09 Toelichting OBP Lijnsheike 8_pdf
Tekst van het document
Heikant 2007, 8e herziening (Lijnsheike 8)
34
Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën: <0000> Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats (deze soorten zijn benoemd in het document "Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep", Dienst Regelingen, 2009. Hierin worden 4 categorieën vogels genoemd waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn, en een categorie 5 waarvan de nesten onder bepaalde voorwaarden jaarrond beschermd zijn); <0000> Overige inheemse broedvogels; <0000> Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn; <0000> Nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling (de algemene vrijstellingen zijn door iedere provincie in verordeningen vastgelegd.
In Noord-Brabant zijn de vrijgestelde soorten benoemd in de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant); <0000> Nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling. Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode. Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rusten voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen.
Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode. Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het 'Natuurbeleidsplan' (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen.
De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw. 4.10.2 Analyse plangebied Om te bepalen of de wijzigingen binnen het plangebied mogelijk leiden tot overtreding van de natuurwetgeving is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het rapport behorend bij deze quickscan is bijgevoegd in bijlage 13. Als gevolg van de resultaten uit deze quickscan is vervolgonderzoek uitgevoerd, de
Heikant 2007, 8e herziening (Lijnsheike 8)
35
rapportage hiervan is opgenomen in bijlage 14van deze toelichting. Daarnaast zijn indirecte gevolgen van het planvoornemen op Natura 2000-gebieden onderzocht door middel van een berekening van mogelijke stikstofdepositie, deze berekening is opgenomen in bijlage 8 van deze toelichting. Onderstaand worden de conclusies uit deze rapportages weergegeven. Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt op ruime afstand van wettelijk beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft 'Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen' op circa 3,3 kilometer afstand. Gezien deze afstand en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling kunnen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten. Natuurbescherming in Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Brabant (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) en de Groenblauwe Mantel, zoals begrensd op de kaarten van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. De dichtstbijzijnde gebieden die tot het Natuurnetwerk Brabant behoren, liggen op circa 720 meter ten zuiden van het plangebied. Externe effecten op het Natuurnetwerk Brabant, zoals benoemd in artikel 3.16 van de Interim Omgevingsverordening, zijn gezien deze afstand en zeer beperkte externe invloed redelijkerwijs uit te sluiten.
Soortenbescherming Op 3 februari 2020 is een quick scan uitgevoerd. Uit de quick scan blijkt dat het gebied voor huismus geschikt is als leefgebied. Binnen het plangebied zijn gebouwen aanwezig met potentieel geschikte verblijfplaatsen voor de huismus. Bij de sloop van deze gebouwen kan niet op voorhand uitgesloten worden dat er verblijfplaatsen van deze soorten verloren gaan. Het plangebied is geschikt voor steenmarter. In het dak zijn openingen waargenomen die toegang geven tot ruimtes waar de steenmarter een verblijfplaats kan vestigen. Daarnaast is er voldoende leefgebied in de directe omgeving aanwezig. Door de aanwezigheid van een zadeldak met dakpannen en open stootvoegen kunnen verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen op voorhand niet uitgesloten worden. Naar aanleiding van de uitgevoerde quick scan heeft er in 2020-2021 nader onderzoek plaatsgevonden. Het nader onderzoek is daarbij niet geheel volgens protocol uitgevoerd, waardoor met onvoldoende zekerheid de betreffende soorten kunnen worden uitgesloten. Door onvolledigheid van het uitgevoerde onderzoek en om de gunstige staat van instandhouding van beschermde gebouwbewonende soorten te kunnen blijven garanderen worden een aantal voorwaarden opgenomen. Voor de voorwaarden wordt verwezen naar de conclusie. In het plangebied zijn beplantingen aanwezig waar vogels in kunnen nestelen.
Het gaat daarbij om vogelsoorten waarvan de nesten uitsluitend gedurende de broed- en nestperiode beschermd zijn. Vaste, jaarrond beschermde nesten zoals roofvogel- en roekennesten zijn niet aanwezig. Deze beplantingen zullen moeten worden verwijderd voor de geplande ontwikkeling. Negatieve effecten op broedende vogels dienen te worden voorkomen door begroeiingen waarin vogels kunnen nestelen te verwijderen buiten het broedseizoen. De periode van 15 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen. De Wet Natuurbescherming kent echter geen standaardperiode voor het broedseizoen, het gaat erom of er een broedgeval is. De genoemde periode kan daarom slechts als vuistregel worden gehanteerd. De aanwezigheid van andere strenger beschermde plant- en diersoorten is op basis van habitatvoorkeur en algemene verspreidingsgegevens (NDFF) met voldoende zekerheid uit te sluiten. Hooguit zijn in het gebied soorten te verwachten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen, zoals huisspitsmuis, veldmuis, bosmuis, mol, gewone pad, bruine kikker etc. Tenslotte is voor alle soorten de wettelijke zorgplicht voor flora en fauna van kracht. In het kader van de zorgplicht zijn echter geen specifieke voorzorgsmaatregelen verbonden aan dit plan. Conclusie Ten aanzien van beschermde gebieden zijn er geen belemmeringen om het plan uit te voeren.
Door onvolledigheid van het aanvullende onderzoek, maar om de gunstige staat van instandhouding van de beschermde gebouwbewonende soorten te garanderen worden een aantal voorwaarden opgenomen. Deze
Heikant 2007, 8e herziening (Lijnsheike 8)
36
voorwaarden zorgen ervoor dat wordt voldaan aan de zorgplicht voortkomend uit de Wet natuurbescherming en dat de gunstige staan van instandhouding van de huismus en vleermuizen behouden kan blijven. De volgende voorwaarden worden opgenomen: <0000> Voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden dient te worden gecontroleerd op aanwezigheid van huismussen. Bij aanwezigheid van nesten van huismussen dienen de werkzaamheden te worden uitgesteld tot na het broedseizoen. <0000> In de toekomstige situatie dienen minimaal 2 nestplaatsen voor huismus gerealiseerd te worden. Dit kan door de onderste dakpannen beschikbaar te stellen door geen vogelschoot te plaatsen of de vogelschroot naar boven te verplaatsen. Een andere optie is het inbouwen van neststenen op minimaal 3 meter hoogte. Deze dienen geclusterd bij elkaar te worden aangebracht (noordelijk of oostelijk georiënteerd). <0000> Voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden dienen de gebouwen ongeschikt gemaakt te worden voor vleermuizen. Dit kan door exclusion flaps op open stootvoegen en andere openingen te plaatsen of door grote gaten (minimaal 60 cm) op de hoeken in de muren aan te brengen waardoor er tocht ontstaat en het microklimaat verandert. <0000> In de toekomstige situatie dienen minimaal 4 inbouwkasten geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen te worden ingebouwd.
Deze kasten dienen verspreid te worden aangebracht op minimaal 3 meter hoogte.
Heikant 2007, 8e herziening (Lijnsheike 8)
37
Hoofdstuk 5 Wateraspecten Per 1 november 2003 is het verplicht voor alle voor de waterhuishouding relevante nieuwe plannen een watertoets uit te voeren. De watertoets omvat het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen. Deze toets heeft zowel betrekking op grondwater als op oppervlaktewater. Er dient in beeld te worden gebracht wat de mogelijke gevolgen zijn van een ontwikkeling. Concreet betekent de invoering van de watertoets dat een plan of ruimtelijke onderbouwing een waterparagraaf dient te hebben. Hierin worden keuzes die betrekking hebben op waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd.
5.1 Bestaand watersysteem De planlocatie is gelegen in het stroomgebied van waterschap De Dommel. Dit waterschap is dus beheerder van zowel de kwaliteit als de kwantiteit van het grond- en oppervlaktewater in de omgeving. De planlocatie is in de huidige situatie volledig verhard, de bestaande verharding heeft daarmee een oppervlakte van 3.849 m².
