Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). 1.9.2. Motivering/Uitkomst onderzoek Er is een onderzoek omgevingsveiligheid uitgevoerd (adviesbureau de Haan bv, d.d. 1 juli 2024). Hieruit blijkt dat er voor deze locatie geen belemmeringen met betrekking tot omgevingsveiligheid zijn. De locatie bevindt zich niet binnen een brand- of explosieaandachtsgebied, maar wel binnen een toxisch aandachtgebied.

Er kan ingestemd worden met het aangeleverde onderzoek. Ook wordt opgemerkt dat de bewoners zelfredzaam zijn. Vanwege de ligging in een toxisch aandachtsgebied is een eenvoudig afsluitbaar mechanisch ventilatiesysteem wel nodig. Dit is echter al een verplichting voor nieuwe bouwwerken vanuit het Besluit bouwwerken leefomgeving (artikel 4.124, lid 4). Conclusie Omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. 4.2.4

Geluid

Wettelijk kader Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. De instructieregels voor geluid zijn terug te vinden in §5.1.4.2 en 5.1.4.3 van het Bkl en gaan over aanvaardbaarheid van geluid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen (artikel 3.18 lid 1 Bkl) en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (artikel 3.20 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp, artikel 2.11a Ow) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Ook via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid zijn regels toegevoegd aan de Omgevingswet. In de bruidsschat is het onderdeel geluid voor een aantal activiteiten geregeld in paragraaf 22.3.4. In de omgevingsverordening van de provincie kunnen ook instructies staan voor geluid. Ook wanneer er geen (instructie)regels zijn voor geluid moet er sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het Bal. 53

De gemeente Tilburg hanteert een eigen Hogere Waardenbeleid. In dit beleid zijn randvoorwaarden opgenomen voor het bouwen van woningen op locatie waar niet aan de streefwaarde voor geluid kan worden voldaan. Motivering/Uitkomst onderzoek In verband met de ligging aan de Stokhasseltlaan en de nabijheid an enkele bedrijven is een akoestisch onderzoek wegverkeers- en industrielawaai uitgevoerd (Adviesbureau de Haan bv, kenmerk AH.2023.1188.00.R001, d.d. 29 januari 2024). De streefwaarden voor geluid zijn opgesteld om te toetsen of er sprake is van een goed woon/leefklimaat. De streefwaarden doen geen uitspraak of er sprake is van een prikkelarme omgeving. Omdat er geen toetsingskader ‘prikkelarm’ beschikbaar is, is hierop niet getoetst. Industrielawaai Voor de resultaten ten aanzien van industrielawaai zie paragraaf 5.2.2 Bedrijven en Milieuzonering. Wegverkeerslawaai Uit het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai volgt dat voor de volgende wegen niet voldaan kan worden aan de streefwaarde. Vanwege de Burgemeester Bechtweg bedraagt de hoogste geluidbelasting 53 dB. Als gevolg van de Stokhasseltlaan bedraagt de hoogste geluidbelasting 57 dB. De hoogste cumulatieve geluidbelasting bedraagt 60 dB vanwege wegverkeer. In de nachtperiode is de hoogste gecumuleerde geluidbelasting 51 dB. Wij vinden deze hogere dan de standaardwaarde toch toelaatbaar om de volgende redenen.

Alle woningen binnen het plangebied beschikken over een geluidluwe gevel en –buitenruimte. Daarmee voldoen ze aan de randvoorwaarden uit het gemeentelijk Hogere Waardenbeleid. Verder zijn (bron)maatregelen om het geluidniveau terug te brengen (zoals overwogen in het akoestisch onderzoek) stedenbouwkundig of financieel niet doelmatig of mogelijk. Aangezien wegverkeersgeluid redelijk monotoon van aard is, leidt dit over het algemeen overigens niet tot prikkels die voor de doelgroep niet hanteerbaar zijn. Bovendien worden de woningen goed geïsoleerd, waardoor binnen in de woningen geen last van het wegverkeersgeluid wordt ondervonden. Conclusie Vanwege weg- en industrielawaai zijn er geen beperkingen voor dit planvoornemen. Wij vinden een hogere waarde hier toelaatbaar. 4.2.5

