09 Toelichting
Tekst van het document
3.6.2 Hoofdlijnennotitie Parkeren 2016 Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Hoofdlijnennotitie Parkeren. Deze is april 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Wij richten ons als stad op gastvrijheid voor de bezoeker, een betere leefkwaliteit voor bewoners en economische vitaliteit van de binnenstad. Wij willen de beschikbare parkeercapaciteit optimaal benutten. Daar hoort bij dat wij parkeerders op de juiste plek faciliteren, ook voor specifieke voorzieningen zoals deelauto's, elektrische auto's en andere doelgroepen. Het beter benutten van bestaande parkeercapaciteit van garages en terreinen leidt tot minder zoekverkeer en blik in de woonstraten en biedt kansen voor versterking van ruimtelijke kwaliteit en nieuw groen.
De vastgestelde kaders voor het parkeervraagstuk bij bouwontwikkelingen zijn: <0000> Voor het inschatten van de parkeerbehoefte bij nieuwe ontwikkelingen de CROW-richtlijn te hanteren; <0000> In de toepassing van parkeernormen meer vrijstellingen te hanteren, zonder daarbij de (directe) omgeving van de ontwikkeling te belasten met (toekomstige) parkeeroverlast; <0000> Het PPS-gebied in de Spoorzone aan te wijzen als een gebiedsontwikkeling die in zijn eigen parkeerbehoefte moet voorzien, waarbij alleen op (tijdelijke) piekmomenten de parkeercapaciteit in de directe omgeving een uitwijkmogelijkheid is, met name voor bezoekers; <0000> Het basisprincipe te blijven hanteren dat een nieuwe ontwikkeling de parkeerbehoefte op eigen terrein oplost, maar wel de mogelijkheid te bieden af te wijken van deze verplichting zolang daar met voldoende zekerheid geen parkeeroverlast voor de omgeving uit volgt; <0000> Indien wordt afgeweken van het basisprincipe daarvoor het instrument van een afkoopregeling in te zetten, waarmee de afkoopsom de gemeente de gelegenheid geeft om zo nodig maatregelen te treffen om (toekomstige) parkeeroverlast in de omgeving te voorkomen. 3.6.3 nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' zijn de parkeernormen en berekeningsmethode vastgelegd.
Bij het hanteren van de parkeernormen wordt uitgegaan van een minimaal te realiseren aantal parkeerplaatsen. Deze parkeereis dient bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, minimaal te worden gerealiseerd. De hoofdfunctie is bepalend voor de toe te passen parkeernorm. Het CROW kent voor een range
Zorgvlied 2008, 5e herziening (Van Limburg Stirumlaan)
20
aan functies een parkeernorm. Om de parkeernormen overzichtelijk te houden, is ervoor gekozen om de belangrijkste functies die in gemeente voor komen, op te nemen. 3.6.4 Tilburg Fietst!, de Tilburgse Fietsagenda 2020 Het Tilburgs beleid voor de fiets is vastgelegd in 'Tilburg Fietst!, de Tilburgse Fietsagenda 2020', welke door het college is vastgesteld op 8 december 2020. De fietsagenda is een van de vijf uitwerkingen van de Mobiliteitsaanpak Tilburg 2040 (MAT2040) en de MobiliteitsAgenda 013. Hierin is de doelstelling opgenomen dat tweederde van de verplaatsingen binnen de stad in 2040 op actieve wijze plaatsvindt (lopen en fietsen). Fietsen is inclusief, draagt bij aan een duurzame stad en is cruciaal in gezondheidspreventie. De fietsagenda verbindt het Tilburgs fietsbeleid met het Regionaal Fietsbeleidsplan 2016-2020 (regio Hart van Brabant), met de Samenwerkingsagenda BrabantStad Fiets 2019-2022 (de vijf Brabantse steden, de provincie Noord-Brabant en BUas) en met het landelijke Tour de Force 2e etappe Schaalsprong Fiets (samenwerking tussen het Ministerie van I &W, IPO, VNG/F10, vervoerregio's en diverse organisaties waaronder de ANWB en de RAI Vereniging).
3.6.5 Verkeer en parkeren in het plangebied Bij de berekening van de parkeerbehoefte wordt rekening gehouden met zaken als dubbelgebruik, regeling 'oud voor nieuw', rekenregels parkeervoorzieningen bij woningen en het beïnvloeden van de parkeerbehoefte door maatregelen als regulering en mobiliteitsplannen bij bedrijven. Voor het plan is een verkeer en parkeeronderzoek uitgevoerd door GoudappelCoffeng. Dit onderzoek is als bijlage bij dit bestemmingsplan opgenomen. In deze paragraaf volgen de belangrijkste resultaten. Tevens heeft Mobycon parkeerdrukmetingen uitgevoerd in de openbare ruimte. De resultaten hiervan zijn eveneens bijgevoegd. Parkeernorm Tilburg 2017 Volgens de nota ‘Parkeernormen Tilburg 2017’ ligt het plangebied in een zone C. Voor de functiebepaling van de wooneenheden is gebruik gemaakt van een drietal functies uit de hoofdgroep “Wonen”. De normatieve parkeerbehoefte volgens de bijbehorende parkeernormen bedraagt 330 parkeerplaatsen inclusief bezoekersparkeren en 255 parkeerplaatsen voor bewoners. Na bepaling van het aantal parkeerplaatsen op basis van het gemeentelijke beleid is vervolgens verdieping gezocht in de locatie specifieke parkeerbehoefte in samenhang met de doelgroep, dubbelgebruik en parkeerdruk.
Doelgroepensystematiek Gezien de aard en beoogde doelgroep van de ontwikkeling (senioren en alleenstaanden), is een zogenaamde doelgroepensystematiek toegepast. Hierbij is het autobezit bij senioren van 50+ en alleenstaanden in beeld gebracht. Ook is gekeken naar de gebiedsindeling en zijn twee wijken, Staatsliedenbuurt Oost en Staatsliedenbuurt West, met elkaar vergeleken. Uit deze onderzoeken volgt de conclusie dat de parkeernormen voor middel dure en overige wooneenheden naar beneden kan worden bijgesteld. Dit betekent dat bij de middel dure appartementen met een BVO vanaf 70 m2 en de overige wooneenheden met een BVO vanaf 50 m2 de parkeernorm 1,1 bedraagt met een bezoekersaandeel van 0,3. De parkeernorm voor sociale woningbouw heeft een parkeernorm van 0,8 met een bezoekersaandeel van eveneens 0,3. Op basis hiervan is een parkeerbehoefte berekend van 267 parkeerplaatsen. Functie
Aantal
Eenheid
Bewoners
Bezoekers
Eenheid
GGB < BV0 70 m²/ appartementen GGB < BVO 70 – 130 m² / appartementen Sociale woningbouw (appartement)
176 38 38
Stuks Stuks Stuks
0,8 0,8 0,5
0,3 Woning 0,3 Woning 0,3 Woning Totaal (pp) Totaal (pp) afgerond Totaal (PP) afgerond
Bewoners (totaal) 140,8 30,4 19 190,2 191
Bezoekers (totaal) 52,8 11,4 11,4 75,6 76 267
Figuur 3.5 Bepaling gedifferentieerde parkeerbehoefte Dubbelgebruik Uit het figuur 3.5 komt naar voren dat voor het plangebied 267 parkeerplaatsen benodigd zijn, wanneer alle bewoners en bezoekers 100% aanwezig zijn. Echter in de praktijk zijn bewoners en bezoekers op geen enkel
Zorgvlied 2008, 5e herziening (Van Limburg Stirumlaan)
21
dagdeel 100% aanwezig en om die reden wordt het piekmoment bepaald als maatgevend moment. De gemeente Tilburg heeft in haar beleid hiervoor een verdeling gemaakt dat resulteert in de volgende percentages en aantallen.
