CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Nota Omgevingskwaliteit (d.d. 30-09-2025)

Raadsvergadering 24 november 2025, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel Nota Omgevingskwaliteit37.314 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

‘Handboek Inrichting Openbare Ruimte (HIOR)’ In het HIOR zijn drie kwaliteitsniveaus vastgesteld; een minimale basiskwaliteit, pluskwaliteit en sterkwaliteit. In de hele gemeente streven we naar een minimale basiskwaliteit. Op plekken waar veel voetgangers komen, streven we naar een pluskwaliteit. Het gaat om routes naar scholen, treinstations en belangrijkste bushaltes (‘top-haltes’), grote zorginstellingen, winkelcentra, voorzieningen (bijv. musea, bioscopen en theaters), groen/parken en belangrijke autoparkeergarages en fietsenstallingen. Dit geldt ook voor sommige linten en herdgangen. Uiteindelijk moeten de plekken met pluskwaliteit met elkaar worden verbonden om zo een plusnetwerk te vormen; Op plekken die echt het domein zijn van de voetganger, werken we naar sterkwaliteit. Het gaat om het voetgangersgebied centrum, de Museumroute en de Kennisas (inclusief de Campus); Er zijn aparte eisen voor bedrijventerreinen opgesteld. Die mogen op een paar punten aan lagere eisen voldoen dan de basiskwaliteit.

Cultuurhistorisch waardevolle plekken en gebouwen verdienen extra aandacht om het verhaal van de plek te behouden of te versterken. Voor de bijzondere cultuurhistorisch waardevolle plekken en omgeving van monumenten dient met extra zorg rekening te worden gehouden met het behouden of versterken van het historische karakter. Een passende historische uitstraling heeft de voorkeur. De inrichting dient in ieder geval niet de zichtbaarheid van historische plek of gebouw zoals een monument te beperken. Zie ook de algemene criteria voor het ruimtelijk erfgoed in paragraaf 6.1. Kunst in de openbare ruimte In 2023 is de visie ‘Cultuur in het publieke domein – over het benutten van het maatschappelijk potentieel van kunst’ door de raad vastgesteld. In zijn meest compacte vorm stelt de visie: “in Tilburg draagt kunst bij aan het collectief eigenaarschap van een betekenisvolle publieke ruimte”. De publieke ruimte is in principe van iedereen. Waar iedereen een plaats heeft, en belangen. En waar we zeggenschap over hebben. Maar in de praktijk vermindert het publieke karakter steeds verder door de beperkingen die we ervaren. Kunst bevordert een persoonlijke relatie met een omgeving, en een gevoel van zeggenschap, of: eigenaarschap, daarover. Een ruimte is betekenisvol als mensen zich kunnen identificeren met een plek.

Bijvoorbeeld doordat ze zich aangesproken voelen door het ‘verhaal’ dat deze biedt.

52

Nota omgevingskwaliteit Tilburg

A

B

C

D

i

Kunst kan hier een belangrijke rol spelen door haar zeggingskracht, meervoudigheid, gelaagdheid, en door die plek te verbijzonderen. Zo’n publieke ruimte, die van betekenis is, kent een betere verblijfskwaliteit, stimuleert interactie en nodigt je misschien uit om je te verhouden tot individuele of gemeenschappelijke thema’s. Het Tilburgs beleid beoogt betrokkenheid, verbondenheid en zeggenschap van de bewoners te versterken, is wijkgericht, kent kunst en cultuur een belangrijke rol toe bij stadsontwikkeling, en zoekt daarbij naar maatschappelijk draagvlak voor de kunst. Als het gaat om kunst in het kader van stads- of gebiedsontwikkeling is de onlangs opgerichte stichting SPOOR het eerste aanspreekpunt. SPOOR is Tilburgs onafhankelijk expertisecentrum voor kunst in het publieke domein en daarmee de organisatie die gestalte en invulling geeft aan gemeentelijk beleid op het gebied van kunst in de publieke ruimte.

53

Nota omgevingskwaliteit Tilburg

‘Zandpoort’ Dit kunstwerk van kunstenaarscollectief Observatorium is op initiatief van bewoners van de Reeshof langs het Wilhelminakanaal gerealiseerd. Het ‘jaagpad voor racefietsen en e-bikes’ is verrijkt met een Japans aandoend paviljoen. Een plek om wat tijd door te brengen, bij zinnen te komen, een praatje te maken. Een grote schommel en ander zitmeubilair bieden een uitzicht over het kanaal en op de indrukwekkende kranen aan de overkant waarmee containers worden geladen en gelost. De detaillering van het kunstwerk lijkt dan wel Japans, maar blijkt tegelijkertijd een beeldecho van de kranen aan de overkant te zijn. Een plek met verblijfskwaliteit, dus.

A

B

C

D

i

54

Nota omgevingskwaliteit Tilburg

A

B

C

D

i

6.4. Thematische beoordelingskaders

Er zijn ook beleidsambities die niet direct vallen onder een concrete omgevingsplanactiviteit, maar waarbij we wel willen sturen op kwaliteit. Dit gaat dan over ambities ten aanzien van de verdichtingsopgave, toekomstbestendig bouwen en het realiseren van goede woningen voor verschillende doelgroepen. Deze paragraaf bevat algemene uitgangspunten voor deze thema’s. Sommige thema’s zijn al (deels) uitgewerkt in vastgesteld beleid (zoals de hoogbouwvisie). Andere thema’s vragen juist nog om een nadere uitwerking. In deze paragraaf wordt een eerste aanzet voor een uitwerking gedaan. Daarmee heeft deze paragraaf ook een agenderend doel.

6.4.1. Verdichting Tilburg is gegroeid naar circa 230.000 inwoners (2024) en is daarmee de zevende stad van Nederland. Deze ontwikkeling is lange tijd geleidelijk gegaan, maar heeft ook enkele groeispurten gekend. Tijdens de opkomst van de textielindustrie tussen 1860 en 1870 groeide het inwonertal met 44%. In de jaren ’50, ’60 en ’70 groeide de stad eveneens snel, net als met de inlijving van Berkel-Enschot en Udenhout in de jaren ’90 en Biezenmortel in 2021. Nu wordt er weer een sterke groei voorspeld in een in een relatief korte periode; naar 262.000 inwoners in 2040 (Trends en ontwikkelingen Tilburg 2050, februari 2024). De Update

55

Nota omgevingskwaliteit Tilburg

Stedelijke Ontwikkelingsstrategie wonen (2021) gaat uit van het realiseren van ruim 25.000 nieuwe woningen tot 2040, grotendeels binnen de bestaande buurten en wijken. Deze update bevat ook richtinggevende verdichtingsprincipes. Hierbij sluiten we aan op de speerpunten als opgenomen in het Woonbeleid 20252030. Dat betekent dat we voor belangrijke keuzes staan, zowel in de dorpen als in de stad. Verdichting kan niet los gezien worden van andere (ruimtelijke) opgaven. De opgaven die voorkomen uit de Woonzorgvisie en de lokale paragraaf vormen een onderdeel van de gebiedsvisies en -agenda’s. Verdichting gaat daarmee ook over het integreren van sociaal beleid in gebiedsgerichte afwegingen en bij concrete ruimtelijke ontwikkelingen. Verdichting in de stad De verdichtingsopgave in de stad biedt allerlei mogelijkheden om de kwaliteit van de leefomgeving van zowel de buurt, de stad als de regio te versterken. Meer stedelijkheid en meer natuur en landschap creëert kansen voor een aantrekkelijk vestigingsmilieu, onder meer voor onderwijs, cultuur en werkgelegenheid, en daarmee draagvlak voor voorzieningen en aantrekkelijke stedelijke woonomgevingen. Hierbij streven we naar een goede stedelijke woonkwaliteit. Deze bestaat onder meer uit een aantrekkelijke woonomgeving, hoogwaardige architectonische verschijningsvorm, goede fysieke woningkenmerken en een goede mix van functies

‘Verdichtingsprincipes uit de Update Stedelijke ontwikkelingsstrategie wonen (2021)’ 1. Met een menselijke maat: een omgeving waarin mensen zich prettig voelen, met een stedelijk leven op ooghoogte, interactie tussen gebouwen en openbare ruimte, een fijnmazig netwerk van openbare ruimte en inrichting en beheer van de openbare ruimte die aansluit op toekomstig gebruik. Daarbij vinden we ook het kwaliteitsniveau en de representativiteit van de openbare ruimte belangrijk. 2. Duurzaam en toekomstgericht: een klimaatadaptieve, klimaatneutrale en gezonde omgeving die ontmoeting stimuleert, en verstedelijking in combinatie met veranderende duurzame mobiliteit. 3. Voortbouwend op het Tilburgse weefsel: de cultuurhistorische tijdslagen en het DNA van stad blijven zichtbaar. Daarvoor het nodig dat we gebiedsgericht werken en er op een passende wijze en mate wordt verdicht, ingeweven en vermengd. 4. Met maatschappelijk rendement en betrokkenheid: we creëren een actief proces van denken en doen met bewoners, marktpartijen, instellingen en andere partners om toegevoegde waarde te realiseren in de stad. Dit vindt plaats op verschillende abstractieniveaus; van het opstellen van beleid, het ontwikkelen van visies tot en met het ontwerpproces in verschillende gradaties van participatie tot co-creatie. De gebruiker staat hierbij centraal.

