Bijlage 1. Omgevingsvisie Deel A
Tekst van het document
Door de verschillende doelen in het buitengebied (over biodiversiteit, water, duurzame landbouw) integraal te benaderen, kan de aanpak van de stikstofopgave als hefboom worden ingezet voor de aanpak van de andere opgaven in het buitengebied. De ambities in het Koersdocument worden via transitieprocessen en (project)activiteiten omgezet in realisatie. Daarvoor is het landelijk gebied van de Oostflank opgedeeld in drie deelgebieden, met elk een eigen dynamiek als het gaat om de economische activiteiten die er mogelijk zijn. Een van de 61
grootste economische actoren in het landelijk gebied is de agrarische sector, maar er zijn ook andere belangrijke economische activiteiten zoals recreatie. Binnen de agrarische sector is de boomteelt naast de grondgebonden veehouderij een grote grondgebruiker. Een goede, langdurige samenwerking tussen overheden en gebiedspartijen is een voorwaarde om deze complexe opgave effectief aan te pakken. Het is van belang om vanuit gebiedsprogramma’s een gezamenlijk uitvoeringsprogramma te ontwikkelen, waarin overheden, agrariërs, natuurorganisaties, bewoners en andere belanghebbenden samenwerken aan een duurzame toekomst voor de Oostflank. Door gezamenlijke ambities te vertalen naar concrete projecten en heldere verantwoordelijkheden te benoemen, biedt het uitvoeringsprogramma een robuust kader voor structurele verandering in het landelijk gebied.
62
5 Bijbouwen: groei voor een vitale stad in een sterke regio Tilburg blijft groeien. Met de Update Stedelijke Ontwikkelingsstrategie Wonen uit 2021 hebben we als opgave geformuleerd om tot 2040 in totaal 25.000 woningen toe te voegen. Tot 2030 werken we eraan dat de woningbouwproductie geleidelijk groeit naar gemiddeld 2.000 woningen per jaar. Dat betekent dat er in deze periode in totaal circa 10.000 nieuwe woningen worden gerealiseerd. Voor de periode tussen 2030 en 2040 ligt er een aanvullende opgave van 15.000 woningen. Daarmee komt het totaal aantal te bouwen woningen tot 2040 op een opgave van 25.000. Voor de daaropvolgende periode, van 2040 tot 2050, gaan we uit van een extra opgave van nog eens 10.000 woningen. In totaal gaat het dus om een woningbouwopgave van 35.000 woningen tot 2050. Woningbouwaantallen: opgave en programmering We hebben in de Update Stedelijke Ontwikkelingsstrategie Wonen (2021) de inschatting gemaakt dat er tot 2040 zo’n 31.000 woningen door nieuwbouw en transformatie kunnen worden geprogrammeerd. Het aantal van 31.000 is groter dan de opgave van 25.000 woningen voor 2040. We moeten er echter rekening mee houden dat de uiteindelijke woningbouwproductie op de aangewezen locaties lager uit zal vallen, bijvoorbeeld omdat meer ruimte nodig blijkt voor groen of water, het energiesysteem, sociale opgaven en/of wensen uit de buurt.
Ook is het soms nodig om gebouwen te slopen om te kunnen bouwen. Om voor deze ‘planuitval’ te compenseren wordt de programmering aanzienlijk hoger ingeschaald dan de opgave die we netto willen realiseren—juist om te verzekeren dat die laatste, ook met planuitval, kan worden gehaald. Voor het decennium na 2040 hebben we nog geen prognoses, maar gaan we vooralsnog uit van (afvlakkende) bevolkingsgroei. Woningbouwprogrammering is dan ook een doorlopend proces: we kijken continu kritisch naar onze programmering in het licht van de prognoses, en herijken de programmering waar nodig om onze opgave te kunnen realiseren.
We bouwen voor mensen die al in Tilburg wonen en er willen blijven, en voor nieuwkomers. We willen dat de werkgelegenheid meegroeit. Niet meer in het tempo van voorheen (toen voor elke nieuwe woning ook een nieuwe arbeidsplaats wenselijk was). Dat is gezien de verwachte demografische ontwikkeling niet meer nodig. Tot 2040 verwachten we een groei van ongeveer 11.000 banen. Voor het decennium na 2040 is het nog niet goed mogelijk om verwachtingen ten opzichte van de werkgelegenheid te formuleren, omdat deze onder invloed staan van verschillende ongewisse externe factoren – zoals technologische ontwikkeling en geopolitieke verhoudingen. Met de aanvullende programmering van 10.000 woningen tussen 2040 en 2050 anticiperen we op een volgende opgave. Deze wordt nader onderzocht. Groei gaat niet alleen over méér, maar vooral over beter: beter samenleven, beter omgaan met energie en ruimte en beter inspelen op verandering. Onze ambitie is een stad die zich niet alleen 63
fysiek ontwikkelt, maar ook sterker wordt in sociale veerkracht en technologische vernieuwing. We willen een leefomgeving die gezond gedrag stimuleert en weerbaar is voor veranderingen, of die nu sociaal, economisch of klimatologisch van aard zijn. Zo bouwen we aan een Tilburg dat meebeweegt met wat mensen nodig hebben, nu en in de toekomst.
Verdichten om de leefomgeving te versterken Zoals in de voorgaande hoofdstukken beschreven, zetten we de groeiopgave in om de stad en het ommeland te versterken. Het geeft invulling aan de schaalsprong die Tilburg als deel van de Brabantse Stedenrij doormaakt. Meer specifiek biedt het Tilburg de kans om stedelijke kwaliteit toe te voegen aan de stad en de dorpen en meer nabijheid te creëren. De eerder beschreven transities en verdichting steunen elkaar wederzijds. De energietransitie, de mobiliteitstransitie en de ecologische transitie zijn noodzakelijk om binnenstedelijk verder te kunnen groeien. Tegelijkertijd is de verdichtingsopgave een motor voor de transities die onze gemeente gezonder, duurzamer en groener zullen maken. Een hogere dichtheid van woon- en werkplekken creëert meer draagvlak voor nabijheid van voorzieningen en bedrijvigheid, die te voet, met de fiets of het OV beter toegankelijk zijn. Een compacte stad, met een variatie aan leefmilieus en enkele gebieden met een zeer stedelijke en hoogstedelijke dichtheid en dynamiek, is bovendien belangrijk om ruimte te maken voor clusterkracht en innovatie, om jong talent vast te kunnen houden en zo onze economie verder te versterken. De woningbouwproductie zal voor een groter deel dan voorheen bestaan uit gestapelde woonvormen met middelhoogbouw als uitgangspunt.
Vanuit het nabijheidsprincipe zetten we erop in die zoveel mogelijk te realiseren op locaties dichtbij zorg- en buurtvoorzieningen, met ruimtes die uitnodigen om te ontmoeten, zowel in als buiten het gebouw. Verdichting door nieuwbouw en transformatie (zie ook de paragraaf ‘Bestaande woningen beter benutten’ in hoofdstuk 3) helpt om minimaal het aantal inwoners op peil te houden dat belangrijk is voor de levendigheid en sociale cohesie in de wijk. Andersom zorgen we bij grotere woningbouwprojecten dat er ook ruimte is voor uitbreiding of vernieuwing van het voorzieningenaanbod op buurt- of wijkniveau, zodat de voorzieningen meegroeien met de bevolkingsontwikkeling. We zetten deze verdichtingsstrategie in om invulling te geven aan de stedelijke opgave. Onderdeel daarvan zijn woningen voor nieuwkomers in de gemeente en woningen die qua woonomgeving, woningtype en betaalbaarheid aansluiten op de demografische ontwikkeling van de wijk of het dorp.
