CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

09 Toelichting OBP Lijnsheike 8_pdf

Raadsvergadering 13 maart 2023, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel BP Heikant 2007, 8e herziening (Lijnsheike 8)45.739 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Heikant 2007, 8e herziening (Lijnsheike 8)

18

De onderhavige ontwikkeling betreft het bouwen in een woonwijk laagbouw woonmilieu. Met name de appartementen zijn woningen in een gewenst huursegment te weten sociaal (18) en middeldure huur. Door daarnaast een deel van de woningen (9) te realiseren voor beschermd wonen wordt ook voor één van de groepen die moeite hebben met het vinden van goede en betaalbare huisvesting gedeeltelijk in de vraag voorzien. De grondgebonden koopwoningen voorzien eveneens in een behoefte. Politiekeurmerk Veilig Wonen Het Politiekeurmerk Veilig Wonen (PkVW) is een keurmerk dat afgegeven wordt voor woningen, complexen en buurten die voldoen aan een voorgeschreven pakket van eisen rond inbraak- en brandpreventie, sociale veiligheid en leefbaarheid. Als uitgangspunt voor alle nieuwbouwprojecten in Tilburg geldt dat het Politiekeurmerk dient te worden toegepast en dat certificering plaatsvindt, zowel op woningniveau als op het niveau van de woonomgeving.

3.5 Groen en speelruimte 3.5.1 Bomenbeleid Tilburg Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Om er niet te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Daarom zijn onderstaande documenten vastgesteld: <0000> Bomenverordening 2017 <0000> Beoordelingscriteria houtopstanden <0000> Nota 'overige houtopstanden' <0000> Boomwaarde zoneringskaart 2017 <0000> Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen Deze documenten samen vormen het bomenbeleid van de gemeente Tilburg. Bomenverordening De Bomenverordening Tilburg 2017 biedt het particuliere en het gemeentelijke bomenbestand bescherming door middel van een velverbod met bijbehorende regels. Boomwaarde zoneringskaart 2021 (BWZ-kaart) Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare en particuliere houtopstanden binnen de gemeente Tilburg.

Op de BWZ-kaart krijgen bomen een waarde toegekend; zones met houtopstanden met een klimaat-, eco-, hoofd-, neven- of basiswaarde en daarnaast is er de Buiten-zone. Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a. met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen (bescherming tegen vellen), herplantplicht en straatbeeld. Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen (GLMB) Het hebben van een GLMB zorgt ervoor dat deze bomen voldoende juridische bescherming hebben via de Bomenverordening Tilburg 2007. Daarnaast krijgen deze bomen de hoogste prioriteit bij beheer en onderhoud. Maatregelen in bestemmingsplan De BWZ-kaart dient gebruikt te worden als basis bij alle nieuwbouw-, herontwikkelings- of herstructureringsplannen waar bestaande houtopstanden mee gemoeid zijn. In het bestemmingsplan wordt de BWZ-kaart aangeduid als Boomwaardekaart. Bomen met een eco- en hoofdwaarde en monumentale bomen zijn op deze bijlagekaart opgenomen, de Boomwaardekaart van de planlocatie is bijgevoegd als bijlage 5. De juridisch-planologische bescherming bestaat uit een bouwverbod en een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen een straal van 15 meter uit het hart van de desbetreffende boom. In het plangebied staan 7 kapvergunning plichtige bomen welke gecompenseerd moeten worden.

Met het verlengen van de Benatzkystraat worden diverse bomen binnen het (toekomstige) openbare gebied aangeplant. Ook bij de inrichting van de binnentuin wordt rekening gehouden met de aanplant van nieuwe bomen. Beschermwaardige bomen met klimaatwaarde komen alleen voor binnen de Ringbanen. De

Heikant 2007, 8e herziening (Lijnsheike 8)

19

planlocatie aan de Lijnsheike 8 is gelegen buiten de Ringbanen. Dit houdt in dat er geen sprake is van beschermwaardige bomen met een klimaatwaarde. 3.5.2 Nota Groen De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is. Tilburg moet in 2020 een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon- en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente. Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen. Op hoofdlijnen betekent dit: 1. Inzet op buitenstedelijke groengebieden en het groene netwerk; 2. het tot zijn recht laten komen van de verschillende karakters van het groen (klassiek-, recreatief- en natuurlijk groen); 3. het versterken en behouden van het natuurlijk groen. In 2012 is het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit vastgesteld. 3.5.3 Nota biodiversiteit Biodiversiteit omvat de totale verscheidenheid van alle levende planten en dieren op aarde.

De biodiversiteit neemt wereldwijd af. Het doel van de nota is de biodiversiteit in de gemeente Tilburg te verhogen en beter te beschermen. De visie is gericht op twee niveaus. Het eerste niveau is de flora & fauna, het tweede niveau is gericht op de mensen. Voor de flora en fauna wordt ingestoken op drie strategieën, namelijk vergroten, verbinden en versterken. Voor de realisatie van duurzame habitatnetwerken zal vaak gekozen worden voor een combinatie van deze strategieën. In de eerste plaats is dat het vergroten van leefgebieden. In de tweede plaats kan een duurzaam netwerk ontstaan door gelijksoortige leefgebieden met elkaar te verbinden. Tenslotte kan ingezet worden op het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden. Voor de mensen is natuurbeleving vooral ook van belang in de stad. Door middel van de groene lijnen en de groene gebieden in de stad, kunnen we dicht bij huis ook genieten van de natuur. Als de groene lijnen en groene gebieden helemaal op orde zijn kunnen de planten en dieren tot in de tuin of op het balkon waargenomen worden. In de nota worden vijf verschillende landschapstypen onderscheiden (agrarisch landschap, beekdallandschap, heide- en boslandschap, landgoederenzone en stedelijk gebied). Per landschapstype wordt een algemene beschrijving gegeven met bijbehorende doelstellingen, maatregelen en knelpunten. Doelstellingen nota biodiversiteit 1.

De achteruitgang van de biodiversiteit stoppen vanaf 2010, voor het buitengebied én het bebouwde gebied. In het voorjaar van 2010 is met een nulmeting bepaald aan de hand van de flora en faunagegevens die voor handen zijn. Hierna kan jaarlijks de verandering in de biodiversiteit worden bijgehouden. 2. Biodiversiteit 'tot aan de voordeur'. Biodiversiteit verhogen in het openbaar gebied waardoor het letterlijk tot aan de voordeur/ de voortuin van de bewoners van Tilburg komt. 3. In 2020 zijn 50% van alle aangeplante bomen en struiken binnen de bebouwde kom ten gunste van de biodiversiteit. Zo veel mogelijk gebruik maken van autochtoon plantmateriaal met een aanvulling van soorten die een bijdrage leveren aan biodiversiteit door middel van bv. nestgelegenheid, voedsel en/of schuilgelegenheid. In 2016 is aanvullend op bovenstaand groenbeleid de 'agenda groen in de stad' vastgesteld (college 19-07-2016). De 'agenda groen in de stad' gaat samen met het 'beheerbeleidsplan Groen op Niveau' en de nota's groen en biodiversiteit (en het hieruit voortvloeiende uitvoeringsprogramma groen en biodiversiteit) over de toekomst van groen in de stad in inhoudelijke- en financiële zin. Er wordt aangegeven welke kaders gehanteerd worden om de impuls voor groen in de stad, conform het collegeakkoord en de omgevingsvisie Tilburg 2040, goed in te zetten.

