CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

08 ontwerpbp Toelichting - b001

Raadsvergadering 23 mei 2022, gemeente TilburgBij agendapunt: -Raadsvoorstel gewijzigd vaststellen BP Piushavengebied 2009, 7e herz. (Galjoenstraat Noord)21.401 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.4.2 Verantwoordingsplicht Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron. Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald. In de bij dit plan gevoegde Risico-inventarisatie en verantwoording groepsrisico zijn de relevante risicobronnen geïnventariseerd. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied ligt in het invloedsgebied van het spoortraject Breda - Tilburg en de Rijksweg A58. De verantwoordingsplicht is hiervoor ingevuld en opgenomen in de genoemde bijlage.

4.4.3 Beleidsvisie externe veiligheid In de beleidsvisie externe veiligheid wordt het gebied waarin het plangebied ligt aangemerkt als een luw gebied. Binnen een luw gebied gelden de volgende voorwaarden: <0000> Kwetsbare objecten zijn overal mogelijk; <0000> Geschikt voor bijzonder kwetsbare functies/objecten; <0000> Bestaande risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden mogelijk; <0000> Bevi-inrichtingen zijn niet mogelijk; <0000> Beheersbaarheid gericht op effecten van mogelijke calamiteiten op orde. Aan bovengenoemde randvoorwaarden wordt voldaan. De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid.

4.4.4 Conclusies en restrisico Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van het spoortraject Breda - Tilburg en de Rijksweg A58. Personen in het plangebied worden aan externe veiligheidsrisico's blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld (zie de eerdergenoemde bijlage Risico-inventarisatie en verantwoording groepsrisico). De Brandweer Midden- en West-Brabant heeft aangegeven dat gebruik kan worden gemaakt van het standaardadvies. De relevante onderdelen uit het advies zijn verwerkt in de verantwoording. Uit het bovenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken: <0000> De plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar van risicobronnen in de omgeving van het plangebied vormt geen belemmering voor het initiatief; <0000> Groepsrisicobeschouwing is niet aan de orde (afstand tot transportroute bedraagt > 200 meter); <0000> De bereikbaarheid van het plangebied is goed; <0000> Bewoners kunnen gealarmeerd worden via de WAS-palen of NL-Alert; <0000> De aanwezigen kunnen het plangebied goed ontvluchten; Piushavengebied 2009, 7e herziening (Galjoenstraat Noord)

22

<0000> <0000> <0000>

Bij een incident met een toxische wolk is binnen schuilen vaak de beste oplossing. Bij gebruik van mechanische ventilatie heeft het de voorkeur dat deze in de meterkast kan worden uitgezet. Hiermee is langdurig verblijf inpandig bij een toxische wolk mogelijk; Goede communicatie kan een bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid van personen. In Tilburg vindt communicatie plaats via de Risicokaart, en de risicocommunicatie-campagne Denk Vooruit. De brandweer voldoet wat de opkomsttijd betreft aan de normen van het dekkings- en spreidingsplan.

Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.

4.5 Vuurwerk Binnen het bestemmingsplan zijn geen bestaande verkooppunten en opslagen van consumentenvuurwerk en opslagen van professioneel vuurwerk aanwezig. Burgemeester en wethouders kunnen voor nieuw te vestigen verkoopruimten en opslagen van consumentenvuurwerk en ten behoeve van het uitbreiden, verbouwen en/of verplaatsen van bestaande (buffer)bewaarplaatsen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bestemmingsplan. Bij nieuwvestiging van vuurwerkverkooppunten en/of opslag van consumentenvuurwerk wordt te allen tijde als voorwaarde opgenomen dat de veiligheidscontour zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit op het eigen perceel gesitueerd dient te zijn tenzij de veiligheidscontour zich uitstrekt over openbaar gebied en hierbij geen sprake is van kwetsbare en/of geprojecteerde kwetsbare objecten. Op basis van de veiligheidsafstanden in het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Staatsblad 33 (2002), houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk) is het niet mogelijk om professioneel vuurwerk op te slaan (en te bewerken) in Tilburg. Er wordt daarom geen medewerking verleend aan nieuwvestiging van vuurwerkbedrijven van professioneel vuurwerk.

4.6 Geluid Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (hierna Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden.

4.6.1 Wegverkeerslawaai De nieuwe woningen zijn gelegen binnen de wettelijke zone van de Wethouder Baggermanlaan. Voor deze weg geldt een snelheidsregiem van maximaal 50 km/uur. De geluidbelasting van deze weg is berekend op basis van het gemeentelijk geluidmodel 2030. Uit de berekening blijkt dat de voorkeurgrenswaarde van 48 dB wordt gerespecteerd.

4.6.2 Railverkeerslawaai De nieuwe woningen worden gerealiseerd binnen het aandachtsgebied als bedoeld in artikel 1.4a lid 1 van het Besluit geluidhinder. De geluidbelasting is berekend op basis van het gemeentelijk geluidmodel 2030 waarvan de gegevens met betrekking tot spoorweglawaai direct vanuit het landelijk Geluidregister Spoor zijn opgenomen. Uit de geluidberekening blijkt dat de voorkeurgrenswaarde van 55 dB wordt gerespecteerd.

4.6.3 Industrielawaai Omdat niet voldaan wordt aan de richtafstanden (zie paragraaf 4.3 ) is door F. Bouwmans Ingenieursburo een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar industrielawaai (zie bijlage). Voor de uitgangspunten en rekenresultaten van het onderzoek wordt verwezen naar het akoestisch onderzoek d.d. 28 mei 2021 met nummer FBi20181215-09. De in het akoestisch rapport uitgevoerde geluidberekeningen zijn gebaseerd op het ontwerp zoals in onderstaande afbeelding is weergegeven.

Piushavengebied 2009, 7e herziening (Galjoenstraat Noord)

23

Piushavengebied 2009, 7e herziening (Galjoenstraat Noord)

24

Piushavengebied 2009, 7e herziening (Galjoenstraat Noord)

25

Piushavengebied 2009, 7e herziening (Galjoenstraat Noord)

26

Piushavengebied 2009, 7e herziening (Galjoenstraat Noord)

27

In het kader van de beoordeling van een goede ruimtelijke ordening wordt op basis van de VNG-brochure voor stap 2 geadviseerd, uitgaande van gebiedstype gemengd gebied, het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau te toetsen aan 50 dB(A) etmaalwaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en 70/65/60 dB(A) voor het maximale geluidniveau voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Indien niet aan de richtwaarden van stap 2 wordt voldaan kan de gemeente hogere geluidniveaus toestaan tot de waarden zoals genoemd in tabel 2. Hiervoor is wel een zwaardere overweging noodzakelijk.

Piushavengebied 2009, 7e herziening (Galjoenstraat Noord)

28

Uit de rekenresultaten van het akoestisch onderzoek blijk dat de inrichting W. de Kort Metaalbewerking maatgevend is voor de optredende (cumulatieve) geluidbelasting op de nieuwe woningen. Onderstaand wordt per bouwblok het berekend langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) alsmede het maximale geluidniveau (LA,max) weergegeven. Bouwblok A01-A09 (9 woningen, beoordelingspunten 20-25) langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) <0000> ter plaatse van bouwblok A01-A09 wordt voldaan aan de 50 dB(A) etmaalwaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, met uitzondering van beoordelingspunt 25. Bij beoordelingspunt 25 in de dagperiode 53 dB(A) en in de avondperiode 46 dB(A) bepaald. De richtwaarde van stap 2 wordt hiermee overschreden maar niet van stap 3. De beperkte overschrijding in de dag- en avondperiode wordt aanvaardbaar geacht omdat het toelaatbaar binnenniveau van 35 dB(A) etmaalwaarde geborgd is uitgaande van een standaard geluidwering van 20 dB conform het Bouwbesluit.