Figuur 3.6 Berekening dubbelgebruik - percentages. Werkdag Werkdag Werkdag Dagdeel Ochtend Middag Avond Bewoners 96 96 172 Bezoekers 8 16 61 Totaal 104 112 233 Figuur 3.7 Berekening dubbelgebruik - aantallen.
Werkdag Koopavond 153 54 207
Werkdag Nacht 191 0 191
Zaterdag Middag 115 46 161
Zaterdag Avond 153 76 229
Zondag middag 134 54 188
In figuur 3.7 zijn twee getallen belangrijk om het aantal te realiseren parkeerplaatsen vast te stellen. Op de eerste plaats dienen bewoners op eigen terrein te parkeren. Het piekmoment voor de bewonersparkeerplaatsen is het dagdeel 'werkdag-nacht’ op basis daarvan dienen de parkeerplaatsen op eigen terrein te worden gerealiseerd. Het tweede belangrijke getal is het piekmoment voor bewoners en bezoekers. Het dagdeel ‘werkdag-avond’ is met 233 parkeerplaatsen het piekmoment. Omdat 191 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd zijn resteren daarmee 42 parkeerplaatsen welke in de openbare ruimte dienen te worden voorzien. Parkeerdrukmeting Gelet op voorgaande constatering op basis waarvan 42 parkeerplaatsen in de openbare ruimte dienen te worden gebruikt, is onderzocht of er ruimte is om het bezoekersparkeren gedeeltelijk tijdens het piekmoment op te vangen is in de openbare ruimte. Hiertoe is een parkeerdrukonderzoek uitgevoerd door Mobycon, deze is in de bijlage toegevoegd. Er zijn tellingen uitgevoerd op berekende piekmomenten, zijnde een doordeweekse avond. De meest recente tellingen zijn uitgevoerd op dinsdag 6 december 2022, donderdag 8 december 2022. Eerder zijn tellingen uitgevoerd op 10 september 2020, 16 juli 2022 en 21 juli 2022. De meest recente tellingen hebben buiten de schoolvakanties plaatsgevonden.
De tellingen zijn uitgevoerd in een straal van 250 meter rond het plangebied. Waarbij het onderzoeksgebied de wijk ‘De Blaak’ is uitgesloten doordat binnen het onderzoeksgebied geen oversteekplaats is over de Baroniebaan. In totaal zijn er binnen het onderzoeksgebied 730 parkeerplaatsen aanwezig. Na de tellingen mogen op basis van het gemeentelijk beleid binnen een afstand van 250 meter rond het plangebied maximaal 620 parkeerplaatsen bezet zijn. Wanneer er 620 parkeerplaatsen bezet zijn, na het realiseren van het project, is er sprake van een acceptabele parkeerdruk van 85%. Het onderzoek van Mobycon levert de volgende resultaten op: <0000> <0000>
Dinsdag 6 december 2022 Donderdag 8 december 2022
Parkeerplaatsen bezet 443 454
Resterende capaciteit 177 166
Geconcludeerd wordt dat op basis van het gemeentelijk beleid sprake is van een acceptable parkeerdruk. Op basis van het uitgevoerde tellingen kan ook worden geconcudeerd dat binnen een afstand van 200 meter al sprake is van een acceptabele parkeerdruk. Binnen een afstand van 200 meter werden van de 266 "vrije"parkeerplaatsen op 6 december er 155 bezet (64%) en op 8 december 156 (61%). Deelmobiliteit Ten aanzien van het toepassen van deelmobiliteit is in de huidige Nota Parkeernormen nog geen specifiek beleid opgenomen. Daarom is gekeken naar de landelijk gehanteerde en eerder in Tilburg toegepaste norm.
Zorgvlied 2008, 5e herziening (Van Limburg Stirumlaan)
22
Hieruit blijkt dat het gangbaar is dat een deelauto 5 reguliere personenauto fs vervangt, oftewel een reductie van 4 parkeerplaatsen. Aangezien de reductie van het aantal parkeerplaatsen afhankelijk is van het aantal deelauto's dat voorzien wordt bij de ontwikkeling, is in deze studie een bandbreedte bepaald aan de hand van 3 opties: geen deelauto's, 1 deelauto per 30 woningen en 1 deelauto per 20 woningen. Als gevolg van deze berekening ligt de reductie van het aantal parkeerplaatsen tussen de 0 en 52. Bij de ontwikkeling van De Baron is op dit moment nog geen uitwerking gegeven aan de invulling van deelmobiliteit. Wanneer hiervoor wordt gekozen kan dat op basis van eerder genoemde kengetallen verder worden uitgewerkt in samenwerking met de gemeente Tilburg. Verkeersgeneratie In de huidige situatie is het plangebied en kantoorfunctie met een bruto vloeroppervlakte van 4.845 m2. Volgens de kencijfers van het CROW betreft de verkeersgeneratie van deze functie minimaal 156 en maximaal 238 verkeersbewegingen per etmaal. Dit betekent dat in de ochtend- en avondspits als gevolg van de functie 15 tot 25 verkeersbewegingen per uur extra ontstaan ten opzichte van de bestaande situatie. In de toekomstige situatie bestaat het programma bestaat uit 252 appartementen, waarvan 15% sociale huurappartementen en 15% middel dure appartementen zijn.
