CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. Omgevingsvisie Deel A

Raadsvergadering 2 februari 2026, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel Omgevingsvisie deel A34.078 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Dat vertaalt zich naar een verminderde gezondheid en kwaliteit van leven, in vervoersarmoede en energiearmoede. Mensen met een gunstige maatschappelijke positie leven gemiddeld langer in goede gezondheid, ervaren hogere kwaliteit van leven en hebben meer vertrouwen in anderen dan mensen in een ongunstige positie. Ook zijn voor hen werk, voorzieningen en zorg gemakkelijker bereikbaar. Met het omgevingsbeleid kunnen we weinig doen aan de oorzaken van deze ongelijkheid, maar we kunnen wél de impact ervan verlichten en ruimtelijke segregatie tegengaan. Daar richten we ons dan ook op. We doen dat bijvoorbeeld door een groene en aantrekkelijke leefomgeving te creëren die uitnodigt tot bewegen en ontmoeten, door te zorgen voor voldoende betaalbare woningen en voor werkgelegenheid en voorzieningen in de nabijheid. Omdat dat in sommige buurten harder nodig is dan in andere, investeren we ongelijk om meer gelijkheid te realiseren.

Verlies aan biodiversiteit De kwaliteit van de natuur in stad en land is over een lange periode sterk teruggelopen. Er is nog 15% over van de inheemse plant- en diersoorten die in 1900 in Nederland voorkwamen. De afgelopen 50 jaar is de populatie van diersoorten met 70% afgenomen. Oorzaken zijn velerlei: verstedelijking, verlies en verdroging van leefgebieden, vervuiling van lucht, water en bodem. Stikstofemissies vormen een pregnant recent voorbeeld met een grote reikwijdte. Zolang de kwaliteit van Natura 2000gebieden te lijden heeft onder de depositie van met name ammoniak en stikstofoxiden, gelden er zware beperkingen voor alle activiteiten die nieuwe deposities in deze natuurgebieden met zich kunnen meebrengen, zoals de bouw. De achteruitgang van de biodiversiteit is in Nederland het afgelopen decennium fors afgeremd door tal van maatregelen, zoals realisatie van nieuwe natuur en ecologische verbindingszones. Maar van 21

structureel herstel is nog geen sprake. Dat heeft niet alleen gevolgen voor het behoud van alle planten diersoorten die ons land rijk is, maar ook voor het veiligstellen van een duurzame voedselvoorziening, schoon drinkwater, een gezonde leefomgeving en het halen van de klimaatdoelen. Sinds 2010 hebben we als gemeente veel maatregelen genomen die direct of indirect bijdragen aan de doelstelling om de achteruitgang van biodiversiteit op lokaal niveau tegen te gaan. Er is veel geïnvesteerd in de natuur, ook in de stad, maar de achteruitgang van de biodiversiteit is nog niet gestopt. Voor een deel komt dat omdat we de stand van de biodiversiteit als gemeente niet volledig in eigen hand hebben. We zijn bijvoorbeeld afhankelijk van het beleid, regelgeving en maatregelen van het Rijk en de provincie. Dat zet onze strategische keuze van landschappelijke versterking, inclusief de verbinding met groene zones en routes in de stad, kracht bij. Landschappelijke versterking is óók ecologische versterking, en in de stad werken we aan biodiversiteit tot aan de voordeur.

Onze inzet: opgaven en ordeningsprincipes In dit hoofdstuk zijn de kansen en kwaliteiten beschreven waar we met ons omgevingsbeleid op in willen spelen, maar ook de belangrijkste trends en ontwikkelingen die om een antwoord vragen. We beschrijven onze inzet in drie typen opgaven en vier algemeen geldende ordeningsprincipes, mede op basis van onze strategische keuzes voor compacte verstedelijking, landschappelijke versterking en een gezonde en weerbare omgeving.

Drie typen opgaven We onderscheiden drie typen opgaven, die elk in een afzonderlijk hoofdstuk worden behandeld: voortbouwen (op wat we waardevol vinden), ombouwen (om te verduurzamen en toekomstbestendig te maken) en bijbouwen (vanwege de groei van de bevolking en economische ontwikkelingen). -

‘Voortbouwen’ gaat over investeren in de kwaliteit van de bestaande woon- en leefmilieus. We spelen in op maatschappelijke behoeften, versterken het goede, en tendensen die er afbreuk aan doen willen we keren of afremmen. We dragen zorg voor zaken die we waardevol vinden, met de intentie dat huidige en toekomstige Tilburgers zich thuis kunnen blijven voelen in hun woonomgeving. Dat kan leiden tot herstel, renovatie en behoud, maar ook tot het aanpassen van bestaande gebouwen, buurten en landschappen en tot nieuwbouw. We houden daarbij een scherp oog voor de erfgoedwaarde en de behoeften in de wijk.

-

‘Ombouwen’ is nodig als netwerken in de fysieke leefomgeving radicaal anders moeten worden georganiseerd of opgewaardeerd. Systemen en processen die in het verleden zijn opgezet voor veel minder mensen en met minder inzicht in de gevolgen voor de gezondheid en de planeet, lopen nu tegen hun uiterste houdbaarheidsdatum aan of zijn die al gepasseerd. 22

Doorontwikkeling op de manier die we de afgelopen decennia gewend waren is eenvoudigweg niet meer mogelijk. Het gaat vooral om de transitie naar duurzame energie (inclusief een grootschalige versterking van het elektriciteitsnet), circulair grondstoffengebruik, duurzame mobiliteit en een klimaatadaptief en biodivers systeem van bodem, water en groen. -

‘Bijbouwen’ hangt samen met de bevolkingstoename en de positie van Tilburg in de regio. Tot 2040 houden we rekening met een programmering van 31.000 en tot 2050 met een totaalopgave van 35.000 extra woningen, met een werkopgave passend bij de identiteit van onze gebieden. Meer mensen betekent ook meer verplaatsingen en meer voorzieningen. De steeds kennisintensievere en meer circulaire economie stelt andere ruimtelijke eisen. Daar willen we ruimte voor maken, en dat kunnen we doen door efficiënter om te gaan met de ruimte die we hebben en functies meer met elkaar te vervlechten. Juist door ruimte voor nieuwe ontwikkelingen binnen de stad te zoeken, ontstaan kansen voor stedelijke kwaliteiten zoals voorzieningen, hoogwaardig openbaar vervoer en een rijk cultureel leven. In de bijbouwopgave staat kwaliteit voorop.

Om deze opgaven verder te brengen zoeken we de samenwerking op met partners: marktpartijen, maatschappelijke instellingen en andere overheden. We geven onze inwoners gelegenheid om mee te denken, mee te doen en bij sommige projecten ook mee te bepalen. Samen ontwikkelen we de stad met lef, ambitie en creativiteit.

Vier ordeningsprincipes Steeds houden we het overkoepelende doel van het omgevingsbeleid voor ogen: om de brede welvaart te vergroten, voor huidige en toekomstige generaties en voor mens en dier, op een manier dat iedereen deelt in de baten van de ontwikkeling. Daarvoor hanteren we vier ordeningsprincipes, of het nu om voortbouwen, ombouwen of bijbouwen gaat. Ze functioneren als leidraad voor ontwerp, beleid en uitvoering: een goede omgevingskwaliteit, nabijheid van voorzieningen, meervoudig ruimtegebruik en het verweven van functies. 1. We dragen zorg voor een goede omgevingskwaliteit. Dat betekent dat we bij ingrepen in de fysieke leefomgeving aandacht hebben voor het samengaan van aspecten met betrekking tot ruimtelijk erfgoed, de kwaliteit van natuur in stad en land, de landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit, de architectonische kwaliteit van bouwwerken en de inrichting van de openbare ruimte. Omgevingskwaliteit wordt bepaald door de waardering voor kenmerken die samenhangen met: o de herkomst, die de geschiedenis van een gebied herkenbaar houden. Het kan gaan om plekken met historische betekenis, zoals monumenten, maar het kan ook een persoonlijk verhaal zijn bij een bepaalde plek; o de beleving, zoals het groen, het uiterlijk van de bebouwing, de geborgenheid, de afwisseling of juist de rust;