Luchtkwaliteit

Wettelijk kader Omgevingswaarden Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 uit het Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden. De gemeente Tilburg heeft vooralsnog geen gemeentelijke omgevingswaarden opgenomen in het omgevingsplan en er zijn ook geen provinciale omgevingswaarden, waardoor de rijksomgevingswaarden gelden (paragraaf 2.2.1 van het Bkl). De rijksomgevingswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide (NO2), stikstofoxiden, benzeen, koolmonoxide en ozon, fijnstof (PM10 en PM2,5) zijn terug te vinden in de artikelen 2.3 tot en met 2.8a van het Bkl. Met uitzondering van fijnstof en stikstofdioxide, zijn de achtergrondconcentraties van de overige stoffen binnen de gemeente dusdanig laag dat er geen overschrijding van de luchtkwaliteit te verwachten is. Vandaar dat fijnstof en stikstofdioxide de kritische stoffen zijn die getoetst dienen te worden.

54

Tabel 4.1. Grenswaarden (concentraties in de buitenlucht, zoals die gelden op basis van het Bkl) Stof Jaargemiddelde Jaargemiddelde 24-uurgemiddelde Uurgemiddelde concentratie (µg/m3) blootstellingsconcentratie (µg/m3) concentratie (µg/m3) concentratie (µg/m3) PM10 40 -50* -PM2,5

25

20

--

--

NO2

40

--

--

200**

*Mag 35 keer per jaar overschreden worden ** Mag 18 keer per jaar overschreden worden

Aandachtsgebieden Voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) zijn er landelijk aparte aandachtsgebieden aangewezen. De gemeente Tilburg bevindt zich niet binnen een aandachtsgebied. Luchtkwaliteit buiten aandachtsgebieden Voor enkele activiteiten moet de luchtkwaliteit altijd beoordeeld worden, ook buiten aandachtsgebieden (artikel 5.50 Bkl). Dit geldt bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit en bij het toelaten in het omgevingsplan van de aanleg van een wegtunnel langer dan 100 meter; een wijziging van een wegtunnel daarbij de lengte met minimaal 100 meter toeneemt of de aanleg van een autoweg of een autosnelweg. De regel is dat de luchtkwaliteit niet beoordeeld wordt op plekken die niet openbaar toegankelijk zijn voor het publiek. Daarom zijn deze plaatsen uitgezonderd van toetsing aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit. Het toepasbaarheidsbeginsel komt op meerdere plekken voor in het Bkl: artikel 5.52, 8.17 en 11.19. Het blootstellingscriterium staat op verschillende plekken in de Omgevingsregeling, bijvoorbeeld in artikel 8.11 (toetsing van wegen) en artikel 8.17 (toetsen van milieubelastende activiteiten). De eisen van een luchtkwaliteitsonderzoek staan in § 8.2.3.1.2. van de Omgevingsregeling.

Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: - er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; - het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; - het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Motivering/Uitkomst onderzoek Op de planlocatie wordt voldaan aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit. Het plan zelf voldoet ruimschoots aan de criteria voor projecten die niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtkwaliteit. Conclusie Luchtkwaliteit levert geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. 4.2.6