Om een hogere geluidbelasting op beoordelingspunt 25 toe te staan ten opzichte van de standaard geluidnorm van het Activiteitenbesluit milieubeheer is een maatwerkvoorschrift gesteld; maximale geluidniveau (LA,max) <0000> ter plaatse van bouwblok A01-A09 wordt voldaan aan de maximale geluidniveaus van 70/65/60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode met uitzondering van beoordelingspunt 25. Bij beoordelingspunt 25 is in de dagperiode 74 dB(A) bepaald. De richtwaarde van stap 2 en stap 3 wordt hiermee overschreden. De beperkte overschrijding in de dagperiode wordt aanvaardbaar geacht omdat het toelaatbaar binnenniveau van 55 dB(A) etmaalwaarde geborgd is uitgaande van een standaard

Piushavengebied 2009, 7e herziening (Galjoenstraat Noord)

29

geluidwering van 20 dB conform het Bouwbesluit. Om een hogere geluidbelasting op beoordelingspunt 25 toe te staan ten opzichte van de standaard geluidnorm van het Activiteitenbesluit milieubeheer is een maatwerkvoorschrift gesteld. Bouwblok A10-A17 (8 woningen, beoordelingspunten 26-30) <0000> ter plaatse van bouwblok A10-A17 wordt voldaan aan de 50 dB(A) etmaalwaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en aan de maximale geluidniveaus van 70/65/60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode; <0000> de richtwaarden van stap 2 worden gerespecteerd.

Bouwblok B01-05 (5 woningen, beoordelingspunten 1, 2-5, 6, 7, 61, 62-66, 67) langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) <0000> enkel ter plaatse van de oostgevel van bouwblok B01-05 wordt voldaan aan de 50 dB(A) etmaalwaarde. In de berekeningen is tevens rekening gehouden met een tuinmuur van 2 meter hoog aan de westzijde ter hoogte van woning B05 en de zuidgevel van woning B01, de noordgevel van woning B05 (met uitzondering van de noordentree op de begane grond), de westgevel van de woningen B01-B05 op de eerste verdieping en de westgevel van woning B05 op de begane grond doof worden uitgevoerd. <0000>

het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op de beoordelingspunten 2-5 bedraagt maximaal 60 dB(A) in de dagperiode op een rekenhoogte van 1.5 meter. De richtwaarde van stap 2 en stap 3 wordt hiermee overschreden. De overschrijding in de dagperiode op deze beoordelingspunten wordt aanvaardbaar geacht omdat de westgevel zodanig wordt geïsoleerd dat voldaan wordt aan het toelaatbaar binnenniveau van 35 dB(A) etmaalwaarde. Hiervoor wordt verwezen naar het onderzoek Cauberg Huygen d.d. 6 juli 2021 met referentie 06177-52336-09 (Blok B en C). Om een hogere geluidbelasting op de beoordelingspunten 2-5 op een rekenhoogte van 1.5 meter toe te staan ten opzichte van de standaard geluidnorm van het Activiteitenbesluit milieubeheer, is een maatwerkvoorschrift gesteld;

<0000>

het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op beoordelingspunt 7 bedraagt maximaal 61 dB(A) in de dagperiode op een rekenhoogte van 1.5 meter. De richtwaarde van stap 2 en stap 3 wordt hiermee overschreden. De overschrijding in de dagperiode op dit beoordelingspunt wordt aanvaardbaar geacht omdat de westgevel zodanig wordt geïsoleerd dat voldaan wordt aan het toelaatbaar binnenniveau van 35 dB(A) etmaalwaarde. Hiervoor wordt verwezen naar het onderzoek Cauberg Huygen d.d. 6 juli 2021 met referentie 06177-52336-09 (Blok B en C). Om een hogere geluidbelasting op beoordelingspunt 7 op een rekenhoogte van 1.5 meter toe te staan ten opzichte van de standaard geluidnorm van het Activiteitenbesluit milieubeheer, is een maatwerkvoorschrift gesteld;

maximale geluidniveau (LA,max) <0000>

enkel ter plaatse van de oostgevel van bouwblok B01-05 wordt voldaan aan de maximale geluidniveaus van 70/65/60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. In de berekeningen is er rekening mee gehouden dat aan de westzijde ter hoogte van woning B05 een tuinmuur van 2 meter hoog gerealiseerd wordt en dat de zuidgevel van woning B01, de noordgevel van woning B05 (met uitzondering van de noordentree op de begane grond), de westgevel van de woningen B01-B05 op de eerste verdieping en de westgevel van woning B05 op de begane grond doof uitgevoerd worden.

<0000>

het maximale geluidniveau op de beoordelingspunten 2-5 bedraagt 80 dB(A) in de dagperiode op een rekenhoogte van 1.5 meter. De richtwaarde van stap 2 en stap 3 wordt hiermee overschreden. De overschrijding in de dagperiode op deze beoordelingspunten wordt aanvaardbaar geacht omdat de westgevel zodanig wordt geïsoleerd dat voldaan wordt aan het toelaatbaar binnenniveau van 55 dB(A) etmaalwaarde. Hiervoor wordt verwezen naar het onderzoek Cauberg Huygen d.d. 6 juli 2021 met referentie 06177-52336-09 (Blok B en C). Om een hogere geluidbelasting op de beoordelingspunten 2-5 op een rekenhoogte van 1.5 meter toe te staan ten opzichte van de standaard geluidnorm van het Activiteitenbesluit milieubeheer, is een maatwerkvoorschrift gesteld;

Piushavengebied 2009, 7e herziening (Galjoenstraat Noord)

30

<0000>

het maximale geluidniveau op beoordelingspunt 7 bedraagt 84 dB(A) in de dagperiode op een rekenhoogte van 1.5 meter. De richtwaarde van stap 2 en stap 3 wordt hiermee overschreden. De overschrijding in de dagperiode op dit beoordelingspunt wordt aanvaardbaar geacht omdat de noordgevel zodanig wordt geïsoleerd dat voldaan wordt het toelaatbaar binnenniveau van 55 dB(A) etmaalwaarde. Hiervoor wordt verwezen naar het onderzoek Cauberg Huygen d.d. 6 juli 2021 met referentie 06177-52336-09 (Blok B en C). Om een hogere geluidbelasting op beoordelingspunt 7 op een rekenhoogte van 1.5 meter toe te staan ten opzichte van de standaard geluidnorm van het Activiteitenbesluit milieubeheer, is een maatwerkvoorschrift gesteld;

<0000>

vanwege de hoge geluidbelasting op de west-, de noord- en de zuidgevel is naast de toepassing van dove gevels, de toepassing van een tuinmuur ter plaatse van de westzijde van de woningen B01 en B02 en aanvullende gevelisolatie, in het ontwerp van de woningen tevens rekening gehouden met de situering van buitenruimten en de geluidgevoelige ruimten zoals de hoofdslaapkamer en de woonkamer aan de oostgevel. Met andere woorden de woningindeling is geheel afgestemd op het akoestisch aspect.

