CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

18 Bijlage 15 Voortoets en Passende beoordeling Wijkevoort def

Raadsvergadering 15 november 2021, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststellen bestemmingsplan Wijkevoort29.685 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Een Passende beoordeling geeft antwoord op de vragen (factsheet Commissie voor de MER): • Wat zijn de instandhoudingsdoelstellingen voor de soorten/habitattypen in de Natura 2000-gebieden? • Worden deze doelstellingen gehaald of moet er nog veel gebeuren? • Welk effect heeft het initiatief op de soorten en habitattypen? Een activiteit die buiten een Natura 2000-gebied plaatsvindt, kan door ‘externe werking’ toch gevolgen hebben voor dat Natura 2000-gebied. • Zijn er andere activiteiten die gevolgen hebben voor de soorten en habitats? Het gaat om de optelsom (cumulatie) van de gevolgen van andere initiatieven op een Natura 2000-gebied. • Is er sprake van aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied (gelet op de doelstellingen en de staat van instandhouding)? Wanneer significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden op grond van een Passende beoordeling niet kunnen worden uitgesloten, kan alleen goedkeuring aan het plan worden verleend indien de ADC-toets met succes doorlopen kan worden (artikel 2.8, vierde lid, Wn). Dat betekent dat het plan nodig is omwille van een dwingende reden van groot openbaar

49 (371)

belang, er geen alternatief mag zijn met minder grote effecten op Natura 2000 en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen. Gebieden in het buitenland Indien een activiteit gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied dat buiten Nederland is gelegen, besluit de provincie waarin de activiteit plaatsvindt op de aanvraag de noodzaak tot het nemen van vervolgstappen. Als de toename van de depositie in Duitsland, Vlaanderen en/of Wallonië hoger is dan de daar gehanteerde grenswaarden dan dient het Nederlandse bevoegd gezag in overleg met het bevoegd gezag in het buitenland te bepalen of en onder welke voorwaarden toestemming kan worden verleend. 5.3 Beoordelingskader effecten Voorliggend hoofdstuk dient duidelijkheid te geven of plangebonden toenames aan stikstofdepositie significante gevolgen kunnen hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden in Natura 2000-gebieden.

Deze beoordeling is uitgevoerd aan de hand van de volgende vragen: • Wat is de kritische depositiewaarde van het habitat (KDW)? 13 • Wat is de maximale achtergrond depositie op het habitat? • Hoe groot is het salderingseffect op het hexagoon met de hoogste bijdrage per saldo?14 • Hoe groot is het planeffect op het hexagoon met de hoogste bijdrage per saldo?12 • Hoe groot is het maximale planeffect per saldo?12 • Hoe groot is het maximale relevante planeffect?15 5.4 AERIUS berekening De berekeningen van de stikstofdepositie zijn uitgevoerd met de meest recente versie van de AERIUS Calculator, versie 2020. Hierbij is de depositie binnen de natuurgebieden berekend per hexagoon met een oppervlakte van één hectare. De berekende depositie op een rekenpunt wordt toegekend aan het gehele hexagoon van één hectare waar dit rekenpunt in ligt. In het onderzoek stikstofdepositie (Sweco, 2021) zijn de gehanteerde uitgangspunten voor emissies en emissiekenmerken opgenomen. De .pdfresultaatbestanden op basis van de emissies in de referentiesituatie en de beoogde situatie voor de aanlegfase en de gebruiksfase worden weergegeven in de bijlagen van het Onderzoek Stikstofdepositie in Bijlage 1. Uit deze resultaten blijkt voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase dat de stikstofdepositie groter is dan 0,00 mol N/ha/jaar.

5.4.1 Referentiesituatie Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat bij de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan de feitelijk bestaande en planologisch legale situatie ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan als referentiesituatie heeft te gelden. De referentiesituatie is de situatie waarin het bedrijventerrein nog niet aanwezig is. In de referentiesituatie voor de aanlegfase is het huidige wegverkeer niet meegenomen. Dit omdat in de aanlegfase alleen het verkeer ten gevolge van de aan- en afvoer van materialen en materieel en werkverkeer wordt meegenomen. In de gebruiksfase wordt wel het autonome verkeer meegenomen, omdat in de gebruiksfase plansituatie het totale verkeer inclusief het plan wordt meegenomen.

13

De Kritische depositiewaarde (Van Dobben et al., 2012) indiceert een depositiewaarde waarboven significant negatieve gevolgen voor het habitattypen niet meer uitgesloten kunnen worden. 14 Het resterende stikstofeffect na het toepassen van de beoogde saldering. 15 Het maximale effect (>0,00 mol N/ha/jaar) op de hexagonen met een (naderende) overschrijding van de KDW door de huidige achtergronddepositie inclusief projecteffect.

50 (371)

5.4.2 Emissies mestaanwending Binnen het plangebied is er in de referentiesituatie sprake van agrarisch gebruik, waarbij de landbouwpercelen worden bemest. Bij het bemesten, komen emissies van ammoniak (NH3) vrij. De emissies tijdens het bemesten van landbouwgrond zijn bepaald op basis van het oppervlak van de landbouwgrond (ha), de wettelijke stikstofgebruiksnormen (kg N/ha/jaar) voor de toediening van mest, het percentage ammoniakaal stikstof (TAN) in de toegediende mest en het percentage van het TAN dat als NH3 vrijkomt bij het bemesten. In het Onderzoek Stikstofdepositie (tabel 3.1 van het rapport, zie bijlage 1) is de emissieberekening van de bemesting in de referentiesituatie opgenomen. Het oppervlak van landbouwgrond in het plangebied is bepaald op basis van gegevens uit de Basisregistratie Percelen16 voor het jaar 2020. Voor de hoeveelheid mest op de landbouwgrond is uitgegaan van de stikstofgebruiksnorm voor het specifieke landgebruik 17. Het percentage ammoniakaal stikstof (TAN) in de toegediende mest is van vele factoren afhankelijk zoals het type mest. Aangezien hiervoor geen gegevens beschikbaar zijn is een conservatieve aanname gedaan door een percentage TAN te hanteren van 50% 18. De hoeveelheid NH3 die vrijkomt bij het bemesten is onder andere afhankelijk van de wijze van toediening. De wijze van toediening van de mest op de percelen is onbekend.

Hiervoor is aangenomen dat op bouwland de mest wordt opgebracht met een injecteur en op grasland met een zodenbemester19. Zonder derogatie mag maximaal 170 kg N/ha/jaar aan dierlijke mest worden uitgereden. In de berekeningen is ervan uitgegaan dat maximaal 95% van de stikstofgebruiksnorm wordt benut. 5.4.3 Gasverbruik In de huidige situatie zijn er in het plangebied een aantal woningen aanwezig die gesloopt worden voor het bedrijventerrein. Deze woningen verbruiken gas voor verwarming en koken. Op basis van de emissiekentallen zoals deze zijn opgenomen in de factsheet voor ruimtelijke plannen, is de emissie van de woningen bepaald. Aangezien het om oudere vrijstaande woningen gaat, is voor NOx 3,59 kg/jaar en voor NH 3 0,47 kg/jaar per woning aangehouden. De te slopen woningen betreffen Vosheining 3, Hultenseweg 13, Wijkevoort 8, Wijkevoort 16, Wijkevoort 24 en Hultenseweg 52. 5.5 Externe saldering In de huidige situatie is ten noorden en ten zuidoosten van het plangebied een veehouderij aanwezig waarmee gesaldeerd gaat worden. Het gaat om de veehouderij aan de Prinsenhoef 2 te Tilburg en de veehouderij aan de Vosheining 6 te Tilburg. Indien het plan niet gerealiseerd wordt, blijven deze veehouderijen hun bedrijfsvoering continueren. In Tabel 5.1 is weergegeven welke emissies zijn meegenomen voor deze veehouderijbedrijven.

Hierin is, conform de beleidsregels intern en extern salderen van de provincie Noord-Brabant, 70% van de emissierechten ingezet ten behoeve van extern saldering. De gegevens van de rundveehouderijen zijn afkomstig van de gemeente.