Geur

In het Bkl (§ 5.1.4.6) is bepaald dat geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar moet zijn. Alleen voor rioolwaterzuiveringsinstallaties, het houden van landbouwhuisdieren en verschillende agrarische activiteiten is een toetsingskader opgenomen. Voor alle andere activiteiten die geurhinder kunnen veroorzaken kan de gemeente regels in het omgevingsplan opnemen (zoals industriële activiteiten, horecabedrijven, maneges, etc.). Deze activiteiten vallen, omdat deze nu nog niet zijn opgenomen in het 55

nieuwe deel van het omgevingsplan van de gemeente Tilburg, onder de specifieke zorgplicht in art. 2.11 Bal en, of art. 22.44 van de bruidsschat en de middelvoorschriften in de bruidsschat. Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). Een geurgevoelig gebouw is een gebouw met een functie als woning of onderwijs, zorg of kinderopvang. Daarnaast moet volgens het Bkl ook rekening worden gehouden met geprojecteerde gebouwen (art. 5.91 Bkl). Tijdelijke geurgevoelige gebouwen (korter dan 10 jaar) worden onder het Bkl niet aangemerkt als geurgevoelig. Uiteraard moet wel sprake zijn van een aanvaardbare situatie. De normen en afstanden voor geur door een activiteit gelden ook niet op een geurgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit (bedrijfswoning) (art. 5.95 Bkl). Onder de Omgevingswet dient er ook rekening gehouden te worden met de cumulatie van geur door bedrijven. Er zijn nog geen gemeentelijke regels opgenomen in het nieuwe deel van het omgevingsplan. Met als gevolg dat vooralsnog de regels uit de bruidsschat gelden, namelijk: - Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS); - Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS); - Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a.

het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 BS); - Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS). Wat altijd geldt is de eis dat er sprake moet zijn van een aanvaardbaar hinderniveau (art 5.92, Bkl). Overige activiteiten waarvoor regels ter beperking van de geuremissie zijn opgenomen betreffen: - Niet-industriële voedselbereiding (artikel 22.199, Bruidsschat). - Voedingsmiddelenindustrie (artikel 22.201, Bruidsschat). - Slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen (artikel 22.205, Bruidsschat). - Bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage (artikel 22.226, Bruidsschat). In het Bkl zijn hiervoor geen aparte instructieregels opgenomen. De geurbelasting moeten aanvaardbaar zijn (art 5.92 Bkl). Bij het tijdelijk deel van het omgevingsplan kan er sprake zijn strijdigheid van de regels. In de voorrangsbepaling is bepaald welke regels in dat geval gelden (art 22.1, Bruidsschat). Wanneer bruidsschatregels niet voldoen aan het Bkl, dienen deze bij het vaststellen van de regels in het omgevingsplan gewijzigd te worden zodat aan het Bkl voldaan wordt. Bij omzetting in het omgevingsplan staan deze regels open voor zienswijzen.

Motivering/Uitkomst onderzoek In de omgeving van het plangebied bevindt zich één bedrijf met een relevante agrarische geuremissie. Dit betreft de paardenhouderij/manege op Stokhasseltlaan 46. Voor paarden geldt een vaste richtafstand van 50 meter. Hieraan wordt ruimschoots voldaan. Er bevinden zich geen bedrijven met een relevante industriële geuremissie in de omgeving van het plangebied. Conclusie Geur vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. 4.2.7

Lichthinder

Wettelijk kader Kunstmatige verlichting kan hinder voor de mens veroorzaken evenals hinder langs wegen, verstoring van de natuur en horizonvervuiling. Voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen, ook wel assimilatieverlichting genoemd, zijn rijksregels opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (artikel 4.790 Bal). In artikel 22.239 van de bruidsschat zijn regels opgenomen voor lichthinder bij het beoefenen van sport in de buitenlucht waarbij