Bouwblok C01-03 (3 woningen, beoordelingspunten 8-9, 10-13, 68-70, 93-101) langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) <0000> ter plaatse van bouwblok C01-C03 wordt voldaan aan de 50 dB(A) etmaalwaarde met uitzondering van de beoordelingspunten 10-12 (westgevel) op de bovenverdieping in de avondperiode en beoordelingspunt 93 op de begane grond in de dagperiode. Ook ter plaatse van de beoordelingspunten 94, 96, 98, 99, 100 en 101 wordt niet voldaan, echter hier is sprake van dove gevels. In de berekeningen is er rekening mee gehouden dat aan de westzijde van de aanbouw van woning C01 een tuinmuur wordt geplaatst van 2,6 meter hoog en de zuidgevel van woning C01 en de zuid- en de westgevel van de aanbouwen van de woningen C01-C03 doof worden uitgevoerd; <0000> het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op beoordelingspunt 93 bedraagt 51 dB(A) in de dagperiode. De richtwaarde van stap 2 wordt hiermee overschreden maar niet van stap 3. De beperkte overschrijding in de dagperiode wordt aanvaardbaar geacht omdat het toelaatbaar binnenniveau van 35 dB(A) etmaalwaarde geborgd is, uitgaande van een standaard geluidwering van 20 dB (nieuwbouw) conform het Bouwbesluit.

Om een hogere geluidbelasting op beoordelingspunt 25 toe te staan ten opzichte van de standaard geluidnorm van het Activiteitenbesluit milieubeheer, is een maatwerkvoorschrift gesteld; <0000> het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op de beoordelingspunten 10-12 (westgevel bovenverdieping) bedraagt ten hoogste 55 dB(A) in de avondperiode. Hiermee wordt de richtwaarde van stap 2 (op alle beoordelingspunten) en van stap 3 (enkel voor de beoordelingspunt 10 en 11) overschreden. Ter plaatse van de beoordelingspunten 10-12 worden de ramen (waaraan geluidgevoelige ruimten gesitueerd zijn) voorzien van geluidschermen. De overschrijding in de avondperiode op de beoordelingspunten 10-12 op de bovenverdieping wordt aanvaardbaar geacht omdat de ramen worden voorzien van geluidschermen en de gevel zodanig wordt geïsoleerd dat voldaan wordt aan het toelaatbaar binnenniveau van 35 dB(A) etmaalwaarde. Hiervoor wordt verwezen naar het onderzoek Cauberg Huygen d.d. 6 juli 2021 met referentie 06177-52336-09 (Blok B en C). Om een hogere geluidbelasting op de beoordelingspunten 10-12 op de bovenverdieping toe te staan ten opzichte van de standaard geluidnorm van het Activiteitenbesluit milieubeheer, is een maatwerkvoorschrift gesteld;

Piushavengebied 2009, 7e herziening (Galjoenstraat Noord)

31

maximale geluidniveau (LA,max) <0000> ter plaatse van bouwblok C01-C03 wordt voldaan aan de maximale geluidniveaus van 70/65/60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode, met uitzondering van de beoordelingspunten 93, 95, 97 (noordgevel van de aanbouwen) in de dagperiode en de beoordelingspunten 10-12 in de avondperiode (westgevel bovenverdieping). Ook ter plaatse van de beoordelingspunten 94, 96, 98, 99, 100 en 101 wordt niet voldaan, echter hier is sprake van dove gevels. Hierbij is er rekening mee gehouden dat aan de westzijde van de aanbouw van woning C01 een tuinmuur wordt geplaatst van 2,6 meter hoog en de zuidgevel van woning C01 en de zuid- en de westgevel van de aanbouwen van de woningen C01-C03 doof worden uitgevoerd; <0000> het maximale geluidniveau op de beoordelingspunten 93, 95 en 97 bedraagt 74 dB(A) in de dagperiode. De richtwaarde van stap 2 en stap 3 wordt hiermee overschreden. De beperkte overschrijding in de dagperiode wordt aanvaardbaar geacht omdat het toelaatbaar binnenniveau van 55 dB(A) etmaalwaarde geborgd is uitgaande van een standaard geluidwering van 20 dB (nieuwbouw) conform het Bouwbesluit.

Om een hogere geluidbelasting op de beoordelingspunt 93, 95 en 97 toe te staan ten opzichte van de standaard geluidnorm van het Activiteitenbesluit milieubeheer, is een maatwerkvoorschrift gesteld; <0000> het maximale geluidniveau op de beoordelingspunten 10-12 (westgevel bovenverdieping) bedraagt 74 dB(A) in de avondperiode. De richtwaarde van stap 2 en stap 3 wordt hiermee overschreden. Ter plaatse van de beoordelingspunten 10-12 worden de ramen (waaraan geluidgevoelige ruimten gesitueerd zijn) voorzien van geluidschermen. De overschrijding in de avondperiode op de beoordelingspunten 10-12 op de bovenverdieping wordt aanvaardbaar geacht omdat de ramen worden voorzien van geluidschermen en de gevel zodanig wordt geïsoleerd dat voldaan wordt aan het toelaatbaar binnenniveau van 55 dB(A) etmaalwaarde. Hiervoor wordt verwezen naar het onderzoek Cauberg Huygen d.d. 6 juli 2021 met referentie 06177-52336-09 (Blok B en C). Om een hogere geluidbelasting op de beoordelingspunten 10-12 op de bovenverdieping toe te staan ten opzichte van de standaard geluidnorm van het Activiteitenbesluit milieubeheer, is een maatwerkvoorschrift gesteld.

Bouwblok C04-06 (3 woningen, beoordelingspunt 14-17, 71-73) <0000> ter plaatse van bouwblok C04-C06 wordt voldaan aan de 50 dB(A) etmaalwaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en aan de maximale geluidniveaus van 70/65/60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode; <0000> de richtwaarden van stap 2 worden gerespecteerd.

Piushavengebied 2009, 7e herziening (Galjoenstraat Noord)

32

Bouwblok D01 (1 woning, beoordelingspunt 18) <0000> ter plaatse van bouwblok D01 wordt voldaan aan de 50 dB(A) etmaalwaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en aan de maximale geluidniveaus van 70/65/60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode; <0000> de richtwaarden van stap 2 worden gerespecteerd. Bouwblok D02 (1 woning, beoordelingspunt 19) <0000> ter plaatse van bouwblok D02 wordt voldaan aan de 50 dB(A) etmaalwaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en aan de maximale geluidniveaus van 70/65/60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode; <0000> de richtwaarden van stap 2 worden gerespecteerd. Bouwblok E (appartementen, beoordelingspunten 31-40) langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) <0000> ter plaatse van bouwblok E wordt voldaan aan de 50 dB(A) etmaalwaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau met uitzondering van de beoordelingspunten 31-34; <0000> ter plaatse van de beoordelingspunten 31 en 32 worden geen geluidgevoelige ruimten gesitueerd; <0000> het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op de beoordelingspunten 33 en 34 bedraagt ten hoogste 51 dB(A) in de dagperiode op een rekenhoogte van 7,5 meter. De richtwaarde van stap 2 wordt hiermee overschreden maar niet van stap 3.