23

o

het gebruik van een gebied, zoals de verschillende functies, de bereikbaarheid en de toegankelijkheid; o de mogelijkheden voor de toekomst, zoals economische ontwikkeling, duurzaamheid, biodiversiteit, robuustheid en waardevastheid. 2. We sturen op nabijheid bij de inrichting en ontwikkeling van de stad en dorpen. Wat dat precies betekent is afhankelijk van het type voorziening. Voor sommige voorzieningen is het belangrijk dat ze fysiek nabij zijn (zoals buurtvoorzieningen op loopafstand), voor andere dat ze nabij zijn in tijd (de leerplek op 15 minuten fietsen). Bij weer andere is het belangrijk dat ze niet alleen nabij zíjn maar ook nabij vóelen, en gaat het meer om relationele nabijheid (zoals bij het buurthuis of het sociale netwerk in de wijk) of om digitale nabijheid (zoals de huisarts die makkelijk bereikbaar is via de app of de gemeente via de website). 3. Meervoudig ruimtegebruik of het mengen van functies is het uitgangspunt. Dat betekent dat meerdere functies of activiteiten op dezelfde plek plaatsvinden. Denk aan gebouwen waar bovenin gewoond wordt en onderin maatschappelijke functies gevestigd zijn, daken als tweede maaiveld, pleinen en parken die tegelijkertijd bijdragen aan biodiversiteit en sociale ontmoeting, aan sportvelden die ook als waterberging functioneren, of aan bedrijventerreinen waar ook energie wordt opgewekt.

Dit soort meervoudig ruimtegebruik maakt het mogelijk om efficiënter om te gaan met de beschikbare ruimte. Het bevordert de nabijheid van voorzieningen en de kansen voor stadsnatuur. 4. We zetten in op het verweven van functies, dat wil zeggen het combineren van verschillende functies binnen eenzelfde gebied. Dit draagt bij aan een levendige, efficiënte en toekomstbestendige leefomgeving. Het draagt bij aan een compact ruimtegebruik, stimuleert ontmoeting en maakt wijken veerkrachtiger voor maatschappelijke veranderingen. Verwevenheid ligt in het verlengde van nabijheid en meervoudig ruimtegebruik. Door functies te verweven liggen ze dicht bij elkaar, waardoor mensen zich gemakkelijk kunnen verplaatsen tussen hun woning, werkplek, school of sportvoorziening. Dit bevordert actieve mobiliteit, zoals lopen en fietsen, vermindert de afhankelijkheid van de auto en versterkt de sociale samenhang in buurten. Verwevenheid draagt ook bij aan ruimtelijke menging. Op een slimme manier worden functies samengebracht, zodat een dynamisch leefmilieu ontstaat. Denk bijvoorbeeld aan het terugbrengen van bedrijven met een lage milieubelasting naar stadswijken, of aan verwevenheid van netwerken, zoals een fietsroute, of sport en recreatie als onderdeel van een groene verbinding.

24

Omgevingskwaliteit Goede omgevingskwaliteit vraagt vanaf het begin van het planproces een genereuze grondhouding waarbij elke ontwikkeling waarden toevoegt aan de stad, de dorpen of het buitengebied. Hierbij wordt gewerkt vanuit drie fundamenten: • Inspelen op de identiteit van Tilburg – respect voor de gelaagde geschiedenis en herkenbare plekken, gecombineerd met ruimte voor vernieuwing. • Plekken voor en van iedereen creëren – hoogwaardige, inclusieve en veilige openbare ruimte waarin ontmoeting, beleving en natuur samenkomen. • De toekomst begint nu – keuzes van vandaag dragen bij aan duurzaamheid, flexibiliteit en toekomstbestendigheid. Met deze drie fundamenten sturen we op herkomst-, belevings-, gebruiks- en toekomstwaarden. Afhankelijk van de plek, opgave en betrokkenen kunnen deze waarden verschillend worden ingevuld. In de Nota Omgevingskwaliteit zijn de drie fundamenten onder meer uitgewerkt in 13 regels voor een goede omgevingskwaliteit. Deze regels vormen de basis voor de beoordelingscriteria en geven initiatiefnemers samen met de gebiedsgerichte kwaliteitscriteria aan het begin van een ontwikkeling een goed beeld van de kwaliteitsambitie van de gemeente. Ze vormen een handreiking aan de hand waarvan het gesprek over kwaliteit tot stand kan komen. Zo ontstaat er een gelijk speelveld om samen over de gewenste kwaliteit verder te kunnen nadenken, praten en ontwerpen.

25

3 Voortbouwen: investeren in de kwaliteit van woonen leefmilieus Tachtig procent van de woningen in het Tilburg van 2050 zijn reeds gebouwd. Bijna alle wegen, straten en pleinen liggen er al. Ze vormen de thuisbasis voor de Tilburgers van nu. Onze ambitie is om die thuisbasis op orde te houden en te versterken, op zo´n manier dat Tilburgers zich ook thuis voelen, of blijven voelen, in hun wijk of dorp. We bouwen voort op wat er al is. We behouden wat we waardevol vinden en doen aanpassingen waar dat nodig is. We doen dat tegen de achtergrond van de doelstelling om de brede welvaart in Tilburg te vergroten. Te grote verschillen in omgevingskwaliteit werken sociale verschillen in de hand. Die uiten zich bijvoorbeeld in een mindere arbeidsparticipatie, veiligheid en gezondheid. Er bestaan aanzienlijke verschillen tussen Tilburgse wijken in de gemiddelde levensverwachting. Die verschillen willen we terugdringen. Tegelijk koesteren we de verschillen die juist van waarde zijn. De ene buurt is de andere niet en juist de variëteit in leefmilieus maakt dat Tilburg voor zoveel verschillende groepen een aantrekkelijke woon- en/of werkplaats is. Plekken die de generaties hebben overleefd, geven houvast bij alle veranderingen die er aankomen. Zij staan voor de cultuur van de wijk, het dorp, de stad of het landschap. Ook dat is een element van brede welvaart.

Sommige zijn aangewezen als monument of beschermd stadsgezicht, maar ook identiteitsdragers zonder zo’n erfgoedstatus kunnen voor Tilburgers belangrijk zijn. Ze komen voort uit de historische opbouw van het stedelijke weefsel of uit de landschappelijke rijkdom in de omgeving. Soms minder zichtbaar, maar daarom niet minder belangrijk, is het archeologisch erfgoed. In dit hoofdstuk werken we uit hoe we voortbouwen aan een Tilburg dat inclusief is en typisch Tilburgs blijft, in het verlengde van onze strategische keuzes en aan de hand van onze ordeningsprincipes. Voor het voortbouwen aan bestaande wijken en dorpen is in het bijzonder de keuze voor compacte stedelijke ontwikkeling relevant. Door compact, maar ook inclusief te verstedelijken dragen we bij aan het behoud van de sociale veerkracht in de wijken en dorpen en waar nodig aan de versterking ervan.

Na een toelichting op ‘inclusief verstedelijken’, gaan we in dit hoofdstuk dieper in op hoe we de sociale, economische en ruimtelijke structuur van onze wijken en dorpen ook op langere termijn sterk houden en waar nodig versterken: - voorzieningen en banen nabij woningen, - een (semi)openbare ruimte die ook daadwerkelijk als publieke ruimte functioneert en de woonomgeving biodiverser en meer klimaatadaptief maakt, - een toekomstbestendig woningaanbod dat aansluit op de stedelijke opgave en past in de ontwikkeling van de wijk of het dorp, - een toekomst voor erfgoed als een van de dragers van de omgevingskwaliteit, - een goede balans tussen levendigheid en leefbaarheid, met bijzondere aandacht voor evenementen in de stad. 26

Inclusief verstedelijken De inrichting van de ruimte heeft invloed op hoe mensen samenleven. Ze schept de voorwaarden voor een variëteit aan leefstijlen en economische initiatieven; voor ontmoeten, sporten en spelen. Plekken die uitnodigen om actief te zijn en samen te komen, stimuleren niet alleen de sociale verbinding, maar inspireren Tilburgers ook om nieuwe ideeën en initiatieven te ontwikkelen. Zo draagt de inrichting van de ruimte bij aan een stad die bewoners mede zelf vormgeven en creëren. Deze functie van de fysieke leefomgeving komt alleen tot zijn recht als iedereen mee kan doen en kan bijdragen — ongeacht inkomen, leeftijd, opleiding, culturele achtergrond of fysieke mogelijkheden. De inrichting van de fysieke leefomgeving kan de impact van sociaal-economische verschillen verzachten. Daarom kiezen we voor een inclusieve benadering van de verstedelijking. De vergrijzing verzilveren Een sociaal veerkrachtige samenleving veronderstelt dat mensen naar elkaar omzien en ze het in de gaten hebben als een buur een steuntje in de rug nodig heeft. Dat is niet alleen goed voor de sociale binding met de buurt, maar ook een maatschappelijke noodzaak. Het beroep op medische voorzieningen en welzijnsvoorzieningen neemt namelijk toe. Met meer mensen in de stad gaat dat extra hard.