Verdichtingslocaties voor woningbouw en gemengde woon-werkmilieus tot 2040 Voor het merendeel van deze woningen is het uitgangspunt dat ze binnen de contouren van de stad worden gebouwd. In principe realiseren we gestapelde woonvormen, tenzij het stedenbouwkundig of programmatisch beter is om voor grondgebonden woningen te kiezen. Vooral op de grotere locaties voegen we ook voorzieningen en ruimte voor bedrijvigheid toe. We laten voorzieningen op die manier meegroeien met de ontwikkeling van de stad. De meeste mogelijkheden voor verdichting tot 2040 liggen in de vroeg-naoorlogse wijken buiten de ringbaan. De maat van de openbare ruimte, in combinatie met de verduurzamingsopgave voor woningen van de corporaties bieden kansen voor verdichting en transformatie. Ingrepen in de 64
openbare ruimte ondersteunen die strategie: die geven de openbare ruimte meer betekenis voor de bewoners en verbinden de wijken met de stadsrand en de stadsregionale parken.
65
De Kanaalzone De Kanaalzone van Dongenseweg tot het Spoor heeft een belangrijke economische functie en kent een gevarieerde mix van deelgebieden, met functies variërend van bedrijvigheid tot wonen, sport, zorg en recreatie. Deze diversiteit biedt aanzienlijke kansen voor de ontwikkeling van een levendig woon-werkmilieu met ruimte voor experiment, ontmoeting en ontspanning. Denk hierbij ook aan ruimte voor (creatieve) maakeconomie, circulaire economie, bijzondere woonvormen, groen en voor kunst en cultuur. Experimenteren, creativiteit en ‘regelluwe rafelranden’ bepalen het karakter van dit bijzondere gebied. Hier bouwen we op voort. Tegelijkertijd wordt de potentie van het gebied nog onvoldoende benut. In sommige delen vormt de Kanaalzone een barrière tussen Tilburg-Noord en de Oude Stad. Om de Kanaalzone te transformeren tot een aantrekkelijk en goed verbonden stadsdeel, zetten we in op beter benutten en beter verbinden. In de gebiedsgerichte uitwerking van de omgevingsvisie wordt de gehele Kanaalzone van Dongeseweg tot aan het Spoor nabij de Bosscheweg, inclusief alle verschillende deelgebieden, geanalyseerd en van een ruimtelijk ontwikkelperspectief voorzien. Per deelgebied zal een nadere uitwerking plaatsvinden, waarbij we beginnen met deelgebied ‘Kanaalzone I’ (van Smariuskade tot en met Petrus Loosjesstraat).
De onderlegger voor dit deelgebied is het gebiedsperspectief Kanaalzone I dat op initiatief van eigenaren en ondernemers in het gebied is gemaakt. Beter benutten Uitgaande van de bestaande gebiedskwaliteiten en -kenmerken, ligt er een belangrijke opgave voor het beter benutten van de beschikbare ruimte. Op een omvangrijk deel van de Kanaalzone wordt ingezet op het vergroten van de arbeidsintensiteit, door te intensiveren en te stapelen. We ontwikkelen een perspectief op de toekomstige economische betekenis van de Kanaalzone en haar deelgebieden. In de Update Stedelijke ontwikkelingsstrategie Wonen is voor het deel van de Kanaalzone ten noorden van Ringbaan-Noord een opgave van 1.000 woningen opgenomen en 700 woningen voor het Smarius-terrein (in ontwikkeling). Nu onderscheiden we binnen de Kanaalzone verschillende deelgebieden waarvoor we gefaseerd studeren op de mogelijkheden voor een gemengde ontwikkeling van werken en wonen. Het deelgebied aansluitend bij de Oude Lind en de Quirijnstoklaan zien we als meest kansrijk voor zo’n gemengde ontwikkeling van werken en wonen. En dit gebied is een belangrijke schakelzone voor een betere aanhechting van de Kanaalzone in de stad. Een eerste globale inschatting voor dit gebied gaat uit van een toevoeging van circa 800 - 1.000 woningen.
Een deel van deze woningen komen te liggen in het gebied dat onderdeel uitmaakt van de begrenzing van de Kanaalzone in de Update Stedelijke ontwikkelingsstrategie Wonen. Waarbij de principes van het gebiedsperspectief Kanaalzone I het vertrekpunt zijn. De groenstroken, met name aan de noordkant van het kanaal, hebben een belangrijke ecologische functie. De oevers van het kanaal hebben daarnaast een sterke potentie als verblijfsgebied en kunnen ook recreatief worden benut, rekening houdend met de functie van het kanaal als vaartroute. Ook kan de Kanaalzone een belangrijke rol spelen bij de verduurzaming- en energieopgave van de stad. Beter verbinden
66
Een goed functionerend woon-werkgebied vraagt om sterke fysieke en functionele verbindingen. Binnen de Kanaalzone ligt daarom de opgave in het beter verbinden van de verschillende deelgebieden met elkaar. Daarnaast is het essentieel om de Kanaalzone beter te verankeren in het omliggende stedelijke netwerk. Door gerichte ingrepen te doen kunnen bestaande barrières binnen het gebied en haar omgeving worden weggenomen of verzacht. Denk aan de optimalisatie van de huidige verkeersinfrastructuur, waarbij rekening wordt gehouden met de intensiveringspotentie van het gebied en met de mogelijkheden om de kanaalzijde te versterken als hoogwaardige verblijfs- en recreatieruimte. Ook zijn deze ontwikkelingen aanleiding om het profiel en de omgevingskwaliteit van de Ringbaan-Noord en -Oost te verbeteren. De verdichtingskansen in en direct rond het stadscentrum zijn vrijwel allemaal concreet in beeld en al grotendeels in ontwikkeling. In en rondom de dorpen zien we kansen voor het toevoegen van woningen. Deze zijn vastgelegd in het Koersdocument Oostflank (2024, in coproductie met de gemeente Oisterwijk) en nu in uitwerking. De groei draagt hier bij aan de kwalitatieve woonopgave. Door te kiezen voor meer compacte randen en in beperkte mate voor binnendorps verdichten zorgen we ervoor dat de dorpen niet aan elkaar vastgroeien.
Juist de band met het landschap en behoud van de eigen identiteit van de dorpen is belangrijk. Goede verdichtingskansen doen zich voor bij stations en haltes van het hoogwaardig openbaar vervoer. We ontwikkelen binnen de genoemde zones het Kenniskwartier, Spoorzone-Binnenstad en Udenhout tot compacte stationsmilieus, en daarbuiten de Reeshofknoop. Dit sluit aan op de gewenste viersporigheid en de daaraan verbonden hogere frequentie van treinverbindingen. Aan het HOVbusnet liggen locaties als Paletplein, Wagnerplein en Poort van Stappegoor. We proberen zoveel mogelijk toe te voegen in balans met het verbeteren van de leefomgeving. In dat licht hebben we eerdere verdichtingsambities in Oud-Noord en Oud-Zuid bijgesteld: in deze gebieden vragen andere opgaven prioriteit (zie ook paragraaf: ‘De Oude Stad vraagt om scherpe keuzes’ (hoofdstuk 4). Om de woningbouwopgave ruimtelijk en integraal optimaal in te kunnen blijven passen hebben we deze en andere bijstellingen ten opzichte van de Update Stedelijke Ontwikkelingsstrategie Wonen 2021 verwerkt in een nieuwe indicatie woningbouwcapaciteit per gebied richting 2050 (zie figuur in volgende paragraaf). Deze aantallen zullen in de volgende uitwerking van deze Omgevingsvisie verder worden toegespitst.
Ontwikkelingskansen op lange termijn In totaal voorzien we tot 2050 een woningbouwopgave tot 35.000, waarvan 10.000 te realiseren woningen tussen 2040 en 2050. Dit betreft de opgave: met de uitwerking van deze omgevingsvisie onderzoeken we welke mate van overprogrammering nodig is om deze opgave te kunnen realiseren. Om de groei na 2040 mogelijk te maken, zijn nieuwe locaties nodig en staan we voor de opgave om reeds bekende locaties beter te benutten. Naast kleinere verdichtingslocaties verspreid over de stad, is er een aantal locaties nodig waar grotere aantallen woningen kunnen worden gebouwd. De kans bestaat dat een deel van de locaties voor de langere termijn al vóór 2040 nodig is, omdat we hebben geconstateerd dat op sommige plekken in de stad minder mogelijk is dan we aanvankelijk 67
verwachtten. Bij het zoeken naar nieuwe locaties kijken we niet alleen naar de beschikbare ruimte, maar juist ook naar wat een wijk nodig heeft, bijvoorbeeld op demografisch gebied. Want een belangrijk uitgangspunt is dat de groeiopgave niet alleen wordt gerealiseerd, maar ook een bijdrage levert aan het vergroten van de brede welvaart in de wijken. In bijgaande figuur is de indicatieve woningbouwcapaciteit per gebied aangegeven.