De beperkte overschrijding in de dagperiode wordt aanvaardbaar geacht omdat het toelaatbaar binnenniveau van 35 dB(A) etmaalwaarde geborgd is, uitgaande van een standaard geluidwering van 20 dB conform het Bouwbesluit. Om een hogere geluidbelasting op beoordelingspunt 33 toe te staan ten opzichte van de standaard geluidnorm van het Activiteitenbesluit milieubeheer, is een maatwerkvoorschrift gesteld; <0000> het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op beoordelingspunt 33 bedraagt maximaal 58 dB(A) in de dagperiode en 47 dB(A) in de avondperiode op een rekenhoogte van 10,5 meter. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op beoordelingspunt 34 bedraagt maximaal 57 dB(A) in de dagperiode en 47 dB(A) in de avondperiode op een rekenhoogte van 10,5 meter. De richtwaarde van stap 2 wordt hiermee overschreden in de dag- en de avondperiode. Dit geldt ook voor de richtwaarde van stap 3 in de dagperiode. Ter plaatse van de beoordelingspunten 33 en 34 worden de ramen (waaraan geluidgevoelige ruimten gesitueerd zijn) voorzien van geluidschermen. De overschrijding in de dag- en avondperiode op de beoordelingspunten 33 en 34 wordt aanvaardbaar geacht omdat de ramen worden voorzien van geluidschermen en de gevel zodanig wordt geïsoleerd dat voldaan wordt het toelaatbaar binnenniveau van 35 dB(A) etmaalwaarde. Hiervoor wordt verwezen naar het onderzoek Cauberg Huygen d.d.

6 juli 2021 met referentie 06177-52336-10 (Blok E). Om een hogere geluidbelasting op de beoordelingspunten 33 en 34 op een rekenhoogte van 10,5 meter toe te staan ten opzichte van de standaard geluidnorm van het Activiteitenbesluit milieubeheer, is een maatwerkvoorschrift gesteld;

Piushavengebied 2009, 7e herziening (Galjoenstraat Noord)

33

maximale geluidniveau (LA,max) <0000> ter plaatse van bouwblok E wordt voldaan aan de 70/65/60 dB(A) voor de maximale geluidniveaus in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode met uitzondering van de beoordelingspunten 31-34; <0000> dat ter plaatse van de beoordelingspunten 31 en 32 geen geluidgevoelige ruimten gesitueerd zijn; <0000> dat het maximale geluidniveau op een rekenhoogte van 7,5 meter op beoordelingspunt 33 bedraagt 74 dB(A) en op beoordelingspunt 34 73 dB(A) in de dagperiode. De richtwaarde van stap 2 en van stap 3 wordt hiermee overschreden; <0000> dat het maximale geluidniveau op een rekenhoogte van 10,5 meter op beoordelingspunt 33 bedraagt 74 dB(A) en op beoordelingspunt 34 73 dB(A) in de dagperiode. De richtwaarde van stap 2 en van stap 3 wordt hiermee overschreden. <0000> Ter plaatse van de beoordelingspunten 33 en 34 de ramen (waaraan geluidgevoelige ruimten gesitueerd zijn) voorzien worden van geluidschermen. De overschrijding in de dagperiode op de beoordelingspunten 33 en 34 wordt aanvaardbaar geacht omdat de ramen worden voorzien van geluidschermen en de gevel zodanig wordt geïsoleerd dat voldaan wordt het toelaatbaar binnenniveau van 55 dB(A) etmaalwaarde. Hiervoor wordt verwezen naar het onderzoek Cauberg Huygen d.d. 6 juli 2021 met referentie 06177-52336-10 (Blok E).

Om een hogere geluidbelasting op de beoordelingspunten 33 en 34 op een rekenhoogte van 7,5 en 10,5 meter toe te staan ten opzichte van de standaard geluidnorm van het Activiteitenbesluit milieubeheer, is een maatwerkvoorschrift gesteld. Toepassing dove gevels Met betrekking tot de toepassing van dove gevels wordt opgemerkt dat een dove gevel geen gevel is in de zin van de Wet geluidhinder. Dit betekent dat de optredende geluidbelasting op dove gevels niet getoetst hoeven te worden. Wel geldt de eis dat een dove gevel dient te voldoen aan de voorwaarden uit artikel 1b vierde lid van de Wet geluidhinder. Dit betekent dat in de dove gevel geen te openen delen aanwezig mogen zijn (zoals ramen en deuren) en dat de dove gevel een karakteristieke geluidwering heeft dat het toelaatbaar binnenniveau van 35 dB(A) etmaalwaarde (langtijdgemiddeld beoordelingsniveau). Voor het toelaatbaar

Piushavengebied 2009, 7e herziening (Galjoenstraat Noord)

34

binnenniveau voor de maximale geluidniveaus is aansluiting gezocht tot de normstelling van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zijnde 55 dB(A) etmaalwaarde. Uit de onderzoeken van Cauberg Huygen d.d. 6 juli 2021 met referentie 06177-52336-09 (Blok E en C) respectievelijk 06177-52336-10 (Blok E)blijkt dat aan de voornoemde toelaatbare binnenniveaus wordt voldaan. Indirecte hinder De verkeersaantrekkende werking van de inrichting De Kort en de overige bedrijven betreft een zeer beperkt aantal motorvoertuigbewegingen. Dit verkeer is direct opgenomen in het heersend verkeersbeeld. Ter plaatse van het nieuwbouwplan is er dan ook geen sprake van indirecte hinder. Geluidreducerende maatregelen De Kort Metaalbewerking Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat ter plaatse van een aantal woningen (zeer) hoge geluidbelastingen optreden. Onderzocht is of er maatregelen bij De Kort mogelijk zijn om de hoge geluidbelastingen te reduceren. Uit het onderzoek blijkt dat er diverse doelmatige maatregelen bij De Kort mogelijk zijn om de geluidbelasting te reduceren. Dit betreft: <0000> het plaatsen van geluidgedempte roosters in de raamopeningen van de noordgevel van de werkplaats; <0000> het plaatsen van een luchtbehandelingsinstallatie op het dak van de werkplaats t.b.v.

de benodigde ventilatie bij het volledig gesloten houden van de ramen in de noordgevel van de werkplaats; <0000> het toepassen van een geluiddemper op de lasdampafzuigingen; <0000> de noordgevel van de werkplaats, die nagenoeg volledig uit glas bestaat, te voorzien van een nieuwe glasgevel die beter isoleert. Om deze geluidreducerende maatregelen (of een deel ervan) te kunnen toepassen, is medewerking nodig van de inrichtinghouder. Inrichtinghouder heeft aangegeven geen medewerking te willen verlenen. Daarom heeft ontwikkelaar gekozen voor maatregelen in de overdacht en bij de ontvanger zoals opgenomen in het akoestisch onderzoek. Conclusie: Op basis van de akoestisch onderzoeken mag gesteld worden dat voor alle woningen een aanvaardbaar woonen leefklimaat realiseerbaar is. Voor een beperkt aantal woningen wordt een hogere geluidbelasting toegestaan onder voorwaarde dat voldaan wordt aan het toelaatbaar binnenniveau van 35 dB(A) etmaalwaarde (voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau) en het toelaatbaar binnenniveau van 55/50/45 dB(A) voor de maximale geluidniveaus. Voor de woningen waar een hogere geluidbelasting is toegestaan dan de standaard geluidnorm van het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn maatwerkvoorschriften gesteld. In het ontwerp van deze woningen is rekening gehouden met de hoge geluidbelastingen en worden voorzieningen getroffen.

