07 Obp toelichting
Tekst van het document
De kaart laat ook zien dat als gevolg van het ontbreken van doorgaande groene structuren in de Oude Stad er daar een andere strategie nodig is, namelijk het inzetten op structuren en plekken langs het netwerk van de linten. Daarnaast zijn ook de private tuinen en terreinen van belang om een zo goed mogelijk stadsbreed ecologisch netwerk te maken. Het spoor is in de Agenda Groen in de Stad weergegeven als een belangrijke ecologische corridor. Met het voorliggende plan wordt een ecologische zone van ca. 20 meter gerealiseerd langs het spoor om bij te dragen aan de ambities ten aanzien van groen in de stad. De strook wordt extensief beheerd wat de biodiversiteit ten goede komt. In Bijlage 4 Schetsontwerp buitenruimte is een schetsontwerp van deze strook toegevoegd.
3.5 Detailhandel 3.5.1 Visie detailhandel In de visie Detailhandel gemeente Tilburg (2013) is de volgende doelstelling voor de detailhandel geformuleerd: "Tilburg streeft naar een toekomstbestendige detailhandelsstructuur, gericht op kwaliteit en vitaliteit van detailhandelslocaties. Wij willen een antwoord geven op vragen uit de markt en vertalen consumentenbehoeften in maatregelen die nodig zijn om de detailhandelsstructuur attractief en vitaal te houden. Onze focus richt zich daarbij vooral op de bestaande structuur." In deze visie worden kwaliteit en vitaliteit van de detailhandelsstructuur centraal gesteld. Bij een kwalitatief hoogwaardige structuur voorzien de winkelgebieden samen in een aantrekkelijk aanbod, zodat inwoners en bezoekers voor al hun aankopen en bezoekmotieven (recreatief winkelen, thematisch winkelen, boodschappen doen, doelgerichte aankopen) terecht kunnen in de stad. Een vitale winkelstructuur kenmerkt zich door toekomstbestendige en ook op termijn krachtige en levendige kern‐ en ontmoetingslocaties die bijdragen aan het behoud en versterken van de winkelstructuur. Zowel bij kwaliteit als vitaliteit zijn de behoeften van de
Reit 2007, 7e herziening (Reitseplein 15)
20
consument leidend. Uitgangspunt blijft de focus op de bestaande concentraties, waarbij voor perifere locaties de in eerdere beleidsnota's gekozen en in bestemmingsplan vastgelegde branchering het uitgangspunt blijft. Winkelen en boodschappen doen Traditioneel kennen we verschillende lagen in de detailhandelsstructuur. Afdalend in omvang en attractiviteit van een functie van regio‐ tot buurtniveau. Deze gelaagdheid is zowel voor de Structuurvisie 2040 van Tilburg als deze Detailhandelsvisie het uitgangspunt. Voor de Binnenstad staat gastvrijheid en kwaliteit centraal. Bij de wijkcentra staat de functie winkelen centraal terwijl voor de buurtwinkelcentra ontmoeten centraal staat. Voor de linten is de nadruk gelegd op boodschappen doen in combinatie met bezoek aan speciaalzaken, waarbij ook verdere menging van functies mogelijk is. Naast detailhandel zijn dat andere op consumentengerichte functies als kapsalons en adviseurs, maar ook zorgverleners. Nieuwe ontwikkelingen Trends, ontwikkelingen, consumentengedrag en de behoefte van retailers krijgen een prominente plek in de Tilburgse detailhandelsstructuur. Met dat in het achterhoofd stimuleren we het behoud van kansrijke gebieden, kijken we kritisch naar de ontwikkelrichting van kwetsbare gebieden en willen we zo komen tot een goede kwalitatieve en kwantitatieve spreiding van het aanbod over de stad.
De blik is vooral gericht op de bestaande winkelgebieden. Als we de huidige markt willen volgen zullen we incidenteel zeker ook ruimte moeten kunnen bieden aan ontwikkelingen buiten de bestaande locaties. Onze doelstelling is daarmee de kwaliteit en vitaliteit van de bestaande structuur te versterken en te voldoen aan de wens van de consument. Op trafficlocaties (zoals stations, bedrijventerreinen, ziekenhuizen of andere drukbezochte locaties waar veel mensen om andere redenen dan winkelen komen) blijft een beperkte mogelijkheid voor detailhandel aanwezig. In bijzondere gevallen kan de gemeente detailhandel buiten winkelcentra toestaan, stellen, bijvoorbeeld waar het gaat om beperkte detailhandelsactiviteiten betrekking hebbende op en ondergeschikt aan een sportinstelling zoals bij een ijsbaan of (voetbal)stadion. Waar mogelijk worden afhaalpunten (van internetwinkels) gefaciliteerd binnen de bestaande structuur, daarbij wordt als uitgangspunt genomen dat bedrijventerreinen geen logische vestigingsplaats zijn voor internetwinkels met showroom en/of winkelfunctie.
Figuur 11: Spreiding winkelaanbod Tilburg Ruimtelijke vertaling
Reit 2007, 7e herziening (Reitseplein 15)
21
Overeenkomstig de Structuurvisie Linten in de Oude Stad zal voor de binnenstad en de twee belangrijkste winkellinten (Korvelseweg en Besterdring) de bestemming Centrum‐Lint worden gehanteerd, waarin de functie detailhandel is opgenomen. Voor de Tuinstraat (binnenstad) geldt de bestemming Gemengd‐Lint. De grote winkelcentra Westermarkt, Heyhoef en Wagnerplein worden bestemd als Centrum waarvan de functie detailhandel deel uitmaakt. Voor de overige buurt‐ en wijkcentra, voor zover geen deel uitmakend van de Structuurvisie Linten in de Oude Stad, geldt de bestemming Gemengd‐Buurt of Gemengd‐Dorps. Indien hierbij sprake is van een bedrijvig lint (uitgezonderd Korvelseweg en Besterdring) geldt overeenkomstig de Structuurvisie Linten in de Oude Stad de bestemming Gemengd‐Lint. Zowel bij de bestemming Gemengd‐Buurt, Gemengd‐Dorps en Gemengd‐Lint wordt de perceelsgerichte bestemming detailhandel alleen opgenomen voor de bestaande winkels. De bestemming Detailhandel is bedoeld voor de meer grotere solitaire winkels, die geen PDV of GDV zijn. Daarnaast zijn er PDV‐Clusters. Deze krijgen de bestemming PDV met een branchebepaling. Buiten de verschillende centra en PDV‐clusters zijn tevens winkels gevestigd, met name in de oude stad en op een aantal bedrijventerreinen.
Afhankelijk van de hoofdbestemming van de locatie (soort gebied, bijvoorbeeld woonwijk of bedrijventerrein) en de grootte van de winkel zullen deze solitaire winkels perceelsgericht als detailhandel of als Detailhandel perifeer worden bestemd. 3.5.2 Structuurbeeld Knooppunt Tilburg Het Reitseplein maakt geen onderdeel uit van de Tilburgse detailhandelsstructuur. Uitgangspunt van het beleid is dat detailhandel zich moet vestigen in winkelgebieden behorende tot de detailhandelsstructuur. Het voorliggende bestemmingsplan maakt detailhandel dan ook niet rechtstreeks mogelijk. Gelet op de veranderende wensen van consumenten en de transformatie van de Kennisknoop van kantoorgebied naar een gemengd woongebied met een nadrukkelijke verbindingsfunctie wordt in het bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor vestiging van detailhandel, zodat bij verandering van beleid en/of inzichten medewerking kan worden verleend aan het vestigen van winkels.