56

terreinverlichting wordt toegepast. Voor het toetsen van objecten met verlichting langs auto(snel)wegen dient het kader Beoordeling van Objecten langs Auto(snel)wegen (Rijkswaterstaat, 12 juni 2019) gevolgd te worden. Verder is sprake van de specifieke zorgplicht uit het Bal wanneer een lichthinder veroorzakende activiteit een functioneel ondersteunende activiteit is bij een milieubelastende activiteit (MBA) uit het Bal. De specifieke zorgplicht beschermt namelijk de belangen genoemd in artikel 2.2 van het Bal. En in artikel 2.2, 1e lid, onderdeel c, onder 5, staat lichthinder. Er zijn nog geen gemeentelijke regels rondom lichthinder opgenomen in het nieuwe deel van het omgevingsplan. In het kader van het beschermen van de gezondheid (§5.1.4 Bkl) wordt wel gevraagd om eventuele lichthinder van overige activiteiten en de effecten hiervan op gezondheid te onderbouwen evenals het opnemen van maatregelen om lichthinder te voorkomen. motivering/Uitkomst onderzoek In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen inrichtingen en/of activiteiten waarvan lichthinder kan worden verwacht. Een nader onderzoek lichthinder is daarom niet uitgevoerd. Conclusie Lichthinder vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. 4.2.8

Trillingen

Wettelijk kader De gemeente Tilburg heeft in het nieuwe deel van het omgevingsplan vooralsnog geen normen opgenomen voor continue en herhaald voorkomende trillingen conform artikelen 5.87 en 5.87a uit het Bkl. Tot deze normen opgenomen zijn wordt verwezen naar de bruidsschat (art. 22.88) waar normen opgenomen zijn voor het totaal aan trillingen, zowel continu als herhaald voorkomend. Verder staan in de bruidsschat regels die toezien op de trillingen in trillinggevoelige ruimten in trillinggevoelige gebouwen, veroorzaakt door activiteiten (paragraaf 22.3.5, art. 22.83 t/m 22.89 bruidsschat). Onder trillinggevoelige gebouwen wordt niet verstaan (art. 22.83 lid 2 bruidsschat): gebouwen die geheel of gedeeltelijk liggen op een industrieterrein met geluidproductieplafonds of gebouwen die zijn toegelaten voor een duur van niet meer dan 10 jaar. Ook een bedrijfswoning wordt niet beschermd tegen trillingen vanwege een eigen bedrijf (art. 22.86 bruidsschat), net als een voormalige bedrijfswoning niet beschermd wordt tegen een agrarische activiteit (art. 22.87 bruidsschat). Onder het toepassingsbereik van de trillingregels van de bruidsschat vallen: - activiteiten in een openbaar toegankelijk gebouw, zoals een parkeergarage of stadhuis; - laden en lossen op de openbare weg, bijvoorbeeld bij een winkel; - verkeer van en naar een bedrijf.

De trillingregels van de bruidsschat gelden niet voor trillingen vanwege (art. 22.41 lid 2 bruidsschat): - Wonen - Bouw-, sloop- en onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of terrein. - Een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht. - Doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen. - Een evenement dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen en voor evenementen waarvoor in het omgevingsplan een incidentele of collectieve ontheffing is verleend (artikel 5.68 Bkl). - Werkzaamheden met een mobiele installatie in een weiland, akker of bos. - Bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen. Bouw- en sloopwerkzaamheden Trillingen als gevolg van bouw- en sloopwerkzaamheden zijn niet gereguleerd in het Bkl, de omgevingsverordening of de bruidsschat. Wel staan hiervoor bepalingen in het Besluit bouwwerken

57

leefomgeving (Bbl), die gelden in een verblijfsgebied van een woonfunctie, bijeenkomstfunctie voor kinderdagopvang, gezondheidsfunctie of onderwijsfunctie (art. 7.18 lid 2 Bbl). De toegestane trillingsterkte hierbij is terug te vinden in het Bbl (art. 7.18 lid 1). Een beperkte mate van versoepeling is onder voorwaarden mogelijk (art. 7.5 lid 2 en art. 7.23 lid 1 Bbl). Spoorwegen Voor woningen langs het spoor gelden geen instructieregels van het Rijk. De beoordeling moet plaatsvinden binnen de taak van 'een evenwichtige toedeling van functies aan locaties' (artikel 4.2 van de Omgevingswet). Hierbij wordt meestal de Meet- en Beoordelingsrichtlijn, deel B, 'Hinder voor personen in gebouwen 2006' van de Stichting Bouwresearch Rotterdam (SBR-richtlijn) toegepast. In het algemeen moet binnen een afstand van 100 meter van het spoor het risico op trillinghinder worden beoordeeld. In sommige gevallen is het zelfs nodig om het onderzoeksgebied uit te breiden tot 250 meter aan weerszijden van het spoor. De redenen om uit te breiden van 100 naar 250 meter voor onderzoek zijn (cf. Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen, ministerie van infrastructuur en waterstaat, mei 2019): - Wanneer er al sprake is van klachten door van het spoor op een grotere afstand van 100 meter; - De plaatselijke bodemopbouw en/of het treinbeeld kunnen leiden tot trillingshinder.

