Bijlage 1. Omgevingsvisie Deel A
Tekst van het document
Om de stad in 2050 te kunnen voorzien van duurzame energie zetten we in op (1) verzwaring van het elektriciteitsnet, (2) grootschalige uitbreiding van warmtenetten, (3) inzet op waterstof voor industrie en zwaar transport en (4) de ontwikkeling van decentrale (collectieve of individuele) energiesystemen met warmtepompen. Verzwaring van het elektriciteitsnet De vraag naar elektriciteit is in 2050 minimaal verdubbeld door elektrificatie van bedrijfsprocessen, het gebruik van warmtepompen en elektrisch rijden. Om op termijn niet meer afhankelijk te zijn van fossiele bronnen en biomassa, wordt de lokale elektriciteitsproductie met wind en zon in Tilburg in diezelfde periode fors groter. Om in de vraag te kunnen voorzien, benutten we daken voor zonneenergie en combineren we wind- en zonne-energie op De Spinder en omgeving en De Baars. Hiermee kan de elektriciteitsproductie verviervoudigen. De lokaal opgewekte elektriciteit wordt zo dicht mogelijk bij de bron verbruikt om netcongestie te voorkomen.
42
Het elektriciteitsnet wordt aanzienlijk verzwaard met dikkere kabels, uitbreiding van trafostations en honderden nieuwe trafohuisjes – bij voorkeur inpandig en als dat niet mogelijk is in de openbare ruimte. Ook wordt er ingezet op voldoende laadinfrastructuur voor elektrische mobiliteit op bedrijventerreinen, langs hoofdverkeersstructuren en in woonwijken. Voor het opvangen van pieken en dalen in vraag en aanbod worden mogelijk batterijopslagen gerealiseerd. Er zijn zowel kleinschalige oplossingen bij woningen en bedrijven denkbaar, als grootschalige bij trafostations en mogelijk ook op energiehubs zoals De Spinder en De Baars). Grootschalige uitbreiding van warmtenetten Collectieve warmtesystemen gaan voorzien in een toenemend deel van de verwarmingsbehoefte van de stad. In 2050 is driekwart van de gebouwde omgeving en de helft van de bedrijventerreinen op een collectief warmtenet aangesloten. Op dit moment zijn vrijwel alle woningen in de Reeshof aangesloten op het bestaande regionale warmtenet. Dit net heeft verschillende aftakkingen met aansluitingen in Tilburg-Noord en -West en op bedrijventerreinen zoals Vossenberg en Kraaiven. Dit warmtenet wordt uitgebreid met nieuwe aansluitingen én nieuwe bronnen. Uitbreiding ligt het meest voor de hand in wijken waar het regionale net al aanwezig is.
Nu wordt nog gebruik gemaakt van warmte uit de stook van biomassa in de Amercentrale, maar dat zal naar verwachting vanaf 2027 niet meer het geval zijn. Het Amernet schakelt in fases over naar volledig duurzame bronnen, zoals geothermie en e-boilers op duurzame elektriciteit. Kansrijke bronnen voor warmtenetten binnen de gemeente zijn vooral geothermie, aquathermie en restwarmte. Voor geothermie ligt een potentiële bron nabij Moerenburg. Daarnaast is de benutting van restwarmte van de RWZI een interessante optie. Voor aquathermie biedt het Wilhelminakanaal goede kansen. Naast de uitbreiding en verduurzaming van het bestaand warmtenet (Amernet) zijn we intussen gestart met een eigen warmtebedrijf voor Tilburg-Zuid en de grootschalige nieuwbouw in Tilburg-West. Ook deze netten zullen geleidelijk uitbreiden. Nieuwbouw en verduurzaming vormen een logische startmotor voor nieuwe lokale warmtenetten van de vijfde generatie. Op zo’n net kunnen aangesloten gebouwen zowel warmte ontvangen als terugleveren en wordt de energie lokaal uitgewisseld. Het biedt naast warmte ook koeling, en werkt met lagere temperaturen, waardoor het energiezuiniger is en beter aansluit bij goed geïsoleerde gebouwen.
In en rond de herontwikkeling van Stappegoor wordt een warmtecluster van de vijfde generatie ontwikkeld met een uitbreiding naar de bedrijventerreinen Katsbogten en Het Laar en de buurten in Tilburg-Zuid buiten de ringbaan. Dit warmtenet wordt gevoed door lokale bronnen (aquathermie, warmte-koude opslag en restwarmte van onder andere de ijsbaan). Ook het Kenniskwartier biedt goede kansen voor een vijfde generatie-warmtenet. Binnen de ringbanen zien we ook mogelijkheden voor warmtenetten. De drukte in de ondergrond is hier een beperkende factor, waardoor het mogelijk een combinatie wordt met individuele oplossingen. In Udenhout, Berkel-Enschot, Biezenmortel en De Blaak ligt de bebouwingsdichtheid lager dan in de meer stedelijke gebieden van Tilburg. Daarom liggen grootschalige collectieve warmtenetten hier niet 43
voor de hand. In deze gebieden zijn individuele oplossingen kansrijk en zetten we in op een forse stimulering van individuele elektrische warmtepompen. Omdat in deze gebieden energiecoöperaties actief zijn kunnen ook kleinschalige collectieve oplossingen, zoals buurtwarmte, een rol spelen. Uiteindelijke keuzes voor warmteoplossingen zullen gebiedsgericht gemaakt worden in het Warmteprogramma. Inzet op waterstof voor industrie en zwaar transport Waterstof gaat een rol spelen in de verduurzaming van de industrie en zwaar transport. Voor de verduurzaming van industrie is waterstof nodig voor hoge temperatuurprocessen. Deze zijn vaak moeilijk te elektrificeren (zie ook paragraaf ‘Vestigingscondities vanuit energie en water’ verderop in dit hoofdstuk). De verduurzaming van mobiliteit zal hoofdzakelijk elektrisch zijn, maar waterstof biedt kansen voor zwaar transport. Waterstof heeft een hoge energiedichtheid en er kan relatief snel getankt worden. Waterstoftankstations zijn voorstelbaar aan de buitenring of op bedrijventerreinen, in combinatie met elektrische laadinfrastructuur. We hebben een eerste waterstoftankstation in onderzoek langs de Burgemeester Bechtweg. Ook voor de binnenvaart biedt elektriciteit en waterstof kansen. Er varen al hybride schepen en de eerste initiatieven voor door waterstof aangedreven schepen zijn al in ontwikkeling.
De ontwikkeling van decentrale energiesystemen Het energiesysteem van de toekomst is steeds meer decentraal. Opwek en opslag van energie vinden plaats dicht bij de gebruiker, waardoor transportafstanden korter worden en het net minder belast wordt. Nieuwbouwprojecten worden zoveel mogelijk netneutraal ontwikkeld om het elektriciteitsnet zo min mogelijk te belasten. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de energiepotentie in het gebied. Dit vraagt lokaal om meer ruimte, omdat naast infrastructuur ook opwek en opslag moeten worden ingepast. Meervoudig ruimtegebruik is hierbij het uitgangspunt.
