14 Bijlage 12b Reactie per zienswijze
Tekst van het document
19.
112.
Zienswijze MER Luchtkwaliteit P.61 Tabel: Hoe verklaart u de autonome daling van fijnstof PM10? Volgens de autobranche neemt door elektrificatie van het verkeer fijnstof in de lucht toe. Oeso: Elektrische auto's sparen de stadslucht doordat ze lokaal geen schadelijke stoffen uitstoten. Maar volgens een nieuwe studie produceren grote en zware elektrische auto’s meer niet-motorgerelateerde fijnstof dan vergelijkbare auto's met een verbrandingsmotor. Heeft u dat meegenomen?
Voor de berekening van de luchtkwaliteit is gebruik gemaakt van de daartoe geëigende rekenmodellen en uitgangspunten. Het ter discussie stellen van deze uitgangspunten is geen onderdeel van het project.
19.
113.
Zienswijze MER Luchtkwaliteit P.61: “Uit de effectbeoordeling voor het aspect luchtkwaliteit Hoewel er sprake is van een (beperkte) toename van NO2 en fijnstof, voldoen we aan blijkt dat beide alternatieven negatieve effecten hebben op de lokale luchtkwaliteit.” “Voor de wettelijke normen. Tezamen met de autonome verbetering van de luchtkwaliteit, alle beschouwde situaties geldt dat de grenswaarden voor NO2 en PM10 niet worden leidt dit niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. overschreden. Hiermee voldoet het plan aan de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer.” “Voor het aspect luchtkwaliteit is daarmee geen wettelijke belemmering om de verschillende varianten tot uitvoering te brengen. Omwille hiervan worden alle onderzochte varianten beoordeeld als beperkt negatief (0/-)” Ten eerste bestrijden we de beoordeling als beperkt negatief. Naar ons oordeel is het gewoon negatief (-), zie de zienswijze hieronder. Ten tweede is uw conclusie in tegenspraak met wat u stelt op P.57: “Volgens de EU richtlijnen mag het bevoegd gezag positief besluiten ... indien het project niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit”. Dit plan heeft negatieve effecten op de lokale luchtkwaliteit, volgens uw eigen zeggen, daarmee mag naar ons oordeel het bevoegd gezag niet positief besluiten.
19.
114.
Zienswijze MER Luchtkwaliteit P.61 Tabel: u beoordeelt de verandering in de luchtconcentraties bij alle varianten als 0/- Maar op P.60 staat de criteriatabel. Aflezend: een projectbijdrage van >1,2 µg/m3 heeft een effectscore van – Op P.59 staat dat de het jaargemiddelde PM10 tussen de 1,2 en 1,4 µg/m3 ligt. Daar hoort een negatieve effectscore bij: - Naar ons oordeel hebben alle varianten compact en de variant 0I/100L derhalve een negatieve score, en niet een beperkt negatieve score zoals u stelt.
De toenames in Tabel 4.20 zijn ten opzichte van de referentiesituatie. De in Tabel 4.22 gepresenteerde getallen zijn de waarden inclusief de afname als gevolg van autonome ontwikkeling én de projectbijdrage.
19.
115.
Zienswijze MER Veiligheid P.63 Risicovolle objecten: U bent tankstation Tango aan de Nerhoven vergeten op te nemen in uw overzicht. Dit ligt op 60meter van het plangebied en daar bent u door het planteam al eens op gewezen.
Dit tankstation is geen risicovolle inrichting zoals bedoeld in (artikel 2 van het) Besluit externe veiligheid inrichtingen. Het tankstation heeft daarmee geen gevolgen voor de externe veiligheid in en rond het plangebied.
19.
116.
Zienswijze MER Veiligheid P.65 Uw redenatie klopt niet dat bij Wijkevoort verspreid de mensen verspreid worden over een groter gebied. In beide gevallen gaat het om kavels en gebouwen die rond de 5Ha zullen zijn. Op elke kavel zullen er dan volgens deze berekening 400 mensen aanwezig zijn, in de compacte versie maar ook in de verspreide versie. Zelfs als de kavels iets verder uit elkaar liggen blijft de personendichtheid per kavel gelijk en zal het verschil minder groot zijn dan u suggereert. Wij beoordelen daarmee uw “0” als onjuist in de verspreide versie. Alle varianten verdienen een gelijke beoordeling, een -.
Bij het bepalen van het groepsrisico is de personendichtheid binnen het invloedsgebied bepalend. Bij het alternatief 'Wijkevoort verspreid' is de gemiddelde personendichtheid in totaal lager, waardoor de hoogte van het groepsrisico lager uitkomt (en daarmee positiever is gescoord). Deze lagere groepsrisicowaarde is vertaald in een effectscore '0' voor 'Wijkevoort verspreid'.
19.
117.
Zienswijze MER Veiligheid P.65 “Bij de verankering van het voorkeursalternatief in het ruimtelijk besluit dienst aan de gemeente Tilburg te worden voorgelegd of zij het risico acceptabel vinden”. Waar kunnen wij terugvinden dat de gemeente Tilburg hier een uitspraak over gedaan heeft?
Op basis van de onderzoeken en het brandweeradvies zijn in paragraaf 5.3 van de toelichting van het bestemmingsplan de relevante conclusies ten aanzien van het aspect externe veiligheid beschreven. Hierbij is aangegeven dat het bevoegd gezag de externe veiligheidsrisico's accepteert en verantwoording neemt voor het groepsrisico.
19.
118.
Zienswijze MER Veiligheid P.65 “Ondanks de reductie van het risico is er altijd sprake van een restrisico. Het is aan de gemeente om aan te geven of zij het restrisico acceptabel vinden”. Dit suggereert een actief oordeel van de gemeente. Graag ontvangen wij waar, wanneer en hoe die afweging gedaan is.
Op basis van de onderzoeken en het brandweeradvies zijn in paragraaf 5.3 van de toelichting van het bestemmingsplan de relevante conclusies ten aanzien van het aspect externe veiligheid beschreven. Hierbij is aangegeven dat het bevoegd gezag de externe veiligheidsrisico's accepteert en verantwoording neemt voor het groepsrisico.
19.
119.
Zienswijze MER Sociale Veiligheid P.62 U wijdt een hele paragraaf aan externe veiligheid maar u vergeet de sociale veiligheid te onderzoeken: ongewenst gedrag van truckers, aanzuigende werking van criminaliteit, onveilige verkeerssituatie voor fietsers uit Gilze door toenemend sluipverkeer op de Hultenseweg etc. Doordat u dit niet benoemd, komt u ook niet op het idee om daar maatregelen tegen te treffen. Naar ons oordeel is uw onderzoek niet compleet. In de zienswijzen die er zijn ingediend is daar wel degelijk om gevraagd.
Voor het milieuaspect externe veiligheid is onderzocht of reeds aanwezige risicobronnen invloed hebben op de ontwikkeling van het bedrijventerrein. Met andere woorden de bestaande situatie is getoetst aan de komst van een nieuwe ontwikkeling. Het aspect sociale veiligheid en veiligheid voor omwonenden is in het MER niet als apart milieuaspect beschouwd. In het MER is het effect van de ontwikkeling van een bedrijventerrein op het woonmilieu beschouwd op basis van: gedwongen vertrek, visuele hinder in de woonomgeving, beïnvloeding van de ruimtelijk-visuele kwaliteit en belevingswaarde.
Wel vormt (sociale) veiligheid) integraal onderdeel van de uitwerking van het ontwerp van het bedrijventerrein als ook het beheer van het bedrijventerrein(parkmanagement). Een aantrekkelijk en duurzaam bedrijventerrein is ook een veilig terrein, ook op het gebied van sociale veiligheid voor werknemers, bezoekers en omwonenden. Naast de inhoud van het bestemmingsplan en de ontwikkelleidraad wordt met de inzet van het BREEAM-instrument voor zowel de gebouwen als het gebied is dit aspect van veiligheid en sociale veiligheid ook expliciet verankerd. Ook vragen we in de ontwerpfase omwonenden onder andere op dit aspect hun reflectie, dit is verankerd in het uitgifteproces zoals opgenomen in het bestemmingsplan en de ontwikkelleidraad. 19.
120.
Zienswijze MER Geurhinder P.69 “Hiermee kan de realisatie van het plan een mogelijke belemmering opleveren voor deze veehouderij.” Meer toelichting alstublieft. Is het niet zo dat het andersom is: dat plan Wijkevoort belemmerd wordt door de aanwezigheid van deze veehouderij? En als het niet zo is, welke belemmeringen gaat deze veehouderij dan ondervinden?
