CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

07 Toelichting

Raadsvergadering 6 juli 2023, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel Bestemmingsplan Smariuskade37.452 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Er is geen directe aanleiding om een brug aan te leggen over de zwaaikom van het kanaal, gezien het feit dat er aan de noordzijde geen structuur is om op aan te haken of een punt is waar je mensen naartoe wil brengen. Wel zijn er kansen om de Waalstraatophaalbrug te verplaatsen in de richting van de Merwedestraat, in het verlengde van de Maasstraat, hierdoor wordt Smariuskade beter bereikbaar en verbindt de brug twee doorlopende historische structuren met elkaar. Voetgangers

Smariuskade (Ringbaan Noord – Midden Brabantweg)

24

Omdat het autoverkeer zoveel mogelijk wordt afgevangen aan de flanken ontstaat een autoluw middengebied. Hier is volop ruimte voor de voetganger en de fietser. Er zijn veel oost – westverbindingen. Deze bevinden zich langs het kanaal, in een route langs de specials als primaire routes. Secundair zijn de routes door de doordringbare woonblokken al dan niet voorzien van poorten en stegen die een soort dwaalmilieu van verrassende ontmoetingen mogelijk maken. Naar de omgeving worden er veilige oversteken gemaakt richting de zuidelijk gelegen woonwijk en de Hasseltrotonde, zodat Smariuskade een open en toegankelijke wijk is voor de omgeving om er een wandeling te maken en te vertoeven aan de kanaalzone en in het Smariuspark. Fietsers Met het stedenbouwkundig plan is goed nagedacht over de aankoppeling op het bovengemeentelijke fietsnetwerk. Zo loopt er langs het kanaal een vrijliggend snelfietspad dat, nadat het snelfietspad grotendeels is verlegd, behouden blijft. Er zijn goede verbindingen mogelijk over de Ringbaan-Noord en de Smariusrotonde. Ruimtelijke kwaliteit De ruimtelijke kwaliteit is geborgd in het beeldkwaliteitsplan wat tot stand is gekomen in dialoog tussen de gemeente, ontwerpers van de gebouwen en openbare ruimte. In dit document zijn de primaire kwaliteiten van gebouwen en uitwerkingsgeboden openbare ruimte vastgelegd.

Voor de argumentatie van de ruimtelijke kwaliteit verwijzen we door naar dit document. 4.2.2 Omgevingscommissie Bouwplannen moeten worden getoetst aan ´redelijke eisen van welstand´, zo zegt de Woningwet. Naast het bestemmingsplan is het welstandsbeleid een middel om de ruimtelijke kwaliteit van de publieke omgeving te waarborgen bij de vele bouwplannen die in de stad worden gerealiseerd. Sinds 1 juli 2004 moet iedere gemeente de gehanteerde welstandscriteria vastleggen in een Welstandsnota, die door de raad moet worden vastgesteld. In Tilburg is dat in juni 2004 gebeurd. Nadien is de nota meerdere keren geactualiseerd (2010 en 2012). De afgelopen jaren heeft zich aantal ontwikkelingen voorgedaan waardoor actualisatie van het uitwerkingsdeel van de Welstandsnota noodzakelijk is. Zo zijn de Omgevingsvisie Tilburg 2040 en de structuurvisie Linten in de Oude Stad vastgesteld en zijn er verschillende nieuwe woonwijken gereed gekomen. De nota van 2012 is in navolging daarop aangevuld en bijgewerkt. Voor het overige zijn de kaarten samengevoegd, geactualiseerd en afgestemd op het kaartbeeld van de Omgevingsvisie. Op die manier beschikt de Omgevingscommissie over een actueel toetsingskader voor de beoordeling van (bouw)plannen. Architectuur, stedenbouw, cultuurhistorie en landschap zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Onder het motto van de welstandsnota 'aandacht waar dat moet, vrijheid waar dat kan' streeft het stadsbestuur ernaar om op de plekken die er toe doen in te zetten op een hoge ruimtelijke kwaliteit. Op 15 november 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders ingestemd met de actualisatie van de Welstandsnota 2012. De geactualiseerde nota is op 1 januari 2017 in werking getreden. Relevantie Het stedenbouwkundig ontwerp is op 14 april 2021 beoordeeld door de Omgevingscommissie. Het plan is positief door de commissie ontvangen. De commissie constateert dat in de gehele planvorming het stedenbouwkundig plan een enorme transformatie heeft doorgemaakt. Er ontstaat een bijzonder geheel. Ze brengt een positief advies uit over het stedenbouwkundige plan. Er ligt nu een onderscheidende gebiedsspecifieke basis die bruikbaar is voor de vervolgstappen en de verdere uitwerking. Daarbij vraagt ze aandacht voor de planologische borging van de gepresenteerde stedenbouwkundige invulling (waaronder het verankeren van de getraptheid in volumes) . M.b.t. het beeldkwaliteitplan raadt de commissie dringend aan de directe beschrijvingen van gebouwen niet op te nemen. Ze raadt aan het beeldkwaliteitplan minder gedetailleerd te maken en juist wel scherper te maken als het gaat om de essentie van de kernkwaliteiten. Over de jaren heen moet er ruimte blijven voor interpretatie en maatwerk.

Er is het vertrouwen dat deze gebiedsontwikkeling kan uitgroeien tot iets bijzonders. Het is ook niet de bedoeling om het te braaf te maken. De commissie zal bij de verdere planuitwerking nader worden betrokken en geïnformeerd. Het beeldkwaliteitplan is minder gedetailleerd gemaakt door gebouw-specifieke aspecten te schrappen.

4.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg 4.3.1 Archeologie Algemeen Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. De zorg voor het bodemarchief is door deze wet bij gemeenten komen te liggen. De gemeente is verplicht om bij het vaststellen van nieuwe bestemmingsplannen of aanpassing(en) van oude plannen, rekening te houden met archeologie. Smariuskade (Ringbaan Noord – Midden Brabantweg)

25

Onderzoek Door Antea Group is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. De resultaten van het bureauonderzoek zijn verwerkt in het rapport 'Bureauonderzoek Smariuskade Tilburg' d.d. 13 oktober 2021. Het rapport is opgenomen als Bijlage 4 bij de toelichting. Hieronder komen de conclusies en aanbevelingen aan bod. Het plangebied ligt in het Brabants zandlandschap. Uit eerder uitgevoerd archeologisch onderzoek blijkt dat (onder onverstoorde omstandigheden) er voor het plangebied een verwachting geldt voor vondsten uit de bronstijd tot en met de nieuwe tijd. Maar de aanwezigheid van archeologische vondsten vanaf het paleolithicum kan niet uitgesloten worden. Uit eerder uitgevoerd archeologisch onderzoek blijkt dat er binnen 500 m van het plangebied enkeerdgronden voorkomen met een esdek tot wel 160 cm dik, al dan niet met resten van een podzol aanwezig onder het esdek. Archeologische resten uit de periode late middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd zouden binnen het esdek voor kunnen komen, en archeologische resten uit vanaf het paleolithicum tot de late middeleeuwen zouden direct onder het esdek voor kunnen komen. Binnen het plangebied hebben eerder (onder andere) een archeologisch en bodemkundig onderzoek plaatsgevonden (in respectievelijk 2011 en 2021).

Hieruit blijkt dat in het westelijke gedeelte van het plangebied (deelgebied 1) in ieder geval de bovenste meter van de bodem verstoord is geraakt door uitgevoerde sloopwerkzaamheden en bodemsaneringen. In het midden van het plangebied (deelgebied 2) is de bodem waarschijnlijk tot enkele meters beneden maaiveld verstoord geraakt als gevolg van bodemsaneringen tot grotere diepte. Binnen het oostelijke gedeelte van het plangebied (deelgebied 3) is de verwachting dat de bodem nog het meest intact kan zijn, omdat het lijkt alsof originele vloeren van oude gebouwen nu als verharding aan het maaiveld aanwezig zijn. Het is mogelijk dat daaronder nog (gedeeltelijk) intacte bodems aanwezig zijn. Bij deelgebied 1 en 3 is het mogelijk dat er nog (gedeeltelijk) intacte bodemprofielen aanwezig zijn, omdat de indruk is dat (slechts) de bovenste meter van de bodem verstoord is geraakt (bij deelgebied 1).

