CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

07 Obp toelichting

Raadsvergadering 8 april 2021, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Reit 2007, 7e herziening (Reitseplein 15)24.525 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

4.9 Bodem In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een uitvoerig bodemonderzoek. Er is een historisch bodemonderzoek opgesteld door Tritium Advies (Bijlage 10 Rapport historisch onderzoek) om te voldoen aan de regels gesteld in de Wbb. Aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen herontwikkeling van de locatie. Het doel van het onderzoek is het verzamelen van relevante (bodem)informatie over de locatie en de directe omgeving, op basis waarvan de noodzaak van een uit te voeren bodemonderzoek in dit stadium kan worden bepaald. Indien een bodemonderzoek noodzakelijk is, kan op basis van de verzamelde informatie de te hanteren onderzoekshypothese worden opgesteld. Op de locatie hebben geen bedrijfsactiviteiten plaatsgevonden waarvan het aannemelijk is dat deze een bodemverontreiniging hebben veroorzaakt. Verder is op de locatie geen sprake van voormalige blauwsloten of andere gedempte watergangen.

Wel zijn in het verleden asbesthoudende bouwmaterialen toegepast op de locatie.

Reit 2007, 7e herziening (Reitseplein 15)

37

Tijdens een voorgaand verkennend bodemonderzoek (opgesteld door BK bodem, d.d. 20 mei 2014) zijn op de locatie geen bodemvreemde bijmengingen waargenomen. Hierbij wordt opgemerkt dat het onderzoek zich beperkte tot de terreindelen die op dat moment onbebouwd waren en er destijds geen asbestonderzoek is uitgevoerd. Analytisch zijn in de grond op de huidige onderzoekslocatie en in de directe omgeving licht verhoogde gehalten aangetoond voor enkele metalen, PCB of PAK. In het grondwater zijn op en nabij de locatie licht verhoogde gehalten aangetoond voor metalen. De onderzoekslocatie wordt derhalve als “verdacht” beschouwd op de aanwezigheid van lichte verontreinigingen met metalen, PCB en PAK. Dergelijke verontreinigingen vormen naar verwachting geen belemmering voor het gebruik van de locatie. Op de locatie is door Asta Advies een asbestinventarisatie uitgevoerd d.d. 2 juli 2018 (Bijlage 11 Asbestinventarisatie). Hieruit blijkt dat het pand geschikt is voor volledige renovatie of totaalsloop. Indien grond wordt afgegraven (bijvoorbeeld bij bouwwerkzaamheden) en van de locatie wordt afgevoerd, dient er rekening mee te worden gehouden dat deze grond elders niet zonder meer toepasbaar is. Met betrekking tot het elders hergebruiken van grond zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing die doorgaans een grotere onderzoeksinspanning vereisen.

In dat geval dient de grond ook te worden onderzocht op PFAS.

4.10 Natuur en ecologie 4.10.1 Wettelijke kaders De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000‐gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora‐ en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet Natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel‐ en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven. Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura‐2000‐gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000‐gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.

Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant‐ en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën: <0000> Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats <0000> Overige inheemse broedvogels <0000> Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn <0000> Nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling <0000> Nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust‐ en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een

Reit 2007, 7e herziening (Reitseplein 15)

38

beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed‐ en nestperiode. Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rust‐ en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode.

Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur ‐ EHS), die is geïntroduceerd in het 'Natuurbeleidsplan' (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Interim Omgevingsverordening Noord‐Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur‐ en landschapswaarden via een "nee‐tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap.

De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja‐mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw. 4.10.2 Analyse plangebied Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt op ruime afstand van wettelijk beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000‐gebied betreft Regte Heide & Riels Laag op 4,7 km afstand van het plangebied. Gezien deze afstand en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling kunnen negatieve effecten op dit Natura 2000‐gebied op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten. Dit is tevens onderzocht en bevestigd door middel van berekeningen in de AERIUS Calculator (Bijlage 12 Memo berekening stikstofdepositie). Er kan geconcludeerd worden dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op nabijgelegen Natura2000 gebieden. Natuurbescherming in Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Brabant (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) en de Groenblauwe Mantel, zoals begrensd op de kaarten van de Interim Omgevingsverordening Noord‐Brabant.

De dichtstbijzijnde gebieden die tot het Natuurnetwerk Brabant behoren, liggen op 1,6 km ten westen van het plangebied (de Oude Warande). Externe effecten op het Natuurnetwerk Brabant, zoals benoemd in artikel 3.16 van de Interim Omgevingsverordening, zijn gezien deze afstand en zeer beperkte externe invloed redelijkerwijs uit te sluiten. Natuurbescherming in gemeentelijk beleid In diverse gemeentelijke beleidsdocumenten is de spoorlijn Tilburg‐Breda aangemerkt als een belangrijke ecologische verbindingszone tussen het buitengebied van Tilburg (Stadsbos013) en het centrum van Tilburg (Spoorpark): de Omgevingsvisie Tilburg 2040, de Kaart Stadsnatuur 2040 en het B5‐Bidbook “Steden als schakels binnen het Natuurnetwerk Brabant”. Als doelsoorten zijn dagvlinders aangemerkt, maar ook kleine grondgebonden zoogdieren (wezel) en vleermuizen.