3.6 Horeca 3.6.1 Algemeen De gemeenteraad heeft op 30 januari 2017 het horecabeleid vastgesteld. Daarin is de volgende doelstelling opgenomen. "Tilburg wil een gastvrije stad zijn. Met het nieuwe horecabeleid willen we een bijdrage leveren aan een horeca-aanbod dat aansluit bij de wensen van de bewoners en bezoekers van de stad. We kiezen voor horeca die een meerwaarde heeft voor de functie van gebieden, om daarmee de gastvrijheid van Tilburg te benadrukken. Daarnaast willen we binnen het beleid ruimte houden voor vernieuwing van het aanbod. De stad realiseert hiermee een horeca aanbod waarvoor mensen nu, en in de toekomst, naar Tilburg komen en er willen verblijven." Ruimte voor vernieuwing/innovatie van het aanbod Nieuwe horeca‐initiatieven moeten de aantrekkelijkheid van bepaalde gebieden vergroten of behouden. Gebieden als de binnenstad en het buitengebied zijn van groot belang voor het woon‐ en leefklimaat en bezoekers, vanwege de vele voorzieningen en mogelijkheden voor recreatie en ontspanning. Door daar in te zetten op (vernieuwende) horeca(concepten) kunnen deze gebieden een grotere waarde krijgen voor inwoners en bezoekers. Onderscheidende hor een bijzondere locatie, moeten ruimte kunnen krijgen in Tilburg.
Evenwichtig aanbod Bij het vormgeven van het horecabeleid dient tevens een balans te worden gevonden met andere functies zoals de leefbaarheid in wijken of de mogelijkheid om te ondernemen (in andere sectoren). Ook bij de omvang van het aantal horecagelegenheden moet een balans worden gevonden. Het toevoegen van horeca komt de diversiteit en spreiding van het aanbod ten goede. Bij overaanbod kan het rendement van horecabedrijven onder druk komen staan. Dit kan tot gevolg hebben dat de kwaliteit afneemt en dat daardoor niet voldoende ruimte is voor vervangingsinvesteringen en het investeren in het vernieuwen van het concept. 3.6.2 Horeca-categorieën
Reit 2007, 7e herziening (Reitseplein 15)
22
In het horecabeleid zijn categorieën opgenomen. Zo ontstaat de mogelijkheid om te sturen op de ontwikkeling van horeca die past bij het karakter van het gebied. Denk hierbij aan de wenselijkheid van daghoreca in winkelgebieden en het voorkomen van overlast van horeca die lang geopend is in gebieden waar ook (relatief veel) woningen aanwezig zijn. In het horecabeleid is daarom gekozen voor een nieuwe typering van horeca‐categorieën waarmee aansluiting gezocht wordt bij het belangrijkste bezoekmotief van de consument en waarmee richting kan worden gegeven aan de ontwikkeling van horeca die aansluit bij de kwaliteiten van een specifiek gebied. Categorie I (Daghoreca) Horeca inrichting, met openingstijden gerelateerd aan de winkeltijden (daghoreca), niet zijnde een horeca inrichting als bedoeld in categorie II, waar: hoofdzakelijk (kleine etenswaren) en/of dranken worden verstrekt. Voorbeelden zijn: thee & koffie‐concepten, brood & lunchconcepten, ijs & yoghurt concepten. Daarnaast zijn ook concepten zoals omschreven bij categorie III mogelijk indien de openingstijden kunnen worden beperkt. Categorie II (Droge horeca): Horeca inrichting waar: hoofdzakelijk kleine etenswaren en/of alcoholvrije dranken worden verstrekt. Voorbeelden zijn aan te merken: fastfoodconcepten, healthy fastfoodconcepten, snackbars, shoarmazaken.
Indien alcohol wordt verstrekt valt het bedrijf in categorie III. Categorie III (Eetgelegenheden): Horeca inrichting, niet zijnde een horeca inrichting als bedoeld in categorie II, waar hoofdzakelijk maaltijden worden verstrekt. Voorbeelden zijn: restaurants, pizzeria's, all‐you‐can‐eat‐concepten, café‐restaurant. Categorie IV (Café - Barconcepten): Horeca inrichting waar hoofdzakelijk dranken worden verstrekt, en waar eventueel in combinatie daarmee kleine etenswaren worden verstrekt. Voorbeelden zijn: cafés, bars, pubs, bier‐, wijn‐ en cocktailconcepten. Categorie V (Uitgaan & Zalen) Horeca inrichting waar hoofdzakelijk dranken worden verstrekt en entertainment wordt aangeboden, zoals (live) optredens en mechanische muziek Voorbeelden zijn: clubs, discotheken, feestcafés, uitgaansconcepten, zalen‐ en partycentra, danscafés, karaokebars. Combinatie met (onderdelen) van categorieën III en IV vallen ook binnen deze categorie. Categorie VI (Verblijfshoreca): Horeca inrichting waar hoofdzakelijk gelegenheid tot tijdelijk slaapverblijf wordt gegeven, en waar eventueel in combinatie daarmee maaltijden, dranken en/of kleine etenswaren worden verstrekt. Voorbeelden zijn: hotels, motels en pensions. In onderhavig plan wordt een daghoreca functie mogelijk gemaakt. Deze richt zich hoofdzakelijk op de toekomstige bewoners van het pand, maar is ook bedoeld voor overig publiek.
3.6.3 Gewenste ontwikkeling per gebied Binnenstad De belangrijkste concentratie van horeca bevindt zich in de binnenstad in het horecaconcentratiegebied (HCG). Het HCG bestaat uit: Heuvel, Korte Heuvel, Piusplein, Heuvelring/Piusstraat, Paleisring, Oude Markt / Heikese Kerk. Hier is ruimte voor een ruim en divers aanbod van horeca, juist ook horeca die zich specifiek richt op uitgaand publiek.
Reit 2007, 7e herziening (Reitseplein 15)
23
Figuur 12: Horeca concentratiegebied In andere delen van de binnenstad zoals het Kernwinkelgebied, de Spoorzone, Veemarktkwartier, Piushaven en het Dwaalgebied heeft de horeca een ondersteunende functie en zijn andere functies zoals wonen, winkelen en werken de hoofdfunctie. Uitbreiding van horeca is in deze gebieden wenselijk als dit bijdraagt aan de sfeer en aansluit op de hoofdfunctie van het betreffende deelgebied. Hierbij blijft de balans met de andere functies van groot belang.
Woongebieden en overige winkelgebieden Voor vestiging van horeca in woonwijken wordt allereerst gedacht aan winkelgebieden of andere locaties waar meerdere publieksgerichte functies zijn gevestigd of waar mensen toch al naar toegaan, bijvoorbeeld voor recreatie. Denk hierbij aan een buurtwinkelcentrum, MFA of park. Aan de bedrijvige linten is horeca, net als in andere winkelgebieden, ondersteunend aan de hoofdfunctie. In met name de grotere winkelgebieden is vaak horeca gevestigd die ook wijk gebonden is. Naast op winkelend publiekgerichte daghoreca, kan hier ook gedacht worden aan een restaurant. Vanwege de goede bereikbaarheid en parkeergelegenheid bij dit soort centra, is dit een goede plek voor dergelijke horecavoorzieningen. Bij buurtwinkelcentra is zeer beperkt ruimte voor uitbreiding. Hierbij moet ook gedacht worden aan bijvoorbeeld afhaalformules, die veelal ook mogelijk zijn binnen de bestemming detailhandel. Overaanbod aan 'horeca' is een risico, mede doordat het onderscheid tussen detailhandel en horeca juist op dit soort locaties vaak onduidelijk is. 3.6.4 Horeca bij winkels en dienstverlenende bedrijven (additionele horeca) Door maatschappelijke en economische ontwikkelingen ontstaat er bij consumenten steeds meer een behoefte aan onderscheidende concepten in zowel winkels als horeca.