5.2 Beleidskader Voorliggende waterparagraaf is opgesteld om de nieuwbouw hydrologisch neutraal te kunnen realiseren. In het uitgevoerde bronnenonderzoek is gekeken naar het vigerend waterbeleid voor onderhavig plangebied. Hierbij zijn de belangen van waterschap De Dommel, provincie Noord-Brabant en de gemeente Tilburg meegenomen. De bevindingen van dit literatuuronderzoek zijn weergegeven in de navolgende paragrafen. 5.2.1 Waterschap Waterschap De Dommel heeft in 2015 het 'Waterbeheerplan Waardevol Water 2016 - 2021' vastgesteld. Dit plan is opgesteld vanuit de insteek van het waterschap: samen met gebruikers en (maatschappelijke) organisaties meerwaarde geven aan water. Dit doet het waterschap vanuit vier uitgangspunten: 1) beekdalbenadering; 2) gebruiker centraal; 3) samen sterker; 4) gezonde toekomst. Naast dit beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en de Keur die van belang zijn voor eventuele ontwikkelingen. De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de Noord-Brabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde keur opgesteld met bijbehorende algemene regels en beleidsregels.
Deze zijn voor de drie waterschappen gelijkluidend. 5.2.2 Provincie Noord-Brabant Het provinciaal beleid is onder andere verwoord in het 'Provinciaal Milieu- en Waterplan (PMWP) 2016-2021' (d.d. 18 december 2015), waarvan de regels thans zijn opgenomen in de Interim omgevingsvergunning Noord-Brabant. Het dient als structuurvisie voor onder andere het aspect water op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het PMWP geeft de uitgangspunten aan voor het waterbeleid van waterschappen en gemeenten. Ook toetst de provincie aan de hand van dit plan of de plannen van de waterschappen in lijn zijn met het provinciale beleid. Het benutten van mogelijkheden voor infiltratie van hemelwater en het scheiden van schone en vuile waterstromen zijn algemene uitgangspunten die worden benoemd. Het plangebied is niet gelegen nabij Natura 2000-gebieden en Natte natuurparels. Bovendien is het plangebied niet gesitueerd binnen grondwaterbeschermingszones, beschermingszone innamepunten drinkwater en boringsvrije zones. 5.2.3 Gemeente Tilburg Sinds 1 januari 2008 heeft de gemeente een aantal extra zorgplichten naast de zorgplicht voor de inzameling en het transport van het stedelijk afvalwater, namelijk een hemel- en grondwaterzorgplicht.
Deze zorgplicht is verankerd in de Waterwet en verplicht gemeenten te benoemen hoe om wordt gegaan met afval-, hemel- en grondwater binnen het gemeentelijk grondgebied. Het gemeentelijk beleid is vastgelegd in de volgende beleidsdocumenten: Programma Water en Riolering 2020-2023 'Op weg naar een waterrobuust en klimaatbestendig Tilburg' Het programma Water en Riolering (hierna te noemen: PWR) laat zien dat de gemeente Tilburg terug- en vooruitkijkt en verder bouwt aan een robuust en flexibel systeem. Het PWR, in de vorige planperiode bekend als het gemeentelijk rioleringsplan (GRP) is een goed planinstrument om mee te kunnen bewegen met de trends en ontwikkelingen. Zo speelt het planinstrument meer in op ontwikkelingen als extreme neerslag door klimaatverandering, een veranderde verhouding tussen overheid en bewoners en verandering in wetgeving.
Heikant 2007, 8e herziening (Lijnsheike 8)
38
Doelen Vanuit de wettelijke watertaken is de gemeente Tilburg verantwoordelijk voor de kwaliteit van de openbare ruimte en het woon- en leefmilieu. De voorzieningen voor stedelijk afvalwater, regen- en grondwater dragen bij aan de bescherming van de volksgezondheid, droge voeten en schoon water en een schone (water)bodem. Voor de komende planperiode vertaalt de gemeente Tilburg de lange termijn visie en bijbehorende lange termijn doelstellingen door naar de volgende doelstellingen: <0000> stedelijk afvalwater: 1. doelmatige inzameling en transport van stedelijk afvalwater; 2. voorkomen van ongewenste emissies/gezondheidsrisico's en beperken overlast voor de omgeving; 3. bijdragen aan een duurzame verwerking van afvalwater; <0000> hemelwater: 1. doelmatige inzameling en verwerking van hemelwater; 2. beperken van het risico op wateroverlast; 3. beperken van de milieubelasting op bodem en oppervlaktewater; 4. bijdragen aan klimaatadaptatie; <0000> grondwater: 1. voorkomen van structurele grondwateroverlast en -onderlast, afgestemd op de functie van het gebied of object; 2. bijdragen aan gebiedsgericht grondwaterbeheer; 3. bijdragen aan klimaatadaptatie; <0000> drinkwater: 1. bijdragen aan de bescherming van drinkwatervoorzieningen; <0000> oppervlaktewater: 1. borgen berging- en ontwateringsfunctie van het stedelijk oppervlaktewater; 2.
bijdragen aan het verhogen van de waterbeleving van stadswateren; 3. bijdragen aan klimaatadaptatie. Duurzaam omgaan met afval- en hemelwater In het verleden heeft de gemeente Tilburg en het waterschap strategieën opgesteld om meer duurzaam om te gaan met afval- en hemelwater. Twee belangrijke begrippen zijn hydrologisch neutrale ontwikkeling en hydrologisch positieve ontwikkeling. Met hydrologisch neutrale ontwikkeling wordt bedoeld dat de ontwikkeling geen negatief effect heeft op de omgeving. Hydrologisch positieve ontwikkeling houdt in dat de ontwikkeling geen negatief effect heeft op de omgeving en een ontwikkeling bovendien eventueel bestaande negatieve effecten verminderd. Dit kan worden gedaan door het vasthouden van hemelwater op groene daken, bovengrondse voorzieningen aan te leggen of bergings- / infiltratievoorzieningen aan te leggen in de bodem. De strategieën zijn inmiddels gemeengoed geworden en worden beschouwd als gidsprincipes voor de komende jaren: <0000> <0000> <0000> <0000> <0000> <0000> <0000> <0000> <0000>
<0000>
het stedelijk afval- en hemelwater wordt gescheiden ingezameld en ontvlechten zo de (schone en vuile) waterstromen; er wordt gestreefd om hemelwater zoveel als mogelijk bovengronds en zichtbaar te verwerken; lozing van hemelwater afkomstig van inrichtingen op vuilwaterriolering wordt geweerd; het betrekken van kenmerken en knelpunten van zowel het regionale (stroomgebiedsbenadering) als het stedelijk watersysteem in de omgang met hemelwater; water- en waterbergingsopgaven niet afwentelen naar andere gebieden, tenzij dit doelmatig is; kiezen voor robuuste oplossingen; doelmatig en maatschappelijk kostenbewust omgaan met de aanleg en het toekomstig beheer en onderhoud van watersystemen het voorkomen van versnippering en onbeheersbare rioolvoorzieningen; het hanteren van de voorkeursvolgorde vasthouden-bergen-afvoeren voor de omgang van hemelwater: 1. vasthouden: doorlatende goten, groene daken, infiltratie in terreinverlagingen in groen, etc. 2. bergen: overtollig hemelwater eerst bergen in het stedelijk watersysteem; 3. afvoeren: het overtollige hemelwater pas naar het regionale watersysteem afvoeren bij volledige benutting van de berging; het streven naar grootschalige goed beheersbare infiltratievoorzieningen. Kleinschalige infiltratievoorzieningen worden na het einde van de levensduur niet hersteld;
Heikant 2007, 8e herziening (Lijnsheike 8)
39
<0000> <0000>
voor grondwaterbeschermingsgebieden dient het provinciaal beleid conform de gebiedsdossiers worden gevolgd; het streven naar integraal beheer van stedelijke waterobjecten.