Reit 2007, 7e herziening (Reitseplein 15)

39

De zone ten noorden van de toekomstige bebouwing zal invulling mee geven aan deze ecologische ontwikkeling. De zone is ter plaatse circa 19 meter tot aan de keerwand. Deze zone zal worden ingericht ontwerp van de landschapsarchitect. Soortenbescherming Het plangebied ligt binnen het gebied waar het "Soortenmanagementplan Oude Stad Tilburg" van toepassing is en gebruik gemaakt kan worden van de gebiedsontheffing voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen. In voorliggend plan wordt voor de sloop van de aanwezige bebouwing gebruik gemaakt van deze gebiedsontheffing. Om te voldoen aan de ontheffingseisen zal men maatregelen in acht nemen. Deze maatregelen zijn enerzijds gericht op zorgvuldig werken en anderzijds op het creëren van vervangende verblijfplaatsen. Ten aanzien van zorgvuldig werken heeft de ontwikkelaar een werkprotocol laten opstellen door bureau Natuurinclusief. De belangrijkste voorwaarden uit het werkprotocol worden verderop toegelicht. Vervangende verblijfplaatsen worden geïntegreerd in de nieuwbouw. In het plangebied zijn beplantingen aanwezig waar vogels in kunnen nestelen. Het gaat daarbij om vogelsoorten waarvan de nesten uitsluitend gedurende de broed‐ en nestperiode beschermd zijn. Vaste, jaarrond beschermde nesten zoals roofvogel‐ en roekennesten zijn niet aanwezig. Deze beplantingen zullen moeten worden verwijderd voor de geplande ontwikkeling.

Negatieve effecten op broedende vogels dienen te worden voorkomen door begroeiingen waarin vogels kunnen nestelen te verwijderen buiten het broedseizoen. De periode van 15 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen. De Wet Natuurbescherming kent echter geen standaardperiode voor het broedseizoen, het gaat erom of er een broedgeval is. De genoemde periode kan daarom slechts als vuistregel worden gehanteerd. De aanwezigheid van andere strenger beschermde plant‐ en diersoorten is op basis van habitatvoorkeur en algemene verspreidingsgegevens (NDFF) met voldoende zekerheid uit te sluiten. Hooguit zijn in het gebied soorten te verwachten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen, zoals huisspitsmuis, veldmuis, bosmuis, mol, gewone pad, bruine kikker etc. Tenslotte is voor alle soorten de wettelijke zorgplicht voor flora en fauna van kracht. In het kader van de zorgplicht zijn echter geen specifieke voorzorgsmaatregelen verbonden aan dit plan. Om gebruik te mogen maken van deze ontheffing is goedkeuring noodzakelijk vanuit de gemeente Tilburg. Deze wordt verkregen door in overleg met de gemeente te bepalen welke maatregelen voor beschermde soorten getroffen moeten worden.

Maatregelen gebouwbewonende vleermuizen De volgende beschreven maatregelen / uitgangspunten zijn gehanteerd bij de sloop van de voormalige bebouwing op het perceel: <0000> Werken buiten minst kwetsbare periode; De sloopwerkzaamheden zijn binnen de kwetsbare periode van kraam‐, paar‐ en winterverblijfplaatsen uitgevoerd. De kwetsbare periode loopt ongeveer van november tot en met half juli. Deze periode is een indicatie, want door meteorologische omstandigheden kan deze periode korter of langer zijn. De sloopwerkzaamheden zijn binnen de kwetsbare periode van zomerverblijfplaatsen uitgevoerd, in oktober. Om te voorkomen dat vleermuizen gedood of verwond worden gedurende de sloopwerkzaamheden wordt een dag voor de sloop een avondronde uitgevoerd. Gedurende deze onderzoeksronde wordt gericht gekeken of er vleermuizen in het gebouw zitten en zo ja, waar precies. Als er een uitvliegende vleermuis wordt aangetroffen wordt dat deel van het gebouw vleermuisvriendelijk gesloopt onder begeleiding van de begeleidend ecoloog. <0000> Verblijfplaatsen; Vanwege de geringe waarde van het plangebied en de bufferende werking binnen het SMP is er in overleg met de gemeente Tilburg besloten dat het niet noodzakelijk is om tijdelijke verblijfplaatsen te plaatsen. In de nieuwbouw worden permanente verblijfplaatsen verwerkt. Er wordt gebruik gemaakt van inmetselstenen.

In overleg met de gemeente wordt het type inmetselsteen en de hoeveelheid bepaald. <0000> Verlichting; Om verstoring van verlichting in de nieuwe situatie te voorkomen zullen de permanente verblijfplaatsen in overleg met de begeleidend ecoloog worden gepositioneerd. <0000> Logboek; Door middel van een logboek wordt de uitvoering van genoemde maatregelen vastgelegd in een logboek. Met behulp van dit logboek is de gemeente Tilburg op de hoogte gehouden van de werkzaamheden.

Reit 2007, 7e herziening (Reitseplein 15)

40

<0000>

Ecologische begeleiding; De activiteiten en bovengenoemde voorschriften zijn uitgevoerd onder begeleiding van een deskundige op het gebied van vleermuizen.

Zorgplicht Voor alle soorten geldt de zorgplicht. De bescherming van soorten gaat uit van de intrinsieke waarde van alle dieren en planten. Daar moet zorgvuldig mee omgegaan worden. Daarom is de zorgplicht in artikel 1.11 van de Wnb opgenomen en ook een voorwaarde voor het werken met de gebiedsgerichte ontheffing van de gemeente Tilburg. De zorgplicht houdt in dat iedereen 'voldoende zorg' in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten en hun leefomgeving en voor Natura 2000‐gebieden. Voorkomen, beperken en ongedaan maken zijn hierbij sleutelwoorden. Hieronder worden de verschillende maatregelen en acties besproken om schade aan en verstoring van dier‐ en plantensoorten te minimaliseren: <0000> Ecologisch werkprotocol: Het voorliggende ecologisch werkprotocol is mede ontwikkeld om ervoor te zorgen dat de verschillende te nemen maatregelen en werkzaamheden worden uitgevoerd en dat deze voor iedereen zijn na te lezen. <0000> Broedvogelcheck: Voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden is het plangebied door de begeleidende ecoloog gecontroleerd op broedende vogels en eventuele andere ecologische aandachtspunten. <0000> Werkzaamheden zijn zoveel mogelijk uitgevoerd in één richting en niet naar elkaar toe, zodat aanwezige dieren de mogelijkheid hadden om te vluchten en niet worden ingesloten door werkzaamheden.