Hoe meer een (winkel‐)gebied gericht is op recreatief winkelen of verblijf, hoe groter de behoefte aan 'beleving'. Voorbeelden van deze ontwikkelingen zijn een lunchroom in een boekenwinkel, een kapsalon met een wijnbar (mits gescheiden ruimtes) of een lunchroom waar het gehele interieur te koop is. Deze ontwikkeling vindt op dit moment met name plaats binnen de detailhandel waar steeds meer 'horeca‐elementen' een plaats krijgen. Het is voor winkeliers mogelijk om binnen de bestaande regels maximaal 33% van de winkeloppervlakte in te richten voor horeca‐activiteiten. Voor horecabedrijven die tevens alcohol verkopen gelden op grond van de Drank en Horecawet (DHW) aanvullende (inrichtings‐)eisen. Deze eisen gelden in Tilburg ook voor bedrijven die geen alcohol schenken, maar wel langer geopend willen zijn dan op grond van de winkeltijdenverordening mogelijk is.
Reit 2007, 7e herziening (Reitseplein 15)
24
3.6.5 Ondersteunende horeca Horeca is ook een zeer wenselijk onderdeel van andere (maatschappelijke) voorzieningen zoals een schouwburg, buurthuis of sportvoorziening. Deze horeca staat ten dienste van een andere hoofdfunctie. Deze hoofdfunctie is dan ook opgenomen in het bestemmingsplan. Het schenken van alcohol is toegestaan middels een Drank‐ en Horecavergunning. 3.6.6 Maatregelen in bestemmingsplan Maatregelen in bestemmingsplan In het voorliggende bestemmingsplan wordt daghoreca mogelijk gemaakt met een maximale omvang van 250 m². Het plangebied is gelegen in Tilburg West, in een gebied dat getransformeerd wordt van kantoorgebied naar gemengd woongebied. Volgens het horecabeleid heeft horeca in woongebieden (vooral) een wijkvoorzienende functie, zoals een snackbar of een ijssalon. Uitbreidingsmogelijkheden zijn er alleen indien dit type horeca benedengemiddeld vertegenwoordigd is. Verder is in het beleid verwezen naar een onderzoeksrapport waaruit blijkt dat dergelijke gebieden tevens ruimte bieden voor restaurants en cafés/bars. Omdat het hier echter gaat om horeca gevestigd in de plint van een woongebouw, is uitsluitend daghoreca toegestaan. Binnen deze categorie is een exploitatie mogelijk als restaurant of bar binnen de openingstijden van daghoreca, te weten van 07.00u tot 23.00u.
De doelgroep (internationale) studenten kan worden bediend door middel van een bistro/bar/restaurant van beperkte omvang. Aansluiting bij de (zakelijke) doelgroep in de vorm van een koffiebar/lunchrestaurant zou ook passen binnen het gemeentelijk horecabeleid. Beide concepten kunnen worden gerealiseerd binnen het regime voor daghoreca.
3.7 Verkeer en parkeren 3.7.1 Mobiliteitsaanpak Tilburg De 'Mobiliteitsaanpak Tilburg, Samen op weg naar 2040' schetst een toekomst waarin slim en duurzaam vervoer centraal staat. Dat betekent: nieuwe technologieën toepassen, maar ook de gebruiker centraal stellen. Niet als doel op zich, maar om bij te dragen aan een leefbare stad. Daarnaast zet Tilburg in op duurzaamheid: we houden nadrukkelijk rekening met toekomstige generaties. De gemeentelijke mobiliteitsaanpak is het vervolg op het Tilburgs Verkeers‐ en Vervoersplan (TVVP). Dat ging vooral over verkeersstromen en vervoermiddelen. In de nieuwe werkwijze vormt de mens het uitgangspunt: wat hebben inwoners, bezoekers en bedrijven nodig om van A naar B te komen? Met deze aanpak wil de gemeente niet alleen verkeersstromen in goede banen leiden, maar ook de kwaliteit van leven in de stad behouden en verbeteren. Mobiliteitsagenda 013 De hoofdlijnen uit de mobiliteitsaanpak zijn nu uitgewerkt in een agenda met concrete maatregelen en opgaven voor de korte, middellange en lange termijn. In een aantal Tilburgse proeftuinen wordt samen met onderwijs, bedrijfsleven en uiteraard de gebruikers gewerkt aan innovaties op het gebied van slimme mobiliteit. Deze MobiliteitsAgenda013 wordt jaarlijks geactualiseerd in september.
3.7.2 Hoofdlijnennotitie Parkeren 2016 Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Hoofdlijnennotitie Parkeren. Deze is april 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Wij richten ons als stad op gastvrijheid voor de bezoeker, een betere leefkwaliteit voor bewoners en economische vitaliteit van de binnenstad. Wij willen de beschikbare parkeercapaciteit optimaal benutten. Daar hoort bij dat wij parkeerders op de juiste plek faciliteren, ook voor specifieke voorzieningen zoals deelauto's, elektrische auto's en andere doelgroepen. Het beter benutten van bestaande parkeercapaciteit van garages en terreinen leidt tot minder zoekverkeer en blik in de woonstraten en biedt kansen voor versterking van ruimtelijke kwaliteit en nieuw groen. De vastgestelde kaders voor het parkeervraagstuk bij bouwontwikkelingen zijn: <0000> Voor het inschatten van de parkeerbehoefte bij nieuwe ontwikkelingen de CROW‐richtlijn te hanteren; <0000> In de toepassing van parkeernormen meer vrijstellingen te hanteren, zonder daarbij de (directe) omgeving van de ontwikkeling te belasten met (toekomstige) parkeeroverlast; <0000> Het PPS‐gebied in de Spoorzone aan te wijzen als een gebiedsontwikkeling die in zijn eigen parkeerbehoefte moet voorzien, waarbij alleen op (tijdelijke) piekmomenten de parkeercapaciteit in de directe omgeving een uitwijkmogelijkheid is, met name voor bezoekers;
Reit 2007, 7e herziening (Reitseplein 15)
25
<0000>
<0000>
Het basisprincipe te blijven hanteren dat een nieuwe ontwikkeling de parkeerbehoefte op eigen terrein oplost, maar wel de mogelijkheid te bieden af te wijken van deze verplichting zolang daar met voldoende zekerheid geen parkeeroverlast voor de omgeving uit volgt; Indien wordt afgeweken van het basisprincipe daarvoor het instrument van een afkoopregeling in te zetten, waarmee de afkoopsom de gemeente de gelegenheid geeft om zo nodig maatregelen te treffen om (toekomstige) parkeeroverlast in de omgeving te voorkomen.
3.7.3 nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' zijn de parkeernormen en berekeningsmethode vastgelegd. Bij het hanteren van de parkeernormen wordt uitgegaan van een minimaal te realiseren aantal parkeerplaatsen. Deze parkeereis dient bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, minimaal te worden gerealiseerd. De hoofdfunctie is bepalend voor de toe te passen parkeernorm. Het CROW kent voor een range aan functies een parkeernorm. Om de parkeernormen overzichtelijk te houden, is ervoor gekozen om de belangrijkste functies die in gemeente voor komen, op te nemen. Bij de berekening van de parkeerbehoefte wordt rekening gehouden met zaken als dubbelgebruik, regeling 'oud voor nieuw', rekenregels parkeervoorzieningen bij woningen en het beïnvloeden van de parkeerbehoefte door maatregelen als regulering en mobiliteitsplannen bij bedrijven. 3.7.4 Verkeer en parkeren in het plangebied Parkeren Aangezien het bestemmingsplan uitsluitend studentenwoningen mogelijk maakt, is de parkeernorm voor studentenwoningen van toepassing. Bij studentenwoningen bestaat het overgrote deel van de parkeervraag uit bezoekersparkeren. Het is daarmee van het grootste belang dat de parkeerplaatsen ook daadwerkelijk toegankelijk zijn door bezoekers.