Water en bodem sturend In lijn met het nationale, provinciale en regionale beleid maken we water en bodem sturend in de inrichting en ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Dat betekent dat het natuurlijke systeem van water en bodem voortaan leidend is bij ruimtelijke keuzes. We ontwerpen niet langer tegen de natuurlijke systemen in, maar nemen ze juist als basis voor inrichting en gebruik van de ruimte. Door water en bodem sturend te maken, perken we overlast in en gaan we verdroging tegen. Een concreet voorbeeld van ‘water en bodem sturend’ is dat we in principe niet meer bouwen in beekdalen, ook niet in de stad. Beekdalen zijn van nature lage plekken waar water stroomt en zich verzamelt. Ze zijn daarom weinig geschikt voor bebouwing. Bouwen op lage plekken kan leiden tot wateroverlast. Beekdalen zijn vaak ecologisch waardevolle zones met rijke flora en fauna waar bebouwing een negatieve impact op kan hebben. Door de beekdalen vrij te houden van stedelijke ontwikkeling houden we op deze plekken ruimte voor het water. Een ander voorbeeld van water en bodem sturend is dat we agrarisch gebruik samen met boeren, de waterschappen en andere betrokkenen afstemmen op de verschillende waterstanden en bodemgesteldheid. De watersignaleringskaart is daarbij een belangrijk hulpmiddel. 44
We grijpen historische waterstructuren, zoals oude waterlopen en beekdalen, aan om water zichtbaar terug te brengen in de stad en dorpen. Zichtbaar water draagt bij aan de belevingskwaliteit van de leefomgeving, vergroot het bewustzijn van klimaatverandering en vormt een robuuste en toekomstbestendige oplossing binnen het stedelijk waterbeheer. Schonere bodem en schoner water Onder water en bodem sturend valt ook de verbetering van de kwaliteit van de bodem en het water. Een betere bodemkwaliteit heeft verschillende aspecten. We blijven inzetten op het doelmatig saneren van de bodem waar deze verontreinigd is. Daarnaast ontharden we op plekken waar dat mogelijk en wenselijk is (zie ook de paragraaf over de Oude Stad in dit hoofdstuk), beheren we zo bodemvriendelijk mogelijk, en stimuleren we de aanleg van groene daken en gevels. Dit levert een bijdrage aan de verbetering van de ecologische basiskwaliteit van het landschap. Met het herstel van een solide groenblauwe dooradering kunnen we het bestaande landschap behouden en versterken. Bij civieltechnische ingrepen letten we erop dat de bodemsamenstelling zoveel mogelijk onveranderd blijft. Bij nieuwbouwprojecten is het voor de kwaliteit van de bodem, het bodemleven en de bovengrondse biodiversiteit belangrijk dat er grond van hier (en niet van elders) wordt gebruikt.
Het verbeteren van de waterkwaliteit is een complexe en grote opgave die door verschillende partijen moet worden opgepakt. Ook de gemeente heeft hier een rol in. Het is echter al duidelijk dat we de deadline van de Kaderrichtlijn Water (KRW) in 2027, net als in de rest van Nederland, niet gaan halen. Met de KRW-impuls wordt in Brabant een extra inspanning op de waterkwaliteit geleverd. Daar sluiten we bij aan. Water vasthouden en afvoeren Het groenblauwe netwerk moet toenemende weersextremen kunnen opvangen. De laatste jaren gold er iedere zomer in grote delen van Noord-Brabant een sproeiverbod en in najaar en winter stonden kelders en kruipruimtes onder water na overmatige regenval. Maar als we water in natte periodes te snel afvoeren, ontstaat er een tekort in periodes met aanhoudende droogte. Met name natuur en stedelijk groen zijn afhankelijk van een voldoende hoog grondwaterpeil. Risico's op wateroverlast en verdroging liggen dus dicht bij elkaar. Daarom is met de voortgaande klimaatverandering en een verdichtende stad een volgende stap in het toekomstbestendig maken van het stedelijk water- en groensysteem noodzakelijk. In eerste instantie kijken we hoe we water zoveel mogelijk kunnen vasthouden. Vasthouden van het hemelwater waar het valt is de meest effectieve manier om periodes van droogte te kunnen overbruggen.
Dat kan verbeterd worden door de sponswerking (wateropname) van de bodem te herstellen, ruimte te maken voor (oppervlakkige) infiltratievoorzieningen en te zorgen voor een robuust grondwatersysteem. In tweede instantie voeren we overtollig water af. We blijven werken aan een systeem van ‘blauwe aders': buizen met een grote diameter die overtollig hemelwater in de stad opvangen en langzaam afvoeren naar waterparken in Pauwels, Moerenburg, het Leijpark en de singels van De Blaak. Een aantal van die aders is al aangelegd. De waterparken realiseren we op zo’n 45
manier dat de landschappelijke kwaliteit erop vooruitgaat en de verschillende stadsregionale parken hun identiteit behouden. Hemelwater dat uit de stad wordt afgevoerd, kan een welkome aanvulling zijn op het grondwater, zodra dat in droge periodes zo laag wordt dat verdroging van de natuur dreigt. Nog niet overal in het stedelijk gebied hebben we een gescheiden rioolstelsel. De komende jaren completeren we geleidelijk het stelsel van gescheiden riolering (riool- en hemelwater gescheiden), zodat we vanuit meer gebieden in de stad schoon hemelwater kunnen benutten voor de natuur en landbouw en we vuil water kunnen afvoeren en zuiveren. Daarnaast maken we ruimte in stedelijk gebied om schade en overlast bij piekbuien te voorkomen. De blauwe aders alleen zijn daarvoor niet voldoende; bij piekbuien is de belasting te hoog en de afstand tot de waterparken te groot. Daarom vragen we van ontwikkelaars en corporaties om bij nieuwbouwprojecten een minimale hoeveelheid hemelwater op de kavel vast te houden. In de openbare ruimte leggen we ondiepe kuilen en greppels (zogenoemde wadi’s) en verlaagde plantvakken aan om hemelwater op te vangen en in de bodem te laten zakken. We benutten de kansen die zich voordoen bij stedelijke ontwikkelingen (zoals de herinrichting van openbare ruimten) en andere opgaven (zoals het tegengaan van verdroging) om nieuwe waterbergingen te maken.
Waterbergingen laten zich landschappelijk goed inpassen. Ze dragen bij aan de ecologische waarde en omgevingskwaliteit. In sommige gevallen zijn technische infiltratievoorzieningen onder de verharding nodig. Voor het beter en vaker vasthouden van hemelwater op de plek waar het valt is een collectieve aanpak en integratie van wateropvang in de openbare ruimte nodig. Zo benutten we water niet alleen functioneel, maar ook als kans voor een groene, gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. We werken de komende periode aan gebiedsgerichte Wijkwaterplannen waarin stedelijk waterbeheer in samenhang met andere functies wordt uitgewerkt. Oplossingen variëren van perceelsniveau tot buurtof wijkniveau, afhankelijk van onder andere de opgave, urgentie en beschikbare ruimte. Drinkwatervoorziening in balans met stedelijke ontwikkeling Brabant Water zorgt voor de drinkwatervoorziening in Tilburg. De hoeveelheid schoon drinkwater is niet onbeperkt. Brabant Water is daarom op zoek naar alternatieve bronnen voor drinkwater. Als gemeente hebben we hier ook een taak. We vullen de grondwatervoorraad zoveel mogelijk aan door hemelwater te laten infiltreren. Daarnaast zijn we zuinig op het drinkwater. We gaan over tot een actieve inzet op waterbesparing en circulair watergebruik op zowel gebiedsniveau als op het niveau van gebouwen, zowel in de woonomgeving als op werklocaties.
We stimuleren bijvoorbeeld gebruik van regenwater of douchewater voor toiletdoorspoeling. Zo beperken we het laagwaardig gebruik van drinkwater en dragen we bij aan drinkwaterbesparing.
Verbeterde omgevingskwaliteit door de mobiliteitstransitie De mobiliteitstransitie is noodzakelijk voor de verdichtingsopgave. Het principe van 'nabijheid en korte lijnen’ brengt meer bestemmingen binnen fiets- en wandelbereik en investeringen in de mobiliteitstransitie scheppen nieuwe mogelijkheden voor binnenstedelijk bouwen. Ze vergroten zo de 46
aantrekkelijkheid en de leefbaarheid van het woonmilieu. Andersom zijn investeringen in mobiliteitsknooppunten, deelvervoer en openbaarvervoerslijnen eerder haalbaar naarmate het reizigersaanbod in de directe omgeving groter is. Investeringen in de verkeersinfrastructuur die we doen of bepleiten, vergroten de kwaliteit van de leefomgeving en het verdichtingspotentieel in woonwijken. Zo versterken de mobiliteitstransitie en de stedelijke ontwikkeling elkaar. Voor het goederenvervoer investeren we in een multimodale infrastructuur, om congestie op de weg te voorkomen en duurzaam transport (bijvoorbeeld over het Wilhelminakanaal) te bevorderen. We willen het vervoer van gevaarlijke stoffen over het bestaande spoor zoveel mogelijk beperken, om de leefbaarheid en de ontwikkelkansen in stedelijk gebied te vergroten. De koers die we voor het goederenvervoer van en naar bedrijventerreinen inslaan, is beschreven in de paragraaf ‘Koppelkansen voor transities op bedrijventerreinen’. De fiets wordt de belangrijkste drager van mobiliteit in de stad Bij binnenstedelijke verplaatsingen is de fiets de meest gebruikte vorm van vervoer. De groei van de stad, in combinatie met de verdere opmars van de elektrische fiets en van fietsachtigen (zoals bakfietsen, fatbikes, steps en andere light electric vehicles), zal in de periode tot 2050 leiden tot twee à drie keer zoveel fietsbewegingen.