Uitgangspunt is het 'kleine en het grotere groen, voldoende bereikbaar voor iedereen'. Belangrijk hierbij zijn beleving van groen, klimaatadaptatie en biodiversiteit.

Heikant 2007, 8e herziening (Lijnsheike 8)

20

Essentieel is de kaart Stadsnatuur 2040. Op deze kaart staan de ecologische structuren en zones, stapstenen en ecologische corridors in de stad. Deze zijn nodig om de biodiversiteit in de stad te versterken en op het juiste niveau te krijgen (voor biodiversiteit ligt de nadruk op het realiseren van ontbrekende schakels, het toepassen van biodiverser groen en ecologisch beheer). De planlocatie komt niet voor in de ecologische structuur, ecologische zone, in de stapstenen of in de ecologische corridors, waardoor geen ecologische verbindingen hoeven te worden gerealiseerd. Door te kiezen voor autochtoon en biodivers plantmateriaal op het binnenterrein en in het verlengde van de Benatzkystraat wordt tegemoet gekomen aan de beleidsvoornemens zoals beschreven in de Nota Biodiversiteit. 3.5.4 Nota Ruimte voor Buitenspelen Naar aanleiding van de ambities uit de Kadernota Jeugd en de behoefte aan algemene voorwaarden ten aanzien van richtlijnen voor de aanleg van speelplekken is de nota Ruimte voor Buitenspelen (2003) opgesteld. Doel van de nota is dat de jeugd als volwaardige medegebruikers van de openbare ruimte wordt geaccepteerd. Spelen is noodzakelijk voor de ontwikkeling van een kind. De nota geeft o.a. een analyse van de formele speelruimte in Tilburg weer.

Algemene voorwaarden ten aanzien van speelruimte (veiligheid, bereikbaarheid, spreiding, ruimtegebruik, inrichting) en programmering van de spelenplannen en inrichtingseisen van speelruimte komen aan de orde. Een minimumnorm voor formele speelruimte wordt gesteld om voldoende speelruimte te kunnen garanderen. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen transformatiegebieden (> 50 woningen), nieuwbouw en bestaande bouw. Transformatiegebieden Er worden twee stappen doorlopen: 1. 2.

per hectare uitgegeven gebied wordt 300 m2 van de ruimte gereserveerd voor formele speelruimte; de huidige grondoppervlakte aan formele speelruimte per kind bedraagt voor Tilburg 7,2 m2. Naar aanleiding van het aantal kinderen woonachtig in het transformatiegebied wordt bepaald hoeveel formele speelruimte er in een wijk/buurt gerealiseerd dient te zijn.

Nieuwbouw Bij nieuwbouwgebieden wordt uitgegaan van stap 1. De inrichting van de formele speelplekken wordt gedaan aan de hand van de actieradius voor speelplekken. In de toekomst zal dit worden gedaan naar aanleiding van gegevens vanuit het woningbouwprogramma waarmee een schatting gemaakt zal kunnen worden van het aantal kinderen dat in de nieuwbouwwijk komt te wonen (dit wordt in het kader van de uitvoering van de nota Ruimte voor Buitenspelen uitgewerkt). Bestaande stad Voor de bestaande stad wordt uitgegaan van een standstill-situatie. Dit betekent dat het bestaande oppervlak voor buitenspelen niet (verder) mag afnemen. Bij nieuwe stedenbouwkundige plannen dient reeds bij de nota van uitgangspunten (programma van eisen) de speelruimtenormering -zoals hierboven beschreven- te worden meegenomen. Dit geldt zowel voor gemeentelijke als particuliere plannen. Op deze manier worden formele speelplekken al vroegtijdig in het ontwerpproces meegenomen.

3.6 Verkeer en parkeren 3.6.1 Mobiliteitsaanpak Tilburg De 'Mobiliteitsaanpak Tilburg, Samen op weg naar 2040' schetst een toekomst waarin slim en duurzaam vervoer centraal staat. Dat betekent: nieuwe technologieën toepassen, maar ook de gebruiker centraal stellen. Niet als doel op zich, maar om bij te dragen aan een leefbare stad. Daarnaast zet Tilburg in op duurzaamheid: we houden nadrukkelijk rekening met toekomstige generaties. De gemeentelijke mobiliteitsaanpak is het vervolg op het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Dat ging vooral over verkeersstromen en vervoermiddelen. In de nieuwe werkwijze vormt de mens het uitgangspunt: wat hebben inwoners, bezoekers en bedrijven nodig om van A naar B te komen? Met deze aanpak wil de gemeente niet alleen verkeersstromen in goede banen leiden, maar ook de kwaliteit van leven in de stad behouden en verbeteren. Mobiliteitsagenda 013 De hoofdlijnen uit de mobiliteitsaanpak zijn nu uitgewerkt in een agenda met concrete maatregelen en opgaven voor de korte, middellange en lange termijn. In een aantal Tilburgse proeftuinen wordt samen met

Heikant 2007, 8e herziening (Lijnsheike 8)

21

onderwijs, bedrijfsleven en uiteraard de gebruikers gewerkt aan innovaties op het gebied van slimme mobiliteit. Deze MobiliteitsAgenda013 wordt jaarlijks geactualiseerd in september. 3.6.2 Hoofdlijnennotitie Parkeren 2016 Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Hoofdlijnennotitie Parkeren. Deze is april 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Wij richten ons als stad op gastvrijheid voor de bezoeker, een betere leefkwaliteit voor bewoners en economische vitaliteit van de binnenstad. Wij willen de beschikbare parkeercapaciteit optimaal benutten. Daar hoort bij dat wij parkeerders op de juiste plek faciliteren, ook voor specifieke voorzieningen zoals deelauto's, elektrische auto's en andere doelgroepen. Het beter benutten van bestaande parkeercapaciteit van garages en terreinen leidt tot minder zoekverkeer en blik in de woonstraten en biedt kansen voor versterking van ruimtelijke kwaliteit en nieuw groen.