De verwachting is dat het aandeel van de zorg op de arbeidsmarkt op kan lopen tot één op de drie banen. De capaciteit van zorginstellingen is begrensd. Zorgbehoevenden zijn daardoor meer op hun omgeving aangewezen. Een bevolkingsgroep die hier intensief mee te maken krijgt, zijn de ouderen. De gemiddelde leeftijd van de inwoners van Tilburg wordt steeds hoger. Mensen worden ook gezonder oud. En dat betekent dat ze langer actief blijven — als werkende, als vrijwilliger, als mantelzorger, als oppas of simpelweg als goede buur. De aankomende ‘zilveren’ generatie kent een relatief grote behoefte aan zorgvoorzieningen, maar is in potentie óók een stevige pijler van een buurtgemeenschap die voor elkaar zorgt. Dit benadrukt het belang dat ouderen die willen overstappen naar een kleinere of levensloopbestendige woning, dat kunnen doen zonder de aansluiting met hun sociale netwerk te verliezen. Verspreid over de stad moeten dus voldoende geschikte woningen beschikbaar zijn. Het benadrukt bovendien het belang van ontmoeting, plekken waar mensen elkaar leren kennen of vertrouwd met elkaar raken. In beide kwaliteiten, de beschikbaarheid van geschikte woningen en de aanwezigheid van plekken die uitnodigen tot ontmoeting en sociaal verkeer, heeft het omgevingsbeleid een belangrijke rol te spelen.

We zetten daarom in op diversiteit in woningen. In alle wijken en dorpen streven we naar een mix van woningtypen en prijsklassen, zodat mensen met verschillende achtergronden en in alle levensfasen 27

een plek kunnen vinden. Dat betekent soms de bouw van meer kleinere, betaalbare woningen voor jongeren, ouderen of mensen met een zorgvraag, en soms juist meer middenhuur en betaalbare koopwoningen voor doorstromers. We ontwikkelen vanuit de stedelijke opgave zonder het eigen karakter van de wijk of het dorp en de behoeften van bestaande bewoners uit het oog te verliezen. Inclusief verstedelijken omvat ook de toegankelijkheid en nabijheid van wijk- en buurtvoorzieningen. In wijken waar sociaal-economische ongelijkheid het meest speelt, is het extra belangrijk dat er maatschappelijke en commerciële voorzieningen op loop- en fietsafstand zijn. Denk aan een bruisend wijkcentrum, een zorgpunt in de buurt, of een plek om samen te komen zonder dat het geld kost. Ook de publieke ruimte heeft een cruciale rol. We werken aan een openbare ruimte die ook daadwerkelijk publiek is, die uitnodigt tot bewegen, ontmoeten en ontspannen — voor iedereen. Dat betekent veilige, groene en toegankelijke straten, pleinen en parken waar bewoners elkaar tegenkomen en waarbij aandacht is voor mensen met een fysieke beperking, ouderen en kinderen, en waar mensen zich veilig voelen. Sociaal-economische inclusie vraagt om ongelijk investeren voor gelijke kansen, als antwoord op de grote en hardnekkige verschillen.

In wijken waar de veerkracht onder druk staat, zetten we extra middelen in om de leefomgeving te verbeteren. We werken daar aan een diverse en kwalitatief goede leefomgeving die bijdraagt aan leefbaarheid, perspectief en ontmoeting. Tot slot is participatie in plannen essentieel. We betrekken bewoners actief bij de ontwikkeling van hun wijk of dorp, en we investeren erin dat we hiervoor ook mensen bereiken die vaak ondervertegenwoordigd zijn. Dat vraagt om vormen van participatie waarin taal, cultuur, vertrouwen en toegankelijkheid centraal staan. Tegelijkertijd weten bewoners als geen ander waar voorzieningen ontbreken, waar kansen liggen en waar ongelijkheid wordt ervaren. Met deze waardevolle input kunnen we bouwen aan een stad waarin middelen eerlijk worden verdeeld en waarin huidige én toekomstige generaties kunnen rekenen op een leefbare, duurzame omgeving waarin iedereen zich gezien, gehoord en gewaardeerd voelt. Deze inclusieve verstedelijking sluit aan bij onze GROW+V-waarden. Maatregelen dragen bij aan een goede start van kinderen en jongeren (G), ruimte om te leven (R), optimale kansen voor iedereen (O) en een wereld die bewoners ziet, hoort en waardeert (W). Veiligheid (V) is hierbij een essentiële basisvoorwaarde. Deze kernwaarden vormen de leidraad bij ons beleid om de sociale samenhang te versterken.

Voorzieningen en bedrijven nabij Voorzieningen in het hart van de buurtgemeenschap Maatschappelijke buurtvoorzieningen zoals scholen, buurthuizen, speelplekken, aantrekkelijk groen en zorgvoorzieningen voorzien in basale levensbehoeften en zijn tegelijk plekken waar mensen zich aan 28

hun buurt binden. Binding ontstaat niet alleen door het gebruik van de voorzieningen, maar ook doordat buurtbewoners elkaar daar leren kennen en er bijvoorbeeld als vrijwilliger aan de slag gaan. Nabijheid is daarvoor een eerste voorwaarde. Dat betekent dat voorzieningen niet alleen (fysiek) dichtbij zijn, maar ook dichtbij voelen. We bekijken buurtvoorzieningen niet alleen in hun functionele rol, maar ook in hun rol als drager van de sociale cohesie in de buurt. Ze staan in het hart van de buurtgemeenschap, als trefpunt en als plek waar mensen zich kunnen uitdrukken. Het zijn plekken waar de buurtcultuur in al zijn diversiteit tot ontplooiing kan komen, en zichtbaar en voelbaar is. In lijn met onze ordeningsprincipes nemen we bij de verdere ontwikkeling van wijken en dorpen fysieke nabijheid van maatschappelijke voorzieningen als belangrijk uitgangspunt. Dit nabijheidsprincipe geldt ook voor commerciële voorzieningen en ondernemersruimte. Bij stedelijke gebiedsontwikkelingen willen we ook ruimte voor ondernemers creëren. Veel kleine bedrijven starten of zijn gevestigd in dorpen en woonwijken – in winkelcentra en op kleinschalige bedrijventerreinen, maar ook als bedrijf aan huis. Zzp’ers werken veelal vanuit de woning, een aan de woning verbonden praktijkruimte of nabij de woning.

Kenmerkend voor dit type bedrijvigheid is de natuurlijke binding met de wijk of het dorp, vanwege de afzetmarkt, de woonplek van de medewerkers of activiteiten met bewoners. Zeker publieksgerichte ondernemingen, zoals kleine detailhandelszaken, kunnen bijdragen aan nabijheid, ontmoeting en sociale veerkracht in de wijk —bijvoorbeeld op straathoeken of in voormalige winkelstrips. We onderzoeken hoe wij ons detailhandelsbeleid kunnen laten aansluiten op de ambitie om op dit soort plekken dit type commerciële voorzieningen te ondersteunen.

Verweven van wonen, werken en voorzieningen In het verleden werd een tijd gewerkt vanuit de overtuiging dat woonbuurten zoveel mogelijk dienden te worden gescheiden van andere functies, zoals werken en voorzieningen. Nu zien we juist de voordelen en aantrekkingskracht van verweving en meervoudig ruimtegebruik. Een zorgcentrum of buurthuis om de hoek zorgt juist voor binding met de woonomgeving; een theehuis, uitzendbureau of buurtwinkel in de plint van een appartementencomplex genereert juist levendigheid en ogen op straat. Een sprekend en al uitgevoerd voorbeeld van het verweven van wonen, werken en voorzieningen is het Hart van Noord rond het Wagnerplein. In samenwerking met vele andere partijen realiseerden we hier een wijkcentrum voor Tilburg-Noord met woningen (waaronder een woonzorgcentrum), detailhandel, horeca, een culturele ontmoetingsplek (het VerHalenHuis) en een sportcomplex. Dit is zodanig aansprekend, dat uitbreiding en versterking van het Hart van Noord nu is opgenomen in de nieuwe gebiedsvisie voor Tilburg-Noord. Een volgend voorbeeld is de Westermarkt in Tilburg-West. Samen met bewoners, eigenaren, winkeliers, partners en ontwikkelaars werken we aan een toekomstplan voor bijna 800 woningen, hoogwaardige groene buitenruimte en parkeervoorzieningen, maatschappelijke functies en de vernieuwing van de winkels.