De middel dure- en sociale huurappartementen hebben een bruto vloeroppervlak van 70 m2 en de overige appartementen (70%) een bruto vloeroppervlak van 50 m2. Bij de berekening van de verkeersgeneratie is onderscheid gemaakt tussen een laag (min.), gemiddeld en hoog (max.) scenario. In het scenario laag bedraagt de verkeersgeneratie op een weekdag 867 motorvoertuigen per etmaal en op een werkdag 957 motorvoertuigen per etmaal. In lijn met de gedifferentieerde parkeerbehoefte is de verwachte verkeersgeneratie lager dan gemiddeld. Er mag dan ook verondersteld worden dat de te verwachten verkeersgeneratie van de ontwikkeling het best aansluit bij het scenario laag. Als gevolg van de ontwikkeling op de Van Limburg Stirumlaan neemt de verkeersgeneratie toe. Ook draaien de aankomsten en vertrekken in ochtend- en avondspits om: bij een kantoorfunctie zijn de meeste aankomsten in de ochtendspits, terwijl bij woningen in de ochtendspits de meeste vertrekken zijn. Omdat de aankomsten en vertrekken omdraaien, is gekeken met behulp van de rekentool COCON wat voor effect dit heeft op de verkeersregeling op het kruispunt Van Limburg Stirumlaan met de Ringbaan West. Dit kruispunt maakt momenteel onderdeel uit van een groene golf op de Ringbaan West.
Uit deze berekening is gebleken dat het kruispunt zowel in de ochtend- als avondspits voldoende capaciteit heeft in de regeling om het extra verkeer te verwerken. Wel is er een klein effect waarneembaar op de groene golf: verkeer aan het begin van het peloton moet mogelijk de snelheid iets inhouden bij het begin van de groene golf. De groentijd blijft wel voldoende om al het verkeer vervolgens te kunnen verwerken. Daarnaast is er gekeken naar de afwikkeling in 2030 op het kruispunt Ringbaan West-Van Limburg Stirumlaan, dit rapport is als bijlage bij dit bestemmingsplan opgenomen. Het onderzoek is verricht op basis van de huidige situatie. Voor deze berekening zijn twee varianten doorgerekend, de eerste variant gaat uit zonder ontwikkeling aan de Van Limburg Stirumlaan, de andere variant is doorgerekend met de ontwikkeling aan de Van Limburg Stirumlaan. Beide varianten zijn bekeken met behulp van rekentool COCON. In de bijgaande notitie zijn ter vergelijking ook de eerdere rekenresultaten toegevoegd. Bij de resultaten valt op dat de berekende cyclustijden bij de modelintensiteiten voor 2030 lager zijn dan de berekende cyclustijden voor de huidige situatie (telcijfers 2021). Dit komt doordat de modelintensiteiten op de recht doorgaande richtingen op de Ringbaan West een stuk lager zijn dan de huidige telling.
Het verkeersmodel laat in de avondspits wel een flinke toename zien op richting 02 (linksaf vanaf Rooseveltplein). De resultaten geven aan dat in beide varianten een overschrijding plaatsvindt. Dit betekent dat het kruispunt met en zonder de ontwikkeling ten allen tijde dient te worden aangepast met een apart linksafvak vanaf het Rooseveltplein. Doordat beide varianten (met en onder ontwikkeling) zorgen voor een te grote verkeersintensiteit, is het probleem niet te relateren aan de nieuwe ontwikkeling. Daarnaast is de gemeente voornemens om de ringbaan aan te passen maar is rekenkundig uitgegaan van de huidige situatie. Fietsroutes:
Zorgvlied 2008, 5e herziening (Van Limburg Stirumlaan)
23
Vanuit het plangebied kan snel worden aangesloten op de verschillende fietsroutes langs de Bredaseweg of ringbaan West. Daarnaast kan vanuit het kruispunt 'Baron van Lamsweerdelaan' en 'Vierwindenlaan' het 'Dongepad' gevolgd worden, die vervolgens verder gaat in het Roerpad waar verschillende richtingen buiten de stad kan worden gefietst. Openbaar vervoer: Het gebied is goed bereikbaar met het openbaar vervoer. Op loopafstand (ca. 250 meter) ligt het busstation Burgemeester Damsstraat, lijnbus 7 rijdt richting de Blaak en het centraal station van Tilburg. Verderop (ca. 400 meter) is het busstation 'Tilburg Ringbaan West / Burgermeester Rauppstraat', hier kan men opstappen op lijnbussen 7, 132, 450, 637. Afvalinzameling Voor de afvalinzameling gelden de richtlijnen zoals deze door het BAT zijn opgesteld. Bij bepalen van de locatie van de afvalinzameling dient rekening gehouden te worden met bereikbaarheid van de plek en voor voldoende opstelruimte van de vuilniswagen. Dat geldt voor zowel ondergrondse containers als voor losse containers. Dit wordt in de verdere planuitwerking uitgewerkt. Noodhulpdiensten Het gebied moet bereikbaar zijn voor noodhulpdiensten volgens de bijbehorende bereikbaarheidseisen.
Zorgvlied 2008, 5e herziening (Van Limburg Stirumlaan)
24
Hoofdstuk 4 Milieuaspecten 4.1 Inleiding 4.2 Milieueffectrapportage 4.2.1 Algemeen Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een M.e.r. beoordeling opgesteld moet worden. Voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien: 1. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.; 2. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet (Nbw) is vereist. ad a. In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings)plichtig. Dit project kan aangeduid worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (bijlage D 11.2). Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r. beoordelingsplichtig indien het betreft een gebied met een oppervlakte van meer dan 100 hectare, of meer dan 2000 woningen of meer dan 200.000 bruto vloeroppervlakte bevat. Aan al deze criteria voldoet het plangebied niet dus op grond hiervan is geen m.e.r. nodig. Echter, op 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Een van de belangrijkste gevolgen van deze wetswijziging is dat de effecten voor alle in het Besluit m.e.r.
genoemde activiteiten van de D-lijst door middel van een vormvrije m.e,r,-beoordeling in beeld moeten worden gebracht. Het maakt daarvoor niet uit of een activiteit onder of boven de D-drempel waarde zit. Omdat de voorgenomen activiteit voorkomt in kolom 1 van de D-lijst dient dus wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden verricht. Hiertoe dient een aanmeldnotitie te worden opgesteld op basis waarvan beoordeeld wordt of het noodzakelijk is een milieueffectrapportage op te stellen. ad b. Binnen het plangebied zijn geen Natura2000 of NNN-gebieden aanwezig. De voorgenomen ontwikkeling heeft derhalve geen directe effect op de Natura2000- of NNN-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied bevindt zich op circa 3 kilometer van het plangebied. Vanwege de afstand leidt alleen stikstofdepositie tot mogelijke negatieve effecten op het natuurgebied. Er heeft een vormvrije mer beoordeling plaatsgevonden (zie bijlage). Uit dit rapport blijkt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van kenmerken en locatie van het plan, die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ter plaatse. Voor de meeste milieuaspecten geldt dat er geen effecten optreden, dan wel dat deze effecten met mitigerende maatregelen worden beperkt, zodat voldaan wordt aan de geldende wet- en regelgeving.