De vastgestelde kaders voor het parkeervraagstuk bij bouwontwikkelingen zijn: <0000> Voor het inschatten van de parkeerbehoefte bij nieuwe ontwikkelingen de CROW-richtlijn te hanteren; <0000> In de toepassing van parkeernormen meer vrijstellingen te hanteren, zonder daarbij de (directe) omgeving van de ontwikkeling te belasten met (toekomstige) parkeeroverlast; <0000> Het PPS-gebied in de Spoorzone aan te wijzen als een gebiedsontwikkeling die in zijn eigen parkeerbehoefte moet voorzien, waarbij alleen op (tijdelijke) piekmomenten de parkeercapaciteit in de directe omgeving een uitwijkmogelijkheid is, met name voor bezoekers; <0000> Het basisprincipe te blijven hanteren dat een nieuwe ontwikkeling de parkeerbehoefte op eigen terrein oplost, maar wel de mogelijkheid te bieden af te wijken van deze verplichting zolang daar met voldoende zekerheid geen parkeeroverlast voor de omgeving uit volgt; <0000> Indien wordt afgeweken van het basisprincipe daarvoor het instrument van een afkoopregeling in te zetten, waarmee de afkoopsom de gemeente de gelegenheid geeft om zo nodig maatregelen te treffen om (toekomstige) parkeeroverlast in de omgeving te voorkomen. 3.6.3 nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' zijn de parkeernormen en berekeningsmethode vastgelegd.

Bij het hanteren van de parkeernormen wordt uitgegaan van een minimaal te realiseren aantal parkeerplaatsen. De hoofdfunctie is bepalend voor de toe te passen parkeernorm. Het CROW kent voor een range aan functies een parkeernorm. Om de parkeernormen overzichtelijk te houden, is ervoor gekozen om de belangrijkste functies die in gemeente voorkomen, op te nemen. Om te voldoen aan de 'Nota parkeernormen Tilburg 2017' is voor het onderhavige project een parkeertelling onderzoek uitgevoerd. De parkeervraag in onderhavig plan is 55 parkeerplaatsen. Hiervan kunnen 29 parkeerplaatsen op eigen terrein worden opgelost. Er dient zodoende een oplossing voor 26 parkeerplaatsen gezocht te worden. Ook doordat de Benatzkystraat wordt aangesloten aan de Lijnsheike, komen 3 openbare langsparkeerplaatsen aan de Lijnsheike te vervallen. Deze moeten hierdoor ook worden gecompenseerd. In totaal moet daarmee nog een oplossing worden gezocht voor 29 parkeerplaatsen. De parkeerdruk in de omgeving is onderzocht om gebruik te maken van restcapaciteit. Conform het vigerende beleid van de gemeente mag de restcapaciteit worden gezocht in een straal van 250 meter van de project locatie. Inclusief de extra parkeervraag vanuit de ontwikkeling, mag de parkeerdruk in dit gebied niet boven de 85% uitkomen.

Na een telonderzoek in de omgeving is gebleken dat de bezetting van het parkeerareaal in de omgeving 1.677 parkeerplaatsen bedraagt. Deze zijn op loopafstand (tot 250 meter van de ontwikkeling), en zijn op het drukste moment 53% bezet. Dit betekent dat 894 parkeerplaatsen bezet waren. Een ontwikkeling mag de bezetting in de openbare ruimte opvoeren tot de grens van 85%, wat overeenkomt met 1.426 parkeerplaatsen. Dit betekent dat er een restcapaciteit beschikbaar is van 531 parkeerplaatsen (1.426 – 894). Dit aantal is ruim voldoende om de 29 parkeerplaatsen in de omgeving op te vangen. De parkeerdruk stijgt daarmee van 53% naar 56%, daarmee blijft het percentage ver onder de grens van 85%. Het volledige onderzoek is aan deze toelichting toegevoegd als bijlage 6. 3.6.4 Verkeersaspecten in het plan Ontsluiting plangebied De Benatzkystraat vormt in de huidige situatie een verbinding tussen de Eilenbergstraat, Von Suppéstraat en Offenbachstraat en in de bestaande situatie loopt de Benatzkystraat achter het parkeerterrein van de voormalige woonwinkel dood. Het planvoornemen is om deze straat door te trekken naar Lijnsheike, waardoor de bereikbaarheid in de wijk wordt geoptimaliseerd. Fietsroutes en fietsenstalling

Heikant 2007, 8e herziening (Lijnsheike 8)

22

Lijnsheike en de Benatzkystraat zijn straten met een snelheidsregime van 30 km/uur. Hierdoor zijn deze straten geschikt voor fietsverkeer en is een scheiding van auto- en fietsverkeer niet nodig. In het erf zal een gezamenlijke fietsenstalling worden gerealiseerd zodat bewoners hun fietsen veilig en droog kunnen stallen. Openbaar vervoer Op loopafstand van de planlocatie (260 meter) bevindt zich Busstation Noord. Omdat dit busstation een halte vormt van een groot aantal buslijnen, maakt de nabijheid van dit busstation dat de planlocatie zeer goed te bereiken is met het openbaar vervoer. Diverse bussen rijden tevens via deze halte naar Tilburg Centraal Station. Afvalinzameling De bewoners van de grondgebonden woningen zullen hun eigen afval aan de straat aanbieden. In het hoekpand en het pakhuis zal het afval gezamenlijk worden ingezameld, waarna het zal worden aangeboden aan de vuilnisophaaldiensten. Noodhulpdiensten Omdat het plangebied een goede ontsluiting heeft, is het goed bereikbaar voor noodhulpdiensten.

Heikant 2007, 8e herziening (Lijnsheike 8)

23

Hoofdstuk 4 Milieuaspecten 4.1 Inleiding Een bestuursorgaan dient bij voorbereiding van een besluit, zoals bij een herziening van een bestemmingsplan, de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen, zo wordt beschreven in artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht. Volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dienen deze relevante feiten te worden neergelegd in een toelichting op een bestemmingsplan. Ten behoeve van de onderhavige woningbouwontwikkeling zijn de relevante milieuhygiënische aspecten uitgewerkt. Deze aspecten zijn achtereenvolgens: <0000> Milieueffectrapportage <0000> Milieuhinder bedrijven <0000> Externe veiligheid <0000> Vuurwerk <0000> Geluid <0000> Luchtkwaliteit <0000> Geur <0000> Bodem <0000> Natuur en ecologie

4.2 Milieueffectrapportage 4.2.1 Algemeen Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een M.e.r. beoordeling opgesteld moet worden. voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien: 1. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.; 2. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet (Nbw) is vereist. In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet mer-plichtig. In juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. Een m.e.r.-procedure is noodzakelijk als een besluit wordt genomen over een activiteit waarbij belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De vraag of door voorgenomen activiteiten belangrijke nadelige milieugevolgen veroorzaakt kunnen worden staat dan ook centraal bij het beoordelen of een m.e.r. moet worden uitgevoerd. Natura 2000 Binnen het plangebied zijn geen Natura 2000 of NNN-gebieden aanwezig. De voorgenomen ontwikkeling heeft daardoor geen direct effect op deze gebieden.