16

Oppervlakten zijn bepaald op basis van gegevens uit de Basisregistratie Percelen gewaspercelen. BRP Gewaspercelen bestaat uit de locatie van landbouwpercelen met daaraan gekoppeld het geteelde gewas. De omgrenzingen van de landbouwpercelen zijn gebaseerd op het Agrarisch Areaal Nederland (AAN). https://www.pdok.nl/introductie/-/article/basisregistratie-gewaspercelen-brp17 https://www.rvo.nl/onderwerpen/agrarisch-ondernemen/mestbeleid/gebruiken-en-uitrijden/hoeveel-dierlijke-mestlandbouwgrond 18 Velthof, et al (2009) Methodiek voor berekening van ammoniakemissie uit de landbouw in Nederland 19 Bruggen, van et al. (2019) Emissies naar lucht uit de landbouw in 2017

51 (371)

Tabel 5.1: Emissies rundveehouderij Prinsenhoef 2 en Vosheining 6 te Tilburg. RAV-code

Prinsenhoef 2 A1.100 A3.100 A6.100 Vosheining 6 A1.100 A3.100 A7

dieraantal

Emissiefactor (kg/dierplaats/jaar)

Emissies (kg/jaar)

Emissiefactor 70% (kg/dierplaats/jaar)

Emissie 70% (kg/jaar)

70 70 50

12,3 4,4 5,3

864,5 308 265

8,645 3,08 3,71

605,15 215,6 185,5

120 65 2

13 4,4 6,2

1170 286 12,4

9,1 3,08 4,34

819 200,2 8,68

Stikstofeffect aanlegfase Voor de aanlegfase is het plangebonden stikstofeffect inclusief referentiesituatie en extern salderen berekend. Dit is de maximale toename van de stikstofdepositie in omliggende natuurgebieden ten gevolge van het plan. De berekeningen van de stikstofdepositie zijn uitgevoerd voor het jaar 2021. Het .pdf-resultaatbestand van AERIUS Calculator is opgenomen in de vierde bijlage van het Onderzoek Stikstofdepositie (Bijlage 1). Stikstofeffect gebruiksfase Op basis van de emissiebronnen in de plansituatie en de referentiesituatie, inclusief de veehouderijen die worden meegenomen ten behoeve van extern salderen, is met een verschilberekening de stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden berekend. Voor de berekeningen is gebruik gemaakt van AERIUS Calculator 2020. Voor de berekeningen is het worst case uitgangspunt gehanteerd dat in 2024, het eerste jaar nadat de aanlegfase is afgerond, het volledige plan is gerealiseerd. Met dit uitgangspunt wordt gerekend met de hoogste emissiefactoren voor wegverkeer en de maximale verkeersgeneratie. Daarbij zijn berekeningen uitgevoerd voor een gebied van 25 km rondom de emissiebronnen. Hierin is voor wegverkeer binnen 5 km gerekend met SRM2 en tussen 5 en 25 km met OPS. De resultaatbestanden van AERIUS Calculator berekeningen zijn los meegeleverd met bij het Onderzoek Stikstofdepositie in de bijlage.

Het maximale projecteffect is 0,00 mol N/ha/jaar. Er treden hiermee in de gebruiksfase met extern salderen ten gevolge van het plan geensignificante effecten op in stikstofgevoelige habitattypen of stikstofgevoelige leefgebieden. 5.5.1 Afbakening Uit de AERIUS berekeningen blijkt er door het plan sprake te zijn van een toename van stikstofdepositie in diverse Natura 2000-gebieden, welke zijn weergegeven in Tabel 5.2. Tabel 5.2: Een overzicht van de door het voorgenomen plan beïnvloedde Natura 2000-gebieden. De gebieden zijn gesorteerd op het maximale effect per gebied. # Natura 2000-gebied # Natura 2000-gebied 134 133 131 135 129 130 132 38 70 71

Regte Heide & Riels Laag Kampina & Oisterwijkse Vennen Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen Kempenland-West Ulvenhoutse Bos Langstraat Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek Rijntakken Lingegebied & Diefdijk-Zuid Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem

48 97 47 35 40 88 117 45 156 49

Lemselermaten Meijendel & Berkheide Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek De Wieden Engbertsdijksvenen Kennemerland-Zuid Manteling van Walcheren Springendal & Dal van de Mosbeek Bemelerberg & Schiepersberg Dinkelland

52 (371)

#

Natura 2000-gebied

#

Natura 2000-gebied

112 81 136 137 57 142 128 139 145 138 143 144 140 69 65 105 114 95 141 82 58 147 94 148 146 149 150 115 60 61 103 63 118 42 44 122 41 53 101 62 154 153 100 54 64 39 99 155 51 116 50 157 83 55 43

Biesbosch Kolland & Overlangbroek Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux Strabrechtse Heide & Beuven Veluwe Sint Jansberg Brabantse Wal Deurnsche Peel & Mariapeel Maasduinen Weerter- en Budelerbergen & Ringselven Zeldersche Driessen Boschhuizerbergen Groote Peel De Bruuk Binnenveld Zouweboezem Krammer-Volkerak Oostelijke Vechtplassen Oeffelter Meent Uiterwaarden Lek Landgoederen Brummen Leudal Naardermeer Swalmdal Sarsven en De Banen Meinweg Roerdal Grevelingen Stelkampsveld Korenburgerveen Nieuwkoopse Plassen & De Haeck Bekendelle Oosterschelde Sallandse Heuvelrug Borkeld Westerschelde & Saeftinghe Boetelerveld Buurserzand & Haaksbergerveen Duinen Goeree & Kwade Hoek Willinks Weust Geleenbeekdal Bunder- en Elslooërbos Voornes Duin Witte Veen Wooldse Veen Vecht- en Beneden-Reggegebied Solleveld & Kapittelduinen Brunssummerheide Lonnekermeer Kop van Schouwen Landgoederen Oldenzaal Geuldal Botshol Aamsveen Wierdense Veld

159 34 29 98 160 30 46 121 27 32 96 158 31 36 23 161 87 18 33 126 37 28 26 25 22 24 92 86 16 74 21 91 17 123 13 125 113 84 85 15 90 6 5 167 2 124 4 10 3 1 72 89 9 7

Sint Pietersberg & Jekerdal Weerribben Holtingerveld Westduinpark & Wapendal Savelsbos Dwingelderveld Bergvennen & Brecklenkampse Veld Yerseke en Kapelse Moer Drents-Friese Wold & Leggelderveld Mantingerzand Coepelduynen Kunderberg Mantingerbos Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht Fochteloërveen Noorbeemden & Hoogbos Noordhollands Duinreservaat Rottige Meenthe & Brandemeer Bargerveen Vogelkreek Olde Maten & Veerslootslanden Elperstroomgebied Drouwenerzand Drentsche Aa-gebied Norgerholt Witterveld Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske Schoorlse Duinen Wijnjeterper Schar Zwarte Meer Lieftinghsbroek Polder Westzaan Bakkeveense Duinen Zwin & Kievittepolder Alde Feanen Canisvliet Voordelta Duinen Den Helder-Callantsoog Zwanenwater & Pettemerduinen Van Oordt's Mersken Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder Duinen Schiermonnikoog Duinen Ameland Maas bij Eijsden Duinen en Lage Land Texel Groote Gat Duinen Terschelling Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving Duinen Vlieland Waddenzee IJsselmeer Eilandspolder Groote Wielen Noordzeekustzone

In navolgende paragrafen is per Natura 2000-gebied afzonderlijk beoordeeld of een toename in stikstofdepositie leidt tot significant negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van habitattypen, leefgebieden en soorten.

53 (371)

5.1 Regte Heide & Riels Laag 5.1.1 Inleiding De Regte Heide en Riels Laag liggen tussen de beken Lei en Roppelsche Leij, waarvan de laatste buiten de begrenzing valt. Het gebied is te verdelen in de beekdalen en het daar buiten gelegen licht golvende dekzandlandschap waarin hier en daar lage duingebiedjes voorkomen. Het gebied bestaat uit droge en vochtige heide, moerassige laagten, zure en zwakgebufferde vennen en loof- en naaldbossen. (Regte Heide & Riels Laag, Natura2000.nl)

Figuur 5.1 Overzicht ligging richtlijngebieden gebied Regte Heide & Riels Laag.