<0000> Werkzaamheden zijn zoveel mogelijk uitgevoerd tussen zonsopkomst en zonsondergang, zodat aanwezige dieren in de omgeving zo min mogelijk verstoring ervaren. Als werkzaamheden toch uitgevoerd dienden te worden voor zonsopkomst of na zonsondergang is niet meer en langer dan noodzakelijk verlichting gevoerd. Verstoring op fauna is op deze manier zoveel mogelijk beperkt. Toelichting broedseizoen Voor alle in Nederland voorkomende vogelsoorten geldt dat er een verbod vanuit de Wet natuurbescherming is op het uitvoeren van handelingen op de in gebruik zijnde nesten, het beschadigen van eieren of het verstoren van broedende vogels. Dit betekent dat het uitvoeren van verstorende werkzaamheden, het snoeien of kappen van bomen bij aanwezigheid van broedende vogels alleen buiten het broedseizoen plaats mogen vinden. Vanuit de Wet natuurbescherming geldt geen standaard periode voor het broedseizoen. Globaal loopt deze van 15 maart tot 15 augustus, echter zijn er soorten die ook buiten deze periode broeden. Indien het niet mogelijk is buiten het broedseizoen te werken, dient voor aanvang van de werkzaamheden een inventarisatie uitgevoerd te worden middels één veldcontrole naar aanwezige broedvogels in het gebied en dienen mogelijk aanvullende maatregelen te worden getroffen in samenwerking met een deskundige op het gebied van vogels.

Algemene voorwaarden uitvoeren werkzaamheden In het ecologisch werkprotocol worden maatregelen omschreven die voor, tijdens en na de werkzaamheden genomen moeten worden in het kader van zorgplicht, voorkomen van overtredingen Wet natuurbescherming en de voorwaarden van de gebiedsgericht ontheffing van de gemeente Tilburg. De volgende algemene voorwaarden betreffende het uitvoeren van de werkzaamheden behelzen: <0000> Ruim voorafgaand aan het uitvoeren van de geplande werkzaamheden, dient de begeleidende ecoloog op de hoogte gebracht te worden van de data van het uitvoeren van de werkzaamheden. Dit om ervoor te zorgen dat de ecoloog tijdig controles en werkzaamheden kan uitvoeren en dat deze verder bereikbaar is bij calamiteiten. <0000> Werkzaamheden zijn en worden zoveel mogelijk uitgevoerd tussen zonsopkomst en zonsondergang, zodat aanwezige dieren in de omgeving zo min mogelijk verstoring ervaren. Als werkzaamheden toch uitgevoerd dienen te worden voor zonsopkomst of na zonsondergang dient niet meer en langer dan noodzakelijk verlichting gevoerd te worden, zodat verstoring van fauna zoveel mogelijk wordt beperkt. <0000> Werkzaamheden zijn zoveel mogelijk uitgevoerd in één richting en niet naar elkaar toe, zodat aanwezige dieren de mogelijkheid hebben om te vluchten en niet worden ingesloten door werkzaamheden.

<0000> Wanneer gedurende de uitvoering van de werkzaamheden broedende vogels of andere kwetsbare ecologische situaties worden aangetroffen, dienen de werkzaamheden direct gestaakt te worden, waarna contact wordt gezocht met de begeleidende ecoloog. <0000> Bij calamiteit of onduidelijkheden omtrent flora en fauna dient men zich direct te richten tot de begeleidende ecoloog. <0000> De werkzaamheden dienen conform dit werkprotocol uitgevoerd te worden. Conclusie

Reit 2007, 7e herziening (Reitseplein 15)

41

Vanuit de wettelijke gebiedsbescherming van Natura 2000‐gebieden zijn geen beperkingen of voorwaarden aan het plan verbonden. Ook vanuit de natuurbeschermingsregels uit de Verordening Ruimte (Natuurnetwerk Brabant en Groenblauwe Mantel) zijn geen beperkingen of voorwaarden aan het plan verbonden. Vanuit gemeentelijk natuurbeleid geldt dat invulling gegeven wordt aan de ecologische verbindingszone langs de spoorlijn. Deze zone wordt zodanig bestemd dat de fte ontwikkelen ecologische waarden beschermd worden. Het bestemmingsplan kan in overeenstemming met de wettelijke soortenbescherming worden uitgevoerd, mits de volgende voorwaarden in acht worden genomen: <0000> De sloop van de aanwezige bebouwing wordt uitgevoerd conform de eisen uit het Soortenmanagementplan Oude Stad Tilburg. Hiervoor worden verblijfplaatsen voor gebouw bewonende soorten gerealiseerd in de nieuwbouw. <0000> Begroeiingen waarin vogels kunnen nestelen worden verwijderd buiten het broedseizoen.