We zetten daarom in op een forse versterking van de hoofdfietsinfrastructuur. Op bredere fietspaden, meer fietscomfort en meer ongelijkvloerse kruisingen. We onderscheiden twee categorieën fietsroutes. De primaire categorie is het Hoofdnet Fiets. Dit bestaat uit hoogwaardige, brede fietsroutes die continue kwaliteit bieden over langere afstanden (snelfietsroutes, doorfietsroutes, regionale routes) en die in de stad de capaciteit hebben om ook de grote fietsstromen veilig en comfortabel te kunnen afwikkelen. We brengen het Hoofdnet Fiets op orde door te voldoen aan de benodigde fietspadbreedtes, de stopkans te minimaliseren en gladde verharding toe te passen. We realiseren het Hoofdnet Fiets actief, zodat in 2050 alle wijken en dorpen hoogwaardig zijn verbonden met elkaar en met de regio, en de fiets de fijnste manier van verplaatsen is op korte en middellange afstanden. De tweede categorie is het onderliggende fietsnetwerk van de stadsroutes. Via een fijnmazig netwerk van stadsroutes verbinden we buurten met elkaar en met het Hoofdnet Fiets. De fiets kent dus zowel een kwantitatieve opgave (meer fietsers) als een kwalitatieve opgave (meer soorten fietsen met verschillende snelheden en verschijningsvormen). Dit biedt kansen voor een kwaliteitsverbetering van de openbare ruimte, maar ook serieuze uitdagingen ten aanzien van verkeersontwerp, stallen en verkeersveiligheid.
Lopen wordt een essentiële mobiliteitsvorm in de wijk Lopen is op korte afstanden een belangrijke en ruimte-efficiënte vorm van verplaatsen. Aantrekkelijke looproutes maken deel uit van de nieuwe benadering voor de openbare ruimte die we willen opstellen (hoofdstuk 3). Ze dragen niet alleen bij aan de mobiliteitstransitie, maar ook aan een groene en
47
gezonde leefomgeving die uitnodigt tot bewegen en ontmoeten. Met het sturen op nabijheid van voorzieningen en werk, groeit het aandeel van het lopen in de mobiliteit. Kwaliteitssprong in het openbaar vervoer De compacte, middelgrote stad die Tilburg in 2050 is, biedt nieuwe kansen voor het openbaar vervoer. Er ontstaat draagvlak voor vier of vijf hoogwaardige metrobuslijnen (Bus Rapid Transit, BRT). Samen vormen ze een snel en direct busnetwerk met metrokwaliteit, dat de belangrijkste bestemmingen in de stad en regio hoogfrequent en met korte reistijd zal verbinden. Het aantal reizigers kan daarmee vijf tot zes keer zo groot worden als nu. Dit vraagt op de hoofdroutes om (grotendeels) vrije busbanen met prioriteit voor de bus op kruispunten. We starten met een net van twee kruisende lange en directe HOV routes, één Noord-zuid en één Oost-west. Het netwerk kan uiteindelijke doorgroeien tot een lijn van het centrum(Station), via universiteit en west naar Reeshof, en één van Noord via centrum naar Zuid (ETZ en Stappegoor). Dit stedelijke HOV-netwerk wordt geïntegreerd in het regionale BRT-systeem dat snelle, frequente busverbindingen biedt naar Waalwijk - 's-Hertogenbosch, Dongen-Oosterhout, Goirle en (Brainport) Eindhoven.
Het BRT verbindt de stations Tilburg en Tilburg Universiteit met omliggende gemeenten en speelt een cruciale rol in het accommoderen van de vervoersvraag in de Stedelijke Regio Breda-Tilburg. De spoorlijn zelf kan beter worden benut door viersporigheid, een frequentere treindienst (zowel sprinters als intercity's op het traject Breda-Tilburg), een vernieuwd station Tilburg Universiteit, een nieuw station bij Udenhout en minder vervoer van gevaarlijke stoffen over dit spoortracé. Nieuwe binnenring voor het wegverkeer Om ruimte te bieden aan verstedelijking in de stad, herverdelen we het verkeer over wegen die daar het meest geschikt voor zijn. We transformeren de ringbanenstructuur tot een nieuwe binnenring, die vooral bedoeld is voor verkeer met een herkomst of bestemming in de stad. Ringbaan West blijft een belangrijke route voor autoverkeer, maar de nadruk verschuift naar de Baroniebaan en de Baron van Voorst tot Voorstweg als logische alternatieven binnen de bestaande wegenstructuur. Voor veel doorgaand verkeer – dat geen bestemming in de stad heeft – blijft de buitenring (de Burgemeester Letschertweg en de Burgemeester Bechtweg) de voorkeursroute. Door het verkeer te geleiden via wegen die hiervoor zijn ingericht, benutten we de beschikbare wegcapaciteit efficiënt. Tegelijkertijd ontstaat er ruimte voor hoogwaardig openbaar vervoer en andere vormen van duurzame mobiliteit.
Zo zorgen we ervoor dat alle bestemmingen in de stad goed bereikbaar blijven: te voet, met de fiets, met het openbaar vervoer en met de auto. AI en mobiliteit De mobiliteitstransitie gaat niet alleen over fysieke infrastructuur – wegen, fietspaden, busbanen of parkeerhubs – maar ook over digitale vernieuwing. Mobiliteit is soms een proeftuin voor technologie: van de eerste navigatiesystemen tot deelapps, van zero-emissievervoer tot
48
datagedreven logistiek. Auto’s beginnen steeds meer te lijken op computers, en digitalisering bepaalt voor een belangrijk deel de koers van transport en logistiek. AI vormt de volgende grote stap. In de Mobiliteitsaanpak Tilburg 2040 werd een verbreding van mobiliteitsmaatregelen geïntroduceerd door vier invalshoeken voor mobiliteit: • Hardware: de fysieke infrastructuur • Software: bewegende voertuigen en big data, sensoren en intelligente systemen (smart mobility) • Mindware: het gedrag van mensen en de manier waarop we reizen • Orgware: samenwerking en de wijze van organisatie, zoals spitsmijden of deelconcepten Met de komst van generatieve AI overstijgen we deze lagen. AI gaat niet alleen over slimmer gebruik van data, maar juist over het verbinden van de verschillende ‘wares’. AI maakt het mogelijk om mobiliteit fundamenteel anders te organiseren. Waar smart mobility vooral leidt tot systeemoptimalisatie, opent AI de weg naar systeemtransformatie. Denk aan zelfrijdende én zelfboekende voertuigen, compact qua maat en dus makkelijk inpasbaar, of parkeergarages die transformeren tot hubs voor autonome deelmobiliteit of zelfs werkplekken. AI kan fundamentele veranderingen inluiden in hoe onze stad en dorpen zijn georganiseerd. (Virtuele) connectiviteit wordt daarmee, naast bereikbaarheid en nabijheid, mogelijk een essentieel onderdeel van mobiliteit.
Hubs en parkeeroplossingen Met de hierboven beschreven maatregelen, wordt het gemotoriseerd verkeer minder dominant in de openbare ruimte. Zo creëren we een openbare ruimte die betere mogelijkheden biedt voor fietsen en wandelen en meer uitnodigt tot informele ontmoeting. Dat vraagt ook om nieuwe parkeeroplossingen voor auto’s. Hoeveel ruimte er is en welke mogelijkheden er liggen, is afhankelijk van de stedenbouwkundige structuur van de buurt: de bebouwingsdichtheid, de bouwvormen en de verkeersstructuur. Door in de belangrijke verdichtingsgebieden buiten de ringbanen parkeerregulering in te voeren en uit te breiden, voor bewoners en bezoekers in een lichte vorm, beperken we de parkeeroverlast in deze woonwijken. Bij nieuwbouw in grootschalige gebiedsontwikkelingen zetten we sterk in op dubbelgebruik en geclusterde parkeervoorzieningen. In de omgeving van knooppunten in het mobiliteitssysteem worden de parkeervoorzieningen geïntegreerd in mobiliteitshubs. Dat zijn plekken waar reizigers gemakkelijk kunnen overstappen van de ene vervoerssoort op de andere. Ze zijn aangehaakt op loop-, fiets-, OV- en autonetwerken in de stad en bieden verschillende mobiliteitsdiensten zoals deelmobiliteit en fietsparkeren.