Regenwateropgave Om het water- en rioleringssysteem toekomstbestendig te kunnen inrichten introduceert de gemeente Tilburg een regenwateropgave voor vervanging van verhard oppervlak en hanteert zij nieuwe ondergrenzen bij toename van het verhard oppervlak. De regenwateropgave verplicht tot het aanbrengen van regenwaterberging en is in lijn met de wateropgave die de waterbeheerder oplegt. Op dit moment is dat 60 mm per m². De opgave is voor de gebieden Blaak en Reeshof kleiner omdat deze gebieden, vanwege de ruim opgezette waterstructuur, al klimaatbestendig zijn ingericht. De opgave van 10 mm per m² heeft als doel om het water van de kleine buien af te vangen en toe te voegen aan de grondwatervoorraad. Met het grondwatermeetnet houdt de gemeente Tilburg een vinger aan de pols en treft zij indien nodig verbetermaatregelen om de grondwaterstand te reguleren. De gemeente Tilburg hanteert de onderstaande regels omtrent de regenwateropgave bij ontwikkelingen kleiner dan 50 m², tussen 50 m² en 150 m² en groter dan 150 m². <0000> < 50 m²: geen regenwateropgave; <0000> 50 m² - 150 m²: indien de ontwikkeling niet vergunningsplichtig is, geldt er geen regenwateropgave. Indien de ontwikkeling wel vergunningsplichtig is, geldt dat de regenwateropgave conform onderstaande tabel 1 dient te worden ingevuld; <0000> 150 m²: regenwateropgave volgens tabel 1.
Tabel 2: regenwateropgave bij vervanging / toename van verhard oppervlak in de gemeente Tilburg De opgave van 60 mm per m² heeft als doel het verwerken van extreme neerslaghoeveelheden om de kans op wateroverlast nu en in de toekomst te beperken.
5.3 Situatie plangebied Het plangebied is gelegen op de hoek Lijnsheike – Benatzkystraat te Tilburg. De locatie betreft het kadastrale perceel gemeente Tilburg, sectie T, nummer 828. Het plangebied heft een oppervlakte van 3.849 m². 5.3.1 Grondwater In de directe nabijheid van de locatie zijn geen grondwatermeetgegevens voorhanden. Derhalve is geen informatie beschikbaar over de grondwaterstand of de gemiddeld hoogste grondwaterstand. Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied. 5.3.2 Oppervlaktewateren In de directe omgeving van het plangebied zijn geen oppervlaktewaterlichamen aanwezig. 5.3.3 Bodem Het plangebied heeft een globale hoogteligging van circa 12.97 m+ NAP. Dit is af te leiden uit het Actueel Hoogtebestand Nederland (zie Figuur 9).
Heikant 2007, 8e herziening (Lijnsheike 8)
40
Figuur 9: Actueel Hoogtebestand Nederland viewer (locatie beoogde planvoornemen aangeduid met blauwe pijl) Voorts volgt uit het uitgevoerde bodemonderzoek dat de bodemopbouw op de locatie tot circa 1,5 m-mv is opgebouwd uit matig fijn zand. De bodem van circa 1,5 tot 3,3 m-mv bestaat vervolgens uit leem (matig tot sterk zandig), met daaronder wederom zand. Fijn zand kent een doorlatendheidswaarde (k-waarde) tussen de 0,5 en 15 meter per dag zoals vermeld in het Grondwaterzakboekje (Bot, 2011). Leem heeft een k-waarde van 0,05 per dag. Er is in principe infiltratie mogelijk indien de bodemopbouw een k-waarde groter dan 0,8 meter per dag heeft.
Figuur 10: uitsnede Dinoloket (locatie booronderzoek aangeduid met groene, locatie plangebied aangeduid met blauwe pijl) De provinciale kwel- en infiltratiekaart in Figuur 11 weergeeft voor het plangebied de aanduiding infiltratie. In dergelijke gebieden wordt infiltratie in principe als reëel gezien. Hierbij dient echter opgemerkt te worden dat
Heikant 2007, 8e herziening (Lijnsheike 8)
41
er geen gegevens beschikbaar zijn over de ligging van het grondwater en het gemiddeld hoogste grondwaterstand.
Figuur 11: uitsnede kwel en infiltratiekaart (plangebied aangeduid met blauwe pijl)
5.4 Waterbergingsopgave Het planvoornemen behelst de realisatie van een woningbouwontwikkeling met 5 grondgebonden woningen, 36 appartementen en 18 zorgwoningen. In de navolgende tabel worden oppervlakken weergegeven die gelden in het plangebied in de huidige en in de nieuwe situatie.
Tabel 3: Gegevens oppervlakten totale plangebied Uit het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de totale verharding afneemt met circa 1.200 m² (3.849 m² - 2.649 m²). Omdat er sprake is van een afname van het verhard oppervlak geldt vanuit het waterschap geen compensatieverplichting. Vanuit de gemeente Tilburg geldt wel een compensatieverplichting, aangezien er sprake is van vervanging van het verhard oppervlak (2.649 m²). De gemeente Tilburg hanteert voor afvoer van hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak de volgende voorkeursvolgorde: vasthouden – bergen – afvoer: <0000> vasthouden: doorlatende goten, groene daken, infiltratie in terreinverlagingen in groen, etc.; <0000> bergen: overtollig hemelwater eerst bergen in het stedelijk watersysteem; <0000> afvoeren: het overtollige hemelwater pas naar het regionale watersysteem afvoeren bij volledige benutting van de berging. 5.4.1 Afvoer hemelwater De gemeente Tilburg streeft bij nieuwe ontwikkelingen het principe hydrologisch positief ontwikkelen na. Bij vervanging van het verhard oppervlak groter dan 150 m² geldt een eis om 60 mm hemelwater per m² te verwerken op eigen terrein (2.649 x 60 mm = 158,9 m³).
Heikant 2007, 8e herziening (Lijnsheike 8)
42
De minimale bergingseis conform de aannames omtrent de toename van het verhard oppervlak bedraagt 158,9 m³. De voorkeursvolgorde dient te worden doorlopen en er dient beargumenteerd te worden voor welke optie wordt gekozen. Er liggen voldoende kansen binnen het plangebied om te voldoen aan de compensatie-eis. Uit het gemeentelijk beleid blijkt dat er wordt gestreefd om hemelwater zoveel mogelijk bovengronds en zichtbaar te verwerken. Bovengronds en zichtbaar het water te verwerken kan bijvoorbeeld door middel van verlagingen in het groen c.q. het aanleggen van wadi's. Er zijn ook andere oplossingen om te voldoen aan de compensatie-eis. Zo kan gedacht worden aan het aanleggen van infiltratiekratten, een IT-riool, zaksloten, etc. Om de compensatie-eis te verkleinen zou met betrekking tot de voetpaden binnen het plangebied gebruik kunnen worden gemaakt van halfverharding. Voorts kan gebruik worden gemaakt van groene daken of van regentonnen om enerzijds de compensatie-eis te verkleinen en anderzijds om het waterbewustzijn van de toekomstige bewoners en medewerkers te vergroten.