5.1.2 Doelstellingen De volgende tabellen bevatten de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000gebied Regte Heide & Riels Laag op basis van het aanwijzingsbesluit. Tabel 5.3: Habitattypen Habitatcode

Habitattype

Status doel

Oppervlakte1

Kwaliteit1

H2310

Stuifzandheiden met struikhei

definitief (in ontwerp verwijderd)

=

>

H3130

Zwakgebufferde vennen

definitief

=

=

H3160

Zure vennen

definitief

=

>

H4010A

Vochtige heiden (hogere zandgronden)

definitief

=

>

H4030

Droge heiden

definitief

=

>

H6410

Blauwgraslanden

ontwerp

=

=

H7140A

Overgangs- en trilvenen (trilvenen)

ontwerp

=

=

H7150

Pioniervegetaties met snavelbiezen

definitief

=

=

54 (371)

Habitatcode

Habitattype

Status doel

H91E0C

Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)

definitief

Oppervlakte1

Kwaliteit1

=

=

1: doelstelling voor oppervlakte en/of kwaliteit behoud: =, uitbreiding: >, achteruitgang ten gunste van ander habitattype toegestaan: = (<), oppervlak staat op uitbreiding, maar mag achteruit gaan ten gunste van ander habitattype: > (<).

5.1.3 Beoordeling Habitattypen Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er binnen het Natura 2000-gebied Regte Heide & Riels Laag sprake is van een toename aan stikstofdepositie op 6 stikstofgevoelige habitattypen (zie onderstaande tabel). De overige habitats zijn niet gevoelig voor stikstofdepositie, of er is geen sprake van een stikstoftoename ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling. Significant negatieve gevolgen voor deze habitattypen zijn daarom op voorhand uitgesloten. Tabel 5.4: Berekende stikstofdepositiewaarden in mol N/ha/jaar op de habitattypen binnen het Natura 2000-gebied Regte Heide & Riels Laag. Depositiewaarden zijn gebaseerd op de resultaten uit de meest recente versie van AERIUS Calculator en worden weergegeven in mol N/ha/jaar. Habitatcode

Habitattype

KDW1

H3130 H3160 H4010A

Zwakgebufferde vennen Zure vennen Vochtige heiden (hogere zandgronden) Droge heiden Pioniervegetaties met snavelbiezen Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)

H4030 H7150 H91E0C

Situatie 13

Situatie 24

Maximaal effect5

571 714 1214

Maximale achtergrond depositie2 2474 2474 1986

5,03 4,86 5,04

4,9 4,7 4,92

-0,13 -0,16 -0,12

Maximaal relevant effect5 -

1071 1429

2353 2474

5,04 5,04

4,92 4,92

-0,12 -0,12

-

1857

2180

4,02

3,9

-0,12

-

1. KDW van habitattype volgens van Dobben et al. (2012) 2. Achtergronddepositie volgens de meest recente versie van AERIUS Calculator. kleuren betreffen: geen, naderend en overschrijding KDW. 3. Referentiesituatie inclusief extern salderingsbronnen 4. Berekende stikstofbijdrage t.g.v. de voorgenomen ontwikkeling 5. De maximale toename aan stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie volgens de berekening op basis van de meest recente versie van AERIUS Calculator. 6. De maximale toename aan stikstofdepositie op hexagonen met een (naderende) overschrijding van de KDW door achtergronddepositie inclusief de berekende toename.

Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot relevante deposities groter dan 0,00 mol N/ha/jaar op stikstofgevoelige habitattypen. De toename aan stikstofdepositie heeft hierdoor met zekerheid geen invloed op het behoud, uitbreiding of verbetering van oppervlakte en kwaliteit van aangewezen habitattypen in het Natura 2000-gebied Regte Heide & Riels Laag. Significante effecten door de toename aan stikstofdepositie ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling zijn hierom uitgesloten. 5.1.4 Beoordeling Habitatrichtlijnsoorten Er zijn in het Natura 2000-gebied Regte Heide & Riels Laag geen habitatrichtlijnsoorten aangewezen met een definitieve status. Er kan derhalve geen toename aan stikstofdepositie plaatsvinden op stikstofgevoelig leefgebied. Conclusie De toename aan stikstofdepositie heeft met zekerheid geen invloed op aangewezen

55 (371)

habitatrichtlijnsoorten in het Natura 2000-gebied Regte Heide & Riels Laag. Significante effecten door de toename aan stikstofdepositie ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling zijn hierom uitgesloten.

5.1.5 Beoordeling Broedvogels Er zijn in het Natura 2000-gebied Regte Heide & Riels Laag geen broedvogels aangewezen met een definitieve status. Er kan derhalve geen toename aan stikstofdepositie plaatsvinden op stikstofgevoelig leefgebied. Conclusie De toename aan stikstofdepositie heeft met zekerheid geen invloed op aangewezen broedvogels in het Natura 2000-gebied Regte Heide & Riels Laag. Significante effecten door de toename aan stikstofdepositie ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling zijn hierom uitgesloten. 5.1.6 Beoordeling Niet-broedvogels Er zijn in het Natura 2000-gebied Regte Heide & Riels Laag geen niet-broedvogels aangewezen met een definitieve status. Er kan derhalve geen toename aan stikstofdepositie plaatsvinden op stikstofgevoelig leefgebied. Conclusie De toename aan stikstofdepositie heeft met zekerheid geen invloed op aangewezen nietbroedvogels in het Natura 2000-gebied Regte Heide & Riels Laag. Significante effecten door de toename aan stikstofdepositie ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling zijn hierom uitgesloten.

56 (371)

5.2 Kampina en Oisterwijkse Vennen 5.2.1 Inleiding Kampina en de naastgelegen Oisterwijkse vennen en bossen vormen samen een voorbeeld van het licht glooiende Brabants dekzandlandschap, met U-vormige paraboolduinen, met bossen, vennen, heide en overgangen naar schraalgraslanden in beekdalen. Kampina is een restant van het halfnatuurlijke Kempense heidelandschap, met droge en vochtige heidevegetaties, akkertjes, een meanderend riviertje, voedselarme vennen en blauwgraslanden. In de oeverzones van de vennen komt nog hoogveenvorming voor, in het zuiden liggen dopheidevelden. In het stroomdal van de vrij meanderende Beerze staan hoge populieren, elzenbroek, vochtige heide met gagelstruweel en blauwgraslanden. De vennen in het gebied zijn vaak langgerekt in zuidwest-noordoostelijke richting, de dominerende windrichting van de laatste ijstijd, toen dit landschap grotendeels werd gevormd. Vennen die in het gebied aanwezig zijn betreffen doorstroomvennen (o.a. de Centrale Vennen in de Oisterwijkse Bossen), geïsoleerde zure vennen, en vennen in beekdalflanken die (van oorsprong) onder invloed staan van inundatie met beekwater. De vennen in de Oisterwijkse bossen zijn merendeels ontstaan als uitgestoven laagten in een stuifzandlandschap, waar veentjes in ontstonden. Door vervening is hierin sinds de Middeleeuwen weer open water ontstaan.

In het gebied zijn reeds in 1950 de eerste herstelmaatregelen in de vennen uitgevoerd. (Kampina en Oisterwijkse Vennen, Natura2000.nl)

Figuur 5.2 Overzicht ligging richtlijngebieden gebied Kampina en Oisterwijkse Vennen.