De genoemde veehouderij zou in de toekomst in haar ontwikkeling belemmerd kunnen worden, bijvoorbeeld als ze in de toekomst uit zou willen breiden. De aanwezigheid van Wijkevoort zou in dat geval een beperking op kunnen leveren. Dit punt is toegelicht in deze paragraaf.
19.
121.
Zienswijze MER Geurhinder P.70 U wijdt een hele paragraaf aan geur en geurhinder en daarbij beschrijft u alleen de geur die de veehouderijen in de buurt afgeven. Wij willen weten welke geurhinder wij van Wijkevoort kunnen verwachten. Milieucategorie 4.2 zegt iets over milieubelasting en dus ook over mogelijke geurhinder. Ter vergelijk, de IFF is ook 4.2 en geeft behoorlijke stank af. “De geurcontouren van de bedrijven zelf zijn erg bedrijfsafhankelijk en je kunt dus op voorhand niet zeggen dat de geurcontouren tot aan de woningen kunnen reiken.” Op andere onderdelen gaat u uit van een worst case scenario, waarom hier niet? Denkt u niet dat we stankoverlast gaan krijgen van die 18.500 verkeersbewegingen in ons gebied? Al die dieselvrachtwagens? U zult toch moeten bekennen dat het niet aannemelijk is dat het internationale transport uit het Oostblok, dat hier ook komt, binnen 5 jaar gegarandeerd geurloos en elektrisch is? Waarom verzachtende maatregelen door bedrijven strategisch te plaatsen? Deze bedrijven en kavels zijn zo groot, daar kun je nauwelijks strategisch mee schuiven. U kunt er ook voor kiezen dat er geen bedrijven mogen komen die stankoverlast veroorzaken. Dat doet u niet. Naar ons oordeel is uw onderzoek niet compleet.
Uitgangspunt voor de bedrijvigheid op Wijkevoort is een ontwikkeling naar een bedrijventerrein voor bedrijven tot categorie 3.2. Onder randvoorwaarden kunnen bedrijven tot categorie 4.2 worden toegestaan, waarbij deze bedrijven aan dienen te tonen dat de milieubelasting voor wat betreft geur en geluid moet voldoen aan de normering voor wat betreft een bedrijf van categorie 3.2. Door deze aanvullende eis aan bedrijven met een milieucategorie 4.1 of 4.2 wordt geborgd dat er geen onredelijke risico's op de omgeving ontstaan voor wat betreft veiligheid, gezondheid en milieu. De uitzonderingsmogelijkheid voor bedrijven met een milieucategorie 4.1 of 4.2 bestaat ook niet in het hele plangebied, maar enkel op enkele percelen, centraal in het plangebied. Op deze wijze is geborgd dat eventuele bedrijven met een milieucategorie 4.1 of 4.2, die voldoen aan de aanvullende randvoorwaarden, niet aan de randen van het bedrijventerrein kunnen komen. In de verbeelding bij het bestemmingsplan is opgenomen op welke delen van Wijkevoort de uitzonderingsmogelijkheid tot maximaal milieucategorie 4.2 bestaat.
19.
122.
Zienswijze MER Woon- Werk- en Leefomgeving P.70 Speciaal om de zorgen weg te nemen van Het plangebied is het gebied waar Wijkevoort fysiek gerealiseerd gaat worden. De omwonenden heeft u de paragraaf woon- werk- en leefomgeving toegevoegd. Daarbij gaat u aankoop van de agrarische bedrijven en woningen benodigd voor de ontwikkeling meteen mank: “Naast agrarische bedrijven met bedrijfswoning zijn in het plangebied ook van Wijkevoort vindt plaats op basis van volledige schadeloosstelling. Voorts wordt woningen aanwezig.” Wat bedoelt u met plangebied? Daar waar Wijkevoort fysiek gerealiseerd het plan inwaarts gezoneerd waarbij rekening wordt gehouden met de reeds in de wordt, of het hele agrarische buitengebied waarvan u 1/3 opeist voor Wijkevoort? Weet u wel omgeving van het plangebied aanwezige functies. Omwonenden dan wel hoeveel mensen er nu in het buitengebied wonen en werken? Weet u wel hoeveel mensen ondernemingen die menen schade te ondervinden van de ontwikkeling van hier hun boterham verdienen? Weet u wel hoeveel ondernemingen hier zitten? Weet u ook Wijkevoort kunnen daartoe na onherroepelijk worden van het bestemmingsplan een hoe deze mensen en bedrijven en andere ondernemingen in de knel komen met hun verzoek tot planschade indienen. bedrijfsvoering door de komst van Wijkevoort? Het hoort in dit hoofdstuk thuis. U heeft er geen onderzoek naar gedaan.
19.
123.
Zienswijze MER Gedwongen Vertrek P.71 “Gedwongen vertrek doet zich voor als mensen Het criterium gedwongen vertrek betreft niet alleen het amoveren van woningen, moeten verhuizen als gevolg maar ook het vertrek van mensen. 1 woning die aan de rand van het plangebied ligt van de realisatie van één van de alternatieven. Het gaat om woningen die door hun ligging in of en binnen de milieuhindercirkels van de te vestigen bedrijven kan komen te liggen is tegen het plangebied geamoveerd moeten worden.” En wat zijn daar dan de effecten van op daarom ook meegenomen. deze gezinnen en de rest van de leefgemeenschap? Waarom moeten mensen die buiten het plangebied wonen ook vertrekken?
19.
124.
Zienswijze MER Gedwongen Vertrek P.71 “In beide gevallen worden 14 woningen geamoveerd.” Dat noemt u zelf al een groot aantal. Wij tellen 16 woningen die moeten verdwijnen en 5 die u al eerder gesloopt heeft. Te weten: Vosheining 2, 3, 6, Schoorweg 9, 10, Hultenseweg 5, 8, 13, 16, 35, 40, 52 Wijkevoort 8, 14, 16, 24 Recent reeds gesloopt: 2 boerderijen aan de Schoorweg, 2 boerderijen langs de Hultenseweg en 1 boerderij langs Wijkevoort En in de variant 30Ha moet u nog steeds 13 huizen ‘amoveren’ zoals u zo mooi zegt, en geen 9. Dus ook die variant beoordelen wij met een dubbele --.
Dank voor het indienen van deze zienswijze, we hebben de inhoud van (dit deel van) de zienswijze doorgenomen en we nemen deze voor kennisgeving aan.
19.
125.
Zienswijze MER Ringstructuur P.72 “Wel is mogelijk dat aan de randen van de uitgeefbare gebieden verkeersstructuren worden aangebracht waardoor visuele verstoring en lichthinder door (vracht)verkeer kunnen ontstaat.” Ons is beloofd dat er geen verkeer buitenom geleid gaat worden. Uw eigen stadsbosvisie (P.90) schrijft voor dat het waardevol is om de duisternis te respecteren. Wij zijn het er dus niet mee eens dat u toch de mogelijkheid open houdt langs de randen verkeer te leiden.
Voor het functioneren van een bedrijventerrein is, naast de hoofdinfrastructuur, ook secundaire infrastructuur nodig. De hoofdstructuur is de cul de sac aan de zuidwestzijde van Wijkevoort. Binnen de bedrijfsbestemming blijft de mogelijkheid voor het realiseren van de noodzakelijke infrastructuur voor de bedrijfsvoering mogelijk.
19.
126.
Zienswijze MER Bouwhoogtes P.72 “De maximale hoogte van de bedrijfsgebouwen en kantoordelen bedraagt 20 m.” Dit is niet in overeenkomst met uw bestemmingsplan, daar spreekt u van 25 meter.
In het MER is uitgegaan van een maximale bouwhoogte op basis van een gemiddelde ja, opgenomen in bouwhoogte voor dit soort bedrijven. In het bestemmingsplan is dit aangepast naar de aanvulling op 15 meter. Met een binnenplanse afwijking kan onder voorwaarden, zoals afstand tot het MER de perceelsgrens, een bouwhoogte van 25 meter worden toegestaan over maximaal 25% van het hoofgebouw (kavels groter dan 5 ha) en maximaal 40% van het hoofdgebouw bij kavels kleiner dan 5 ha. De voorwaarden waaronder afwijking verleend kan worden zijn naar aanleiding van de zienswijzen aangescherpt. In de aanvulling op het MER is voor het voorkeursalternatief het aspect van 25 meter meegenomen.
19.
127.