De ontwikkeling van mobiliteitshubs in combinatie met stedelijke verdichting vergroot niet alleen de vervoerswaarde van openbaar vervoer, maar maakt ook nieuwbouw, vooral de parkeeroplossingen daarbij, betaalbaarder en ruimte-efficiënter.
49
Mobiliteitstransitie in de Oostflank Concepten als mobiliteitshubs, een fietszone en de ringbanenstructuur zijn vooral kansrijk in een stedelijke omgeving. Ook in de Oostflank (Berkel-Enschot, Udenhout, Biezenmortel) zien we kansen om vorm en inhoud te geven aan de mobiliteitstransitie. We willen de OV-bereikbaarheid van de dorpen verbeteren. Zo blijven we inzetten op een nieuw NS-station in Udenhout. Daarnaast biedt het station kansen voor een verantwoorde groei van het inwoneraantal. We waarborgen de autobereikbaarheid. Een hoogwaardig en betaalbaar aanbod van duurzame deelmobiliteit is daarnaast belangrijk om de dorpen bereikbaar en vitaal te houden, vooral voor wie geen eigen auto heeft. Om het fietsnetwerk van de Oostflank te verbeteren, willen we de barrièrewerking van de Parkway N65 (Tilburg-Den Bosch) slechten. Dit is ook van belang voor voetgangers en voor dieren. Samen met provincie en Rijk willen we werken aan nieuwe fietsverbindingen (tunnels of bruggen) en ecologische passages. Schone lucht als basis voor gezondheid Tilburg was een van de eerste ondertekenaars van het Schone Lucht Akkoord (SLA). Daarmee hebben we ons gecommitteerd aan het streven om in 2030 te voldoen aan de dan geldende advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), met als doel minimaal 50% gezondheidswinst te realiseren ten opzichte van 2016.
Schone lucht is essentieel voor een gezonde leefomgeving en draagt bij aan het verkleinen van gezondheidsverschillen tussen wijken. We nemen maatregelen in de mobiliteit, industrie, landbouw en de gebouwde omgeving om de uitstoot van schadelijke stoffen bij de bron te verminderen.
Wisselwerking tussen transities en de versterking van wijken en dorpen Alle drie de transities werken door in de ontwikkeling van onze wijken en dorpen. Veel meer dan voorheen spelen het groenblauwe netwerk en het energiesysteem een rol bij de locatiekeuze en de inrichting van stedelijke ontwikkelingen. We gebruiken beide transities als een impuls voor de kwaliteit van de leefomgeving in wijken en dorpen, in samenhang met de keuze voor compacte verstedelijking. Hetzelfde geldt voor de ontwikkeling van het mobiliteitsnetwerk. Daarin kennen we al een lange traditie van afstemming met wonen en werken, maar die traditie gaat een nieuwe fase in. Die staat in het teken van nieuwe mobiliteitstechnologieën, een sterkere vervlechting met mobiliteitssystemen en meer aandacht voor de verblijfskwaliteit van de openbare buitenruimte. We betrekken de drie transities van meet af aan bij de planvorming voor nieuwe ontwikkelingen in wijken en dorpen. Deze moeten de transities in de systemen ondersteunen en versterken. Andersom kunnen de transities bijdragen aan de kwaliteit van de nieuwe ontwikkelingen.
50
Kansen door verdichting Onze inzet op compacte stedelijke ontwikkeling schept goede voorwaarden voor de wederzijdse versterking van de drie netwerken en de leefomgeving in wijken en dorpen. Verdichting vergroot de kansen voor de introductie van nieuwe voorzieningen, zoals warmtenetten of gezamenlijke energieoplossingen, gescheiden riolen, deelvervoer en parkeergelegenheid voor fiets en auto. Er ontstaan schaalvoordelen omdat meer mensen er gebruik van kunnen maken of omdat, bij nieuwe ontwikkelingen, de kosten over meer investeerders of gebruikers verdeeld kunnen worden. Ook bij de keuze van verdichtingslocaties in de stad zijn water en bodem sturend. Er blijft voldoende ruimte voor het groenblauwe systeem, bijvoorbeeld in de beekdalen, maar ook elders. Groene routes en groene zones, verbonden met het landschap buiten de stad, dragen aanzienlijk bij aan de kwaliteit van de leefomgeving van zowel mens als dier. Compacte stedelijke ontwikkeling biedt de beste kansen voor duurzame vormen van vervoer. Door wonen, werken en voorzieningen in elkaars nabijheid te realiseren, ligt wandelen en fietsen meer voor de hand dan autogebruik. Dit draagt direct bij aan de bereikbaarheidszekerheid en gezondheid. Mensen bewegen meer, ademen schonere lucht in en ervaren minder verkeersdruk.
Door de omgeving van mobiliteitshubs in te richten als woonwerkmilieus, waaronder een hoogstedelijk milieu in de Kennisas, stimuleren we het openbaar vervoer en de ontwikkeling van een aantrekkelijke omgeving voor kennisintensieve bedrijven. We hanteren in de wisselwerking tussen stedelijke ontwikkelingen en mobiliteit het STOMP-principe: Stappen (voetgangers), Trappen (fietsers), Openbaar vervoer, Mobility-as-a-service en in laatste instantie de Particuliere auto. Daarmee stellen we de mens centraal en geven we voorrang aan duurzame mobiliteit. Bij elke ontwikkeling onderzoeken we vanaf de start hoe deze modaliteiten aantrekkelijk en haalbaar kunnen worden gemaakt. Ook onderzoeken we op stedelijk niveau wat we moeten doen om vervoersarmoede tegen te gaan. Zo stimuleren en benutten we investeringen in de mobiliteitstransitie en maken we toekomstbestendige keuzes voor zowel de stedelijke ontwikkelingen zelf als de bereikbaarheid ervan. Het energiesysteem is minder sturend in de locatiekeuze voor verdichtingsprojecten, in elk geval op lange termijn als de warmtenetten zijn gerealiseerd en het stroomnet is versterkt. Maar het is wel zaak om de energievoorziening bij gebiedsontwikkelingen van begin af aan integraal onderdeel te maken van de planvorming, zoals nu al gebeurt bij het Kenniskwartier.
Vergroening van de buitenruimte In het vorige hoofdstuk (‘Voortbouwen’) bleek hoe belangrijk de inrichting van de openbare ruimte is, juist bij een keuze voor compacte verstedelijking. Daar werd de ambitie aan verbonden om een nieuwe benadering voor de openbare ruimte te maken. Onze inzet als gemeente is dat we daarin de transities goed op elkaar af stemmen en slim worden benut. Het helpt dat veel transities dezelfde kant op wijzen: die van meer groen, meer water en een betere omgevingskwaliteit. Dat is in lijn met een sterkere ontmoetingsfunctie van de openbare ruimte. Meer groen en water nodigt uit tot wandelen 51
en fietsen, tot sport en spel en ontmoeting. Kortom, tot allerlei activiteiten die belangrijk zijn voor een gezond leven. Meer groen en water levert ook kansen op voor biodiversiteit. We werken voor het hele gemeentelijke grondgebied een Basiskwaliteit Natuur uit die de minimale ecologische randvoorwaarden aangeeft om algemene plant- en diersoorten te behouden. Om de basisvoorzieningen voor de stadsnatuur op orde te brengen, passen we de inrichtingsbouwstenen toe uit de Nota Biodiversiteit (2024). De Stadsnatuurkaart 2040 (uit 2022) benoemt de zones in de stad die belangrijk zijn in het ecologische netwerk. Ook bomen hebben de juiste bescherming nodig. Daar zorgen we voor met de Bomenverordening en de beleidsregels bomen (beide uit 2024). Met de ontwikkeling van de nieuwe benadering van de openbare ruimte kunnen we een verdere stap naar natuurinclusiviteit zetten: het besef dat de natuur zich niet beperkt tot aangewezen zones en verbindingen, maar overal in de stad belangrijk is, en bij iedere wezenlijke ingreep in de stad versterkt kan worden. Zowel voor de ecologische als de recreatieve betekenis van de openbare ruimte in de stad, is een directe verbinding met de aangrenzende landschappen van belang. Voor dieren ontstaat zo een groter aaneengesloten leefgebied. Dat bevordert de uitwisseling, belangrijk voor een vitale natuur.