De meest voor de hand liggende oplossingsrichting betreft het aanleggen van één of enkele wadi's in het beoogde binnenterrein. Hiermee wordt enerzijds een eenvoudige oplossing gerealiseerd, anderzijds sluit dit aan bij het gemeentelijk beleid om hemelwater bovengronds te verwerken. De oppervlakte van de drie grootste groene vlakken in het binnenterrein bedraagt circa 420 m². Dit ruimtebeslag kan een wadi bevatten die circa 170 m³ hemelwater kan bergen, bij een diepte van 50 cm en een talud van 1:2. In de wadi dient een bovengrondse noodoverloop te worden geïnstalleerd die op het regenwaterriool is aangesloten om zo langdurige excessieve regenbuien af te kunnen voeren en wateroverlast tot een minimum te beperken. Er dient te worden voorkomen dat vuil en bladeren in de wadi terecht komen en de infiltratiecapaciteit hiermee negatief beïnvloeden. Het is dan ook af te raden boven of in de directe omgeving van de infiltratievoorziening bomen of grote struiken te planten. Daar wortels juist deze “natte plekken opzoeken” en de voorziening daardoor kan dichtgroeien en verstoppen, zodat de voorziening onvoldoende of niet meer functioneert.
Figuur 12: locatie waterberging (groene vlakken - rood omlijnd)
Heikant 2007, 8e herziening (Lijnsheike 8)
43
Om meer omgevingskwaliteit aan het binnenterrein te kunnen meegeven kan ook worden overwogen om een ondergrondse voorziening (bijvoorbeeld infiltratiekratten of een grindkoffer) aan te leggen onder de groene vakken. Indien wordt gekozen voor het aanleggen van een voorziening met bijvoorbeeld lavakorrels welke maximaal 40% van het volume aan water kunnen bergen is kan met een diepte van 1 meter 168 m³ water worden geborgen binnen de oppervlakte van 420 m². Voor beide voorzieningen geldt dat deze (ruim) boven de GHG gerealiseerd (moeten c.q. kunnen) worden. Uiteraard kan er ook voor een combinatie van oplossingsrichtingen worden gekozen. De exacte locatie, dimensionering en uitwerking van het infiltratie- en/of bergingssysteem zal in samenspraak met de gemeente nader worden bepaald. Voor alle oplossingsrichtingen geldt sowieso dat het regenwater en afvalwater gescheiden zal worden ingezameld. 5.4.2 Aandachtspunten Extreme neerslag Bij nieuwbouw is het van belang rekening te houden met de vloerpeilen zodanig dat er geen inpandige waterschade of waterschade bij omliggende bebouwing plaatsvindt bij de 70 mm/h bui uit het DPRA (Deltaplan Ruimtelijke adaptatie 2018).
Materiaalgebruik De afkoppeling van het hemelwater van het afvalwater maakt dat er in de bebouwing geen materialen gebruikt mogen worden die de grondwaterkwaliteit negatief kunnen beïnvloeden, zoals uitlogende materialen, bijvoorbeeld zink en lood. In het afwateringssysteem van de daken moeten voorzieningen worden aangebracht om vaste bestanddelen als bladeren, zand, ander sediment en dergelijke achter te houden zodat het systeem niet verstopt raakt of dicht gaat slibben na verloop van tijd. Deze voorzieningen moeten goed bereikbaar blijven, om ze regelmatig te kunnen onderhouden en reinigen. Het is niet toegestaan chemische bestrijdingsmiddelen toe te passen of agressieve reinigingsmiddelen te gebruiken op de af te koppelen verharde oppervlakken. Het is in beperkte mate toegestaan tijdens gladheid door bevriezing of sneeuwval zout als gladheidbestrijdingsmiddel op de bestrating en parkeerplaatsen e.d. toe te passen. Een alternatief kan bijvoorbeeld zand zijn. Regelmatig onderhoud van de aanvoerzijde van de voorzieningen zal noodzakelijk zijn om te garanderen dat het systeem blijft functioneren. Ook dienen standleidingen op de juiste manier te worden toegepast zodat voldoende beluchting en ontluchting van de binnenriolering is gewaarborgd en mogelijk stankoverlast wordt voorkomen.
5.5 Conclusie Een belangrijk uitgangspunt is dat de zorgplicht begint bij de burger. Bij het verzamelen van regenwater geldt dat schone en vuile waterstromen van elkaar worden gescheiden. De voorkeursvolgorde van hydrologisch neutraal ontwikkelen en hydrologisch positief ontwikkelingen wordt aangehouden door de gemeente Tilburg via de trits: vasthouden – bergen – afvoeren. Uit het vorenstaande blijkt dat voor onderhavig plangebied conform de aannames omtrent de vervanging van het verhard oppervlak sprake is van een minimale bergingseis van 158,9 m³. Aan deze opgave kan conform de voorkeursvolgorde van hydrologisch neutraal (en positief) ontwikkelen op verschillende manieren invulling worden gegeven. Uit de provinciale kwel- en infiltratiekaart kan worden gesteld dat in principe infiltratie geschikt is, wat kansen biedt voor de invulling van deze opgave. Wel dient te worden opgemerkt dat er geen gegevens beschikbaar zijn over de ligging van het grondwater en het gemiddeld hoogste grondwaterstand. Er liggen voldoende kansen binnen het plangebied om te voldoen aan de compensatie-eis. Uit het gemeentelijk beleid blijkt dat er wordt gestreefd om hemelwater zoveel mogelijk bovengronds en zichtbaar te verwerken. Bovengronds en zichtbaar hemelwater verwerken kan bijvoorbeeld door middel van verlagingen in het groen c.q. het aanleggen van wadi's.
Er zijn ook andere oplossingen om te voldoen aan de compensatie-eis. Zo kan gedacht worden aan het aanleggen van infiltratiekratten, een IT-riool, zaksloten, etc. Om de compensatie-eis te verkleinen zou met betrekking tot de voetpaden binnen het plangebied gebruik kunnen worden gemaakt van halfverharding. Voorts kan gebruik worden gemaakt van groene daken of van regentonnen om enerzijds de compensatie-eis te verkleinen en anderzijds om het waterbewustzijn van de toekomstige bewoners en medewerkers te vergroten. Het afvalwater wordt gescheiden van het hemelwater aangeboden aan de perceelgrens.
Heikant 2007, 8e herziening (Lijnsheike 8)
44
Hoofdstuk 6 Opzet planregels 6.1 Inleiding De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het opstellen van bestemmingsplannen door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen.
6.2 Standaard plansystematiek 6.2.1 Bouwvlak en erf De Tilburgse plansystematiek (en dus ook dit plan) maakt onderscheid tussen het bouwvlak en het erf. Het bouwvlak komt in principe bij alle bestemmingen voor. Uitzondering zijn de bestemmingen binnen het openbaar gebied. Indien geen bouwvlak is aangegeven, bepalen de planregels soms dat het gehele bestemmingsvlak geacht wordt bouwvlak te zijn. Hoofdgebouwen moeten binnen het bouwvlak worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen er eveneens worden gebouwd, uiteraard slechts voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Soms mag het bouwvlak volledig worden volgebouwd, soms niet. Het eerste blijkt normaliter uit de planregels, het tweede wordt in de regel op de verbeelding weergegeven met een maatvoeringsaanduiding. In het erf mogen geen hoofdgebouwen worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn wel toegestaan, voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Het erf komt met name voor bij woningen en bebouwing langs de linten. Binnen het onbebouwd erf (perceel minus bouwvlak en minus erf) beperken de bouwmogelijkheden zich over het algemeen tot hetgeen vergunningsvrij mag worden gebouwd en enkele bouwwerken, geen gebouwen zijnde (denk vooral aan erfafscheidingen).