Figuur 4.11. De drie deelgebieden in het archeologisch onderzoek Hoewel het bekend is dat er bodemverstoringen hebben plaatsgevonden, is het binnen het westelijke en oostelijke gedeelte van het plangebied (deelgebied 1 en 3) mogelijk dat er (gedeeltelijk) intacte bodems aanwezig zijn, met een kans op het aantreffen van archeologische waarden. Voor deze deelgebieden is daarom een archeologisch vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van een inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen (verkende fase). Deze methode heeft als doel de archeologische verwachting te toetsen, door het beschrijven van de bodemprofielen en mogelijk archeologische niveaus, en door het in kaart brengen van de recente bodemverstoringen. Het verkennend booronderzoek vormt de eerste stap in het archeologische veldonderzoek. Mocht op basis van de resultaten van het verkennend booronderzoek blijken dat de archeologische verwachting voor het gebied gehandhaafd kan blijven, dan is het mogelijk dat er archeologisch vervolgonderzoek nodig is om het eventueel nog aanwezige archeologisch erfgoed verder in kaart te brengen en te waarderen, en veilig te stellen. Gemeente Tilburg heeft op basis van het archeologische bureauonderzoek besloten dat het midden van het plangebied (deelgebied 2) kan worden vrijgegeven omdat de bodem waarschijnlijk tot grotere diepte verstoord

Smariuskade (Ringbaan Noord – Midden Brabantweg)

26

is geraakt als gevolg van bodemsaneringen. Voor de deelgebieden 1 en 3 geldt de archeologische dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. Nader onderzoek Door Antea Group is een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen uitgevoerd (verkennende fase) uitgevoerd naar de deelgebieden 1 en 3. De resultaten van het inventariserend veldonderzoek zijn verwerkt in het rapport 'Inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen Smariuskade Tilburg' d.d. 30 augustus 2022. Het rapport is opgenomen als Bijlage 5 bij de toelichting. Hieronder komen de conclusies en aanbevelingen aan bod. Tijdens het archeologisch booronderzoek is in de praktijk gebleken wat op basis van het voormalige gebruik van het gebied als industrieterrein verwacht werd, namelijk dat de bovengrond geroerd is en dat er in grote delen van het gebied sprake is van bouw- of cunetzand. Bij een deel van de boringen, met name in deelgebied 1 en de niet-bebouwde of met asfalt bedekte delen van deelgebied 3, is daaronder een A-horizont bouwvoor aangetroffen. In beide deelgebieden is nergens sprake van resterende horizonten van de oorspronkelijke podzolbodem. De kans op het aantreffen van resten van jager/verzamelaarsgemeenschappen is daarmee zeer laag. Op een aantal plekken is een dunne BC-horizont aangetroffen.

Theoretisch zouden daar nog sporen van landbouwgemeenschappen gevonden kunnen worden, hoewel het aantreffen van BC-horizonten onder oude bouwlanddekken meestal een teken is van verhoudingsgewijs lage en natte ligging in een landschap. Dit in combinatie met de sterk variërende hoogte van de top van de C-horizont leidt toe de conclusie dat ook de kans op resten van landbouwersgemeenschappen klein is. Geadviseerd wordt om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkelingen zonder verder archeologisch onderzoek uit te voeren. Het nemen van een selectiebesluit is voorbehouden aan de bevoegde overheid, in deze de gemeente Tilburg. Mocht de gemeente Tilburg besluiten dat er op basis van de archeologische veldonderzoeken geen sprake meer is van behoudenswaardige archeologische resten, dan kan de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' komen te vervallen. Ook voor vrijgegeven (delen van) plangebieden bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden archeologische sporen en/of vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de gemeentelijk of provinciaal archeoloog, of bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: telefoon 033-4217456). Een vondstmelding bij de gemeentelijk of provinciaal archeoloog kan ook.

Door het opnemen van de bestemming 'Waarde - Archeologie 2' worden ter plaatse van de deelgebieden 1 en 3 eventueel aanwezige archeologische waarden beschermd. Hiermee vormt het aspect archeologie geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan. 4.3.2 Cultuurhistorie en monumentenzorg Algemeen Op 1 januari 2012 is de wet Modernisering monumentenzorg (Momo) in werking getreden. Een belangrijke doelstelling van de Modernisering van de Monumentenzorg is het versterken van de koppeling tussen erfgoed en ruimte. In het kader van de Momo dient in de toelichting van elk bestemmingsplan of ruimtelijke onderbouwing beschreven te worden op welke wijze met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Relevantie De cultuurhistorische waarde van de locatie zelf is beperkt. Het Wilhelminakanaal, de Ringbanen en de Midden-Brabantweg hebben in het gebied oude structuren doorsneden (o.a. Goirkestraat en Hasseltstraat). Van deze structuren zijn nog steeds herkenbare fragmenten aanwezig zoals bijvoorbeeld het Hasseltplein met de Hasseltse Kapel aan de overzijde van de Hasseltrotonde. Voor deze locatie is met name de positie van eventuele hoogbouw van belang. Een toren dichtbij de Hasseltrotonde komt prominent in beeld vanaf het Hasseltplein.

De toren doet geen afbreuk aan de kwaliteit van de cultuurhistorische elementen. Voor het Hasseltplein is het van belang dat hoogbouw op enige afstand van het plein en zo dicht mogelijk richting het Wilhelminakanaal wordt gesitueerd. Door de ligging van de grootschalige met groen ingepakte infrastructuur wordt een afscherming gerealiseerd waardoor de hoogbouw in beeld vanaf het Hasseltplein beperkt is. Ook de Merwedestraat - een historisch lint – wordt in de plannen gerespecteerd en behouden. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

4.4 Volkshuisvesting 4.4.1 Woonvisie en Kwalitatief Woningbehoefteonderzoek/KWBO Algemeen Smariuskade (Ringbaan Noord – Midden Brabantweg)

27

Het gemeentelijk woonbeleid volgt primair uit de Woonvisie Tilburg 2015 en de Woonagenda 2020-2025. Hierin staan de thema's en trends in het wonen, zijn actuele knelpunten geduid en zijn de woonopgaven voor de komende jaren benoemd. In de woonvisie en de woonagenda wordt ingezet op de samenstelling en kwaliteit van de bestaande woningvoorraad. Daarnaast blijft de nieuwbouwopgave voor Tilburg belangrijk vanwege de natuurlijke groei, gezinsverdunning en migratie. Centraal staat de gemeentelijke opgave om te voorzien in een compleet en gevarieerd palet aan woonmilieus. De woonmilieus vormen de basis voor een voldoende gedifferentieerd woningaanbod, waarin zo veel mogelijk inwoners passende woonruimte kunnen vinden. Passend bij de huishoudenssamenstelling, het inkomen en de mate van zelfredzaamheid van de inwoners. Maar ook passend bij de verschillende leefstijlen. We onderscheiden de volgende woonmilieus: Centrum-Stedelijk, Stedelijk buiten het centrum, Groenstedelijk, Dorps en Landelijk. Hierbij is sprake van een afnemende woningdichtheid, nabijheid en toegang tot voorzieningen en (OV-)bereikbaarheid. Binnen deze woonmilieus vinden verschillende leefstijlen een plek. Met voorliggende ontwikkeling wordt gebouwd in een woonmilieu groen stedelijk (stedelijk buiten het centrum).