Het verkleinen van de afstanden tussen wonen, werken en voorzieningen hangt nauw samen met de mobiliteitstransitie: beide versterken en beïnvloeden elkaar. Door functies dichter bij elkaar te 29

brengen, ontstaat er meer draagvlak voor voorzieningen en wordt het aantrekkelijker om te kiezen voor lopen en fietsen, openbaar vervoer en deelvervoer. Tegelijkertijd maakt een goede mobiliteitstransitie het mogelijk om functies te concentreren en nabijheid te realiseren. Deze wisselwerking vergroot de keuzevrijheid en verkleint daarmee de auto-afhankelijkheid, versterkt sociale inclusie en vermindert vervoersarmoede. Zo hebben alle Tilburgers — ook wie geen eigen auto heeft of niet veel kan besteden aan vervoer — meer mogelijkheden om te bewegen, deel te nemen aan het stadsleven en gebruik te maken van voorzieningen.

Ruimte voor voorzieningen en werk in wijken en dorpen Richting 2050 werken we actief aan ruimte voor maatschappelijke voorzieningen en bedrijvigheid in de wijken en dorpen. We zetten in op het meer en slimmer huisvesten van maatschappelijke voorzieningen in de woonmilieus. De aard en omvang van maatschappelijk vastgoed stemmen we af op de maatschappelijke behoefte in de wijk of het dorp en de verwachte ontwikkeling daarin. De verwachting is dat in Tilburg als geheel de behoefte aan voorzieningen over de hele linie blijft groeien, en dat de grootste toename zit in de behoefte aan voorzieningen die veel door senioren worden gebruikt. Bij ontwikkelingen kijken we actief hoe we maatschappelijke voorzieningen en bedrijvigheid aan de voorkant kunnen programmeren. Andersom bouwen we nieuwe woningen bij voorkeur op plekken waar al voorzieningen aanwezig zijn, in plaats van verder ervandaan. Bedrijven met een lage milieubelasting (zoals architectenbureaus, kleine klusbedrijven of drukkerijen) stimuleren we om hun vestiging vanuit de middelgrote en grootschalige bedrijventerreinen te verplaatsen naar gepaste locaties in de stad, zoals linten, binnenwijkse bedrijventerreinen, buurt- en wijkcentra, binnenstedelijke werkgebouwen en plinten van appartementencomplexen. Bij gebiedsontwikkelingen bekijken we of en hoe we hier invulling aan kunnen geven.

We willen zo de wijken en dorpen versterken, en bovendien creëren we ruimte op de bedrijventerreinen voor bedrijvigheid die wél een zwaardere milieubelasting heeft (die bijvoorbeeld relatief veel lawaai of geur produceert, of waarbij bedrijfsbusjes of vrachtwagens af en aan rijden). We ondersteunen kleine en startende ondernemers die lokaal en/of regionaal geworteld zijn. Bij herontwikkelingen en verdichtingsprojecten zorgen we voor voldoende geschikte en betaalbare vestigingsruimte, zodat voorzieningen en bedrijvigheid mee kunnen groeien, maar ook elders kan geschikte en betaalbare vestigingsruimte een impuls geven aan de leefbaarheid van de wijk of het dorp. In de detailhandel streven we naar een uitgebalanceerde branchering in de wijken en dorpen afgestemd op de bevolkingsontwikkeling, duurzaamheid en koopgedrag.

Bereikbare stads- en regiovoorzieningen Het nabijheidsprincipe gaat beperkt op bij voorzieningen die belangrijk zijn voor de hele stad en de regio, zoals ziekenhuizen, hogescholen, binnenstadsvoorzieningen, stadsregionale parken en het Willem II-stadion. Maar ook (sport)voorzieningen zoals openbaar (buiten)zwemwater en een multifunctionele indoorhal zijn onderdeel van de opgave. Deze moeten goed bereikbaar zijn voor iedereen (nabijheid in tijd), ook voor bewoners die niet veel te besteden hebben aan vervoer of die niet over een eigen auto beschikken. We zetten in op aantrekkelijke verbindingen tussen 30

woonbuurten en deze voorzieningen, bijvoorbeeld door snelfietsroutes en frequente en snelle openbaarvervoersverbindingen. Hetzelfde geldt voor de bereikbaarheid van bedrijventerreinen voor (potentiële) werknemers.

Een openbare ruimte die leeft Niet alleen gebouwde voorzieningen staan in het hart van een buurt. Dat geldt zeker zo sterk voor de openbare ruimte. De openbare ruimte is meer dan een gebied om doorheen te bewegen. We zien het als een netwerk van aantrekkelijke en voor iedereen toegankelijke plekken waar mensen elkaar ontmoeten, waar identiteit zichtbaar wordt en waar bewoners invloed op kunnen uitoefenen. Een voorbeeld hiervan is de betekenis die een aangepakt Westerpark in het hart van West kan gaan hebben. Een goed ingerichte en functionerende openbare ruimte is er een die daadwerkelijk publiek aanvoelt — die leeft. In ons streven naar een gezonde en weerbare leefomgeving speelt de openbare ruimte in de stad een grote rol, deels ook op een onnadrukkelijke manier. De inrichting ervan heeft invloed op het gedrag, bijvoorbeeld op de sociale interactie in de buurt, de lichaamsbeweging of het voedingspatroon. Als bijvoorbeeld loop- en fietsroutes aantrekkelijk zijn, zullen bewoners ze vaker gebruiken. Zo is de openbare ruimte belangrijk voor de mentale en fysieke gezondheid. Water en stadsnatuur maken wijken en dorpen weerbaarder tegen de gevolgen van de klimaatverandering. Juist in een woonomgeving die verdicht, met meer woningen voor kleinere huishoudens zonder eigen tuin, is dat van belang. De inrichting van de openbare ruimte is dan cruciaal voor de leefbaarheid.

Versterking van het publieke karakter Een werkelijk publieke ruimte reflecteert de diversiteit van de stad en biedt bewoners de kans om hun eigen omgeving naar hun hand te zetten, om er zelf betekenis aan te geven. Dit kan bijvoorbeeld via gezamenlijke buurtprojecten en -initiatieven, wijkevenementen en kunst in de openbare ruimte. In een inclusieve stad is de publieke ruimte een dynamische ruimte, waar bewoners en gebruikers laagdrempelig samen kunnen komen. In Tilburg hebben we al veel van dit soort plekken. Denk aan het Spoorpark, waar de stad is vergroend onder regie van Tilburgers, gevoed door ideeën van bewoners en ondernemers, en tot op de dag van vandaag bestierd en onderhouden met de inzet van veel vrijwilligers. Of aan Koningsoord in BerkelEnschot, waar het gebied rond het monumentale klooster is gerenoveerd tot een dorpshart waar woningen met verschillende aantrekkelijke voorzieningen zijn gecombineerd. Dat soort plekken koesteren we. Elders vraagt de openbare ruimte om verdere ontwikkeling. Semi-openbare ruimten hebben daar een bijzondere rol in. Dit zijn bijvoorbeeld binnentuinen die een besloten ligging combineren met een openbare toegankelijkheid, of voorgevels met voldoende ruimte

31

om een bankje of een paar tuinstoelen neer te zetten. En ook portieken, galerijen, gedeelde tuinen en balkons lenen zich hier goed voor. Verdichtingsprojecten zien we uitdrukkelijk in samenhang met de (semi-)openbare en private ruimte. Grenzen tussen verschillende typen ruimte vervagen en worden meer fluïde. Meervoudig ruimtegebruik biedt interessante ontwikkelkansen. Denk daarbij aan het maken van gezamenlijke (groen- of sociale) voorzieningen in gebouwen en/of op daken, of een aantrekkelijke buitenruimte bij maatschappelijke en commerciële voorzieningen die veel publiek trekken. Een goed voorbeeld is het Programma 013 Parken, waarbij we uitvoering geven aan de gezamenlijke opgaven op het gebied van groen, water en klimaatadaptatie, met focus op versteende gebied binnen de ringbanen en de verbindingen naar de Stadsregionale Parken (de boslijn, cultuurlijn, en waterlijn). Verdichting is zo ook een kans om de kwaliteit van de openbare ruimte te versterken. Er ligt een nauwe relatie met de mobiliteitstransitie (hoofdstuk 4). Een goede kwaliteit van loop- en fietsroutes stimuleert het gebruik ervan. Door de functie van de openbare ruimte voor het gemotoriseerd verkeer minder dominant te maken, creëren we een omgeving die meer uitnodigt tot fietsen en lopen, naast de versterking van de functie voor sport, spel, wijkevenementen of andere vormen van informele ontmoeting.