Zienswijze MER Landschap P.73 Dat is verschil is in visuele hinder tussen de compacte en verspreide variant dat zullen we niet bestrijden. Wel dat u voor ons oordeelt dat de visuele hinder bij de compacte versie maar 1 – zal geven. Wij ervaren de komst van het gehele bedrijventerrein als buitengewoon hinderlijk en beoordelen de visuele hinder voor alle varianten op een dubbele --.
We begrijpen dat de komst van het gehele bedrijventerrein door u als buitengewoon hinderlijk wordt ervaren en dat u vanuit dat perspectief alle varianten op een dubbele -- zou willen zien. We beoordelen de alternatieven op hun impact en ook in onderlinge vergelijking op elkaar. In figuur 4.23 is deze impact voor de beide alternatieven compact en verspreid weergegeven. Voor beide alternatieven is sprake van een negatieve effectscore maar op grond van figuur 4.23 is een grotere impact toegekend aan het verspreide model.
19.
128.
Zienswijze MER Landschap P.74 Wij willen er nog een tabel aan toevoegen: Het verlies aan landschap. U schrijft zelf dat het niet te voorkomen is, daarom beoordelen wij dat met een dubbele --.
De beïnvloeding van het landschap is in paragraaf 4.6 beschreven.
19.
129.
Zienswijze MER Landschap P.73 “Momenteel kent het gebied hoofdzakelijk een agrarische functie en kan het niet getypeerd worden als bijzonder vernieuwend of onderscheidend landschap.” In uw Stadsbos visie omschrijft u ditzelfde landschap als waardevol oud cultuurlandschap dat het waard is om behouden te blijven. En ca 30Ha van het plangebied behoort tot NatuurNetwerkBrabant. Het zijn juist deze zaken die u steeds in de etalage zet en die u roemt om de “unieke ruimtelijke en recreatieve kwaliteiten” om te vertellen hoe mooi dit bedrijventerrein gaat worden. Maar het meer, het bos, de beken, ze liggen er gewoon al. Deze kwaliteiten worden niet versterkt door de aanleg van uw bedrijventerrein, ze worden er door aangetast. U moet ontheffing vragen op de wet natuurbeheer voor een deel van het meer en voor een stuk of 10 diersoorten. Hoezo is dit geen bijzonder gebied? Wij hebben bezwaar tegen uw omschrijving.
Niet alle bestaande kwaliteiten in Wijkevoort kunnen worden behouden, maar we kunnen wel bepaalde kwaliteiten vergroten en nieuwe natuur toevoegen. De beekdalen van de Hultense Leij en Groote Leij worden verbreed en er wordt nieuwe natuur aangelegd tussen de Grote Leij en de Burgemeester Letschertweg.
Zienswijze MER Recreatie P.74 “In het alternatief ‘Wijkevoort compact’ zijn de toegevoegde waarden voornamelijk aan de randen van de uitgeefbare gebieden rondom het Wijkermeer te vinden. En dan doelt u op recreatie. Mogen wij erop wijzen dat er in de referentiesituatie recreatie is dat moet wijken voor uw bedrijventerrein: fietsroutes, wandelroutes en ruiterroutes. In de referentiesituatie worden ook de EVZ’s aangelegd, dus er is weinig toegevoegde waarde door de aanleg van Wijkevoort. Integendeel. Daarom vinden we het een gotspe dat u de kwaliteit van de werkomgeving vindt toenemen. Wij beoordelen uw werklandschap negatief ten opzichte van de referentiesituatie.
In het groene raamwerk worden ook wandelpaden opgenomen. Daarmee wordt de kwaliteit van de werkomgeving verhoogd. Wijkevoort behoudt zijn recreatieve mogelijkheden, er worden zoveel mogelijk cultuurhistorische waarden behouden en landschappelijke en natuurwaarden hersteld. Het recreatieve netwerk wordt daarnaast uitgebreid ten opzichte van de huidige situatie. Een aanzienlijk deel van het groen-blauwe raamwerk wordt toegankelijk gemaakt voor voetgangers en er wordt gewerkt aan meer recreatieve verbindingen tussen Stadsbos 013 en Wijkevoort. De aanwezige landschappelijke en natuurwaarden (Hultenseweg, Wijckermeer en bos) worden ingezet om een buffer te vormen tussen de deelgebieden van Wijkevoort en worden uitgebreid om de buffer naar de omgeving zo groot mogelijk te maken (beekdalen van grote en Hultense Leij).
19.
130.
Zie ook de Thematische beantwoording, onderdeel 8 en 12.
Zie ook de Thematische reactie (hoofdstuk 2) op deze onderdelen
19.
131.
Zienswijze MER Sociale Veiligheid P.74 U schrijft dat Wijkevoort ‘verspreid’ de sociale veiligheid versterkt. U heeft helemaal geen onderzoek gedaan naar sociale veiligheid. Dit is maar een aanname van u. Voor iedereen die langs het bedrijventerrein moet fietsen geldt hoe groter het terrein, des te groter het gevoel van onveiligheid.
Pagina 74 maakt onderdeel uit van paragraaf 4.4.4 waarin de Kwaliteit van de werkomgeving aan bod komt. Voor het verspreide model is meer ruimte voor recreatie. Recreatie in combinatie met bedrijvigheid leidt doorgaans tot meer levendigheid op het terrein op verschillende tijdstippen. Dit leidt tot meer sociale controle en versterking van de sociale veiligheid.
19.
132.
Zienswijze MER Externe Veiligheid en Gezondheid P.74 U schrijft dat dat er bij Wijkevoort ‘verspreid’ negatieve effecten optreden voor externe veiligheid en gezondheidseffecten. Daar zijn we dan wel heel nieuwsgierig naar. Eerder beweerde u het omgekeerde, P.65
Pagina 65 wordt voor het milieuaspect externe veiligheid inderdaad aangegeven dat Wijkevoort verspreid als gevolg van een lagere personendichtheid een minder negatieve score krijgt als Wijkevoort compact. Daarmee is op pagina 74 externe veiligheid als onjuist vermeld. Wel is voor Wijkevoort verspreid sprake van een grotere negatief effect voor gezondheidseffecten irt geur, waarmee de beoordeling van Wijkevoort verspreid niet positiever uit gaat vallen.
19.
133.
Zienswijze MER Kwaliteit Landschap P.75 Tabel: de kwaliteit van de werkomgeving gaat er ten opzichte van de referentie situatie in alle gevallen op vooruit volgens u. Het is dan heel bijzonder dat u mitigerende maatregelen voorstelt op een ontwikkeling die volgens uw eigen oordeel niet negatief is. Dus een negatieve beoordeling is naar ons oordeel wel degelijk op z’n plaats.
Onder de mitigerende maatregelen voor de kwaliteit van de werkomgeving is aangegeven hoe de kwaliteit verder kan worden versterkt.
19.
134.
Zienswijze MER Stikstof P.77 Hoe kan het dat u al jaren weet dat Wijkevoort effect heeft op de verschillende Natura2000 gebieden en dat u bij het opleveren van deze MER geen melding maakt hoe u dat denkt op te lossen. Gaat u nu extern salderen, zo ja met welke bedrijven of denkt u dat u de ADC-toets succesvol kunt doorlopen? Waarom treffen we dan geen berekeningen aan?
Het klopt dat de depositie op een aantal Natura 2000 gebieden toeneemt. In het MER is aangegeven dat duurzame energieconcepten, duurzame mobiliteit (op termijn) en het benutten van mogelijkheden voor externe saldering deze effecten kunnen mitigeren. Voor het bijbehorende besluit, het bestemmingsplan is, in het onderzoeksrapport Stikstofdepositie en in de Passende beoordeling aangegeven het effect van de externe saldering berekend en gecontroleerd op de Natura-2000 gebieden. Op basis van recente jurisprudentie van de ABRvS, de Beleidsregels Natuurbescherming van de Provincie Noord-Brabant versie zoals vastgesteld op 15 juli 2021 en vragen van de commissie m.e.r. zijn nieuwe berekeningen uitgevoerd voor de stikstofdepositie als gevolg van de ontwikkeling van Wijkevoort. Volgens deze berekeningen (waarin de mitigerende maatregelen van extern salderen zijn meegenomen) is er geen sprake van ernstige effecten van stikstofuitstoot op natura 2000 gebieden.
19.
135.
Zienswijze MER Stikstofdepositie Natura2000 P.77 Tabel: Dit zou toch een rode vlag moeten zijn voor uw planvoornemen? U denkt te kunnen mitigeren – op termijn???