Relavantie Deze ontwikkeling levert een goede bijdrage aan de stedelijke behoefte waarbij sprake is van een tekort aan huur- en koopwoningen. In paragraaf 3.1.3 Laddder voor duurzame verstedelijking is omschreven op welke wijze regionaal afspraken zijn gemaakt over nieuwbouw en hoe het plan zich verhoudt tot de plancapaciteit. Voor de kwalitatieve opgave waar Tilburg voor staat, zijn onderstaand enkele kwaliteiten beschreven waar vanuit het woonbeleid en de opgave in de stad waarde aan wordt gehecht. Betaalbare (huur)woningen In voorliggend plan wordt minimaal 10% is middeldure huurwoningen voorzien. Deze woningen voldoen aan de vereisten van de verordening middenhuur (https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR625665/1). Daarnaast wordt 20% van de woningen gerealiseerd door WonenBreburg (of een andere derde partij) als sociale huurwoning. Door WonenBrebrug wordt een programma van eisen aangeleverd voor deze woningen zodat deze in prijs en kwaliteit voldoen aan actuele opgave vanuit de corporaties voor diverse doelgroepen. Levensloopbestendig Als gevolg van de extramuralisatie van de zorg blijven ouderen en andere hulpbehoevenden langer zelfstandig thuis wonen. Door nieuwbouw zo veel mogelijk levensloopbestendig te realiseren, kunnen zo veel mogelijk mensen zo lang mogelijk thuis (blijven) wonen.

In dit plan wordt aan de doelstelling van levensloopbestendige nieuwbouw zo goed mogelijk invulling gegeven. Politiekeurmerk Veilig Wonen Het Politiekeurmerk Veilig Wonen (PkVW) is een keurmerk dat afgegeven wordt voor woningen, complexen en buurten die voldoen aan een voorgeschreven pakket van eisen rond inbraak- en brandpreventie, sociale veiligheid en leefbaarheid. Als uitgangspunt voor alle nieuwbouwprojecten in Tilburg geldt dat het Politiekeurmerk dient te worden toegepast en dat certificering plaatsvindt, zowel op woningniveau als op het niveau van de woonomgeving. Het plan Smariuskade zal aan de criteria van het PKVW voldoen. In een anterieure overeenkomst die tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt afgesloten, zijn afspraken vastgelegd over de na te streven aantallen en inspanningen ten aanzien van doelgroepen, huurwoningen, levensloopbestendig wonen en het politiekeurmerk. Duurzaamheid Ook is duurzaamheid een speerpunt in de woonvisie. Dit geldt met name verduurzaming van de bestaande woningvoorraad, gericht op een lager energiegebruik en verbetering van de bruikbaarheid. Door de initiatiefnemer is het stedenbouwkundig plan getoetst aan GPR Stedenbouw. GPR Stedenbouw is een beoordelingsinstrument voor duurzame stedenbouw.

Duurzame stedenbouw draagt bij aan een ontwikkeling die: <0000> rekening houdt met toekomstige ontwikkelingen, maar daarnaast ook de cultuurhistorie niet vergeet; <0000> een veilige en gezonde woon-en werkomgeving garandeert; <0000> de milieudruk vermindert; <0000> zorgvuldig ruimtegebruik en hoge ruimtelijke kwaliteit garandeert. In het beoordelinginstrument wordt getoetst aan diverse aspecten inzake duurzaamheid, onderverdeeld in de thema's energie, ruimtelijke inrichting, gezondheid, gebruikskwaliteit en toekomstwaarde. De uitkomst van de toesting van het stedenbouwkundig plan is uitgekomen op een gemiddelde score van 7,8.

4.5 Groen en speelruimte 4.5.1 Bomenbeleid Tilburg Algemeen

Smariuskade (Ringbaan Noord – Midden Brabantweg)

28

Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Om er niet te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Daarom zijn onderstaande documenten vastgesteld: <0000> Bomenverordening 2021 <0000> Beoordelingscriteria houtopstanden <0000> Nota 'overige houtopstanden' <0000> Boomwaarde zoneringskaart 2021 <0000> Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen Deze documenten samen vormen het bomenbeleid van de gemeente Tilburg. Bomenverordening De Bomenverordening Tilburg 2021 biedt het particuliere en het gemeentelijke bomenbestand bescherming door middel van een velverbod met bijbehorende regels. Boomwaarde zoneringskaart 2021 (BWZ-kaart) Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare en particuliere houtopstanden binnen de gemeente Tilburg. Op de BWZ-kaart krijgen bomen een waarde toegekend; zones met houtopstanden met een eco-, hoofd-, klimaat-, neven of basiswaarde en daarnaast is er de Buiten-zone.

Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a. met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen (bescherming tegen vellen), herplantplicht en straatbeeld. Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen (GLMB) Het hebben van een GLMB zorgt ervoor dat deze bomen voldoende juridische bescherming hebben via de Bomenverordening Tilburg 2021. Daarnaast krijgen deze bomen de hoogste prioriteit bij beheer en onderhoud. Wet Natuurbescherming (buiten grens bebouwde kom) In de gemeente Tilburg heeft de gemeenteraad de bebouwde kom ex artikel 4.1 Wet natuurbescherming (Wnb) vastgesteld. Voor bepaalde groepen houtopstanden die buiten deze komgrens staan, geldt op grond van de Wnb een verplichting. Bij velling in groepen houtopstanden met een grootte van meer dan 10 are of bij velling in een rij van meer dan 20 bomen, geldt een meldplicht aan Gedeputeerde Staten (GS) van de Provincie Noord-Brabant. Daarnaast geldt een herplantplicht. Het college van Gedeputeerde Staten kan een velverbod opleggen. Als er geveld gaat worden, dan is er op grond van de Wnb de eis, dat er ook weer een gelijk aantal houtopstanden terug wordt geplant. Bos dat wordt gekapt, moet worden herplant. Als dat niet op dezelfde plaats kan, dan zal hiervoor ontheffing aan GS moeten worden gevraagd en elders (compensatie op grond van de Wnb) moeten worden herplant.

De houtopstanden waarop de Wet natuurbescherming van kracht is, liggen in de zogenaamde Buiten-zone. Daar kan daarnaast ook een gemeentelijk velverbod op grond van de Bomenverordening gelden. Beide regelingen kunnen dus naast elkaar van toepassing zijn. Relevantie De BWZ-kaart dient gebruikt te worden als basis bij alle nieuwbouw-, herontwikkelings- of herstructureringsplannen waar bestaande houtopstanden mee gemoeid zijn. Voor bomen met een eco- en hoofdwaarde en monumentale bomen geldt een juridisch-planologische bescherming die bestaat uit een bouwverbod en een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen een straal van 15 meter uit het hart van de desbetreffende boom. In het plangebied zijn geen bomen met een formeel beschermde status aanwezig. Het plangebied is aangeduid als bomen met een basiswaarde (figuur 4.12).

Smariuskade (Ringbaan Noord – Midden Brabantweg)

29

Figuur 4.12: Uitsnede Boomwaarde zoneringskaart 2021 Binnen het plangebied zijn houtopstanden aanwezig. Deze liggen binnen de bebouwde kom (‘bebouwde kom houtopstanden’ (Wet natuurbescherming), voorheen ‘bebouwde kom Boswet’), en bestaan uit een bomenrij van meer dan 20 bomen. Ze vallen echter niet onder de bescherming van de wet natuurbescherming. Losstaande bomen binnen het plangebied kennen deze bescherming ook niet en zijn vrijgesteld wanneer deze geen functie hebben voor beschermde soorten. Een vergunningaanvraag voor de kap van de bomen gaat via de gemeentelijke APV waarbij de eigenschappen van de bomen verzameld dienen te worden (omvang, type, hoogte etc.). Boomwaardekaart Op de boomwaardekaart welke als Bijlage 3 bij de regels van het bestemmingsplan is bijgevoegd zijn monumentale en beschermwaardige bomen opgenomen met bijbehorende beschermingszone van 15 meter. Er mogen in de eerste instantie geen werkzaamheden plaatsvinden in de beschermingszone van de bomen, indien toch werkzaamheden/bouwwerken gepland worden in de zone dient met een Bomen Effect Analyse (BEA) aangetoond te worden dat de werkzaamheden geen nadelig effect hebben op de duurzame levensverwachting van de bomen. Door Antea Group is een Boom effect analyse (BEA) uitgevoerd.