A

B

C

D

i

56

en doelgroepen. Dit alles in toegankelijke en veilige gebouwen met functies die ook ten dienste staan van de bestaande omgeving.

gebruiksruimtes, de invulling van plinten, daktuinen, afsluitbaarheid, algemene toegankelijkheid en het stimuleren van ontmoeting.

Met de ontwikkeling van de hoogbouwvisie (2025) zijn uitgangspunten en criteria voor de verdichtingsopgave in de stad uitgewerkt. Naast verdichting door hoogbouw ligt er ook een grote opgave voor intensieve verdichting in naoorlogse woonwijken, zoals Tilburg Noord, Tilburg West en Groenewoud. Deze wijken zijn grotendeels opgebouwd als Post 65 structuren. De vastgestelde gebiedsperspectieven en het omgevingsprogramma voor het kenniskwartier beschrijven de opgaven die gelden voor deze gebieden. Om deze perspectieven en het programma ook kwalitatief goed in te bedden in de bestaande omgeving is een aanvullend gebiedsgericht kwaliteitskader noodzakelijk. De analyse van het stedelijk weefsel, het ruimtelijk systeem (hoofdstuk 3) en de 13 basisregels (hoofdstuk 5) geven hier een eerste aanzet voor.

Verdichting in dorpen Ook verdichting in de dorpen vraagt om een visie; wat is de betekenis van de plek en hoe wordt nieuw dorps wonen in deze context toegepast? Welke kansen biedt dorpse verdichting die ontmoeting stimuleert? De opgaven voor de dorpen Berkel-Enschot, Udenhout en Biezemortel zijn omvangrijk en divers, de koers is uitgezet in het Koersdocument Oostflank. De inzet is het vergroten van de leefbaarheid van de dorpen en buitengebied, door het realiseren van een prettig verblijfsklimaat dat ontmoeting bevordert. De linten en hoofdwegen vormen de lange lijnen die Tilburg met het buitengebied, de dorpskernen onderling en het landschap verbinden. De dorpskernen en OV knopen lenen zich voor het combineren van voorzieningen met wonen rondom aantrekkelijke verblijfsgebieden.

Een gebiedsgericht kwaliteitskader geeft inzicht in de samenhang bij het werken aan de verschillende opgaves in het gebied en zorgt voor een gemeenschappelijke toolbox ten aanzien van kwaliteit. De gebiedsbiografie wordt hierbij als instrument ingezet om voor het kwaliteitskader de juiste bestaande waarden en kwaliteiten te benoemen, waarop de ontwikkelingen kunnen voorborduren. Een visie op de waarden van het Post 65 erfgoed is hier onderdeel van. Andere aandachtspunten zijn de inzet van collectieve

De doelstelling bij verdichting in de dorpen is om een diverser woningaanbod te creëren, zodat starters en doorstromers een passende (betaalbare) woning in de dorpen kunnen vinden. Goede dorpse woonkwaliteit, het Nieuw Dorps Wonen, stimuleert ontmoeting en het gevoel van samenhorigheid. Het bestaande landschap wordt behouden en versterkt door niet overal te bouwen. Erfgoed maakt deel uit van de bestaande dorpse identiteit. Aantrekkelijke woonomgevingen zijn in samenhang met de buurt

Nota omgevingskwaliteit Tilburg

ontworpen waarbij de natuur en het landschap de ruimte krijgt. Stedenbouwkundige typologieën en passende architectonische verschijningsvormen, goede fysieke woningkenmerken en een mix van functies voor verschillende doelgroepen zorgen voor een onalledaags woningaanbod in een groene omgeving waarin ruimte is voor collectiviteit. Ook bij de doorontwikkeling van de dorpen en het buitengebied geeft een gebieds- en ontwikkelgericht kwaliteitskader sturing en inspiratie op het kwalitatief goed inbedden van de ruimtelijke verdichtingsopgave in de bestaande omgeving. De analyse van het stedelijk weefsel, het ruimtelijk systeem (hoofdstuk 3) en de 13 basisregels (hoofdstuk 5) geven hier een eerste aanzet voor. Verdiepende thema’s hierbij zijn: • Behoud en versterken van de cultuurhistorische waarde en aspecten (gebiedsbiografie) en landschappelijke structuren • Vergroten van de aantrekkelijkheid en leefbaarheid van de dorpskernen, dorpslinten en dorpsrand • Collectiviteit en saamhorigheid stimuleren door zachte overgangszones te onderzoeken, gezamenlijk gebruik van de buitenruimte te stimuleren en gedeelde faciliteiten in gebouwen • Mandelig gebruik van de groen-blauwe openbare ruimte. • Streven naar samenhang in schaal en maat, tussen grote korrel, versus kleine korrel. • Nieuw Dorps Wonen duiden en een gereedschapskist dorpse architectuur opstellen.

A

B

C

D

i

• Woningsplitsing in de dorpen nader onderzoeken en waar mogelijk verruimen. • De 3-30-300 regel onderzoeken: drie bomen vanaf iedere woning zichtbaar, 30 % meer kroonoppervlak bomen en een buurt park binnen 300 meter. • Aantrekkelijk maken van gezonde mobiliteit en kwalitatieve gebouwde parkeervoorzieningen en geclusterd parkeren in het openbaar gebied. • Onderzoek naar betaalbaar en gestapeld bouwen in de dorpen. Hoogbouwvisie Tilburg wil een vitale, duurzame stad zijn in een moderne netwerksamenleving. Dat doen we door meer stedelijkheid te creëren, door slim te verdichten met hoge kwaliteit. Een van de middelen die we inzetten om te verdichten is hoogbouw. Ons nieuwe hoogbouwbeleid wordt in 2025 geactualiseerd en zal na actualisatie worden toegevoegd als bijlage aan deze nota. Het bevat een kaartbeeld dat aangeeft waar we hoogbouw een optie vinden om bij te dragen aan de verdichtingsopgave. Naast de bestaande prioriteitsgebieden, zoals de Spoorzone, de Binnenstad en Piushaven, zijn nieuwe verdichtingsgebieden zoals het Kenniskwartier, Tilburg-Noord, Stappegoor, OVknooppunten en grote bedrijventerreinen toegevoegd. Daarnaast zijn de bestaande uitgangspunten uitgebreid. De uitgangspunten gaan nu onder andere over de effecten op de leesbaarheid van de stad, de ideale vorm van hoogbouw, technische eisen zoals bezonnings- en windonderzoek, duurzaamheid, de functies van het

57

Nota omgevingskwaliteit Tilburg

gebouw, de ontsluiting en de vormgeving van het gebouw. In het hoogbouwbeleid wordt gezocht naar een Tilburgse typologie; gebied specifieke ingrediënten die ervoor zorgen dat er geen generieke oplossingen ontstaan. Ook hoogbouw is genereus en voegt waarden toe aan de bestaande stad. Bestaande gebouwen optoppen of splitsen Het optoppen of (soft) splitsen van bestaande gebouwen is een andere manier om binnen een bestaande woonomgeving extra wooneenheden toe te voegen. Met name in woonwijken waar relatief veel kleine huishoudens in gezinswoningen ondergebracht zijn kan dit ruimte bieden voor meer passende woningen en meer differentiatie. Dit type ingrepen kan bijdragen aan de woningbouwopgave door extra woningen in de bestaande omgeving te realiseren. Het doel is hierbij ook dat nieuwe woonkwaliteiten gerealiseerd worden die beter aansluiten bij de woonbehoefte in de wijk. Naast dat optoppen of (soft) splitsen architectonisch en technisch mogelijk moet zijn, zijn er ook eisen te stellen aan de kwaliteit van de woning en de bijbehorende faciliteiten zoals parkeren (auto, fiets, rollator, etc.) en zaken als opslag/bergingen en afval. Dit is ook van belang aangezien de dichtheid van de wijken en buurten verschilt en rekening gehouden moet worden met voldoende open ruimte en parkeervoorzieningen.