6.2.2 Bouwdiepte De bouwdiepte is gerelateerd aan de dieptemaat van het betreffende bouwblok c.q. de bouwstrook. De Tilburgse standaardbouwdiepte bedraagt voor woningen 12 meter. In specifieke - bijvoorbeeld historisch zo gegroeide situaties - kan hiervan worden afgeweken. 6.2.3 Bouwhoogte De volgende gebiedstypen worden onderscheiden, waarbij het onderscheid wordt gevormd door een verschillende maximale bouwhoogte: 1. structuurvisie Linten oude stad, onderverdeeld in: 1. bedrijvige linten; 2. rustige linten; 3. hoofdstructuur nieuwe gebieden; 4. overige gebieden. Ingevolge de 'Structuurvisie Linten in de oude stad' is, zowel binnen bedrijvige linten als rustige linten, de maximaal toelaatbare hoogte 11 m. Langs de 'Hoofdstructuur nieuwe gebieden' is een bouwhoogte van maximaal 15 m toelaatbaar, terwijl in de overige gebieden maximaal 10 m is toegestaan. Bij afwijkende woningtypes en bijzondere situaties wordt van deze hoogteregels afgeweken en ´op maat´ bestemd. Met name vanwege het niet stedelijke karakter gelden voor de dorpen afwijkende maten die opgenomen zijn binnen de afzonderlijke bestemmingen: Wonen - 1, Wonen - 2 en Wonen - 3. Ook in het buitengebied en op bedrijventerreinen geldt een afwijkende regeling.
Heikant 2007, 8e herziening (Lijnsheike 8)
45
Figuur 13: Structuurbeeld Plansystematiek 6.2.4 Goothoogte De toegelaten hoogte is in het algemeen gerelateerd aan de afstand tot de meest nabije gevels. In de meeste gevallen komt dit neer op een goothoogte die gelijk is aan de bouwhoogte. In de regels wordt de goothoogte dan ook meestal gelijk gesteld aan de bouwhoogte, tenzij op de verbeelding met een maatvoeringsaanduiding een andere goothoogte wordt weergegeven. Bij afwijkende woningtypes en in bijzondere situaties wordt van deze hoogteregels afgeweken en ´op maat´ bestemd. In het buitengebied gelden ten aanzien van goothoogten andere regels, die een lagere maximale goothoogte met zich brengen. 6.2.5 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen Tenzij anders weergegeven is de volgende regeling van kracht voor woningen in stedelijk gebied: a. oppervlakte: 1. 20 m2 indien erf kleiner is dan 50 m2; 2. 40% van erf met maximum van 60 m2 bij erf tussen de 50 m2 en 500 m2; 3. 80 m2 bij erf tussen de 500 m2 en 1000 m2; 4. 100 m2 bij erf vanaf 1000 m2; b. bouwhoogte: 1. maximaal 3 m bij plat dak; 2. bij schuin dak goothoogte maximaal 3 m; 3. bouwhoogte maximaal 4,5 m. N.B: op grond van de (landelijke) wettelijke regels voor vergunningsvrij bouwen, kan er vaak meer gerealiseerd worden dan de bovenstaande standaardregeling doet vermoeden.
Deze regeling maakt deel uit van de plansystematiek, omdat het Tilburgse 'erf' en het in het Besluit omgevingsrecht gedefinieerde 'achtererfgebied' niet noodzakelijkerwijs samenvallen. In het buitengebied geldt voor bijgebouwen bij woningen dat de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen bij een woning mag niet meer bedragen dan: a. 75 m² op bouwpercelen, kleiner dan 1000 m²; b. 150 m² op bouwpercelen, groter dan of gelijk aan 1000 m², doch kleiner dan 5000 m²; c. 200 m² op bouwpercelen, groter dan of gelijk aan 5000 m²; terwijl de goothoogte maximaal 3m en bouwhoogte maximaal 6 m mag bedragen.
6.3 Bestemmingen en aanduidingen In het bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen aanwezig: <0000> Verkeer – Verblijf <0000> Wonen <0000> Waarde – Archeologie <0000> Waarde – Cultuurhistorie
Heikant 2007, 8e herziening (Lijnsheike 8)
46
Binnen deze bestemmingen zijn de volgende aanduidingen gebruikt: <0000> dienstverlening <0000> erf <0000> zorgwoning <0000> aaneengebouwd <0000> gestapeld <0000> maximum aantal wooneenheden <0000> maximum bouwhoogte <0000> maximum goothoogte
6.4 Bouw- en gebruiksregels Bouwregels De bouwregels bevatten een uitgebreide regeling ten aanzien van het oprichten van gebouwen en overige bouwwerken in het plangebied (bouwvlak, erf, bouwhoogte, regeling bijgebouwen etc.). Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt in bouwregels voor (hoofd)gebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bouwwerken van algemeen nut. Gebruiksregels Bij de meeste bestemmingen worden regels omtrent het gebruik van gronden en bouwwerken gegeven, al dan niet aangevuld met een aantal afwijkingsmogelijkheden, wisselend per bestemming. Wijzigingsbevoegdheid Een aantal bestemmingsartikelen is aangevuld met een wijzigingsbevoegdheid t.a.v. bepaalde functies.
Heikant 2007, 8e herziening (Lijnsheike 8)
47
Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid Artikel 3.1.6. van het Bro bepaalt dat in een vast te stellen bestemmingsplan een toelichting moet worden opgenomen, waarin (o.a.) de inzichten staan over de uitvoerbaarheid van het plan. Het onderhavige plan bevat een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De grondexploitatiewet (afdeling 6.4 van de Wro) is om die reden van toepassing en in beginsel is dus een exploitatieplan vereist. Gelet op het bepaalde in artikel 6.12 lid 2 van de Wro hoeft in casu echter geen exploitatieplan te worden opgesteld. Doordat met initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst is gesloten, is het verhaal van kosten die de gemeente moet maken 'anderszins verzekerd' door die overeenkomst. Met betrekking tot de gemeentelijke plan- en apparaatskosten ten behoeve van het opstellen van dit plan zijn door de initiatiefnemer leges betaald. Daarnaast is met de initiatiefnemer een overeenkomst inzake het verhaal van tegemoetkomingen in planschade gesloten. In deze overeenkomst is bepaald dat schade als gevolg van dit bestemmingsplan, die op grond van afdeling 6.1. Wro voor vergoeding in aanmerking komt, zal worden vergoed door de initiatiefnemer. Gelet op het voorgaande is het plan economisch uitvoerbaar.
Heikant 2007, 8e herziening (Lijnsheike 8)
48
Hoofdstuk 8 Omgevingsdialoog en vooroverleg 8.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieueffectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan “Heikant 2007, 8e herziening (Lijnsheike 8)” op 28 februari 2020, gepubliceerd in het Gemeenteblad.
8.2 Omgevingsdialoog De initiatiefnemer is voornemens geweest om ter uitvoering van het bepaalde in de Richtlijn Omgevingsdialoog een informatieavond te houden voor omwonenden voor het geven van een toelichting op de aard en het doel van het voorliggende bestemmingsplan. Vanwege geldende maatregelen met betrekking tot het terugdringen van fysiek contact in verband besmettingsrisico's (COVID-19) is gekozen om omwonenden per brief te informeren over het planvoornemen. Hen is de gelegenheid geboden om per mail vragen in te sturen over het voornemen. Daarnaast bestond de mogelijkheid om nadere vragen telefonisch te stellen. De ingestuurde vragen zijn samengevat en gezamenlijk schriftelijk beantwoord. De initiatiefnemer heeft medio 2020 een keukentafelgesprek gevoerd met bewoners van Leharstraat 101 en 107 en op 19 juni 2021 met bewoners van Lijnsheike 4, 6 en 7. De gegevens met betrekking tot de omgevingsdialoog zijn in bijlage 15 gevoegd.