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied bevindt zich op meer dan 2 kilometer ten noorden van het plangebied. Uit de stikstofdepositieberekening behorend bij het onderhavige planvoornemen blijkt dat er geen stikstofdepositie plaatsvindt op Natura 2000-gebieden als gevolg van de beoogde woningbouwontwikkeling. 4.2.2 Aanleiding vormvrije m.e.r beoordeling De milieueffectrapportage is een procedure met als hoofddoel om het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. Milieueffectrapportage (m.e.r.) is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet Milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r. Van belang zijn de volgende artikelen: 1. In artikel 7.2 Wm wordt het doorlopen van de m.e.r.-procedure gekoppeld aan bepaalde in het Besluit m.e.r. opgenomen plannen en besluiten die verbonden zijn aan de eveneens in het Besluit m.e.r. weergegeven activiteiten. Het besluit m.e.r bevat hiertoe bijlagen, waarbij vooral de onderdelen C en D van belang zijn. Onderdeel C bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r. verplicht is. Activiteiten, plannen en besluiten waarvoor een m.e.r.-beoordeling benodigd is staan in onderdeel D. Voor beide onderdelen worden per activiteit de drempelwaarden beschreven. 2.

In artikel 7.2a Wm wordt het doorlopen van de m.e.r.-procedure gekoppeld aan een activiteit waarvoor op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming een passende beoordeling moet worden

Heikant 2007, 8e herziening (Lijnsheike 8)

24

gemaakt. Een passende beoordeling hoeft niet opgesteld te worden wanneer op voorhand significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a van de Wet milieubeheer zijn voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Het maakt daarvoor niet uit of het een activiteit onder of boven de D-drempel betreft. Dit project kan aangeduid worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (bijlage D 11.2). Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r. beoordelingsplichtig indien het betreft een gebied met een oppervlakte van meer dan 100 hectare, of meer dan 2000 woningen of meer dan 200.000 bruto vloeroppervlakte bevat. Het beoogde bestemmingsplan behelst het realiseren van 59 woningen. Daarmee blijft dit plan ruim onder de drempelwaarden genoemd in onderdeel D 11.2. Omdat de activiteit voorkomt in kolom 1 van de D-lijst dient wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden verricht. Hiertoe dient een aanmeldnotitie te worden opgesteld op basis waarvan beoordeeld wordt of het noodzakelijk is een milieueffectrapportage op te stellen. Deze (vormvrije) aanmeldnotitie is opgenomen in bijlage 7 van deze toelichting. Navolgend worden de conclusies samengevat.

Vormvrije m.e.r.-beoordeling In de vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt getoetst of een activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling kan leiden tot twee conclusies: <0000> belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn uitgesloten: er is geen m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk; <0000> belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r. De criteria waaraan moet worden getoetst zijn opgenomen in artikel 2 lid 5 Besluit m.e.r. jo. artikel 7.16 lid 2 Wet milieubeheer. De criteria betreffen: 1. Een beschrijving van de fysieke kenmerken van de gehele activiteit en voor zover van belang, van sloopwerken; 2. Een beschrijving van de locatie van de activiteit, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de activiteit van invloed kan zijn; 3. Een beschrijving van de waarschijnlijk belangrijke gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben; 4.

Een beschrijving, voor zover er informatie beschikbaar is, van de mogelijke waarschijnlijk belangrijke gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben ten gevolge van (indien van toepassing) de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name bodem, land, water en biodiversiteit. Toetsing: 1.

2.

3.

Fysieke kenmerken van het plan: Het plan heeft betrekking op het realiseren van 5 grondgebonden rijwoningen en 54 appartementen waarbij sprake is van 36 appartementen behorende tot het middeldure huursegment en 18 appartementen tot het sociale huursegment behoren. De bestaande bebouwing op het perceel zal worden gesloopt. Plaats van het plan: Het plan wordt uitgevoerd op een locatie die nu een winkelfunctie heeft aan Lijnsheike 8-8a in Tilburg. De planlocatie is niet in de nabijheid van gevoelig gebied, NNB-gebied of anderszins beschermd natuurlijk gebied gelegen. Kenmerken van de potentiële effecten: Het plan betreft het realiseren van in totaal 59 woningen. De conclusies uit de diverse onderzoeken die hebben plaatsgevonden worden vervolgens weergegeven.

Bodem: Verwezen wordt naar paragraaf 4.9 van de voorliggende toelichting. Uit de resultaten van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek is gebleken dat aanvullend bodemonderzoek noodzakelijk was. Als gevolg van het aanvullend bodemonderzoek is geconcludeerd dat de algehele bodemkwaliteit en de bodemkwaliteit ter plaatse van potentieel verdachte locaties voldoende is vastgelegd. De onderzoeksresultaten leveren geen beperkingen op ten aanzien van de geplande herontwikkeling. Bij de herontwikkeling dient wel rekening gehouden te worden met de mogelijk nog aanwezige HBO-tank op de locatie. Indien grond wordt afgegraven (bijvoorbeeld bij bouwwerkzaamheden) en dan de locatie wordt afgevoerd, dient er rekening mee te worden gehouden dat deze grond elders niet zonder meer toepasbaar is. Met

Heikant 2007, 8e herziening (Lijnsheike 8)

25

betrekking tot het elders hergebruiken van grond zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing, die doorgaans een grotere onderzoeksinspanning vereisen. Archeologie en cultuurhistorie: Verwezen wordt naar paragraaf 3.3.2 en 3.3.3 van de voorliggende toelichting. Om mogelijk aanwezige archeologische waarden in beeld te krijgen is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het rapport van dit onderzoek adviseert om de civieltechnische ingrepen zodanig in te richten dat een bufferzone van 20 cm behouden blijft tussen de onderzijde van de ingrepen en de bovenzijde van het archeologisch relevant niveau (12,5 m +NAP). Mocht dit niet mogelijk zijn, dan wordt geadviseerd voorafgaand aan de voorgenomen grondroerende ingrepen een aanvullend archeologisch onderzoek uit te voeren naar de aard en aanwezigheid van eventuele archeologische resten (inventariserend veldonderzoek, karterende/waarderende fase). Dit onderzoek dient in eerste instantie plaats te vinden in de vorm van een Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven (IVO-P), omdat het veldonderzoek aantoonde dat mogelijk grondsporen in de ondergrond begraven liggen. Als blijkt uit het proefsleuvenonderzoek dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische resten aanwezig zijn, dienen deze voor de start van bouwwerkzaamheden te worden gedocumenteerd middels een definitieve opgraving.

Over de archeologische begeleiding van de voorgenomen sloop van de bestaande bebouwing worden voorafgaandelijk afspraken gemaakt met de gemeente Tilburg. Water: Het plangebied is in de oude situatie nagenoeg compleet verhard. In de nieuwe situatie wordt 2.649 m² aan bebouwing gerealiseerd, bestaande uit 1.722 m² aan dakoppervlak en 927 m² aan overige terreinverharding. In totaal wordt dus 2.649 m² aan verharding vervangen, wat neerkomt op een regenwateropgave van 158,9 m³ (2.649 x 60 mm = 158,9 m³). Het oppervlak van het binnenterrein bedraagt circa 420 m². Dit ruimtebeslag kan een wadi bevatten die circa 170 m³ hemelwater kan bergen, bij een diepte van 50 cm en een talud van 1:2. Natuur en ecologie: Verwezen wordt naar paragraaf 4.10 van de voorliggende toelichting. Uit de conclusies blijkt dat de omschreven werkwijzen met betrekking tot zowel de zorgplicht als ten aanzien van vogels in acht dient te worden genomen zodat een overtreding van de natuurwetgeving wordt voorkomen. Er vinden geen overtredingen plaats op grond van de Wet natuurbescherming, ontheffingen zijn derhalve niet nodig. Voor algemeen voorkomende soorten geldt een algemene vrijstelling als het ruimtelijke ingrepen betreft. Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura-2000 gebied. Het meest nabijgelegen gebied betreft het gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen. Dit ligt op ca.