Voor bewoners van de stad is een groene wandel- of fietsroute naar het buitengebied dankzij zulke verbindingen nooit ver weg. Bij bouw- en inrichtingsprojecten hanteren we de beleidsregels uit de Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie (‘Wij werken samen aan een koel Tilburg', 2020). Deze beleidsregels zijn handvatten en richtlijnen die staan voor voldoende groen in straten, pleinen en op gebouwen, en een netwerk van groene verblijfsgebieden (oftewel koelte-eilanden) binnen 300 meter loopafstand van elkaar, verbonden door beschaduwde looproutes. Daarnaast vragen de beleidsregels om zo min mogelijk verharding (zodat hemelwater in de bodem kan infiltreren) en voldoende bergingsruimte voor water om overlast door extreme buien te voorkomen. De beleidsregels zijn doorvertaald naar de Klimaatscores nieuwbouwontwikkelingen (april 2023). Bij herinrichting van de openbare ruimte leiden we parkeerdruk zoveel mogelijk af van de straat, zodat daar meer ruimte ontstaat voor groen en water en voor fietsen en wandelen. De mobiliteitstransitie draagt daarmee bij aan het vergroten van de leefkwaliteit. Ook de transitie naar het energiesysteem van de toekomst vindt grotendeels plaats in de openbare ruimte. In de woonstraten zal de energietransitie zichtbaar zijn in de technische voorzieningen, zoals meer laadpalen en trafohuisjes en de komst van opslagvoorzieningen zoals buurtaccu’s.
De daken in Tilburg tezamen vormen een enorme en grotendeels nog ongebruikte oppervlakte. We kunnen het ons niet meer permitteren om die ongebruikt te laten. Opties zijn bijvoorbeeld gebruik voor zonnepanelen, groene daken en een functie als uitbreiding van de openbare of semi-openbare ruimte. De ontsnipperingskaart, voorvloeiend uit de nota biodiversiteit met maatregelen om jaarlijks stedelijke barrières weg te nemen, draagt hieraan bij.
52
Woonstraten vormen zo niet alleen meer de fijnste vertakkingen van het stedelijke verkeerssysteem, maar ook van het watersysteem en het natuurlijk systeem in de stad. Ze worden toonbeelden van meervoudig ruimtegebruik, met functies voor bijvoorbeeld de biodiversiteit, tijdelijke waterberging en speelgelegenheid tegelijkertijd. Met de nieuwe benadering voor de openbare ruimte kunnen we de ruimtevraag vanuit de energievoorziening, het groenblauwe netwerk en de mobiliteit slim, integraal en samenhangend programmeren en kunnen we – ook in de situatie waarin er steeds meer opgaven samenkomen – regie houden op de inrichting van onze gebieden.
Toekomstbestendig bouwen en renoveren Nieuwbouw moet toekomstbestendig worden uitgevoerd. Dat betekent klimaatadaptief, natuurinclusief, energieneutraal (tot 2030 ‘bijna energieneutraal’), in toenemende mate circulair—en ook flexibel in gebruik. Hoe toekomstbestendig precies wordt ingevuld, kan per project verschillen. Locaties verschillen in hun gevoeligheid voor droogte en wateroverlast, hun mogelijkheden voor de stadsecologie en hun kansen voor energiesystemen (zoals een aansluiting op het warmtenet). We werken dit uit in een ‘samenhangende werkwijze toekomstbestendig bouwen’. De ambitie is dat Tilburg in 2045 volledig circulair is. In het streven naar een gezonde en weerbare leefomgeving zetten we actief in op circulair bouwen. Dit betekent ten eerste dat we bij nieuwbouw, renovatie en transformatie zoveel mogelijk kiezen voor duurzame materiaalstromen. Ten tweede verlengen we de levensduur van gebouwen door adaptief en demontabel te bouwen. Dit draagt bij aan het verminderen van afval, het besparen van grondstoffen en het terugdringen van CO₂-uitstoot. In 2050 moeten alle nieuwe en bestaande woningen voldoen aan de landelijke isolatiestandaard en daarmee geschikt zijn voor aardgasvrij en duurzaam verwarmen.
We kijken verder naar de inzet van warmtesystemen die ook kunnen koelen en hittewerende maatregelen of materialen bij isolatie, om de gevolgen van hitte in de stad te beperken. Bij renovatieprojecten stimuleren we circulaire en duurzame keuzes, passend bij de mogelijkheden van het gebouw en de locatie. Zo dragen ook bestaande gebouwen bij aan de klimaatdoelen en de circulaire transitie. Bij nieuwbouw- en renovatieprojecten helpen we ontwikkelaars en architecten met het natuurinclusief bouwen. Dit doen we via het puntensysteem natuurinclusief bouwen, waarmee we natuur en groen in de directe woonomgeving bevorderen en garanderen dat er natuur- en groeninclusief gebouwd wordt. Het Soortenmanagementplan (SMP) is een instrument om bij sloop, renovatie en verduurzaming van gebouwen invulling te geven aan wettelijke verplichtingen voor diersoorten die in gebouwen leven. Hierin zoeken we ook naar manieren om ontwerp te stimuleren dat hoge kwaliteit verbindt met ruimte voor vernieuwing—dat open is voor verschillende vormen van invulling. Dan gaat het om gebouwtypen die de condities scheppen voor flexibel gebruik op de lange termijn, bijvoorbeeld door overmaat, goede binnenhoogtes en ontsluitingen.
53
Benutten van de ondergrond Voor zowel energie, water als mobiliteit (vooral parkeren en stallingen) is ook extra ondergrondse ruimte nodig, naast de al sinds lang aanwezige stelsels voor riolering en energie. Met name het warmtenet vraagt veel ondergrondse ruimte. Bronnen voor geothermie liggen diep onder de grond en lokale warmte-opslag vraagt om ondergrondse ruimte. De tracés voor nieuwe leidingen waar de warmte door wordt getransporteerd, vragen flinke ruimte. Het watersysteem heeft naast bovengrondse ruimte ook ondergrondse ruimte nodig voor bergingsvoorzieningen en leidingen voor bijvoorbeeld de blauwe aders. Bij elkaar vormt dat een aanmerkelijke ruimtebehoefte. Tegelijk heeft de bodem een intrinsieke waarde voor het bodemleven, als archeologische schatkamer en om water te laten infiltreren. Er kunnen bovendien restricties verbonden zijn aan het ruimtegebruik boven ondergrondse leidingen. Als leidingen bijvoorbeeld het wortelstelsel van bomen belemmeren, kunnen die niet tot volle wasdom komen. De leidingen moeten bovendien bereikbaar blijven voor onderhoud en herstel.
De Oude Stad vraagt om scherpe keuzes Met name over de Oude Stad, het gebied van de herdgangen en de linten compacte bebouwing van relatief lage dichtheid, zijn scherpe keuzes te maken. Het ruimtegebruik boven én onder de grond is intensief. Er is ruimte nodig voor groen en water. De verduurzaming van de energievoorziening vraagt ruimte, bijvoorbeeld voor ondergrondse leidingen van het warmtenet. De drukte in de ondergrond is daar een beperkende factor in; mogelijk moet in de Oude Stad een combinatie worden gemaakt met individuele energie-oplossingen. Eerder hebben we ambitie geformuleerd om in de Oud-Noord en Oud-Zuid beide 2.500 woningen toe te voegen. In het licht van de nieuwe inzichten rond de opgaven die in deze gebieden een plek moeten vinden, zijn die aantallen echter niet haalbaar. De Oude Stad is in vergelijking met andere Tilburgse wijken relatief ‘versteend’; het is tijdens hittegolven het heetste deel van de stad. De omgevingskwaliteit staat op verschillende plekken onder druk. Om het gebied leefbaar te houden en omgevingskwaliteit toe te voegen is het eerder noodzakelijk om te ontharden — om stenen weg te halen ten faveure van groen, energie en sociaal waardevolle openbare ruimte.