Indicatieve woningbouwcapaciteit per gebied In de jaren ’90 tot 2010 hebben we grootschalig geherstructureerd. Dat wil zeggen dat er op grote schaal woningen zijn gesloopt en in plaats daarvan, op dezelfde plek, nieuwe woningen zijn gebouwd. Met de Update Stedelijke Ontwikkelingsstrategie Wonen hebben we ervoor gekozen om tot 2040 niet meer in die omvang te slopen. Op sommige plekken is sloop nog actueel, maar doen we dat heel chirurgisch. We hebben een traditie opgebouwd van ‘archipunctuur’: doelgerichte interventies met kwaliteit en grote betekenis. We voorzien dat archipunctuur in de toekomst niet meer altijd voldoende is en op termijn grootschalige herstructurering nodig is om te voorzien in voldoende en kwalitatief goede woningen in een aantrekkelijke leefomgeving. Grootschalige herstructurering is ingrijpend. Des te belangrijker is het dat er meerdere doelen mee gediend worden. Zo is het belangrijk dat het een bijdrage levert aan de verduurzamingsopgave, verbetering van de openbare ruimte, sociaal maatschappelijke opgaven et cetera. Nieuwe ontwikkelingslocaties voor woningbouw zoeken we in eerste instantie bij mobiliteitshubs en bij voorzieningen (vanuit het ordeningsprincipe van nabijheid). Denk aan wijkwinkelcentra die een 68
relatief forse footprint hebben, maar waar in de hoogte ruimte gevonden kan worden. Deze locaties lenen zich goed voor middelhoogbouw met hogere accenten Daarnaast kunnen oudere gebieden met een groot aandeel corporatiebezit met verduurzamingsopgave aanleiding zijn voor onderzoek naar eventuele herstructurering, zoals oudere delen van de Reeshof. Herstructurering biedt niet alleen de mogelijkheid om meer en andere typen woningen toe te voegen, maar biedt tegelijkertijd ook kansen om de verblijfskwaliteit en sociale verbondenheid te verbeteren. Ook liggen er wellicht ontwikkelingskansen in Zuid zoals in relatie tot de mogelijke herinrichting van Ringbaan-Zuid. Verdichting in de Reeshof Op de middellange termijn zullen belangrijke verdichtingskansen liggen in de Reeshof. We voeren een verdichtingsstudie uit naar het toevoegen van woningen en voorzieningen in deze wijk, zoals bij de stationsknoop Reeshof. Er ligt hier potentie voor meer dan de 300 woningen die in de Update Stedelijke Ontwikkelingsstrategie Wonen zijn geprogrammeerd. Prognoses wijzen uit dat het inwoneraantal in de Reeshof de komende jaren met zo’n tien procent zal teruglopen. Er is sprake van vergrijzing en ontgroening. De grootste groep inwoners in de Reeshof is tussen de 45 en 65 jaar (31%), de toekomstige ouderen. Het aantal 75-plussers is in 2040 verdubbeld.
De samenstelling van de woningvoorraad, met 93% eengezinswoningen, sluit hier niet bij aan en zet het voorzieningenniveau onder druk. De verdichtingsstudie moet uitwijzen welke mogelijkheden er liggen om nieuwe woontypologieën in de wijk toe te voegen. Daarbij worden uitdrukkelijk ook mogelijkheden tot woningsplitsing en herstructurering meegenomen. De bestaande buurt- en wijkwinkelcentra worden hierin specifiek betrokken. Deze plekken bieden kansen voor verdichting en het toevoegen van woningen in combinatie met voorzieningen. De verdichtingsstudie vormt een bouwsteen voor gebiedsvisie Reeshof en zal zo nodig hierop vooruitlopend worden gemaakt.
Ringbaanmilieu-Zuid Tilburg-Zuid is een divers gebied, met uiteenlopende ruimtelijke kwaliteiten, sociale structuren en ontwikkelingsdynamiek. Het gebied kent een mix van naoorlogse woonwijken, grootschalige infrastructuur, voorzieningenclusters en groene structuren. De gebiedsontwikkeling Ringpark-Zuid en kansrijke ontwikkelingen zoals Laarveld laten zien dat delen van Zuid, zoals het gebied rondom Ringbaan- Zuid potentie, hebben om extra woningen op te nemen. Het gebied rond en ten zuiden van Ringbaan-Zuid is daarom een belangrijk zoekgebied voor stedelijke verdichting. Tegelijkertijd loopt er een onderzoek naar de mobiliteitsaanpak in Zuid, waarbij onder meer wordt gekeken naar het anders inrichten van Ringbaan-Zuid. Deze ontwikkelingen bieden ook kansen voor verdichting. Een verdichtingsstudie voor heel Tilburg-Zuid is nodig om deze potentie gebiedsbreed te verkennen. De studie moet inzicht geven in waar en hoe verdichting mogelijk is. De verdichtingsstudie vormt een bouwsteen voor gebiedsvisie Zuid en Oud-Zuid en zal zo nodig hierop vooruitlopend worden ontwikkeld.
69
Er liggen ook goede mogelijkheden om, naast de woningbouw, werken terug in de wijk te brengen en voorzieningen te huisvesten. We bekijken de keuze voor een volgende generatie verdichtingslocaties ook vanuit de condities van water en bodem, en vanuit de mogelijkheden van de locatie voor de energievoorziening. Er ligt een relatie met de nieuwe benadering voor de openbare ruimte die we in hoofdstuk 3 hebben aangekondigd, en met de ‘Stad van verbonden tuinen’. Zodra nieuwe verdichtingslocaties in beeld komen, kunnen we de investeringen in de buitenruimte direct daarop afstemmen. Zo zorgen we ervoor dat de nieuwe woningen zoveel mogelijk al vanaf de oplevering in een groene omgeving staan, met alle voordelen voor de leefbaarheid, de gezondheid en de sociale cohesie van dien. Aanvullend is het denkbaar dat technologische veranderingen op het gebied van mobiliteit leiden tot nieuwe knoop- of overstappunten rond de ringbanen, bijvoorbeeld in het zuiden van de stad. Als dat zo is, komen andere verdichtingslocaties in beeld dan die we zien als we de lens van nabijheid richten op winkelcentra en conglomeraties van voorzieningen. En als in Tilburg-West het gebied rond het ETZ TweeSteden-ziekenhuis aan het kanaal in transitie komt, is dat een interessante ontwikkelkans in de verbinding tussen Tilburg-West en de Kanaalzone.
Ruimte voor de kennisintensieve economie De veranderende bevolkingssamenstelling heeft gevolgen voor de arbeidsmarkt. Er zijn minder werkenden per duizend inwoners, maar tegelijk willen we dat het verdienvermogen en de toegevoegde waarde in de stad blijven toenemen. Dat houdt het economische draagvlak van de stad solide. De ontwikkeling van de economie zal zich minder dan voorheen manifesteren in een werkgelegenheid die meegroeit met de bevolkingstoename, maar meer in andere eisen die worden gesteld aan bedrijfs- en andere werkruimtes, verdeeld over bedrijventerreinen, kantoorlocaties en plekken verspreid over de stad (zoals in winkels en scholen). Een deel daarvan heeft te maken met de transities in de mobiliteit, de energievoorziening en het groenblauwe systeem, zoals beschreven in hoofdstuk 4 voor stedelijke woonwerkmilieus en bedrijventerreinen. Voor een belangrijk deel hangen veranderende vestigingsfactoren ook samen met het innovatieve profiel van de nieuwe economie in Brabant en met het talent dat aanwezig is in de stad. We verwachten dat arbeidspotentieel een belangrijkere vestigingsvoorwaarde voor bedrijven wordt. Daarom wordt het extra belangrijk om jong talent vast te houden. Onze economische strategie richting 2050 zet in de kern in op een ontwikkeling via drie lijnen. Ten eerste op missiegedreven innovatie en het vergroten van clustervorming daaromheen.