Het klopt dat de depositie op een aantal Natura 2000 gebieden toeneemt. In het MER is aangegeven dat duurzame energieconcepten, duurzame mobiliteit (op termijn) en het benutten van mogelijkheden voor externe saldering deze effecten kunnen mitigeren. Voor het bijbehorende besluit, het bestemmingsplan is, in het onderzoeksrapport Stikstofdepositie en in de Passende beoordeling aangegeven het effect van de externe saldering berekend en gecontroleerd op de Natura-2000 gebieden. Op basis van recente jurisprudentie van de ABRvS, de Beleidsregels Natuurbescherming van de Provincie Noord-Brabant versie zoals vastgesteld op 15 juli 2021 en vragen van de commissie m.e.r. zijn nieuwe berekeningen uitgevoerd voor de stikstofdepositie als gevolg van de ontwikkeling van Wijkevoort. Volgens deze berekeningen (waarin de mitigerende maatregelen van extern salderen zijn meegenomen) is er geen sprake van ernstige effecten van stikstofuitstoot op natura 2000 gebieden.
Ja, Mer
19.
136.
Zienwijze MER Extern salderen P.77 In uw toelichting refereert u naar het uitkopen van een melkveebedrijf dat direct grenst aan plangebied Wijkevoort. U geeft aan dat u dan via extern salderen de benodigde stikstofruimte gaat verkrijgen. Het juridisch geitepaadje in de stikstof wetgeving dat u wilt doorlopen. Het is de vraag of dat juridisch standhoudt: In het recent verschenen kamerstuk (19 maart 2021) “Stikstofruimte voor de toekomst” van de rijksoverheid wordt, mbt de juridische houdbaarheid van extern salderen, verwezen naar Wösten juridisch advies die een artikel hebben gepubliceerd met de titel: “Extern salderen: oplossing of oorzaak van het stikstofprobleem?” Ze betogen dat extern salderen emissiehandel in de hand werkt en dat er daarmee een onbeheersbare situatie ontstaat. Ze beschrijven bijna letterlijk de casus van het melkveebedrijf dat hier uitgekocht gaat worden: “Als een bedrijf staakt om bedrijfseconomische redenen (failliet, geen bedrijfsopvolger, enz.) dan zou onder normale omstandigheden de productieruimte – en dus ook de emissies – vervallen. De emissies vertegenwoordigen dan geen geldwaarde voor de vergunninghouder. Echter, met verhandelbare emissies zullen vergunninghouders de vergunde emissieruimte juist in stand willen houden.
Door aan de vergunningen en de emissies een handelswaarde te geven wordt een perverse prikkel opgeroepen die haaks staat op het belang van emissiereductie.” Ze concluderen vervolgens dat emissiehandel waarschijnlijk de belangrijkste oorzaak is van het falen van het stikstofbeleid. Het bedrijf dat u wilt uitkopen zal op natuurlijke weg binnen 5 tot 10 jaar beëindigd worden gezien de leeftijd van de melkveehouders (60+) en het feit dat ze geen bedrijfsopvolging hebben. De bijbehorende emissie zou in de autonome situatie uit de handel zijn genomen terwijl u letterlijk 70% in de lucht wilt houden. Wösten: “stikstof is een ecologisch probleem die de biodiversiteit bedreigt. Het juridische probleem (lees: vergunningen voor bouw en wegenaanleg) is daarvan een afgeleide. De gedachte het juridische probleem te kunnen oplossen zonder het ecologische probleem te onderzoeken berust op drijfzand.”
In het aangehaalde artikel van Wösten wordt ingegaan op het instrument van extern salderen mede in relatie tot het verhandelbaar maken van vergunningen en emissierechten van (agrarische) bedrijven. Salderen is een door de Raad van State geaccepteerd instrument. Ook voor Wijkevoort wordt dit instrument ingezet. In de zienswijze wordt waarschijnlijk het agrarisch bedrijf aan de Prinsenhoef 2 bedoeld. Dit is een actieve melkveehouderij. De gemeente is in gesprek over verwerving van dit bedrijf. Indien de gemeente het agrarisch bedrijf niet zou verwerven, dan is het aan de eigenaren of zij doorgaan of (op termijn) willen stoppen met hun bedrijfsvoering en daarbij hun bedrijf(srechten) willen verkopen..
19.
137.
Zienswijze MER Ecologische VerbindingsZones P.78 U schrijft dat in de referentiesituatie de Leij De aanleg van de evz dient te gebeuren ongeacht of het werklandschap wordt is geoptimaliseerd tot ecologische verbindingszone en u doet net of dat al gerealiseerd is. De gerealiseerd. Daarom is dat opgenomen in de referentiesituatie. Aanleg is pas aanleg van de Leij tot ecologische verbindingszone had in 2018 al gereed moeten zijn. En nu, mogelijk als de bestemming is herzien. anno 2021 is er nog geen spa de grond in gegaan, nog geen boompje gezet.
19.
138.
Zienswijze MER GroenBlauwe Mantel P.78 U beschrijft het beleid rond de groen blauwe mantel, dat deze bedoeld is voor het versterken van leefgebieden voor plant- en diersoorten en de bevordering van biodiversiteit buiten het NNB. U schrijft dat de variant compact geen ruimtebeslag legt op de groen blauwe mantel en de variant verspreid wel. Maar u vergeet te vermelden dat u voornemens bent om de Hultense Leij te verleggen, de blauw groene mantel in. Dat is een ruimtebeslag van ca. 14Ha. De tabel beïnvloeding groen blauwe mantel ontbreekt en is derhalve in alle gevallen negatief (- of --).
Het model “compact” legt geen ruimtebeslag op de groenblauwe mantel. Het voorkeursalternatief zoals beschreven in paragraaf 5.5.3 doet dit wel, zoals gezegd omdat de Hultensche Leij hierbij verlegd wordt.
19.
139.
Zienswijze MER Barrières P.79 “In de voorgenomen ontwikkeling is in beide alternatieven geen sprake van een verhoogde barrièrewerking voor ’t Wijckermeer en Wijckerbos.” Dat is onjuist. Reeën en ander wild migreren onder andere tussen het stadsbos gebied en het Wijckerbos. Als Wijkevoort er straks ligt kunnen de reeën nog maar aan 1 kant het Wijckerbos in en uit zonder dat ze worden aangereden door een vrachtwagen. En over een lengte van enkele kilometers kunnen dieren de Leij niet meer oversteken door Wijkevoort zoals ze nu wel doen. Van het voorgenomen plan zal juist een enorme barrière werking uitgaan.
In de effectbeoordeling is gekeken in hoeverre het NNB-gebied (bos en Wijckermeer) verbonden blijft met andere NNB-gebieden. Deze blijft intact doordat er een verbinding via Hultensche Leij en evz Gilzerbaan wordt gerealiseerd. Grotere soorten zoals het ree zullen ook nog steeds gebruik kunnen maken van het agrarische gebied ten oosten van het bos als verbinding naar de overige bossen van Stadsbos013.
19.
140.
Zienswijze MER Lichtbelasting P.80 U beschrijft dat er al een hoge geluidsbelasting is op het NNB, en uw conclusie is vervolgens dat de toename van geluid- en lichthinder beperkt negatief is. Voor geluid zouden we dat nog enigszins kunnen volgen. Maar voor licht??? Het buitengebied is een donkerte gebied waarvan in de Stadsbosvisie (P.90) wordt geschreven dat het waardevol is om de duisternis te respecteren. Wij treffen daar geen enkele uitspraak van uw kant over aan. Wij zien geen enkele intentie om het gebied donker te houden. Naar ons oordeel is de beïnvloeding van het NatuurNetwerkBrabant ook in de compacte variant negatief.
De beoordeling ‘beperkt negatief’ (0/-) is gebaseerd op een combinatie van licht- en geluidsverstoring. De aanvullende geluidsverstoring is vanwege de bestaande achtergrondverstoring zeer beperkt; de lichtverstoring is nu relatief beperkt en zal wat groter zijn. Wel achten wij het van belang om naast de bestaande regels voor verlichting in de Ontwikkelleidraad een aanvullende regel op te nemen om lichtverstoring van het NNB te voorkomen. Deze regel zal de volgende strekking krijgen: “op bedrijfskavels grenzend aan het Natuurnetwerk Brabant wordt lichtuitstraling naar het aangrenzende natuurgebied voorkomen”.
Ja OL
19.
141.