In de gemeente Tilburg wordt enkel bij ontwikkelingen binnen 100 meter van het spoor een onderzoek trillingshinder gevraagd. Motivering/Uitkomst onderzoek De planlocatie ligt niet binnen 100 meter van het spoor. Daarom is geen aanvullend trillingsonderzoek uitgevoerd. Conclusie Trillingen vormen geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. 4.2.9

Gezondheid

Wettelijk kader Beschermen van de gezondheid en van het milieu maakt onderdeel uit van het omgevingsplan (§5.1.4 Bkl). De Omgevingswet bepaalt dat bij evenwichtige toedeling van functies aan locaties de gemeente in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Omgevingswet). Hierbij moet de gemeente rekening houden met de lokale specifieke omstandigheden en de gevolgen van de activiteiten voor de gezondheid van haar burgers (artikel 2.1 en artikel 2.4 Omgevingswet). Belangrijk is om te motiveren hoe het plan inspeelt op gezondheidsvragen. Gedacht kan worden aan de thema’s bestrijdingsmiddelen, ziekteverwekkers bij veehouderijen, hoogspanningslijnen (magneetvelden), veiligheid, de mogelijkheid tot bewegen en andere vormen van gezondheidsbevordering, hittestress, sociale contacten, bereikbaarheid van voorzieningen, zeer zorgwekkende stoffen in het milieu, de mogelijkheid om in contact te komen met bodemverontreiniging (bijvoorbeeld kinderen ter plaatse van speeltuinen), lichthinder en een groene leefomgeving. Deze opsomming is niet volledig en ook welke thema’s wel of niet relevant zijn is wisselend per plan. Verder is het van belang om scherp te zijn op de cumulatie van gezondheidseffecten. Bijvoorbeeld voor de onderdelen geur, geluid en luchtkwaliteit.

Zo kunnen bronnen in de omgeving van een ontwikkeling op zichzelf voldoen aan wettelijke normen. Stel dat er meerdere bronnen bij elkaar opgeteld worden dan dient men te toetsen of er nog steeds sprake is van een gezond woon- en leefklimaat en er geen sprake is van overbelasting. Motivering/Uitkomst onderzoek Bestrijdingsmiddelen en ziekteverwekkers Op basis van het landgebruik in de directe omgeving (agrarisch gras) wordt het gebruik van bestrijdingsmiddelen niet verwacht. Ten zuiden van de planlocatie bevindt zich een paardenhouderij/manege. Vanwege de afstand tot de planlocatie en de diersoort wordt hiervan geen effect op de gezondheid verwacht. In onderzoeken (Kennisplatform Veehouderij en humane gezondheid, een samenwerking tussen RIVM, 58