Voor de BEA zijn de bomen binnen de invloedsfeer van de voorgenomen ontwikkeling beoordeeld op van de mogelijke effecten van deze ontwikkeling op de aanwezige bomen. De BEA geeft antwoord op de vraag of de bomen in het perspectief van de voorgenomen werkzaamheden in hun huidige verschijningsvorm en op deze standplaats, duurzaam behouden kunnen blijven. Tevens is een beoordeling gemaakt van de toekomstverwachting van de bomen in de huidige situatie. De resultaten van de BEA zijn verwerkt in het rapport 'Boom effect analyse Smariuskade, Tilburg' d.d. 7 februari 2022. Het rapport is opgenomen als Bijlage 6 bij de toelichting. Onderstaand wordt ingegaan op de conclusies van de analyse. In onderstaande tabel 4.1 wordt weergegeven welke bomen op voorhand verwijderd dienen te worden (bij het huidige Ontwerp) en welke bomen met specifieke randvoorwaarden behouden kunnen worden. In figuur 4.13 zijn de bestaande bomen weergegeven en genummerd. Tabel 4.1: Te verwijderen bomen

Smariuskade (Ringbaan Noord – Midden Brabantweg)

30

Figuur 4.13: Boomnummers (CB5) Voor alle bomen welke behouden kunnen worden gelden de algemene boom-beschermende maatregelen zoals aangegeven op de Bomenposter. Deze Bomenposter is opgenomen als bijlage 4 bij de BEA. De bomen met de nummers 27, 56, 159 en 172 hebben een dbh (stamdiameter op borsthoogte) van 12 cm en mogen in principe vergunningsvrij verwijderd worden. Voor de overige bomen binnen het projectgebied geldt wel een vergunningplicht indien deze verwijderd worden. Voor alle te behouden bomen en de toekomstige situatie wordt het volgende geadviseerd. <0000> De groeiplaatsen van de nieuw aan te planten bomen wordt op een voor bomen gunstige manier ingericht zodat de bomen tot wasdom uit kunnen groeien. De groeiplaatsinrichting wordt opgesteld of beoordeeld door een ter zaken deskundige (ETT); <0000> Voor de te behouden bomen wordt een werkplan bomen opgesteld door een ter zaken deskundige (ETT). Hierin worden onder andere boom-beschermende maatregelen opgenomen; <0000> De werkzaamheden rond de bomen worden begeleid door een ter zaken deskundige toezichthouder bomen (ETT). Boom-technisch zijn de meeste Canadese populieren binnen het projectgebied niet (veilig en duurzaam) te handhaven. De bomen hebben echter wel ecologische waarde.

Indien deze bomen verwijderd worden dient een ecologisch onderzoek te worden uitgevoerd naar beschermde fauna soorten zoals vleermuizen en vogels met een jaarrond beschermde nestlocatie. Naar aanleiding van het advies uit de BEA is het ontwerp op bepaalde punten gewijzigd, waardoor er meer bomen behouden kunnen blijven. In de strook parallel aan het kanaal ligt de nadruk op ecologie. Een deel van de bomen in deze strook zal worden gekapt ten behoeve van de aanleg van ecologisch waardevolle poelen en het creëren van mantel-/zoomvegetatie. Daarnaast wordt een deel van de bomen in deze strook gekapt ten behoeve van de aanleg van infrastructuur. Dit betreft grotendeels bomen welke in de huidige situatie reeds een beperkte levensverwachting hebben. In de strook wordt bij de herinrichting een divers landschap gecreëerd met afwisselend individuele bomen, boomgroepen, bebossing en open ruimten met poelen. De dichte robuuste structuur van bomen en struiken langs de Midden Brabantweg blijft gehandhaafd. De bomenrij aan de oostzijde langs de Merwedestraat wordt gehandhaafd, alleen indien bij de nadere uitwerking van de plannen blijkt dat behoud niet mogelijk is behoort kap tot de mogelijkheden. Ditzelfde geldt voor de individuele bomen / boomgroepen aanwezig op de zuidzijde van het plangebied.

In het plangebied is in de nieuwe situatie veel ruimte voor groen er worden ruimschoots meer bomen terug geplant dan dat er gekapt worden (factor 1,5 tot 2). Dit heeft een positieve bijdrage op de stadsnatuur op dit

Smariuskade (Ringbaan Noord – Midden Brabantweg)

31

nu braakliggend terrein. Het gaat om het kappen van tussen 60 en 80 bomen en het terugplanten van tussen de 120 en 130 bomen. De terug te planten bomen worden geplaatst in duurzame, kwalitatieve groeiplaatsen. Het exacte aantal te kappen bomen is op dit moment niet te zeggen omdat de nieuwe inrichting van de kanaalzone, Merwedestraat en bypass nog nader uitgewerkt moeten worden. Vandaar dat een bandbreedte is aangehouden 4.5.2 Nota Groen Algemeen De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is. Tilburg moet in 2020 een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon- en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente. Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen. Op hoofdlijnen betekent dit: 1. Inzet op buitenstedelijke groengebieden en het groene netwerk; 2. het tot zijn recht laten komen van de verschillende karakters van het groen (klassiek-, recreatief- en natuurlijk groen); 3.

het versterken en behouden van het natuurlijk groen. In 2012 is het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit vastgesteld. Relevantie Het natuurlijk groen bevindt zich met name rondom het plangebied, met name in de vorm van bomenrijen langs het Wilhelminakanaal en de Midden-Brabantweg en een groenzone langs de Ringbaan-Noord. Met de woningbouwontwikkeling wordt ook aandacht besteed aan groen, zowel binnen als rondom het toekomstig woongebied. Het plan Smariuskade voorziet in het behoud van groen langs de randen, dan wel om groen toe te voegen (aan de zuidzijde richting rotonde wordt de groenzone verbreed). Verder kent het plan veel openbare gebieden waar ruimte is voor nieuw (natuurlijk)groen. Dit is te zien in de figuren 2.3 en 2.4. In het kanaalpark, langs het Wilhelminakanaal, wordt tevens recreatief groen aangelegd. Binnen het woongebied wordt door de drie colletieve tuinen ook ingezet op recreatief groen. Hiermee biedt het plan voldoende ruimte voor ontmoeten, sport, spel en recreatie, verdeeld over het plangebied. 4.5.3 Nota biodiversiteit Algemeen Biodiversiteit omvat de totale verscheidenheid van alle levende planten en dieren op aarde. De biodiversiteit neemt wereldwijd af. Het doel van de nota is de biodiversiteit in de gemeente Tilburg te verhogen en beter te beschermen. De visie is gericht op twee niveaus.

Het eerste niveau is de flora & fauna, het tweede niveau is gericht op de mensen. Voor de flora en fauna wordt ingestoken op drie strategieën, namelijk vergroten, verbinden en versterken. Voor de realisatie van duurzame habitatnetwerken zal vaak gekozen worden voor een combinatie van deze strategieën. In de eerste plaats is dat het vergroten van leefgebieden. In de tweede plaats kan een duurzaam netwerk ontstaan door gelijksoortige leefgebieden met elkaar te verbinden. Tenslotte kan ingezet worden op het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden. Voor de mensen is natuurbeleving vooral ook van belang in de stad. Door middel van de groene lijnen en de groene gebieden in de stad, kunnen we dicht bij huis ook genieten van de natuur. Als de groene lijnen en groene gebieden helemaal op orde zijn kunnen de planten en dieren tot in de tuin of op het balkon waargenomen worden. In de nota worden vijf verschillende landschapstypen onderscheiden (agrarisch landschap, beekdallandschap, heide- en boslandschap, landgoederenzone en stedelijk gebied). Per landschapstype wordt een algemene beschrijving gegeven met bijbehorende doelstellingen, maatregelen en knelpunten. Doelstellingen nota biodiversiteit 1. De achteruitgang van de biodiversiteit stoppen vanaf 2010, voor het buitengebied én het bebouwde gebied.

In het voorjaar van 2010 is met een nulmeting bepaald aan de hand van de flora en faunagegevens die voor handen zijn. Hierna kan jaarlijks de verandering in de biodiversiteit worden bijgehouden. 1. Biodiversiteit 'tot aan de voordeur'.