3,4 kilometer afstand van de planlocatie. Veel Natura 2000-gebieden zijn (ook) gevoelig voor stikstofdepositie. Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot 'significante effecten' op de beschermde natuurgebieden, wat alleen is toegestaan met een Wet natuurbeschermingsvergunning (Wnb-vergunning). Door middel van Aerius Calculator is een berekening gemaakt van mogelijke stikstofdepositie als gevolg van de onderhavige ontwikkeling, het rapport behorend bij deze berekening is bijgevoegd in bijlage 8 van deze toelichting. Uit deze berekening volgt dat de onderhavige ontwikkeling geen significant negatief effect heeft op Natura 2000-gebieden. Geluid: Verwezen wordt naar paragraaf 4.6 van de voorliggende toelichting. De afstand tussen de beoogde woningen en het bestaande bedrijf voldoet niet aan de VNG-richtafstand van 10 meter, waardoor een akoestisch onderzoek is uitgevoerd. Er wordt geconcludeerd dat, mits de beschreven aanbevelingen worden toegepast, op de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wat betreft akoestiek en dat de bedrijfsvoering van nabij gelegen bedrijvigheid niet wordt beperkt. Luchtkwaliteit: Verwezen wordt naar paragraaf 4.7 van de voorliggende toelichting.

Uit de conclusies blijkt dat het plan wordt gekenmerkt als een "niet in betekenende mate"-project, zoals bedoeld in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). Het onderhavige initiatief heeft geen onaanvaardbare gevolgen voor de luchtkwaliteit. Geur: Verwezen wordt naar paragraaf 4.8 van de voorliggende toelichting. In en om het plangebied worden geen agrarische of industriële bedrijven toegestaan. Er is dus geen sprake van geurhinder.

Heikant 2007, 8e herziening (Lijnsheike 8)

26

Externe veiligheid: Verwezen wordt naar paragraaf 4.4 van de voorliggende toelichting. Uit de conclusies blijkt dat het plangebied gelegen is in het invloedsgebied van de spoorlijntrajecten Breda aansl. – Tilburg en Tilburg aansl. - Vught. Vanwege de verre afstand van het plangebied (> 2,6 kilometer) tot de spoorlijnen is een beperkte verantwoording van het groepsrisico opgesteld aan de hand van het standaardadvies van de Brandweer Midden- en West-Brabant. De brandweer stemt in met het gebruik van het standaardadvies. Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico. Conclusies en advies Het doel van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is om het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven, door in een vroeg stadium te onderzoeken en te beoordelen of de voorgenomen activiteiten belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. In het kader van deze notitie is in voldoende mate inzicht gekregen in de milieugevolgen van de woningbouwontwikkeling aan de Lijnsheike en Benatzkystraat te Tilburg. Gelet op de kenmerken van het plan, de locatie van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten moet worden geconcludeerd dat het plan niet leidt tot milieueffecten van een dusdanige omvang dat sprake kan zijn van 'belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu'.

De effecten blijven beperkt tot het plangebied en de directe omgeving ervan. Er is daarom geen aanleiding of noodzaak voor het doorlopen van een formele m.e.r.-(beoordelings)procedure of m.e.r.-procedure. Er wordt voorgesteld om geen milieueffectrapport voor dit plan op te stellen.

4.3 Milieuhinder bedrijven Het begrip milieuzonering wordt gehanteerd om te toetsen of bedrijven wat betreft milieuhygiënische aspecten voldoende afstand hebben tot gevoelige locaties en andersom. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven op een locatie op voldoende afstand van woningen komen en dat nieuwe woningen en andere gevoelige functies op een aanvaardbare afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen dient twee doelen, ten eerste het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen, ten tweede bedrijven voldoende zekerheid bieden zodat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Milieuzonering is een belangrijk middel om te voorkomen dat bestaande bedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Als hulpmiddel wordt de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' van de VNG, editie 2009 gebruikt. In deze handreiking worden bedrijfssectoren opgenomen in een tabel en worden de bijbehorende milieucategorieën weergegeven. De VNG-publicatie geeft niet aan wat wel en niet is toegestaan, de afstanden behorende bij de milieucategorieën zijn indicatief. Een gemeente is vrij om zelf te bepalen wat in welke mate wenselijk is.

In de handreiking van het VNG wordt onderscheid gemaakt tussen twee omgevingstypen, 'rustige woonwijk en rustig buitengebied' en 'gemend gebied'. Dit onderscheid wordt gemaakt omdat in gebieden met functiemenging meer sprake is van milieubelastende en milieugevoelige functies en omstandigheden die op kortere afstand van elkaar zijn gesitueerd. In gebieden waar sprake is van functiemenging worden kortere richtafstanden gehanteerd dan in gebieden waar sprake is van functiescheiding. Gemengd gebied is volgens de VNG-brochure een gebied met matige tot sterke functiemenging. Doorwerking Het toevoegen van nieuwe gevoelige objecten (woningen) op de planlocatie is een ontwikkeling waarvoor de milieuzonering dient te worden beschouwd. Als er een grotere afstand tussen de beoogde woningen en de omliggende bedrijven wordt aangehouden dan de richtafstand uit de VNG-publicatie kan naar verwachting milieuhinder worden voorkomen en worden bedrijven niet gehinderd in hun bedrijfsvoering. Gezien de grote functiemenging in de omgeving van de planlocatie dient omgevingstype 'gemengd gebied' te worden toegepast. Hierdoor mag, zonder dat het woon- en leefklimaat verslechtert, één afstandsstap terug worden gezet in de toepassing van de richtafstand die hoort bij de milieucategorie. De planlocatie ligt tegen een bestaand bedrijf aan waar maximaal milieucategorie 2 wordt toegestaan.

Het bedrijf waar de planlocatie aan grenst betreft een handel en reparatiebedrijf in auto's; hiervoor geldt binnen omgevingstype 'gemengd gebied' een grootste richtafstand van 10 meter voor het aspect geluid. De bedrijfsbestemming en de woonbestemming grenzen direct aan elkaar. Er worden bergingen tussen de bestaande bedrijfsactiviteiten en de woningen geplaatst waardoor afstand wordt gecreëerd, maar woningen aan de oostgevel liggen alsnog op een kleinere afstand van het naastgelegen bedrijf dan de richtafstand van 10

Heikant 2007, 8e herziening (Lijnsheike 8)

27

meter. Om de akoestische situatie in beeld te krijgen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, de resultaten van dit onderzoek zijn nader beschreven in paragraaf 4.6.