Dit betreft: <0000> het behoud van de bestaande muur van 3,5 meter hoog ter hoogte van de westzijde van de woningen B01 en B02; <0000> de realisatie van een tuinmuur van 2 meter hoog ter hoogte van de westzijde van woning B05; <0000> de realisatie van een tuinmuur van 2,6 meter hoog ter hoogte van de aanbouw van woning C01; <0000> de situering van de geluidgevoelige ruimten en de buitenruimten van de woningen B01-B05 aan de oostgevel; <0000> de realisatie van geluidschermen aan de westgevel van de bovenverdieping van de woningen C01-C03; <0000> de realisatie van geluidschermen aan de westgevel van de vierde verdieping van gebouw E; <0000> de toepassing van dove gevels voor de woningen B01-05 en C01-03; <0000> het treffen van aanvullende gevelisolatie voor de woningen B01-05, C01-03 en appartementengebouw E, met andere woorden een geluidwering die hoger is dan de standaard geluidwering van 20 dB conform het Bouwbesluit voor nieuwbouw. In de planregels en op de planverbeelding zijn de te treffen geluidwerende voorzieningen (dove gevels, geluidschermen, tuinmuren) vastgelegd. Tevens is in de planregels vastgelegd dat de woningen pas in gebruik mogen worden genomen als de woningen B01-05 en C01-03 zijn opgericht, dit in verband met de afschermende werking van deze woningen op de achterliggende woningen.

Piushavengebied 2009, 7e herziening (Galjoenstraat Noord)

35

4.6.4 Luchtvaartlawaai Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze-Rijen gelden in delen van Tilburg geluidzones (de zogenaamde Ke-zones). Deze zones liggen niet over het plangebied.

4.7 Lucht Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. Het plan voorziet in de realisatie van ca. 52 woningen/appartementen. Hierdoor kan het plan worden gekenmerkt als een "niet in betekenende mate"-project, zoals bedoeld in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). Bovendien worden er geen luchtgevoelige bestemmingen, zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) gerealiseerd. Vanuit de Wet milieubeheer bestaat dan ook geen bezwaar tegen dit plan.

4.8 Geur Industriële geurhinder In en om het plangebied is geen zware industrie toegestaan. Hier zal dus ook geen sprake zijn van industriële geurhinder. Agrarische geurhinder In en om het plangebied zijn geen agrarische bedrijven toegestaan. Hier zal dus ook geen sprake zijn van agrarische geurhinder.

4.9 Bodem In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een bodemonderzoek. In beginsel dient een bestemmingsplan(-wijziging) minimaal vergezeld te worden van een verkennend bodemonderzoek, conform het de onderzoeksprotocol NEN 5740. Het rapport mag niet ouder zijn dan 5 jaar. Algemeen Naast het bovengenoemde, landelijk erkende onderzoeksprotocol is voor de paragraaf en de herontwikkeling verder van belang: Nota 'In goede aarde'(specifiek Bodembeleid gemeente Tilburg): in deze nota valt te lezen hoe de gemeente Tilburg te werk gaat bij bodemsanering in Tilburg (specifiek Bodembeleid gemeente Tilburg). In deze context en de navolgende wordt opgemerkt dat in Noord-Brabant, zo ook in Tilburg, regelmatig verhoogde waarden voor (zware) metalen in grond en grondwater aangetroffen worden zonder direct aanwijsbare bron. Dergelijke verhoogde waarden zijn eerder regel dan uitzondering, hebben een diffuus verspreidingsbeeld en kunnen sterk in tijd en ruimte variëren.

Conform de nota zijn verhoogde waarden aan (zware) metalen, met name nikkel, koper, zink en arseen, in dergelijke gevallen als verhoogde achtergrondgehalten te beschouwen. Deze vormen over het algemeen geen actuele risico's voor de gezondheid en het milieu. Bodembeheerplan/Bodemkwaliteitskaart (specifiek Bodembeleid gemeente Tilburg): op basis van reeds uitgevoerde bodemonderzoeken op onverdachte terreinen is de Tilburgse bodemkwaliteitskaart vastgesteld. In de Tilburgse bodemkwaliteitskaart worden bodemkwaliteitszones onderscheiden. Per bodemkwaliteitszone is de gemiddelde bodemkwaliteit vastgesteld. Het plangebied is gelegen in de bodemkwaliteitszone 'Wonen' (Toepassingskaart/Bodemfunctieklassenkaart). Ten aanzien van voornoemde zone mag de bodemkwaliteit niet verslechteren dat wil zeggen, er mag in principe geen grond worden toegepast van een slechtere kwaliteit. Bekend is dat op deze locatie en haar omgeving de

Piushavengebied 2009, 7e herziening (Galjoenstraat Noord)

36

kwaliteit van de bovengrond, de eerste 50 cm, iets slechter is en wel kwaliteit 'Industrie' heeft. Beiden kwaliteiten zijn geen belemmering voor de huidige en beoogde bestemming/gebruik. Bodemkwaliteit Plangebied Op de locatie zijn door de jaren heen diverse bodemonderzoeken uitgevoerd (zie bijlagen 5 , 6 , 7 , 8 , 9 , 10, 11 , 12 , 13 en 14) en een heeft een deelsanering plaatsgevonden van een relatief kleine olieverontreiniging. Deze deelsanering dient na sloop van een gebouw te worden afgemaakt. De verontreiniging bleek iets onder het gebouw door te lopen. Deze kon toentertijd om constructieve redenen niet kosteneffectief worden verwijderd. Voorts bevinden zich verspreid over de locatie nog een drietal kleine doch saneringswaardige grondverontreinigingen. Deze worden eveneens na sloop, tijdens het bouwrijp maken (BRM) verwijderd. Voor het overige is de algemene kwaliteit zoals beschreven onder 'Algemeen'. Na sloop van de diverse gebouwen dient de grond onder de gebouwen nog aanvullend te worden onderzocht. Deze zijn tot heden, vanwege de aanwezigheid van dikke betonvloeren marginaal onderzocht. Conclusie Voor de bodem ter plaatse van het plangebied is er op basis van de vastgestelde bodemkwaliteit geen risico voor de volksgezondheid en/of het milieu, die de ontwikkeling belemmeren.

Een viertal sterke (grond-)verontreinigingen, 'spots', zullen tijdens het bouwrijp maken worden verwijderd. Ook mogelijke toeval vondsten die, gelet op de beoogde bestemming/gebruik en vanuit wetswege, als te hoog worden aangemerkt, zullen zodanig worden gesaneerd dat er geen (onoverkomelijke) gebruiksbeperkingen zullen zijn. De bovengrond is wel van een slechtere kwaliteit dan het ambitieniveau zoals beschreven in het 'Bodembeheerplan'. De vrijkomende bovengrond is echter nog van zodanige kwaliteit dat deze binnen het plangebied mag worden hergebruikt, maar bij toepassing buiten het plangebied dienen de regels van Besluit bodemkwaliteit (Bbk) te worden gevolgd. Ook in het kader van de maatschappelijk-financiële afweging worden er vanuit dit oogpunt geen of geen noemenswaardige belemmeringen verwacht, ondanks dat na sloop onder gebouwen de grond nog aanvullend moet worden onderzocht.