Bij de aanvraag omgevingsvergunning zal worden getoetst aan de geldende parkeernormen en wordt gecontroleerd of ook het bezoekersaandeel kan worden opgevangen in de beoogde parkeergarage. Voor de bewoners zijn er volgens de parkeerberekening 44 parkeerplaatsen nodig, voor de bezoekers van de woningen zijn dat 88 parkeerplaatsen en voor de horeca in totaal 12,5 parkeerplaatsen. Bij volledig dubbelgebruik (dus de garage is toegankelijk voor bezoekers en horeca gasten) is in totaal een aantal van 124 parkeerplaatsen nodig. In de beoogde parkeergarage kan worden voorzien in deze behoefte. Indien nodig wordt dit aangevuld met een mobiliteitsconcept. Omliggende wegenstructuur Aan de oostzijde ligt de Ringbaan – West, welke valt onder de binnenring van Tilburg. Deze stadsontsluitingsweg geldt voor gemotoriseerd verkeer van noord naar zuid, en naar de binnenstad. De ontwikkeling ligt aan het Reitseplein en de Sportweg. Beide zijn erftoegangswegen met een maximale toegestane snelheid van 30 km/h. De Professor Cobbenhagenlaan is een wijk ontsluitingsweg van en naar de binnenstad en heeft een aangrenzend fietspad. De maximaal toegestane snelheid op deze weg is 30 km/h. Ontsluiting van het plangebied Het plangebied kan ontsloten worden op de Reitseplein en de Sportweg, deze straat heeft een erfontsluitende functie.
Gezien de aanwezigheid van verschillende onderwijsinstellingen dient extra gelet te worden op de aanwezigheid van de vele fietsbewegingen. De ontwikkeling genereert ca. 374 mvt/etmaal, berekend op basis van kencijfers van het CROW. In de oude situatie (5.950 m2 kantoor, commerciële dienstverlening met baliefunctie, sterk stedelijk) was er sprake van 589 mvt/etmaal. Dat betekent dat het aantal motorvoertuigen per etmaal afneemt ten opzichte van de oude situatie. Het plan leidt derhalve tot een afname van de verkeersdruk en er kan worden aangenomen dat het verkeer op de bestaande wegenstructuur kan worden afgewikkeld. Fietsroutes en -stalling Goede voorzieningen voor het stallen van fietsen zijn nodig om het fietsgebruik te stimuleren. Bij het indienen van de vergunningsaanvraag voor een bouwplan moet de initiatiefnemer aangeven op welke manier wordt voorzien in voldoende fietsstallingsvoorzieningen. Daarbij kunnen openbare collectieve stallingsvoorzieningen in de nabijheid van de ontwikkeling een rol vervullen in het voorzien van de (toekomstige) stallingbehoefte. De fietsontsluiting op de Reitseplein heeft een gescheiden fietspad. De fietsgebruikers op de Sportweg fietsen op
Reit 2007, 7e herziening (Reitseplein 15)
26
de rijbaan. In de kelder worden tevens 592 fietsparkeerplaatsen gerealiseerd, waardoor aan de behoefte wordt voldaan. Openbaar vervoer Op loopafstand van het plangebied ligt het station van de NS, Tilburg Universiteit, wat vanaf het plangebied via de Sportweg is te bereiken. Op de Professor Cobbenhagenlaan ligt een bushalte op ca. 260 meter. Afvalinzameling Voor de afvalinzameling gelden de richtlijnen zoals deze door het BAT zijn opgesteld. Bij bepalen van de locatie van de afvalinzameling dient rekening gehouden te worden met bereikbaarheid van de plek en voor voldoende opstelruimte van de vuilniswagen. Dat geldt voor zowel ondergrondse containers als voor losse containers. Dit wordt in de verdere planuitwerking uitgewerkt. Noodhulpdiensten Het gebied moet bereikbaar zijn voor noodhulpdiensten volgens de bijbehorende bereikbaarheidseisen.
Reit 2007, 7e herziening (Reitseplein 15)
27
Hoofdstuk 4 Milieuaspecten In dit hoofdstuk worden de milieuaspecten voor het planvoornemen behandeld. De aspecten archeologie en cultuurhistorie zijn behandeld in hoofdstuk 3.
4.1 Milieueffectrapportage 4.1.1 Algemeen Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een M.e.r. beoordeling opgesteld moet worden. Voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien: 1. er sprake is van een m.e.r.‐(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.; 2. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet (Nbw) is vereist. ad a. In de bijlage bij het Besluit m.e.r is opgenomen welke activiteiten m.e.r‐plichtig zijn (de C‐lijst) en welke activiteiten m.e.r‐beoordelingsplichtig zijn (de D‐lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings)plichtig. Dit project kan aangeduid worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (bijlage D 11.2). Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r. beoordelingsplichtig indien het betreft een gebied met een oppervlakte van meer dan 100 hectare, of meer dan 2000 woningen of meer dan 200.000 bruto vloeroppervlakte bevat. Aan al deze criteria voldoet het plangebied niet. Op grond hiervan is geen m.e.r. nodig. Verder blijkt uit de in het vervolg van dit hoofdstuk genoemde onderzoeken dat er geen (mogelijke) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, eventueel na het treffen van maatregelen, aanwezig zijn. ad b.
Binnen het plangebied zijn geen Natura2000 of NNN‐gebieden aanwezig. De voorgenomen ontwikkeling heeft derhalve geen directe effect op de Natura2000‐ of NNN‐gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura2000‐gebied bevindt zich op meer dan 2 kilometer ten noorden van het plangebied. Vanwege de afstand leidt alleen stikstofdepositie tot mogelijke negatieve effecten op het natuurgebied. Dit wordt in paragraaf 4.2.3.2 onderzocht en beoordeeld. Op basis van een vormvrije m.e.r.‐beoordeling heeft het college van burgemeester en wethouders op 7 september 2020 besloten dat er voor dit plan geen m.e.r. nodig is. Uit de vormvrije m.e.r.‐beoordeling blijkt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van kenmerken en locatie van het plan, die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ter plaatse. Voor de meeste milieuaspecten geldt dat er geen effecten optreden, dan wel dat deze effecten met mitigerende maatregelen worden beperkt, zodat voldaan wordt aan de geldende wet‐ en regelgeving.
4.2 Milieuhinder bedrijven Bij het beoordelen van de (binnen het plangebied of elders gelegen) bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG‐brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG‐brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG‐uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een 'rustige woonwijk'. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden. Indien functies direct naast elkaar gelegen zijn, kan gesproken worden van een 'gemengd gebied'. In onderhavig geval is hiervan sprake. Derhalve kan de aan te houden richtafstand verlaagd worden met een trap. Figuur 13 geeft een uitsnede uit het bestemmingsplan Reit 2007 weer. Hieruit blijkt dat er rondom het plangebied ten zuiden van het spoor voornamelijk bestemmingen zijn gelegen ten behoeve van kantoren en maatschappelijke doeleinden. Voor kantoren geldt een milieucategorie 1.
In een 'rustige woonwijken' komt dit overeen met een aan te houden afstand van 10 meter. In een gemengd gebied komt dit overeen met een aan te houden afstand van 0 meter. Voor de maatschappelijke doeleinden (in onderhavig situatie een school) geldt een aan te houden afstand van 10 meter in een gemengd gebied. Hier wordt aan voldaan. Er is sprake van gemengd gebied omdat er sprake is van een functiemening. Er zijn functies zoals kantoorpanden, scholen, wegen en sportvelden wat leidt tot een sterke vorm van functiemenging. Voor het naastgelegen veldsportcomplex (met verlichting) geldt een aan te houden richtafstand van 30 meter in een gemengd gebied. Hier wordt niet aan voldaan.