Het is zinvol om nader onderzoek te doen naar de mogelijkheden, woonkwaliteiten en knelpunten bij optoppen en splitsen. Denk hierbij

ook aan aspecten als een passende materiaalkeuze, bouwfysica (contactgeluid), ontsluitingen, zicht en privacy.

6.4.2. Toekomstbestendig bouwen Met een (nader op te stellen) beleidskader toekomstbestendig bouwen geven we sturing op onderwerpen zoals duurzaamheid, adaptief bouwen, circulariteit, ENG-normen, natuurinclusiviteit en klimaatadaptatie. Door ontwikkelaars en initiatiefnemers in een vroegtijdig stadium te ondersteunen op het gebied van toekomstbestendig bouwen kunnen we als gemeente positieve ontwikkelingen stimuleren en mogelijke belemmeringen wegnemen. Het is daarbij van belang om ook marktsignalen te analyseren. De mogelijkheden voor fabrieksmatige woningbouw worden hierin meegenomen. Met het opstellen van dit beleidskader geven we invulling aan de motie Duurzame wasstraat (uit Programmabegroting 2025).

6.4.3. Goed wonen voor iedereen Naast de bovengenoemde thema’s verdichting en toekomstbestendig bouwen is er ook een grote vraag naar meer kwaliteit bij woningbouwprojecten. Dit betreft zowel het gebouw als de (semi-) openbare buitenruimte. Bij de uitwerking van dit thema wordt er een sterke link gelegd met het woonbeleid en de woonzorgvisie. Daarnaast is samenwerking met de woningbouwcorporaties noodzakelijk om tot

A

B

C

D

i

vernieuwing en kwaliteit te komen. Een nadere uitwerking van dit thema is noodzakelijk om hier meer sturing op te geven. Vernieuwing en kwaliteit kan onder andere bereikt worden door: • Het toevoegen van gemengde betaalbare woonvormen in de stad, diversiteit in woonprogramma en combinaties van wonen en werken. • Georganiseerde collectieve woonvormen, bijvoorbeeld in coöperaties of cpo’s. • Goede woningbouwplattegronden in flexibiliteit en gebruikskwaliteit, ogen op straat en ruimte voor ontmoeting. • Aandacht voor aantrekkelijke plinten en sociaal veilige gemeenschappelijke (verkeers-)ruimte. • Betrek waar mogelijk bewoners bij het ontwerp voor de openbare ruimte en biedt mogelijkheden voor buurttuinen en flexibel gebruik van gedeelde ruimtes. • Maak levensloopbestendige woningen, woongebouwen en een passende openbare/ collectieve ruimte. • Gedeelde faciliteiten en parkeervoorzieningen gebouwd en niet gebouwd meenemen.

58

Nota omgevingskwaliteit Tilburg

A

B

C

D

i

7. CONCRETE CRITERIA 7.1. Toelichting

Veelvoorkomende plannen (omgevingsplanactiviteiten) die passen binnen de contouren van het omgevingsplan worden ambtelijk getoetst aan de concrete criteria zoals opgenomen in dit hoofdstuk. De criteria zijn zover mogelijk eenduidig uitgelegd. Hierdoor is het ook voor niet-deskundige initiatiefnemers inzichtelijk wat de criteria betekenen voor het plan en is het vooraf bekend waar het plan bij de aanvraag op getoetst zal worden. Deze criteria gelden als minimum eisen, waarbij geldt dat de algemene criteria en gebiedsgerichte uitgangspunten onverkort van kracht blijven. Een veelvoorkomend (bouw)plan voldoet in ieder geval als: • sprake is van een trendvolger, waarbij het (bouw) plan qua plaatsing en vormgeving identiek is aan een bestaand exemplaar in het betreffende bouwblok of straat (bij gelijkvormige kapvorm/ gebouwtype).

Het dient dan wel om een goedgekeurd exemplaar te gaan, waarvoor de afgelopen vijf jaar een vergunning is verleend en een positief advies is gegeven; • het (bouw)plan qua plaatsing en vormgeving voldoet aan een vooraf (door de architect) ontworpen exemplaar behorende bij een uitbreiding, waarvan het (bouw)plan deel uitmaakt en waarvoor al een positief advies is gegeven; • het bouwwerk voldoet aan de door de gemeente vastgestelde criteria zoals opgenomen in deze nota of vastgestelde aanvullingen zoals een beeldkwaliteitsplan voor een specifiek gebied of ontwikkeling.

59

Nota omgevingskwaliteit Tilburg

Trendsetters en -volgers De ruimtelijke samenhang is in veel gevallen gebaat bij een herhaling van vergelijkbare oplossingen, vooral als er sprake is van seriematige architectuur. Daarom werkt de gemeente met trendsetters als het gaat om veel voorkomende aanvragen zoals een dakkapel, dakopbouw, aan- of uitbouw. Als er sprake is van eerder vergunde plannen in vergelijkbare situaties en in de directe omgeving, fungeren deze als trendsetters en zijn daarmee maatgevend voor de volgende(n). Een trendvolger is een bouwplan dat identiek is aan een eerder vergund en gerealiseerd bouwwerk op, bij of aan een identiek woningtype in hetzelfde bouwblok of dezelfde straat. De trendvolger moet voldoen aan één van de al vergunde situaties. Ook een mee ontworpen standaardoptie bij nieuwbouwplannen wordt beschouwd als trendsetter. Een trendsetter ‘overvleugelt’ de regels voor kleine bouwwerken, dat wil zeggen dat de gestelde regels niet van toepassing zijn als er een trendsetter is aangewezen. Informatie over de trendsetters is verkrijgbaar bij de gemeente. Ambtelijke beoordeling Een plan als bedoeld in dit hoofdstuk wordt ambtelijk beoordeeld aan de hand van de gestelde criteria. Daarbij kan in redelijkheid een beperkte mate van interpretatie en afwegingsruimte worden toegepast. In bepaalde gevallen wordt het plan alsnog voor advies aan de Omgevingscommissie voorgelegd:

• als het plan afwijkt van de gestelde concrete criteria, in bijzondere situaties of bij twijfel over de toepasbaarheid van de criteria te beoordelen door de ambtenaar; • als er voor een bepaald type plan geen criteria zijn opgenomen. De concrete criteria dienen om bij planmatige bebouwing samenhang in de architectuur te behouden, maar ook om kleinere (bouw-)plannen snel en effectief te kunnen beoordelen. De concrete criteria gaan over plaatsing, maatvoering, verschijningsvorm en materiaal, kleur en detaillering. Bij vergunningvrije activiteiten kunnen de concrete criteria gebruikt worden als richtlijnen bij het ontwerp. Voor- en achtererfgebied Er wordt onderscheid gemaakt in het ‘achtererfgebied’ (achterkant) en ‘voorerfgebied’ (voorkant). Daarbij wordt in deze nota ook bedoeld de aansluitende gevels en dakvlakken. Voor een aantal situaties op het achtererfgebied zal vooraf geen beoordeling plaatsvinden. Hier is een minimale kwaliteitssturing van toepassing (zie paragraaf 4.1). Dit geldt niet voor beschermd ruimtelijk erfgoed. Als er sprake is van een exces kan achteraf worden ingegrepen (repressieve beoordeling, zie hoofdstuk 8). Plannen aan de voorkant van gebouwen worden kritischer beoordeeld. Maar ook hier kunnen meer vrijheden ontstaan door voor kleine plannen minder op

A

B

C

D

i

behoud van het bestaande te sturen en meer op het voorkomen van aantasting van de bestaande kwaliteiten. Voor de definitie van het achtererfgebied sluit deze nota aan bij de definitie zoals bedoeld in bijlage I van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

7.2. Bijbehorende bouwwerken

Met ‘bijbehorend bouwwerk’ wordt bedoeld een uitbreiding van een hoofdgebouw, bijvoorbeeld aan- en uitbouwen, bijgebouwen, overkappingen en overige bouwwerken met een dak. Zonder hoofdgebouw kan er op het perceel geen sprake zijn van bijbehorende bouwwerken. Er is onderscheid in: • Aangebouwd bouwwerk: een toevoeging aan de begane grondgevel van een gebouw, zoals een aanof uitbouw, erker, garage, carport, overkapping en dergelijke. • Losstaand bouwwerk: een bouwwerk met (af) dak dat los van het hoofdgebouw op het erf staat zoals een schuur, tuinhuis, carport, dierenverblijf, planten- of groentekas en dergelijke.