Zienswijze MER Hazen P.81 “In de open landbouwgebieden komt de licht beschermde haas voor.” Ben u er niet van op de hoogte dat de haas het afgelopen jaar op de Rode Lijst Zoogdieren geplaatst? Deze lijst bevat een reeks dieren die uit ons land dreigen te verdwijnen. Had de haas volgens deze lijst in 2006 nog de status van ‘niet bedreigd’, nu valt hij onder ‘gevoelig’.
Voor de haas geldt vanuit de verordening natuurbescherming Noord-Brabant een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Deze vrijstelling staat los van de Rode Lijst, die bedoeld is als signaleringslijst. De haas is niet opgenomen in het Soortenmanagementplan, maar zal in de praktijk meeliften op maatregelen voor soorten die wel zijn opgenomen, zoals steenuil, kerkuil, marterachtigen en kievit.
19.
142.
Zienswijze MER Dassen P.81 “De das komt voor op de Loonsche hei ten noorden van Tilburg. Door de vele barrières tussen de Loonsche heide en het ontbreken van waarnemingen uit de wijde omgeving wordt de soort niet verwacht.” U bent niet goed geïnformeerd. Er zit een dassenburcht pal aan de overkant van de Burgemeester Letschertweg op het vliegveld. Medewerker van het grondbedrijf Tilburg heeft een das gesignaleerd in het plangebied en ook de stadsecoloog beaamt dat het niet de vraag is of de das komt, maar wanneer de das komt. Bovendien schrijft u ook dat de Ecologische Verbindingszone tussen dit gebied en de Loonse en Drunense Duinen gerealiseerd is. Heeft die juist niet als doel om de barrières tussen de verschillende natuurgebieden weg te nemen?
Het passage over de das is inderdaad niet actueel: de dichtstbijzijnde dassenburcht bevindt zich aan de oostzijde van de vliegbasis en daarnaast zijn er waarnemingen van aangereden zwervende dassen bij de Gilzerbaan en A58. In het gebied wordt intensief gemonitord op eventuele vestiging van een dassenburcht. Momenteel maakt het plangebied geen deel uit van het leefgebied van de das. Als deze zich in de toekomst vestigt in het gebied zal hiermee rekening gehouden moeten worden. De ontwikkeling van de evz Hultensche Leij en het uilencompensatiegebied zorgt ervoor dat de soort zich vervolgens zich verder oostwaarts door Stadsbos013 kan verspreiden.
19.
143.
Zienswijze MER Ecologische VerbindingsZones P.82 U wekt weer de indruk dat de Hultensche Leij en Groote Leij ondertussen gerealiseerd zijn. Dat is onjuist. Nog geen spade is er in de grond gegaan terwijl volgens afspraak alles in 2018 of op z’n laatst in 2020 al gereed zou zijn. In eerdere gesprekken heeft u zo vaak gezegd dat u aan de voorkant alle soorten gaat versterken en dat wanneer Wijkvoort wordt aangelegd de soorten netto sterker zijn dan daarvoor. Wat heeft u eigenlijk al gedaan in die richting?
We hebben een gebied aangewezen en aangekocht als uilencompensatiegebied en hier landbouwkundig al op ingesteld. Inrichtingsmaatregelen van dit gebied volgen dit najaar. De andere faunamaatregelen worden ruim zodat soorten de kans krijgen om hun populatie te versterken. De ecologische verbindingszones zullen vooruitlopend op de ontwikkeling van het bedrijventerrein aangelegd worden. Dit is ook verankerd in het bestemmingsplan.
19.
144.
Zienswijze MER Beschermde Soorten P.84 “Voor 8 soorten, waaronder de steenuil en de kerkuil kunnen negatieve effecten niet op voorhand worden uitgesloten.” Welke 8 dan?
Bedoeld zijn steenuil, kerkuil, huismus, gewone dwergvleermuis, rosse vleermuis, wezel, bunzing en steenmarter. Vanwege het verleggen van de Hultensche Leij moet hieraan de vinpootsalamander worden toegevoegd. Tevens worden gewone grootoorvleermuis en laatvlieger op basis van de meest recente inzichten als ontheffingsplichtig beschouwd. De volgende soorten zijn strikt genomen niet ontheffingsplichtig, maar worden wel meegenomen in het Soortenmanagementplan: buizerd, sperwer, havik, franjestaart, ruige dwergvleermuis, watervleermuis, boerenzwaluw, huiszwaluw en kievit.
19.
145.
Zienswijze MER Landschap P.85 Tabel, vergelijk met uw opmerking op pagina 73: “het verlies van het zicht op het halfopen landschap is niet met maatregelen te voorkomen” Naar ons oordeel is het verlies van het coulisselandschap, oud cultuurlandschap dat het waard is behouden te blijven (Stadsbosvisie) zo groot dat beide varianten de hoogste negatieve score verdienen.
Voor het aspect landschappelijke waarde is aangegeven dat de waarde van de beekdalen, terrasafzettingswelvingen en eerdgronden beperkt is. Door deze beperkte waarde zijn aan de varianten niet de hoogste negatieve score toegekend. Binnen de gemeente is een zorgvuldige afweging gemaakt welke functie waar een plek krijgt binnen de gemeente. Dit is ook opgenomen in de Omgevingsvisie Tilburg 2040. Bij de afweging van de locaties voor de ontwikkeling van bedrijventerreinen en bijvoorbeeld landschapsparken worden daarbij ook de reeds aanwezige landschapswaarden in ogenschouw genomen. Dat neemt niet weg dat de ontwikkeling van Wijkevoort op zich zelf impact heeft op het landschap. De landschappelijk waardevolle elementen zijn wat ons betreft: de beekdalen van Groote en Hultense Leij, het Wijckermeer en het Wijckerbos als ook de Hultenseweg. Deze blijven bewaard, of worden, in het geval van de beekdalen, sterk verbeterd. Het cultuurlandschap wordt op 2 manieren versterkt: door verdroging tegen te gaan (die het gevolg is van het huidige gebruik en de huidige inrichting) en door een verweving met Stadsbos 013 (zowel landschappelijk als qua recreatienetwerk).
19.
146.
Zienswijze MER Cultuurhistorie MIP P.87 “Binnen de contouren van Wijkevoort is geen bebouwing van het MIP aanwezig.” Bijzonder, volgens het vigerende bestemmingsplan staat Hultenseweg 8 wel degelijk op de MIP lijst. Het betreft hier een van oorsprong Friese kop hals romp boerderij die typerend is voor de wederopbouw van na de tweede wereldoorlog. Het wordt als een cultureel waardevolle boerderij beschouwd, maar omdat het geen beschermde status heeft en in het plangebied ligt, staat het op de nominatie om gesloopt te worden.
Het pand Hultenseweg 8 staat op de provinciale cultuurhistorische waardenkaart uit ja verbeelding en 2006 zonder verdere inhoudelijke informatie ials MIP-pand. Een MIP - pand heeft regels geen beschermde status en kan gesloopt worden. Als gevolg van de ontwikkeling van het werklandschap worden de opstallen en woningen binnen het plangebied gesloopt. Wel zal het plan op dit punt worden aangepast. Waar mogelijk streven we er naar om opstallen te behouden en een nieuwe functie te geven. Daarom wordt het plan op dit punt aangepast. Het voorliggende bestemmingsplan en exploitatieplan wordt gewijzigd vastgesteld waarbij de volgende opstallen vanuit ecologische waarden
gehandhaafd worden: 1. Hultenseweg 8 (woning en schuur); 2. Hultenseweg 13 (schuur); 3. Hultenseweg 35 (woning en schuur). Het handhaven van een woonbestemming op voornoemde adressen is niet aan de orde aangezien de bestemming 'Wonen' niet mogelijk is in verband met de voorgenomen bestemming 'Bedrijventerrein'. 19.
147.
Zienswijze MER Doelredenatie Cultuurhistorie P.88 “Over de exacte invulling van dit gebied worden (nog) geen uitspraken gedaan. Het is mogelijk dat deze structuren in alle alternatieven en varianten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling verdwijnen.” En weer een doelredenering. In geen van uw verbeeldingen in geen van uw plannen overleeft de “cultuurhistorische redelijk waardevol aangeduide weg Wijkevoort” met de 50 beeldbepalende bomen. De kavels die u op Wijkevoort wilt aanbieden zo dermate groot dat ze niet ingepast kunnen worden in de bestaande structuren. Daarom vinden we het onbegrijpelijk dat u kunt bedenken dat de beoordeling 0/- is. U stelt nog dat de effecten beperkt kunnen worden door de weg Wijkevoort te beschermen. Leuk bedacht, maar u bent dat totaal niet van plan.