Smariuskade (Ringbaan Noord – Midden Brabantweg)

32

Biodiversiteit verhogen in het openbaar gebied waardoor het letterlijk tot aan de voordeur/ de voortuin van de bewoners van Tilburg komt. 1. In 2020 zijn 50% van alle aangeplante bomen en struiken binnen de bebouwde kom ten gunste van de biodiversiteit. Zo veel mogelijk gebruik maken van autochtoon plantmateriaal met een aanvulling van soorten die een bijdrage leveren aan biodiversiteit door middel van bv. nestgelegenheid, voedsel en/of schuilgelegenheid. In 2016 is aanvullend op bovenstaand groenbeleid de 'agenda groen in de stad' vastgesteld (college 19-07-2016). De 'agenda groen in de stad' gaat samen met het 'beheerbeleidsplan Groen op Niveau' en de nota's groen en biodiversiteit (en het hieruit voortvloeiende uitvoeringsprogramma groen en biodiversiteit) over de toekomst van groen in de stad in inhoudelijke- en financiële zin. Er wordt aangegeven welke kaders gehanteerd worden om de impuls voor groen in de stad, conform het collegeakkoord en de omgevingsvisie Tilburg 2040, goed in te zetten. Uitgangspunt is het 'kleine en het grotere groen, voldoende bereikbaar voor iedereen'. Belangrijk hierbij zijn beleving van groen, klimaatadaptatie en biodiversiteit.

Relevantie Door onder andere natuurlijk ingerichte wadi 's, Tiny Forest, het handhaven van het bestaand groen, het vergroenen van de parkeerdekken, gebruik te maken van gras-stenen wordt op de gewenste biodiversiteit ingespeeld.In paragraaf 5.9 wordt verder ingegaan op groen en biodiversiteit en in Hoofdstuk 6 wordt verder ingegaan op klimaatadaptatie. 4.5.4 Stadsnatuurkaart 2040 De Stadsnatuurkaart 2040, vastgesteld door de gemeenteraad op 10 maart 2022, is de actualisatie van de Stadsnatuurkaart die samen met de Agenda groen in de stad in 2016 eerder is vastgesteld. Biodiversiteit en natuur zijn belangrijk voor al onze inwoners en de aantrekkelijkheid van de stad. Samen met de Bomenverordening, bijbehorend bomenbeleid en bestemmingsplannen vormt de Stadsnatuurkaart 2040 de beleidsmatige randvoorwaarden en instrumenten die ervoor moeten zorgen dat biodiversiteit in het stedelijk gebied behouden blijft en waar het kan, wordt versterkt. Op de Stadsnatuurkaart 2040 zijn onder meer de ecologische structuren benoemd. Hieraan is een duidelijke maatvoering gekoppeld. Deze maatvoering wordt zowel bij de start van ruimtelijke ontwikkelingen als gedurende het verdere proces meegenomen om zo de ecologische kwaliteit op een juiste manier mee te nemen.

De grote ambities en veelheid van belangen die spelen in ruimtelijke ontwikkelingen, maken een heldere en duidelijke structuur en maatvoering voor ecologie wenselijk. Relevantie Op de Stadnatuurkaart 2040 staan de ecologische structuren en zones, stapstenen en ecologische corridors in de stad. Deze zijn nodig om de biodiversiteit in de stad te versterken en op het juiste niveau te krijgen (voor biodiversiteit ligt de nadruk op het realiseren van ontbrekende schakels, het toepassen van biodiverser groen en ecologisch beheer). Een uitsnede ter hoogte van het plangebied is opgenomen in figuur 4.15. In de kaart is te zien dat de noord- en westrand van het plangebied zijn aangeduid als ecologische structuur van 1e orde. Deze ecologische structuur moet een gemiddelde breedte van 20 meter hebben, met een minimale breedte van 15 meter. De zuidrand van het plangebied is een ecologische structuur van 2e orde en dient een gemiddelde breedte van 15 meter te hebben, met een minimale breedte van 10 meter. Met de woningbouwontwikkeling worden juist deze randen ook groen ingericht. De noordelijke rand is tevens aangeduid als provinciale ecologische verbindingszone (EVZ). Hoe de noordelijke rand wordt ingevuld is te lezen in paragraaf 5.9. Aan de westzijde wordt de brede groene zone met opgaande boompeplanting behouden. Deze zone heeft de bestemming 'Groen'.

Aan de zuidzijde wordt een groene zone tussen de woningbouw en de Ringbaan-Noord ingericht, met onder andere een bomenlaan parallel langs de Ringbaan-Noord. Deze zone is grotendeels bestemd met de bestemming 'Groen'. Het parkeerterrein (bestemd met 'Verkeer - Verblijf'), welke aan de rand in het zuiden van het plangebied beoogd is, wordt aanlegd met gras-stenen.

Smariuskade (Ringbaan Noord – Midden Brabantweg)

33

Figuur 4.15: Uitsnede Stadsnatuurkaart 2040 4.5.5 Klimaatadaptatie Algemeen Voor klimaatadaptatie geldt dat het regenwater niet voor overlast zorgt in het gebied zelf, maar ook geen effect heeft op de rest van de stad. Dat betekent, zoveel mogelijk vasthouden van het regenwater in het gebied zelf. Naast voorkomen van wateroverlast gaat het om voorkomen van hittestress en verdere verdroging. Water vasthouden draagt bij aan voorkomen van verdroging. Hittestress voorkomen kun je doen door rekening te houden met de gebouwen in relatie tot de luchtstromen, materiaalgebuik, koele spots en verbindingen inrichten: aangename plekken met grote (klimaat)bomen, groen en water, buffering en infiltratie van regenwater, variatie in beplanting, hoge biodiversiteit. Gebouwen kunnen ook functioneren als 'koele spot'. Waar groen niet mogelijk is kun je werken met zonneschermen, luifels en pergola's tegen de zon. Fijnmazige groenstructuren (en zo min mogelijk verharding) dragen bij aan het voorkomen van hittestress: groen gevels, hagen, linten van bomen, groene pergola's, ed). De gemeente is een project gestart met een externe adviseur dat moet leiden tot een aantal ontwerprichtlijnen ter voorkoming van hittestress. Relevantie In Hoofdstuk 6 wordt verder ingegaan op klimaatadaptatie.

4.5.6 Natuurinclusief bouwen De gemeente Tilburg is voornemens om binnen de gemeente de biodiversiteit te verhogen en te behouden. Daarnaast is het de bedoeling om natuur dichter bij de mensen te brengen door meer natuurelementen te realiseren op straat, in woonwijken en op bedrijventerreinen. De voornaamste reden om natuur in de gehele gemeente een plek te geven is, naast de intrinsieke waarde die het heeft, dat die natuur ons vele ecosysteemdiensten levert. De gemeente noemt hierbij de effecten van natuur op de gezondheid, op luchtkwaliteit en klimaatverandering en de mogelijkheden tot recreëren als belangrijke waarden die natuur kan hebben binnen een stad. De definitie van (groen en-) natuurinclusief bouwen is tweeledig. Enerzijds gaat het om het behouden en verbeteren van de leefomstandigheden van 'gebouwgebonden' soorten als huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen. Dit zijn volgens de Wet natuurbescherming beschermde soorten die onder druk staan. Anderzijds gaat het bij groen- en natuurinclusief bouwen om de veel bredere opgave om meer (natuurlijk) groen in de directe woonomgeving te ontwikkelen. Stedelijke verdichting door verdere bevolkingsgroei maakt het des te belangrijker om ruimte te houden en creëren voor stedelijk groen.