Er is daarom geen aanleiding of noodzaak voor het doorlopen van een formele m.e.r.-(beoordelings)procedure of m.e.r.-procedure.
4.3 Milieuhinder bedrijven Bij het beoordelen van de (binnen het plangebied of elders gelegen) bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG-brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een ggemiddeld h modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een 'rustige woonwijk'. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden. Indien functies direct naast elkaar gelegen zijn, kan gesproken worden van een 'gemengd gebied'. De VNG-brochure geeft de volgende definitie aan voor gemengd gebied: gEen gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine
Zorgvlied 2008, 5e herziening (Van Limburg Stirumlaan)
25
bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Daarnaast gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen. In dit geval ligt het plangebied tussen woonwijken, een benzineservicestation en hoofdinfrastructuur. Derhalve is sprake van een gemengd gebied. Het naastgelegen bedrijf betreft een benzineservicestation met LPG tot 1.000 m3 per jaar. Hiervoor geldt milieucategorie 2 met de volgende richtafstanden: - Veiligheid: 50 meter; - Geur: 30 meter; - Stof: 0 meter; - Geluid: 30 meter. Het aspect veiligheid wordt in paragraaf 4.4 'Externe veiligheid' van deze toelichting nader onderzocht en onderbouwd. De overige afstanden kunnen vanwege de ligging in gemengd gebied met een stap verlaagd worden naar 10 meter. De werkelijke afstand tussen de grens van de inrichting en de grens van het plangebied bedraagt minimaal 11 meter waarmee aan de richtafstanden wordt voldaan. Het bouwvlak ligt zelfs op grotere afstand. Naast het benzineservicestation zijn er geen inrichtingen die van invloed zijn op het plangebied. Voor de volledigheid wordt de invloed van het bedrijf Bosch Transmission Technology B.V. nog beschouwd. Dit bedrijf kent milieucategorie 4.1 met een grootste richtafstand van 200 meter. De daadwerkelijke afstand bedraagt 790 meter waardoor er geen sprake is van een hinder van en belemmering voor deze inrichting.
Wel kan het nog invloed hebben voor het aspect externe veiligheid. Dit wordt in de volgende paragraaf beschouwd. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.4 Externe veiligheid 4.4.1 Inleiding Het aspect externe veiligheid brengt de risico's in kaart die ontstaan door risicobronnen in de omgeving. In verschillende wetten en regelingen zijn normen en richtlijnen opgenomen om de externe veiligheid te waarborgen. Het algemene Rijksbeleid voor externe veiligheid is erop gericht om risico's voor de omgeving te beperken en beheersen vanwege: - Het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen door bedrijven (inrichtingen); - Het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, waterwegen, spoorwegen en buisleidingen); - Het gebruik van luchthavens. Dat gebeurt onder andere om te voorkomen dat te dicht bij kwetsbare bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, om de zelfredzaamheid te bevorderen en om de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. Voor ruimtelijke ontwikkelingen moet getoetst worden aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit.
Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (die als wettelijke grenswaarde fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat een bepaald aantal mensen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De hoogte van het groepsrisico hangt af van: 1. de kans op een ongeval; 2. het effect van het ongeval; 3. het aantal personen dat in de omgeving van de bron (inrichting of transportroute) verblijft; 4. de mate waarin de personen in de omgeving beschermd zijn tegen de gevolgen van een ongeluk.
Zorgvlied 2008, 5e herziening (Van Limburg Stirumlaan)
26
Het groepsrisico wordt uiteengezet in het aantal dodelijke slachtoffers en de kans per jaar op tenminste dat aantal slachtoffers. Het groepsrisico wordt bepaald binnen het zogenaamde invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Hoe meer personen per hectare in het invloedsgebied aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiele) slachtoffers is, en hoe hoger het groepsrisico. 4.4.2 Risicobeoordeling De risicokaart is de kaart waarop risico fs worden weergegeven die kunnen leiden tot rampen en ongevallen. Een uitsnede van de risicokaart met de omgeving van de planlocatie wordt weergegeven in onderstaande figuur. De aanwezigheid van een ruimtelijke ontwikkeling in het invloedsgebied van een risicovolle inrichting, transportroute, buisleiding of hoogspanningsleiding bepaalt of er een verantwoordingsplicht van het groepsrisico geldt. Cauberg Huigen heeft een beoordeling van het aspect externe veiligheid gemaakt. Dit rapport is als bijlage bij dit bestemmingsplan opgenomen. In deze paragraaf volgen de belangrijkste bevindingen van dit onderzoek.
Figuur 4.1 Uitsnede risicokaart (risicokaart.nl) 4.4.3 Inrichtingen (bedrijven) Op circa 790 meter ten zuiden van de planlocatie bevindt zich het bedrijf Bosch Transmission Technology B.V. De betreffende inrichting heeft een Pr 10-6 contour van circa 25 meter. Het plangebied bevindt zich in de grootste EV zone. Deze inrichting heeft geen invloed op de planlocatie maar een verantwoording van het groepsrisico is noodzakelijk. Op de risicokaart is te zien dat zich naast het plangebied een risicovolle inrichting bevindt. Deze inrichting betreft een ondergronds LPG-reservoir. Het invloedsgebied van dit LPG-reservoir betreft 150 meter en de onderhavige locatie bevindt zich hierbinnen. Derhalve is door Cauberg Huygen een berekening van het groepsrisico gemaakt. Dit onderzoek is tevens als bijlage bij dit bestemmingsplan opgenomen. Plaatsgebonden risico Binnen de vastgestelde PR 10-6-contouren rond de LPG-installaties bevinden zich geen (beperkt) kwetsbare objecten.
Zorgvlied 2008, 5e herziening (Van Limburg Stirumlaan)
27
Groepsrisico Het groepsrisico neemt toe van 0.04 naar 0.37 maal de orientatiewaarde. Het groepsrisico moet in alle gevallen worden verantwoord conform artikel 13 van het Bevi. Effectafstand De realisatie van de appartementen (kwetsbare objecten) binnen de 60m effectafstand rond het LPG-vulpunt dient te worden gemotiveerd. Cauberg Huygen heeft een verantwoording van het groepsrisico en een motivering van de effectafstand gemaakt. Dit rapport is opgenomen als bijlage bij dit bestemmingsplan. Navolgend wordt de verantwoording uit het rapport uiteengezet. Effectafstand Voor de verantwoording van het risico moet ook rekening worden gehouden met de zogeheten effectbenadering. Voor (beperkt) kwetsbare objecten geldt de 60 m effectafstand en als (beperkt) kwetsbare objecten binnen deze afstand komen te liggen, dan moet deze situatie verantwoord worden. Hetzelfde geldt voor zeer kwetsbare objecten binnen de 160 m effectafstand. Het plangebied bevindt zich gedeeltelijk binnen de 60 m effectafstand. Binnen het plangebied zijn geen zeer kwetsbare objecten gesitueerd of geprojecteerd. De 160 m effectafstand legt daarmee geen beperkingen op aan het plan. De afstand van 60 meter is gebaseerd op de effecten van het meest risicorelevante ongevalscenario (het ongevalscenario dat het meest bijdraagt aan het plaatsgebonden risico). In die zin bevat deze effectafstand tevens een risico-element.