Heikant 2007, 8e herziening (Lijnsheike 8)
49
Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1 Verslagen Omgevingscommissie Verslagen omgevingscommissie
Bijlage 2 Notitie windklimaat Lijnsheike 8a te Tilburg Notitie windklimaat Lijnsheike 8a te Tilburg
Bijlage 3 Bezonningsstudie Lijnsheike 8 + aanvulling Lijnsheike 7 Bezonningsstudie Lijnsheike 8 + aanvulling Lijnsheike 7
Bijlage 4 Archeologie Rapportage Tilburg Lijnsheike 8-8a Archeologie Rapportage Tilburg Lijnsheike 8-8a
Bijlage 5 Boomwaardekaart Boomwaardekaart
Bijlage 6 Rapport parkeren Rapport parkeren
Bijlage 7 Aanmeldnotitie m.e.r. Lijnsheike Tilburg Aanmeldnotitie m.e.r. Lijnsheike Tilburg
Bijlage 8 Stikstofdepositieberekening Lijnsheike Stikstofdepositieberekening Lijnsheike
Bijlage 9 Quickscan externe veiligheid Quickscan externe veiligheid
Bijlage 10 Standaardadvies Brandweer 2020 Standaardadvies Brandweer 2020
Bijlage 11 Rapportage akoestisch onderzoek Rapportage akoestisch onderzoek
Bijlage 12 Bodemonderzoeken (verkennend en aanvullend) Bodemonderzoeken (verkennend en aanvullend)
Bijlage 13 Quickscan flora en fauna Quickscan flora en fauna
Bijlage 14 Vervolgonderzoek flora en fauna Vervolgonderzoek flora en fauna
Bijlage 15 Bewonersbrieven en gespreksverslagen Bewonersbrieven en gespreksverslagen
Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1 Verslagen Omgevingscommissie Verslagen omgevingscommissie
Omgevingscommissie Gemeente Tilburg
Verslag van de vergadering van 3 juli 2019 in Het Laken aan de Hart van Brabantlaan. Aanwezig:
Chris Vanderheyden, voorzitter Liesbeth Brink Theo Mathijssen Maarten Raaijmakers Hettie Peterse Coen van Barneveld, secretaris Renske Aben, ambtelijke ondersteuning
Voor adviezen zie bijlage: Adviesdeelzaken&vergaderingen
Commissie Informeel, besloten deel B. Kennis en A. Zborowska Woningbouwplan Lijnsheike 2019-02589 CvB/VC Vooroverleg De commissie kan zich in beginsel vinden in de nu voorgestelde stedenbouwkundige hoofdopzet. De individuele woningen die voorzien zijn van een kap voegen zich goed in de schaal van het lint (Lijnsheike) Het hogere volume (pakhuis) staat nu in de tweede linie (bezien vanuit het Lijnsheike). Dat is passend in de Tilburgse fabriekstypologie. De commissie raadt aan om in het lint alleen woningen met langskap toe te passen (niet drie lagen plat). Het hoekaccent is al prominent genoeg aanwezig. Het pakhuis zou nog verder verzelfstandigd kunnen worden (onderzoeken van een verschuiving in noordoostelijke richting) en de overgang naar de Benatzkystraat vergt nog nadere studie. De architectonische uitwerking luistert nauw. Rust, passend in de context en reagerend op de nu voorgestelde typologie. De commissie verwijst voor nadere informatie naar het gespreksverslag. Gespreksverslag De heer Kennis en mevrouw Zborowska (Wolfs architecten) zijn in de vergadering aanwezig om met de commissie informeel van gedachten te wisselen over een woningbouwopgave aan het Lijnsheike. Naar aanleiding van de vorige bespreking is het stedenbouwkundige model geheel herzien. In samenwerking met de stedenbouwkundige van de gemeente is een nieuw model ontwikkeld.
Uitgangspunten zijn het verlengen van de Benatzkystraat en deze aansluiten op Lijnsheike. Aan het Lijnsheike worden particuliere woningen voorgesteld met een wisselende breedte en een wisselende hoogte (1,5 tot 2 lagen met kap en 3 lagen plat). Er is sprake van een hoekblok voor de zorgwoningen, een plint aan de Benatzkystraat en een terugliggend hoger volume met appartementen (pakhuistypologie). De heer Kennis en mevrouw Zborowska gaan nog kort in op het ontwerp en het programma. De commissie reageert als volgt: De commissie kan zich, op hoofdlijn, vinden in de nu voorgestelde stedenbouwkundige opzet. De gekozen typologie is in de basis passend in deze straatwand. Het is te waarderen dat het plan op deze manier geheel opnieuw is bekeken. In die zin spreekt de commissie de complimenten uit voor de vernieuwde aanpak. Dat betekent nog niet dat er nu al een kant en klaar stedenbouwkundig plan ligt. De commissie heeft op een aantal aspecten vragen en opmerkingen die nog nadere studie vragen. Het gaat hierbij om: De variatie in de lintbebouwing
-1-
Karakteristiek van het lint is de een- of tweelaagse bebouwing met kap. Het voorstel voor een drielaags plat volume maakt de rij woningen onnodig onrustig. Geveloptrekkingen komen voor, maar zijn vaak ingrepen uit latere perioden. Veelal verstoren deze de continuïteit in goot- en noklijn. De commissie vindt dat met het hoekaccent al voldoende aandacht wordt gevestigd op de stedenbouwkundige ingreep. Rust in de gevelwand legitimeert de prominentie van het hoekaccent. Voor de uitwerking van de individuele woningen raadt de commissie aan de straatwand te analyseren. Nieuwbouw zou het stadsgezicht moeten versterken. Daarvoor kan inspiratie worden gezocht binnen de traditionele gevelopbouw. Het pakhuis (en de plint daarvan) De commissie kan zich vinden in de hoofdopzet maar adviseert de positie nog nader te bestuderen. Wellicht is een verschuiving in noordoostelijke richting mogelijk waardoor het gebouw iets losser komt van de Benatzkystraat. Ook is het de vraag op de bergingen op de juiste plaats liggen (uitzicht vanuit het gebouw en beleving van ruimte). De overgang naar de Benatzkystraat vraagt nog om nadere studie. Is in de straatwand een lage kap mogelijk (zie bijvoorbeeld Maasbaai in Middelburg). De gevelwand aan de Benatzkystraat vraagt om meer studie. Definiëren van de verschillende elementen in massa en in architectonische uitwerking.
Het is essentieel dat er een zekere rust bewaard blijft in de architectonische uitwerking. Het huidige voorstel m.b.t. het trappenhuis stemt niet hoopvol. Is het mogelijk dit interieur op te lossen of aan de achterzijde? De commissie raadt aan e.e.a. ook met de gemeente te bespreken i.k.v. de noodzakelijke bestemmingsplanprocedure.
Om 14.30 uur sluit de voorzitter de vergadering.