4.4 Externe veiligheid 4.4.1 Inleiding Het aspect externe veiligheid brengt de risico's in kaart die ontstaan door risicobronnen in de omgeving. In verschillende wetten en regelingen zijn normen en richtlijnen opgenomen om de externe veiligheid te waarborgen. Het algemene Rijksbeleid voor externe veiligheid is erop gericht om risico's voor de omgeving te beperken en beheersen vanwege: <0000> Het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen door bedrijven (inrichtingen); <0000> Het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, waterwegen, spoorwegen en buisleidingen); <0000> Het gebruik van luchthavens. Dat gebeurt onder andere om te voorkomen dat te dicht bij kwetsbare bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, om de zelfredzaamheid te bevorderen en om de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. Voor ruimtelijke ontwikkelingen moet getoetst worden aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit.

Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (die als wettelijke grenswaarde fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als richtwaarde. Van deze waarde mag gemotiveerd worden afgeweken. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. 4.4.2 Verantwoordingsplicht Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht. De eindafweging kan pas worden gemaakt wanneer advies bij de veiligheidsregio is ingewonnen. 4.4.3 Beleidsvisie externe veiligheid In de beleidsvisie externe veiligheid wordt het gebied waarin het plangebied gelegen is aangewezen als een luw gebied.

Binnen een luw gebied gelden de volgende voorwaarden: <0000> Kwetsbare objecten zijn overal mogelijk; <0000> Geschikt voor bijzonder kwetsbare functies/objecten; <0000> Bestaande risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden mogelijk; <0000> Bevi-inrichtingen zijn niet mogelijk; <0000> Beheersbaarheid gericht op effecten van mogelijke calamiteiten op orde. Aan bovengenoemde randvoorwaarden wordt voldaan. Het planvoornemen is niet in strijd met het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid. 4.4.4 Verantwoording en conclusie Om het aspect externe veiligheid ten behoeve van de beoogde woningbouwontwikkeling te beschouwen is een quickscan externe veiligheid uitgevoerd. Het rapport behorend bij deze quickscan is in bijlage 9 van de voorliggende toelichting gevoegd. Hierin is de volgende verantwoording opgenomen.

Heikant 2007, 8e herziening (Lijnsheike 8)

28

Toxisch scenario Bij (zeer) toxische vloeistoffen is het scenario dat ten gevolge van een calamiteit bij een inrichting of bij transport van toxische stoffen er een lekkage ontstaat en een vloeistofplas vormt. Vervolgens verdampen deze toxische vloeistoffen waardoor een gaswolk ontstaat (met dezelfde gevolgen als een gaswolk van toxisch gas). Bij een ongeval met een toxisch gas ontstaat direct een toxische gaswolk. Bij de toxische scenario's zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. De omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing van de gaswolk is mede afhankelijk van de weersgesteldheid op dat moment. Bronbestrijding is bij een toxische vloeistof mogelijk door de vloeistof af te dekken. Hierdoor wordt de verdamping verminderd. Voor toxische gassen kan alleen aan bronbestrijding worden gedaan indien het om een lekkage gaat. De brandweer kan dan proberen om het gat te dichten. Effectbestrijding is tevens mogelijk door de concentratie te verdunnen, bijvoorbeeld met behulp van een waterscherm. Dit is alleen mogelijk als de brandweer tijdig aanwezig is. Bij het ineens vrijkomen van de gehele inhoud van de tank, zal deze effectbestrijding lastig te realiseren zijn.

De mogelijkheden voor slachtofferreductie worden bepaald op basis van de mogelijkheden om de vergiftiging te behandelen. Slachtofferreductie is ook mogelijk door snelle ontruiming/evacuatie. Het niet of korter blootstellen aan een toxische stof zal het aantal slachtoffers verminderen. Maatregelen ter beperking van het groepsrisico Gezien de afstand van het plangebied tot de risicobronnen (> 2,6 kilometer) neemt het groepsrisico van deze bronnen niet toe in de toekomstige situatie. Vluchtmogelijkheden Het plangebied wordt via de bestaande wegenstructuur goed ontsloten, waardoor het gebied goed te ontvluchten is. Zelfredzaamheid Binnen het plangebied wordt een specifieke vorm van wonen mogelijk gemaakt, in het planvoornemen zijn namelijk 18 zorgwoningen beoogd voor beschermd of begeleid wonen. Dit zijn woningen waarin mensen met psychiatrische of psychische klachten worden geplaatst die (tijdelijk) niet in staat zijn om zelfstandig te wonen. De bewoners worden door professionals begeleid in het dagelijks leven. Er wordt verondersteld dat deze bewoners minimaal 16 jaar zijn en zelfstandig, al dan niet onder begeleiding van de aanwezige professionals, kunnen vluchten. Ventilatie Bij blootstelling aan een toxisch gas is 'schuilen' vaak de beste wijze van zelfredzaamheid.

Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt 'schuilen' de beste wijze om de zelfredzaamheid te vergroten. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. De woningen worden voorzien van ventilatie en elke woning krijgt een eigen schakelaar zodat deze bij een toxische wolk kan worden uitgeschakeld. Er wordt een handleiding gemaakt per woning hoe deze ventilatie uitgeschakeld moet worden. WAS-palen Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en Alarmering Systeem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. De ontwikkelingslocatie ligt binnen het dekkingsgebied van een WAS-installatie. Daarnaast is gerichte alarmering via de telefonische dienst NL-Alert mogelijk. Risicocommunicatie Door actief te communiceren over risico's zal de zelfredzaamheid namelijk worden vergroot. De brandweer Midden- en West-Brabant adviseert daarom ook om een communicatieplan op te stellen met deskundigen op dit gebied. In dit plan kan dan worden vastgelegd met wie, op welke wijze en met welke frequentie over de risico's wordt gecommuniceerd.

Op dit moment vindt communicatie plaats via de Risicokaart, en de risicocommunicatie-campagne Denk Vooruit. Daarnaast vindt op verzoek gebiedsgerichte risicocommunicatie plaats. De aanwezige personen worden niet gezien als verminderd zelfredzaam.

Heikant 2007, 8e herziening (Lijnsheike 8)

29

Opkomsttijd brandweer De opkomsttijd van de brandweer voldoet aan de zorgnorm (12 minuten voor nieuwe woonfuncties). De opkomsttijd voor het plangebied bedraagt circa 10 minuten. Hiermee wordt voldaan aan de zorgnorm. Conclusie Het plangebied ligt binnen de maximale effectenafstand in navolging van de stof D4 van twee transportroutes, de spoorlijntrajecten Breda aansl. – Tilburg en Tilburg aansl. - Vught. Personen in het plangebied worden aan een externe veiligheidsrisico blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld. Voor de verantwoording is het standaard advies van de Brandweer Midden- en West-Brabant gebruikt. De brandweer is akkoord gegaan met het gebruik van het standaardadvies, dat als bijlage 10 aan deze toelichting is toegevoegd.