Het meest risicorelevante scenario voor een LPG-tankstation is een slangbreuk met een daarop volgende fakkelbrand van het ontsnapte LPG. 60 meter is de afstand vanaf het vulpunt waarop slachtoffers kunnen vallen wanneer dit scenario optreedt. Op deze afstand is de warmtestraling 10 kW/m2, samenvallend met de 1% letaliteitsgrens voor onbeschermde personen. Dit neemt niet weg dat er ook andere scenario fs denkbaar zijn die in het kader van de incidentbestrijding een rol kunnen spelen. Die andere scenario fs worden echter in onderhavig kader niet betrokken bij het vaststellen van de effectafstand voor (beperkt) kwetsbare objecten. Op basis hiervan kan gesteld worden dat, wanneer we uitgaan van 10 kW/m2 op 60 meter (de effectafstand) het pand voldoende beschermd wordt, omdat de toetsingswaarde voor Bouwbesluit 15 kW/m2 is. Omdat het pand zich maar voor een klein deel binnen de 60 meter bevindt en vanuit de bouwregelgeving een gevel minimaal moet voldoen aan 15 kW/m2, kan het plan ook voldoen aan de 10 kW/m2. In de circulaire effectafstanden LPG-tankstations is het een invloedsgebied van een LPG-incident met een stralingswarmte van 10 kW. Als bewoners door dit invloedsgebied moeten vluchten is dit een te hoge straling. De oplossing is dat via een andere kant van het gebouw (Noordkant) de ontvluchting plaatsvindt.
Dit is in het overleg van 13 april 2022 met de Brandweer besproken en staat nu ook op de tekening. Verantwoording groepsrisico Omdat het plangebied niet binnen de gemeentelijke gedefinieerde beleidskaders valt en er geen planologische kaders zijn, moet er maatwerk geleverd worden voor de verantwoording. Het plan gebied valt in twee contouren, de eerste contour is het invloed gebied van een inricht genaamd Bosch Transmission Technology B.V. gezien de afstand zal de blootstelling aan toxische wolk het bepalende scenario, de tweede contour betreft het LPG tankstation. Daarnaast kunnen ook invloedsgebieden van kleinere transportassen over het beoogde plangebied liggen, echter hier zijn de transporthoeveelheden dermate laag dat de risico's voldoende beheersbaar zijn. Uitgaande van de diverse elementen van de verantwoordingsplicht leidt dit tot de volgende generieke verantwoording. Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico De mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico door maatregelen bij de risicobron zijn beschreven in de Beleidsvisie Externe Veiligheid. De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beinvloeden van de personendichtheid is binnen het plangebied een beperkt item.
Zorgvlied 2008, 5e herziening (Van Limburg Stirumlaan)
28
Het beperkte zit er in dat het moment van de hoogste personendichtheid niet overeenkomt met het hoogste risico moment. Statistisch is in de nachtperiode de grootste personendichtheid. Terwijl het grootste risico op incidenten in de dagperiode is. In de huidige situatie is het hoogste aantal personen in de dagperiode waarbinnen ook de grootste kans is op een incident. De toekomstige situatie heeft een positief effect op het groepsrisico. De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Op deze afstand van de risicobron speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk een rol. De bestrijding vindt plaats bij de bron, maar is zeer toegankelijk voor de hulpdiensten. De bron is van drie zijden goed te benaderen. Ten aanzien van de algemene mogelijkheden van de bestrijdbaarheid wordt verwezen naar desbetreffende onderdelen van de Beleidsvisie Externe Veiligheid. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Omdat er twee risico fs aanwezig zijn (toxische wolk en LPG tankstation) zijn er ook twee benaderingen voor de zelfredzaamheid. Voor de blootstelling aan een toxisch wolk, biedt 'schuilen' de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters.
Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Aanpassing van bijvoorbeeld oude woningen op dit punt is ingrijpend en kostbaar. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met een druk op de knop uit te schakelen. Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. De locatie is gelegen in de bebouwde kom van Tilburg. Binnen de bebouwde kom is voldoende dekking van de Waarschuwings- en alarmeringsinstallatie (WAS-installatie). Daarnaast is NL Alert operationeel voor vele mobiele telefoons. Op deze wijze is de risicocommunicatie vooralsnog voldoende geborgd. Voor de blootstelling aan een incident bij een LPG tankstation, biedt vluchten de beste wijze van zelfredzaamheid. Het meest realistische scenario voor een LPG tankstation is een incident met een tankwagen (laden en lossen).
Het scenario hiervoor is dat door een incident er een brand ontstaat welke de tankwagen doet opwarmen. Wanneer de inhoud van de tankwagen de kritische waarde bereikt zal de tankwagen detoneren (explosie). Tussen het incident en het effect zit een reactietijd, deze reactietijd kan gebruikt worden voor ontruiming. Wanneer de vluchtwegen van de bron (afgeschermd van de bron) zijn is dat de meest ideale situatie. Bij het ontwerp kan rekening gehouden worden met de situering van vluchtwegen. Het ontwerp van het gebouw houdt al rekening met afscherming van de bron, wat zeer gunstig is voor het vluchten bij een incident. Conclusie Door de ontwikkeling zal er sprake zijn van een toename van de populatie voor het plangebied, maar de toename zal anders verdeeld zijn (dag/nacht) dan in de huidige situatie. Het plan gebied ligt buiten de 10-6 contouren van het LPG-tankstation. De effectafstand kan aan voldaan worden omdat de toetsingseis voor het Bouwbesluit 15 kW/m2 is en het bouwblok maar voor een klein deel in de effectcirkel van de 60 meter zit. Op basis van de generieke verantwoording van de gemeente Tilburg hoeft er niet meer gedaan te worden dan (centraal) afsluitbare ventilatie. De overige maatregelen zijn op andere plaatsen geborgd.
4.4.4 Transport gevaarlijke stoffen Het invloedsgebied van de transportassen over de weg en het spoor met gevaarlijke stoffen verschilt per transportas. In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de wegen en sporen met de stofcategorie die zorgt voor het grootste invloedsgebied.