Ten tweede op het versterken van het vestigingsklimaat op bestaande bedrijventerreinen, de binnenstad, bestaande wijk- en dorpscentra, onderdeel van gebiedsontwikkelingen in Noord en West (Kenniskwartier) en aan de oude linten. En ten derde op het versnellen van de transities: het sluiten van ketens van stofstromen, op circulaire hubs en het optimaal benutten van het Wilhelminakanaal en trimodaal Loven. Deze drie lijnen lopen als rode draad door de in het vervolg beschreven economische ontwikkeling.
70
Mensgerichte digitale innovatie en technologische maakeconomie De rol die Tilburg in de regionale context kiest, richt zich op innovaties in gezondheid & zorg en in energietransitie. Dit zijn twee van de vijf centrale missies die nationaal zijn geformuleerd als toespitsingen van ‘missiegericht innoveren’: het stimuleren van innovaties die bijdragen aan maatschappelijke uitdagingen. Het idee is dat bedrijven, kennisinstellingen, overheden en maatschappelijke organisaties samenwerken om innovatieve oplossingen te ontwikkelen die bijdragen aan deze missies. Tilburg ontwikkelt zich tot kennisstad met een nadruk op mens, gedrag en maatschappij in relatie tot digitale mensgerichte technologie. Deze nadruk manifesteert zich onder meer in startups en scale-ups. Zo wordt in MindLabs gewerkt aan de ontwikkeling van virtuele persona’s die worden ingezet voor trainingen in de gezondheidszorg. We delen de focus op mensgerichte digitale technologie met de regio Breda; een ontwikkeling die op haar beurt complementair is aan het technologiecluster in de Brainportregio. De Tilburgse en Midden-Brabantse economie zijn al voor een deel met beide regio’s vervlochten. De Tilburgse kenniseconomie verbindt zich aan al langer aanwezige sectoren, in het bijzonder de maakeconomie.
Onze blik op de kenniseconomie is er uitdrukkelijk een die kennis en kunde — en meer theoretische en praktische opleidingen — als integraal verbonden ziet. Een sterke en pluriforme MKB-maakeconomie en internationale bedrijven als Coredux, Bosch en Fujifilm zijn daar sprekende voorbeelden van. Tilburgse maakbedrijven vormen een schakel in de internationale ketens in de productie van noodzakelijke materialen voor de energietransitie, medische toepassingen, voeding en chip-machinebouw. Rode draad is het vermogen om kwalitatief hoogstaande componenten schaalbaar te kunnen produceren. Dankzij deze capaciteit voor opschaling en industrialisatie hebben deze bedrijven een sterke uitgangspositie binnen nieuwe groeimarkten die de komende jaren ontstaan in Nederland en Europa, onder andere op het gebied van ‘Energy Materials’ en Health. Innovatiecampus Wijkevoort Wijkevoort is de enige nieuwe buitenstedelijke werklocatie die in Tilburg is geprogrammeerd. Het wordt ontwikkeld als een groene, hoogwaardige innovatiecampus en fysieke landingsplaats voor clustering en samenwerking in de (grootschalige) technologische maakeconomie. We ontwikkelen Wijkevoort in twee fases: fase I voor 40 hectare, fase II tot mogelijk 80 hectare totaal. Wijkevoort gaat een katalysatorfunctie vervullen voor regionale smart industry en ondersteunende smart logistics.
Het wordt een hoogwaardige vestigingsomgeving die ook het MKB in de regio uitdaagt en faciliteert in toekomstbestendig ondernemen. De bedrijvigheid op en om de campus staat in wisselwerking met onderwijs- en kennisinstellingenwisselwerking met onderwijs- en kennisinstellingen en de digitale sector. Door het vormgeven aan gedeelde voorzieningen, programma’s voor innovatie en opleiding en een hoogwaardige ruimtelijke omgeving geven we vorm aan een innovatiecampus voor de toekomst. Met Wijkevoort zetten we een grote stap in het combineren van bedrijvigheid en groen, met veel aandacht voor water, biodiversiteit en landschap.
71
Het brede scala aan onderwijsinstellingen vormt een fundament onder deze kenniseconomie, van beroepsonderwijs op alle niveaus tot een gerenommeerde universiteit in de mens- en maatschappijwetenschappen. Door goede samenwerking tussen onderzoeks- en onderwijsinstellingen, bedrijfsleven en overheid, binnen de gemeente en op regionaal niveau, ontstaan uitstekende kansen voor innovatie en economische ontwikkeling. De komende jaren werken wij daarom met onderwijs- en kennisinstellingen ook aan de doorontwikkeling van hun eigen locaties en campusomgevingen.
Meer innovatie door grotere clusterkracht Innovatie ontstaat bij kruisbestuiving tussen bedrijven die kennis creëren of toepassen en kennis- en onderwijsinstellingen. Die kruisbestuiving is gebaat bij clustering van aan elkaar gerelateerde en samenwerkende bedrijven en kennis- en onderwijsinstellingen. Zo ontstaan krachtige innovatiemilieus waar bedrijven, kennisinstellingen en maatschappelijke partners elkaar vinden. We willen de Tilburgse clusterkracht uitbouwen, in het bijzonder rond de eerdergenoemde digitale mensgerichte technologie en maakindustrie. De beste voorwaarden voor een sterk cluster voor de mensgerichte digitale technologie ontstaan in een hoogstedelijk milieu, waar kennisinstellingen, studenten, startups en innovatieve bedrijven aanwezig zijn in de nabijheid van experimenteeromgevingen en labs, werkplekken en kantoorruimten. We stimuleren dat met de ontwikkeling van de ‘assen van kennis en kunde’. Kansen voor clustervorming rond de maakindustrie zijn gerelateerd aan de revitalisering van bedrijventerreinen, maar deze clusters zijn minder sterk geografisch afgebakend. Betrokken onderwijsinstellingen bijvoorbeeld zijn doorgaans elders gevestigd.
We zien kansen voor clusters rond energie- en zorgtechnologie, slimme (trimodale) logistiek (Loven Noord), textiel, de bouw (met een bouwhub) en semicon-gerelateerde maakbedrijven (verbonden aan de halfgeleider-industrie in de Brainportregio). Deze aanpak vergroot de samenwerking, versnelt innovatie en maakt het economische ecosysteem wendbaar en toekomstbestendig.
Hoogstedelijk milieu in de Kennisas Een deel van de kennisintensieve bedrijvigheid gedijt goed in een hoogstedelijk milieu: een levendige, gemengde omgeving waar wonen, werken, leren en ontspannen elkaar versterken. Een dergelijk milieu komt in Brabant nog nauwelijks voor. De schaalsprong in de Brabantse Stedenrij maakt het nu mogelijk om deze stedelijkheid in Tilburg te ontwikkelen. Met de Kennisas zetten we een belangrijke stap. De Kennis-as omvat de Spoorzone, binnenstad en het Kenniskwartier. Een gebied dat is opgespannen tussen Interpolis en de campus van Tilburg University met het Spoorpark in het hart. We ontwikkelen de Kennisas tot een omgeving met een hoge concentratie aan verschillende functies: woningen, kennis- en onderwijsinstellingen, bedrijven, voorzieningen, horeca en cultuur. Het wordt een broedplaats waar de kenniseconomie, de stedelijke dynamiek en de leefkwaliteit elkaar 72
versterken. Kenmerkend voor hoogstedelijke milieus is dat circa tweederde van de bebouwing uit woningbouw bestaat, de rest bestaat uit bedrijvigheid en voorzieningen. Belangrijker dan de exacte verhouding is echter de verwevenheid van functies en de kwaliteit van de openbare ruimte. Het succes van hoogstedelijkheid ligt in de mate waarin functies elkaar versterken, ontmoeting vanzelfsprekend is en de buitenruimte uitnodigt tot verblijf. In de Kennisas komen ‘denken’ (theorie) en ‘doen’ (praktijk) samen. Mindlabs en de onderwijs- en kennisinstellingen Tilburg University, Avans Hogeschool, Yonder, Fontys Hogescholen, Yuverta en TIAS School for Bunisess en Society maken hier onderdeel van uit. Ook zijn er diverse sportvoorzieningen. We breiden het programma verder uit met nieuwe woonconcepten, werkplekken en stedelijke voorzieningen. We voeren de functiemenging in dit gebied verder door, zowel horizontaal (tussen gebouwen) als verticaal (binnen één gebouw). De plint is levendig, met ruimte voor bedrijvigheid, voorzieningen en ontmoeting; de hogere verdiepingen bieden plaats aan wonen, leren en rustigere bedrijvigheid zoals kantoren of medische praktijken. Ook benutten we daken voor functies zoals een tweede maaiveld, (gedeelde) daktuinen, parken, stadslandbouw, waterberging, rooftopbars, sport- en speelvoorzieningen. De bebouwingsdichtheid is fors.