Aldus vastgesteld op 8 juli 2019,
de voorzitter,
de secretaris,
-2-
Omgevingscommissie Gemeente Tilburg
Verslag van de vergadering van 17 juli 2019 in Het Laken aan de Hart van Brabantlaan. Aanwezig:
Chris Vanderheyden, voorzitter Liesbeth Brink Theo Mathijssen Maarten Raaijmakers Coen van Barneveld, secretaris Rien Grassens, plv. secretaris Renske Aben, ambtelijke ondersteuning
Voor adviezen zie bijlage: Adviesdeelzaken&vergaderingen
Commissie Informeel, besloten deel Zborowska en Kennis Woningbouwplan Lijnsheike 2019-02589 VC/RG Vooroverleg De commissie is blij verrast door de nieuwe volumestudie. De platte daken, die het ontwerp nodeloos onrustig maakten, zijn nu verdwenen. De nieuwe volumestudie sluit aan bij de karakteristieken van het beschermd stadsgezicht. Het is van belang dat het hoekpand in de uitwerking echt twee overtuigende kappen houdt. Verder is de commissie benieuwd naar de uitwerking van de aanbouw aan het grote volume aan de Benatzkystraat. De nadere studie geeft de commissie voldoende vertrouwen om positief te adviseren over het opstarten van de planologische procedure. Ze verwijst voor haar reactie en enkele aandachtspunten naar het gesprekverslag. Gesprekverslag Mevrouw Zborowska en de heer Kennis (Wolfs architecten), mevrouw Suijkerbuijk en de heer Evers (gemeente) zijn in de vergadering aanwezig om met de commissie informeel (besloten) van gedachten te wisselen over een woningbouwopgave aan het Lijnsheike. Dit onderwerp is eerder besproken in de vergadering van 3 juli 2019. De locatie ligt binnen het beschermde stadsgezicht Oude Heikant. De heer Kennis en mevrouw Zborowska gaan in op het gewijzigde ontwerp, dat in overleg met de gemeente tot stand is gekomen. De belangrijkste wijzigingen zijn: x Het volume van drie bouwlagen aan het Lijnsheike is als langskap ontworpen.
x Het hoekblokje is minder lang en een laag hoger met kappen. x Het ‘pakhuis’ is minder breed en verplaatst, waardoor er zicht is op de kop vanuit van het gebouw vanuit het Lijnsheike. x De dakterrassen aan de Benatzkystraat zijn dieper. x De bergingen zijn verplaatst, wat mogelijkheden biedt een tuinsfeer te realiseren. x De trappenhuizen worden achter, of inpandig gerealiseerd. De commissie reageert als volgt: - De commissie is heel blij met de doorgevoerde wijzigingen en kan zich vinden in de nu voorgestelde stedenbouwkundige opzet. Zij is van mening dat de gekozen typologie op deze wijze overtuigend kan worden ingepast in de straatwand en het beschermde stadsgezicht. Zij is erg benieuwd naar de verdere uitwerking en geeft een aantal aandachtpunten mee:
-1-
-
-
De platte aanbouw aan het ‘pakhuis’ aan de Benatzkystraat doet enigszins afbreuk aan het verder zeer geslaagde dakenlandschap. Er worden meerdere suggesties gedaan, waaronder het inzetten van een hellende lijn bij de terrasschermen (en de kopgevels van de aanbouw). De commissie vraagt dit verder te onderzoeken. Het is van belang dat het hoekpand in de uitwerking twee echte kappen houdt en niet een plat dak met dakschilden wordt. Deze daken verdragen overigens geen dakkapellen. Ook het dakvlak van het ‘pakhuis’ dient in de uitwerking geloofwaardig te blijven en voldoende rust uit te stralen.
De commissie is benieuwd naar de vervolgstappen.
Om 14.30 uur sluit de voorzitter de vergadering.
Aldus vastgesteld op 22 juli 2019,
de voorzitter,
de secretaris,
-2-
Bijlage 2 Notitie windklimaat Lijnsheike 8a te Tilburg Notitie windklimaat Lijnsheike 8a te Tilburg
Actiflow BV Tramsingel 1 4814 AB Breda Nederland Tel + 31 (0) 765 422 220 contact@actiflow.com www.actiflow.com KvK NL: 27274083 BTW/VAT: NL814178285B01 IBAN: NL43 RABO 0313 6887 45 BIC: RABONL2U
Datum:
2 februari 2021
Onderwerp:
Lijnsheike 8a te Tilburg Kwalitatieve beschouwing windklimaat
Men is voornemens aan de Lijnsheike 8a te Tilburg nieuwbouw te realiseren. Deze nieuwbouw vervangt bestaande bebouwing en is gelegen in een residentieel gebied met hoofdzakelijk laagbouw van 2 tot 3 bouwlagen. Actiflow is gevraagd een kwalitatieve beoordeling van het windklimaat te geven. Hierbij wordt op basis van de vormgeving van de bestaande en nieuwe situatie een inschatting gegeven van de mogelijke wijziging van het windklimaat.
Situatie In de bestaande situatie is een deel van het perceel bebouwd, zie figuur 1. Deze bebouwing bestaat uit enkele loodsen/bedrijfshallen en kantoren met een hoogte van ca. 4 tot 6 m. Aan de zuidzijde grenst de locatie aan de Benatzkystraat en aan de westzijde aan de Lijnsheike. De noord- en oostzijde van het perceel grenzen aan naastgelegen bebouwing of private buitenruimten, zoals tuinen en een parkeerterrein. In de nieuwe situatie worden enkele grondgebonden woningen gerealiseerd en een aantal appartementen, zie figuur 2. Aan de Lijnsheike krijgen deze een hoogte van 3 bouwlagen en ca. 10 m. Aan de Benatzkystraat worden dit maximaal 6 bouwlagen tot een hoogte van ca. 19 m.
– Pagina 1/3 –
Figuur 1. Impressie van de bestaande situatie (bron: GoogleMaps) met de nieuwbouw locatie in blauw
Figuur 2. Impressie van de toekomstige situatie (bron: Wolfs architecten)
Lokaal windklimaat Het lokale windklimaat wordt in belangrijke mate bepaald door de overheersende zuidwestelijke windrichting. In de bestaande situatie zal wind vanuit het zuidwesten aan komen stromen over de laagbouw ten zuidwesten van het plangebied. Aangezien de hoogte van de bestaande bebouwing op het perceel gelijkaardig of lager is dan de omliggende bebouwing, zal de wind hier grotendeels overheen stromen zonder obstructies tegen te komen en te versnellen naar het voetgangersgebied. Daarentegen kan de wind op deze manier relatief eenvoudig de private buitenruimten ten noorden en oosten van het perceel bereiken. In de nieuwe situatie is de bouwhoogte aan de Lijnsheike niet significant anders dan de bestaande bebouwing. Dit zal op de Lijnsheike dan ook niet tot een significante wijziging van het windklimaat leiden.
– Pagina 2/3 –
De bebouwing op de hoek van de Lijnsheike en de Benatzkystraat en de nieuwe bebouwing in de Benatzkystraat leidt tot een toename van het bouwvlak, bouwvolume en de bouwhoogte. Hier mag verwacht worden dat wind vanuit het zuidwesten tegen de hogere gevel van de appartementen aan de Benatzkystraat komt en hier naar beneden wordt geleid. Door de setback die hier aanwezig is, zal de wind op het dak van de plint vallen en niet op voetgangersniveau komen. Een kleine toename van wind in de Benatzskystraat wordt dan ook verwacht, maar dit zal naar verwachting niet leiden tot een onacceptabel windklimaat met hinder of gevaar. Door bovengenoemd effect vangt de nieuwbouw wind vanuit het zuidwesten op, waardoor het minder kans heeft om naar de private buitenruimten van de aangrenzende percelen aan de noord- en oostzijde te stromen. Hierdoor wordt verwacht dat het windklimaat in deze tuinen luwer en hiermee comfortabeler zal worden.
Conclusie Op basis van bovenstaande analyse kan gesteld worden dat het inpassen van de nieuwbouw aan de Lijnsheike 8a niet zal leiden tot een onacceptabele situatie in relatie tot wind op voetgangersniveau. Verwacht wordt dat het windklimaat op de Lijnsheike niet significant zal wijzigen. In de Benatzkystraat wordt een toename van wind verwacht, maar door de aanwezige setback in de nieuwbouw zal dit niet leiden tot hinder of gevaar. Daarbij wordt een verbetering van het windklimaat verwacht in de private buitenruimten ten noorden en oosten van de nieuwbouw.