Zorgvlied 2008, 5e herziening (Van Limburg Stirumlaan)
29
Uit de bovenstaande tabel blijkt dat in de omgeving van het plangebied zich twee risicobronnen bevinden die relevant zijn om te beschouwen in relatie tot de voorgenomen ontwikkeling, te weten de A58 en het spoortraject Breda - Tilburg - Vught. Rijksweg A58 De Rijksweg A58 ligt ongeveer 1000 meter ten zuiden van het plangebied. Over deze weg vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van deze snelweg (>4000 meter; stofcategorieen GT4). Plaatsgebonden risico In de Regeling basisnet is voor het trajectdeel van de A58 ter hoogte van het plangebied een PR 10-6-plafond opgenomen van 24 meter. Deze contour reikt niet tot het plangebied. Het plaatsgebonden risico vormt daarom geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Groepsrisico Het groepsrisico van de A58 is lager dan de orientatiewaarde en kent geen toename omdat een ontwikkeling op meer 200 meter afstand geen invloed heeft op de hoogte van het groepsrisico. Omdat de beoogde woningbouwlocatie binnen het invloedsgebied van de weg is gelegen, is een beperkte verantwoording van het groepsrisico (zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) conform het Bevt verplicht. Aangezien een toxische wolk het maatgevend scenario is kan worden aangesloten bij de verantwoording van het groepsrisico voor de inrichtingen. Spoortraject Breda - Tilburg - Vught Het spoortraject Breda . Tilburg .
Vught bevindt zich ten noorden van het plangebied. Over deze spoorlijn vindt, conform de Regeling basisnet, transport van gevaarlijke stoffen plaats. De afstand tussen het spoortraject en het plangebied bedraagt circa 1650 meter, het plangebied ligt daarmee binnen het invloedsgebied van de spoorlijn (>4000 meter; stofcategorie D4). Plaatsgebonden risico Het risicoplafond van het vervoer van gevaarlijke stoffen is vastgelegd in de Regeling basisnet. Hierin staat vermeld dat er voor het spoortraject ter hoogte van het plangebied sprake is van een maximale PR 10-6-contour van 8 meter (spoorlijn Breda . Tilburg). Deze contour reikt niet tot het plangebied en vormt daarmee geen belemmering voor de ontwikkeling. Groepsrisico Het groepsrisico van de spoorlijnen ligt ter plaatse van het plangebied onder de orientatiewaarde, gezien het GR-plafond 10-7 van 57 meter en het GR-plafond 10-8 van 221 meter. De hoogte van het groepsrisico van de spoorlijnen zal door de voorgenomen ontwikkelingen geen toename kennen, een ontwikkeling op een afstand zoals deze (1650 meter) is niet van invloed op het groepsrisico. Omdat de ontwikkelingslocatie binnen het invloedsgebied van het spoortraject is gelegen, is een beperkte verantwoording van het groepsrisico (zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) conform het Bevt verplicht.
Aangezien een toxische wolk het maatgevend scenario is kan worden aangesloten bij de verantwoording van het groepsrisico voor de inrichtingen. 4.4.5 Buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen worden de veiligheidsaspecten behandeld van hogedruk buisleidingen. Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een hogedruk buisleiding. Daarom is dit externe veiligheidsaspect buiten beschouwing gelaten in de groepsrisicoverantwoording.
Zorgvlied 2008, 5e herziening (Van Limburg Stirumlaan)
30
4.5 Geluid Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (Wgh) het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriele activiteiten. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden. Op basis van de Wet geluidhinder dienen de geluidsgrenswaarden in acht te worden genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarbij van het bestemmingsplan wordt afgeweken, binnen de zones rondom wegen en indien de vergunning mogelijkheden biedt voor: <0000> De realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen; <0000> De aanleg van een nieuwe weg en/of reconstructie van een bestaande weg; <0000> Functiewijziging van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie. 4.5.1 Wegverkeerlawaai Het plangebied ligt in de geluidzone van de Baroniebaan en de Ringbaan-West De geplande geluidgevoelige bestemmingen (woningen) betreffen een nieuwe situatie in de zin van de Wet geluidhinder. In het kader van het bestemmingsplan dienen de geluidbelastingen en mogelijke maatregelen inzichtelijk gemaakt te worden. Daarbij is een akoestisch onderzoek uitgevoerd in het kader van de Wet geluidhinder. Dit onderzoek is als bijlage bij dit bestemmingsplan opgenomen.
In deze paragraaf volgen de belangrijkste resultaten. De overige wegen rondom het plangebied zijn uitgevoerd als 30 km/uur wegen, die volgens de Wet geluidhinder geen geluidzone hebben. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de invloed van de nabijgelegen 30 km/uur wegen wel inzichtelijk gemaakt. Het gaat om de volgende weg: van Limburg Stirumlaan. Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer op de Baroniebaan ten hoogste 62 dB en ten aanzien van de Ringbaan West ten hoogste 60 dB (inclusief aftrek art. 110g Wgh) bedraagt, hiermee wordt de voorkeurgrenswaarde van 48 dB overschreden. De maximaal te ontheffen waarde van 63 dB wordt echter niet overschreden. De gecumuleerde geluidbelasting (LVL,cum) als gevolg van het verkeer op alle wegen samen bedraagt op de gevel van de woonappartementen ten hoogste 65 dB Lden zonder aftrek. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB per wegdeel wordt dus niet overschreden. Wanneer bron- of overdrachtsmaatregelen niet getroffen kunnen worden, is het nodig een hogere grenswaardeprocedure te doorlopen. Hierbij dient een toetsing aan het gemeentelijk geluidbeleid uitgevoerd te worden. Er is onderzocht of hier aan voldaan kan worden: <0000> Bij toepassing van een stil type asfalt zal nog steeds niet overal aan de voorkeursgrenswaarde worden voldaan. Hiermee is de maatregel niet doeltreffend.
<0000> Toepassing van overdrachtsmaatregelen zijn onrealistisch vanwege de hoogte van de beoogde nieuwbouw. Snelheidsverlaging en het terugdringen van de verkeersintensiteiten is gezien de verkeersfunctie van de van de Ringbaan West en de Baroniebaan niet realiseerbaar. <0000> Bij het verlenen van hogere waarden voor woningbouw eist de gemeente Tilburg dat iedere woning ten minste over een geluidluwe gevel beschikt en dat de buitenruimte van de woning aan een geluidluwe gevel is gelegen, bij een hogere waarde van meer dan 53 dB wegverkeerslawaai. Aan de geluidluwe gevel dient tenminste een verblijfsruimte (bij voorkeur in te richten als slaapkamer) te zijn gelegen. Ter plaatse van de oostgevel is een geluidluwe gevel aanwezig, aan deze gevel dienen verblijfsruimtes (bij voorkeur in te richten als slaapkamer) te worden gesitueerd. In de geluidluwe gevel moet een te openen deel (raam of deur) aanwezig zijn ten behoeve van het (spui)ventileren. Uit het onderzoek blijkt dat het plan aan het gemeentelijk geluibeleid kan voldoen en hogere grenswaarden kunnen worden aangevraagd. Aansluitend dient ook een gevelweringsonderzoek uitgevoerd te worden om de binnenwaarde uit het Bouwbesluit te garanderen. Dit onderzoek wordt uitgevoerd. 4.5.2 Railverkeerlawaai De planlocatie is niet binnen de geluidzone van het spoor. Railverkeerlawaai hoeft dan ook niet te worden onderzocht.