Het gaat om gemiddeld circa 150 woningen per hectare, dat is meer dan we op stedelijk niveau gewend zijn. Gebouwen hebben gemiddeld vijf tot acht bouwlagen. Incidenteel passen hier ook bebouwingsaccenten bij met hoogtes van 50 tot 70 meter, bij uitzondering hoger. Deze gelaagde benadering vergroot de intensiteit van gebruik en biedt kansen voor sociale interactie op meerdere niveaus. Functies worden zó gecombineerd dat ze elkaar versterken en voorzieningen gedeeld kunnen worden. Denk aan co-workingruimtes, co-living, deelmobiliteit en gezamenlijke binnentuinen. Deze aanpak sluit aan bij inspirerende voorbeelden uit Kopenhagen en Barcelona, waar hoogstedelijke milieus worden gekenmerkt door menselijke maat, hoogwaardige openbare ruimte en slimme benutting van schaarse ruimte. De openbare ruimte speelt een sleutelrol. Ze nodigt uit tot verblijf, ontmoeting en activiteiten, en mag de verbeelding prikkelen, bijvoorbeeld door de inzet van kunst in de openbare ruimte en de inpassing van cultureel erfgoed en het beleefbaar maken van archeologische waarden. Een aantrekkelijke, groene inrichting met ruimte voor water en verkoeling vergroot de kwaliteit van leven én maakt de Kennisas toekomstbestendig. De Kennisas is goed bereikbaar via het openbaar vervoer.
Het gebied sluit direct aan op het nationale spoorwegnet; bestemmingen in binnen- en buitenland zijn met maximaal één overstap bereikbaar. Die bereikbaarheid willen we verder verbeteren. Een van de eerste HOV-lijnen zal door de Kennisas lopen. De vernieuwing van station Tilburg Universiteit versterkt de positie als aankomstplek in de stad. Investeringen in het HOV en in duurzame mobiliteit (fiets, voetganger, deelvervoer) zijn randvoorwaardelijk voor de beoogde hoogstedelijkheid. Daardoor is er minder ruimte voor parkeren nodig dan elders in de stad. Door de Kennisas loopt de Esplanade, een autoluwe en groene boulevard tussen het Spoorpark en de Universiteitscampus. Om de barrière van de Ringbaan-West weg te nemen, wordt deze ter hoogte van de Esplanade op palen gezet. Zo ontstaat een optimale verbinding met het Spoorpark, dat hierdoor ook in het westen een voorkant krijgt. Stadsbos013 vormt daarbij een 73
belangrijke groene uitloop voor het gebied, en levert tegelijk een bijdrage aan het groene karakter en de recreatieve kwaliteit van de Kennisas. De ontwikkeling van de kenniseconomie wordt in de gebiedsontwikkeling van het Kenniskwartier nadrukkelijk verbonden aan de wijkvernieuwing in West, met een mix van woningbouw, kennisintensieve bedrijven, maakindustrie en dienstverleners voor een vitale wijkeconomie. De bestaande plannen in het Kenniskwartier tellen op tot circa 7.500 woningen (waarvan 5.000 voor 2030), maar mogelijk is er ruimte voor meer. In het Kenniskwartier loopt ook de Kunde-as, een tweede hartlijn met een reeks beroepsopleidingen. Deze strekt zich uit langs de Reitse Hoevenstraat, dwars op de Kennisas. Op het kruispunt ontwikkelen we het hoogstedelijke milieu van de Reitse Campus (onderdeel van het Kenniskwartier). Beide assen worden verbonden via een nieuwe langzaamverkeersverbinding onder het spoor. We ontwikkelen de Kennisas tot een bruisend, hoogstedelijk milieu: compact, dynamisch en aantrekkelijk. Een leefomgeving met ruimte voor innovatie en ontmoeting, goed bereikbaar en rijk aan stedelijke kwaliteit.
Digitale kracht als motor voor brede welvaart Groei in Tilburg gaat verder dan stenen en bouwkranen. Onze gemeente groeit ook in ons vermogen om slimme antwoorden te vinden op de opgaven waar we voor staan. In die zoektocht spelen digitalisering en AI een steeds grotere rol. Ze zijn geen heilige graal, maar kunnen wel een krachtige toolkit zijn die ons helpt complexiteit te begrijpen en creatieve oplossingen te ontwikkelen. Door data te verbinden en inzichten toegankelijk te maken, groeit ons vermogen om als inclusieve stad samen te werken aan brede welvaart. AI en digitalisering roepen ook vragen en zorgen op. Juist daarom kiezen we ervoor om ze niet af te wachten, maar aan de voorkant te onderzoeken we deze technologische ontwikkelingen in kunnen zetten voor onze eigen wensen en doelen. De komende tijd gaan we digitalisering en AI verkennen als nieuwe kracht in de (stedelijke) ontwikkeling. Waar zouden we AI voor kunnen en willen gebruiken? Samen met partners en inwoners willen we fysieke en digitale ontwikkeling verbinden om erop in te zetten dat onze gemeente groeit in gezondheid, weerbaarheid en inclusiviteit.
Revitaliseren bedrijventerreinen In samenwerking met de gemeenten binnen de regio Hart van Brabant en de provincie hebben wij gewerkt aan de regionale behoefteprognoses 2022 en deze beleidsrijk gespiegeld aan onze economische strategie. Deze laat zien om meer te sturen op toegevoegde waarde en innovatiekracht ook een andersoortige ruimtevraag met zich meebrengt. Zo is er naar verwachting meer regionale vraag naar campusomgevingen en grootschalige productielocaties, terwijl wij sturen op een lagere vraag naar grootschalige logistiek. Wijkevoort is de enige nieuwe buitenstedelijke werklocatie die in Tilburg is geprogrammeerd en voorziet in een campusomgeving voor kennisintensieve grootschalige ruimtevragers. 74
Met de programma-aanpak Revitalisering Bedrijventerreinen (2024) geven wij ruimtelijk uitvoering aan een toekomstbestendig netwerk van werklocaties die de omgeving voor werkenden en andere bezoekers van de terreinen prettiger en gezonder te maken. Kwantitatief voorziet deze aanpak in een programmering van circa 600.000 m2 bvo tot 2050. Het daadwerkelijk ruimtebeslag zal aanzienlijk minder zijn omdat we kiezen voor optimaal ruimtegebruik in vorm van stapeling. Vanouds zijn bedrijventerreinen ruim opgezet. Daardoor bieden ze veel kansen voor intensivering. We gaan bij nieuwe ontwikkelingen minder ruimhartig om met terreinen voor parkeren en opslag, en we willen kansen benutten voor grotere bouwhoogtes, waardoor stapelen van bedrijven en andere functies mogelijk wordt. Ook zijn er typen bedrijvigheid gevestigd die niet uitsluitend op een bedrijventerrein hoeven te worden gevestigd, maar bijvoorbeeld ook te mengen zijn met wonen. Dit soort bedrijvigheid willen we op termijn niet langer op bedrijventerreinen toestaan. Bedrijven die passen in wijken en dorpen stimuleren we om zich zoveel mogelijk daar te vestigen. De ruimtewinst die we daarmee bereiken is hard nodig om ook de extra ruimtevraag om de transitie naar een circulaire economie te kunnen maken ook nog een plek te bieden.