5.2.2 Doelstellingen De volgende tabellen bevatten de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000gebied Kampina en Oisterwijkse Vennen op basis van het aanwijzingsbesluit. Tabel 5.5: Habitattypen Habitatcode

Habitattype

Status doel

H2310

Stuifzandheiden met struikhei

definitief

Oppervlakte1

Kwaliteit1

>

>

57 (371)

Habitatcode

Habitattype

Status doel

Oppervlakte1

Kwaliteit1

H2330

Zandverstuivingen

definitief

>

>

H3110

Zeer zwakgebufferde vennen

definitief

>

>

H3130

Zwakgebufferde vennen

definitief

>

>

H3160

Zure vennen

definitief

= (<)

>

H4010A

Vochtige heiden (hogere zandgronden)

definitief

>

>

H4030

Droge heiden

definitief

>

>

H6410

Blauwgraslanden

definitief

=

>

H7110B

Actieve hoogvenen (heideveentjes)

definitief

>

>

H7150

Pioniervegetaties met snavelbiezen

definitief

>

=

H7210

Galigaanmoerassen

definitief

=

>

H9120

Beuken-eikenbossen met hulst

ontwerp

=

=

H9190

Oude eikenbossen

definitief

=

>

H91D0

Hoogveenbossen

ontwerp

=

=

H91E0C

Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)

definitief

=

>

1: doelstelling voor oppervlakte en/of kwaliteit behoud: =, uitbreiding: >, achteruitgang ten gunste van ander habitattype toegestaan: = (<), oppervlak staat op uitbreiding, maar mag achteruit gaan ten gunste van ander habitattype: > (<). Tabel 5.6: Habitatrichtlijnsoorten Soortcode

Soort

Status doel

Populatie

Omvang leefgebied1

Kwaliteit leefgebied1

H1831

Drijvende waterweegbree

H1082

Gestreepte waterroofkever

definitief

>

>

>

definitief

>

>

H1042

>

Gevlekte witsnuitlibel

ontwerp

>

>

>

H1166

Kamsalamander

definitief

>

>

>

H1149

Kleine modderkruiper

definitief

=

=

=

H1163

Rivierdonderpad

ontwerp

=

=

=

1: doelstelling voor omvang en/of kwaliteit behoud: =, uitbreiding/verbetering: >, vestigend: +, achteruitgang ten gunste van ander habitattype toegestaan: = (<). Tabel 5.7: Broedvogels Soortcode

Soort

Status doel

Aantal broedparen

Omvang leefgebied1

Kwaliteit leefgebied1

A004

Dodaars

A276

Roodborsttapuit

definitief

30

=

=

definitief

35

=

=

1: doelstelling voor omvang en/of kwaliteit behoud: =, uitbreiding/verbetering: >, vestigend: +, achteruitgang ten gunste van ander habitattype toegestaan: = (<). Tabel 5.8: Niet-broedvogels Soortcode

Soort

Status doel

Populatie

A701

Taigarietgans

definitief

100

Instandhoudings-doelstelling Slaap- en rustplaats

Omvang leefgebied1

Kwaliteit leefgebied1

=

=

1: doelstelling voor omvang en/of kwaliteit behoud: =, uitbreiding/verbetering: >, vestigend: +, achteruitgang ten gunste van ander habitattype toegestaan: = (<).

58 (371)

5.2.3 Beoordeling Habitattypen Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er binnen het Natura 2000-gebied Kampina en Oisterwijkse Vennen sprake is van een toename aan stikstofdepositie op 13 stikstofgevoelige habitattypen (zie onderstaande tabel). De overige habitats zijn niet gevoelig voor stikstofdepositie, of er is geen sprake van een stikstoftoename ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling. Significant negatieve gevolgen voor deze habitattypen zijn daarom op voorhand uitgesloten. Tabel 5.9: Berekende stikstofdepositiewaarden in mol N/ha/jaar op de habitattypen binnen het Natura 2000-gebied Kampina en Oisterwijkse Vennen. Depositiewaarden zijn gebaseerd op de resultaten uit de meest recente versie van AERIUS Calculator en worden weergegeven in mol N/ha/jaar. Habitatcode

Habitattype

KDW1

H2310

Stuifzandheiden met struikhei Zandverstuivingen Zeer zwakgebufferde vennen Zwakgebufferde vennen Zure vennen Vochtige heiden (hogere zandgronden) Droge heiden Blauwgraslanden Actieve hoogvenen (heideveentjes) Pioniervegetaties met snavelbiezen Galigaanmoerassen Oude eikenbossen Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)

H2330 H3110 H3130 H3160 H4010A H4030 H6410 H7110B H7150 H7210 H9190 H91E0C

Situatie 13

Situatie 24

Maximaal effect5

1071

Maximale achtergrond depositie2 2123

1,54

1,52

-0,02

Maximaal relevant effect5 -

714 429

1883 2070

1,9 2,15

1,87 2,11

-0,03 -0,04

-

571 714 1214

2334 2400 2160

1,43 1,37 1,27

1,42 1,35 1,25

-0,02 -0,02 -0,01

-

1071 1071 786

2121 2038 2078

1,27 1,72 1,67

1,25 1,69 1,66

-0,01 -0,02 -0,02

-

1429

1993

1,19

1,18

-0,01

-

1571 1071 1857

1787 2200 2457

1,52 1,46 1,64

1,5 1,45 1,62

-0,02 -0,02 -0,02

-

1. KDW van habitattype volgens van Dobben et al. (2012) 2. Achtergronddepositie volgens de meest recente versie van AERIUS Calculator. kleuren betreffen: geen, naderend en overschrijding KDW. 3. Referentiesituatie inclusief extern salderingsbronnen 4. Berekende stikstofbijdrage t.g.v. de voorgenomen ontwikkeling 5. De maximale toename aan stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie volgens de berekening op basis van de meest recente versie van AERIUS Calculator. 6. De maximale toename aan stikstofdepositie op hexagonen met een (naderende) overschrijding van de KDW door achtergronddepositie inclusief de berekende toename.

De voorgenomen ontwikkeling maakt gebruik van extern salderen. De verschilberekening hiervoor staat weergegeven in de bovenstaande tabel. Uit de verschilberekening blijkt dat er na extern salderen sprake is van een maximale stikstofbijdrage van 0,00 mol N/ha/jaar op stikstofgevoelige habitattypen in het Natura 2000-gebied Kampina en Oisterwijkse Vennen. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot relevante deposities groter dan 0,00 mol N/ha/jaar op stikstofgevoelige habitattypen. De toename aan stikstofdepositie heeft hierdoor met zekerheid geen invloed op het behoud, uitbreiding of verbetering van oppervlakte en kwaliteit van aangewezen habitattypen in het Natura 2000-gebied Kampina en Oisterwijkse Vennen. Significante effecten door de toename aan stikstofdepositie ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling zijn hierom uitgesloten.

59 (371)

5.2.4 Beoordeling Habitatrichtlijnsoorten Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er, ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling, binnen het Natura 2000-gebied Kampina en Oisterwijkse Vennen sprake is van een toename aan stikstofdepositie op het leefgebied van 2 stikstofgevoelige habitatsoorten (zie onderstaande tabel). De in de onderstaande tabel ontbrekende soorten met een instandhoudingsdoelstelling binnen het Natura 2000-gebied Kampina en Oisterwijkse Vennen, zijn niet gevoelig voor stikstofdepositie, of er vindt geen toename aan stikstofdepositie plaats op stikstofgevoelig leefgebied van deze soorten. Significant negatieve gevolgen voor deze habitatrichtlijnsoorten zijn daarom op voorhand uitgesloten. Tabel 5.10: Berekende stikstofdepositiewaarden in mol N/ha/jaar op de leefgebieden van aangewezen soorten binnen het Natura 2000-gebied Kampina en Oisterwijkse Vennen. Depositiewaarden zijn gebaseerd op de resultaten uit de meest recente versie van AERIUS Calculator en worden weergegeven in mol N/ha/jaar. KDW1

Maximale achtergrond depositie2

Situatie 13

Situatie 24

Maximaal effect5

Maximaal relevant effect6

H3130, Lg02

571

2334

1.20

1,19

-0,01

-

H3130, Lg03

571

2390

1,25

1,24

-0,01

-

Soortcode

Soortnaam

Leefgebied

H1166

Kamsalamander

H1831

Drijvende waterweegbree

1. KDW van habitattype volgens van Dobben et al. (2012) 2. Achtergronddepositie volgens de meest recente versie van AERIUS Calculator. kleuren betreffen: geen, naderend en overschrijding KDW. 3. Referentiesituatie inclusief extern salderingsbronnen 4. De maximale stikstofbijdrage op het leefgebied t.g.v. de voorgenomen ontwikkeling 5. De maximale stikstofbijdrage op het leefgebied t.o.v. de referentiesituatie op basis van de meest recente versie van AERIUS Calculator. 6. De maximale toename aan stikstofdepositie op hexagonen met een (naderende) overschrijding van de KDW door achtergronddepositie inclusief de berekende toename.