4.11 Gezondheid De Raad van Directeuren Publieke Gezondheid en de directie van GGD GHOR Nederland hebben samen het document 'Kernwaarden voor een Gezonde Leefomgeving' vastgesteld. Het kernwaardendocument en de bijbehorende uitwerkingen bieden handvatten aan iedereen die betrokken is bij de inrichting van de leefomgeving en publieke gezondheid een warm hart toedraagt. Betreffende het planvoornemen wordt het van belang geacht om aandacht te schenken aan het aspect gezondheid vanwege de toekomstige invulling (wonen) van het plangebied om zo de gezondheid en het geluk van de toekomstige bewoners te garanderen en op deze wijze vast te leggen. In het kerndocument worden verschillende kernwaarden genoemd die betrekking hebben op het planvoornemen. De niet‐relevante kernwaarden (zoals het opgroeien van kinderen in een rookvrije omgeving) die niet aansluiten bij het planvoornemen (huisvesting internationale studenten) worden niet genoemd. Er kunnen drie principes van elkaar gescheiden worden: woonomgeving, mobiliteit en gebouwen. De volgende kernwaarden zijn relevant: Woonomgeving <0000> Voor iedereen zijn er ‐ dichtbij en toegankelijk ‐ aantrekkelijke plekken. Aantrekkelijke plekken bieden mensen gelegenheid te ontmoeten, ontspannen, bewegen en gezond te genieten. Dit vereist, afhankelijk van de locatie, maatwerk. Plekken moeten makkelijk toegankelijk worden gemaakt.

Aantrekkelijk ingerichte plekken dragen bij aan het verminderen va de kans op eenzaamheid en dragen bij aan de fysieke fitheid, sociale cohesie en kwaliteit van leven; <0000> De leefomgeving draagt bij aan gezond gewicht. Overgewicht zorgt voor een hoger risico op ziekten en aandoeningen als diabetes en hart‐ en vaatziekten. Door de leefomgeving zo in te richten dat een actieve leefstijl wordt gestimuleerd worden problemen rondom overgewicht tegengegaan. Het gaat hierbij ook om de realisatie van (sport)voorzieningen; <0000> Wonen en verkeer zijn gescheiden. Langdurig verblijven nabij drukke wegen heeft een verhoogd risico op lichamelijke aandoeningen. Het horen van te veel ongewenst geluid kan gezondheidsschade toebrengen. <0000> Functies zijn goed gemengd. Een goede functiemenging van wonen, werken e.d. voorzien in een prettig woon‐ en werkomgeving. Er wordt meer bewogen omdat zij lopend of met de fiets bereikbaar zijn. Daarnaast zorgt goede functiemenging voor levendigheid in de buurt en het ontmoeten van buurtgenoten. Mobiliteit Actief vervoer (lopen en fietsen) is in beleid, ontwerp en gebruik de standaard. Lopen en fietsen moet een centraal uitgangspunt zijn in beleid en ontwerp. Dit heeft een direct effect op overgewicht en stress gerelateerde klachten. Actief vervoer heeft daarnaast geen negatieve invloed op het klimaat.

Gebouwen <0000> Het binnenklimaat is prettig en gezond. Door zorg te dragen voor een prettig temperatuur en luchtvochtigheid, voldoende rust en een goed binnenluchtkwaliteit, kunnen gezondheidsklachten die samengaan met het gebouw worden voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan klachten als vermoeidheid, hoofdpijn, sufheid, irritatie van de ogen, neus en keel en slaperigheid. Ventilatie‐, zonwering‐ en verwarmingssystemen kunnen deze klachten tegen gaan en dienen derhalve goed en eenvoudig te bedienen zijn. <0000> Minstens één zijde van het gebouw is aangenaam. Minimaal één rustige zijde waar geen geluid of geur overheerst en met een prettig (zo mogelijk natuurlijk) uitzicht en/of buitenruimte vergroot het

Reit 2007, 7e herziening (Reitseplein 15)

42

woonconform. Minder luchtverontreiniging en lawaai beperkt het risico op hinder, hart‐ en vaatziekten, luchtwegaandoeningen en longkanker. Het bieden van rust en een natuurlijke omgeving zorgen voor betere mogelijkheden om te ontspannen en te herstellen. Een natuurlijke omgeving maakt bovendien de omgeving klimaatbestendiger, wat weer zorgt voor het dempen van warmte, het voorkomen van wateroverlast en het bevorderen van de biodiversiteit. Het planvoornemen behelst onder andere de realisatie van circa 450 studentenwoningen en enkele commerciële functies (waaronder een ontmoetingsruimte, fitness voorzieningen, een horeca functie en een dienstverlenende functie) aan het Reitseplein 15. Groen speelt hierin een belangrijke rol. Hoewel er geparkeerd kan worden in het plangebied, wordt gefocust op het bevorderen van actief vervoer. Het wordt daarnaast onwaarschijnlijk geacht dat internationale studenten die hier tijdelijk verblijven een auto zullen aanschaffen. Het plangebied wordt aantrekkelijk ingevuld. Uiteindelijk bepalen bomen de groene kwaliteit van een woonwijk. Derhalve zullen binnen het plangebied bomen geplant worden. Naast het planten van bomen worden er in de openbare ruimte meer groen (zoals in de vorm van grasvelden), verschillende voorzieningen en straatmeubilair gerealiseerd.

Het plangebied is relatief goed binnen Tilburg gelegen en is derhalve voor onderhavige situatie de fiets en het openbaar vervoer (OV) ideaal transportmiddel enorm Tilburg te ontdekken. Door het plangebied zo aantrekkelijk mogelijk in te richten wordt gericht op het enerzijds verminderen van de kans op eenzaamheid (buiten elkaar ontmoeten / de ontmoetingsruimte) en wordt bijgedragen aan sociale cohesie tussen de bewoners. De relatief centrale ligging van het plangebied binnen Tilburg draagt daarnaast ook bij aan de fysieke fitheid van de toekomstige bewoners. De woonruimten zelf worden op moderne wijze gerealiseerd. Het te implementeren ventilatiesysteem zal zorgen voor goed geventileerde ruimten. Het is al wettelijk verplicht om geen gasaansluiting te maken bij nieuwe woningen. Dit leidt automatisch tot de keuze om de woningen duurzaam te ontwikkelen, met gebruik van alternatieve energiebronnen en goede isolatie. In het bestemmingsplan is al aandacht geschonken aan het aspect geluid. Een goed binnenklimaat moet gegarandeerd kunnen worden om de bewoner zijn of haar rust te kunnen gunnen. Er dient in de nadere stedenbouwkundige uitwerkingen van het plan rekening gehouden te worden met het aspect akoestiek op een zodanige wijze dat bewoners comfortabel in de binnenruimte kunnen leven.