Eerste inschattingen laten daarvoor een bandbreedte zien van een extra ruimtevraag tussen de 20 en 160 hectare. In de paragraaf ‘Koppelingen met transities op bedrijventerreinen’ in hoofdstuk 4 is beschreven hoe de verdichting ook bijdraagt aan verduurzaming. Ook dat is onderdeel van het programma Revitalisering Bedrijventerreinen. Op Loven zijn er al mooie stappen in gezet met gebiedsmanifest Loven dat zich richt op verdichting, verduurzaming en vergroening van bedrijvenpark Loven-Noord. Loven is net als Kraaiven en Vossenberg onderdeel van de aanpak Grote Oogst, waarmee de provincie Noord-Brabant een impuls wil geven aan het verduurzamen van bedrijventerreinen. De drie terreinen hebben een gezamenlijke uitvoeringsagenda, vergelijkbaar met het gebiedsmanifest. Op locaties zoals Het Laar, T58 en Katsbogten versterken we de functiemix (denk aan bedrijfsruimte, productieruimte en lab-faciliteiten). Dit past bij onze kracht in de maakindustrie en de logistiek en ons streven naar clustervorming. We verbeteren daartoe de bereikbaarheid. We sluiten aan bij initiatieven vanuit het bedrijfsleven. Zo verkent Bosch momenteel de mogelijkheden om zijn vestiging te transformeren naar een ontwikkel- en productieomgeving voor hightech metalen componenten voor (elektro)mobiliteit en waterstoftechnologie.
Dit krijgt vorm als een fysieke open industrialisatie-hub waar derden gebruik kunnen maken van technische diensten en faciliteiten. Dit kan als vliegwiel dienen voor de toekomstige ontwikkeling van het terrein, wat Het Laar qua ontwikkeling ook meer laat aansluiten op het hoogwaardige profiel van T58. Meer cohesie tussen de terreinen is gewenst en wordt ook al ingezet met bijvoorbeeld de Green Deal Zuid. De revitalisering is een langjarige opgave die vraagt om een consistente lijn. Met de programmaaanpak Revitalisering Bedrijventerreinen pakken we als gemeente de regie om te sturen op het intensiveren en verdichten van onze bedrijventerreinen en de beschikbaarheid van schuifruimte die daarvoor nodig is.
75
Benutten van schaarse vestigingsmogelijkheden Het voornemen om bestaande bedrijventerreinen optimaal te benutten, heeft een equivalent in omgekeerde richting: de bestaande milieuruimte en fysieke ruimte op bedrijventerreinen moeten per saldo behouden blijven. Dit betekent dat als er ergens ruimte voor bedrijvigheid verdwijnt deze elders gecompenseerd moet worden. De schaarste aan ruimte voor bedrijvigheid maakt het bovendien noodzakelijk dat we kritisch zijn op het type bedrijf dat zich ergens vestigt. Bedrijventerreinen hebben elk hun eigen karakteristiek. Onderscheidende vestigingsfactoren vergroten de economische waarde van een terrein. Om schaarse vestigingsfactoren optimaal te benutten, willen we zoveel mogelijk bedrijven op die terreinen laten vestigen die daadwerkelijk belang hebben bij die vestigingsfactoren. Dat kan bijvoorbeeld de milieuzonering zijn. Het aantal kavels waar bedrijven met relatief veel milieubelasting terecht kunnen is beperkt. De economische tendensen richting circulariteit en kennisintensiviteit leiden niet vanzelf tot minder milieubelasting, Integendeel, ook hiervoor zijn industriële bedrijven nodig die veiligheidsrisico’s, geluidsbelasting en/of emissies van hinderlijke of ongezonde stoffen met zich meebrengen. Nieuwe of groeiende milieubelastende bedrijven zijn vaak op deze kavels aangewezen.
Het is daarom van belang om de aanwezige milieuruimte voor deze bedrijven beschikbaar te houden. Hetzelfde principe geldt voor vrije of vrijkomende kavels nabij knooppunten of hoofdverbindingen in het energienet (zoals de mogelijke koppeling van de noordelijke bedrijventerreinen aan de DeltaRhine Corridor voor waterstof). Deze moeten beschikbaar zijn voor bedrijven met een hoge energiebehoefte. Ligging aan het vaarwater van het Wilhelminakanaal is ook zo’n onderscheidende vestigingsfactor waar we zuinig mee omgaan. We zetten in op een optimaal gebruik van de bedrijfskavels aan het kanaal voor watergebonden bedrijvigheid. Deze bedrijfskavels mogen alleen nog benut worden door bedrijven die gebruik maken van het water. De totale aanpak van het Wilhelminakanaal is voorzien in de periode tot en met 2030.
76
6
Proces, participatie en handelingsperspectief
Deel A van de omgevingsvisie voor Tilburg is tot stand gekomen via een helder, zorgvuldig en integraal proces, waarin participatie en inhoudelijke afstemming centraal stonden. Dit hoofdstuk beschrijft hoe de visie tot stand is gekomen, wie daarbij betrokken zijn geweest, en welke stappen zijn gezet om te komen tot een gedragen en toekomstbestendige koers voor de stad. Verder komt ook aan bod hoe deel A van de omgevingsvisie zich verhoudt tot deel B. Naast een terugblik op het proces en de participatie gaat dit hoofdstuk in op de positie van de omgevingsvisie binnen de beleidscyclus. Daarbij wordt toegelicht hoe deze visie zich verhoudt tot het omgevingsprogramma en het omgevingsplan, en hoe de verschillende instrumenten elkaar versterken. Tot slot biedt dit hoofdstuk een handelingsperspectief: welke vervolgstappen zijn nodig om de visie verder te concretiseren en realiseren?
Totstandkoming omgevingsvisie deel A en relatie met deel B Voor het opstellen van de omgevingsvisie is gekozen voor een gefaseerde aanpak. Deel A bevat de hoofdlijnen van de visie op de fysieke leefomgeving en adresseert gebieden en thema’s die om een koersverandering of nadere uitwerking vragen. Dit vormt het kader voor de verdere uitwerking: zowel sectoraal als gebiedsgericht. Daarbij zorgen we ervoor dat de omgevingsvisie voldoet aan de vereisten van de Omgevingswet. Dit betekent onder andere dat het document digitaal ontsloten wordt via het officiële omgevingsloket, zodat het toegankelijk is voor inwoners, bedrijven en andere belanghebbenden. Ook wordt de omgevingsvisie op een gestandaardiseerde manier gepubliceerd, conform de landelijke standaarden.
Participatie Op diverse manieren hebben we hebben we inzichten opgehaald voor de Omgevingsvisie Tilburg 2050. Dan hebben we gedaan via workshops en een stadsgesprek die specifiek over de Omgevingsvisie gingen. Ook via gesprekken die we met inwoners, ondernemers, maatschappelijke organisaties en partners hebben gevoerd over sectoraal beleid, zoals de Stedelijke Ontwikkelingsstrategie Wonen, en gebiedsvisies, zoals het Gebiedsperspectief Tilburg-Noord. En als laatste en meest uitgebreide, via het traject Tilburg in 2050. Via Tilburg in 2050 hebben we gewerkt aan “Samen werken aan brede welvaart”: een brede toekomstverkenning waarin maatschappelijke, sociale en economische opgaven samenkomen. Samen met inwoners, ondernemers en organisaties hebben we inzichten verzameld over waar we in 2025 staan en waar we heen willen in 2050. De omgevingsvisie is een afgeleide van deze bredere toekomstverkenning: zij vertaalt de maatschappelijke ambities naar ruimtelijke keuzes en kaders. Zie ook de website Home | Tilburg 2050.