Dit is niet alleen van belang voor de bescherming van soorten en stedelijke biodiversiteit, maar ook voor het behouden en versterken van de eerder genoemde diensten die natuur levert aan inwoners van de stad. Groen- en natuurinclusief bouwen is niet als eenduidig voorschrift in een wet of contract te vatten. Om het creëren van groene elementen in de stad te stimuleren bij initiatiefnemers is een natuurpuntensysteem ontwikkeld voor groene stadselementen, zogenaamde groen- en natuurinclusieve maatregelen. Het Smariuskade (Ringbaan Noord – Midden Brabantweg)

34

puntensysteem is van toepassing op alle bouwplannen binnen de gemeente Tilburg. Bovendien dient het natuurpuntensysteem ervoor om de creativiteit en keuzevrijheid van architecten en ontwikkelaars te bevorderen. Er is een lijst van maatregelen opgesteld waaruit de ontwikkelaar zelf een keuze kan maken. Bij een grootschalige bouwontwikkeling worden meer investeringen in groen- en natuurinclusief bouwen verwacht dan bij een kleinschalige (bouw)ingreep. Daarnaast neemt het in een laagbouwwijk andere vormen aan dan in een hoogbouwcluster, net als wanneer het gebouw in een groene of een stedelijke omgeving staat. Relevantie De voorgenomen ontwikkeling van Smariuskade is aan te merken als grootschalig project. Dit betekent dat minimaal 12 punten met betrekking tot het gebouw (gevel/dak), 11 punten voor verblijven (in gebouw) en 38 punten in de omgeving van het gebouw moeten worden behaald. Aan de beschreven puntenminima moet worden voldaan. Ten tijde van de aanvraag van de omgevingsvergunningen voor het bouwen zal de gedetailleerde uitwerking van de opstallen bekend zijn. Deze vergunning kan worden verleend op voorwaarde dat de natuurinclusieve maatregelen zijn opgenomen in de aanvraag.

4.6 Bedrijvigheid 4.6.1 Kadernota Ruimte voor Bedrijven Het doel van de nota is het oplossen van de knelpunten op korte termijn en het reserveren van voldoende ruimte op langere termijn om in de vraag naar bedrijventerreinen te kunnen voorzien. In de nota is de behoefte aan bedrijventerreinen in kaart gebracht. De behoefte is sterk afhankelijk van de conjunctuur en alleen globaal te ramen. De feitelijke ontwikkelingen ten aanzien van de vraag naar en het aanbod van nieuwe bedrijventerreinen worden gevolgd door middel van voortgangsrapportages. Op basis daarvan wordt het ontwikkelingsprogramma voor nieuwe bedrijventerreinen periodiek geactualiseerd, zowel kwantitatief als kwalitatief. In de Voortgangsrapportage Bedrijventerreinen 2004 is de segmentering enigszins aangepast. Nieuwe bedrijventerreinen worden in drie segmenten verdeeld (kwalitatief): 1. grootschalig gemengd (kavels groter dan 2ha): voor milieuhinderlijke bedrijven (t/m categorie 5) en voor bedrijven die veel verkeer aantrekken, zoals grote verladers, transport en distributie; 2. kleinschalig gemengd (kavels tot 2ha): voor industrie (t/m categorie 4), ambacht, bouw, reparatie, groothandel, perifere detailhandel en kantoorachtige bedrijven; 3. lokaal gemengd (kavels tot 5.000m2): voor bedrijvigheid met een lokale afzet- of arbeidsmarkt, zoals installatie- of reparatiebedrijven.

Op deze bedrijventerreinen behoort werken aan huis ook tot de mogelijkheden. Het segment lokaal gemengd is te zien als verbijzondering van het segment kleinschalig gemengd en is te vinden in de dorpen en in woonwerkgebieden in het stedelijke gebied. Binnen de typen grootschalig en kleinschalig gemengd worden twee subtypen onderscheiden en wel standaardterreinen en hoogwaardige terreinen. Onderhavige ontwikkeling betreft de herontwikkeling van een braakliggend deel van een grootschalig gemengd bedrijventerrein. Het bestaande Ziggo-datacenter wordt gehandhaafd. De ontwikkeling heeft geen beperkend effect op de omliggende bedrijvigheid. Daarnaast worden voorzieningen in dienstverlening mogelijk gemaakt, die zijn opgenomen in de lijst Staat van Bedrijfsactiviteiten - functiemenging. Deze voorzieningen kunnen goed worden gemengd in een woongebied. 4.6.2 Regionale Agenda Werken De lokale programmering van bedrijventerreinen wordt vanwege de provinciale verordening Ruimte vanaf 2012 op regionaal niveau afgestemd met de Hart van Brabant gemeenten. In december 2011 zijn de regionale afspraken bedrijventerreinen vastgesteld in het bestuurlijke Regionaal Ruimtelijk Overleg (RRO) van de regio Hart van Brabant met de provincie Noord-Brabant.

De regionale afspraken bedrijventerreinen bevat de programmering van nieuwe bedrijventerreinen in de regio Hart van Brabant en wordt jaarlijks in december herbevestigd of herijkt. De regionale afspraken bedrijventerreinen zijn gebaseerd op een prognose voor de ruimtevraag naar nieuwe bedrijventerreinen die tenminste 1 keer per bestuursperiode door de provincie wordt opgesteld. Die prognose wordt aangevuld met gegevens over reeds bouwrijpe beschikbare kavels, restlocaties, strategische reserves, transformatie- en herstructureringsplannen. In opdracht van de provincie zijn in 2014 nieuwe prognoses voor de ruimtevraag naar bedrijventerreinen opgesteld, op basis waarvan in 2015 de kwalitatieve ruimtevraag nader in beeld is gebracht. In juni 2016 is de visie bovenregionale afstemming zeer grootschalige logistiek vastgesteld. Op basis van deze stukken hebben de Hart van Brabant gemeenten en de provincie bij het RRO van 7 juli 2016 de principes voor de nieuwe regionale Smariuskade (Ringbaan Noord – Midden Brabantweg)

35

afspraken bedrijventerreinen vastgesteld. Vervolgens is een aantal elementen nader uitgewerkt en bij het RRO/gecombineerd portefeuillehoudersoverleg ROV/EZ &RT van 22 september 2016 vastgesteld. De hoofdlijnen van de regionale afspraken bedrijventerreinen zijn als volgt: Over de programmering van de grootschalige logistiek is een akkoord bereikt tussen regio en provincie over de volgende terreinen: <0000> Wijkevoort (Tilburg): Er wordt een totaal masterplan voor Wijkevoort ontwikkeld, waarvan 30 ha. op groen staat als beginvolume (hiervoor mag een bestemmingsplan worden ontwikkeld) en de tweede fase op oranje staat en vraaggericht tot ontwikkeling wordt gebracht. Provincie denkt hierin mee. De ontwikkeling van fase 2 is onderhavig aan regionale afstemming c.q. provinciale afstemming. Mocht blijken dat een omvang van 30 ha financieel economisch gezien niet toereikend is om een uitvoerbaar bestemmingsplan op te stellen, dan wordt de mogelijkheid van een verbrede reikwijdte op grond van de Crisis en Herstelwet samen opgepakt. In december 2016 (RRO) of ander passend moment in het planproces wordt de context van de vraag scherper in beeld gebracht (peilen concrete vraag/behoefte in de markt). Provincie en gemeente Tilburg treden als partners op om de kwalitatieve invulling van Wijkevoort mede vorm te geven (o.a.

inzet taskforce Economie en Natuur) zodat de conceptontwikkeling van Wijkevoort passend is bij de ambitie om een modern werklandschap te realiseren, goed ingebed in en verbonden met de omgeving. <0000> Zwaluwenbunders (Tilburg): Zwaluwenbunders staat op oranje en zal vraaggericht worden ontwikkeld. De provincie denkt mee in de opstelling van een concept bestemmingsplan (stadium vóór het voorontwerp) voor Zwaluwenbunders. <0000> Haven Acht (Waalwijk): Haven acht staat op oranje en wordt vraaggericht tot ontwikkeling gebracht. Provincie denkt mee in de geïntegreerde ontwikkeling van windmolens op het bedrijventerrein. Zo nodig in combinatie met een pilotaanvraag in het kader van de Crisis en Herstelwet. Voor de andere bedrijventerreinen is een overzicht vastgesteld met daarop: <0000> Groene bedrijventerreinen: dit is reeds uitgeefbare ruimte op bestaande terreinen. <0000> Oranje terreinen, waarbij wordt aangegeven op welke plekken er kwalitatief gezien goede mogelijkheden zijn voor lokaal maatwerk in aansluiting op / afronding van bestaande terreinen (met name voor de gemeenten zonder direct uitgeefbaar terrein). De oranje terreinen zijn voorwaardelijk; deze kunnen in overleg met regio en provincie van oranje op groen gezet bij (aantoonbare) vraag. <0000> Rode terreinen, waarbij in beeld gebracht wordt welke terreinen worden gedeprogrammeerd.