Het horen van te veel ongewenst geluid zal in de toekomstige situatie voorkomen worden, opdat een goede gezondheid van de bewoners verzekerd kan worden. Het plangebied bevindt zich buiten de aan te houden richtafstanden rondom varkens‐ en pluimveehouderijen in de omgeving (1 kilometer). Volksgezondheidsrisico's vanwege endotoxinen, zoönosen, geur, fijn stof of ammoniak zijn niet aan de orde. Het plangebied ligt buiten de aan te houden richtafstanden van geitenhouderijen (2 kilometer). Er is daarmee geen verhoogde kans op longontstekingen. Binnen het plangebied treedt daarmee op deze vlakken geen verhoogd risico voor de volksgezondheid op voor de nieuwe bewoners. Conclusie Het plangebied voldoet aan het overgrote gedeelte van de kernwaarden van de drie verschillende principes. Het planvoornemen voorziet in een aantrekkelijke invulling van de openbare ruimte door het realiseren van groen en straatmeubilair en hoogwaardige wooneenheden. Hierbij draagt een prettig woon‐ en leefklimaat zowel binnen als buiten een grote rol. Aangezien het planvoornemen huisvesting van internationale studenten betreft zal voornamelijk gebruik worden gemaakt van de fiets en het OV. Door de relatief centrale ligging van het plangebied binnen Tilburg zijn de voorzieningen in de buurt per fiets goed bereikbaar.

Het aspect geluid dient verdere aandacht te genieten om de toekomstige bewoners een comfortabele binnenruimte te kunnen gunnen. In de uitwerking van het stedenbouwkundige plan zal hier aandacht aan worden geschonken. Door het vasthouden aan de kernwaarden van de drie verschillende principes wordt bij de inrichting van de leefomgeving gericht op het zo goed mogelijk kunnen leveren van een goede (publieke) gezondheid. Op deze wijze wordt een goede gezondheid en het geluk van de toekomstige bewoners gegarandeerd.

Reit 2007, 7e herziening (Reitseplein 15)

43

Hoofdstuk 5 Wateraspecten Dit hoofdstuk geeft weer hoe wateraspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan.

5.1 Bestaand watersysteem Het plangebied is gelegen in het stroomgebied van de Voorste Stroom en behoort zowel kwalitatief als kwantitatief tot het beheergebied van Waterschap de Dommel. De bruto oppervlakte is ca. 6.700m². Dit is in de recente situatie in zijn geheel onverhard (momenteel braakliggend) De terreinhoogte is circa 14,0m +NAP (bron AHN).

5.2 Beleidskader Onderliggend Programma Water en Riolering (hierna te noemen: PWR) laat zien dat we als gemeente Tilburg terug‐ en vooruitkijken en verder bouwen aan een robuust en flexibel systeem. Het PWR, in de vorige planperiode bekend als het gemeentelijk rioleringsplan (GRP) is een goed planinstrument om mee te kunne bewegen met de trends en ontwikkelingen binnen dit vakgebied. Zo is er bijvoorbeeld sprake van meer extreme neerslag door klimaatverandering, een veranderende verhouding tussen overheid en bewoners en verandering in wetgeving. Om mee te kunnen bewegen met de ontwikkelingen om ons heen is het wenselijk om het GRP periodiek te actualiseren. In 2015 is het GRP 2016‐2019 vastgesteld door de gemeenteraad van gemeente Tilburg. De looptijd van dit GRP is aan het eind van 2019 ten einde. Daarom is voor de periode 2020‐2023 een nieuw GRP opgesteld, met een naamswijziging en aangepaste opzet naar PWR. De reden hiervoor is dat deze naamgeving alvast voorsorteert op de Omgevingswet, die het opstellen van programma's voorschrijft. Het programma Water en Riolering vormt dan samen met andere nog op te stellen programma's zoals bijvoorbeeld geluid, luchtkwaliteit, waterkwaliteit en overstromingsrisico's een samenhangend pakket van maatregelen ter bescherming en verbetering van de leefomgeving.

Sinds het in werking treden van het Bestuursakkoord Water (2010) werken we als gemeente Tilburg samen met waterschap Brabantse Delta, waterschap De Dommel, gemeenten Dongen, Gilze en Rijen, Goirle, Heusden, Hilvarenbeek, Loon op Zand, Oisterwijk en Waalwijk en Brabant Water binnen de werkeenheid Doelmatig Waterbeheer Hart van Brabant. Dit is één van de vier werkeenheden voor samenwerking aan doelmatig (afval)waterbeheer binnen de SWWB (Samenwerken aan Water in Midden en West Brabant). Voor deze samenwerking hebben we een samenwerkingsovereenkomst (SOK) opgesteld. Door samen op te trekken en kennis te delen kunnen we de waterketen zo optimaal mogelijk inrichten en profiteren van elkaars expertise en capaciteit. Ook na 2020, wanneer het Bestuursakkoord Water afloopt, gaan we door met het sturen op de 4k's (kwaliteit, kwetsbaarheid, kostenbesparing en klimaatadaptatie) en richten we ons op nieuwe thema's en het addendum Bestuursakkoord Water. Met een aantal gemeenten binnen de werkeenheid Doelmatig Waterbeheer Hart van Brabant (Goirle, Oisterwijk en Tilburg), de waterbeheerders waterschap De Dommel en waterschap Brabantse Delta en drinkwaterbedrijf Brabant Water is besloten om voor de komende planperiode gezamenlijk een omgevingswetproof PWR op te stellen en hiervoor een blauwdruk te maken die binnen het samenwerkingsverband kan worden gebruikt.