77
Van omgevingsvisie tot project: samenhang binnen de Omgevingswet De omgevingsvisie in de beleidscyclus De omgevingsvisie is een strategisch document waarin de gemeente haar langetermijnvisie op de fysieke leefomgeving vastlegt. Het beschrijft de gewenste ontwikkeling van de stad en de ambities op het gebied van onder andere duurzaamheid, mobiliteit, wonen en natuur. De visie is breed en integraal en richt zich op de samenhang tussen verschillende beleidsvelden. Binnen de beleidscyclus van de Omgevingswet – bestaande uit beleidsontwikkeling, beleidsdoorwerking, uitvoering en terugkoppeling – vormt de omgevingsvisie het startpunt. Monitoring en evaluatie zorgen ervoor dat de cyclus steeds opnieuw doorlopen kan worden. De beleidscyclus maakt de samenhang tussen omgevingsvisie, omgevingsprogramma’s en het omgevingsplan (de regels) inzichtelijk. Elk instrument heeft een eigen rol, maar ze versterken elkaar in een samenhangende aanpak van de fysieke leefomgeving.
De beleidscyclus onder de Omgevingswet Samenhang met omgevingsprogramma’s (beleidsontwikkeling) De omgevingsvisie geeft richting aan de ontwikkeling van de stad. Om deze ambities te realiseren, worden omgevingsprogramma’s opgesteld. Deze omgevingsprogramma’s zijn operationeel van aard en bevatten concrete maatregelen en acties om beleidsdoelen uit de omgevingsvisie te realiseren. Er kan onderscheid gemaakt worden in thematische omgevingsprogramma’s en integrale gebiedsgerichte omgevingsprogramma’s en in verplichte en vrijwillige programma’s. Thematische omgevingsprogramma’s zijn gericht op specifieke onderwerpen en bevatten maatregelen die over de hele gemeente kunnen worden toegepast. Omgevingsprogramma’s zijn uitvoerend van aard en richten zich op praktische realisatie van beleidsdoelen. Ze worden vastgesteld door het college van B&W, met participatie van inwoners en stakeholders. De raad heeft een kaderstellende en toezichthoudende rol. 78
Samenhang met omgevingsplan (beleidsdoorwerking) Het omgevingsplan is het juridisch bindende instrument waarin alle regels voor de fysieke leefomgeving zijn vastgelegd. Hierin wordt onder andere bepaald welke activiteiten wel of niet zijn toegestaan, en of dit met of zonder vergunning kan. Het omgevingsplan is ook de plek om methodieken, zoals het puntensysteem natuurinclusief bouwen of het afkoppelen van hemelwater, te verankeren. Het plan vormt daarmee de juridische borging van de ambities uit de omgevingsvisie en de omgevingsprogramma’s. De gemeenteraad is het bevoegd gezag om het omgevingsplan vast te stellen of te wijzigen. Sinds 1 januari 2024 zijn alle bestemmingsplannen van rechtswege omgezet naar een tijdelijk omgevingsplan. Gemeenten hebben tot 2032 om dit om te zetten naar een volwaardig plan met generieke en gebiedsspecifieke regels. Bij het toevoegen van gebiedsspecifieke regels kunnen ook elementen uit de omgevingsvisie (en omgevingsprogramma’s) worden opgenomen. Het omgevingsplan speelt een centrale rol in de beleidsdoorwerking én de uitvoering. Activiteiten en projecten worden primair getoetst aan het omgevingsplan omdat het juridisch bindend is. Samenhang met projecten (uitvoering) Als een activiteit/initiatief niet binnen het omgevingsplan past, kan via een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit worden afgeweken.
In dat geval biedt de omgevingsvisie (samen met programma’s en sectoraal beleid) een belangrijk afwegingskader: de mate waarin een initiatief bijdraagt aan de kernwaarden en ambities uit de visie is dan leidend. Zo werkt de omgevingsvisie dus indirect door in projecten en fungeert die als richtinggevend én beoordelingskader. Monitoring en evaluatie van de omgevingsvisie Monitoring en evaluatie zijn essentieel binnen de beleidscyclus. Via monitoring wordt gevolgd of de doelen en ambities uit de omgevingsvisie ook echt worden bereikt. Dit gebeurt deels via de programmabegroting, waarin al veel doelen worden gevolgd. Daarnaast kan aanvullende monitoring plaatsvinden, bijvoorbeeld via de monitor Brede Welvaart van Het PON & Telos. Indien blijkt dat doelen niet worden gehaald, of als er nieuwe opgaven ontstaan, kan de omgevingsvisie worden herzien. Dit biedt ruimte om nieuwe maatregelen te introduceren of bestaande bij te stellen, zodat de visie actueel en effectief blijft. Omgevingsvisie, -programma’s en -plan: dynamisch en digitaal in het DSO De omgevingswetinstrumenten omgevingsvisie, -programma's en het omgevingsplan zijn digitale instrumenten en raadpleegbaar in het digitaal loket (DSO). Het zijn allemaal dynamische documenten die steeds weer aangepast, aangevuld en/of gewijzigd kunnen worden.
79
Handelingsperspectief: van visie naar uitvoering De omgevingsvisie Tilburg 2050 schetst een toekomstbeeld voor een breed welvarende gemeente. Om dit te bereiken zetten we in op een compacte, gezonde, inclusieve en weerbare stad, waarbij kwaliteit voorop staat. De ambities in deze visie vragen om aanvullende stappen te zetten in beleid, uitvoering en samenwerking. Daarom sluiten we deel A van de Omgevingsvisie af met een handelingsperspectief: wat doen we al, en wat is er nodig om deze visie verder te brengen en uit te voeren? Versterken van de uitvoering In deel A van de Omgevingsvisie verankeren we beleid dat eerder al is vastgesteld. Dat beleid is belangrijk om de opgaven die we richting 2050 hebben effectief aan te pakken en om een breed welvarende stad te realiseren. Waar we richting 2050 sterk op inzetten is het beter benutten van de bestaande ruimte (gebouwd en ongebouwd) en het accommoderen van de juiste functie op de juiste plek. Zo zetten we veel energie op het splitsen, optoppen en transformeren van de bestaande bebouwing, en het beter gebruiken van daken en gevels. En is de revitalisering van bedrijventerrein inclusief de verschuiving van bedrijvigheid van de bestaande bedrijventerreinen naar elders in de stad een speerpunt.
We willen dat maatschappelijke voorzieningen meegroeien met de verstedelijking en dat de openbare ruimte uitnodigt tot ontmoeting, beweging, sport en spel. Om dit beleid ook daadwerkelijk tot wasdom te brengen is het nodig om goede randvoorwaarden te scheppen, te stimuleren, maatregelen te nemen of in sommige ontwikkelingen bewust een voortrekkersrol in te nemen. Via het Woonbeleid 2025-2030, het Convenant Wonen 2025-2029, de Nota Omgevingskwaliteit en het Programma revitalisering bedrijventerreinen hebben we hierin forse stappen gezet. Het beleid werkt door in hoe en waaraan we werken, hoe we omgaan met initiatieven en afspraken die we met onze partners maken. Concreet is op het gebied van wonen geld gereserveerd voor het actualiseren van het splitsingsbeleid, werken we aan de uitbreiding van de zelfbewoningsplicht bij betaalbare nieuwbouw koopwoningen. En nemen we collectiviteit mee in nieuwbouwontwikkelingen en zetten we in op de realisatie van een bredere diversiteit aan woonvormen. De Nota Omgevingskwaliteit kent ook deze doorwerking, bijvoorbeeld voor innovatieve toepassingen van gevels en daken. En het Programma revitalisering bedrijventerreinen is een goed voorbeeld van het innemen van een voortrekkersrol. Richting 2050 is dit niet genoeg om onze ambities waar te maken. We zullen als gemeente vaker een regisserende rol moeten pakken.
Aanvullend op wat we al doen zetten we in elk geval in op: - het ontwikkelen van een nieuwe benadering voor de openbare ruimte; - verdichtingsstudies voor de Reeshof en Ringbaanmilieu-Zuid; - het versterken van nabijheid; - de verdere uitwerking van de omgevingsvisie en doorvertaling in omgevingsprogramma’s en gebiedsvisies.