7.2.1. Aan- en uitbouwen aan de achterof zijgevel

Algemeen Aan- en uitbouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw, afgestemd op het hoofdgebouw en/ of op bestaande bijbehorende bouwwerken in de omgeving.

60

Nota omgevingskwaliteit Tilburg

Plaatsing en maatvoering • Passend in de regels van het omgevingsplan. • Eén bouwlaag met een rechthoekige plattegrond. • Ondergeschikt aan de maat en schaal van het hoofdgebouw. Verschijningsvorm • Overeenkomstig eerder vergunde en gerealiseerde aan- of uitbouwen bij dezelfde soort woningen in de directe omgeving (trendsetter). • Eenvoudig, passend bij de functie en afgestemd op de architectuur van het hoofdgebouw. • Afgedekt met een plat dak of een kap die wat betreft kapvorm en hellingshoek afgestemd is op de kap van het hoofdgebouw. • Gevels georiënteerd op het openbaar gebied zijn afgestemd op het hoofdgebouw en hebben een bij de situatie passende transparantie in de gevel. Materiaal, kleur en detaillering • Afgestemd op het hoofdgebouw en kwalitatief tenminste gelijkwaardig. Meerlaagse uitbreidingen Voor meerlaagse uitbreidingen in de grens met het publieke domein of met een gevel die gericht is naar het openbare gebied gelden er bovenop bovenstaande criteria ook de volgende criteria:

Plaatsing en maatvoering • De omvang is afgestemd op het hoofdgebouw. • De uitbouw is niet hoger dan de bovenkant goot of de dakrand van het hoofdgebouw. • Bij voldoende goothoogte van het hoofdgebouw wordt de goot boven de uitbouw gehandhaafd. Verschijningsvorm • Plat afgedekt. • Er een ‘overgangselement’ wordt toegepast in de vorm van een verticale raamstrook (paneel, houtvulling of iets dergelijks), terugliggende gemetselde spiegel, of metselwerk in een andere kleur. • De gevelgeleding is afgestemd op de gevelgeleding van het hoofdgebouw. • De indeling en profielen van kozijnen is afgestemd op die van de gevelramen en kozijnen van het hoofdgebouw. Materiaal, kleur en detaillering • Wanneer metselwerk wordt toegepast zijn de steensoort en- kleur gelijk aan die van het bestaande hoofdgebouw. • Wanneer houten delen of stucwerk worden toegepast hebben deze een gedekte neutrale kleur. • De detailleringen zijn afgestemd op het hoofdgebouw. • Op erfgrenzen worden gemetselde muren toegepast.

A

B

C

D

i

Ruimtelijk erfgoed Wanneer er sprake is van een monument en/of een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht, wordt er maatwerk advies gegeven. Zie hiervoor hoofdstuk 6.

7.2.2. Erkers aan de voorgevel

Algemeen Erkers zijn ondergeschikt in het gevelbeeld, afgestemd op de architectuur van het hoofdgebouw en afgestemd op bestaande bijbehorende bouwwerken bij de woning of in het bouwblok. Binnen samenhangende voorerfgebieden wordt gestreefd naar een herhaling van gelijkvormige exemplaren die passen bij het karakter van de straat en de gebouwen. Plaatsing • Overeenkomstig bestaand raamkozijn in de voorgevel en/of uitgelijnd met gevelkozijnen. • Binnen de lijn van de zijgevel. Maatvoering • Afgestemd op de maat en schaal van de bestaande gevelelementen. • Breedte: maximaal ⅔ van de breedte van de voorgevel. • Diepte: maximaal 1.50 meter. • Hoogte: maximaal 0.25 meter boven de eerste verdiepingsvloer (met een maximum van 3.00 meter) of afgestemd op de naastgelegen erker in hetzelfde bouwblok. • Rechthoekige plattegrond.

61

Nota omgevingskwaliteit Tilburg

Verschijningsvorm • Passend bij de architectuur van het hoofdgebouw. • Maximaal transparant (uitgezonderd plint). • Maximale plinthoogte van 0.70 meter. • Kozijnindeling afgestemd op de indeling van de overige gevelkozijnen, hoogte tot aan boeiboord. • Plat afgedekt. Materiaal, kleur en detaillering • Overeenkomstig het hoofdgebouw en draagt bij aan het ondergeschikte karakter. • Hoogte boeiboord; maximaal 0.30 meter, afgestemd op de boeiboorden van het hoofdgebouw.

Verschijningsvorm • Eenvoudig, passend bij de functie en afgestemd op de architectuur van het hoofdgebouw. • Afgedekt met een plat dak of een kap die wat betreft kapvorm en hellingshoek afgestemd is op de kap van het hoofdgebouw. • Gevels georiënteerd op het openbaar gebied zijn afgestemd op het hoofdgebouw en passend bij het ondergeschikte karakter. Materiaal, kleur en detaillering • Afgestemd op de bestaande bebouwing en draagt bij aan het gewenste ondergeschikte karakter.

Ruimtelijk erfgoed Wanneer er sprake is van een monument en/of een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht, wordt er maatwerk advies gegeven. Zie hiervoor Hoofdstuk 6.

Ruimtelijk erfgoed Wanneer er sprake is van een monument en/of een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht, wordt er maatwerk advies gegeven. Zie hiervoor hoofdstuk 6.

7.2.3. Bijgebouwen en overkappingen

Voor bijgebouwen en overkappingen in de directe omgeving van monumenten gelden aanvullend de volgende criteria.

Algemeen Aan- en uitbouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw, afgestemd op het hoofdgebouw en/of op bestaande bijbehorende bouwwerken in de omgeving. Plaatsing en maatvoering • Passend in de regels van het omgevingsplan. • Eén bouwlaag met een rechthoekige plattegrond. • Ondergeschikt aan de maat en schaal van het hoofdgebouw.

• Een bijgebouw of overkapping respecteert de waarden van het monument en de omgeving. • Bij een bijgebouw of overkapping in de omgeving van een monument blijft het zicht op het monument vrij en blijft de hoofdvorm van het monument zichtbaar. • Bij een bijgebouw of overkapping in de omgeving

A

B

C

D

i

van een monument wordt met respect omgegaan met de oorspronkelijke functionele context van het monument. Denk hierbij bijvoorbeeld aan boeren erven, verkavelingen, structuren, zichtassen et cetera. • Een bijgebouw of overkapping heeft in beginsel een ondergeschikte rol in het aanzien van het monument en is in maat, schaal, detaillering en stijl zorgvuldig afgestemd op het monument. • Een bijgebouw of overkapping in de omgeving van een monument doet geen onevenredige afbreuk aan het monument. Afbreuk kan ontstaan door onzorgvuldige detaillering, contrasterende kleuren of armoedig materiaalgebruik.

7.3. Daktoevoegingen

Een daktoevoeging is een uitbreiding of aanpassing van een plat dak of een schuine kap, bedoeld om de lichttoetreding te verbeteren en het bruikbaar woonoppervlak te vergroten. Er is onderscheid gemaakt in: dakkapellen, dakramen, dakopbouwen, extra bouwlagen en opgetrokken geveldelen.

7.3.1. Dakkapellen (voor- en zijdakvlak)

Algemeen Dakkapellen zijn ondergeschikt in het dakvlak, afgestemd op de architectuur en kapvorm en afgestemd op bestaande dakkapellen op de woning en het bouwblok (een dakkapel is geen dakopbouw).

62

Nota omgevingskwaliteit Tilburg

Plaatsing • Plaatsing in het onderste deel van het dakvlak. • Rekening houden met de gevelindeling. • Niet voorbij de nokbeëindiging. Maatvoering • Bescheiden en afgestemd op de maat en schaal van gevelelementen. • Hoogte maximaal 1.50 meter met als uitzondering dat bij projectmatige bouw met qua architectuur gelijksoortige woningen, de maatvoering van de kleinste dakkapel als maximale maatvoering wordt aangehouden. • Bij symmetrische plaatsing op het dak resteert aan beide zijden van de dakkapel minimaal 1.20 meter dakvlak • Bij asymmetrische plaatsing op het dak resteert in totaal 2.40 meter dakvlak en een minimale afstand van 0.50 meter tot de erfgrens. • Bij plaatsing op de erfgrens en een koppeling met het buurpand, dan resteert minimaal 1.80 meter dakvlak. • Bij dakvlakken breder dan 6.00 meter geldt een maximale breedte van 50% van de breedte van het dakvlak. • De onderzijde tussen 0.50 meter en 1.00 meter boven de dakvoet; • De bovenzijde minimaal 0.50 meter onder de daknok.