Het PWR krijgt hiermee een gemeenschappelijke basis met een 'couleur locale' voor gemeentespecifieke zaken. Om te komen tot een nieuw PWR hebben we het bestaande plan geactualiseerd op basis van gezamenlijke wensen, ambities en beleidskeuzes. Ook de financiële aspecten zijn herzien op basis van nieuwe inzichten en informatie.

5.3 Ambitie In het Bestuursakkoord 'Gezond en gelukkig in Tilburg' 2018 – 2022 is opgenomen dat er onder de noemer 'Koel Tilburg' gewerkt wordt aan het realiseren van een klimaatbestendige stad in 2050. Hierbij gaat het vooral om het tegengaan van opwarming, wateroverlast en verdroging zowel in de bebouwde omgeving als in het omringende buitengebied en de natuur. Op het vlak van stedelijk waterbeheer wordt gesteld dat de ambitie om (binnen gerelateerde projecten) bij te dragen aan andere klimaatthema's dan wateroverlast zoals droogte, hittestress en biodiversiteit door meekoppelkansen te benutten en belanghebbenden bij elkaar te brengen. In combinatie met de reguliere onderhouds‐ en vervangingsmaatregelen wordt er naar gestreefd om het rioleringssysteem en de bijbehorende openbare ruimte zoveel mogelijk klimaatbestendig in te richten. Er wordt integraal afgestemd met andere disciplines (bijvoorbeeld ruimtelijke ordening en beheer openbare ruimte) en maken een gezamenlijke afweging. Hierbij wordt meegelift met zoveel mogelijk met geplande werkzaamheden in de openbare ruimte. Het gaat dan om het zichtbaar maken van water, het verhogen van de belevingswaarden en integratie van water en groen. We benutten de reikwijdte van de zorgplicht riolering om

Reit 2007, 7e herziening (Reitseplein 15)

44

voor maatregelen die bijdragen aan een goed functionerend stedelijk watersysteem uren en middelen beschikbaar te stellen. Bij de klimaatbestendige inrichting van de openbare ruimte voor bestaand gebied wordt een stresstest uitgevoerd en voeren een risicodialoog uit om te komen tot maatwerkoplossingen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen houden wij bij nieuwbouw rekening met de vloerpeilen zodanig dat er geen inpandige waterschade of waterschade bij omliggende bebouwing plaatsvindt bij de 70 mm/h bui uit het DPRA. Dit houdt in dat elke locatie maatwerk is. We stemmen de maatregelen en programmering af met de uitvoeringsagenda klimaatadaptatie. Met de aanleg van de blauwe aders en waterparken zet de gemeente Tilburg een flinke stap in het voorkomen van natte voeten. Echter door klimaatverandering ontstaat een nieuwe opgave. Buien worden extremer en de frequentie waarmee zware buien optreden neemt toe. Om op de toekomst voorbereid te zijn en een goed woon‐ en vestigingsklimaat te behouden zijn nieuwe investeringen nodig. Extra en grote hoeveelheden regenwater moeten worden verwerkt om waterschade te voorkomen. Het ondergronds afvoeren van deze extremen is kostbaar, maar bovengrondse oplossingen voor berging vergen ruimte en zijn daardoor sterk afhankelijk van andere claims op de bovengrond.

Door regenwater te accepteren tussen de straatbanden, in groenvoorzieningen en te bufferen in de bodem kunnen ook zwaardere buien worden verwerkt. Dit vergt nieuwe investeringen, maar biedt ook nieuwe kansen. Met de bovengrondse blauwgroene voorzieningen kan tevens een bijdrage leveren aan het oplossen van andere klimaat gerelateerde problemen zoals hittestress en langdurige droogte. Groen en water in de openbare ruimte hebben ook een gunstig effect op de gezondheid (meer bewegen, ontspanning) en kan bijvoorbeeld worden gecombineerd met natuurontwikkeling (ecologische verbindingen). Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan het coalitieakkoord “Een gezond en gelukkig Tilburg”. Daar waar bovengrondse oplossingen op korte termijn geen haalbare kaart zijn, bieden ondergrondse oplossingen uitkomst. Om het water‐ en rioleringssysteem toekomstbestendig te kunnen inrichten introduceert de gemeente een regenwateropgave voor vervanging van verhard oppervlak en hanteren zij nieuwe ondergrenzen bij toename van het verhard oppervlak. De regenwateropgave verplicht tot het aanbrengen van regenwaterberging en is in lijn met de wateropgave die de waterbeheerder oplegt. Op dit moment is dat 60 mm. De opgave is voor de gebieden Blaak en Reeshof kleiner omdat deze gebieden, vanwege de ruim opgezette waterstructuur, al klimaatbestendig zijn ingericht.

De opgave van 10 mm heeft als doel om het water van de kleine buien af te vangen en toe te voegen aan de grondwatervoorraad. <0000> < 50 m²: geen regenwateropgave <0000> 50 m² ‐ 150 m2: ‐ Indien niet vergunningplichtig: geen regenwateropgave ‐ Indien wel vergunningplichtig: regenwateropgave volgens onderstaande tabel: <0000> > 150 m²: regenwateropgave volgens onderstaande tabel:

De opgave van 60 mm heeft als doel het verwerken van extreme neerslaghoeveelheden om de kans op wateroverlast nu en in de toekomst te beperken. De komende periode gaan we gebruiken om nauwlettend te voldoen aan de gestelde eisen. Daarbij volgen we wat haalbaar is (in de ruimte) en betaalbaar is (risico afgezet tegen verminderen schadelast, in combinatie met maatschappelijke voordelen, zoals berekend kan worden met tools als TEEB stad). Als blijkt dat de waterbergingsopgave redelijkerwijs niet mogelijk is, kan hiervan worden afgeweken (in overleg met onze gemeente). Eventueel kan hier een financiële voorwaarde aan worden verbonden (de opgave wordt dan afgekocht).