Reit 2007, 7e herziening (Reitseplein 15)
28
Voor het waarborgen van een goed woon‐ en leefklimaat is een akoestisch onderzoek omgevingslawaai uitgevoerd ten behoeve van het veldsportcomplex. Deze is terug te vinden in Bijlage 5 Akoestisch onderzoek omgevingslawaai bij deze toelichting. Voor de conclusies ten aanzien van het omgevingslawaai wordt verwezen naar paragraaf 4.5.6 van de toelichting.
Figuur 13: Uitsnede bestemmingsplan Reit 2007 Aan de noordzijde van het spoor (zie figuur 14) zijn twee bedrijfsbestemmingsvlakken gelegen waarop bedrijven met een milieucategorie van 3.2 zijn toegestaan. In een gemengd gebied komt dit overeen met een aan te houden richtafstand van 50 meter. Het perceel van de beoogde ontwikkeling ligt op circa 100 meter van de dichtstbijzijnde bedrijfsperceel van milieucategorie 3.2. Derhalve wordt ruimschoots voldaan aan de aan te houden richtafstand.
Figuur 14: Uitsnede bestemmingsplan Zand 2008
4.3 Externe veiligheid 4.3.1 Inleiding
Reit 2007, 7e herziening (Reitseplein 15)
29
Het aspect externe veiligheid brengt de risico's in kaart die ontstaan door risicobronnen in de omgeving. In verschillende wetten en regelingen zijn normen en richtlijnen opgenomen om de externe veiligheid te waarborgen. Het algemene Rijksbeleid voor externe veiligheid is erop gericht om risico's voor de omgeving te beperken en beheersen vanwege: <0000> <0000> <0000>
Het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen door bedrijven (inrichtingen); Het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, waterwegen, spoorwegen en buisleidingen); Het gebruik van luchthavens.
Dat gebeurt onder andere om te voorkomen dat te dicht bij kwetsbare bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, om de zelfredzaamheid te bevorderen en om de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. Voor ruimtelijke ontwikkelingen moet getoetst worden aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10‐6 contour (die als wettelijke grenswaarde fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10‐6 contour niet als grenswaarde, maar als richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat een bepaald aantal mensen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De hoogte van het groepsrisico hangt af van: 1. 2. 3. 4.
de kans op een ongeval; het effect van het ongeval; het aantal personen dat in de omgeving van de bron (inrichting of transportroute) verblijft; de mate waarin de personen in de omgeving beschermd zijn tegen de gevolgen van een ongeluk.
Het groepsrisico wordt uiteengezet in het aantal dodelijke slachtoffers en de kans per jaar op tenminste dat aantal slachtoffers. Het groepsrisico wordt bepaald binnen het zogenaamde invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Hoe meer personen per hectare in het invloedsgebied aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is, en hoe hoger het groepsrisico. In de bijgevoegde Bijlage 6 Onderzoeksrapport externe veiligheid wordt in figuur 4.1 het groepsrisico weergegeven. Omdat de oriëntatiewaarde wordt overschreden dient de hoogte van het groepsrisico te worden verantwoord. Het plangebied ligt aan het spoortraject Breda – Tilburg. Over dit traject vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Door Cauberg Huygen is een onderzoek uitgevoerd naar de invloed van het aspect externe veiligheid op het voorgenomen plan. Dit onderzoek is als Bijlage 6 Onderzoeksrapport externe veiligheid bij het bestemmingsplan opgenomen, in navolgende paragraaf worden de belangrijkste conclusies uiteengezet. 4.3.2 Plaatsgebonden risico Vanuit het Basisnet zijn de plaatsgebonden risico's beschikbaar, welke overeenkomen met hetgeen is berekend middels RBMII. Voor het spoortraject gelden de volgende afstanden:
De locatie ligt buiten de PR 10‐6 contour. Derhalve vormt het plaatsgebonden risico geen belemmering voor de ontwikkeling van het plangebied. Wel is het gehele plangebied gelegen binnen het invloedsgebied van het spoortraject. Vanwege grote hoeveelheden transport over dit spoortraject van zeer brandbare vloeistoffen is een plasbrandaandachtsgebied aanwezig. Dit gebied geldt tot maximaal 30 meter vanaf de buitenste
Reit 2007, 7e herziening (Reitseplein 15)
30
spoorbanen, een deel van het voorgenomen plangebied is binnen deze zone gelegen. Binnen de plasbrandaandachtsgebieden kunnen, onder voorwaarden, (beperkt) kwetsbare objecten komen. Voor deze delen van het gebouw gelden vanuit het Bouwbesluit 2012 zwaardere eisen aan: <0000> <0000> <0000> <0000>
Brandgedrag van materialen, zowel de gevel als het dak dient brandklasse A2 te bezitten. De uitwendige scheidingsconstructies dienen ten minste 60 minuten brandwerend te zijn. Er dienen vluchtroutes beschikbaar te zijn welke van de bron af zijn gelegen. De bouwconstructie bezwijkt niet binnen 90 minuten.
In het ontwerptraject gedurende de voorbereiding van het bestemmingsplan, is onderzocht of het gehele plan geprojecteerd kan worden buiten de 30 meter zone (PAG‐zone). In dat geval zijn de rechtstreeks werkende bouwkundige maatregelen (artikel 2.5 tot en met 2.10 van de Regeling Bouwbesluit 2012, hierna: plasbrandmaatregelen) niet van toepassing. In het voorliggende bestemmingsplan is het gehele bouwvlak geprojecteerd buiten het plasbrandaandachtsgebied waardoor de voormelde eisen niet van toepassing zijn op het onderhavige gebouw. 4.3.3 Groepsrisico Uit het onderzoek blijkt dat de oriëntatiewaarde van het groepsrisico in de huidige situatie niet wordt overschreden. Door de ontwikkeling is er sprake van een toename van de personendichtheid in het plangebied, met ca. 500 personen overdag en ca. 700 personen voor de nacht. In de toekomstige situatie is een substantiële toename van het groepsrisico. Dit wordt veroorzaakt omdat de bebouwing op korte afstand van het spoor is geprojecteerd. Conform het Besluit externe veiligheid transportroutes dient het groepsrisico te worden verantwoord omdat de ontwikkeling binnen de 200 meter van de route is gelegen. Indien de oriëntatiewaarde minder dan 0,1 keer wordt overschreden of toename populatie minder dan 10% bedraagt en de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden, dan is verantwoording niet noodzakelijk.
In dit geval wordt de oriëntatiewaarde overschreden en is een verantwoording van het groepsrisico verplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht. De eindafweging kan pas worden gemaakt wanneer advies bij de veiligheidsregio is ingewonnen. Verantwoording van het groepsrisico De gemeente Tilburg hanteert voor de verantwoording van het groepsrisico verschillende gebiedstypen. Vanwege de ligging van onderhavig plangebied nabij de spoorlijn wordt het gebied aangemerkt als transportasgebied. Daarvoor is door de gemeente de volgende ambitie geformuleerd: "Afgewogen ontwikkelen in transportasgebieden". Daartoe is het transportasgebied verdeeld in twee zones (bron: tabel 2, hoofdstuk 4, deel C Beleidsvisie):
In het onderzoek van Cauberg Huygen is een verantwoording van het groepsrisico opgenomen, zie daarvoor de Bijlage 6 Onderzoeksrapport externe veiligheid van dit bestemmingsplan. Hierin zijn de vluchtroutes weergegeven. De Brandweer Midden en West‐Brabant, centrale afdeling Risicobeheersing heeft reeds advies uitgebracht over het eerste ontwerpconcept. De opkomst tijd van de brandweer (5.30 min) valt binnen de zorgnorm en binnen 200 meter van de planlocatie zijn voldoende blusvoorzieningen aanwezig. Door
Reit 2007, 7e herziening (Reitseplein 15)
31
verschuiving van het bouwvlak richting het zuiden is ook de bereikbaarheid en de bestrijdbaarheid aan de noordzijde van het gebouw verbeterd. 4.3.4 Conclusie Het perceel waarop deze ontwikkeling is geprojecteerd is gelegen aan een spoortraject (Breda – Tilburg aansluiting), waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er dient op basis van Besluit externe veiligheid transportroutes inzicht te worden gegeven in het aspect externe veiligheid. Op basis van het Basisnet blijkt dat er geen 10‐6 contour aanwezig is, het plaatsgebonden risico vormt geen beperking voor de ontwikkeling van het plangebied. Het plangebied ligt binnen het plasbrandaandachtsgebied, maar het gebouw is erbuiten geprojecteerd. Door de ontwikkeling is er sprake van een toename van de populatie voor het plangebied, met bijna 500 personen overdag en ruim 700 personen voor de nacht. Er is een aanzet gegeven in het onderzoek tot verantwoording van het groepsrisico, waarbij aangesloten is bij de beleidsvisie Externe Veiligheid. De uiteindelijke verantwoording van het groepsrisico is een bevoegdheid van de raad van de gemeente Tilburg.