Hoogachtend, ir. Reinier Maas
– Pagina 3/3 –
Bijlage 3 Bezonningsstudie Lijnsheike 8 + aanvulling Lijnsheike 7 Bezonningsstudie Lijnsheike 8 + aanvulling Lijnsheike 7
Bezonningsstudie Lijnsheike 8 Gemeente Tilburg Concept
colofon
projectnaam Bezonningsstudie Lijnsheike 8 datum maandag 8 februari 2021 projectnummer P03349 opdrachtgever De Essentie BRO projectleider BC bron kaft Bernard Hermant
BRO Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl www.bro.nl
“Succes komt als je het lef hebt ergens aan te beginnen.” Mansal
Inhoudsopgave
Samenvatting
Samenvatting Conclusie onderzoek bezonning perceel Conclusie onderzoek bezonning gevelopeningen Algemene conclusie
3 3 3 3
1
Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Voorbehoud 1.3 Bronnen 1.4 Onderzochte onderdelen
4 4 4 4 4
2
Achtergrond en systematiek 2.1 Bezonning perceel
6 6
2.2
7
3
4
2.1.1 2.1.2 2.1.3
Bepaling en definiëring zones Bepaling onderzoeksgebied BRO Richtlijn
2.2.1
Meetpunten
Bezonning gevelopening
6 6 6 7
Onderzoek bezonning perceel 3.1 Onderzoeksgebied 3.2 Resultaten
8 8 9
3.3
Conclusie en aanbevelingen
9
Onderzoek bezonning gevelopeningen 4.1 Meetpunten 4.2 Normering 4.3 Resultaten
10 10 10 11
4.4
11
3.2.1 3.2.2 3.2.3
4.3.1 4.3.2 4.3.3
Bestaande feitelijke situatie Nieuwe feitelijke situatie Nieuwe planologische situatie
Bestaande feitelijke situatie Nieuwe feitelijke situatie Nieuwe planologische situatie
Conclusie en aanbevelingen
9 9 9
11 11 11
Bijlage 1 - Resultaten peilmomenten bezonning perceel
12
Bijlage 2 - Afbeeldingen peilmomenten bezonning perceel
22
maandag 8 februari 2021
Conclusie onderzoek bezonning perceel
Alle percelen en zonnepanelen behouden gemiddeld genomen voldoende bezonning. De norm wordt door alle onderzochte percelen of zonnepanelen ruimschoots overschreden. De afname van bezonning is daarnaast relatief klein te noemen. Bovendien is de afname van bezonning met name in de wintermaanden, de maanden waar doorgaans weinig gebruik wordt gemaakt van de bezonning op het eigen perceel. De afname van bezonning op de zonnepanelen treedt op in de uren waarin de zon minder sterk is, namelijk in de ochtend. Er kan daarom worden gesteld dat de beoogde nieuwbouw geen onredelijke afbreuk doet aan het woongenot van de bewoners van de onderzochte onderdelen. Voor perceel Leharstraat 101 neemt de bezonning zelfs toe.
Conclusie onderzoek bezonning gevelopeningen
De gevelopeningen van Lijnsheike 1-3, 7, 9, 11 en 17 ondervinden een grote afname van bezonning. Met een tekort van 36 minuten voldoet de gevelopening van Lijnsheike 7 niet meer aan de norm voor een voldoende bezonning. Daarentegen behalen de overige gevelopeningen met een achteruitgang alsnog ruimschoots een voldoende bezonning met een marge van minimaal 36 minuten. Hoewel de norm voor één gevelopening niet wordt behaald en de afname van het aantal zonuren groot is voor een aantal percelen, zijn de gevolgen niet dermate groot dat de beoogde bebouwing het woongenot van de bewoners ingrijpend verminderd. De norm wordt immers behaald door 7 van de 8 gevelopeningen.
Algemene conclusie
Zowel op basis van het onderzoek naar bezonning van percelen, zonnepanelen als gevelopeningen kan gesteld worden dat er geen dermate grote achteruitgang van bezonning is dat er onredelijke afbreuk van woongenot plaatsvindt. Om die reden is het te verantwoorden de verandering van planologische situatie, en daarmee beoogde bebouwing, goed te keuren.
3
Inleiding Bezonningsstudie Lijnsheike 8
1
Inleiding
1.1
Aanleiding
Aan Lijnsheike te Tilburg is het voornemen om sloopwerkzaamheden te verrichten en nieuwbouwwoningen te realiseren in de vorm van grondgebonden- en gestapelde woningen. Ter plaatse ven de nieuwbouw is in de bestaande situatie bebouwing aanwezig. De bestaande bebouwing bestaat uit samengestelde volumes waar voorheen een winkel was gevestigd. Het onderzoek richt zich in de eerste plaats op het inzichtelijk maken van de verandering van bezonning op naast gelegen percelen, gevelopeningen en zonnepanelen, als gevolg van het voornemen om nieuwbouw te realiseren. Om de verandering van bezonning inzichtelijk te maken worden de volgende situaties met elkaar vergeleken: • Bestaande feitelijke situatie • Nieuwe feitelijke situatie • Nieuwe planologische situatie De bestaande planologische situatie is gelijk aan de bestaande feitelijke situatie. De nieuwe planologische situatie biedt een minimaal verschil ten opzichte van de nieuwe feitelijke situatie, de bouwhoogte is namelijk hoger. De planologische regelgeving ter plaatse bepaalt de bouwmogelijkheden van een gebouw en dus de maximaal mogelijke schaduweffecten op de te onderzoeken onderdelen.
1.2
Voorbehoud
De getoonde bezonningsstudie is een indicatie van de werkelijke schaduwwerking van gebouwen in de omgeving. Verschillende maatafwijkingen, beplantingen, erfafscheidingen of omgevingsfactoren in de feitelijke situatie kunnen een andere bezonning tot gevolg hebben. Erfbeplanting en -afscheidingen worden niet meegenomen, aangezien de afmetingen en positionering van deze elementen veelal niet exact bepaald maandag 8 februari 2021
kan worden. De gebouwen zijn zo nauwkeurig mogelijk in 3D ingetekend op basis van diverse bronnen zoals digitaal kaartmateriaal, Google Streetview beelden en (lucht)foto’s. Hierdoor is onderlinge afwijking in nauwkeurigheid onvermijdelijk. Het 3D model voor de nieuwe feitelijke situatie is aangeleverd door Wolfs Architecten. De geografische locatie van het plangebied is 51°35’09.2”N - 5°05’15.5”E. Voor deze studie is gebruik gemaakt van het programma Google SketchUp Pro 2020.
1.3
Bronnen
Voor het uitvoeren van deze studie is gebruik gemaakt van navolgende gegevens en bestanden, verkregen van de benoemde instanties: • digitale ondergrond van de projectlocatie, BGT, afkomstig van PDOK; • luchtfoto afkomstig van PDOK; • kadastrale kaart afkomstig van PDOK; • verbeelding vigerend bestemmingsplan Heikant 2007 (p_NL.IMRO.085500002005017-), afkomstig van Ruimtelijkeplannen; • verbeelding voorontwerp bestemmingsplan Lijnsheike 8 (NL.IMRO.0855BSP2020000-a001), van 04-11-2020, afkomstig van BraGIS; • regels voorontwerp bestemmingsplan Lijnsheike 8 (201113 - r.3_NL.IMRO.0855.BSP2020000-a001), afkomstig van De Essentie; • 3D model van nieuwe feitelijke situatie (1812_Situatie), ontvangen op 15-01-2021, afkomstig van Wolfs Architecten.