Verschijningsvorm • Voorzijde maximaal transparant, zijwanden gesloten. • Kozijnindeling afgestemd op de indeling van de gevelkozijnen. • Plat afgedekt, tenzij een andere vorm vanwege architectonische of stedenbouwkundige aspecten passender is. Materiaal, kleur en detaillering • Afgestemd op de bestaande bebouwing en draagt bij aan het gewenste ondergeschikte karakter. • Hoogte boeiboord maximaal 0.30 meter. • Bij projectmatige bouw: detaillering voor wat betreft dakrand en overstek, materiaalgebruik en kleurstelling gelijk aan meest voorkomende dakkapel in de betreffende straatwand van het (oorspronkelijke) bouwproject. Ruimtelijk erfgoed Wanneer er sprake is van een monument en/of een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht, wordt er maatwerk advies gegeven. Zie hiervoor hoofdstuk 6. Daarnaast gelden aanvullend de volgende criteria. • Het plaatsen van een dakkapel is niet in elke situatie mogelijk en is afhankelijk van het gebouw en de context. • Het frontale oppervlak van de dakkapel (hoogte x breedte) niet meer bedraagt dan 1.00 m² met dien

A

B

C

D

i

verstande dat bij projectmatige bouw met qua architectuur gelijksoortige woningen de dakkapel in verticale (parallel aan de voorgevel) en horizontale vlakken in lijn is met de (kleinste van de) op buurpercelen meest nabijgelegen dakkapel. • De bovenzijde niet minder dan 1.00 meter onder de daknok wordt geplaatst. • Dakrand of boeiboord maximaal 0.15 meter hoog. • De dakkapel in materiaal en kleur van kozijnen en dakrand is afgestemd op het materiaal en de kleur van de kozijnen en de dakrandafwerking van het bestaande gebouw.

7.3.2. Dakkapellen (op een achterdakvlak gericht naar het publieke domein)

Algemeen Dakkapellen zijn ondergeschikt in het dakvlak, afgestemd op de architectuur en kapvorm en afgestemd op bestaande dakkapellen op de woning en het bouwblok (een dakkapel is geen dakopbouw). Plaatsing • In het onderste deel van het dakvlak. • Niet voorbij de nokbeëindiging. Maatvoering • Aan beide zijden van de dakkapel resteert minimaal 0.50 meter dakvlak, behalve bij plaatsing op de erfgrens en een koppeling met het buurpand, dan geldt een minimum van 1.00 meter. • Hoogte maximaal 1.75 meter.

63

Nota omgevingskwaliteit Tilburg

• De onderzijde minimaal 0.50 meter boven de dakvoet. • De bovenzijde minimaal 0.50 meter onder de daknok. • Bij een dakvlak over twee lagen de dakkapel in de bovenste laag tenminste 1.00 meter uit de zijkanten van het dakvlak ligt. • Transparante zijkanten zich tenminste 1.00 meter uit de zijkant van het dakvlak bevinden.

en/of een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht, wordt er maatwerk advies gegeven. Zie hiervoor hoofdstuk 6.

Verschijningsvorm • Voorzijde maximaal transparant. • Kozijnindeling afgestemd op de indeling van de gevelkozijnen. • Plat afgedekt, tenzij een andere vorm vanwege architectonische of stedenbouwkundige aspecten passender is.

Ruimtelijk erfgoed Het plaatsen van een dakraam is niet in elke situatie mogelijk en is afhankelijk van het gebouw en de context. Wanneer er sprake is van een monument en/of een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht, wordt er maatwerk advies gegeven. Zie hiervoor hoofdstuk 6. Daarnaast gelden aanvullend de volgende criteria voor dakramen in het voordakvlak: • Zorgvuldige afstemming op de architectuur van het gebouw. • Houdt bij het plaatsen van het dakraam in het dakvlak rekening met de kapconstructie. • Het oppervlak van het dakraam bedraagt, afhankelijk van de situatie, niet meer dan maximaal 1.50 m² en de breedte is niet meer dan 75% van de hoogte (staand model). • De onderkant van het dakraam ligt niet minder dan 0.50 meter en meer dan 1.00 meter boven de dakvoet. • De zijkanten liggen meer dan 1.20 meter van de zijkanten van het dakvlak.

Materiaal, kleur en detaillering • Afgestemd op de bestaande bebouwing en draagt bij aan het gewenste ondergeschikte karakter. • Hoogte boeiboord maximaal 0.30 meter. • Bij projectmatige bouw: detaillering voor wat betreft dakrand en overstek, materiaalgebruik en kleurstelling gelijk aan meest voorkomende dakkapel binnen het bouwproject. Ruimtelijk erfgoed Het plaatsen van een dakkapel is niet in elke situatie mogelijk en is afhankelijk van het gebouw en de context. Wanneer er sprake is van een monument

7.3.3. Dakramen

Algemeen Er gelden geen concrete criteria. Indien vergunning nodig is zal de Omgevingscommissie beoordelen op basis van de algemene criteria.

A

B

C

D

i

En gelden de volgende criteria voor dakramen in het achterdakvlak: • De onderkant van het dakraam ligt minimaal 0.50 meter boven de dakvoet. • De bovenkant van het dakraam ligt minimaal 0.50 meter onder de daknok. • De zijkanten van het dakraam liggen meer dan 0.50 meter van de zijkanten van het dakvlak.

7.3.4. Dakopbouwen

Algemeen Dakopbouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw, zijn herkenbaar als latere toevoeging en zijn qua architectuur afgestemd op het hoofdgebouw (een dakopbouw is geen dakkapel). Plaatsing • Bij een individueel hoofdgebouw gecentreerd in het dakvlak of afgestemd op de gevelgeleding. • Enkel in het voordakvlak zijn dakopbouwen niet wenselijk. • Een dakopbouw aan de achterzijde (veelal lessenaarskap of zadeldak) sluit in elk geval aan achter de nok, waarbij de bestaande noklijn behouden blijft. • Een dakopbouw kan over de bestaande nok worden geplaatst en wordt dan voorzien van een kap evenwijdig aan het bestaande dak.

64

Nota omgevingskwaliteit Tilburg

Maatvoering Bij een opbouw over de nok: • De onderkant van de dakopbouw ligt minimaal 0.50 meter boven de dakvoet. • De nieuwe nok ligt maximaal 1.00 meter boven de bestaande nok van de woning; • De goot van de dakopbouw ligt onder de nok van de woning; • De breedte is gelijk aan de woningbreedte of de dakopbouw heeft een afstand tot de dakrand(en) van minimaal 1.20 meter.

• Is afgestemd op de gevelgeleding van het hoofdgebouw. • Is aan de lange zijde maximaal transparant.

Bij een opbouw aan de achterzijde: • De onderkant van de dakopbouw ligt minimaal 0.50 meter boven de dakvoet. • Het dak ligt maximaal 0.60 meter boven de nokhoogte van de woning. • De opbouw sluit aan achter de nok en de nok blijft intact. • De volledige woningbreedte of bij hoekwoningen en twee-onder-één-kap-woningen minimaal 0.50 meter afstand tot de dakrand, de bestaande contour blijft herkenbaar.

Materiaal, kleur en detaillering • Afgestemd op de bestaande bebouwing en zorgt voor een zorgvuldige afstemming op de bestaande architectuur en een ondergeschikt karakter • (Zij)wanden in een kleurstelling afgestemd op het omringende dakvlak en de bestaande gevels.

Verschijningsvorm Bij een opbouw over de nok: • Is identiek aan die van het bestaande dak voor wat betreft de dakhelling.

Bij een opbouw aan de achterzijde: • Plat afgedekt, tenzij een andere vorm vanwege architectonische of stedenbouwkundige aspecten passender is. • Hoofdzakelijk transparant. • De eventuele overgang met de nok wordt gemaakt met een verticaal overgangselement achter de nok.

Ruimtelijk erfgoed Een dakopbouw is niet in elke situatie mogelijk en is afhankelijk van het gebouw en de context. Wanneer er sprake is van een monument en/of een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht, wordt er maatwerk advies gegeven. Zie hiervoor hoofdstuk 6.