De voorgenomen ontwikkeling maakt gebruik van extern salderen. De verschilberekening hiervoor staat weergegeven in de bovenstaande tabel. Uit de verschilberekening blijkt dat er na extern salderen sprake is van een maximale stikstofbijdrage van 0,00 mol N/ha/jaar op stiktofgevoelig leefgebied van aangewezen habitatrichtlijnsoorten in het Natura 2000-gebied Kampina en Oisterwijkse Vennen. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot relevante deposities groter dan 0,00 mol N/ha/jaar op stikstofgevoelig leefgebied van de in het gebied aangewezen soorten. De toename aan stikstofdepositie heeft hierdoor met zekerheid geen invloed op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van aangewezen habitatrichtlijnsoorten in het Natura 2000-gebied Kampina en Oisterwijkse Vennen. Significante effecten door de toename aan stikstofdepositie ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling zijn hierom uitgesloten. 5.2.5 Beoordeling Broedvogels Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er, ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling, binnen het Natura 2000-gebied Kampina en Oisterwijkse Vennen sprake is van een toename aan stikstofdepositie op het leefgebied van 2 stikstofgevoelige broedvogels (zie onderstaande tabel).

De in de onderstaande tabel ontbrekende soorten met een instandhoudingsdoelstelling binnen het Natura 2000-gebied Kampina en Oisterwijkse Vennen, zijn niet gevoelig voor stikstofdepositie, of er vindt geen toename aan stikstofdepositie plaats op stikstofgevoelig leefgebied van deze soorten. Significant negatieve gevolgen voor deze broedvogelsoorten zijn daarom op voorhand uitgesloten.

60 (371)

Tabel 5.11: Berekende stikstofdepositiewaarden in mol N/ha/jaar op de leefgebieden van aangewezen soorten binnen het Natura 2000-gebied Kampina en Oisterwijkse Vennen. Depositiewaarden zijn gebaseerd op de resultaten uit de meest recente versie van AERIUS Calculator en worden weergegeven in mol N/ha/jaar. Soortcode

Soortnaam

Leefgebied

KDW1

Maximale achtergrond depositie2

Situatie 13

Situatie 24

Maximaal effect5

Maximaal relevant effect6

A004

Dodaars

571

2198

1,37

1,38

-0,01

-

A276

Roodborstta puit

H3130, H3160, Lg04 Lg09, H4030, L4030, H6410, H2310, H4010A, L4010A

1000

2224

1,34

1,35

-0,01

-

1. KDW van habitattype volgens van Dobben et al. (2012) 2. Achtergronddepositie volgens de meest recente versie van AERIUS Calculator. kleuren betreffen: geen, naderend en overschrijding KDW. 3. Referentiesituatie inclusief extern salderingsbronnen 4. De maximale stikstofbijdrage op het leefgebied t.g.v. de voorgenomen ontwikkeling 5. De maximale stikstofbijdrage op het leefgebied t.o.v. de referentiesituatie op basis van de meest recente versie van AERIUS Calculator. 6. De maximale toename aan stikstofdepositie op hexagonen met een (naderende) overschrijding van de KDW door achtergronddepositie inclusief de berekende toename.

De voorgenomen ontwikkeling maakt gebruik van extern salderen. De verschilberekening hiervoor staat weergegeven in de bovenstaande tabel. Uit de verschilberekening blijkt dat er na extern salderen sprake is van een maximale stikstofbijdrage van 0,00 mol N/ha/jaar op stiktofgevoelig leefgebied van aangewezen broedvogels in het Natura 2000-gebied Kampina en Oisterwijkse Vennen. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot relevante deposities groter dan 0,00 mol N/ha/jaar op stikstofgevoelig leefgebied van de in het gebied aangewezen soorten. De toename aan stikstofdepositie heeft hierdoor met zekerheid geen invloed op het behoud, uitbreiding of verbetering van oppervlakte en kwaliteit van aangewezen broedvogels in het Natura 2000-gebied Kampina en Oisterwijkse Vennen. Significante effecten door de toename aan stikstofdepositie ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling zijn hierom uitgesloten. 5.2.6 Beoordeling Niet-broedvogels Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er binnen het Natura 2000-gebied Kampina en Oisterwijkse Vennen geen sprake is van een toename aan stikstofdepositie op stikstofgevoelige leefgebieden van niet-broedvogels met een definitieve status. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot relevante deposities groter dan 0,00 mol N/ha/jaar op stikstofgevoelig leefgebied van de in het gebied aangewezen soorten.

De toename aan stikstofdepositie heeft hierdoor met zekerheid geen invloed op het behoud, uitbreiding of verbetering van oppervlakte en kwaliteit van aangewezen niet-broedvogels in het Natura 2000-gebied Kampina en Oisterwijkse Vennen. Significante effecten door de toename aan stikstofdepositie ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling zijn hierom uitgesloten.

61 (371)

5.3 Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem 5.3.1 Inleiding Het Natura 2000 gebied Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem bestaat uit drie aparte deelgebieden. Het deelgebied Loevestein ligt rond het gelijknamige slot en bestaat uit graslanden en moeras in de uiterwaarden van de Waal en de Afgedamde Maas. Het deelgebied Pompveld omvat moeras, grienden, bosjes en vochtige graslanden. Het is een kleine polder met eigen waterhuishouding. Ook de Kornsche Boezem is een kleine boezempolder, met veel grienden. Het Natura 2000 gebied heeft in zijn geheel een rijke visfauna. (Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem, Natura2000.nl)

Figuur 5.3.1 Overzicht ligging richtlijngebieden gebied Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem.

5.3.2 Doelstellingen De volgende tabellen bevatten de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000gebied Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem op basis van het aanwijzingsbesluit. Tabel 5.12: Habitattypen Oppervlakte1

Kwaliteit1

definitief

>

>

Slikkige rivieroevers

definitief

>

>

Stroomdalgraslanden

definitief

=

=

H6430A

Ruigten en zomen (moerasspirea)

ontwerp

=

=

H6510A

Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver)

definitief

>

>

H91E0A

Vochtige alluviale bossen (zachthoutooibossen)

definitief

=

>

H91E0C

Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)

ontwerp

=

=

Habitatcode

Habitattype

Status doel

H3150

Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden, buiten afgesloten zeearmen

H3270 H6120

62 (371)

1: doelstelling voor oppervlakte en/of kwaliteit behoud: =, uitbreiding: >, achteruitgang ten gunste van ander habitattype toegestaan: = (<), oppervlak staat op uitbreiding, maar mag achteruit gaan ten gunste van ander habitattype: > (<). Tabel 5.13: Habitatrichtlijnsoorten Soortcode

Soort

Status doel

Populatie

Omvang leefgebied1

Kwaliteit leefgebied1

H1337

Bever

H1134

Bittervoorn

ontwerp

>

=

=

definitief

=

=

H1145

=

Grote modderkruiper

definitief

=

>

>

H1166

Kamsalamander

definitief

=

=

=

H1149

Kleine modderkruiper

definitief

=

=

=

H1163

Rivierdonderpad

definitief

=

=

=

1: doelstelling voor omvang en/of kwaliteit behoud: =, uitbreiding/verbetering: >, vestigend: +, achteruitgang ten gunste van ander habitattype toegestaan: = (<).

5.3.3 Beoordeling Habitattypen Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er binnen het Natura 2000-gebied Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem sprake is van een toename aan stikstofdepositie op 3 stikstofgevoelige habitattypen (zie onderstaande tabel). De overige habitats zijn niet gevoelig voor stikstofdepositie, of er is geen sprake van een stikstoftoename ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling. Significant negatieve gevolgen voor deze habitattypen zijn daarom op voorhand uitgesloten. Tabel 5.14: Berekende stikstofdepositiewaarden in mol N/ha/jaar op de habitattypen binnen het Natura 2000-gebied Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem. Depositiewaarden zijn gebaseerd op de resultaten uit de meest recente versie van AERIUS Calculator en worden weergegeven in mol N/ha/jaar. Habitatcode

Habitattype

KDW1

H3150

Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden, buiten afgesloten zeearmen Stroomdalgraslanden Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver)

H6120 H6510A

Situatie 13

Situatie 24

Maximaal effect5

2143

Maximale achtergrond depositie2 1441

0,69

0,69

0,00

Maximaal relevant effect5 -

1286 1429

1294 1488

0,57 0,63

0,56 0,63

0,00 0,00

-

1. KDW van habitattype volgens van Dobben et al. (2012) 2. Achtergronddepositie volgens de meest recente versie van AERIUS Calculator. kleuren betreffen: geen, naderend en overschrijding KDW. 3. Referentiesituatie inclusief extern salderingsbronnen 4. Berekende stikstofbijdrage t.g.v. de voorgenomen ontwikkeling 5. De maximale toename aan stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie volgens de berekening op basis van de meest recente versie van AERIUS Calculator. 6. De maximale toename aan stikstofdepositie op hexagonen met een (naderende) overschrijding van de KDW door achtergronddepositie inclusief de berekende toename.