4.4 Vuurwerk Binnen het bestemmingsplan zijn geen bestaande verkooppunten en opslagen van consumentenvuurwerk en opslagen van professioneel vuurwerk aanwezig. Burgemeester en wethouders kunnen voor nieuw te vestigen verkoopruimten en opslagen van consumentenvuurwerk en ten behoeve van het uitbreiden, verbouwen en/of verplaatsen van bestaande (buffer)bewaarplaatsen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bestemmingsplan. Bij nieuwvestiging van vuurwerkverkooppunten en/of opslag van consumentenvuurwerk wordt te allen tijde als voorwaarde opgenomen dat de veiligheidscontour zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit op het eigen perceel gesitueerd dient te zijn tenzij de veiligheidscontour zich uitstrekt over openbaar gebied en hierbij geen sprake is van kwetsbare en/of geprojecteerde kwetsbare objecten. Op basis van de veiligheidsafstanden in het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Staatsblad 33 (2002), houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten‐ en professioneel vuurwerk) is het niet mogelijk om professioneel vuurwerk op te slaan (en te bewerken) in Tilburg. Er wordt daarom geen medewerking verleend aan nieuwvestiging van vuurwerkbedrijven van professioneel vuurwerk.
4.5 Geluid Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (Wgh) het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteiten. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden. Op basis van de Wet geluidhinder dienen de geluidsgrenswaarden in acht te worden genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarbij van het bestemmingsplan wordt afgeweken, binnen de zones rondom wegen en indien de vergunning mogelijkheden biedt voor: <0000> <0000> <0000>
De realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen; De aanleg van een nieuwe weg en/of reconstructie van een bestaande weg; Functiewijziging van een niet‐geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie.
4.5.1 Spoorweglawaai Het plan is op zeer korte afstand gelegen van de spoorlijn Breda‐Tilburg. Voor onderhavig project is een geluidsonderzoek uitgevoerd door Cauberg Huygen, toegevoegd in Bijlage 7 Onderzoeksrapport weg‐ en railverkeerslawaai. Omdat (studenten) woningen in het kader van de Wgh gevoelige bestemmingen zijn is er onderzoek uitgevoerd naar de geluidsbelasting op de (studenten) woningen. Commerciële ruimten, kantoren en horeca zijn geen gevoelige bestemmingen en hoeven daarom niet getoetst te worden aan de Wgh. De conclusies uit het onderzoek zijn hieronder weergegeven. Ten gevolge van het railverkeer op de spoorlijn Breda‐Tilburg is de geluidsbelasting op de gevels van onderhavig plan hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 55 dB. Wanneer de maximaal te verlenen ontheffingswaarde wordt overschreden (68 dB), is in principe geen geluidgevoelige functie mogelijk. De geluidsbelasting ten gevolge van het railverkeer bedraagt ten hoogste 75 dB op onderhavig plan. Er dienen geluidreducerende maatregelen getroffen te worden voor onderhavig plan om de realisatie van de geluidgevoelige bestemmingen mogelijk te maken. Voor een dove gevel kunnen (verglaasde) loggia's toegepast worden of een gelijkwaardige oplossing.
Vanwege de geluidwerende eigenschappen van de loggia of een gelijkwaardige oplossing daalt de geluidbelasting op de gevel van de betreffende woningen tot onder de maximale ontheffingswaarde. Voor de dove gevel mogen (verglaasde) buitenruimtes aanwezig zijn. Onder voorwaarden mogen in het achterliggende geveldeel te openen delen gemaakt worden. Deze voorwaarden zijn:
Reit 2007, 7e herziening (Reitseplein 15)
32
1. Dove gevels worden alleen toegestaan als de maximale ontheffingswaarde wordt overschreden. 2. Bij geopende buitenruimte voldoet de geluidbelasting ter hoogte van de te openen delen (raam, schuifpui, deur) aan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB voor weg resp. 68 dB voor rail; 3. In een dove gevel is het toegestaan suskasten te maken. 4. Bij gesloten buitenruimte en geopende ventilatievoorzieningen (buitenluchtcondities) is de gecumuleerde geluidbelasting maximaal 55 dB op de gevel. 5. In de buitenruimte is sprake van buitenluchtcondities. 6. Het opknippen van geveldelen in stukjes "dove gevel" en "gewone gevel" is in principe niet toegestaan. Het is de bedoeling dat er sprake is van een eenduidig gevelbeeld. In voorliggende situatie, met het oog op de oriëntatie van de studentenwoningen, zijn dove gevels niet mogelijk/wenselijk in verband met de benodigde spuiventilatie‐openingen. Hier biedt een gevelscherm, verglaasde buitenruimte/loggia, vliesgevel en dergelijke de uitkomst. De bewoners van onderhavig plan zullen de gelegenheid hebben om rustig en geluidluw buiten te kunnen zitten op diverse plaatsen waaronder de dak,‐ en binnentuin en de commerciële ruimtes in de plint. Zonder ingrijpende maatregelen als verglaasde buitenruimten en/of gevelschermen is het doorgaans niet mogelijk om de geluidbelasting te reduceren tot onder de maximaal te ontheffen waarde.
De geluidsbelasting vanwege het spoor is 75 dB. De beoogde oplossing moet 7 dB reduceren zodat voldaan wordt aan de eis van 68 dB met de raam open van de verglaasde buitenruimte. Onder gesloten toestand met het raam dicht mag de geluidsbelasting maximaal 55 dB zijn. Met de maatregelen dient de gecumuleerde geluidbelasting teruggebracht te worden tot 55 dB of lager. Derhalve kunnen hogere waarden gevraagd worden. Aan de eisen hiertoe op grond van het geluidbeleid van de gemeente Tilburg wordt voldaan. Vanuit akoestisch oogpunt voldoet het plan derhalve aan de eisen die daaraan op grond van de Wet geluidhinder en in het kader van goede ruimtelijke ordening worden gesteld. 4.5.2 Wegverkeerslawaai Het plan ligt binnen de geluidzone van de wegen Hart van Brabantlaan, Professor Cobbenhagenlaan en Ringbaan West. Het plan is tevens gelegen in de nabijheid van enkele 30 km/uur wegen. 30 km/uur wegen hebben geen geluidzone volgens de Wet geluidhinder. Vanwege de Reitseplein is sprake van een verhoogde geluidbelasting op de zuidgevel van de toren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is deze geluidbelasting meegenomen in de cumulatie van het omgevingsgeluid. Vanwege de overige 30 km/u wegen is geen sprake van een verhoogde geluidbelasting.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening (en eventueel ten behoeve van de bouwvergunning) is het desalniettemin noodzakelijk om de invloed van de nabijgelegen 30 km/uur wegen inzichtelijk te maken. Hierbij gaat het met name om het Reitseplein, de Sportweg en de Bokhamerstraat. Ten gevolge van het wegverkeer van de Hart van Brabantlaan, Professor Cobbenhagenlaan en de 30 km/u wegen wordt overal voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Voor de Ringbaan West geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschrijdt. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB voor nieuwbouw in stedelijk gebied wordt echter nergens overschreden (maximaal 57dB). De geluidsbelastingen veroorzaakt door wegverkeerslawaai voldoen aan de gestelde eisen op grond van de Wgh en in het kader van goede ruimtelijke ordening worden gesteld. 4.5.3 Gecumuleerde geluidsbelasting wegverkeer- en railverkeerlawaai Er vinden op de gevels van het nieuwbouwcomplex overschrijdingen van de voorkeurswaarden plaats. Omdat de voorkeursgrenswaarden vanwege meerdere bronnen worden overschreden, is er sprake van samenloop van geluidbronnen en is cumulatie aan de orde om de aanvaardbaarheid te toetsen (goede ruimtelijke ordening). De ingevolge artikel 110g van de Wet geluidhinder bij wegverkeerslawaai toe te passen aftrek wordt niet toegepast.
De gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van weg‐ en railverkeer bedraagt maximaal 70 dB omgerekend naar wegverkeerslawaai (Lvl,cum). Omgerekend naar spoorweglawaai (Lrl,cum) bedraagt de gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van weg‐ en railverkeer maximaal 75 dB. Spoorweglawaai is hoofdzakelijk de maatgevende geluidbronsoort. In onderstaande tabel is de cumulatieve geluidbelasting per bronsoort weergegeven.
Reit 2007, 7e herziening (Reitseplein 15)
33
Toetsing gemeentelijk geluidbeleid Bij het verlenen van hogere waarden voor woningbouw eist de gemeente Tilburg dat iedere woning tenminste over één geluidluwe gevel beschikt en dat de buitenruimte van de woning aan een geluidluwe gevel is gelegen, bij een hogere waarde van meer dan: <0000> <0000>
53 dB wegverkeerslawaai of 60 dB railverkeerslawaai.
Tenminste één verblijfsruimte, bij voorkeur in te richten als slaapkamer, dient aan de geluidluwe gevel te zijn gelegen. Onder een geluidluwe gevel en buitenruimte wordt verstaan een gevel of buitenruimte waar de gecumuleerde geluidbelasting LVL,cum maximaal 55 dB bedraagt. Aan deze gevel moet een te openen deel (raam of deur) aanwezig zijn ten behoeve van het ventileren. Uit de rekenresultaten blijkt dat: <0000>
<0000>
<0000> <0000>
<0000>
Ter hoogte van de noord‐, oost‐ en westgevel van de laagbouwdelen wordt (gedeeltelijk) de maximale grenswaarde overschreden als gevolg van het spoorweglawaai. Ten gevolge van wegverkeer op de Ringbaan West wordt niet overal voldaan aan de voorkeursgrenswaarde maar wel aan de maximale grenswaarde. Het binnenhof en de daaraan grenzende gevels zijn direct als geluidluw aan te merken (laagbouwdelen). De gehele zuidgevel, de westgevel op de begane grond t/m 6e verdieping en een gedeelte van de noordgevel op de begane grond t/m 7e verdieping van de toren geen hogere waarde nodig heeft van meer dan 53 dB voor de Ringbaan West en 60 dB voor het spoorweglawaai. Voor woningen gesitueerd aan deze gevels worden geen aanvullende voorwaarden opgelegd vanuit het gemeentelijk beleid. De overige gevels van de toren zijn niet‐geluidluw.
De gevels waar de maximale ontheffingswaarde wordt overschreden moeten in principe worden uitgevoerd als dove gevel. Echter, met het oog op de oriëntatie van de studentenwoningen, zijn dove gevels niet mogelijk/wenselijk in verband met de benodigde spuiventilatie‐openingen. Hier dienen geluidreducerende voorzieningen getroffen te worden om de geluidbelasting te reduceren tot onder de maximaal te ontheffen waarde. Daarnaast zijn voor de nieuwe woningen maatregelen noodzakelijk teneinde te voldoen aan de voorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid. In Bijlage 8 Uitwerking geluidwerende voorzieningen is een opzet gemaakt van wat voor type maatregelen in het gebouw verwerkt kunnen worden om te voldoen aan de Wet geluidhinder en het gemeentelijk geluidbeleid. In het akoestisch onderzoek is al in beeld gebracht wat voor type maatregelen in het gebouw verwerkt moeten worden om aan de Wet geluidhinder te kunnen voldoen. Het gaat hierbij om het toepassen van een verglaasde loggia in de woonkamer ten behoeve van het realiseren van de nodige spuiventilatiestromen en ter realisatie van een geluidluwe gevel. Voor de studio's en slaapkamers van de woningen die gesitueerd zijn aan de buitenzijde van de laagbouw, alsook voor de studio's in de toren, kan een Harbour Fenster toegepast worden.
Met het Harbour Fenster kan de geluidbelasting gereduceerd worden tot aan de maximale grenswaarde (spuiventilatie mogelijk maken) en/of terug gebracht worden tot aan geluidluw niveau (geluidluw spuien). Om voldoende spuiventilatie‐capaciteit te behalen, kan aanvullend een Sonair systeem (mechanisch ventilatiesysteem) geplaatst worden. Met deze voorgestelde bouwtechnische maatregelen kan een acceptabel woon‐ en leefklimaat bereikt worden. Een concrete uitwerking van de maatregelen wordt bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteiten onderzocht en verwerkt in het gebouw. Dit is namelijk ook afhankelijk van het definitieve ontwerp van het gebouw.
Reit 2007, 7e herziening (Reitseplein 15)
34
Voor de gevels van het plan waarbij de geluidbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai en/of spoorweglawaai boven de voorkeursgrenswaarde maar niet boven de maximale ontheffingswaarde ligt, kunnen hogere waarden worden aangevraagd. In het akoestisch onderzoek is onderbouwd dat maatregelen ter reductie van het geluid ten gevolge van de relevante geluidbronnen in relatie tot het onderhavige project vanwege overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige of financiële aard, niet realiseerbaar zijn. Conclusie weg- en railverkeerslawaai Door het nemen van de juiste bouwtechnische maatregelen kan een acceptabel woon‐ en leefklimaat worden bereikt. In combinatie met het vaststellen van hogere grenswaarden door de gemeente Tilburg is het planvoornemen in lijn met de Wet geluidhinder. Bij de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteiten wordt het aspect geluid concreet uitgewerkt. De Wet geluidhinder legt geen restricties op aan de bestemmingsplanprocedure. 4.5.4 Industrielawaai De planlocatie is niet binnen de geluidzone van een gezoneerd industrieterrein gelegen. Industrielawaai hoeft dan ook niet te worden onderzocht. 4.5.5 Luchtvaartlawaai Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze‐Rijen gelden in delen van Tilburg geluidcontouren (de zogenaamde Ke‐contouren). Deze contouren liggen niet over het plangebied.