A

B

C

D

i

7.3.5. Opgetrokken geveldelen

Algemeen Een geveloptrekking aan de voorzijde is slechts mogelijk bij gebouwen die deel uitmaken van gevarieerde lintbebouwing en niet als incident op een woning die deel uitmaakt van een ensemble, twee-onder-éénkap-woning of bouwblok en alleen indien zorgvuldig ontworpen. Een ‘dubbele’ geveloptrekking aan voor- en achterzijde, ofwel het vervangen van een kap door een rechte bouwlaag kan acceptabel zijn bij gebouwen die deel uitmaken van gevarieerde lintbebouwing en niet als incident op een woning die deel uitmaakt van een ensemble. Bovendien is zo’n dubbele geveloptrekking in principe acceptabel bij een eindwoning op een stedenbouwkundig markant punt zoals op de hoek van een straat of ter plaatse van een verspringing in de rooilijn. Plaatsing en maatvoering • In de lijn van de voor- en/of achtergevel. • Rijwoningen: de breedte is gelijk aan de woningbreedte. • Achterzijde: hoogte tot onder de daknok of met een maximale afmeting van 0.60 meter boven de daknok. • Voorzijde: hoogte tot boven de daknok. Verschijningsvorm • Een geveloptrekking mag geen afbreuk doen aan de karakteristiek van het gebouw en is zorgvuldig afgestemd op de architectuur.

65

Nota omgevingskwaliteit Tilburg

• Plat afgedekt. • De geveloptrekking sluit in het achterdakvlak minimaal 1 dakpan onder de daknok of direct achter de daknok aan (al dan niet met een verticaal gevelelement). • Bij plaatsing in het voordakvlak wordt de daknok nadrukkelijk onderbroken. • Is afgestemd op de gevelgeleding van het hoofdgebouw. Materiaal, kleur en detaillering • Afgestemd op de bestaande bebouwing en zorgt voor een zorgvuldige afstemming op de bestaande architectuur. • Het zichtbare verticale gevelelement en de zijwanden worden in een donkere kleurstelling afgestemd op het omringende dakvlak. • Het verticale gevelelement kan voorzien worden van raamstroken. Ruimtelijk erfgoed Het optrekken van een gevel is niet in elke situatie mogelijk en is afhankelijk van het gebouw en de context. Wanneer er sprake is van een monument en/of een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht, wordt er maatwerk advies gegeven. Zie hiervoor hoofdstuk 6.

7.3.6. Een extra bouwlaag

Algemeen Een extra bouwlaag is ondergeschikt aan het hoofdgebouw, is herkenbaar als latere toevoeging en is qua architectuur afgestemd op het hoofdgebouw. Plaatsing • Passend in de regels van het omgevingsplan; • Een extra bouwlaag kan enkel geplaatst worden op een plat afgedekt hoofdgebouw. Maatvoering • Eén bouwlaag met een rechthoekige plattegrond. • Minimaal 1.00 meter teruggelegen ten opzichte van de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw. • In de zijgevels plaatsing ofwel op de belending, ofwel minimaal 1 meter teruggelegen van de belending. Verschijningsvorm • Plat afgedekt. • In gevelindeling duidelijk onderscheidend van het hoofdgebouw; • Op het hele bouwblok gelijk zodat een opbouw individueel en in clusters op het bouwblok toepasbaar is. Materiaal, kleur en detaillering • Onderscheid zich in materiaalgebruik en mate van transparantie en is hiermee leesbaar als toegevoegd volume. • Passend bij de architectuurstijl van het hoofdgebouw.

A

B

C

D

i

Ruimtelijk erfgoed Een extra bouwlaag is niet in elke situatie mogelijk en is afhankelijk van het gebouw en de context. Wanneer er sprake is van een monument en/of een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht, wordt er maatwerk advies gegeven. Zie hiervoor hoofdstuk 6.

7.4. Dak-, kozijn- en gevelwijzigingen Van een dak-, kozijn- of gevelwijziging is sprake bij het toevoegen, vergroten of verplaatsen van een kozijn, kozijninvulling, luik, gevelpaneel of dakbedekking. Daarnaast kan sprake zijn van na-isolatie, waarbij een bestaande gevel of dakvlak een nieuwe isolerende buitenschil krijgt. Bij aanvragen voor collectieve buitenschilisolatie van meerdere gebouwen in één bouwblok wordt het plan altijd voor advies voorgelegd aan de Omgevingscommissie.

7.4.1. Kozijnveranderingen

Algemeen Het vervangen van bestaande kozijnen door hetzelfde type kozijnen (gelijkwaardig materiaal, uitstraling en indeling) valt onder normaal onderhoud. Plaatsing en maatvoering • De samenhang en ritmiek van het hoofdgebouw en/ of straatwand wordt niet verstoord. • De bestaande gevelopening wijzigt niet. • De diepte van de negge vanuit de buitenzijde wijzigt niet. • De profieldikte van het kozijn e.d. – gezien in het gevelaanzicht – wijzigt niet meer dan 15%.

66

Nota omgevingskwaliteit Tilburg

Materiaal, kleur en detaillering • Stalen kozijnen- en raamprofielen kunnen worden vervangen door aluminium renovatieprofielen. • Bij kunststof kozijnen komt de detaillering en profilering overeen met de kozijnen en het raamhout van het hoofdgebouw. • Het materiaal- en kleurgebruik wordt afgestemd op het hoofdgebouw. Ruimtelijk erfgoed Wanneer er sprake is van een monument en/of een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht, wordt er maatwerk advies gegeven. Zie hiervoor hoofdstuk 6. Daarnaast gelden voor niet-monumenten binnen het beschermde stads- of dorpsgezicht aanvullend de volgende criteria: • De roedeverdeling van bestaande kozijnen en glas-in-lood ramen blijft behouden en/of wordt gereconstrueerd. • Raamindeling, detaillering (negge, profilering ed.) en kleur zijn gelijk aan het oorspronkelijke ontwerp.

7.4.2. Dak- en gevelwijzigingen, incl. na-isoleren aan buitenzijde

• Bij samenvoeging van panden blijft de individualiteit van de panden afleesbaar. • De gevel aan de straatzijde is representatief vormgegeven en kent een duidelijke oriëntatie op de openbare ruimte. • Er is geen sprake van gesloten zijgevels grenzend aan het openbaar gebied. Bij een pand onderdeel van een bouwblok • De bestaande (verticale of horizontale) gevelindeling en gevelgeleding geldt als uitgangspunt. • Bestaande gevelopeningen en –afmetingen gelden als uitgangspunt; • Bij het na-isoleren van de kap: Behoud van dezelfde goothoogte als de bestaande goot en/of de goot van het buurpand en behoud van dezelfde hellingshoek van het dak. • Afwijking in materiaal, kleur en detaillering is mogelijk, mits de samenhang in het totale gevelbeeld van het bouwblok voldoende behouden blijft, de stedenbouwkundige waarde niet wordt aangetast en de architectonische kwaliteit vergelijkbaar is. • De samenhang tussen de begane grond en de verdieping(en) blijft behouden.

Algemeen • Met de wijziging blijft de karakteristiek van het pand en de samenhang in het straatbeeld voldoende behouden. • Bij splitsing van een pand blijft de architectonische eenheid van het pand behouden.

A

B

C

D

i

Bij een vrijstaand pand • Verandering van goothoogte, dakhelling, bouwmassa, gevelindeling, gevelgeleding is mogelijk, mits de bestaande stedenbouwkundige waarden niet worden aangetast en het pand voldoende passend is in de omgeving en het straatbeeld. • Afwijking in materiaal, kleur en detaillering is mogelijk, mits de architectonische kwaliteit vergelijkbaar is. Ruimtelijk erfgoed Wanneer er sprake is van een monument en/of een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht, wordt er maatwerk advies gegeven. Zie hiervoor hoofdstuk 6. Daarnaast gelden voor niet-monumenten binnen het beschermde stads- of dorpsgezicht aanvullend de volgende criteria: • Bij gevelwijzigingen vormen de beneden- en bovenverdiepingen een architectonische eenheid, uitgaande van de oorspronkelijke gevelelementen. • De geleding van de gevel van de begane grond en die van de verdiepingen zijn op elkaar afgestemd. In de indeling van de voorgevel is de oorspronkelijke verdiepingshoogte van een gebouw herkenbaar. • De gevels van de begane grond en de verdiepingen worden zoveel mogelijk uitgevoerd in hetzelfde materiaal en dezelfde kleur. Het betimmeren of anderszins bekleden van gevels met plaatmaterialen is ongewenst. Het kleurgebruik is terughoudend en passend in het straatbeeld.