4.10 Natuur en ecologie Wettelijke kaders De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet Natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven. Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.

Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is, doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën: <0000> Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats <0000> Overige inheemse broedvogels <0000> Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn <0000> Nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling <0000> Nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling.

Piushavengebied 2009, 7e herziening (Galjoenstraat Noord)

37

Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode. Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rusten voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen.

De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode. Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Verordening ruimte 2014. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied.

De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw. Om op een ontwikkelingsgerichte manier invulling te geven aan de wettelijke beschermingsstatus van gebouw bewonende diersoorten, heeft Gemeente Tilburg het Soortenmanagementplan Oude Stad Tilburg (hierna SMP) opgesteld. Hieraan is een gebiedsontheffing Flora- en faunawet gekoppeld, waar initiatiefnemers van bestemmingsplannen in de Oude Stad (het gebied begrensd door het Wilhelminakanaal, A58 en bosgebieden aan de westzijde van Tilburg) gebruik van kunnen maken. Initiatiefnemers van ontwikkelingen met mogelijke effecten op de gebouw bewonende soorten huismus, gierzwaluw en vleermuizen hoeven in dat geval niet meer afzonderlijk jaarrond onderzoek uit te voeren of een ontheffing aan te vragen.

In plaats daarvan gelden een aantal voorwaarden uit het SMP, zoals het uitvoeren van een omgevingscheck voorafgaand aan de werkzaamheden, het werken volgens het "Ecologisch Werkprotocol SMP" en het aanbrengen van faunavoorzieningen in nieuwbouw. Analyse plangebied Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt op ruime afstand van wettelijk beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Oisterwijkse Vennen & Kampina op 3,0 km. In paragraaf 4.11 wordt ingegaan op de mogelijke invloed van de geplande ontwikkeling op dit Natura 2000-gebied. Natuurbescherming in Verordening Ruimte 2014 Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Brabant (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) en de Groenblauwe Mantel, zoals begrensd op de kaarten van de Verordening Ruimte. De dichtstbijzijnde gebieden

Piushavengebied 2009, 7e herziening (Galjoenstraat Noord)

38

die tot het Natuurnetwerk Brabant behoren, liggen op 1,2 km van het plangebied. Externe effecten op het Natuurnetwerk Brabant, zoals benoemd in artikel 5.1 lid 6 van de Verordening Ruimte, zijn gezien deze afstand en zeer beperkte externe invloed redelijkerwijs uit te sluiten. Soortenbescherming Het plangebied ligt binnen het gebied waar het "Soortenmanagementplan Oude Stad Tilburg" van toepassing is en gebruik gemaakt kan worden van de gebiedsontheffing voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen. In voorliggend plan wordt voor de sloop van de aanwezige bebouwing gebruik gemaakt van deze gebiedsontheffing. Om te voldoen aan de ontheffingseisen zal men de maatregelen uit de Natuurtoets (BTL Advies, 20 februari 2019, zie bijlage 15) in acht nemen. De verspreidingsgegevens en het oriënterend veldbezoek geven een voldoende duidelijk beeld van het (mogelijk) voorkomen van beschermde vaatplanten, grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, algemene broedvogels, jaarrond beschermde broedvogels, reptielen, amfibieën, vissen en ongewervelde diersoorten. Er is geen aanleiding tot het uitvoeren van een soortgericht onderzoek om het voorkomen van bovengenoemde soorten en soortgroepen en/of hun verblijfplaatsen nader vast te stellen.

Het optreden van negatieve effecten door de werkzaamheden op broedvogels met jaarrond beschermde nesten en beschermde vaatplanten, amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelde diersoorten is uitgesloten. Hierdoor hoeven geen mitigerende maatregelen genomen te worden (anders dan maatregelen in het kader van de algemene zorgplicht) en is het aanvragen van een ontheffing van de Wnb voor deze soortgroepen niet aan de orde. Voor algemene broedvogels, vleermuizen en grondgebonden zoogdieren zondermeer worden uitgesloten dat negatieve effecten optreden en moeten aanvullende maatregelen worden genomen. Conclusie Vanuit de wettelijke gebiedsbescherming van Natura 2000-gebieden zijn geen beperkingen of voorwaarden aan het plan verbonden. Ook vanuit de natuurbeschermingsregels uit de Verordening Ruimte (Natuurnetwerk Brabant en Groenblauwe Mantel) zijn geen beperkingen of voorwaarden aan het plan verbonden. Het bestemmingsplan kan in overeenstemming met de wettelijke soortenbescherming worden uitgevoerd, mits de volgende voorwaarden in acht worden genomen: <0000> De sloop van de aanwezige bebouwing wordt uitgevoerd conform de eisen uit het ecologisch advies, gebaseerd aan het Soortenmanagementplan Oude Stad Tilburg. Tevens worden verblijfplaatsen voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen gerealiseerd in de nieuwbouw.

<0000> Begroeiingen waarin vogels kunnen nestelen worden verwijderd buiten het broedseizoen.

4.11 Stikstofdepositie In het kader van de Natuurbeschermingswet moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten kunnen optreden in Natura2000-gebieden. Stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden waarvoor een Natura 2000-gebied is aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of andere handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn. De effectbeoordeling stikstofdepositie heeft tot doel de NOx (stikstof) en NH3 (ammoniak) emissies naar de lucht door het voornemen inzichtelijk te maken, de toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden te berekenen. De effectbeoordeling stikstofdepositie wordt afgesloten met conclusies waarbij duidelijk wordt of in het kader van de Wet Natuurbescherming significante effecten uitgesloten kunnen worden, dan wel een nader onderzoek nodig is (passende beoordeling). In Nederland zijn ongeveer 160 Natura 2000-gebieden aangewezen: gebieden met een Europese beschermingsstatus. Veel van die gebieden zijn (ook) gevoelig voor stikstofdepositie. Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot ‘significante effecten’ op de beschermde natuurgebieden, wat alleen is toegestaan met een Wet natuurbescherming (Wnb) vergunning.

Daarom dient voor nieuwe plannen en projecten onderzocht te worden of er sprake kan zijn van een significante depositie van stikstof op relevante Natura 2000-gebieden.

Piushavengebied 2009, 7e herziening (Galjoenstraat Noord)

39

Op basis van de berekende NOx en ammoniak emissies die een project, andere handeling of planologische mogelijkheden van een plan uitstoot wordt met een verspreidingsmodel de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in Natura2000-gebieden berekend. Er wordt gebruik gemaakt van Aerius voor wat betreft informatie over de actuele stikstofdepositie en kritische depositiewaarde (kdw) van stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden in de Natura 2000-gebieden. Depositieberekeningen worden uitgevoerd met AERIUS Calculator. Door Econsultancy is een Aeriusberekening uitgevoerd (zie Bijlage Rapport stikstofdepositieonderzoek Rapport stikstofdepositieonderzoek, berekening aanlegfase (Bijlage Stikstofdepositie aanlegfase) en berekening gebruiksfase (Bijlage Stikstofdepositie gebruiksfase). Uit de uitgevoerde effectbeoordeling stikstofdepositie, blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling zowel in de tijdelijke fase (de bouw van de woningen) als in de permanente fase (bewoning) niet leidt tot een stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jr op stikstofgevoelige habitats en leefgebieden op nabij gelegen Natura-gebieden. Significante gevolgen door stikstof kunnen op voorhand worden uitgesloten. Er is geen vergunningplicht op grond van de Wet Natuurbescherming ten gevolge van stikstoftoename. Een passende beoordeling is niet noodzakelijk.