<0000> De behoeftebepaling en handelswijze volgens de Ladder voor duurzame verstedelijking is uitgangspunt om als regio en provincie met elkaar te zorgen voor het zicht houden en borgen van voldoende ruimte. Met dit bestemmingsplan worden geen (grootschalige) werklocaties ontwikkeld. Er hoeft dan ook geen regionale afstemming op dit punt plaats te vinden. 4.6.3 Nota Verspreide Bedrijvigheid Verspreide bedrijven zijn bedrijven die niet op bedrijventerreinen, binnenwijkse bedrijventerreinen of in het centrum zijn gevestigd. Het gaat dus om bedrijven in woongebieden of gemengde gebieden (nota Verspreide Bedrijvigheid, 2002). Verspreide bedrijvigheid is van wezenlijk belang voor de Tilburgse economie. Daar werken veel mensen en voor de zakelijke dienstverlening zijn woonmilieus en gemengde milieus zelfs de belangrijkste vestigingsplaats. Daarom is behoud en versterking van deze vestigingsplaatsen vanuit economisch oogpunt zeer gewenst. Vanuit de woonfunctie bezien blijkt dat de aanwezigheid van die typen bedrijvigheid tussen woningen goed is in te passen en maar weinig overlast veroorzaakt. Voor een bepaalde groep woonconsumenten geldt dat ze een duidelijke voorkeur hebben voor een woonmilieu met meer functiemenging en allerlei voorzieningen in de omgeving.

De grootste bijdrage van de gemeente aan het ontstaan en behoud van passende bedrijvigheid is het voeren van een planologisch beleid dat zoveel mogelijk ruimte biedt voor bedrijvigheid, zonder problemen in de woonomgeving te veroorzaken. Drie zaken zijn hierbij bepalend: 1. de aard van het bedrijf, en daarmee samenhangend de te verwachten hinder voor de omgeving; 2. het gewenste woonmilieu ter plaatse; 3. ruimte op basis van het bestemmingsplan. De nota verspreide bedrijvigheid maakt bij nieuwe bestemmingplannen in dit opzicht onderscheid in verschillende soorten woongebieden: 1. woongebieden met lage functiemenging; 2. woongebieden met gemiddelde functiemenging; 3. woongebieden met hoge functiemenging; 4. concentratiegebieden.

Smariuskade (Ringbaan Noord – Midden Brabantweg)

36

In geografische zin wordt ernaar gestreefd om in élke woonwijk plekken aan te wijzen waar kleinschalige bedrijvigheid de ruimte krijgt. Onder andere bufferzones tussen woongebieden en bedrijventerreinen, de directe omgeving van winkelcentra of voorzieningenclusters en geluidsbelaste locaties zijn logische plekken waar bedrijvigheid kan worden toegelaten. Om tot concretisering van functiemenging te komen is een ´basiskaart functiemenging wonen en verspreide bedrijvigheid´ uitgewerkt, waarop zogenaamde ´kansenzones´ voor ruimtelijk-functionele mogelijkheden voor functiemenging zijn weergegeven. Deze kansenzones zijn bestaande straten of woonblokken waarin functiemenging met verspreide bedrijvigheid nadrukkelijk gewenst is. Op basis van deze informatie kan de gemeente nog gerichter sturen op een grotere functiemenging in die gebieden die zich daar voor lenen. Met voorgenomen ontwikkeling is ruimte voor kleinschalige bedrijvigheid, passend in een woongebied. In het plangebied zijn delen aangeduid waar dienstverlening (opgenomen in Bijlage 2 Staat van Bedrijfsactiviteiten functiemenging en horeca van categorie 1 zijn toegestaan. In deze delen wordt functiemenging beoogd. 4.6.4 Nota Bedrijvigheid op Binnenwijkse Bedrijventerreinen Het college heeft op 17 mei 2016 definitief de Aanpak verkleuring Tilburgse bedrijventerreinen vastgesteld.

Voorafgaande hieraan heeft de Raadscommissie Vestigingsklimaat op 14 maart 2016 de aanpak verkleuring Tilburgse bedrijventerreinen besproken en haar wensen en bedenkingen gegeven. Verkleuring is kort gezegd het fenomeen waarbij (toekomstige) eigenaren en gebruikers op bedrijventerreinen activiteiten willen ontplooien of zodanig willen veranderen dat het gebruik daardoor anders wordt dan oorspronkelijk beoogd. De gemeente wil enerzijds ruimte bieden aan de economische dynamiek die de economische kracht van de stad en de regio versterkt. Maar de gemeente wil ook zorgen voor 'de juiste functies op de juiste plek'. De stad wil duurzaam verstedelijken en leegstand en verdringing tegengaan. Ook wil de gemeente onderlinge hinder van bedrijven en functies en kwaliteitsverlies op andere locaties in de stad voorkomen. Het college heeft daarom een aantal uitgangspunten over het al dan niet toestaan van nieuwe soorten gebruik op bestaande bedrijventerreinen vastgesteld: 1. Industrie en logistieke bedrijven optimaal bedienen in hun verkleuringswensen. 2. Stedelijke economie en consumentgerichte stedelijke functies soms faciliteren op sommige terreinen 3. Geen nieuwe solitaire kantoorfuncties; uitzondering voor kleinschalige kantoren 'in de industriële keten'. 4. Ondergeschikte consumentendiensten bij werkplaatsen en ateliers mogelijk (tot 20% van vloeroppervlak) 5.

Zelfstandige horeca: in principe niet. 6. Stedelijke functies: bij voorkeur in de stad. Alleen als zij op een bedrijventerrein beter passen mag het daar. 7. Wonen op bedrijventerreinen is niet gewenst, met uitzondering van bedrijfswoningen. 8. Geen nieuwe solitaire detailhandel op bedrijventerreinen, focus op clustering, saldo 0 benadering. 9. Afhaalpunten (binnen strikte definitie) toegestaan. 10. Branchering. Géén verruiming. Concentratie woninginrichting op Leijpark / AaBé NB: de visie PDV/GDV die eveneens voorjaar 2016 wordt uitgebracht gaat dieper in op de punten 8,9 en 10. Met voorgenomen ontwikkeling is sprake van een transformatie van een bedrijfslocatie naar een woongebied. Binnen het bestemmingsplan wordt geen noemenswaardige omvang aan nieuwe bedrijvigheid mogelijk gemaakt.

4.7 Horeca De gemeenteraad heeft op 30 januari 2017 het horecabeleid vastgesteld. Daarin is de volgende doelstelling opgenomen. "Tilburg wil een gastvrije stad zijn. Met het nieuwe horecabeleid willen we een bijdrage leveren aan een horeca-aanbod dat aansluit bij de wensen van de bewoners en bezoekers van de stad. We kiezen voor horeca die een meerwaarde heeft voor de functie van gebieden, om daarmee de gastvrijheid van Tilburg te benadrukken. Daarnaast willen we binnen het beleid ruimte houden voor vernieuwing van het aanbod. De stad realiseert hiermee een horeca aanbod waarvoor mensen nu, en in de toekomst, naar Tilburg komen en er willen verblijven." Ruimte voor vernieuwing/innovatie van het aanbod Nieuwe horeca-initiatieven moeten de aantrekkelijkheid van bepaalde gebieden vergroten of behouden. Gebieden als de binnenstad en het buitengebied zijn van groot belang voor het woon- en leefklimaat en bezoekers, vanwege de vele voorzieningen en mogelijkheden voor recreatie en ontspanning. Door daar in te zetten op (vernieuwende) horeca(concepten) kunnen deze gebieden een grotere waarde krijgen voor inwoners en bezoekers. Onderscheidende hor een bijzondere locatie, moeten ruimte kunnen krijgen in Tilburg. Evenwichtig aanbod

Smariuskade (Ringbaan Noord – Midden Brabantweg)