67

Nota omgevingskwaliteit Tilburg

• Elementen die aan de gevel van een gebouw of bij een gebouw worden toegevoegd (zoals zonneschermen, vlaggen, klokken, verlichtingsarmaturen e.d. voorwerpen) kunnen het gewenste straatbeeld verstoren. Het streven is erop gericht de gevels en erven vrij te houden van toegevoegde vergunningplichtige objecten. • Het aanbrengen van klimplantvoorzieningen aan de gevel is maatwerk maar mag in ieder geval geen verstoring vormen in de gevelarchitectuur en brengt geen schade aan het monument. Voor luifels, zonwering en rolluiken gelden in het beschermde stads- en dorpsgezicht de volgende criteria: Luifels • Luifels die behoren tot of passen bij de architectuur van het pand zijn niet dieper dan 0.25 meter en houden minimaal 0.25 meter afstand van de zijgevel/ perceelsgrens. Zonwering • Respecteert en sluit aan op de gevelkarakteristiek voor wat betreft positionering, maatvoering, verschijningsvorm, materiaal, kleur en detaillering; • Zonwering is beweegbaar en niet permanent uitgeklapt. • Plaatsing is niet lager dan 2.20 meter en niet hoger dan de verdiepingshoogte. • Buiten het gevelvlak uitkragende zonweringen zijn niet toegestaan op niet of nauwelijks bezonde gevels.

Rolluiken • Mogen alleen worden geplaatst ter beveiliging tegen inbraak etc. En zijn op bovenverdiepingen niet toegestaan. • Mogen alleen aan de binnenzijde van de gevelopeningen worden aangebracht. • Dienen minimaal voor 75 % uit (glasheldere) doorkijkopeningen te bestaan. • Zijn voor wat betreft vormgeving zo veel mogelijk afgestemd op het gevelbeeld. • Hebben een terughoudende, in het straatbeeld passende kleur. • Zijn bij nieuwe puien geïntegreerd in de architectuur van het gebouw en het gevelontwerp.

7.4.3. Vergroening tegen de gevel en op het dak Vergroening van een dak of gevel houdt in dat planten worden geïntegreerd in de structuur van gebouwen. Dit kan op verschillende manieren gebeuren, zoals het aanleggen van een groen dak, of het installeren van verticale tuinen, waarbij klimplanten en andere vegetatie langs de gevels groeien. Vergroening van daken bij nieuwe erfbebouwing wordt altijd gewaardeerd. Algemeen • Een groene gevel of dak respecteert de architectuur van het hoofdgebouw. • Bij nieuwbouw is gevelgroen onderdeel van het architectonische concept.

A

B

C

D

i

• Doorgaande lijnen in beginsel handhaven. Dakranden, daklijsten, boeidelen en nokpannen dienen als bindend element in de architectuureenheid te blijven functioneren. • Bouwkundige/constructieve voorzieningen zijn met beplanting vanaf de straat nagenoeg niet zichtbaar. • Bij de plantenkeuze is rekening gehouden met de bijdrage aan de biodiversiteit en een volwaardig groen aanzicht in alle seizoenen. Ruimtelijk erfgoed Wanneer er sprake is van een monument en/of een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht, wordt er maatwerk advies gegeven. Zie hiervoor hoofdstuk 6.

7.5. Erf- en terrasafscheidingen

Een erf- of terrasafscheiding is een bouwwerk op de erfgrens of op het dak, bedoeld om het erf of dakterras af te bakenen.

7.5.1. Grenzend aan het openbaar gebied

Algemeen Erfafscheidingen passen bij en leveren een positieve bijdrage aan het straatbeeld en hebben een verzorgde uitstraling. Begroeide hekwerken en beplantingen (hagen) kunnen een meer open en vriendelijke uitstraling hebben en genieten - ook wat betreft duurzaamheid - de voorkeur boven lange, gesloten schuttingen.

68

Nota omgevingskwaliteit Tilburg

Plaatsing en maatvoering • Voor de voorgevellijn is de hoogte maximaal 1.00 meter. • Achter de voorgevellijn is de hoogte maximaal 2.00 meter.

• Maximaal 2.00 meter hoog. • Eventueel tussen gemetselde pilasters en/of op gemetseld basement van maximaal 0.60 meter hoog. • Kleur hekwerk antraciet/zwart (donkerder dan RAL 7016).

Verschijningsvorm • Niet geheel gesloten of afwerend. • Een duurzame en degelijke uitvoering. • Passend bij het tuinkarakter, afgestemd op de bebouwing en de karakteristiek van de omgeving.

Voor een erf- of perceelafscheiding langs de zijerfgrens op gronden die duurzaam niet mogen worden bebouwd, maar waarvoor desondanks vrijstelling van het omgevingsplan is verleend, geldt het volgende. • Tot 1.00 meter hoog in metselwerk (steen- en kleurkeuze als hoofdgebouw) waarboven tot 2.00 meter hoogte een metalen gaashekwerk in de kleur zwart, donkerbruin of -groen. • Dan wel geheel als metalen gaashekwerk in de kleur zwart, donkerbruin of -groen.

Materiaal, kleur en detaillering • Bij voorkeur met begroeiing vormgegeven, zoals hagen. Of anders: - Metselwerk (steen- en kleurkeuze als hoofdgebouw); - (te begroeien) transparant metalen (gaas)hekwerk in kleur antraciet/zwart, donkerbruin of groen. Eventueel tussen gemetselde pilasters en/of op gemetseld basement van niet meer dan 0.60 meter hoog); - (geschilderde) houten delen (in een dekkende en/ of neutrale kleur). Indien het perceel breder is dan 50 meter en het hoofdgebouw op tenminste 15 meter uit de voorerfgrens is gesitueerd, dan geldt voor een erfafscheiding aan de voorzijde het volgende. • Uitvoering als transparant metalen hekwerk (tenminste 60% transparant).

7.5.2. Terrasafscherming bij dakterrassen

Algemeen Een terrasafscherming bij een dakterras • Levert een positieve bijdrage aan het straat- en gevelbeeld door toepassing van een open karakter en een verzorgde uitstraling. • Zijn transparant van karakter. • Hebben een bescheiden omvang in hoogte en breedte. Ruimtelijk erfgoed Wanneer er sprake is van een monument en/of een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht, wordt er maatwerk advies gegeven. Zie hiervoor hoofdstuk 6.

A

B

C

D

i

Daarnaast gelden voor het beschermde stads- of dorpsgezicht aanvullend de volgende criteria: • Respecteren de waardevolle (monumentale) karakteristieken. • Vormen een versterking van het monumentale (straat)beeld. • Zijn voor wat betreft materialisatie en kleur afgestemd op het karakter van de omgeving en de betreffende kavel.

7.6. Gebouwgebonden installaties 7.6.1. Zonnecollectoren en- panelen

Een zonnepaneel dient voor energieopwekking en een zonnecollector voor warmteopwekking. Algemeen Er gelden geen concrete criteria. Indien een vergunning nodig is zal de Omgevingscommissie beoordelen op basis van de algemene criteria. Ruimtelijk erfgoed Wanneer er sprake is van een monument en/of een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht, wordt er maatwerk advies gegeven. Zie hiervoor hoofdstuk 6.

69

Nota omgevingskwaliteit Tilburg

Voor zonnepanelen op daken in beschermde gezichten en monumenten gelden aanvullend de volgende criteria: • De plaatsing van zonnepanelen op monumenten of in beschermde stadsgezichten is altijd maatwerk. Het mag geen negatieve gevolgen hebben op het stadsgezicht of de dakvorm. De richtlijn is dat het historische dak of dakvorm herkenbaar blijft. Voor de plaatsing van zonnepanelen op beschermde rijks- en gemeentelijke monumenten is een omgevingsvergunning verplicht. • Zonnepanelen worden bij voorkeur aan de achterkant geplaatst. Aan de voorkant is ook mogelijk, maar alleen als de panelen niet aan de achterkant geplaatst kunnen worden. • Zonnepanelen op niet beschermde monumenten in rijksbeschermde stads- of dorpsgezichten zijn aan de achterkant vergunningsvrij als zij niet zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte. Voor zonnepanelen op de voorkant is een vergunning altijd verplicht. • In een vergunning worden voorwaarden gesteld over het type paneel, de kleur, de hoeveelheid, de afstand van de zonnepanelen tot de bovenkant van het dak, goot en belendingen, het legpatroon, constructieve maatregelen en brandveiligheid. Ook moeten de aanpassingen omkeerbaar zijn. Voor een goede beoordeling zijn technische tekeningen nodig die deze punten duidelijk maken. • Het uitgangspunt is dat de zonnepanelen in een eenduidig vlak gelegd worden.

Dit betekent een rechthoek of een vierkant en geen afwijkende

vormen. De panelen mogen bijvoorbeeld niet om een dakkapel of regenpijp heen gelegd worden.