Wageningen University & Research, Universiteit Utrecht, ZonMW, GGD GHOR Nederland en Omgevingsdienst NL) waarbij verbanden zijn gevonden tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden gaat het om met name om geiten (een mogelijk verband met het vaker voorkomen van longontstekingen), varkens (69% bijdrage aan de endotoxineconcentratie) en pluimvee (24% bijdrage aan de endotoxineconcentratie). In de nabijheid van de locatie zijn geen varkens- of pluimveehouderijen aanwezig en de locatie bevindt zich op meer dan 2 kilometer afstand van een geitenhouderij. Magneetvelden en lichthinder De planlocatie bevindt zich buiten de magneetvelden van bovengrondse hoogspanningslijnen. Qua lichthinder wordt op basis van de BrabantScan van de GGD (Brabantse Omgevingsscan (BrOS) - Tilburg; Team Noord (incl. Stokhasselt Noord) (brabantscan.nl) verwacht dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. De locatie bevindt zich ter plaatse van een gebied van 50-100 E-10 Watt/cm2/steradiaal wat relatief laag is vergeleken met andere gebieden binnen de gemeente Tilburg. Opgemerkt wordt dat het onbekend is of deze vorm van lichthinder voldoende laag is voor prikkelarm wonen. Gezondheidsbevordering en hittestress In de landelijke omgeving en noordelijk gelegen bossen zijn mogelijkheden om te wandelen en te fietsen in het kader van gezondheidsbevordering.

Vanwege deze groene omgeving wordt de hittestress ook verwacht beperkt te blijven. Dit wordt bevestigd via de BrabantScan van de GGD. Sociaal netwerk en voorzieningen Omdat de geplande woningen relatief afgelegen ten opzichte van woningen en maatschappelijke voorzieningen liggen, is het sociale netwerk in de omgeving naar alle waarschijnlijkheid beperkt. Hier kan mogelijk met het ontwerp van de planlocatie rekening worden gehouden zodat er ook ruimte is voor ontmoetingen. Bijvoorbeeld door de aanleg van een gemeenschappelijke tuin of park. De bereikbaarheid van voorzieningen is in dit gebied beperkt ten opzichte van de stad, echter draagt dit wel bij aan een prikkelarme omgeving. Cumulatie De afzonderlijke milieuaspecten zijn in separate paragrafen getoetst en beoordeeld. Geconcludeerd is dat de afzonderlijke milieuaspecten geen belemmeringen opleveren voor dit plan. Daarnaast zien we ook geen cumulatie van de afzonderlijke milieuaspecten die op deze locatie aanleiding zouden kunnen geven voor een mogelijk effect op de gezondheid. Zie paragraaf 5.2.4 geluid voor een nadere toelichting over de cumulatie van geluid op deze locatie. Conclusie De afzonderlijke milieuaspecten en mogelijke cumulatie daarvan leveren op deze locatie geen verhoogd risico op gezondheidseffecten. Over het algemeen is er sprake van een goed woon- en leefklimaat.

Opgemerkt wordt dat er rekening gehouden dient te worden met een voldoende prikkelarme omgeving voor de toekomstige bewoners, bijvoorbeeld in het kader van lichthinder. Echter is dit ook met eenvoudige maatregelen in de woning te realiseren. 4.2.10

Bodem

In 2023 is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd volgens de NEN 5740, waarbij ook een verkennend asbestonderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5707 (Verkennend bodemonderzoek inclusief nader asbestonderzoek Stokhassseltlaan 38, Tilburg, Tauw, kenmerk 1292671, d.d. 30 november 2023). Bij het onderzoek zijn in de bodem niet tot maximaal licht verhogingen aangetoond. Er is geen sprake van sterke verontreinigingen. Bij de eerste fase van het onderzoek is plaatselijk indicatief asbest aangetroffen, het nader onderzoek heeft echter aangetoond dat het een toevalvondst betrof, welke als onderdeel van de bemonstering reeds uit de bodem is weggenomen. De bodemkwaliteit van de locatie vormt op basis van het bodemonderzoeksrapport - getoetst aan de Omgevingswet / het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) - geen belemmering voor het afgeven van een omgevingsvergunning voor het aspect bouwen, het wijzigen van het omgevingsplan en/of de herontwikkeling van het terrein in genoemd kader.