Pagina 88 geeft aan welke mitigerende maatregelen mogelijk zijn. Dat betekent niet dat deze ook worden opgenomen in de planvorming. In het Voorkeursalternatief is aangegeven welke mitigerende maatregelen onderdeel gaan uitmaken van het voornemen. Daarbij is aangegeven dat behoud van de weg Wijkevoort omwille van haar ligging in verband de ontwikkeling van (grote) kavels in dit deelgebied onzeker is. In het ontwerp bestemmingsplan is de weg Wijkevoort niet als te beschermen landschapsstructuur aangeduid. De weg Wijkevoort wordt naar aanleiding van de zienswijzen behouden. In de aanvulling op het MER is voor het voorkeursalternatief ook beschreven op welke wijze aan de verschillende doelen (waaronder cultuurhistorie) voor het werklandschap wordt voldaan.
19.
148.
Zienswijze MER Landschap P.89 “De beleving van rust en ruimte is in een groot deel van het Dit is als gevolg van de vele geluidbronnen die nu al in de omgeving zijn zoals de A58, coulisselandschap dan ook beperkt.” Wie heeft u dat verteld? Alle bewoners en alle recreanten de Burgemeester Letschertweg en het vliegveld. zullen u vertellen dat ze de rust en ruimte in dit gebied zo waarderen.
19.
149.
Zienswijze MER Landschap P.89 “De belevingswaarde van het plangebied is vanaf de Hultenseweg redelijk hoog.” Dat betekent dat de visuele hinder vanaf de Hultenseweg naar aanleiding van de plantontwikkeling, navenant hoog is. Dus een dubbele min voor de versie compact in de tabel op P.73
De ontwikkeling van Wijkevoort compact en Wijkevoort verspreid hebben beiden effect op de beleving van het open gebied vanaf de Hultenseweg. In beide alternatieven krijgt het plangebied een overwegend gesloten karakter. Omdat Wijkevoort verspreid een grotere verstoring oplevert door bijv. de aanwezige open gebieden is dit alternatief meer negatief beoordeelt.
19.
150.
Zienswijze MER Landschap P.90 “Het Wijckermeer wordt vanwege de aanwezigheid van bossages rondom het meer vanuit de omgeving beleefd als een gesloten gebied.” Deze tekst correspondeert niet met het plaatje waarin het Wijckermeer als een aaneengesloten open gebied staat aangeduid.
Het klopt dat het meer door de bosschages niet als een open gebied wordt beleefd vanaf de openbare weg. Als met de bosschages in de rug naar het Wijckermeer wordt gekeken is wel sprake van een aaneengesloten open gebied.
19.
151.
Zienswijze MER Landschap P.90 “Het buurtschap Berkeind verdwijnt echter wel in de alternatieven.” Dat geldt ook voor de lintbebouwing langs Wijkevoort en de Hultenseweg en de Schoorweg.
Dit is juist. Met het buurtschap Berkeind wordt de daar aanwezige landschappelijke structuur bedoeld, niet specifiek de aanwezige bebouwing.
19.
152.
Zienswijze MER Landschap P.91 “Door het verdwijnen van het buurtschap Berkeind en de contrasten tussen open en gesloten landschappen langs de Hultenseweg gaat een aantal belangrijke visueel-ruimtelijke kenmerken en waarden verloren. Het effect op de visueelruimtelijke kwaliteit en de belevingswaarde is als gevolg van de bovenstaande effecten negatief (-) beoordeeld.” We begrijpen dat er een verschil is in visuele waarde tussen Wijkevoort compact en Wijkevoort verspreid. Wat ons betreft is voor beide gevallen een dubbele – gepast. En de variant voor 30Ha legt u op het mooiste stuk van het gebied, waarbij u de “cultuurhistorische redelijk waardevol aangeduide weg Wijkevoort” met de 50 beeldbepalende bomen niet zult sparen. Dus dat is wat ons betreft ook een –
We begrijpen dat de komst van het gehele bedrijventerrein door u als een grote impact op de beleving van het landschap wordt ervaren. Daarom hebben de beide alternatieven ook een negatieve score. Omdat er verschil is tussen de beide alternatieven op de visuele waarde, hebben we dit verschil ook naar voren laten komen in een hogere negatieve score. Voor de 30 ha variant is ook nog steeds sprake van een negatieve score, maar in relatie tot de 80 ha is deze als beperkt negatief beoordeeld. De weg Wijkevoort wordt naar aanleiding van de zienswijzen behouden..
19.
153.
Zienswijze MER Recreatie P.92 “Recreatie is in het plangebied beperkt mogelijk in de referentiesituatie.” Dan heeft u niet goed onderzoek gedaan. Het plangebied wordt dagelijks bezocht door fietsers, hardlopers, wandelaars, duikers, ruiters, toerders en skaters. En dat is in coronatijd fors toegenomen. Mensen uit de Reeshof steken bij Koolhoven de Bredaseweg over richting de Bleukweg. Lopen een rondje en gaan er via het bos en de Oude Rielse baan weer terug, of ze lopen de andere kant op en steken in het verlengde van de Hultenseweg de Bredaseweg weer over richting de Reeshof. Uw planvoornemen doet dit uitloopgebied met 1/3 afnemen.
Ook bij de ontwikkeling van Wijkevoort blijft het gebied open voor recreanten om te fietsen, te wandelen. De gebieden die nu agrarisch in gebruik zijn, zullen in de toekomst in gebruik zijn als bedrijfskavels. In beide situaties zijn deze gebieden niet toegankelijk, wel verandert het aangezicht. De duikers kunnen gebruik blijven maken van het Wijckermeer. Daarnaast zal met de ontwikkeling van Wijkevoort ook het Wijckermeer toegankelijk worden gemaakt voor extensieve vormen van recreatie (Wijkevoort compact) of meer intensieve vormen (Wijkevoort verspreid). In de referentiesituatie blijft het gebied van het Wijckermeer ontoegankelijk (muv de duikers). Ook zullen rondom de bedrijfsclusters nieuwe wandel- en fietspaden worden aangelegd.
19.
154.
Zienswijze MER Doelredenatie recreatie P.92 “Rond het Wijckermeer worden mogelijkheden voor conceptversterkende activiteiten zoals een proeftuin, onderwijs, eet- en drinkgelegenheden etc. gecreëerd.” P.93 “Hier kunnen recreatieve voorzieningen zoals bijvoorbeeld paintball, klimwand e.d. worden gerealiseerd.” ??? Wat een slag om de arm. Hoort dit in de MER thuis? Nergens in de plannen zien we dat hier serieus werk van wordt gemaakt. De voorzieningen die u noemt passen beter ergens in het Stadsbos of op de Groene Kamer – tenzij 1 van de bedrijven de gevel beschikbaar wil maken als klimwand. Wilt misschien overtuigen dat uw planontwikkeling interessant is voor recreatief medegebruik? Is dat een voorwaarde van de NOVI? Alle huidige recreanten, van duiker tot ruiter, van kampeerder tot wandelaar vrezen juist verlies. Ten opzichte van de huidige situatie beoordelen wij mogelijkheden voor recreatief medegebruik als negatief.
Met de ontwikkeling van Wijkevoort zal het Wijckermeer toegankelijk worden gemaakt voor extensieve vormen van recreatie (Wijkevoort compact) of meer intensieve vormen (Wijkevoort verspreid). In de referentiesituatie blijft het gebied van het Wijckermeer ontoegankelijk (m.u.v. de duikers). De duikers kunnen gebruik blijven maken van het Wijckermeer. Ook zullen rondom de bedrijfclusters nieuwe wandel- en fietspaden worden aangelegd.
19.
155.
Zienswijze MER Klimaatadaptatie P.97 “De nadelige effecten van de toegenomen verharding Het vasthouden van water in combinatie met robuuste groenstructuren zorgen voor Ja OL ten opzichte van het open en grotendeels onverharde landelijk gebied in de referentiesituatie verdamping en daarmee verkoeling. Een berekening van temperatuurstijging kan pas zijn echter niet geheel te voorkomen. Het alternatief ‘Wijkevoort verspreid’ is daarom ten gemaakt worden als duidelijk is hoe de ontwikkeling van het bedrijventerrein er uit opzichte van de referentiesituatie beperkt negatief (0/-) beoordeeld.” Waarom gooit u gaat zien: hoe groot zijn de panden en hoe worden ze gepositioneerd, welke wateroverlast en hitte op 1 hoop? We missen een berekening van het hitte eiland effect. Op materialen en kleuren worden er gebruikt en worden groene gevels en/of groene hittekaarten rondom Tilburg lezen we af dat industrieterrein Vossenberg, vergelijkbaar met daken toegepast. Door middel van de beleidsregels in de ontwikkelleidraad wordt Wijkevoort tussen de 5 en 10 graden warmer is in hete periodes dan de referentiesituatie hier. hier richting aan gegeven. De binnenstad van Tilburg is al 2 jaar op rij de heetste van Europa en vliegveld Gilze Rijen heeft In de ontwikkelleidraad zullen we opnemen dat bedrijven aan de hand van een het nationaal hitterecord op zijn naam staan.