7.6.2. Installaties aan gevels, op daken en op maaiveld. Voor gebouw gebonden installaties (al dan niet ten behoeve van duurzame energieopwekking of energiezuinigheid) zoals airco’s, warmtepompen, luchtbehandelingskasten, afvoeren en andere technische apparatuur aan gevels, op daken en op maaiveld gelden de volgende criteria: • Installaties dienen bij voorkeur inpandig te worden gebouwd. • Daar waar inpandige realisatie van installaties technisch onmogelijk is, is plaatsing op het dak toegestaan, mits de installaties zo laag mogelijk worden gehouden en niet zichtbaar zijn vanaf het openbaar gebied. • Installaties zijn niet toegestaan op voorgevels of zijgevels grenzend aan openbaar toegankelijk gebied. • Indien een geïntegreerde toevoeging niet mogelijk is dient de installatie zodanig gecamoufleerd te worden dat deze niet meer zichtbaar is, bijvoorbeeld met een ‘dicht ogende’ roosterconstructie (of anderszins) om de installatie heen. • De bedoelde constructie vormt een nieuw architectonisch element in verhouding tot de bestaande architectuur. • De installatie zelf heeft een neutrale kleurstelling, waardoor de installatie tegen de achtergrond wegvalt.

A

B

C

D

i

Ruimtelijk erfgoed Wanneer er sprake is van een monument en/of een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht, wordt er maatwerk advies gegeven. Zie hiervoor hoofdstuk 6. Voor installaties op gevels, daken en op maaiveld in beschermde gezichten en/of bij monumenten gelden aanvullend de volgende criteria: • Er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de cultuurhistorische waarden van het beschermde gezicht of monument. • Materiaalgebruik, kleur en detaillering van installaties, afvoerkanalen en bijbehorende onderdelen zijn hoogwaardig en zijn afgestemd op het oorspronkelijke ontwerp. • Installaties moeten zodanig ingepast worden dat de ingreep reversibel is.

70

Nota omgevingskwaliteit Tilburg

7.7. Reclame

7.7.1. Algemeen

• De verschillende type reclamevormen zijn qua vormgeving afgestemd op elkaar.

Er wordt met betrekking tot reclameobjecten onderscheid gemaakt tussen commerciële buitenreclame en objectgebonden reclame. Wanneer er sprake is van een monument en/of een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht, wordt er maatwerk advies gegeven. Zie hiervoor hoofdstuk 6.

Objectgebonden reclame Objectgebonden reclame gaat over reclame-uitingen zichtbaar vanuit het publieke domein voor producten of bedrijven die zijn aangebracht op, aan of bij het gebouw waar het betreffende bedrijf is gevestigd of het betreffende product wordt verhandeld.

Commerciële buitenreclame Commerciële buitenreclame betreft reclame voor producten of bedrijven die geen relatie hebben met de plaats van het reclameobject zoals billboards, MUPI’s, abri’s en reclame aan lichtmasten. Bij deze objecten is niet zozeer de reclame op zich maar de ‘drager’ als bouwwerk onderwerp van beoordeling. De toegestane vormen van commerciële buitenruimte in de openbare ruimte zijn opgenomen in de nota Buitenreclame Tilburg. Bij vervanging of uitbreiding van dit type reclame-uitingen wordt in een vroegtijdig stadium advies gevraagd (landschap, stedenbouw, architectuur). Reclames op particulier gebied, die geen directe relatie hebben met de locatie, gericht naar het openbare gebied zijn ongewenst omdat deze in het algemeen het stads- of landschapsbeeld ernstig verstoren.

Criteria bij de beoordeling zijn: • Uitsluitend reclame maken voor het ter plaatse gevestigde bedrijf of voor de producten die ter plaatse worden vervaardigd, bewerkt of verhandeld. • Een reclameobject sluit aan bij de gevelkarakteristiek en de monumentale, landschappelijke en architectuurhistorische waarden. • Eventuele gevelreclame is een passend onderdeel van de totale gevelcompositie, ingetogen en ondergeschikt en passend bij de architectuur van het hoofdgebouw.

Criteria bij de beoordeling zijn: • Een zorgvuldige inpassing in de openbare ruimte. • Een passende vormgeving binnen de context van landschap, stedenbouw en architectuur.

Het streven is reclame ondergeschikt te maken aan een authentiek en kwalitatief hoogwaardig stadsbeeld. Bij het plaatsen van reclame moet rekening gehouden worden met de kwaliteiten en het karakter van het

Voor specifieke gebieden en situaties zijn hierna aanvullende criteria opgenomen.

7.7.2. Objectgebonden gevelreclame Binnenstad & Gegroeide winkelconcentraties

A

B

C

D

i

71

gebied. Met het oog op reclamevervuiling die ontstaat door het op elkaar stapelen van reclame-uitingen is terughoudendheid het uitgangspunt. Er wordt een evenwicht tussen de identiteit van de binnenstad en linten en commercieel noodzakelijke uitingen nagestreefd. Het streven is een optimale inpassing in de architectuur van de individuele gevels te realiseren. Rondom de binnenstad zijn enkele gegroeide winkelconcentraties aan te wijzen met een vergelijkbare concentratie aan winkels en bedrijven als de binnenstad. Deze gebieden zijn in de ‘Structuurvisie Linten in de Oude Stad’ aangewezen als ‘Bedrijvige linten’. Criteria bij de beoordeling in de binnenstad en de ‘bedrijvige linten’ zijn:

Plaatsing • Reclame moet een directe relatie hebben met het gebruik van het pand. • Per winkel- of bedrijfspand is op de begane grond één reclame-uiting toegestaan. De verdiepingen dienen vrij te blijven van reclame. • De reclame kan op of evenwijdig aan het gevelvlak, en dus niet haaks op de gevel, worden geplaatst. • Op hoekpanden is één reclameobject per zijde toegestaan. • Reclame-uitingen op een luifel zijn slechts toegestaan indien die luifel deel uitmaakt van de oorspronkelijke architectuur van een pand of anderszins voldoet aan de architectuurcriteria.

Algemeen • Reclame aan een gebouw moet ondergeschikt zijn aan het gebouw en dient op de sfeer, kleur, schaal en architectuur van het pand te worden afgestemd en zo mogelijk in de architectuur te worden geïntegreerd. Standaardreclames en reclames in huisstijl kunnen daarom niet zonder meer worden toegestaan. Indien dat noodzakelijk is ter wille van het voldoen aan dit algemene en belangrijkste criterium, kan van de onderstaande criteria worden afgeweken. • De bestaande omgeving, of het bestaande straatbeeld is mede maatgevend voor de toe te passen reclame-uiting.

Maatvoering • De reclame-uiting mag niet meer dan de helft van de gevel bestrijken en niet hoger zijn dan 0.50 meter. • Als in de bestaande (historische) architectuur reeds specifieke reclamemogelijkheden voorhanden zijn, zoals koofborden of reclamevelden, dan zijn dat de aangewezen plaatsen voor reclame.

Nota omgevingskwaliteit Tilburg

Verschijningsvorm • Losse letters, al dan niet verlicht, verdienen de voorkeur boven lichtbakken. • Voor wat betreft de toepassing van verlichte reclame bestaat een sterke voorkeur voor naar achteren uitstralende doosletters (silhouetwerking); • Het afplakken van ramen, al dan niet in de vorm van

reclame, is slechts toegestaan tot een maximum van 30% van het raamoppervlak per gevelopening. Maatwerkclausule Om maatwerk mogelijk te maken kan worden afgeweken van de criteria. Een tweede en/of haakse reclame (waaronder een vlag) is denkbaar mits er sprake is van een passend totaalbeeld en mits er keuzes worden gemaakt. Dus als bijvoorbeeld de toegestane breedte of hoogte niet volledig worden benut, ontstaat er ruimte voor een tweede uiting. Ook een collectieve (en collectief ontworpen) aanpak kan in bestaande gebieden, maar ook nieuwe winkelgebieden, ruimte bieden voor een extra (haakse) uiting. Haakse reclames kunnen ‘worden overwogen’ zodra er sprake is van een zekere noodzaak vanwege een beperkte zichtbaarheid of tenzij de architectuur van een gebouw hiervoor juist aanleiding geeft (bijvoorbeeld bij een rijke ornamentiek in de gevel waarbij een vlakke gevelreclame verstorend werkt). Aandachtspunt is dat het ‘stapeleffect’ van een reeks haakse borden wordt voorkomen. In het kernwinkelgebied wordt daarom in beginsel vastgehouden aan het uitgangspunt om geen haakse reclames toe te staan. In straten waar niet ieder pand een commerciële functie heeft is het risico op een stapeling kleiner dan bijvoorbeeld in de Heuvelstraat. Een straat als de Nieuwlandstraat is in dit verband wel kwetsbaar gelet op de historische kwaliteit en uitstraling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16109886/1