De oude stadswijken vragen in de eerste plaats om een kwalitatieve verbetering van de woonomgeving, onder meer met tuinen en parken voor verkoeling en verblijfsruimte, via het programma 013 Parken. Er blijft ruimte voor bouwen, maar dan met hoge kwaliteit gericht op verbetering van de Oude Stad. Daarbij gaat het om goede architectuur en bijzondere woonvormen met toegevoegde waarde voor de stad en de wijk. Soms kleinschalig, soms in de vorm van transformatie of herstructurering. Hoe de woningbouwopgave er kwantitatief uitziet moet blijken uit de kwalitatieve analyse die onderdeel is van de gebiedsvisies die we in voorbereiding hebben voor Oud-Noord en Oud-Zuid. Zelfs met gematigde woningbouwambities verwachten we dat de bereikbaarheid in de Oude Stad onder druk komt te staan. Daarom kiezen we ervoor te bevorderen dat de hoeveelheid auto’s niet verder toeneemt en nemen we waar nodig maatregelen om sluipverkeer over de oude linten tegen te gaan. Voor automobilisten die in de binnenstad moeten zijn, blijven de parkeergarages bereikbaar, maar doorgaand autoverkeer dringen we terug. Met het verleggen van de noordelijke oostwestverbinding van de Spoorlaan naar de Burgemeester Brokxlaan ronden we de Parkring als 54
structuur af. We leiden doorgaand autoverkeer af van de Parkring direct om de binnenstad heen, zodat daar meer ruimte beschikbaar komt voor voetgangers, fietsers en bewoners en bezoekers van de binnenstad. Hierdoor versterken we de mogelijkheden om gebieden als de Piushaven en het Museumkwartier bij de binnenstad te betrekken. Een eerste resultaat is het Stadsforum, waar nu een ontmoetingsplek met groen en water aan het ontstaan is op een locatie waar tot voor kort 20.000 motorvoertuigen per etmaal passeerden.
Transities van en voor iedereen Ook de transities maken deel uit van ons uitgangspunt van inclusieve verstedelijking. Onder meer door te koersen op een mooie, gezonde en groene leefomgeving willen we bevorderen dat de veranderingen ook aanvoelen als transities van iedereen. Daar zit ook een financiële dimensie aan. Van sommige maatregelen kan een opdrijvend effect op de prijzen van woningen en bedrijfsruimtes uitgaan, terwijl we ook betaalbaar willen bouwen. Parkeerkelders bijvoorbeeld zijn effectief om de parkeerdruk af te leiden van de openbare ruimte, maar wel kostbaar en moeilijk te combineren met betaalbare woningbouw. We willen de groep inwoners met weinig financiële draagkracht gelijkwaardig mee laten profiteren van de verduurzaming, denk aan subsidieregelingen, spreiding van gebruikerslasten en aan nauwe samenwerking met woningcorporaties.
Koppelingen met transities op bedrijventerreinen We zetten de transities in de netwerken voor verkeer, energie en water in relatie tot groen en natuur zo in dat ze niet alleen het sociaal en ecologisch kapitaal, maar ook ons economisch kapitaal versterken. Hoogwaardige werkomgevingen die verduurzaming, vergroening, klimaatadaptatie en de energietransitie ondersteunen, dragen positief bij aan het algehele vestigingsklimaat. We moedigen grotere en kleinere bedrijven aan om te investeren in hernieuwbare energie en energie-efficiëntie, waardoor ze kosten besparen en nieuwe markten kunnen betreden. Innovatief drinkwaterbeheer zorgt voor een betrouwbare watervoorziening, essentieel voor bedrijfscontinuïteit. Een circulaire economie, met hergebruik van materialen en minder afval, leidt veelal ook tot kostenbesparingen en nieuwe zakelijke kansen. Samenwerking met kennisinstellingen en andere bedrijven stimuleert innovatie en versterkt de concurrentiepositie. Lokaal kunnen bedrijven investeren in duurzame technologieën en waterbeheer. Dat neemt niet weg dat ook regionale en landelijke ondersteuning nodig blijft. Dat is in het bijzonder het geval bij vraagstukken zoals netcongestie, stikstofruimte en schoon drinkwater – met name bedrijventerreinen kampen met een tekort aan beschikbare energie en schoon drinkwater.
We brengen met het bedrijfsleven deze problematiek in beeld en denken na over oplossingen en aanpak. Net als voor de wijken en dorpen voeren we ook voor bedrijventerreinen een strategie van verdichting (zie ook hoofdstuk 5, ‘Revitaliseren bedrijventerreinen’). We koppelen die verdichting aan verduurzaming, vergroening en vernieuwing. De energietransitie en de circulaire economie kunnen de
55
intensivering aanjagen. Die aanpak is onderdeel van ons programma Revitalisering Bedrijventerreinen (2024).
Herschikking door de omslag naar circulaire economie De omslag naar een circulaire economie zal leiden tot een herschikking op bedrijventerreinen en van logistieke ketens. Bedrijfsprocessen die nu nog afhankelijk zijn van fossiele grondstoffen zullen langzaamaan plaatsmaken voor processen die gebruik maken van hernieuwbare materialen, biobased grondstoffen en secundaire grondstoffen afkomstig uit bestaande productketens. Een deel van de bedrijven zal die omslag zelf maken, op de eigen kavel en in de huidige accommodatie. Voor een ander deel krijgt de transitie vorm via de economische dynamiek op bedrijventerreinen: door bedrijfsverplaatsingen en -beëindigingen en de vestiging van nieuwe bedrijven. De omslag naar een circulaire economie levert eigen stromen van goederenvervoer op. Mogelijk is het daarvoor interessant om een structuur van ‘grondstofhubs’ op goed bereikbare plekken aan de rand van de stad op te zetten. Dit zijn centrale plekken voor opslag, sorteren en recyclen van materialen. We beperken daarmee de verkeersstromen en besparen ruimte. Voorlopig zullen de fossiele en de circulaire economie naast elkaar bestaan. Het is de vraag of de dynamiek op bedrijventerreinen voldoende ruimte in het gewenste tempo zal opleveren. Dat roept de behoefte op aan schuifruimte.
Die willen we vinden via de intensivering van bedrijventerreinen met de programma-aanpak Revitalisering Bedrijventerreinen. Ook onze ambitie om een deel van de bedrijven met een lage milieubelasting te verplaatsen naar gepaste locaties in de stad, zoals naar de linten, op binnenwijkse bedrijventerreinen, buurt- en wijkcentra en plinten in woonwijken en gebiedsontwikkelingen, draagt bij aan die schuifruimte. Tegelijkertijd staat Wijkevoort op de planning. Dit terrein hebben we hard nodig, omdat er meer bedrijfsruimte nodig is dan we kunnen creëren met de intensivering van bestaande bedrijventerreinen. Vanuit de programma-aanpak is bovendien de circulaire potentie van bedrijventerreinen in beeld gebracht. Met name Wijkevoort en de bedrijventerreinen aan de noordzijde van Tilburg (Loven, Kraaiven, Albion en een deel van Vossenberg) bieden hiertoe kansen. Ze zijn ontsloten via het water en geschikt voor zwaardere bedrijvigheid. Verkenning Albion en omgeving De omgeving waar bedrijventerreinen Albion, Vossenberg en Kraaiven elkaar raken wordt gekenmerkt door stedelijke activiteiten die zich niet goed verhouden tot woningbouw. Ook vormt deze locatie een verbinding tussen diverse landschappen en groenstructuren op gemeentelijk en regionaal niveau zoals het Huis ter Heide en het Stadsbos013. Het gebied is goed ontsloten en kent een goede bereikbaarheid, zowel lokaal als regionaal.