59

Indien ontgravingswerkzaamheden plaats vinden ter plaatse van de gedempte sloot (huidige erf, voor de exacte situering zie de tekening achterin het bodemrapport), dient men vanuit het oogpunt van Arbotechnische veiligheid bij het graven wel alert te zijn op het aantreffen van asbestverdachte bijmengingen en dient men indien noodzakelijk aanvullende maatregelen te treffen (in afstemming met veiligheidskundige van de aannemer). 4.2.11

Stikstof

Wettelijk kader Natuurgebieden kunnen schade ondervinden van depositie (neerslag) van zwaveldioxide (SO2) en stikstofoxiden (NOx). De laatste jaren wordt steeds duidelijker dat de grote hoeveelheid stikstofuitstoot voor schade zorgt aan onze natuur. De bodem verzuurt en daardoor sterven bepaalde planten af en krijgen andere soorten juist de overhand. Dit tast de biodiversiteit aan en zorgt ervoor dat natuurgebieden veranderen en zeldzame planten en dieren verdwijnen. Er gelden omgevingswaarden om de kwetsbare vegetatie te beschermen (artikel 2.3 lid 1c en d en artikel 2.4 lid 2 Bkl). Deze omgevingswaarden gelden alleen voor een natuurgebied met een oppervlakte van 1000 m 2 of meer. Bovendien moet dit natuurgebied liggen binnen: - 20 km van een aangewezen aaneenschakeling van steden en dorpen (in vaktaal: agglomeratie); - 5 km van bebouwing, een IPPC-installatie of een andere milieubelastende installatie, of een autosnelweg of autoweg. Van deze weg moeten dan wel meer dan 50.000 motorvoertuigen per dag gebruikmaken. De gemeente is verplicht om bij een vergunningsaanvraag te toetsen of een Natura-2000 activiteit uit de Omgevingswet van toepassing is. Is er sprake van een te hoge stikstofneerslag op een Natura 2000-gebied, dan moet de provincie Noord-Brabant een advies geven.

Motivering/Uitkomst onderzoek In het kader van stikstof is een nader onderzoek, inclusief Aerius-berekening (Toelichtende memo behorende bij Aerius-berekening Stokhasseltlaan 38 te Tilburg’, d.d. 13 maart 2024, opgesteld door NOxAdvies) uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek laten zien dat er geen sprake is van depositie van stikstof op N2000 gebieden.

Conclusie Stikstof vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. 60

5 Participatie en vooroverleg 5.1

Participatie proces

Participatie is een belangrijke pijler van de Omgevingswet. De richtlijn geeft aan in welke mate de omgeving moet worden betrokken bij een initiatief c.q. ruimtelijke ontwikkeling. De gemeente vindt het namelijk belangrijk dat inwoners, bedrijven en maatschappelijke partners op tijd door de initiatiefnemer betrokken worden bij initiatieven of ruimtelijke ontwikkelingen in hun omgeving. Daardoor komen belangen, ideeën, zorgen en kansen eerder op tafel en worden initiatieven beter. In de richtlijn omgevingsdialoog worden de verschillende stappen omschreven, die ten aanzien van participatie moeten worden gezet. Als eerste wordt met de impactscan de impact van de ontwikkeling op de omgeving beoordeeld. De scan bestaat uit zes thema’s waarop het initiatief mogelijk impact heeft: het soort initiatief, verkeer, groen, beleving, hinder en het (ruimtelijke) proces. De optelsom van de thema’s bepaalt de impactscore en daarmee de categorie van het initiatief. Voor deze ontwikkeling is een impactscan uitgevoerd, waaruit een categorie C is gekomen. Dat betekent dat er een participatietraject doorlopen moet worden. In het kader hiervan hebben er brede informatiebijeenkomsten plaatsgevonden, zijn er klankbordgroepbijeenkomsten geweest en is er op andere wijze gecommuniceerd, zoals door middel van bewonersbrieven en publicaties.

Het verslag van de omgevingsdialoog, inclusief impactscan is bijgevoegd als bijlage bij dit besluit.