Een werkelijk publieke ruimte is ook een ruimte waar onze inwoners veilig zijn en zich veilig voelen. Een goed ontworpen stedelijke omgeving kan criminaliteit en overlast voorkomen. Sociale veiligheid draagt bij aan een prettige leefomgeving waar mensen graag verblijven en zich thuis voelen. Dat bevordert de sociale interactie en gemeenschapszin. Bij het ontwerp van openbare ruimten hanteren we de richtlijnen van Veilig Ontwerp en Beheer (VOB) als leidraad.

Verbinden van groen en blauw, in en om de stad Richting 2050 zijn er twee verschillende kwaliteiten die we breed verder willen ontwikkelen in de openbare ruimte. Ten eerste is dat sociale kwaliteit. Een levendige openbare ruimte met een aantrekkelijke en voor iedereen toegankelijke inrichting stimuleert ontmoeting. Als het fijn is om naar buiten te gaan omdat je daar een leuk rondje kunt maken, om kinderen buiten te laten spelen of omdat je daar vrienden treft, is de kans groot dat je dat regelmatig doet — en daarmee ook dat je in contact komt met buurtgenoten. Dat is belangrijk voor de fysieke én mentale gezondheid. Ook de groenkwaliteit van de openbare ruimte vraagt om extra ontwikkeling. Groen zorgt voor koelte, met name in de stad, en laat zich goed combineren met de sociale kwaliteit. Goed ontworpen en onderhouden groen draagt bij aan het stadslandschap en creëert een uitnodigende omgeving om in te sporten, spelen en ontspannen. Groene verbindingen zorgen voor aantrekkelijke fiets- en wandelroutes. Groen in de stad is bovendien onmisbaar als deel van het groenblauwe netwerk. Daaraan zijn opgaven verbonden voor onder meer het waterbeheer en de natuurontwikkeling (zie hoofdstuk 4, ‘Ombouwen’). Als het benaderd wordt als onderdeel van het watersysteem, in aanvulling op de meer 32

technische onderdelen daarvan, kan stadsgroen bijdragen aan een verminderd risico op wateroverlast bij extreme buien. De wijkwaterplannen die nu worden opgesteld leggen de basis onder een nieuwe bovengrondse waterstructuur. Om significant bij te dragen aan de biodiversiteit, is het belangrijk dat het stadsgroen voldoende ecologische kwaliteit heeft, onderling verbonden is en in verbinding staat met het buitengebied. De stadsnatuurkaart 2040 en de inrichtingsbouwstenen uit de Beleidsnota Biodiversiteit (2040) vormen daarvoor ons kader. Groen is op dit moment in grote delen van Tilburg, met name in de Oude Stad, schaars. Andere delen van de stad kennen weliswaar voldoende, maar weinig divers groen. Met name in Tilburg-Noord en West komen gebieden voor met vooral kwetsbaar en anoniem “kijkgroen” dat onvoldoende uitnodigt tot sport, spel, ontmoeting of andere vormen van gebruik en daardoor nauwelijks een rol speelt in de ontwikkeling of versterking van buurtgemeenschappen. Daarom gaan we het Programma 013 Parken verder doorontwikkelen, waarmee we de verschillende groenstructuren in en om de stad sterker met elkaar, en met de stadsregionale parken in het buitengebied, verbinden.

Dat doen we door het herinrichten van grotere groengebieden in de stad met te weinig kwaliteit, aanleg van royale groenzones bij gebiedsontwikkelingen en het ontwikkelen en verbinden van meerdere kleine tuinen — van daktuinen tot landschapstuinen, siertuinen tot groentetuinen, openbaar/semi-openbaar maar ook privaat. Dat zijn uitdrukkelijk tuinen in de groene én sociale zin van het woord: het is tegelijk een thuishaven voor flora en fauna, en voor mensen die willen spelen, sporten, en elkaar ontmoeten. We bouwen voort op de karakteristieken en mogelijkheden van de verschillende wijken en dorpen. In de Oude Stad zijn veel relatief kleine, intieme groengebieden te vinden die terug te voeren zijn op de historische ontwikkeling, zoals de herdgangen, plantsoenen en kloostertuinen. In andere wijken is het groen mee-ontworpen met de stedenbouw, bijvoorbeeld de binnenhoven bij de vroeg-naoorlogse middelhoogbouw of collectief groen rondom hoogbouwcomplexen. In De Blaak verraadt het vele water de relatief lage ligging en in Reeshof-West is het oorspronkelijke landschap van de Donge terug te zien in de groenstructuur. Hiervoor is een nieuwe benadering van de openbare ruimte nodig, waarmee we de groen- en alle andere ambities die in de openbare ruimte landen in samenhang programmeren.

Zo kunnen we zorgen dat de (her)inrichting van de openbare ruimte in het Tilburg van de toekomst – waarin veel opgaven samenkomen in dezelfde ruimte – integraal en gebiedsgericht plaatsvindt. Soms in één keer en hand in hand met verdichtingsprojecten of andere ingrepen, maar soms ook los van of voorafgaand aan stedelijke ontwikkelingen.

Toegankelijk Tilburg Hoewel we de afgelopen periode flinke stappen hebben gezet in het toegankelijker maken van de fysieke leefomgeving, worden inwoners met een beperking nog steeds geconfronteerd met drempels en dichte deuren. Gebouwen zijn vaak niet goed toegankelijk, op veel plekken bestaat er een tekort aan voorzieningen (zoals mindervalidetoiletten), en de openbare ruimte is zowel in ontwerp als in 33

onderhoud niet altijd inclusief ingericht. Dat is niet voor iedereen even zichtbaar. Scheve stoeptegels en wegwerkzaamheden worden door de één misschien amper opgemerkt, maar kunnen voor iemand in een rolstoel of met een rollator betekenen dat ze een plek simpelweg niet kunnen bereiken. Ook zijn evenementen niet altijd even goed bereikbaar en toegankelijk voor mensen met een beperking. Richting 2050 willen we die situatie omkeren. We willen in ontwerp en in onderhoud toewerken naar een situatie waarin mensen met een beperking niet als aparte doelgroep worden beschouwd, maar de standaard is dat (openbare) ruimtes voor iedereen toegankelijk zijn — afwijken blijft mogelijk als goed onderbouwd is waarom toegankelijkheid voor iedereen op een specifieke plek niet haalbaar is. Als een ruimte toegankelijk is voor mensen met een rolstoel of rollator en mensen met een visuele beperking, dan zijn ze voor iedereen toegankelijk – ook bijvoorbeeld voor mensen met een kinderwagen.

Passend woningaanbod Nieuwbouw, verbouw en transformatie van bestaande bebouwing spelen een rol in het versterken van wijken met een woningaanbod dat te eenzijdig is of om een andere reden onvoldoende aansluit bij de opgave in de wijk. Het is goed voor de sociale cohesie en de kwaliteit van leven als mensen die dat willen, na verhuizing de aansluiting behouden met hun sociale netwerk. Voor veel mensen is dat ten minste deels buurtgebonden. Deze ambitie betekent bijvoorbeeld dat jongeren in de eigen wijk een betaalbare starterswoning kunnen vinden en dat ouderen in hun eigen woonomgeving terecht kunnen als hun woonbehoefte verandert (als ze bijvoorbeeld kleiner willen wonen of meer zorg nodig hebben). Voor anderen kan het belangrijk zijn om juist uit de oude woonomgeving te verhuizen, bijvoorbeeld naar een plek met meer ruimte voor de eigen leefstijl of een buurt waar ook andere familieleden wonen. We willen dat het woningaanbod de verscheidenheid aan woonwensen weerspiegelt. Dat betekent dat we in de wijken en dorpen sturen op meer evenwicht en meer variatie in de bouwproductie, met aandacht voor de kwaliteit, de typologie en de vernieuwing van het woningaanbod. Gezien de demografische ontwikkeling in de wijken, dorpen en gemeente als geheel resulteert dat in een wezenlijk andere woningbouw dan we lange tijd gewend waren.