Daarnaast ligt hier een deel van het Natuurnetwerk Brabant, waarmee toekomstige ontwikkelingen zich moeten verhouden en waarvoor zorgvuldige afstemming en inpassing noodzakelijk zijn. Juist deze combinatie 56
van stedelijke dynamiek, landschappelijke waarde, een goede bereikbaarheid en beperkte geschiktheid voor woningbouw maakt het gebied kansrijk voor gebruik zoals circulaire bedrijvigheid, perifere detailhandel en evenementen. Deze uitzonderlijke potentie vraagt om een samenhangende verkenning naar de mogelijke revitalisering van de bedrijventerreinen, het creëren van schuifruimte aan de rand van Vossenberg II. Ook zien wij deze plek nadrukkelijk als een kansrijke zoeklocatie voor een nieuw multifunctioneel evenemententerrein in combinatie met landschappelijke ontwikkeling. Dit vraagt om een integrale ruimtelijke benadering waarbij de diverse kansen en opgaven in samenhang worden onderzocht en vormgegeven.
Vestigingscondities vanuit energie en water De energievoorziening wordt steeds bepalender voor de vestiging van bedrijven, vooral voor ondernemingen met een hoge energiebehoefte. Om een efficiënt gebruik van de energieinfrastructuur mogelijk te maken, horen die thuis op locaties nabij de hoofdverbindingen van het energienet en de knooppunten daarin. Waterstof kan een interessante optie zijn voor industriële processen boven 200 graden Celsius, bijvoorbeeld in de glasindustrie, waar elektrificatie lastig is. Met de aanleg van de waterstofleiding als onderdeel van de Delta Rhine Corridor, die door het noorden van onze gemeente zal lopen, ambiëren we een aansluiting op het landelijke waterstofnetwerk. We zetten in op een aftakking van deze leiding om een regionaal waterstofnet te realiseren op en rond de bedrijventerreinen Kraaiven, Vossenberg en De Wildert (Dongen). Hier concentreert zich de potentiële vraag naar waterstof voor verduurzaming van industrie en zware logistiek. Nieuwe energie-intensieve bedrijfsvestigingen passen om deze redenen het beste op de noordelijke bedrijventerreinen. Water vormt naast energie een cruciale vestigingsvoorwaarde voor bedrijven. Een betrouwbare en duurzame watervoorziening is essentieel voor hun continuïteit. Innovatief drinkwaterbeheer draagt bij aan bedrijfszekerheid en biedt kansen voor kostenbesparing en circulaire bedrijfsvoering.
Daarom streven we er samen met de bedrijven naar dat er op bedrijventerreinen voldoende water beschikbaar blijft. Daarbij streven wij naar een duurzaam en toekomstbestendig watergebruik, wat onder meer betekent dat drinkwater niet langer wordt gebruikt voor processen die deze kwaliteit niet nodig hebben.
Bereikbaarheid voor goederenvervoer over water, spoor en weg Ook het goederenvervoer blijft zich ontwikkelen en kan aanleiding geven tot nieuwe economische kansen. In de SRBT versterken we het goederenvervoer door ontwikkelingen te concentreren rond multimodale plekken, door het versterken van havens en het geschikt maken van vaarwegen voor hogere vaarklassen. In Tilburg heeft Loven-Noord een bijzondere positie als enige ‘trimodale knoop’, met niet alleen een haventerminal, maar ook een spoorterminal en een goede ontsluiting over de weg. Alle grotere bedrijventerreinen liggen bovendien aan de buitenring (Burgemeester Letschertweg en Burgemeester Bechtweg) of aan de A58. 57
Een groot deel van het goederenvervoer van en naar de Tilburgse bedrijventerreinen gaat nu nog over de weg. Vanuit een duurzaamheidsperspectief en om congestie te voorkomen is het gewenst dat een groter deel van dit vervoer via andere modaliteiten plaatsvindt. Het Wilhelminakanaal speelt hierin een cruciale rol. Het Wilhelminakanaal is tot aan Kraaiven bevaarbaar voor grote schepen (in de klasse IV). Samen met het Rijk en de provincie investeren we in de bevaarbaarheid van het traject tussen Kraaiven en Loven, evenals de aanpassing van Sluis II. Hiermee wordt ook de haven van Loven bereikbaar voor grotere schepen en wordt de positie uitgebouwd van een trimodaal Loven, waar goederenvervoer via water, spoor en weg samenkomt. Dit versterkt niet alleen de positie van Tilburg, maar sluit ook aan bij de samenwerking met andere havens binnen Brabant. Onze ambitie blijft om het kanaal volledig op te waarderen. In samenhang met het traject Kraaiven-Loven zetten we onze grondbeleidsinstrumentarium om ruimte te bieden en te behouden voor watergebonden bedrijvigheid. Verbreding van het kanaal wordt vooralsnog alleen voorzien op twee plekken waar wachtplaatsen voor grote schepen moeten worden aangelegd – door een slim vaarwegbeheer ontstaat bij de huidige kanaalbreedte voldoende scheepvaartcapaciteit.
Wel is vervanging van drie beweegbare (fiets)bruggen nodig, waarbij de doorvaartbreedte wordt vergroot. Alleen bij de brug aan de Dr. Deelenlaan is deze al voldoende. We willen maatregelen treffen om de bestaande barrièrewerking te verminderen en nieuwe barrièrewerking voorkomen, zodat de Kanaalzone een betere verbinding gaat vormen tussen Noord, de Oude Stad en West. Daarnaast streven we naar een zoveel mogelijk beperkte en scherp begrensde benutting van het spoor voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. De huidige situatie voldoet niet aan de veiligheidskundige normen uit het Basisnet. Zodra deze treinen zoveel als mogelijk van het spoor af zijn, ontstaan nieuwe ontwikkelingskansen voor woon- en werkmilieus in de stad. Alternatieven voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn te vinden in de binnenvaart, buisleidingen of spoorlijnen door minder dichtbevolkte gebieden (zoals de Betuweroute).
Groenblauwe transitie in het buitengebied Een van onze strategische keuzes is om het landschap te versterken en beter te verbinden met de groene routes en groene zones in de stad. Met die landschappelijke versterking geven we vorm en inhoud aan de groenblauwe transitie in de volle breedte: herstel van natuur en biodiversiteit, het verduurzamen van de landbouw, het verbeteren van de waterkwaliteit en -beschikbaarheid, en het opslaan van overtollig hemelwater uit de stad. Tegelijk willen we de betekenis van het buitengebied als uitloopgebied voor de stad zo vergroten. Net als in de stad werken we gebiedsgericht en langs onze ordeningsprincipes, met name die van een goede omgevingskwaliteit en verweving van functies. We sturen op grondgebruik en ontwikkelingsmogelijkheden. 58
Het grondgebruik moet in overeenstemming worden gebracht met de draagkracht van bodem, water en ecosystemen. Niet alle soorten landbouw zijn overal mogelijk. We werken toe naar natuurinclusieve vormen van landbouw, waarbij het met name in de overgangsgebieden rondom de natuurgebieden en de beekdalen van belang is dat de landbouw ook extensiveert. Ook maatschappelijke initiatieven kunnen in agrarisch gebied een plek vinden, zoals zorgboerderijen of revalidatielocaties in een groene setting. Gemeentelijke landbouwgronden kunnen een belangrijke rol spelen in de transitie van de landbouw. Hiervoor is een actieve grondverwervingsstrategie nodig. Het herstel van biodiversiteit in agrarisch gebied vraagt (net als in stedelijk gebied) om het vaststellen van minimale ecologische randvoorwaarden om algemene plant- en diersoorten te behouden. Deze Basiskwaliteit Natuur wordt uitgewerkt voor het gemeentelijk grondgebied. In de Oostflank komt een pilot, samen met het ministerie van LVVN, de provincie en natuurorganisaties. We willen de ontwikkelingsmogelijkheden vergroten. Er moet ruimte komen voor nieuwe initiatieven die bijdragen aan de vitaliteit van het landelijk gebied. Denk hierbij aan de verbreding van de landbouw en het wegnemen van de recreatiedruk binnen de kwetsbare natuurgebieden.