37

Bij het vormgeven van het horecabeleid dient tevens een balans te worden gevonden met andere functies zoals de leefbaarheid in wijken of de mogelijkheid om te ondernemen (in andere sectoren). Ook bij de omvang van het aantal horecagelegenheden moet een balans worden gevonden. Het toevoegen van horeca komt de diversiteit en spreiding van het aanbod ten goede. Bij overaanbod kan het rendement van horecabedrijven onder druk komen staan. Dit kan tot gevolg hebben dat de kwaliteit afneemt en dat daardoor niet voldoende ruimte is voor vervangingsinvesteringen en het investeren in het vernieuwen van het concept. Horeca-categorieën In het horecabeleid zijn categorieën opgenomen. Zo ontstaat de mogelijkheid om te sturen op de ontwikkeling van horeca die past bij het karakter van het gebied. Denk hierbij aan de wenselijkheid van daghoreca in winkelgebieden en het voorkomen van overlast van horeca die lang geopend is in gebieden waar ook (relatief veel) woningen aanwezig zijn. In het horecabeleid is daarom gekozen voor een nieuwe typering van horeca-categorieën waarmee aansluiting gezocht wordt bij het belangrijkste bezoekmotief van de consument en waarmee richting kan worden gegeven aan de ontwikkeling van horeca die aansluit bij de kwaliteiten van een specifiek gebied.

Categorie I (Daghoreca) Horeca inrichting, met openingstijden gerelateerd aan de winkeltijden (daghoreca), niet zijnde een horeca inrichting als bedoeld in categorie II, waar: hoofdzakelijk (kleine) etenswaren en/of dranken worden verstrekt. Voorbeelden zijn: thee & koffie-concepten, brood & lunchconcepten, ijs & yoghurt concepten. Daarnaast zijn ook concepten zoals omschreven bij categorie III mogelijk indien de openingstijden kunnen worden beperkt. Categorie II (Droge horeca): Horeca inrichting waar: hoofdzakelijk kleine etenswaren en/of alcoholvrije dranken worden verstrekt. Voorbeelden zijn aan te merken: fastfoodconcepten, healthy fastfoodconcepten, snackbars, shoarmazaken. Indien alcohol wordt verstrekt valt het bedrijf in categorie III. Categorie III (Eetgelegenheden): Horeca inrichting, niet zijnde een horeca inrichting als bedoeld in categorie II, waar hoofdzakelijk maaltijden worden verstrekt. Voorbeelden zijn: restaurants, pizzeria's, all-you-can-eat-concepten, café-restaurant. Categorie IV (Café - Barconcepten): Horeca inrichting waar hoofdzakelijk dranken worden verstrekt, en waar eventueel in combinatie daarmee kleine etenswaren worden verstrekt. Voorbeelden zijn: cafés, bars, pubs, bier-, wijn- en cocktailconcepten.

Categorie V (Uitgaan & Zalen) Horeca inrichting waar hoofdzakelijk dranken worden verstrekt en entertainment wordt aangeboden, zoals (live) optredens en mechanische muziek Voorbeelden zijn: clubs, discotheken, feestcafés, uitgaansconcepten, zalen- en partycentra, danscafés, karaokebars. Combinatie met (onderdelen) van categorieën III en IV vallen ook binnen deze categorie. Categorie VI (Verblijfshoreca): Horeca inrichting waar hoofdzakelijk gelegenheid tot tijdelijk slaapverblijf wordt gegeven, en waar eventueel in combinatie daarmee maaltijden, dranken en/of kleine etenswaren worden verstrekt. Voorbeelden zijn: hotels, motels en pensions. Met voorliggend bestemmingsplan wordt enkel daghoreca (categorie 1) mogelijk gemaakt, ten behoeve van de leefbaarheid in de nieuwe woonwijk. Volgens het horecabeleid heeft horeca in woongebieden (vooral) een wijkvoorzienende functie, zoals een snackbar of een ijssalon. Uitbreidingsmogelijkheden zijn er alleen indien dit type horeca benedengemiddeld vertegenwoordigd is. Verder is in het beleid verwezen naar een onderzoeksrapport waaruit blijkt dat dergelijke gebieden tevens ruimte bieden voor restaurants en cafés/bars. Omdat het hier echter gaat om horeca gevestigd in de plint van een woongebouw, is uitsluitend daghoreca toegestaan.

Binnen deze categorie is een exploitatie mogelijk als restaurant of bar binnen de openingstijden van daghoreca, te weten van 07.00u tot 23.00u.

4.8 Verkeer en parkeren 4.8.1 Mobiliteitsaanpak Tilburg De 'Mobiliteitsaanpak Tilburg, Samen op weg naar 2040' schetst een toekomst waarin slim en duurzaam vervoer centraal staat. Dat betekent: nieuwe technologieën toepassen, maar ook de gebruiker centraal stellen. Niet als doel op zich, maar om bij te dragen aan een leefbare stad. Daarnaast zet Tilburg in op duurzaamheid: we houden nadrukkelijk rekening met toekomstige generaties. De gemeentelijke mobiliteitsaanpak is het vervolg op het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Dat ging vooral over verkeersstromen en vervoermiddelen. In de nieuwe werkwijze vormt de mens het uitgangspunt: wat hebben inwoners, bezoekers en bedrijven nodig om van A naar B te komen? Met deze aanpak wil de

Smariuskade (Ringbaan Noord – Midden Brabantweg)

38

gemeente niet alleen verkeersstromen in goede banen leiden, maar ook de kwaliteit van leven in de stad behouden en verbeteren. Mobiliteitsagenda 013 De hoofdlijnen uit de mobiliteitsaanpak zijn nu uitgewerkt in een agenda met concrete maatregelen en opgaven voor de korte, middellange en lange termijn. In een aantal Tilburgse proeftuinen wordt samen met onderwijs, bedrijfsleven en uiteraard de gebruikers gewerkt aan innovaties op het gebied van slimme mobiliteit. Deze MobiliteitsAgenda013 wordt jaarlijks geactualiseerd in september. 4.8.2 Hoofdlijnennotitie Parkeren 2016 Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Hoofdlijnennotitie Parkeren. Deze is april 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Wij richten ons als stad op gastvrijheid voor de bezoeker, een betere leefkwaliteit voor bewoners en economische vitaliteit van de binnenstad. De gemeente Tilburg wilt de beschikbare parkeercapaciteit optimaal benutten. Daar hoort bij dat wij parkeerders op de juiste plek faciliteren, ook voor specifieke voorzieningen zoals deelauto’s, elektrische auto’s en andere doelgroepen. Het beter benutten van bestaande parkeercapaciteit van garages en terreinen leidt tot minder zoekverkeer en blik in de woonstraten en biedt kansen voor versterking van ruimtelijke kwaliteit en nieuw groen.

De vastgestelde kaders voor het parkeervraagstuk bij bouwontwikkelingen zijn: <0000> voor het inschatten van de parkeerbehoefte bij nieuwe ontwikkelingen de CROW-richtlijn te hanteren; <0000> in de toepassing van parkeernormen meer vrijstellingen te hanteren, zonder daarbij de (directe) omgeving van de ontwikkeling te belasten met (toekomstige) parkeeroverlast; <0000> het PPS-gebied in de Spoorzone aan te wijzen als een gebiedsontwikkeling die in zijn eigen parkeerbehoefte moet voorzien, waarbij alleen op (tijdelijke) piekmomenten de parkeercapaciteit in de directe omgeving een uitwijkmogelijkheid is, met name voor bezoekers; <0000> het basisprincipe te blijven hanteren dat een nieuwe ontwikkeling de parkeerbehoefte op eigen terrein oplost, maar wel de mogelijkheid te bieden af te wijken van deze verplichting zolang daar met voldoende zekerheid geen parkeeroverlast voor de omgeving uit volgt; <0000> indien wordt afgeweken van het basisprincipe daarvoor het instrument van een afkoopregeling in te zetten, waarmee de afkoopsom de gemeente de gelegenheid geeft om zo nodig maatregelen te treffen om (toekomstige) parkeeroverlast in de omgeving te voorkomen. 4.8.3 nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' zijn de parkeernormen en berekeningsmethode vastgelegd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12926308/1