Het leeuwendeel van ons woningaanbod is ontwikkeld in periodes waarin de gemiddelde huishoudenssamenstelling en woonbehoeften er anders uitzagen dan nu. Het aandeel huishoudens van één of twee personen zal voorlopig blijven toenemen. Dat hangt samen met de vergrijzing en met het feit dat jongeren langer alleen wonen en gemiddeld later en minder kinderen krijgen dan vroeger. Op die verschuiving moeten we onze gemeente gaan inrichten. Het stelt eisen aan zowel het woningtype als de locatie en omgeving van de woning. Bij die eisen spelen ook de veranderingen in de zorg een rol. De zorg, met name voor ouderen, maar ook voor gezinnen met kinderen, zal meer in de directe omgeving van de woning of op buurtniveau georganiseerd moeten worden. Dat stelt eisen aan spreiding van laagdrempelige (zorg)voorzieningen, plekken voor sociale ontmoeting en passende sport- en bewegingsfaciliteiten. 34

Bestaande woningen beter benutten We zetten een deel van onze totale woningbouwopgave in om invulling te geven aan onze ambitie om iedereen die dat wil een wooncarrière te bieden in de eigen woonomgeving. Dat kan door woningen op nieuwe plekken te bouwen, maar ook door beter gebruik te maken van woningbouw die al in de wijk of het dorp aanwezig is. Dat sluit aan bij ons ordeningsprincipe van nabijheid. Het gaat dan bijvoorbeeld over woningsplitsing (van één woning, twee of meer woningen maken) of optoppen (één of meerdere verdiepingen op een bestaand woongebouw plaatsen). Dit soort maatregelen hebben veel potentie, maar maar worden nog niet veelvuldig toegepast. Als gemeente gaan we daarom onderzoeken hoe we hierin actief een voortrekkersrol kunnen innemen. Belangrijk daarbij is de continue afweging tussen het toevoegen van woningen en het bewaken van de leefbaarheid en ruimtelijke kwaliteit. Waar bestaande woningen niet meer voldoende aansluiten bij de woningbehoefte of de opgave in de wijk, heeft het de voorkeur om in te zetten op verbouw of transformatie. Mocht dat op specifieke plekken niet mogelijk of toereikend blijken, dan kan het nodig zijn om gericht herstructurering (dat wil zeggen sloop en nieuwbouw) te overwegen.

Maar dat is alleen een optie als de bestaande woningen niet meer goed toekomstbestendig te maken zijn en de herstructurering duidelijk positief zal bijdragen aan de leefbaarheid en de veiligheid van de wijk.

Stimuleren van nieuwe woonvormen Landelijk zien we een toenemende aandacht voor specifieke woonvormen, waarin bijvoorbeeld de zorg collectief georganiseerd wordt, buren nog meer dan elders op elkaar betrokken zijn of juist de levendigheid van een hoogstedelijke omgeving wordt gezocht. Die ontwikkeling willen we faciliteren, zeker als er ook een impuls van uitgaat op de (semi-)openbare ruimte (zoals bij woonhofjes of gezamenlijke daktuinen). We gaan onderzoeken hoe we de realisatie van dit soort woonvormen kunnen stimuleren — bijvoorbeeld door het ondersteunen van initiatieven als coöperaties en collectief particulier opdrachtgeverschap. Dat kan ook helpen bij het realiseren van voldoende geschikte woningen voor aandachtsgroepen met een zorg- of ondersteuningsvraag, bijvoorbeeld mantelzorg- of kangoeroewoningen. Of bij andere typen bijzondere woonvormen, zoals atelierwoningen of woon-werkconcepten.

Betaalbaar wonen Betaalbaarheid van wonen staat in heel Nederland onder druk. En hoewel Tilburg tot de meest betaalbare stedelijke woningmarkten van Nederland behoort, heeft ook onze gemeente te maken met een aanmerkelijk tekort aan betaalbare woningen — met alle stress en leed van dien. Als gemeente proberen we bij te sturen waar we kunnen, omdat we het belangrijk vinden dat Tilburgers met een grote en een kleine portemonnee een fijne en passende woning kunnen vinden in onze gemeente. We sturen onder andere bij door voor te schrijven dat 70% van de nieuw te bouwen koop- en huurwoningen op ons grondgebied betaalbaar moeten zijn. 35

Maar omdat de relatief hoge woonlasten deels ook te maken hebben met de manier waarop de Nederlandse woningmarkt is georganiseerd, bestaat de kans dat betaalbaar wonen voorlopig een uitdaging blijft. Als gemeente hechten we veel waarde aan een betaalbaar woningaanbod. Als we nieuwe kansen zien om daaraan bij te dragen, naast onze voorschriften over betaalbare nieuwbouw, willen we die kansen benutten – bijvoorbeeld als veranderingen in de nationale regelgeving nieuwe mogelijkheden bieden.

Woningbouw als hefboom In wijken waar de leefbaarheid en vitaliteit onder druk staan, zetten we woningbouw ook in als hefboom. Op dit moment is dat met name het geval in de vroeg-naoorlogse wijken in Tilburg-Noord, West en -Zuid. Daar wordt de leefbaarheid in sommige buurten ervaren als relatief laag. Er is sprake van concentraties van mensen in een kwetsbare positie. Dat gaat ten koste van de sociale veerkracht van deze gebieden. Tilburg Noord en –West vallen onder het Nationale Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV), waarin publieke en private partijen samenwerken aan een samenhangende aanpak. Hierin hebben we afgesproken om in deze gebieden extra te investeren vanuit het principe van ongelijk investeren voor gelijke kansen. Daarmee willen we extra investeren in omgevings- en woonkwaliteit en de aanwezigheid van verschillende woontypologieën. Door de eenzijdigheid van het woningaanbod te doorbreken, willen we zowel een wooncarrière in de wijk zelf mogelijk maken, alsook nieuwe groepen aantrekken van buiten de wijk. Deze aanpak werkt alleen als hefboom in combinatie met het versterken van maatschappelijke voorzieningen en de openbare ruimte, op een manier die passend is voor de huidige bewoners en gebruikers.

Niet alleen bevordert de nieuwbouw het draagvlak voor voorzieningen (zoals scholen en winkels), maar er ontstaat ook de mogelijkheid om de realisatie van nieuwe voorzieningen en de verbetering van de openbare ruimte te integreren met de nieuwbouw. Zo vergroten we de kans dat mensen met verschillende achtergronden elkaar ontmoeten en de sociale samenhang daardoor aansterkt.

Erfgoed verbindt Erfgoed verbindt. Het draagt daarmee ook bij aan de sociale samenhang. Bij elke ingreep vragen we daarom aandacht voor de cultuur en opbouw van wijk, dorp of omgeving. Een deel van het gebouwde, landschappelijke en archeologische erfgoed is beleidsmatig beschermd. Maar ook op andere plekken vertegenwoordigt de omgeving zichtbare en onzichtbare historische waarden waar bewoners aan hechten. Met gebiedsbiografieën en transformatiekaders leggen we kennis vast over bijzondere wijken en gebieden in onze gemeente. Dit dient ter inspiratie voor gebiedsontwikkelingen.