Doorontwikkeling van de stadsregionale parken Stadsbos013, Landschap Pauwels en Moerenburg-Koningshoeven zijn de drie stadsregionale parken rondom de stad. We gaan door met de ontwikkeling daarvan tot aantrekkelijke, toegankelijke en goed bereikbare buitengebieden, met een functie voor de stad en voor de regio. Ze dienen als buffer om de recreatieve druk op de natuurgebieden van het Van Gogh Nationaal Park te verminderen. Samen met de gemeente Gilze-Rijen pakken we de studie naar een voor Tilburg vierde stadsregionaal park in het buitengebied aan de westzijde van de Reeshof op. Stadsregionale parken De stadsregionale parken kennen een mix van gebruiksfuncties (natuur, water, landbouw, recreatie en maatschappelijke functies) en vertegenwoordigen belangrijke cultuurhistorische waarden. Ze zijn direct verbonden met groene zones in de stad, en ook een deel van de blauwe aders komt uit in de stadsregionale parken. Onze inzet op de stadsregionale parken gaat hand in hand met compact verstedelijken. Juist verdichting in combinatie met natuurontwikkeling maakt dat we maximaal kunnen investeren in de kwaliteit en leefbaarheid van ons bebouwd gebied. De stadsregionale parken vormen de verbinding van de stad met de omliggende Natura 2000gebieden, Loonse en Drunense Duinen, Kampina en Regte Heide/Riels Laag.
Met de ontwikkeling van de stadsregionale parken leveren we ook een bijdrage aan de wettelijke natuur, klimaat en stikstofdoelen voor natuurherstel in de Natura 2000-gebieden. We zetten onder andere in op het versterken van recreatiemogelijkheden om de Natura 2000-gebieden te ontzien en bieden een duurzaam perspectief voor de landbouw.
59
Het water- en klimaatlandschap Pauwels krijgt een belangrijke functie als centraal waterhart. In samenwerking met waterschap De Dommel worden de vloeivelden en bijbehorende relicten in het Noorderbos meer beleefbaar gemaakt. De Waterharmonica laat zien hoe historisch erfgoed kan worden geïntegreerd in moderne oplossingen voor waterbeheer, en hoe dit bijdraagt aan een duurzame en leefbare stad. Ook verkennen we de mogelijkheid om een belevingscentrum te realiseren als onderdeel van het water- en klimaatlandschap, en zo de functie als ontvangstgebied voor Pauwels te versterken. We ontwikkelen Zwaluwenbunders. Zwaluwenbunders is een uniek gebied in Landschap Pauwels. Het is nu in gebruik voor landbouw, maar heeft een rijke geschiedenis van heide, bos, plas en dras. Het gebied wordt heringericht door 40 ha nieuwe natuur toe te voegen, 20 ha bos en 40 ha natuurinclusieve landbouw. Ook komen er recreatiemogelijkheden, zoals een fietspad om het gebied beter te ontsluiten en toegankelijk te maken. In Stadsbos013 investeren we in de natuurontwikkeling van de Drasse Driehoek en gaan we door met de ontwikkeling van de landgoederenzone. Ook onderscheidt Buitengebied Zuid-West zich hier. Voor dit gebied is verdere inzet op de versterking van de sociaal-economische vitaliteit van belang.
Dat houdt een versterking van de kwaliteiten in van het kleinschalige agrarische en opencultuurlandschap, waarbij wonen, ondernemen, landschap en natuur en recreatie in goede balans zijn.
Landschappelijke investering bij ruimtelijke ontwikkeling Ook de (zeer beperkte) ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied hebben invloed op het landschap. Daarom vraagt de gemeente bij deze ontwikkelingen een landschappelijke tegenprestatie in de vorm van kwaliteitsverbetering van het landschap. Voorbeelden van zulke ontwikkelingen zijn woningbouw, bedrijfsuitbreidingen of functieveranderingen. Deze inzet versterkt de samenhang tussen ruimtelijke ontwikkeling en de kwaliteit van het landschap. Als nieuwe ontwikkelingen het karakter van het buitengebied beïnvloeden, is het logisch én wenselijk dat ze ook bijdragen aan de instandhouding en verbetering ervan. Denk hierbij aan maatregelen zoals landschappelijke inpassing, herstel van houtwallen, aanleg van groenstructuren of verbetering van biodiversiteit. Zo wordt ruimtelijke ontwikkeling benut als kans om het landschap robuuster, aantrekkelijker en klimaatbestendiger te maken. Ecologische verbindingszones Het Natuurnetwerk Brabant is een netwerk van deels bestaande en deels nieuwe natuurgebieden die door ecologische verbindingszones (EVZ’s) met elkaar verbonden zijn. Ze functioneren als trekroutes en als (tijdelijk) leef- en voortplantingsgebied voor dieren en planten. Het Natuurnetwerk Brabant maakt onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland.
Het doel is om in 2027 alle ontbrekende verbindingen in het netwerk te hebben gedicht met nieuwe natuur. Dan moet er een robuust netwerk liggen dat zoveel mogelijk op een natuurlijke wijze functioneert en klimaatbestendig is. In Stadsbos 013 zijn de afgelopen jaren diverse EVZ’s gerealiseerd. De EVZ’s verbinden verschillende natuurgebieden met elkaar, van Stadsbos 013 naar de Lange Rekken en van Stadsbos 013 naar de Regte Heide en de vliegbasis.
60
Ook ligt er nog een opgave. In landschapspark Pauwels, vanuit Zwaluwenbunders naar natuurgebied de Brand, langs het Wilhelminakanaal bij de Reeshof, bij de Nieuwe Leij tussen het Wilhelminakanaal en de A58, en in een deel van Stadsbos 013 moeten nog verschillende EVZ’s worden aangelegd. De Grootte Leij, een opgave van de gemeente Gilze en Rijen, is verlegd langs de Noordwest-tangent en daarmee is Tilburg ook partij geworden.
Samenwerken aan de groenblauwe transitie in de Oostflank De ontwikkelingen in het oosten van onze gemeente zijn nauw verbonden met die in het aangrenzende gebied van de gemeente Oisterwijk. De gezamenlijke ambities hebben we vastgelegd in het Koersdocument Oostflank (2024), dat is vastgesteld door de beide gemeenteraden. De Oostflank kan zich tot 2040 verder ontwikkelen tot een gebied met een sterke natuur, passende mobiliteit, voldoende woningen en een sterke lokale economie. Een belangrijk thema binnen het koersdocument is de wijze waarop het landelijk gebied binnen de Oostflank kan gaan functioneren. Ook hier geldt dat water en bodem sturend zijn. We laten de dorpen niet aan elkaar groeien. We maken het gebied klimaatrobuuster onder meer door de sponswerking van de bodem te vergroten en beekdalen zoveel mogelijk te vrijwaren van bebouwing en (intensieve) landbouw. We stemmen bodemgebruik af op de bodemgesteldheid van de ondergrond en de vernatting van de beekdalen en we willen de capaciteit voor waterberging fors vergroten. We brengen balans tussen gebruik en wat de bodem kan (ver)dragen. We zien ruimte om de cultuurhistorische, ecologische en recreatieve kwaliteiten van het Oisterwijks-Tilburgse landschap te versterken. Daarbij ligt de focus op vernatting, uitbreiding van bossen en landschapselementen, zoals bosjes, hagen, houtwallen en lanen.
Dit doen we bijvoorbeeld in de Leemkuilen als groene kern, inclusief het overgangsgebied eromheen. Daar zetten we in op natuurontwikkeling, klimaatadaptatie en rustige recreatie. De agrarische sector heeft toekomst in de Oostflank en kan een belangrijke bijdrage leveren aan het oplossen van maatschappelijke urgenties op het gebied van bijvoorbeeld bodem, water en biodiversiteit. Daarom zetten we in op het stimuleren van duurzame landbouw. Het is daarbij van belang dat bedrijven economisch rendabel zijn. Het organiseren van korte ketens kan helpen om het economisch verdienmodel te verbeteren. Dat is nodig om het buitengebied leefbaar te houden en voedselproductie dicht bij de consument te brengen. Dit doen wij door combinaties te zoeken voor landbouw en natuur, en te zoeken naar ruimte voor agrarische bedrijven die extensiever willen gaan werken. Met name de veehouderij heeft uitdagingen op het gebied van stikstof in de natuur en regels rondom waterkwaliteit. We koesteren de veehouderij en werken samen in de gebiedsprocessen een plan uit om deze bedrijfstak in de Oostflank binnen de Nederlandse en Europese kaders mogelijk te maken en houden.