4.5.6 Omgevingslawaai Door de nabijheid van sportvelden naast onderhavig plan is door Cauberg Huygen een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidsituatie bij het nieuwe woningbouwplan (studio's, studentenhuis). Dit onderzoek zit in de bijlage van de toelichting. Het akoestisch onderzoek heeft uitsluitend betrekking op zowel de geluiduitstraling ten gevolge van het stemgeluid van gebruikers van de sportvelden als het geluid veroorzaakt door de sportactiviteiten die plaats vinden. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de 'Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai' (1999). Ten behoeve van een 'goede ruimtelijke ordening' dient vastgesteld te worden of ter plaatse van de geluidgevoelige bestemmingen (woningen) geen ontoelaatbare geluidhinder ontstaat door de activiteiten van de nabij gelegen sportvelden. Voor het onderzoek is de geluiduitstraling van de sportvelden berekend op basis van de aangeleverde representatieve bedrijfssituatie, literatuurgegevens en akoestische ervaringscijfers die opgedaan zijn bij vergelijkbare inrichtingen. Het onderzoek heeft betrekking op het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) en maximale geluidniveau (LAmax). Toetsing vindt plaats aan de hand van de geluidvoorschriften van het en de VNG‐publicatie “Handreiking bedrijven en milieuzonering”.
De sportvelden worden overdag gebruikt door de naastgelegen middelbare school en op zaterdagen voor voetbalwedstrijden. In de avondperiode door studenten tijdens voetbaltrainingen. De sportvelden worden gebruikt van 08.00 tot en met 23.00 uur. Gezien deze openingstijden zijn er geen activiteiten bij het complex gedurende de nachtperiode (23.00u t/m 07.00u). In onderhavige situatie wordt worst‐case uitgegaan dat er in de dagperiode drie voetbalwedstrijden worden gespeeld op het voetbalveld en sportende leerlingen gebruikmaken van het naastgelegen veldje. Voor de avondperiode is er vanuit gegaan dat er enkel activiteiten op het voetbalveld plaats vinden. De geluidemissie vanwege de sportvelden wordt voornamelijk bepaald door stemgeluid en fluitsignalen van de scheidsrechter. Op basis van deze uitgangspunten zijn daarna de geluidbronnen opgenomen in de basisrekenmodellen die ook gebruikt zijn voor het onderzoek rail‐ en wegverkeerslawaai in Bijlage 7 Onderzoeksrapport weg‐ en railverkeerslawaai. Naar aanleiding van het onderzoek kunnen de volgende conclusies getrokken worden: <0000> Toetsing aan het Activiteitenbesluit is in onderhavige situatie niet benodigd in verband met uitsluiting van toetsing op stemgeluid en recreatief geluid. Dit zijn de enige activiteiten die in dit onderzoek worden onderzocht.
<0000> Uit de rekenresultaten is gebleken dat de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus ter hoogte van de <0000> nieuwe woningen aan de oostzijde van de sportvelden niet overal voldoen aan de normstelling uit de VNG‐publicatie stap 2 voor de avondperiode maar wel allemaal aan stap 3 in zowel de dag‐ als avondperiode. In de nachtperiode vinden geen activiteiten plaats op het sportterrein. <0000> Uit de rekenresultaten is gebleken dat er bij 7 van de 450 woningen sprake is van een zeer geringe overschrijding (1 dB) van de toetswaarde voor de maximale geluidniveaus in de dagperiode uit de VNG‐publicatie.
Reit 2007, 7e herziening (Reitseplein 15)
35
In de avondperiode wordt wel voldaan aan de gestelde toetswaarde. In de nachtperiode vinden geen activiteiten plaats op het sportterrein. <0000> Er wordt bij alle woningen per definitie voldaan aan de gestelde eis ten aanzien van het maximaal toelaatbare binnenniveau in de woningen. Geconcludeerd kan worden dat er geen vereiste aanvullende geluidreducerende maatregelen volgen uit voorliggend onderzoek. Het omgevingslawaai legt geen restricties aan de bestemmingsplanprocedure. <0000>
4.5.7 Cumulatie Volgens de Wet geluidhinder wordt de geluidbelasting per bron beoordeeld en is cumulatie aan de orde als het geluidgevoelig object in de zone van twee of meer bronnen ligt: dan moet gemotiveerd worden hoe met de samenloop van bronnen rekening is gehouden. Voor zowel de Omgevingslawaai als de Spoor,‐ weglawaai zijn dezelfde rekenpunten gebruikt. De cumulatie van de geluidsbronnen is bij elkaar opgeteld en bijgevoegd als Bijlage 9 Cumulatieve berekening geluid van deze toelichting.
4.6 Lucht Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De bestemmingen in het plangebied zijn getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen uit hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: 1. 2. 3. 4.
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt “niet in betekenende mate” (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit).
Het plan voorziet in de realisatie van maximaal 450 studentenwoningen met ondersteunende voorzieningen, 250 m2 aan daghoreca en 250 m2 aan een dienstverlenende functie. Deze functies genereren samen ongeveer 447 voertuigbewegingen per etmaal, waarvan 0,2% vrachtverkeer.
Invoer in de NIBM tool laat zien dat het project kan worden gekenmerkt als een "niet in betekenende mate"‐project, zoals bedoeld in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). Uitgaande van 589 voertuigbewegingen in de voormalige situatie (kantoor met baliefunctie) is er bovendien sprake van een afname van de voertuigbewegingen.
Reit 2007, 7e herziening (Reitseplein 15)
36
4.7 Geur 4.7.1 Industriële geurhinder In en om het plangebied wordt geen zware industrie toegestaan. Hier zal dus ook geen sprake zijn van industriële geurhinder. 4.7.2 Agrarische geurhinder In en om het plangebied worden geen agrarische bedrijven toegestaan. Hier zal dus ook geen sprake zijn van agrarische geurhinder.
4.8 Trillingen In Nederland bestaat geen wetgeving voor het voorkomen van hinder of schade door trillingen. Dit betekent niet dat bij het opstellen van ruimtelijke plannen het aspect trillingen geen aandachtspunt is. De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening. Hierin is de zorg voor een goede ruimtelijke ordening voorgeschreven. Daarvoor is het nodig om mogelijke trillingshinder in kaart te brengen en deze te betrekken in de beoordeling. De volgende richtlijnen en regels worden gebruikt: <0000> <0000> <0000> <0000>
SBR‐richtlijn Beleidsregel trillinghinder spoor Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening
SBR-richtlijn Een belangrijk en voor veel situaties te gebruiken hulpmiddel is de SBR‐richtlijn "Meet‐ en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen". Deze richtlijn bestaat uit drie delen en sluit grotendeels aan bij internationale richtlijnen (Duitse norm DIN 4150, ISO 2631/2). Er wordt in deze richtlijn veel aandacht besteed aan het meten van trillingen. Over het algemeen wordt dan ook verwezen naar deze richtlijn wanneer een trillingsonderzoek is voorgeschreven en uitgevoerd. Naast aandacht voor de meting van trilling bevat de richtlijn ook een beoordelingssystematiek. De richtlijnen hebben alleen betrekking op trillingen die van buiten het te beoordelen gebouw komen. Dat houdt in dat het gaat om trillingen die via de ondergrond en de funderingen het gebouw bereiken. Dat is ook het beoordelingscriterium voor deel A (schade aan gebouwen). Bij deel B (hinder voor personen in gebouwen) worden de trillingen gemeten op vloeren, omdat daar de hinder optreedt. Overigens komt het nogal eens voor dat wat door bewoners als trilling wordt ervaren in werkelijkheid laagfrequent geluid is (en dus overdracht via de lucht). Hiervoor gelden de richtlijnen niet.
In het bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen die erop ziet dat bouwen uitsluitend is toegestaan indien minimaal uit een berekening op basis van overdrachtsfuncties van de trillingssterkte blijkt dat de streefwaarden voor Wonen nieuwe situatie, zoals bedoeld in Richtlijn deel B van Stichting Bouwresearch, niet worden overschreden. Ernstige hinder, dit zijn situaties waarbij de maximale trillingssterkte Vmax > 3,2 re 1 mm/s is, ten allen tijde dient te worden voorkomen. Het trillingsonderzoek wordt uitgevoerd in het kader van de omgevingsvergunning.