De voorgenomen ontwikkeling maakt gebruik van extern salderen. De verschilberekening hiervoor staat weergegeven in de bovenstaande tabel. Uit de verschilberekening blijkt dat er na extern salderen sprake is van een maximale stikstofbijdrage van 0,00 mol N/ha/jaar op stikstofgevoelige habitattypen in het Natura 2000-gebied Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem.

63 (371)

Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot relevante deposities groter dan 0,00 mol N/ha/jaar op stikstofgevoelige habitattypen. De toename aan stikstofdepositie heeft hierdoor met zekerheid geen invloed op het behoud, uitbreiding of verbetering van oppervlakte en kwaliteit van aangewezen habitattypen in het Natura 2000-gebied Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem. Significante effecten door de toename aan stikstofdepositie ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling zijn hierom uitgesloten. 5.3.4 Beoordeling Habitatrichtlijnsoorten Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er, ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling, binnen het Natura 2000-gebied Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem sprake is van een toename aan stikstofdepositie op het leefgebied van 2 stikstofgevoelige habitatsoorten (zie onderstaande tabel). De in de onderstaande tabel ontbrekende soorten met een instandhoudingsdoelstelling binnen het Natura 2000-gebied Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem, zijn niet gevoelig voor stikstofdepositie, of er vindt geen toename aan stikstofdepositie plaats op stikstofgevoelig leefgebied van deze soorten. Significant negatieve gevolgen voor deze habitatrichtlijnsoorten zijn daarom op voorhand uitgesloten.

Tabel 5.15: Berekende stikstofdepositiewaarden in mol N/ha/jaar op de leefgebieden van aangewezen soorten binnen het Natura 2000-gebied Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem. Depositiewaarden zijn gebaseerd op de resultaten uit de meest recente versie van AERIUS Calculator en worden weergegeven in mol N/ha/jaar. Soortcode

Soortnaam

Leefgebied

KDW1

Maximale achtergrond depositie2

Situatie 13

Situatie 24

Maximaal effect5

Maximaal relevant effect6

H1134

Bittervoorn

Lg02

2143

1.856

0,63

0,63

-0,01

-

H1166

Kamsalamander

Lg02, ZGH3150, H3150

2143

1.856

0,63

0,63

-0,01

-

1. KDW van habitattype volgens van Dobben et al. (2012) 2. Achtergronddepositie volgens de meest recente versie van AERIUS Calculator. kleuren betreffen: geen, naderend en overschrijding KDW. 3. Referentiesituatie inclusief extern salderingsbronnen 4. De maximale stikstofbijdrage op het leefgebied t.g.v. de voorgenomen ontwikkeling 5. De maximale stikstofbijdrage op het leefgebied t.o.v. de referentiesituatie op basis van de meest recente versie van AERIUS Calculator. 6. De maximale toename aan stikstofdepositie op hexagonen met een (naderende) overschrijding van de KDW door achtergronddepositie inclusief de berekende toename.

De voorgenomen ontwikkeling maakt gebruik van extern salderen. De verschilberekening hiervoor staat weergegeven in de bovenstaande tabel. Uit de verschilberekening blijkt dat er na extern salderen sprake is van een maximale stikstofbijdrage van 0,00 mol N/ha/jaar op stiktofgevoelig leefgebied van aangewezen habitatrichtlijnsoorten in het Natura 2000-gebied Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot relevante deposities groter dan 0,00 mol N/ha/jaar op stikstofgevoelig leefgebied van de in het gebied aangewezen soorten. De toename aan stikstofdepositie heeft hierdoor met zekerheid geen invloed op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van aangewezen habitatrichtlijnsoorten in het Natura 2000-gebied Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem. Significante effecten door de toename aan stikstofdepositie ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling zijn hierom uitgesloten.

64 (371)

5.3.5 Beoordeling Broedvogels Er zijn in het Natura 2000-gebied Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem geen broedvogels aangewezen met een definitieve status. Er kan derhalve geen toename aan stikstofdepositie plaatsvinden op stikstofgevoelig leefgebied. Conclusie De toename aan stikstofdepositie heeft met zekerheid geen invloed op aangewezen broedvogels in het Natura 2000-gebied Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem. Significante effecten door de toename aan stikstofdepositie ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling zijn hierom uitgesloten. 5.3.6 Beoordeling Niet-broedvogels Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er binnen het Natura 2000-gebied Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem geen sprake is van een toename aan stikstofdepositie op stikstofgevoelige leefgebieden van niet-broedvogels met een definitieve status. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot relevante deposities groter dan 0,00 mol N/ha/jaar op stikstofgevoelig leefgebied van de in het gebied aangewezen soorten. De toename aan stikstofdepositie heeft hierdoor met zekerheid geen invloed op het behoud, uitbreiding of verbetering van oppervlakte en kwaliteit van aangewezen niet-broedvogels in het Natura 2000-gebied Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem. Significante effecten door de toename aan stikstofdepositie ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling zijn hierom uitgesloten.

65 (371)

5.4 Ulvenhoutse Bos 5.4.1 Inleiding Het Ulvenhoutse Bos is een klein bosgebied. Het beekbegeleidende bos ligt langs de Broekloop en de Bavelse Leij, zijbeekjes van de Mark. In de ondergrond bevinden zich slecht doorlatende, kalkrijke leemlagen, die voor een schijngrondwaterspiegel en hoge waterstanden zorgen. Er zijn gradiënten aanwezig van droge tot vochtige, lemige zandgronden naar natte leem- en veengronden waar basenrijk kwelwater toestroomt. Om het natte bos beter te kunnen exploiteren zijn in het verleden greppels gegraven en werden de (hakhout)bomen op de tussenliggende hogere delen (rabatten) geplaatst. Dit patroon is nog steeds overal in het bos aanwezig en wordt doorkruist door de verschillende beeklopen. De meeste hogere gronden zijn bedekt met eiken-beukenbos, op armere gronden ook met eiken-berkenbossen. Langs de beken en op de lage delen van dalflanken staan vogelkersessenbossen. Op enkele zeer natte plekken langs beekjes zijn kleine stukjes kwelgevoed elzenbroekbos aanwezig. (Ulvenhoutse Bos, Natura2000.nl)

Figuur 5.2 Overzicht ligging richtlijngebieden gebied Ulvenhoutse Bos.

5.4.2 Doelstellingen De volgende tabellen bevatten de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000gebied Ulvenhoutse Bos op basis van het aanwijzingsbesluit. Tabel 5.16: Habitattypen Habitatcode

Habitattype

Status doel

Oppervlakte1

Kwaliteit1

H9120

Beuken-eikenbossen met hulst

definitief

=

=

H9160A

Eiken-haagbeukenbossen (hogere zandgronden)

definitief

>

>

H91E0C

Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)

definitief

>

>

1: doelstelling voor oppervlakte en/of kwaliteit behoud: =, uitbreiding: >, achteruitgang ten gunste van ander habitattype toegestaan: = (<), oppervlak staat op uitbreiding, maar mag achteruit gaan ten gunste van ander habitattype: > (<).

66 (371)

5.4.3 Beoordeling Habitattypen Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er binnen het Natura 2000-gebied Ulvenhoutse Bos sprake is van een toename aan stikstofdepositie op 3 stikstofgevoelige habitattypen (zie onderstaande tabel). De overige habitats zijn niet gevoelig voor stikstofdepositie, of er is geen sprake van een stikstoftoename ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling. Significant negatieve gevolgen voor deze habitattypen zijn daarom op voorhand uitgesloten. Tabel 5.17: Berekende stikstofdepositiewaarden in mol N/ha/jaar op de habitattypen binnen het Natura 2000-gebied Ulvenhoutse Bos. Depositiewaarden zijn gebaseerd op de resultaten uit de meest recente versie van AERIUS Calculator en worden weergegeven in mol N/ha/jaar. Habitatcode

Habitattype

KDW1

H9120

Beuken-eikenbossen met hulst Eikenhaagbeukenbossen (hogere zandgronden) Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)

H9160A

H91E0C

Situatie 13

Situatie 24

Maximaal effect5

1429

Maximale achtergrond depositie2 2597

2,01

1,99

-0,02

Maximaal relevant effect5 -

1429

2643

2,07

2,03

-0,04

-

1857

2651

1,82

1,79

-0,02

-

1. KDW van habitattype volgens van Dobben et al. (2012) 2. Achtergronddepositie volgens de meest recente versie van AERIUS Calculator. kleuren betreffen: geen, naderend en overschrijding KDW. 3. Referentiesituatie inclusief extern salderingsbronnen 4. Berekende stikstofbijdrage t.g.v. de voorgenomen ontwikkeling 5. De maximale toename aan stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie volgens de berekening op basis van de meest recente versie van AERIUS Calculator. 6. De maximale toename aan stikstofdepositie op hexagonen met een (naderende) overschrijding van de KDW door achtergronddepositie inclusief de berekende toename.

Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot relevante deposities groter dan 0,00 mol N/ha/jaar op stikstofgevoelige habitattypen. De toename aan stikstofdepositie heeft hierdoor met zekerheid geen invloed op het behoud, uitbreiding of verbetering van oppervlakte en kwaliteit van aangewezen habitattypen in het Natura 2000-gebied Ulvenhoutse Bos. Significante effecten door de toename aan stikstofdepositie ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling zijn hierom uitgesloten. 5.4.4 Beoordeling Habitatrichtlijnsoorten Er zijn in het Natura 2000-gebied Ulvenhoutse Bos geen habitatrichtlijnsoorten aangewezen met een definitieve status. Er kan derhalve geen toename aan stikstofdepositie plaatsvinden op stikstofgevoelig leefgebied. Conclusie De toename aan stikstofdepositie heeft met zekerheid geen invloed op aangewezen habitatrichtlijnsoorten in het Natura 2000-gebied Ulvenhoutse Bos. Significante effecten door de toename aan stikstofdepositie ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling zijn hierom uitgesloten. 5.4.5 Beoordeling Broedvogels Er zijn in het Natura 2000-gebied Ulvenhoutse Bos geen broedvogels aangewezen met een definitieve status. Er kan derhalve geen toename aan stikstofdepositie plaatsvinden op stikstofgevoelig leefgebied.

67 (371)

Conclusie De toename aan stikstofdepositie heeft met zekerheid geen invloed op aangewezen broedvogels in het Natura 2000-gebied Ulvenhoutse Bos. Significante effecten door de toename aan stikstofdepositie ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling zijn hierom uitgesloten. 5.4.6 Beoordeling Niet-broedvogels Er zijn in het Natura 2000-gebied Ulvenhoutse Bos geen niet-broedvogels aangewezen met een definitieve status. Er kan derhalve geen toename aan stikstofdepositie plaatsvinden op stikstofgevoelig leefgebied. Conclusie De toename aan stikstofdepositie heeft met zekerheid geen invloed op aangewezen nietbroedvogels in het Natura 2000-gebied Ulvenhoutse Bos. Significante effecten door de toename aan stikstofdepositie ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling zijn hierom uitgesloten.

68 (371)

5.5 Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen 5.5.1 Inleiding De Loonse en Drunense Duinen is een groot stuifzandgebied. In dit gebied zijn dikke pakketten dekzand afgezet. Deze dekzanden zijn in de loop der tijd begroeid geraakt met bos, maar door houtkap en overbeweiding kon het zand weer gaan stuiven en ontstonden de huidige Loonse en Drunense duinen. Het stuifzandgebied wordt omringd door uitgestrekte naald- en eikenbossen die aan de zuidkant aansluiten op de Brand, een beekdal met alluviale bossen, moeras en vennen. Enkele kilometers ten zuiden van het gebied liggen - geïsoleerd - de Leemkuilen. Dit gebied bevat vele gegraven plassen, omgeven door moerasbos. (Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen, Natura2000.nl)

Figuur 5.3 Overzicht ligging richtlijngebieden gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen.

5.5.2 Doelstellingen De volgende tabellen bevatten de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen op basis van het aanwijzingsbesluit. Tabel 5.18: Habitattypen Habitatcode

Habitattype

Status doel

Oppervlakte1

Kwaliteit1

H2310

Stuifzandheiden met struikhei

definitief

>

>

H2330

Zandverstuivingen

definitief

>

>

H3130

Zwakgebufferde vennen

definitief

=

=

H4030

Droge heiden

ontwerp

>

>

H6410

Blauwgraslanden

definitief

>

>

H9120

Beuken-eikenbossen met hulst

ontwerp

=

>

H9160A

Eiken-haagbeukenbossen (hogere zandgronden)

definitief

>

>

H9190

Oude eikenbossen

definitief

=

=

69 (371)

Habitatcode

Habitattype

Status doel

H91E0C

Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)

definitief

Oppervlakte1

Kwaliteit1

>

>

1: doelstelling voor oppervlakte en/of kwaliteit behoud: =, uitbreiding: >, achteruitgang ten gunste van ander habitattype toegestaan: = (<), oppervlak staat op uitbreiding, maar mag achteruit gaan ten gunste van ander habitattype: > (<). Tabel 5.19: Habitatrichtlijnsoorten Soortcode

Soort

Status doel

Populatie

Omvang leefgebied1

Kwaliteit leefgebied1

H1831

Drijvende waterweegbree

definitief

=

=

=

H1166

Kamsalamander

definitief

>

>

>

1: doelstelling voor omvang en/of kwaliteit behoud: =, uitbreiding/verbetering: >, vestigend: +, achteruitgang ten gunste van ander habitattype toegestaan: = (<).

5.5.3 Beoordeling Habitattypen Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er binnen het Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen sprake is van een toename aan stikstofdepositie op 7 stikstofgevoelige habitattypen (zie onderstaande tabel). De overige habitats zijn niet gevoelig voor stikstofdepositie, of er is geen sprake van een stikstoftoename ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling. Significant negatieve gevolgen voor deze habitattypen zijn daarom op voorhand uitgesloten. Tabel 5.20: Berekende stikstofdepositiewaarden in mol N/ha/jaar op de habitattypen binnen het Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen. Depositiewaarden zijn gebaseerd op de resultaten uit de meest recente versie van AERIUS Calculator en worden weergegeven in mol N/ha/jaar. Habitatcode

Habitattype

KDW1

H2310

Stuifzandheiden met struikhei Zandverstuivingen Zwakgebufferde vennen Blauwgraslanden Eikenhaagbeukenbossen (hogere zandgronden) Oude eikenbossen Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)

H2330 H3130 H6410 H9160A

H9190 H91E0C

Situatie 13

Situatie 24

Maximaal effect5

1071

Maximale achtergrond depositie2 2119

2,4

2,37

-0,02

Maximaal relevant effect5 -

714 571 1071 1429

2229 2178 1525 2266

2,4 2,43 2,88 2,86

2,37 2,39 2,83 2,81

-0,02 -0,04 -0,05 -0,05

-

1071 1857

2620 2288

2,01 2,28

1,98 2,24

-0,03 -0,03

-

1. KDW van habitattype volgens van Dobben et al. (2012) 2. Achtergronddepositie volgens de meest recente versie van AERIUS Calculator. kleuren betreffen: geen, naderend en overschrijding KDW. 3. Referentiesituatie inclusief extern salderingsbronnen 4. Berekende stikstofbijdrage t.g.v. de voorgenomen ontwikkeling 5. De maximale toename aan stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie volgens de berekening op basis van de meest recente versie van AERIUS Calculator. 6. De maximale toename aan stikstofdepositie op hexagonen met een (naderende) overschrijding van de KDW door achtergronddepositie inclusief de berekende toename.