Piushavengebied 2009, 7e herziening (Galjoenstraat Noord)

40

Hoofdstuk 5 Wateraspecten Dit hoofdstuk geeft weer hoe wateraspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende wijzigingsplan.

5.1 Bestaand watersysteem Het Tilburgs stedelijke watersysteem is omschreven in het verbreed gemeentelijk rioleringsplan 2016-2019. De gebiedskenmerken van dit plangebied zijn weergegeven in tabel 1. Tabel 1. Gebiedskenmerken Kenmerk Waterbeheerders

Bruto oppervlakte Terreinhoogte Gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) Ontwateringdiepte Bodem Riolering Afkoppelgebied Oppervlaktewater Keur beschermde gebieden

In plangebied Stedelijk watersysteem: gemeente Tilburg Zuivering afvalwater: waterschap De Dommel Oppervlaktewater: waterschap De Dommel Ca. 6.400 m² Ca. 13,8 m+NAP Ca. 11,6 m+NAP 2,2 m Sterk lemig, matig fijn zand Gemengd stelsel Nee Op ongeveer 150 meter ten zuiden van de locatie ligt de Piushaven Niet relevant

Het afvalwater en het regenwater worden gecombineerd ingezameld en getransporteerd naar de zuiveringsinstallatie van waterschap De Dommel aan de noordkant van Tilburg. Bij hevige neerslag treden de riooloverstorten in werking. Het met regenwater verdunde afvalwater wordt dan geloosd op oppervlaktewater. De referentiesituatie voor wat de afvoerende oppervlakten betreft is de bestaande situatie. In tabel 2 zijn de bestaande oppervlakten weergegeven. Tabel 2. Afvoerende oppervlakten in de bestaande situatie Oppervlakten * Niet-afvoerende Afvoerende oppervlakte (m²) oppervlakte (m²) Dak en terreinverharding Tuin Totaal (m²)

0 930 930

5.470 0 5.470

Totaal (m²) 5.470 930 6.400

5.2 Beleidskader Het waterschap De Dommel heeft in 2015 het 'Waterbeheerplan Waardevol Water 2016 - 2021' vastgesteld. Dit plan is opgesteld vanuit de insteek van het waterschap: samen met gebruikers en (maatschappelijke) organisaties meerwaarde geven aan water. Dit doet het waterschap vanuit vier uitgangspunten: 1) beekdalbenadering; 2) gebruiker centraal; 3) samen sterker; 4) gezonde toekomst. Naast dit beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en de Keur die van belang zijn voor eventuele ontwikkelingen. Het Provinciale Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PMWP) is in 2015 door de provincie Noord-Brabant vastgesteld. Zowel het PMWP als het waterbeheerplan lopen parallel met de 2e termijn van de Kaderrichtlijn Water. Het waterbeleid van de gemeente Tilburg is vastgelegd in het vGRP 2016-2020 (vastgesteld november 2016). Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. In het vGRP is invulling aan het lange termijn beleid dat gestart met het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002), de Structuurvisie Water en Riolering 2010-2015 en voorgaande Gemeentelijke Rioleringsplannen. Ook de Omgevingsvisie 2040

Piushavengebied 2009, 7e herziening (Galjoenstraat Noord)

41

(vastgesteld september 2015) is van belang. In deze omgevingsvisie zijn alle uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd.

5.3 Duurzaam waterbeheer Het plangebied is in de bestaande situatie deels verhard. Het afvalwater wordt samen met het regenwater afgevoerd naar de gemengde riolering. De afvoerende oppervlakten in de nieuwe situatie zijn bepaald op basis van de verbeelding en bijhorende regels en aannames voor oppervlakten waarvan een variabele oppervlakte afgewaterd kan worden. In tabel 3 zijn deze oppervlakten weergegeven. De afvoerende oppervlakte neemt toe ten opzichte van de bestaande situatie met ongeveer 630 m². Tabel 3. Afvoerende oppervlakten in de plansituatie Oppervlakten Niet-afvoerende Afvoerende oppervlakte (m²) oppervlakte (m²) Dak en terreinverharding Tuinen Totaal (m²)

0 300 300

6.100 0 6.100

Totaal (m²) 6.100 0 6.400

De impact van deze ontwikkeling op het watersysteem is niet significant: de toename van afvoerende oppervlakte is minder dan 2.000 m². Daarom wordt er geen bijzondere compensatiemaatregelen / (bergings)eisen vastgesteld voor deze ontwikkeling. De vuil- en regenwaterafvoer kunnen direct gescheiden aangesloten worden op de bestaande riolering. Het is belangrijk dat beide waterstromen, regenwater en huishoudelijk afvalwater, inpandig apart worden ingezameld. Als de gemengde riolering in de omgeving van het plangebied in de toekomst eventueel wordt gescheiden dan kunnen de waterstromen ieder op het daarvoor bestemde riool aangesloten worden. Tot dat moment worden beide afvoerstromen bij de perceelgrens gecombineerd en door de gemengde riolering afgevoerd. Bij extreme neerslag is het bestaande watersysteem ontoereikend. Als de afvoer- en bergingscapaciteit van het systeem volledig benut zijn kunnen de waterpeilen stijgen tot boven het maaiveld. De laag gelegen delen zullen als eerste overstromen. Daarom adviseert de gemeente de initiatiefnemer om de vloerpeilen bij bebouwing ten minste 10 cm hoger dan de openbare ruimte ter plaatse van de perceelgrens (T-hoogte) te realiseren. Zo wordt de kans op inpandige schade zo veel mogelijk beperkt. De eigenaar van de grond bepaalt de hoogten van de terreinpeilen en de vloerpeilen binnen de perceelgrenzen.

Deze peilen moeten afgewogen en gekozen worden aan de hand van de volgende factoren: <0000> voldoende ontwateringdiepte; <0000> de water- en vochtdichtheid van alle ondergrondse bouwdelen dient te allen tijde voldoende te zijn voor de nieuwe functie van de ruimte; <0000> de vuil- en regenwaterafvoer moet mogelijk zijn via de aangeboden lozingspunten en dus op het juiste peil worden aangeboden; <0000> aansluiten op de bestaande aangrenzende percelen en op de (toekomstige) terreinhoogte van de openbare ruimte ter plaatse van de grens (T-hoogte); <0000> geen afvloeiend regenwater afwentelen buiten de (toekomstige) percelen; <0000> afdoende bescherming tegen overstroming bij extreme neerslag. Het toepassen van uitlogende bouwmaterialen is uitgesloten om verontreiniging van bodem- en oppervlaktewater te voorkomen. Watertoets De impact van deze ontwikkeling op het watersysteem is beperkt. De ontwikkeling valt daarom binnen het maatwerk dat de gemeente heeft vastgesteld in het verbreed gemeentelijke rioleringsplan 2016-2019. Conform deze aanpak kan het watertoetsproces een verkort traject doorlopen. In dit verkorte traject geeft het waterschap geen voorlopig wateradvies, in plaats daarvan wordt het wateradvies pas verstrekt bij de terinzagelegging van het bestemmingsplan.