“de nadelige effecten zijn niet geheel te berekening moeten laten zien dat hun ontwikkeling niet leidt tot een grote voorkomen” kunt u beter herformuleren in "de nadelige effecten zijn in z'n geheel niet te temperatuurstijging op het bedrijventerrein. voorkomen”. En legt u de bewijslast nu eens niet aan onze kant. Uw beoordeling ‘beperkt negatief’ is veel te rooskleurig. Het lijkt wel alsof u geen objectieve MER heeft opgeleverd maar een aanprijzingsbrochure.
19.
156.
Zienswijze MER Klimaatadaptatie P.98 er zijn mitigerende maatregelen mogelijk. Gaat u deze dan ook opleggen? Let op: als u zonnepanelen op een dak wil, dan is het niet aannemelijk dat er tegelijkertijd een groen dak wordt aangelegd. Immers de dakconstructie zal dan dubbelzwaar moeten worden uitgevoerd. En zonnepanelen dragen bij aan de ongewenste hitteopslag / extra hittestress
In de ontwikkelleidraad is opgenomen dat naast de eis voor zonnepanelen op een dak, ook de eis voor een groen dak geldt, mits hiervan de terugverdientijd hooguit 15 jaar bedraagt. Op deze manier is rekening gehouden met de kosten voor een zwaardere dakconstructie. Er wordt een witte dakbedekking geëist als een groen dak niet haalbaar blijkt.
19.
157.
Zienswijze MER Energievoorziening P.98 “In de huidige situatie is er geen sprake van een duurzame energievoorziening.” Dan heeft u niet goed onderzoek gedaan. Bijna alle huizen hebben zonnepanelen, diverse huizen zijn al van het gas af, er zijn warmtepomp installaties aanwezig en tenminste 2 grote bedrijven hebben grootschalig zonnepanelen op hun hallen liggen.
In de huidige situatie is er geen duurzame energievoorziening die door de nieuwe bedrijven gebruikt kan worden. Er ligt bijvoorbeeld geen duurzame warmtevoorziening waarop nieuwe bedrijven kunnen worden aangesloten. Een duurzame warmtevoorziening zal moeten worden aangelegd. Er zijn ook geen restwarmtebronnen aanwezig in de omgeving van de locatie.
19.
158.
Zienswijze MER Energievoorziening P.98 “Uit de energieverkenning blijkt dat er mogelijkheden zijn om een volledig duurzaam en gasloos bedrijventerrein te ontwikkelen.” Wat verstaat u in deze context onder duurzaam? Dat de benodigde energie op het terrein zelf op te wekken is? Energieneutraal is niet hetzelfde als duurzaam. Feit is dat er voor dit bedrijventerrein extra energie nodig is. Ook al wordt dat op locatie opgewekt, daarmee is het nog niet duurzaam.
Met een duurzame energievoorziening is bedoeld dat het gebouwgebonden en bedrijfsmatige energieverbruik van de bedrijven afkomstig is van duurzame bronnen.
19.
159.
Zienswijze MER Energievoorziening P.99 “...mogelijk gecombineerd met beperkte inzet van biomassa in houtkachels.” De GGD adviseert dit niet te doen.
Houtkachels worden in de ontwikkelleidraad verboden
ja ol
19.
160.
Zienswijze MER Energievoorziening P.99 “Voor bedrijven die gas nodig hebben voor processen kan lokaal biogas worden opgewekt.” Gasloos = gasloos. Wanneer een bedrijf gas nodig heeft dan is het niet welkom op Wijkevoort.
Eens met deze zienswijze. Voor het lokaal opwekken van biogas is een biovergistingsinstallatie nodig. Een dergelijke inrichting past niet in de toetsingscriteria om tot grondverkoop over te gaan en zal zich daarom niet op Wijkevoort kunnen vestigen. Het plan zal hierop worden aangepast
ja, bestemmingsplan
19.
161.
Zienswijze MER Energievoorziening P. 99 “Er is ca 15Ha zonnestroom nodig op de daken van de gebouwen om alle energie duurzaam op te wekken. Op de gebouwen kan ongeveer 75% van alle zonnestroom worden opgewekt.” Waarom zo weinig? Er komt zeker 60Ha aan dakoppervlak. Daar moet je toch makkelijk 15Ha zonnepanelen op kunnen leggen?
De benutbaarheid van dakvlak is afhankelijk van een aantal factoren zoals dakopbouw voor liften, installaties, looppaden etc. In de berekeningen is voorzichtig gerekend. Door de eis dat het volledige dakvlak benut moet worden met zonnestroom zal de totale hoeveelheid panelen veel groter zijn dan in de eerdere berekeningen als uitgangspunt is genomen. In de aanvulling op het MER is een nieuwe berekening opgenomen.
19.
162.
Zienswijze MER Energievoorziening P.99 “In alle alternatieven en varianten zijn mogelijkheden om een energieneutraal bedrijventerrein te realiseren. Een deel van het energieverbruik zal duurzaam worden opgewekt.” Waarom wordt niet alle energie duurzaam opgewekt? Het is strijdig met wat er op P.98 staat: “Uit de energieverkenning blijkt dat er mogelijkheden zijn om een volledig duurzaam en gasloos bedrijventerrein te ontwikkelen.” Of wilt u zeggen dat het terrein energieneutraal wordt maar niet alle energie op een duurzame zal worden opgewekt. Dat moet u dan toch even uitleggen. We hebben het gevoel dat u de termen energie neutraal, duurzame energie en volledig duurzaam door elkaar gebruikt, en dat u veel escapes inbouwt. Waarom gaat u niet ondubbelzinnig voor 100% energieneutraal met 100% duurzaam opgewekte stroom?
Er wordt hard gestuurd op het realiseren van een energieleverend werklandschap. Enerzijds door het stellen van strenge eisen aan de individuele bedrijven (o.a. Breeam Outstanding Certificaat en het optimaal benutten van daken voor de opwek van duurzame energie) en anderzijds door maatregelen op gebiedsniveau, zoals het realiseren van een duurzame warmtevoorziening en een energiezuinige inrichting van de openbare ruimte. Globale berekeningen tonen aan dat daarmee energieneutraliteit haalbaar is. Dit is echter nog afhankelijk van de exacte energievraag van bedrijven die zich op Wijkevoort gaan vestigen. Als een bedrijf door een hoge energievraag de energieneutraliteit van Wijkevoort bemoeilijkt, zal dit worden afgewogen tegen andere belangen. Zie par. 5.4 van de Ontwikkelleidraad.
19.
163.
Zienswijze MER Klimaatdoelstellingen P.99 “De gemeente kan ervoor kiezen om in het In het bestemmingsplan staat de eis dat het bouwplan moet bijdragen aan energie uitgiftebeleid criteria op te nemen om klimaatdoelstellingen in relatie tot duurzame energie te neutraal danwel energie opwekkend werklandschap en bijdragen aan een borgen, dit kan met behulp van verankering in het bestemmingsplan.” Waar staat dat dan in klimaatadaptief werklandschap. Deze normen zijn uitgewerkt in de het bestemmingsplan? We willen u eraan herinneren dat de klimaatdoelstellingen zijn 49% Ontwikkelleidraad. Bij uitgifte van grond en verlening van omgevingsvergunning minder CO2 uitstoot in 2030. Waar draagt Wijkevoort bij aan de reductie van CO2 uitstoot? We wordt getoetst of voldaan wordt aan de eisen uit het bestemmingsplan en de zullen het voor u beantwoorden: zelfs als Wijkevoort energetisch de eigen broek ophoudt dan ontwikkelleidraad. zullen de 18.500 dagelijkse verkeersbewegingen die Wijkevoort zal genereren bijdragen aan een forse extra CO2 uitstoot. Extra uitstoot. Niet minder. En waar heeft u überhaupt berekend hoeveel extra CO2 er door Wijkevoort bijkomt?
19.
164.