5.4 Duurzaam watersysteem Bestaand watersysteem Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 6667 m² en is momenteel volledig onbebouwd (braakliggend). In de oude situatie waren de volgende oppervlakten van toepassing, de bebouwing is pas recent gesloopt:

Reit 2007, 7e herziening (Reitseplein 15)

45

Bodem Uit het DINOloket blijkt uit het geologisch booronderzoek met identificatienummer B50F1196, gelegen op circa 90 meter van het plangebied, dat de bodem tot circa 1,8 m – mv bestaat uit zand midden categorie. Van 1,8 m tot 2,8 m ‐ mv bestaat de bodem uit leem. Vanaf 2,9 m – mv tot 4 m – mv bestaat de bodem wederom uit zand midden categorie. De provinciale kwel‐ en infiltratiekaart van Noord‐Brabant weergeeft voor het plangebied de aanduiding 'infiltratie'. De bodem wordt derhalve in principe geschikt bevonden voor infiltratie. Nader bodemonderzoek zou zekerheid kunnen verlenen over de geschiktheid van de bodem voor infiltratie. Grondwater Voor de grondwaterstand kan op dit gebied ca. NAP+12.0 GHG aangehouden worden o.b.v. het gemeentelijk grondwatermeetnet Oppervlaktewater Er ligt geen oppervlaktewater binnen of in de buurt van het plangebied. Plangebied De locatie is niet gelegen in een afkoppelgebied; de gemeente heeft in het vastgestelde beleid van de SWR geen voornemens om het regenwater af te koppelen van het gemengde riool. Voor het plangebied zijn in de SWR geen specifieke opgaven, behalve de algemene doelstellingen voor de gehele gemeente. Er is geen sprake van een grote toename van verhard oppervlak. Er is zelfs sprake van afname. Hiermee zijn er geen significante effecten voor het waterbelang.

Onderstaande oppervlaktes zijn gebaseerd op het meegeleverde ontwerp voor Reitseplein 15.

Tilburg streeft naar een betere leefomgeving. Daarbij speelt de trits vasthouden‐bergen‐afvoeren een centrale rol. In eerste instantie gaat het om het gebiedseigen water zoveel mogelijk vast te houden. Mogelijkheden hiervoor zijn: <0000> Water opvangen in poelen, regentonnen e.d. <0000> Minder terrein verharden; <0000> Hergebruiken van regenwater voor bijvoorbeeld toiletspoeling of wassen van voertuigen; <0000> Groene daken; <0000> Waterdoorlatende verharding. In het PWR is beleid vastgesteld waarmee iedere ontwikkeling van een vastgestelde bergingsopgave wordt voorzien. De bedoeling hiervan is de waterhuishouding in Tilburg (zowel v.w.b. wateroverlast als droogte) te verbeteren. De bergingsopgave bedraagt 60 mm, oftewel 60 l/m² verharding van de nieuwe situatie. Hiermee draagt het plangebied bij aan het hydrologisch neutraal/positief (her)ontwikkelen van Tilburg. Op basis van de afvoerende oppervlakken in de toekomstige situatie is daarmee voor het plangebied de bergingsopgave vastgesteld op 260 m³. Als invulling wordt de toepassing van ondergrondse waterbergende voorzieningen en groene‐/waterbergende daken als kansrijk gezien. De bergingsvoorziening(en) kunnen worden voorzien van een overloop op de bestaande riolering. De impact van deze ontwikkeling op het

Reit 2007, 7e herziening (Reitseplein 15)

46

watersysteem is beperkt. De ontwikkeling valt daarom binnen het maatwerk dat de gemeente heeft vastgesteld in het verbreed gemeentelijke rioleringsplan 2016‐2019. Mocht dit niet voldoende zijn kan in een later stadium onderzocht worden in hoeverre water bovengronds geborgen kan worden. Een optie zou zijn in de ecologische zone. Deze is ca. 1.000m² en daarmee groot genoeg voor de bergingsopgave van onderhavig plan.

5.5 Watertoets De impact van deze ontwikkeling op het watersysteem is beperkt. De ontwikkeling valt daarom binnen het maatwerk dat de gemeente heeft vastgesteld in het PWR 2020‐2023. Conform deze aanpak kan het watertoets‐proces een verkort traject doorlopen. In dit verkorte traject geeft het waterschap geen voorlopig wateradvies, in plaats daarvan wordt het wateradvies pas verstrekt bij de terinzagelegging van het bestemmingsplan.

Reit 2007, 7e herziening (Reitseplein 15)

47

Hoofdstuk 6 Opzet planregels De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het opstellen van bestemmingsplannen door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen. Standaard plansystematiek Bouwvlak en erf De Tilburgse plansystematiek (en dus ook dit plan) maakt onderscheid tussen het bouwvlak en het erf. Het bouwvlak komt in principe bij alle bestemmingen voor. Uitzondering zijn de bestemmingen binnen het openbaar gebied. Indien geen bouwvlak is aangegeven, bepalen de planregels soms dat het gehele bestemmingsvlak geacht wordt bouwvlak te zijn. Hoofdgebouwen moeten binnen het bouwvlak worden opgericht. Bijgebouwen, aan‐ en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen er eveneens worden gebouwd, uiteraard slechts voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Soms mag het bouwvlak volledig worden volgebouwd, soms niet.