De voorgenomen ontwikkeling maakt gebruik van extern salderen. De verschilberekening hiervoor staat weergegeven in de bovenstaande tabel. Uit de verschilberekening blijkt dat er na extern salderen sprake is van een maximale stikstofbijdrage van 0,00 mol N/ha/jaar op

70 (371)

stikstofgevoelige habitattypen in het Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot relevante deposities groter dan 0,00 mol N/ha/jaar op stikstofgevoelige habitattypen. De toename aan stikstofdepositie heeft hierdoor met zekerheid geen invloed op het behoud, uitbreiding of verbetering van oppervlakte en kwaliteit van aangewezen habitattypen in het Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen. Significante effecten door de toename aan stikstofdepositie ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling zijn hierom uitgesloten. 5.5.4 Beoordeling Habitatrichtlijnsoorten Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er, ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling, binnen het Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen sprake is van een toename aan stikstofdepositie op het leefgebied van 2 stikstofgevoelige habitatsoorten (zie onderstaande tabel). De in de onderstaande tabel ontbrekende soorten met een instandhoudingsdoelstelling binnen het Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen, zijn niet gevoelig voor stikstofdepositie, of er vindt geen toename aan stikstofdepositie plaats op stikstofgevoelig leefgebied van deze soorten. Significant negatieve gevolgen voor deze habitatrichtlijnsoorten zijn daarom op voorhand uitgesloten.

Tabel 5.21: Berekende stikstofdepositiewaarden in mol N/ha/jaar op de leefgebieden van aangewezen soorten binnen het Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen. Depositiewaarden zijn gebaseerd op de resultaten uit de meest recente versie van AERIUS Calculator en worden weergegeven in mol N/ha/jaar. KDW1

Maximale achtergrond depositie2

Situatie 13

Situatie 24

Maximaal effect5

Maximaal relevant effect6

H3130, Lg02

571

2178

2,38

2,35

-0,03

-

H3130

571

2178

2,43

2,39

-0,04

-

Soortcode

Soortnaam

Leefgebied

H1166

Kamsalamander

H1831

Drijvende waterweegbree

1. KDW van habitattype volgens van Dobben et al. (2012) 2. Achtergronddepositie volgens de meest recente versie van AERIUS Calculator. kleuren betreffen: geen, naderend en overschrijding KDW. 3. Referentiesituatie inclusief extern salderingsbronnen 4. De maximale stikstofbijdrage op het leefgebied t.g.v. de voorgenomen ontwikkeling 5. De maximale stikstofbijdrage op het leefgebied t.o.v. de referentiesituatie op basis van de meest recente versie van AERIUS Calculator. 6. De maximale toename aan stikstofdepositie op hexagonen met een (naderende) overschrijding van de KDW door achtergronddepositie inclusief de berekende toename.

De voorgenomen ontwikkeling maakt gebruik van extern salderen. De verschilberekening hiervoor staat weergegeven in de bovenstaande tabel. Uit de verschilberekening blijkt dat er na extern salderen sprake is van een maximale stikstofbijdrage van 0,00 mol N/ha/jaar op stiktofgevoelig leefgebied van aangewezen habitatrichtlijnsoorten in het Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot relevante deposities groter dan 0,00 mol N/ha/jaar op stikstofgevoelig leefgebied van de in het gebied aangewezen soorten. De toename aan stikstofdepositie heeft hierdoor met zekerheid geen invloed op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van aangewezen habitatrichtlijnsoorten in het Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen. Significante effecten door de

71 (371)

toename aan stikstofdepositie ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling zijn hierom uitgesloten. 5.5.5 Beoordeling Broedvogels Er zijn in het Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen geen broedvogels aangewezen met een definitieve status. Er kan derhalve geen toename aan stikstofdepositie plaatsvinden op stikstofgevoelig leefgebied. Conclusie De toename aan stikstofdepositie heeft met zekerheid geen invloed op aangewezen broedvogels in het Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen. Significante effecten door de toename aan stikstofdepositie ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling zijn hierom uitgesloten. 5.5.6 Beoordeling Niet-broedvogels Er zijn in het Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen geen nietbroedvogels aangewezen met een definitieve status. Er kan derhalve geen toename aan stikstofdepositie plaatsvinden op stikstofgevoelig leefgebied. Conclusie De toename aan stikstofdepositie heeft met zekerheid geen invloed op aangewezen nietbroedvogels in het Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen. Significante effecten door de toename aan stikstofdepositie ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling zijn hierom uitgesloten.

72 (371)

5.6 Kempenland-West 5.6.1 Inleiding Het heide- en vennengebied van Kempenland bestaat uit enkele enigszins verspreid liggende delen: in het westen de Rovertse Heide, meer naar het oosten de Mispeleindsche Heide en Neterselsche Heide, dan de Landschotsche Heide, en tenslotte nog verder naar het oosten tussen Vessem en Wintelre, het Grootmeer. Tussen deze heideterreinen stromen de meanderende lopen van de laaglandbeken Reusel, Groote Beerze en Kleine Beerze. De Rovertsche Heide, oorspronkelijk een groot heidegebied dat in de 20ste eeuw met naaldhout is bebost, omvat hier de Rovertsche Leij met beekbegeleidend bos alsmede het ven Papschot. De Mispeleindsche en Neterselsche Heide zijn droge en vochtige heiderestanten met vennen (De Flaes, Het Goor) van de voorheen uitgestrekte en kenmerkende Kempische heiden. De Neterselsche Heide omvat het gebied 'Grijze Steen' (met snavelbiesbegroeiingen) en broekbossen. De Landschotse Heide bestaat uit overgangen van droge en vochtige heiden met hierin enkele heidevennen (Keijenhurk, Kromven, Wit Hollandven en Berkven). Het Groot en Klein Meer zijn voormalige heidevennen te midden van een groot bosgebied. (Kempenland-West, Natura2000.nl)

Figuur 5.4 Overzicht ligging richtlijngebieden gebied Kempenland-West.

5.6.2 Doelstellingen De volgende tabellen bevatten de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000gebied Kempenland-West op basis van het aanwijzingsbesluit. Tabel 5.22: Habitattypen Habitatcode

Habitattype

Status doel

Oppervlakte1

Kwaliteit1

H2310

Stuifzandheiden met struikhei

definitief

=

>

H3130

Zwakgebufferde vennen

definitief

=

>

H3160

Zure vennen

definitief

=

=

H3260A

Beken en rivieren met waterplanten (waterranonkels)

definitief

>

>

73 (371)

Habitatcode

Habitattype

Status doel

Oppervlakte1

Kwaliteit1

H4010A

Vochtige heiden (hogere zandgronden)

definitief

=

>

H4030

Droge heiden

definitief

=

>

H6410

Blauwgraslanden

definitief

=

=

H7150

Pioniervegetaties met snavelbiezen

definitief

=

=

H9120

Beuken-eikenbossen met hulst

ontwerp

=

>

H9160A

Eiken-haagbeukenbossen (hogere zandgronden)

ontwerp

=

>

H9190

Oude eikenbossen

ontwerp

=

=

H91D0

Hoogveenbossen

ontwerp

=

=

H91E0C

Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)

definitief

=

>

1: doelstelling voor oppervlakte en/of kwaliteit behoud: =, uitbreiding: >, achteruitgang ten gunste van ander habitattype toegestaan: = (<), oppervlak staat op uitbreiding, maar mag achteruit gaan ten gunste van ander habitattype: > (<). Tabel 5.23: Habitatrichtlijnsoorten Soortcode

Soort

Status doel

Populatie

Omvang leefgebied1

Kwaliteit leefgebied1

H1831

Drijvende waterweegbree

definitief

=

=

=

H1149

Kleine modderkruiper

definitief

=

=

=

1: doelstelling voor omvang en/of kwaliteit behoud: =, uitbreiding/verbetering: >, vestigend: +, achteruitgang ten gunste van ander habitattype toegestaan: = (<).

5.6.3 Beoordeling Habitattypen Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er binnen het Natura 2000-gebied Kempenland-West sprake is van een toename aan stikstofdepositie op 8 stikstofgevoelige habitattypen (zie onderstaande tabel). De overige habitats zijn niet gevoelig voor stikstofdepositie, of er is geen sprake van een stikstoftoename ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling. Significant negatieve gevolgen voor deze habitattypen zijn daarom op voorhand uitgesloten. Tabel 5.24: Berekende stikstofdepositiewaarden in mol N/ha/jaar op de habitattypen binnen het Natura 2000-gebied Kempenland-West. Depositiewaarden zijn gebaseerd op de resultaten uit de meest recente versie van AERIUS Calculator en worden weergegeven in mol N/ha/jaar. Habitatcode

Habitattype

KDW1

H2310

Stuifzandheiden met struikhei Zwakgebufferde vennen Zure vennen Vochtige heiden (hogere zandgronden) Droge heiden Blauwgraslanden Pioniervegetaties met snavelbiezen Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10731270/1