36

Behoud door ontwikkeling We volgen in ons erfgoedbeleid het motto ‘behoud door ontwikkeling’. Ontwikkeling in de vorm van vernieuwing, herbestemming of transformatie is een voorwaarde om cultuurhistorische waarden te behouden. We gaan uit van het bestaande en gebruiken dat als inspiratie voor de toekomst. Daar zijn al mooie voorbeelden van gerealiseerd, zoals het klooster aan de Oude Dijk, de Vredeskerk en de Margarita Maria Alacoquekerk. De relatie tussen erfgoed en innovatie bezorgt de Spoorzone haar unieke entourage, met de transformatie van de LocHal die zelfs internationaal de aandacht heeft getrokken en de herontwikkeling van de Wagenmakerij en Koepelhal als volgend deelproject. ‘Behoud door ontwikkeling’ zorgt ervoor dat het erfgoed gebruikt blijft worden, dat er een financieeleconomische basis voor het beheer blijft bestaan, en dat het zo zijn functie voor de stad behoudt. Ook met bijvoorbeeld de eerdergenoemde impuls aan de linten in de Oude Stad zetten we daarop in. Elke vernieuwing, herbestemming of transformatie is bovendien een kans op verduurzaming. De komende jaren blijft bijzondere aandacht nodig voor de opgave om cultuurhistorisch waardevolle ensembles beter te beschermen. Dat geldt ook voor herbestemming van religieus erfgoed.

Nieuw is de inbedding van relatief jong erfgoed in de stedelijke ontwikkeling: erfgoed uit de wederopbouw en het zogenaamde Post65-erfgoed uit de periode 1965-1990. Tilburg beschikt over een omvangrijk, rijk en goed bewaard archeologisch erfgoed. De komende jaren wordt naast onderzoek, beheer en behoud ingezet op het presenteren van deze kwaliteit aan bewoners en bouwers, zodat ook dit erfgoed zijn rol kan vindt in de beleving van de wijk, de stad of het dorp. Zo zal archeologisch onderzoek onder andere inspiratie bieden voor ontwerpoplossingen die het verhaal achter een plek zichtbaar en beleefbaar maken. Voorbeelden hiervan zijn de herinrichting en impuls van de Veldhovenring, Besterdring, en Korvelseweg, en de reconstructie van Huize Moerenburg. De Tilburgse linten: levensaders van de Oude Stad De linten tussen de herdgangen in de Oude Stad zijn deel van ons historisch en stedenbouwkundig erfgoed en we vinden het belangrijk dat ze ook als zodanig herkenbaar blijven. De linten moeten bruisen en een hoge omgevingskwaliteit bieden. Ze bieden goede mogelijkheden om bedrijvigheid met een lage milieu-impact en een beperkt ruimtebeslag terug te halen van de grootschalige bedrijventerreinen naar de stad. Hier is nog te benutten potentieel. We investeren daarom in de linten, zodat ze er weer uitspringen als levensaders van de stad. Dat betekent niet voor alle linten hetzelfde.

Per gebied maken we een integrale en kwalitatieve afweging wat hiervoor nodig is. Zo is de ontwikkeling van het Mommerskwartier een katalysator voor verdere ontwikkelingen in Het Goirke. Rondom het vernieuwde TextielMuseum kan een lokale biotoop van ondernemers en (culturele) leisure-economie ontstaan. Wij willen daar de juiste vestigingsmogelijkheden voor bieden. We blijven de huidige agenda Linten uitvoeren en werken aan een doorontwikkeling in de actualisatie van de Structuurvisie Linten in de Oude Stad. Zorg voor erfgoed geldt niet alleen voor plekken en gebouwen, maar ook voor grotere gebieden. De waarden in deze gebieden kunnen archeologisch, historisch-landschappelijk of (steden)bouwkundig 37

van aard zijn. Voorbeelden zijn de beschermde stads- en dorpsgezichten (zoals Stadskern, Wilhelminapark/Goirkestraat en Udenhout) en de groene monumenten (zoals de Oude Warande en het Wandelbos). Opgaven in het landschap zetten we zo mogelijk in om de cultuurhistorische waarde te versterken en landschappelijk erfgoed te behouden. De landschapsontwikkeling in de Oostflank heeft mede die bedoeling en bij de ontwikkelingen in de stadsregionale parken speelt de historische context een belangrijke rol. Maar ook elders in de gemeente dragen archeologische en cultuurhistorische waarden bij aan de identiteit van buurt, wijk of landschap, en zijn we er dus zuinig op. Tilburg blijft een stad die zich voortdurend aanpast en ontwikkelt, en daarbij haar historische wortels koestert. Juist de combinatie van erfgoed, stedelijke dynamiek en landschappelijke diversiteit maakt Tilburg tot een unieke en aantrekkelijke leefomgeving.

Balans tussen levendigheid en leefbaarheid Tilburg is een levendige, energieke stad. Met ons beleid voor ‘voortbouwen’, met de verweving van functies in zowel de bebouwing als de openbare ruimte, geven we daar alle ruimte voor. We letten er daarbij op dat het publieke leven in de openbare ruimte niet zodanig toeneemt, dat het de leefbaarheid voor omwonenden onevenredig aantast. In wijken die snel groeien, bijvoorbeeld in Noord en West, is dat een punt van aandacht. Dat geldt zeker ook voor plekken met een publieksfunctie voor de stad of regio. We willen daar een goede balans vinden tussen levendigheid en leefbaarheid. Dat speelt bijvoorbeeld in de binnenstad en rond grotere evenementen.

De binnenstad als broedplaats Met haar concentratie van detailhandel, horecagelegenheden en culturele instellingen is de binnenstad een culturele broedplaats voor de stad. Het is het decor voor een grote variëteit aan evenementen – de Tilburgse kermis, maar denk ook aan Kaapstad waarbij kunstenaars de stad kapen, de Meimarkt als grootste nachtelijke rommelmarkt van de regio, of Tilburg Zingt. Tegelijk is het een gebied waar veel mensen wonen en kantoren staan. De mix van functies is een voorwaarde voor een bruisende binnenstad met een grote aantrekkingskracht op Tilburgers, bezoekers van omliggende gemeenten en van verder weg. Met onze brancheringsaanpak streven we naar een optimale combinatie van functies, zoals detailhandel, horeca, cultuur, leisure, evenementen en wonen. Dat bruisende gebied moet ook een leefbare woonomgeving zijn. Daarbij speelt de balans tussen leefbaarheid en levendigheid een grote rol. Dit nemen we bijvoorbeeld mee in het locatiegebonden evenementenbeleid, waarbij we rekening houden met het aantal evenementendagen en het geluidsniveau dat we toestaan bij een evenement, of in het horecabeleid, waarin we rekening houden met de aard van het horecabedrijf en de sluitingstijden.

38

Evenementenstad Ook buiten de binnenstad worden geregeld evenementen georganiseerd. Op plekken rondom de binnenstad, zoals het Spoorpark, de Piushaven en de Koepelhal, maar ook in de wijken, de dorpen en het buitengebied. Denk aan de Reeshof Muzenconcerten, de Survival Run Udenhout en de Warandeloop. Zulke evenementen brengen mensen samen en geven energie aan de stad. Ze vormen een belangrijk onderdeel van het stedelijke leven, versterken de economische dynamiek en dragen bij aan de landelijke uitstraling. Richting 2050 willen we blijven investeren in een gevarieerd, inclusief en vernieuwend aanbod – van kleinschalig buurtinitiatief tot grootschalig festival – dat ontmoeting, ondernemingszin en sociale samenhang stimuleert. Daarbij creëren we ruimte voor experiment en nieuwe ideeën, zodat ook onverwachte initiatieven een plek kunnen vinden. We zoeken binnen de gemeentegrens naar een nieuw multifunctioneel evenemententerrein. De omgeving van de Dongenseweg-Baron van Voorst tot Voorstweg beschouwen wij daarbij als het meest kansrijk en wordt nader onderzocht. Tegelijk zien we dat onze ambitie om een leefbare en gezonde stad te zijn soms schuurt met onze ambities als evenementenstad, vooral bij “geluidsintensieve” evenementen. Die spanning kan toenemen naarmate de stad verder verdicht.

Daarbij moeten we steeds vaker een afweging maken tussen het faciliteren van een evenement en het voorkomen van overlast bij bewoners (mensen maar ook dieren), tussen Tilburg als bruisende en vitale stad aan de ene kant, en als leefbare en gezonde stad aan de andere kant. Naar de toekomst toe zoeken we creatieve oplossingen om hier in balans vorm aan te geven.