4.5 Vuurwerk Burgemeester en wethouders kunnen voor nieuw te vestigen verkoopruimten en opslagen van consumentenvuurwerk en ten behoeve van het uitbreiden, verbouwen en/of verplaatsen van bestaande (buffer)bewaarplaatsen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bestemmingsplan. Bij nieuwvestiging van vuurwerkverkooppunten en/of opslag van consumentenvuurwerk wordt te allen tijde als voorwaarde opgenomen dat de veiligheidscontour zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit op het eigen perceel gesitueerd dient te zijn tenzij de veiligheidscontour zich uitstrekt over openbaar gebied en hierbij geen sprake is van kwetsbare en/of geprojecteerde kwetsbare objecten. Binnen de planlocatie van het voorliggende bestemmingsplan worden geen verkooppunten, opslagen van consumentenvuurwerk of opslagen van professioneel vuurwerk mogelijk gemaakt. Hierdoor vormt vuurwerk geen belemmering voor het onderhavige initiatief.

4.6 Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) vormt het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteiten. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet getoetst worden of het voorgenomen realiseren van de geluidsgevoelige bestemming 'Wonen' voldoet aan de eisen van de Wet geluidhinder. Ter plaatse van de planlocatie zullen mensen wonen en verblijven waardoor het een geluidsgevoelige functie betreft. Deze wordt beschermd tegen geluidshinder uit de omgeving. 4.6.1 Wegverkeerlawaai Het plangebied ligt in een omgeving met overwegend wegen met een snelheidsregime van 30 km/uur. Voor deze wegen is de Wet geluidhinder niet van toepassing. Echter, in het kader van een goede ruimtelijke ordening dient wel rekening te worden gehouden of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten gevolge van deze wegen.

Heikant 2007, 8e herziening (Lijnsheike 8)

30

Figuur 8: Geluidbelastingkaart gemeente Tilburg voor wegverkeer, planlocatie rood omkaderd Uit de geluidbelastingkaart blijkt dat Lijnsheike maatgevend is voor de hoogte van de optredende geluidbelasting. Er vanuit gaande dat de hoeveelheid wegverkeer op Lijnsheike in de toekomstige situatie hetzelfde is als in de situatie waarop deze geluidbelastingkaart is gebaseerd (wanneer op de planlocatie een woonwinkel aanwezig was geweest), kan worden aangenomen dat op een deel van de woningen sprake is van een geluidbelasting van 55 – 60 dB Lden. In de methode Miedema worden verschillende lawaaisoorten teruggerekend naar de lawaaisoort wegverkeerslawaai. De hinderscore is vervolgens vertaald naar een kwaliteitsniveau. Hieronder is de tabel weergegeven.

De Lden is de gemiddelde geluidbelasting over een hele dag. Blijkens de Miedema tabel is sprake van een redelijke milieukwaliteit als de gecumuleerde geluidbelasting Lden tussen de 50 en 55 dB bedraagt, zoals waar sprake van is op een deel van de geprojecteerde woningen. De woningen en appartementen zijn zodanig ontworpen dat het geluid afkomstig van het wegverkeer aan de 'binnenkant' wordt afgeschermd waardoor het geluidsniveau hier beduidend lager is. De gezamenlijke buitenruimte van de appartementen en de tuinen behorend bij de grondgebonden woningen zijn allen aan de binnenzijde gesitueerd; dit vormt de geluidluwe zijde en geluidluwe buitenruimte van de woningen in het plangebied. 4.6.2 Railverkeerslawaai

Heikant 2007, 8e herziening (Lijnsheike 8)

31

De planlocatie is buiten de maximale zonebreedte van 1200 meter van de spoorweg Tilburg-Breda gelegen. Dit betekent dat een nadere toetsing aan de normen van de Wet geluidhinder niet noodzakelijk is. 4.6.3 Industrielawaai De planlocatie is niet in de nabijheid van een gezoneerd industrieterrein gelegen. Zoals reeds beschreven in paragraaf 4.3 ligt de planlocatie tegen het bestaande autobedrijf aan de Offenbachstraat 161-163 met milieucategorie 2. Voor dit bedrijf geldt binnen omgevingstype 'gemengd gebied' een grootste richtafstand van 10 meter voor het aspect geluid. Uit de richtafstanden volgt dat het autobedrijf binnen de richtafstand van de nieuw te bouwen woningen valt waardoor nader onderzoek noodzakelijk is. Naar aanleiding hiervan is akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidsituatie voor het onderhavige woningbouwplan. In het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' moet worden vastgesteld of ter plaatse van de (nieuwe) geluidgevoelige bestemmingen geen ontoelaatbare geluidhinder ontstaat door de activiteiten van omliggende bedrijven. Het rapport behorend bij dit akoestisch onderzoek is bijgevoegd als bijlage 11. Op basis van de opgegeven bedrijfsinformatie met betrekking tot de representatieve bedrijfssituatie en bureau-ervaringscijfers is een rekenmodel opgesteld waaruit de geluidbelasting van het bedrijf op de woningen is bepaald.

Uit de rekenresultaten volgt dat de geluidbelasting op de nieuw te bouwen woningen niet voldoet aan de richtwaardes uit stap 2 van de VNG-publicatie en aan de normstelling uit het Activiteitenbesluit. In het akoestisch onderzoek worden een aantal mogelijkheden beschreven die genoeg geluidsreductie behalen om de berekende overschrijdingen op te lossen. Zo kunnen gebouwgebonden geluidschermen en dubbelramen worden gerealiseerd. Indien de beschreven maatregelen worden gerealiseerd, wordt voldaan aan de normstelling en vormt het aspect industrielawaai geen belemmering voor de voorgenomen woningbouwontwikkeling. 4.6.4 Luchtvaartlawaai Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze-Rijen gelden in delen van Tilburg geluidcontouren (de zogenaamde Ke-contouren). Deze contouren liggen niet over het plangebied. 4.6.5 Conclusie In de voorliggende paragraaf heeft de beoordeling plaatsgevonden van mogelijke geluidshinder, onderverdeeld in de onderwerpen wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. Met betrekking tot het aspect wegverkeerslawaai wordt geconcludeerd dat de gemeenschappelijke groene binnenruimte voor elke woning zal dienen als geluidsluwe buitenruimte.

Voor de beoordeling van mogelijk industrielawaai heeft een akoestisch onderzoek plaatsgevonden waarbij de geluidsuitstraling van het oostelijk gelegen autobedrijf is beoordeeld op de beoogde woningen. In dit rapport wordt geconcludeerd dat niet wordt voldaan aan de richtwaardes uit stap 2 van de VNG-publicatie en aan de normstelling uit het Activiteitenbesluit. Oplossingsmogelijkheden worden beschreven die de geluidswaarden met zekerheid reduceren tot een acceptabel niveau. Initiatiefnemer is voornemens om de beschreven ingrepen mee te nemen in het bouwplan. Het toepassen van deze ingrepen kan als voorwaarde worden gesteld door de gemeente voor het verkrijgen van de omgevingsvergunning voor bouwen.