Zienswijze MER Bodemkwaliteit / PFAS P.100 “Aanwezige verontreinigingen zullen daarbij worden verwijderd, waardoor de bodemkwaliteit ter plaatse verbetert.” En wat doet u met de verontreinigde grond? Gaat om PFAS? Mag u dat zomaar afvoeren? Zover wij weten worden de normen en wetgeving PFAS pas in 2021 bekend.
Op dit moment lopen de bodemonderzoeken nog. Het is daarom nog niet duidelijk of er sprake is van bodemverontreiniging, en waar eventueel sprake is van bodemverontreiniging. PFAS wordt als stof meegenomen in deze bodemonderzoeken indien daar aanleiding voor is op basis van de historische gegevens waarin het gebruik van stoffen met PFAS naar voren komen. Uiteindelijk neemt de acceptant waar de grond wordt ingeleverd de verantwoordelijkheid over van de ingenomen grond. Deze acceptant zal dus ook eisen stellen aan de grond die wordt ingenomen. Op dit moment gelden het tijdelijk beleid, en het beleid dat de gemeente Tilburg voor PFAS heeft vastgesteld. Volgend jaar zullen de normen veranderen, en vanaf dat moment zal er conform die normen gewerkt worden, net zoals dat met andere parameters gebeurt. Het gemeentelijk beleid m.b.t. bodemkwaliteit en PFAS is beschikbaar op de gemeentelijke website.
19.
165.
Zienswijze MER Bodemkwaliteit P.100 Tabel: u vindt het bodemtechnisch een vooruitgang. We kunnen u volgen als u zegt dat het een vooruitgang is omdat u eventuele bodemverontreiniging opruimt. Maar vervolgens verstoort u de bodem verder en dieper, stort er een beton fundering in, u legt er wegen aan en parkeerplaatsen. Bent u dan nog steeds van mening dat de bodem er op vooruit is gegaan?
In dat kader is ook het aanvullende onderzoek bedoeld. De verstoring van de bodem als gevolg vergraven is niet in het MER als milieuaspect beschouwd. Wel is de verstoring van de bodem als gevolg van het vergraven in relatie tot de mogelijk aanwezige archeologische waarden beschouwd. Daarbij is aangegeven dat het plangebied volgens bestaande gegevens uit het bureauonderzoek en de uitgevoerde gedeeltelijke bodemkartering niet bijzonder rijk is aan archeologische waarden en is de bodem in delen van het plangebied in het verleden al verstoord. Op basis hiervan de alternatieven een effectscore beperkt negatief (0/-) gegeven. En als mitigerende maatregel is ter bescherming van mogelijk aanwezige archeologische waarden in het bestemmingsplan een aanlegvergunning bij graafwerkzaamheden opgenomen.
19.
166.
Zienswijze MER Bodemkwaliteit P.101 “... de grondkwaliteit kan verbeteren na het uit de landbouw nemen van de hier hoger gelegen flanken...” En vervolgens beoordeelt u de grondwaterkwaliteit met een +. We willen u erop wijzen dat het effect wordt geressorteerd door het uit de landbouw nemen van de gronden, niet door de aanleg van het bedrijventerrein. Als u geen bedrijventerrein zou aanleggen en de gronden uit de landbouw zou ontnemen dan gaat de waterkwaliteit er ook op vooruit.
Het voornemen is gericht op de ontwikkeling van een bedrijventerrein en daarvan zijn de effecten beschouwd. Het enkel gronden uit agrarisch gebruik nemen valt niet binnen het voornemen, is ook geen realistisch alternatief in relatie tot de geformuleerde doelstelling voor de ontwikkeling van Wijkevoort en is daarom niet beschouwd.
19.
167.
Zienswijze MER Waterhuishouding P.102 “Het dempen van deze kleine watertjes zal naar verwachting een positieve invloed hebben op de grondwaterstanden in het gebied.” Hele vreemde redenatie. Ook het water uit deze kleine watertjes krijgt de kans te infiltreren. En bovendien past u precies deze zelfde techniek toe met de wadi’s, poeltjes, moerassen en helofytenfilters om water in de grond te laten infiltreren.
De kleine watertjes zijn van oudsher vooral aangelegd om water snel af te voeren. Ze zijn met elkaar verbonden en wateren af naar de beken. De wadis's die aangelegd gaan worden hebben juist te functie om het water vast te houden. Het regenwater wordt pas afgevoerd als het boven een vastgesteld peil stijgt. En dan het naar de helofytenfilters waar het ook nog kan infiltreren. Alleen bij de meest extreme buien wordt er water afgevoerd.
19.
168.
Zienswijze MER Waterhuishouding P.103 “Op ca. 3 km ten westen van het plangebied bevindt zich het pompstation Gilzerbaan.” Onjuist. Pompstation Gilzerbaan ligt 2 km oostelijk van de grens van het plangebied.
De richting is inderdaad fout. We passen het aan. De afstand klopt wel (dit MER bestemmingsplan gaat over het westelijke deel van Wijkevoort, de afstand tussen dat gebied en het pompstation aan de Gilzerbaan is ongeveer 3 km). Zin veranderen in "op ca. 3 km ten oosten van het plangebied bevindt zich het pompstation Gilzerbaan" (zie ook 83-173)
19.
169.
Zienswijze MER Waterhuishouding P.104 “Wanneer agrarische praktijken in de toekomst In de huidige situatie wordt water gebruikt voor beregening. Het is inderdaad niet voortgezet worden is de kans groot dat er meer putten geslagen worden ten behoeve van duidelijk of er meer putten nodig zijn voor het beregenen. We halen deze zin uit de beregening, wat een negatief effect heeft op de grondwaterstand.” Er liggen voldoende putten tekst. in het gebied voor nu en in de toekomst (volgens de boeren hier). Zij achten het heel onwaarschijnlijk dat er nieuwe putten nodig zijn, zelfs als het verder gaat verdrogen.
19.
170.
Zienswijze MER Waterhuishouding P.106 “Het regenwater wordt primair opgevangen in de groenblauwe linten.” Dit is onjuist. Het regenwater wordt primair opgevangen door de daken en het verharde oppervlak. Daarna zou het afgevoerd moeten worden naar de groenblauwe linten.
Onder 'opvangen' wordt hier verstaan een plaats waar een groot deel van het regenwater een langere tijd wordt opgevangen. Dat is het groenblauwe lint. De daken en de verharding zijn afstromende oppervlakken die het water snel afvoeren. Dit is anders als gekozen wordt voor groendaken of waterbergende daken.
19.
171.
Zienswijze MER Waterhuishouding P.107 “Hier kan het eerste deel waarschijnlijk teruggelegd worden in het oude noordoostelijke tracé.” Waarom waarschijnlijk? U heeft 4 jaar onderzoek kunnen doen, dan zou u nu toch onderhand wel moeten weten of het wel of niet kan?
In het bestemmingsplan is gekozen de Hultense Leij in de oude noordoostelijke tracé te leggen.
19.
172.
Zienswijze MER Waterhuishouding P.107 Tabel waterkwantiteit. De tabel gaat over waterkwantiteit en uw beoordeling in de tekst gaat over kwaliteit in het gebied door wadi’s. De hoeveelheid regenwater die er valt is gelijk, of er nu een bedrijventerrein ligt of niet. Nu infiltreert de regen, en u doet uw stinkende best om in de toekomst het regenwater ook te laten infiltreren. Wij zien geen verdampingsberekeningen. Niet in de agrarische situatie, niet in de nieuwe situatie. U wilt groene daken, die verdampen, net als platte daken met zonnepanelen. Regenwater dat verdampt zal niet tot infiltratie komen. Hoe kunt u dan beoordelen, zonder deze informatie, dat de ontwikkeling een positief effect heeft op de gronden oppervlaktewater kwantiteit?
Het klopt dat een aanzienlijk deel van het regenwater zal verdampen. Dat is in de huidige situatie echter ook al zo. Begroeiing zorgt altijd voor verdamping. Dat leidt tot een keuze tussen groen en aanvulling van grondwater. Wij vinden groen zo belangrijk dat er veel groene ruimte is opgenomen in het ontwerp. Hiermee accepteren we de verdamping die hiermee gepaard gaat. Verder laten we het regenwater zoveel mogelijk infiltreren. Het infiltrerende regenwater zal daarbij zo goed mogelijk worden gezuiverd door bodempassage (in het groenblauwe lint) en door de helofytenfilters. Het nu aanwezige oppervlaktewatersysteem, van vooral bermsloten en greppels, is voornamelijk gericht op water afvoeren in natte tijden. Dit systeem wordt vervangen door een systeem dat vooral gericht is op berging en laten infiltreren.)