Het eerste blijkt normaliter uit de planregels, het tweede wordt in de regel op de verbeelding weergegeven met een maatvoeringsaanduiding. In het erf mogen geen hoofdgebouwen worden opgericht. Bijgebouwen, aan‐ en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn wel toegestaan, voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Het erf komt met name voor bij woningen en bebouwing langs de linten. Binnen het onbebouwd erf (perceel minus bouwvlak en minus erf) beperken de bouwmogelijkheden zich over het algemeen tot hetgeen vergunningvrij mag worden gebouwd en enkele bouwwerken, geen gebouwen zijnde (denk vooral aan erfafscheidingen).

Reit 2007, 7e herziening (Reitseplein 15)

48

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid Artikel 3.1.6. van het Bro bepaalt dat in een vast te stellen bestemmingsplan een toelichting moet worden opgenomen, waarin (o.a.) de inzichten staan over de uitvoerbaarheid van het plan. Het onderhavige plan bevat een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De grondexploitatiewet (afdeling 6.4 van de Wro) is om die reden van toepassing en in beginsel is dus een exploitatieplan vereist. Gelet op het bepaalde in artikel 6.12 lid 2 van de Wro hoeft in casu echter geen exploitatieplan te worden opgesteld. Doordat met initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst is gesloten, is het verhaal van kosten die de gemeente moet maken 'anderszins verzekerd' door die overeenkomst. Met betrekking tot de gemeentelijke plan‐ en apparaatskosten ten behoeve van het opstellen van dit plan zijn door de initiatiefnemer leges betaald. Daarnaast is met de initiatiefnemer een overeenkomst inzake het verhaal van tegemoetkomingen in planschade gesloten. In deze overeenkomst is bepaald dat schade als gevolg van dit bestemmingsplan, die op grond van afdeling 6.1. Wro voor vergoeding in aanmerking komt, zal worden vergoed door de initiatiefnemer. Gelet op het voorgaande is het plan economisch uitvoerbaar.

Reit 2007, 7e herziening (Reitseplein 15)

49

Hoofdstuk 8 Omgevingsdialoog en vooroverleg 8.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu‐effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan Reitseplein op 28 februari 2020 gepubliceerd in het gemeenteblad.

8.2 Omgevingsdialoog De ontwikkelaar heeft op 20 februari 2020 een inloopavond georganiseerd voor belanghebbenden in de omgeving. De inloopavond heeft plaatsgevonden in de gemeenschappelijke ruimte van de Cobbencampus, nabij de planlocatie aan het Reitseplein 15. In totaal zijn er veertig belanghebbenden benaderd, waarvan ca. zestien huishoudens, ca. twintig bedrijven/scholen. Daarnaast zijn diverse bij het project betrokkenen uitgenodigd, zoals de gemeente Tilburg en Tilburg University. Er zijn ca. twintig belanghebbenden aanwezig geweest tijdens de inloopavond en het merendeel betrof bewoners. Het complete verslag is terug te lezen in Bijlage 13 Verslag omgevingsdialoog. Op hoofdlijnen hebben de aanwezigen aandacht gevraagd voor het volgende: <0000> Omwonenden wilden graag weten of er sprake is van toenemende schaduwwerking door de nieuwbouwontwikkeling i.r.t. de woningen aan de noordzijde van de planlocatie. De nieuwbouwontwikkeling is zodanig opgebouwd dat de lagere zijde aan de west en noordzijde zijn gepositioneerd. De oostvleugel en toren zijn de hogere gebouwdelen en met name de toren staat het verste van de woningen af. Er is een kans dat als de zon laag staat het effect van schaduw op de woningen toeneemt. Dit effect wordt als beperkt beschouwd en is middels een bezonningsstudie nader onderbouwd in het bestemmingsplan.

<0000> Aanwezigen merken op benieuwd te zijn naar de invulling van de openbare ruimte.Het terrein rondom het gebouw is in principe geen openbare ruimte maar blijft eigendom van de initiatiefnemer. Initiatiefnemer heeft de ambitie om het gebied groen en aantrekkelijk in te richten. Aan de zijde langs het spoor wordt een ecologische zone gerealiseerd. <0000> Door enkele aanwezigen worden zorgen geuit over de parkeerdruk die het plan met zich mee brengt. De zorg wordt geuit door enkele aanwezigen die bedrijven uit de directe omgeving (Sportweg) vertegenwoordigen. Er wordt een parkeerkelder gerealiseerd onder het gebouw zodat op eigen terrein kan worden voorzien in de parkeerbehoefte. De ervaring leert overigens dat voor dergelijke concepten met studentenhuisvestiging in de praktijk een dergelijke voorziening nagenoeg leeg staat. Ten aanzien van het fiets parkeren wordt eveneens een voorziening gerealiseerd waar bewoners en bezoekers hun fietsen kunnen stallen. <0000> Enkele bewoners merken op dat zij trillingen hebben ervaren gedurende de sloop werkzaamheden. Dit was niet eerder bekend bij initiatiefnemer. De zwaardere sloopwerkzaamheden worden de komende maanden afgerond waarna er geen trillingen meer voelbaar zullen zijn. Na een relatief druk bezochte omgevingsdialoog kan geconcludeerd worden dat de sfeer van de inloopavond positief was.

De architect en de projectleider waren aanwezig om alle vragen mondeling te beantwoorden. Over het algemeen waren de bezoekers tevreden over het plan. Enkele personen maakten zich zorgen om de schaduwwerking van het gebouw. Hiervoor is een bezonningsstudie uitgevoerd en bijgevoegd bij deze toelichting.

8.3 Zienswijzen PM

Reit 2007, 7e herziening (Reitseplein 15)

50

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9949233/1