4.7 Luchtkwaliteit Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De bestemmingen in het plangebied zijn getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen uit hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Het plan voorziet in de realisatie van 5 grondgebonden woningen, 9 zorgwoningen en 45 appartementen. Hierdoor kan het plan worden gekenmerkt als een "niet in betekenende mate"-project, zoals bedoeld in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). Als gevolg van de onderhavige ontwikkeling zal naar verwachting het aantal verkeersbewegingen rondom de planlocatie stijgen.

Om vast te stellen wat de bijdrage is van de verhoogde verkeersintensiteit aan de luchtkwaliteit ter plaatse is gebruikt gemaakt van de NIBM-tool, ontwikkeld door het ministerie van Infrastructuur en Milieu in samenwerking met Kenniscentrum Infomil. Door middel van de NIBM-tool kan eenvoudig en snel worden bepaald of een plan niet-in-betekenende-mate bijdraagt aan de concentratie van een stof in de buitenlucht. Uitgaande van een worst-case scenario is aangenomen dat een woning gemiddeld 8,2 voertuigbewegingen genereert per werkdagetmaal, ongeacht zorg-, gestapelde of grondgebonden woning. Bovendien wordt dit

Heikant 2007, 8e herziening (Lijnsheike 8)

32

aantal voertuigbewegingen berekend als zijnde een toename ten opzichte van een nulsituatie, terwijl in werkelijkheid de locatie in zijn vorige functie ook verkeer genereerde waardoor deze berekening een overschatting van de werkelijke situatie betreft. Met bovenstaande invoergegevens concludeert de NIBM-tool dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Hierdoor is geen nader onderzoek nodig. Een afdruk van de NIBM-tool met de uitkomst van de berekening wordt weergegeven in Tabel 1.

Tabel 1: Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Verder onderzoek naar de luchtkwaliteit is niet nodig. Uit de NIBM tool blijkt dat het project NIBM bijdraagt en dus geen belemmering vormt voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.8 Geur 4.8.1 Industriële geurhinder In en om het plangebied wordt geen zware industrie toegestaan. Hier is dus geen sprake van industriële geurhinder. 4.8.2 Agrarische geurhinder In en om het plangebied worden geen agrarische bedrijven toegestaan. Hier is dus geen sprake van agrarische geurhinder.

4.9 Bodem In het belang van de bescherming van het milieu zijn, teneinde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een uitvoerig bodemonderzoek. De onderhavige ontwikkeling betreft het herbestemmen van een locatie waarvan de bodemkwaliteit onbekend is ten behoeve van het realiseren van woningen. Er moet worden aangetoond dat de bodemkwaliteit passend is voor de beoogde functie. Om de bodemkwaliteit op de planlocatie in beeld te brengen is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Naar aanleiding van dit verkennend bodemonderzoek, heeft in juni 2020 een aanvullend bodemonderzoek plaatsgevonden. De rapporten behorend bij deze bodemonderzoeken (verkennend en aanvullend) zijn bijgevoegd in bijlage 12. In het aanvullende onderzoek is het volgende geconcludeerd: Als gevolg van de resultaten uit het vooronderzoek is de planlocatie opgedeeld in vier deellocaties: de huidige bebouwing, de voormalige tanks Lijnsheike 4-6, blauwsloot en de voormalige HBO-tank. Navolgend worden de bevindingen voor deze deellocaties beschreven.

Deellocatie A: huidige bebouwing In de bebouwing bleek, onder de aanwezige betonvloer, plaatselijk nog een betonvloer aanwezig te zijn. Boring 11 en 15 zijn om deze reden gestaakt. Zintuiglijk is plaatselijk een spoortje baksteen in de ondergrond

Heikant 2007, 8e herziening (Lijnsheike 8)

33

waargenomen. De bovengrond blijkt licht verontreinigd te zijn met kobalt. De ondergrond is niet verontreinigd met de onderzochte stoffen. Het licht verhoogde gehalte aan kobalt wordt hoogstwaarschijnlijk verklaard door het gebruik van de boormachine tijdens het doorboren van de betonverharding. Het aangetoonde gehalte is dermate laag dat dit geen belemmering vormt voor de geplande herontwikkeling. Nader onderzoek naar het licht verhoogde kobaltgehalte wordt niet noodzakelijk geacht. Deellocatie B: voormalige tanks Lijnsheike 4-6 Het grondwater is licht verontreinigd met barium, naftaleen en minerale olie. De lichte verontreiniging met minerale olie is bij het onderzoek in 2008 ook al aangetoond. Dit gehalte en dat van de overige licht verhoogde parameters is dermate laag dat dit geen belemmering vormt voor de geplande herontwikkeling en nader onderzoek hiernaar niet noodzakelijk wordt geacht. Deellocatie C: blauwsloot Zintuiglijk zijn geen waarnemingen gedaan die dulden op een gedempte blauwsloot op de locatie. Op basis van deze resultaten, samen met de resultaten van voorgaande onderzoeken, mag worden aangenomen dat er op de onderzoekslocatie geen gedempte blauwsloot aanwezig is. Deellocatie E: voormalige HBO-tank Met de metaaldetector is het terrein onderzocht op de aanwezigheid van een ondergrondse tank.

Hieruit blijkt dat deze mogelijk in het gangetje ten noorden van de bebouwing gelegen is. Ter plaatse van de mogelijke ligging van de ondergrondse tank bleek bij boorpunt 16 t/m 19 onder het straatzand sprake te zijn van een doek met daaronder vermoedelijk beton op een diepte van circa 17 cm. Mogelijk is deze “betonplaat” aangebracht om te voorkomen dat een ondergrondse tank zich naar de oppervlakte beweegt. Circa 9 meter oostelijk was geen sprake meer van beton, maar was een volledige, ondoordringbare baksteenlaag aanwezig. Derhalve is geen bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse en kan niet worden uitgesloten dat er een tank ligt. Niet uit te sluiten is dat het voormalige gebruik van de tank heeft geleid tot een bodemverontreiniging anders dan de verontreinigingen die in 1996 zijn aangetoond. Conclusie Er wordt geconcludeerd dat de algehele bodemkwaliteit en de bodemkwaliteit ter plaatse van potentieel verdachte locaties voldoende is vastgelegd. De onderzoeksresultaten leveren ons inziens geen beperkingen op ten aanzien van de voorgenomen herontwikkeling. Bij de herontwikkeling dient wel rekening gehouden te worden met de mogelijk nog aanwezige HBO-tank op de locatie. Indien grond wordt afgegraven (bijvoorbeeld bij bouwwerkzaamheden) en dan de locatie wordt afgevoerd, dient er rekening mee te worden gehouden dat deze grond elders niet zonder meer toepasbaar is.

Met betrekking tot het elders hergebruiken van grond zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing, die doorgaans een grotere onderzoeksinspanning vereisen.

4.10 Natuur en ecologie 4.10.1 Wettelijke kaders De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet Natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven. Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12470811/2