Piushavengebied 2009, 7e herziening (Galjoenstraat Noord)

42

Hoofdstuk 6 Opzet planregels 6.1 Inleiding De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het opstellen van bestemmingsplannen door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen.

6.2 Standaard plansystematiek 6.2.1 Bouwvlak en erf De Tilburgse plansystematiek (en dus ook dit plan) maakt onderscheid tussen het bouwvlak en het erf. Het bouwvlak komt in principe bij alle bestemmingen voor. Uitzondering zijn de bestemmingen binnen het openbaar gebied. Indien geen bouwvlak is aangegeven, bepalen de planregels soms dat het gehele bestemmingsvlak geacht wordt bouwvlak te zijn. Hoofdgebouwen moeten binnen het bouwvlak worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen er eveneens worden gebouwd, uiteraard slechts voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Soms mag het bouwvlak volledig worden volgebouwd, soms niet. Het eerste blijkt normaliter uit de planregels, het tweede wordt in de regel op de verbeelding weergegeven met een maatvoeringsaanduiding. In het erf mogen geen hoofdgebouwen worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn wel toegestaan, voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Het erf komt met name voor bij woningen en bebouwing langs de linten. Binnen het onbebouwd erf (perceel minus bouwvlak en minus erf) beperken de bouwmogelijkheden zich over het algemeen tot hetgeen vergunningvrij mag worden gebouwd en enkele bouwwerken, geen gebouwen zijnde (denk vooral aan erfafscheidingen).

6.2.2 Goot- en bouwhoogte De volgende gebiedstypen worden onderscheiden, waarbij het onderscheid wordt gevormd door een verschillende maximale bouwhoogte: a. structuurvisie Linten oude stad, onderverdeeld in: 1. bedrijvige linten; 2. rustige linten; b. hoofdstructuur nieuwe gebieden; c. overige gebieden. Ingevolge de 'Structuurvisie Linten in de oude stad' is, zowel binnen bedrijvige linten als rustige linten, de maximaal toelaatbare hoogte 11m. Langs de 'Hoofdstructuur nieuwe gebieden' is een bouwhoogte van maximaal 15m toelaatbaar, terwijl in de overige gebieden maximaal 10m is toegestaan. Bij afwijkende woningtypes en bijzondere situaties wordt van deze hoogteregels afgeweken en ´op maat´ bestemd. Met name vanwege het niet stedelijke karakter gelden voor de dorpen afwijkende maten die opgenomen zijn binnen de afzonderlijke bestemmingen: Wonen - 1, Wonen - 2 en Wonen - 3. Ook in het buitengebied en op bedrijventerreinen geldt een afwijkende regeling. Voor het onderhavige plan wordt voor de aaneengebouwde woningen in de binnenring een maximale bouwhoogte van 7 m opgenomen en in de buitenring een maximale goothoogte van 4 m en maximale bouwhoogte van 7 m opgenomen. Voor de vrijstaande woning geldt een maximale bouwhoogte van 10 meter.

6.2.3 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen Tenzij anders weergegeven is de volgende regeling van kracht voor woningen in stedelijk gebied: a. oppervlakte: 1. 20m2 indien erf kleiner is dan 50m2; 2. 40% van erf met maximum van 60m2 bij erf tussen de 50m2 en 500m2; 3. 80m2 bij erf tussen de 500m2 en 1000m2; 4. 100m2 bij erf vanaf 1000m2; b. bouwhoogte: 1. maximaal 3m bij plat dak;

Piushavengebied 2009, 7e herziening (Galjoenstraat Noord)

43

2. bij schuin dak goothoogte maximaal 3m; 3. bouwhoogte maximaal 4,5m. N.B: op grond van de (landelijke) wettelijke regels voor vergunningvrij bouwen, kan er vaak meer gerealiseerd worden dan de bovenstaande standaardregeling doet vermoeden. Deze regeling maakt deel uit van de plansystematiek, omdat het Tilburgse 'erf' en het in het Besluit omgevingsrecht gedefinieerde 'achtererfgebied' niet noodzakelijkerwijs samenvallen. In het buitengebied geldt voor bijgebouwen bij woningen dat de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen bij een woning mag niet meer bedragen dan: a. 75m² op bouwpercelen, kleiner dan 1000m²; b. 150m² op bouwpercelen, groter dan of gelijk aan 1000m², doch kleiner dan 5000m²; c. 200m² op bouwpercelen, groter dan of gelijk aan 5000m²; terwijl de goothoogte maximaal 3m en bouwhoogte maximaal 6m mag bedragen.

6.3 Bestemmingen en aanduidingen In het bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen aanwezig: <0000> Wonen Binnen deze bestemming zijn verschillende aanduidingen gebruikt, die met name te maken hebben met geluidwerende voorzieningen. <0000>

Verkeer-verblijf

6.4 Bouw- en gebruiksregels Bouwregels De bouwregels bevatten een uitgebreide regeling ten aanzien van het oprichten van gebouwen en overige bouwwerken in het plangebied (bouwvlak, erf, bouwhoogte, regeling bijgebouwen etc.). Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt in bouwregels voor (hoofd)gebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bouwwerken van algemeen nut. Gebruiksregels Bij de meeste bestemmingen worden regels omtrent het gebruik van gronden en bouwwerken gegeven, al dan niet aangevuld met een aantal afwijkingsmogelijkheden, wisselend per bestemming. Wijzigingsbevoegdheid Een aantal bestemmingsartikelen is aangevuld met een wijzigingsbevoegdheid t.a.v. bepaalde functies.

Piushavengebied 2009, 7e herziening (Galjoenstraat Noord)

44

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid Ingeval een toekomstige ontwikkeling een particuliere grondexploitatie betreft en er voor het realiseren van het plan voorzieningen van openbaar nut nodig zijn, schrijft de wet kostenverhaal voor. In deze gevallen, waar de gemeente zelf geen grond exploiteert en de voorzieningen en overige kosten dus niet zelf in de grondprijs kan verdisconteren, wordt doorgaans met initiatiefnemers een exploitatieovereenkomst gesloten. In deze overeenkomst worden alle gemeentelijke kosten bij de initiatiefnemers in rekening gebracht, zoals de gemeentelijke plan- en apparaatskosten, de kosten 'Reserve Bovenwijkse Voorzieningen' en kosten van voorzieningen van openbaar nut, waaronder herstel van aangebrachte schade. Eveneens wordt een planschadeovereenkomst afgesloten. Door het afsluiten van een exploitatieovereenkomst en planschadeovereenkomst zijn deze plannen kosten neutraal voor de gemeente en derhalve economisch uitvoerbaar. Op basis van de programmatische invulling en de stedenbouwkundige randvoorwaarden is de financiële haalbaarheid van het plan door de gemeente getoetst. Uit deze toets is gebleken dat de ontwikkeling economisch uitvoerbaar is. De verantwoordelijkheid en het risico van de grond- en vastgoedexploitatie van de verdere ontwikkeling van het deelgebied ligt bij de ontwikkelaar.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11483086/2