5.2

Adviesrecht gemeenteraad

Op 1 juli 2024 heeft de gemeenteraad besloten om categorieën van gevallen aan te wijzen, waarvoor de gemeenteraad een bindend advies dient uit te brengen ten aanzien van afwijking van het omgevingsplan als bedoeld in artikel 16.15 Omgevingswet. De in het raadsbesluit aangewezen categorieën zijn gebaseerd op de raadsbesluiten van 15 juli 2021 en 14 november 2022 en overwegend beleidsneutraal omgezet naar categorieën waarop adviesrecht van toepassing is. Het advies van de raad is een bindend advies. Hoewel het woord ‘advies’ anders suggereert, is het oordeel van de raad bepalend: uit artikel 16.15 Omgevingswet volgt dat het college het advies van de raad in acht moet nemen. Daarvan mag niet worden afgeweken. Op grond van het raadsbesluit van 1 juli 2024 ‘advies gemeenteraad bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten’ geldt voor dit initiatief dat er geen advies gevraagd hoeft te worden aan de gemeenteraad.

61

Voor de volgende categorieën is een bindend advies gemeenteraad nodig: Categorie 1 Woonactiviteiten a. Het toevoegen van meer dan 100 woningen voor een duur van 15 jaar of langer. b. Het toevoegen van meer dan 200 woningen voor een duur van maximaal 15 jaar. Categorie 2 Overige activiteiten Het realiseren of uitbreiden van de volgende gebruiksactiviteiten: a. Agrarische activiteiten; b. Detailhandelsactiviteiten; c. Maatschappelijke activiteiten, voor zover sprake is van een maatschappelijk gevoelig initiatief; d. Horeca-activiteiten, voor zo ver sprake is van grootschalige horeca; e. Bedrijfsactiviteiten, voor zo ver sprake is van activiteiten die vallen in of vergelijkbaar zijn met de milieucategorie 3.1 en hoger volgens de richtlijn Bedrijven en Milieuzonering; Met uitzondering van: 1) een buitenplanse omgevingsplanactiviteit genoemd onder categorie 1 of 2 die in overeenstemming is of past binnen de kaders van één van de hierna genoemde door de gemeenteraad vastgestelde beleidsdocumenten: • Koersdocument Spoorzone; • Koersdocument Stappegoor; • Masterplan Landschapspark Pauwels; • Stedenbouwkundige visie gebiedsontwikkeling Piushaven. 2) Voor een weigering van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit genoemd onder categorie 1 of 2

5.3

Bestuurlijk vooroverleg

Het plan is een aantal keer besproken met de provincie. Voor het eerst al in maart 2023 heeft er informeel overleg plaatsgevonden over dit plan. Gesproken is toen over de voorwaarden van een duurzame stedelijke ontwikkeling en de kwaliteitsverbetering van het landschap (de bijdrage daaraan ter waarde van 1% van de uitgifteprijs en borging in de ruimtelijke procedure).Vervolgens heeft er in de tweede helft van 2024 enkele keren overleg plaatsgevonden met de provincie. Omdat er sprake is van een maatwerkregeling voor een stedelijke ontwikkeling in landelijk gebied heeft de provincie formeel adviesrecht, behalve als er in een planteamoverleg tussen provincie en gemeente overeenstemming is over het plan. Uit het verslag van het overleg tussen provincie en gemeente d.d. 5 december 2024 blijkt dat de provincie van mening is dat het plan voldoet aan het bepaalde in de provinciale Omgevingsverordening en, onder voorwaarden, akkoord gaat met deze ontwikkeling. Het plan is verder voorgelegd bij waterschap de Dommel. Van het waterschap is de volgende reactie ontvangen: De ontwikkeling houdt goed rekening met de waterbelangen De ontwikkelaar zorgt voor de aanleg van meer dan voldoende regenwaterberging om versnelde afvoer van regenwater vanaf de nieuwe verhardingen en gebouwen te voorkomen. Zo voldoet de ontwikkeling aan het gemeentelijk regenwaterbeleid en aan de Waterschapsverordening.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16911156/2