4.5.3 Industrielawaai De planlocatie is niet binnen de geluidzone van een gezoneerd industrieterrein gelegen. Industrielawaai hoeft dan ook niet te worden onderzocht. 4.5.4 Luchtvaartlawaai
Zorgvlied 2008, 5e herziening (Van Limburg Stirumlaan)
31
Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze-Rijen gelden in delen van Tilburg geluidcontouren (de zogenaamde Ke-contouren). Deze contouren liggen niet over het plangebied.
4.6 Lucht Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De bestemmingen in het plangebied zijn getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen uit hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Als aan minimaal een van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: 1. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; 2. een project leidt . al dan niet per saldo . niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; 3. een project draagt gniet in betekenende mate h (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; 4. een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit). De verkeersgeneratie neemt in de toekomstige situatie toe met 629 mvt/etmaal.
Invoer in de NIBM tool laat zien dat het project kan worden gekenmerkt als een "niet in betekenende mate"-project, zoals bedoeld in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). Zie onderstaande figuur.
Figuur 4.2 Uitsnede NIBM-tool Vanuit "een goede ruimtelijke ordening" van tevens gekeken naar de luchtkwaliteit ter hoogte van het plangebied. Hierbij is gebruik gemaakt van gegevens uit de NSL-monitoringstool. In de monitoringstool zijn rekenpunten gelegd langs de Baroniebaan. Uit de tool blijkt dat de berekende concentraties NO2, PM10 en PM2,5 allen ruim onder de geldende grenswaarden liggen (40 ug/m3, jaargemiddelde grenswaarde voor NO2 en PM10 en 25 ug/m3 voor PM2,5). Vanuit luchtkwaliteit is er dan ook geen bezwaar tegen de vaststelling van dit bestemmingsplan.
4.7 Geur 4.7.1 Industriele geurhinder
Zorgvlied 2008, 5e herziening (Van Limburg Stirumlaan)
32
In en om het plangebied wordt geen zware industrie toegestaan. Hier zal dus ook geen sprake zijn van industriele geurhinder. 4.7.2 Agrarische geurhinder In en om het plangebied worden geen agrarische bedrijven toegestaan. Hier zal dus ook geen sprake zijn van agrarische geurhinder.
4.8 Bodem In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een uitvoerig bodemonderzoek. Vanwege de beoogde bestemmingswijziging en de nieuwbouw is het noodzakelijk inzicht te krijgen in de bodemkwaliteit. Derhalve is door Econsultancy een verkennend bodemonderzoek en onderzoek naar asbest in puin uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen. Verkennend bodemonderzoek Op basis van het milieuhygienisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat deze deellocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "onverdacht, niet lijnvormig" (ONV-NL). Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is. Uit het veldonderzoek blijk dat de bovengrond plaatselijk licht verontreinigd is met cadmium, koper, kwik en lood. De zwak baksteenhoudende ondergrond is licht verontreinigd met kwik. In het grondwater is plaatselijk een lichte verontreiniging met barium aangetoond.
De achtergrondwaarden worden hierbij niet overschreden. De bodemkwaliteit vormt daarmee geen belemmering voor het toekomstige gebruik. Asbest in puin onderzoek Onderzocht dient te worden volgens de strategie voor 'afgedekte funderingslagen'. Op het maaiveld en in het opgegraven en opgeboorde materiaal zijn zintuiglijk in de fractie > 20 mm geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. Analytisch is in de puinmengmonsters (fractie < 20 m) plaatselijk wel asbest aangetoond. Aangezien het maximaal indicatief berekend asbestgehalte slecht in zeer geringe mate de helft van de hergebruikswaarde (50 mg/kg d.s.) overschrijdt en in de overige gaten een lager indicatief berekend asbestgehalte is vastgesteld, is het statistisch aannemelijk dat ook in een nader onderzoekstraject het gemiddelde gehalte van de verontreiniging per RE (ruimtelijke eenheid van maximaal 1.000 m2) de hergebruikswaarde niet zal worden overschreden. Een nader onderzoek asbest in puin wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. In geval van (grond)werkzaamheden op de locatie, met uitzondering van mobiel zeven, worden ten aanzien van asbest geen specifieke maatregelen voorzien. Conclusie De resultaten van het bodemonderzoek vormen geen aanleiding voor nader onderzoek in het kader van de bestemmingsplanwijziging.
Na de sloop van de huidige bebouwing dient wel een onderzoek ter plaatse van de slooplocaties te worden uitgevoerd. Dit omdat sloopactiviteiten als een bodembedreigende activiteit worden beschouwd. Tevens zal na verwijdering van de funderingslaag, waarin asbesthoudend materiaal is aangetroffen, een actualiserend onderzoek moeten plaatsvinden. Ten slotte moet de vermoedelijke slootdemping nog worden onderzocht conform het protocol slootdempingen van de gemeente Tilburg. Dit aanvullend onderzoek wordt na sloop van de huidige bebouwing worden uitgevoerd, waardoor deze bruikbaar is voor de aanvraag van een bouwvergunning.
4.9 Natuur en ecologie 4.9.1 Wettelijke kaders De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet natuurbescherming voorziet ten opzichte
Zorgvlied 2008, 5e herziening (Van Limburg Stirumlaan)
33
van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven. Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend. Het hoofdstuk 'Soorten' heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieen en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.
Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieen: <0000> Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats (deze soorten zijn benoemd in het document "Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep", Dienst Regelingen, 2009. Hierin worden 4 categorieen vogels genoemd waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn, en een categorie 5 waarvan de nesten onder bepaalde voorwaarden jaarrond beschermd zijn); <0000> Overige inheemse broedvogels; <0000> Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn; <0000> Nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling (de algemene vrijstellingen zijn door iedere provincie in verordeningen vastgelegd. In Noord-Brabant zijn de vrijgestelde soorten benoemd in de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant); <0000> Nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling. Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen.
Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode. Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rust-en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode.
Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geintroduceerd in het 'Natuurbeleidsplan' (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Verordening ruimte Noord-Brabant 2014. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het
Zorgvlied 2008, 5e herziening (Van Limburg Stirumlaan)
34
provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de "ja-mitsbenadering". De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw. 4.9.2 Analyse plangebied Om het effect op beschermde natuurwaarden in beeld te brengen is door Natuurinclusief een Natuurtoets en Boominventarisatie uitgevoerd, deze is als bijlage opgenomen. In deze paragraaf volgen de resultaten van het onderzoek. Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt op circa 3 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied, Regte Heide & Riels Laag. Ecologische effecten op dit natuurgebied zijn niet te verwachten. De werkzaamheden bestaan uit het slopen van oude kantoorpanden en het nieuwbouwen van een woningcomplex.
De herinrichting van het plangebied zal geen invloed hebben op het Natura 2000-gebieden met betrekking tot de punten: verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door licht, oppervlakteverlies, versnippering, verstoring door trilling, verstoring door mechanische effecten. De invloeden van stikstofdepositie ten gevolge van de werkzaamheden zijn met deze natuurtoets niet in te schatten. Hiervoor zijn twee aparte stikstofberekeningen uitgevoerd welke tevens als bijlage bij dit bestemmingsplan zijn opgenomen. Uit de uitgevoerde berekeningen voor de bouwfase en gebruiksfaes blijkt dat er geen sprake is van een stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr ten opzichte van de referentiesituatie. In de gebruiksfase is er zelfs sprake van een afname van stikstofdepositie tussen de 0,00 en 0,02 mol/ha/jr. De stikstofemissie in de referentiesituatie kan worden opgevoerd als mitigerende maatregel / vergelijking voor de stikstofemissie in de bouwfase en de stikstofemissie in de gebruiksfase. In de referentiesituatie was er sprake van gebruik als 'kantoor'. Er staan 3 kantoorpanden met een totaal vloeroppervlakte van 4.250m². De drie kantoorpanden hebben respectievelijk energielabel C,F en G. Het in gebruik hebben van appartementen en commerciële ruimte zal niet leiden tot mogelijke significante negatieve effecten op nabijgelegen Natura 2000-gebieden.
Het in gebruik hebben van appartementen leidt dan ook met zekerheid niet tot mogelijke significante negatieve effecten op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Natuurbescherming in Interim Omgevingsverordening Het plangebied ligt aan de rand van het centrum van Tilburg. Het dichtstbijzijnde gebied dat behoort tot het Natuurnetwerk bevindt zich op ruim 1 kilometer van het plangebied. Ecologische effecten op dit gebied zijn niet te verwachten. De werkzaamheden bestaan uit het slopen van oude kantoorpanden en het nieuwbouwen van een woningcomplex. De herinrichting van het plangebied zal geen invloed hebben op het Natuurnetwerk met betrekking tot de punten: verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door licht, oppervlakteverlies, versnippering, verstoring door trilling, verstoring door mechanische effecten. Soortenbescherming De aanwezigheid van gebouw- en boombewonende vleermuizen, eekhoorn, ransuil en sperwer kan binnen het plangebied niet worden uitgesloten. Aanvullen onderzoek naar deze soorten is noodzakelijk. Wat betreft de mogelijke verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuissoorten kan er gebruik gemaakt worden van de gebiedsgerichte ontheffing Oude Stad Tilburg. Op basis van de eisen van de factsheets kan gekozen worden of er gebruik wordt gemaakt van de gebiedsgerichte ontheffing of regulier aanvullend onderzoek de voorkeur heeft.
Door Natuurinclusief is in de periode van mei tot en met september ecologisch onderzoek naar de ransuil, sperwer en naar gebouwbewonende en boombewonende vleermuissoorten uitgevoerd. Tijdens het ecologisch onderzoek zijn er geen tekenen of sporen van ransuil, sperwer en boombewonende vleermuissoorten
Zorgvlied 2008, 5e herziening (Van Limburg Stirumlaan)
35
gevonden. Er is een paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis gevonden. Onderzoek naar eekhoorn was niet noodzakelijk omdat de kap van de bomen buiten de kwetsbare periode van de soort wordt uitgevoerd. Naar aanleiding daarvan is een ecologisch werkprotocol opgesteld om zorg te dragen voor een goede implementatie van de voorwaarden van de gebiedsgerichte ontheffing en om voldoende zorgplichtig te werken. Het werkprotocol is een document waarin beschreven staat waar en wanneer welke werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden en onder welke voorwaarden. Tevens wordt er aangegeven welke maatregelen uitgevoerd dienen te worden. Dit is tevens als bijlage bij dit bestemmingsplan opgenomen. Conclusie Met inachtneming van het ecologisch werkprotocol vormt het onderdeel ecologie geen belemmering voor het planvoornemen.
4.10 Kabels en leidingen Bij ruimtelijke ingrepen dient de initiatiefnemer rekening te houden met planologisch relevante kabels en leidingen. Onder planologisch relevante kabels en leidingen wordt verstaan: <0000> hoogspanningsverbindingen van 50 Kv en hoger; <0000> buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 millimeter en een druk van meer dan 16 bar; <0000> buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 millimeter en een druk van meer dan 16 bar; <0000> buisleidingen met een diameter van 400 millimeter of meer buiten de bebouwde kom; <0000> buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico fs met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken. In het plangebied zelf zijn bovengenoemde kabels en leidingen niet aanwezig. Het aspect kabels en leidingen is dan ook niet relevant voor onderhavige ontwikkeling. Naast het plangebied ligt echter wel een ondergrondse 150 kV kabel, zie onderstaande figuur.
Figuur 4.3 Ondergrondse 150 kv leiding Voor hoogspanningskabels zijn er twee aandachtspunten; de belemmeringenstrook en de magneetveldzone. Voor de ondergrondse 150 kV kabel geldt een belemmeringenstrook van 4 meter aan weerszijde (dus 8 meter
Zorgvlied 2008, 5e herziening (Van Limburg Stirumlaan)
36
totaal), gemeten vanuit het hart van de verbinding. Het nieuwe gebouw ligt niet tot in strook, dus vormt dit geen belemmering. Verder is door TenneT aan de gemeente verklaard dat er voor ondergrondse kabels geen indicatieve zones beschikbaar zijn. Ondergrondse kabels maken geen onderdeel uit van het huidige voorzorgsbeleid ten aanzien van magneetveldzones en gevoelige bestemmingen in relatie tot gezondheidsbeleid. Gemeente Tilburg heeft zich geconformeerd aan dit voorzorgsbeleid. Het beschermingsgebied van deze kabel is wel als dubbelbestemming in dit bestemmingsplan opgenomen.