39

4 Ombouwen: op weg naar een gezonder, duurzamer en groener Tilburg Tilburg is in 2050 gezonder, groener en duurzamer: volledig klimaatadaptief en CO2-neutraal. De stad en de omliggende dorpen en landschappen vormen in 2050 samen een sterk en stabiel ecosysteem met een aanzienlijk grotere biodiversiteit. We wentelen de effecten van ons handelen minimaal af op toekomstige generaties en andere gebieden. Dat is inherent aan onze inzet op brede welvaart. Tilburg moet een goede kwaliteit van leven bieden voor huidige en toekomstige generaties en een gezond leefgebied zijn voor planten en dieren. De urgentie is groot. De gevolgen van de klimaatverandering zijn al ruimschoots merkbaar. Zomers worden heter en we krijgen vaker te maken met extreme neerslag. Systemen en processen lopen tegen hun uiterste houdbaarheidsdatum aan of zijn die al gepasseerd. Onze strategische keuze voor een gezonde en weerbare leefomgeving brengt met zich mee dat we deze systemen en netwerken moeten ombouwen. Voor de ruimtelijke ontwikkeling betekent dat een omwenteling zoals we die sinds de industrialisering niet meer hebben meegemaakt. Verregaande ruimtelijke consequenties zijn in elk geval verbonden aan de volgende transities: - Het energie- en grondstoffensysteem dat overschakelt naar hernieuwbare bronnen.

Fossiele energie maakt plaats voor duurzame elektriciteit, warmtenetten (met bronnen als restwarmte en geo- en aquathermie) en duurzame gassen zoals groene waterstof. Tegelijkertijd verschuift het grondstoffensysteem van lineaire naar circulaire ketens, gericht op het voorkomen van afval, het slimmer ontwerpen van producten en het verlengen van hun levensduur door hergebruik en gedeeld gebruik. - Het groenblauwe systeem, waarin technische en meer natuurlijke oplossingen tezamen toegepast worden (zoals waterberging, infiltratie- en irrigatiesystemen) in een weerbaar en klimaatadaptief systeem. Hierin zijn water en bodem sturend, verbinden we de natuurgebieden om de stad met het groen in de stad tot een samenhangend netwerk, brengen we het drinkwatergebruik in balans met de stedelijke ontwikkeling en willen we sturen op langetermijnbeschikbaarheid van drinkwater. - Het mobiliteitsnetwerk, waarin lopen, de fiets, het openbaar vervoer en deelmobiliteit een grotere rol krijgen, zodat de afhankelijkheid van de auto en het ruimtegebruik van de auto in de openbare ruimte in het stedelijke gebied worden beperkt, en waarin meer mogelijkheden komen voor goederenvervoer over het water en over het spoor. Voor bewoners betekent dit dat we allemaal tijdelijk meer overlast moeten accepteren.

Tot 2040 zal 1 op de 3 straten opengebroken moeten worden voor het verzwaren van het stroomnet—en dat betreft alleen de werkzaamheden van netbeheerder Enexis. Ook de andere transitieopgaven gaan vereisen dat er werkzaamheden plaatsvinden, onder en boven de grond. Als gemeente zetten we erop in om, waar mogelijk, werkzaamheden aan elkaar te verbinden zodat overlast wordt geminimaliseerd. Maar omdat volledige systemen anders ingericht moeten worden, is overlast onvermijdelijk. 40

Stuk voor stuk hebben deze systemen en netwerken een regionale, nationale of zelfs internationale dimensie. We trekken samen met andere overheden (gemeenten, waterschappen, provincie, Rijk) op om deze transities vorm en inhoud te geven. In deze omgevingsvisie leggen we de verbinding met de andere ambities van ons omgevingsbeleid, zoals de kwaliteit van de openbare ruimte, de woningbouw en de economische ontwikkeling. We laten ons daarbij leiden door onze vier ordeningsprincipes: goede omgevingskwaliteit, nabijheid van voorzieningen, meervoudig ruimtegebruik en verweven van functies. Met deze principes scheppen we de voorwaarden voor een goede wisselwerking tussen transities en gebiedsontwikkelingen: ze versterken elkaar. We benaderen de transitie-opgaven kortom als een integraal onderdeel van de planvorming bij gebiedsontwikkelingen, niet slechts als randvoorwaarde. We houden daarbij rekening met de wettelijke milieunormen en de vier milieubeginselen volgens de Omgevingswet: voorzorg, preventief handelen, bronbestrijding en de vervuiler betaalt. In dit hoofdstuk beschrijven we eerst de ruimtelijke dimensie van de transities zelf en vervolgens welke ontwikkelingskansen eraan verbonden zijn voor onze wijken en dorpen, bedrijventerreinen en het buitengebied.

Ruimte voor nieuwe netwerken Nieuwe netwerken hebben ruimte nodig: op kleine schaal in de openbare ruimte van wijken en dorpen, maar ook in de vorm van grotere tracés en arealen. De ruimtevraag voor de transities is des te groter omdat we anticiperen op nieuwe economische ontwikkelingen en zo’n 25.000 extra woningen tot 2040 plus nog eens 10.000 tot 2050 — en dat betekent meer vraag naar diensten en producten zoals drinkwater en energie, en een groter beroep op het groen in de openbare ruimte. Voor het energiesysteem zal met name de noodzakelijke versterking van het elektriciteitsnet zichtbaar zijn in stad en landschap. Het gaat dan om de opwek van duurzame stroom (via windparken en zonnevelden), de hoogspanningsleidingen waar de stroom mee gedistribueerd wordt en nieuwe transformatorstations. De vernieuwing van het watersysteem manifesteert zich landschappelijk het sterkst in de waterbergingsgebieden om de stad heen. In het stedelijk gebied wordt het watersysteem zichtbaar in de vorm van greppels, ondiepe kuilen die tijdelijk onder water kunnen staan, oude waterlopen die weer worden opengelegd, enzovoort De ontwikkeling van de stad brengt meer verkeer met zich mee. Met de mobiliteitstransitie kunnen we de groei van het autoverkeer afremmen, en dat is ook nodig om de toename van de vervoersbewegingen op te kunnen vangen.

De fiets zal zich ontwikkelen als de primaire drager van mobiliteit in de stad. Op ruimte voor parkeren van auto’s kan ruimtewinst behaald worden. In elk geval bij nieuwbouw, waar gebouwd parkeren de norm wordt. Zeer geleidelijk is dit ook mogelijk voor het bestaand areaal op straat, als dit kan verschuiven naar gebouwde voorzieningen. Ook kan meer dubbelgebruik voor bewoners, bezoekers en werkers kwaliteitswinst opleveren in de (openbare) ruimte.

41

In gebiedsontwikkelingen integreren we de ruimtevraag voor de transities met andere ruimteclaims, zoals die voor nieuwe woningen, meer groen en natuur, en nieuwe bedrijfshuisvesting. Door verweving en meervoudig ruimtegebruik benutten we dezelfde vierkante meters voor verschillende functies tegelijk. We maken daarbij ook gebruik van de ruimte onder de grond en op daken. Dat maakt het des te belangrijker om scherp en integraal te sturen op de (her)inrichting van de fysieke ruimte die we hebben, zodat we op het passende schaalniveau steeds aan de voorkant een gedegen afweging kunnen maken van de verschillende ruimteclaims.

Infrastructuur voor duurzame energie De energievoorzieningen zullen in het noorden van de gemeente hun grootste stempel drukken. Daar wordt nu al de meeste zonne- en windenergie (energiehub De Spinder) opgewekt en wordt forse uitbreiding van windcapaciteit voorzien (Spinder-Groot), daar komt het warmtenet vanuit de Amercentrale de stad binnen en daar loopt het tracé van de toekomstige nationale waterstofleiding (de Delta-Rhine Corridor). Maar ook elders zullen regionale energiehubs worden gerealiseerd, zoals in De Baars aan de zuidoostzijde van de stad. In de regio Hart van Brabant hebben we afspraken gemaakt over onze energie- en klimaatambities, met concrete projecten tot 2030 en doelstellingen tot 2050. Dat is gebeurd in de REKS (Regionale Energie- en Klimaatstrategie, 2021). Inmiddels denken we ook na over concrete investeringen die na 2030 nodig zijn. In 2050 is het grondgebied van de gemeente Tilburg CO2-neutraal om verdere opwarming van de aarde zoveel mogelijk te beperken. Fossiele energiebronnen zoals aardgas, kolen en olie maken plaats voor duurzame elektriciteit, warmte en gassen. Iedere energiedrager speelt zijn rol in de verduurzaming van de gemeente. Het energiesysteem wordt daarop aangepast. We bouwen aan een robuust energiesysteem en beperken afhankelijkheden van derden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16301745/2