80
De veranderende rol van de overheid: bewustere rolneming—waar faciliterende, waar voortrekkersrol? De rol van de overheid in ruimtelijke ontwikkeling is de afgelopen decennia sterk veranderd. Waar we vroeger vooral een faciliterende houding aannamen – gericht op het scheppen van randvoorwaarden en het ondersteunen van initiatieven uit de markt – zien we de laatste jaren een duidelijke verschuiving naar een meer actieve en sturende rol. Deze transitie is ingegeven door de complexiteit van maatschappelijke opgaven, de noodzaak tot integrale gebiedsontwikkeling en het besef dat sommige transities niet vanzelf tot stand komen. In Tilburg heeft deze voortrekkersrol inmiddels zijn waarde bewezen. Bij diverse (her)ontwikkelingsgebieden, zoals Kenniskwartier en de Spoorzone, heeft de gemeente actief regie gevoerd, partijen samengebracht en voorwaarden gecreëerd voor kwalitatieve groei. Maar de stedelijke ontwikkeling speelt zich allang niet meer uitsluitend af op grote ontwikkellocaties. De dynamiek verschuift naar bestaande wijken, gemengde gebieden en kleinere transformatielocaties. Juist hier is een actieve rol van de overheid essentieel om samenhang te waarborgen, versnippering te voorkomen en maatschappelijke meerwaarde te realiseren. Dat vraagt om gebiedsgericht werken, het verbinden van opgaven en het durven nemen van initiatief.
We bewegen mee met de veranderende stedelijke dynamiek en kiezen bewust per situatie onze rol. In plaats van een standaardaanpak, werken we steeds vaker gebiedsgericht en contextafhankelijk, waarbij we samen met partners en inwoners actief sturen waar nodig en faciliteren waar mogelijk. Nieuwe benadering openbare ruimte: regie op kwaliteit en samenhang De openbare ruimte is de fysieke drager van veel van onze ambities. Vergroening, ontmoeting, mobiliteit, energie, klimaatadaptatie en gezondheid komen hier samen en de ruimte wordt intensiever gebruikt. Om hier effectief op in te spelen moeten we een nieuwe benadering van de openbare ruimte ontwikkelen, om:: - scherpe keuzes en prioriteringen te maken bij (her)inrichting van straten, pleinen en parken in het licht van de ambities en opgaven zoals beschreven in deze visie; - ruimteclaims (boven- en ondergronds) van verschillende transities (energie, mobiliteit, water, groen) slim en creatief te combineren volgens de principes van meervoudig ruimtegebruik en verweven van functies; - actief te sturen op kwaliteit, inclusiviteit en identiteit per gebied van ontwerp tot uitvoering. De nieuwe benadering bevordert samenhang tussen de publieke en private ruimte op gebiedsniveau, met extra aandacht voor de inrichting van de publieke ruimte.
Daarnaast zorgt het voor een betere afstemming van alle opgaven in zowel de publieke als private ruimte, inclusief het beheer. Het is een belangrijk instrument voor verdichtingsopgaven, wijkvernieuwing, de mobiliteits- en energietransitie en de water- en groenopgave. Verdichtingsstudies voor de gebieden Reeshof en Ringbaanmilieu-Zuid Om de woningbouwopgave binnen bestaand stedelijk gebied tot 2040 en daarna te kunnen realiseren, is het noodzakelijk om actief te blijven zoeken naar geschikte locaties voor woningbouw. Hoewel er al veel locaties in beeld zijn, vergt de omvang van de opgave – 25.000 woningen tot 2040 en nog eens 10.000 woningen tussen 2040 en 2050 – extra ontwikkellocaties om de opgave te accommoderen. 81
In dat kader starten we verdichtingsstudie voor de Reeshof en het gebied Ringbaanmilieu-Zuid. In de Reeshof liggen niet alleen ruimtelijk kansen, maar geeft ook de demografische ontwikkeling aanleiding voor onderzoek. Voor Ringbaanmilieu-Zuid laten eerdere verkenningen zien dat ook hier potentie ligt om extra woningen toe te voegen. Daarnaast geven andere ontwikkelingen en opgaven in het gebied aanleiding voor verder onderzoek. Door nu al te verkennen welke ruimtelijke kansen hier liggen voor stedelijke verdichting en functiemenging, kunnen we tijdig inspelen op toekomstige woningbehoefte en bijdragen aan een evenwichtige spreiding van woningbouw over de stad. De onderzoeken richten zich op de ruimtelijke mogelijkheden en vormen een bouwsteen voor de gebiedsvisies Reeshof en Zuid, waarin de integrale afweging plaatsvindt met andere opgaven. Nabijheid versterken We willen nabijheid versterken en ruimte creëren voor bedrijven met een zwaardere milieubelasting op bedrijventerreinen. De oude cultuurhistorisch waardevolle stadslinten zien we als de levensaders van de stad. Verouderde winkelstrips, binnenwijkse bedrijventerreinen waar veel bedrijvigheid zat (o.a. detailhandel), lenen zich goed voor het programmeren van werk en het mixen van functies. Ook de Kanaalzone biedt potentie.
Door hier werklocaties voor werk te behouden en gericht woonfuncties toe te voegen, ontstaat een aantrekkelijk woon-werkmilieu dat beter aansluit bij de centrale ligging in de stad. Dit kan bovendien bijdragen aan een sterkere verbinding tussen Oud-Noord en Tilburg-Noord, waarbij nabijheid en bereikbaarheid centraal staan. Met het programma Revitalisering en de bouwsteen Maatschappelijke Voorzieningen zetten we gerichte stappen om deze transformatie te ondersteunen. Deze beleidsinstrumenten helpen de gewenste beweging op gang te brengen. Maar niet alle vormen van bedrijvigheid, commerciële en maatschappelijke voorzieningen passen overal. Daarom is het nodig om gericht te kijken naar locaties waar deze functies het beste tot hun recht komen. We kijken breder dan het traditionele detailhandelsbeleid. Kleine, publieksgerichte detaillhandelsondernemingen dragen niet alleen bij aan economische vitaliteit, maar vervullen ook een belangrijke maatschappelijke functie. Ze bevorderen nabijheid, stimuleren ontmoeting tussen bewoners en versterken de sociale veerkracht van buurten. Dit geldt met name op plekken waar de leefbaarheid onder druk staat of waar herontwikkeling plaatsvindt, zoals in verouderde winkelstrips of op strategische straathoeken.
Dit vraagt om een andere benadering dan het oude detailhandelsbeleid, dat nog niet inspeelt op de veranderende rol van winkels en publieksgerichte ondernemingen in de wijk. Door het beleid te actualiseren, kunnen we beter aansluiten bij de veranderende en bredere waarde van detailhandel en gericht ruimte bieden aan initiatieven die bijdragen aan levendige, inclusieve en toekomstbestendige wijken. Uitwerking omgevingsvisie en doorvertaling in omgevingsprogramma’s en gebiedsvisies De onderzoeksopgaven in deel A van de omgevingsvisie vragen om een uitwerking in deel B en/of in thematische programma’s of gebiedsvisies. De onderzoeksopgaven, veelal benoemd in de intermezzo’s, zijn: Oude Stad, Kanaalzone, Ringbaanmilieu-Zuid, Reeshof en omgeving Dongenseweg – Baron van Voorst tot Voorstweg. Verder vraagt de visie in brede zin om een doorvertaling naar thematische programma’s en gebiedsvisies, zoals genoemd in de tabel. 82
Thematische programma’s Warmteprogramma Volkshuisvestingsprogramma Omgevingskwaliteit Water- en Riolering Mobiliteit Revitalisering bedrijventerreinen
Gebiedsvisies West Zuid Oud-Noord Oud-Zuid Reeshof Dorpen
Tilburg heeft al een gebiedsgericht programma: Kenniskwartier. Sommige gebiedsvisies (Noord en de Binnenstad) en veel sectoraal beleid is er ook al. Dit is input voor de Omgevingsvisie deel A geweest en gebruiken we nog voor deel B. Andersom is de Omgevingsvisie input voor de gebiedsvisies, sectorale programma’s en -beleid die in ontwikkeling zijn of nog worden ontwikkeld. Dit vraagt om een continu afstemmingsproces tussen allerlei trajecten.
83