CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

06 Toelichting met bijlagen-b001

Raadsvergadering 14 november 2022, gemeente TilburgBij agendapunt: -Raadsvoorstel Bestemmingsplan Oude Stad Noordwest 2016, 4e herziening (Tongerlose Hoefstraat 83)34.799 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

4.4 Externe veiligheid 4.4.1 Inleiding Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures: 1. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 2004 (sindsdien enkele keren aangepast); 2. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van 1 april 2015; 3. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van 1 januari 2011. Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen". 4.4.2 Verantwoordingsplicht Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron.

Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald. In de bij dit plan gevoegde Risico-inventarisatie en verantwoording groepsrisico (bijlage 1) zijn de relevante risicobronnen geïnventariseerd. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied ligt in het invloedsgebied van het

Oude Stad Noordwest 2016; 4e herziening (Tongerlose Hoefstraat 83)

22

spoor Breda-Tilburg, Tilburg-Vught en de A58. De verantwoordingsplicht is hiervoor ingevuld en opgenomen in de genoemde bijlage. 4.4.3 Beleidsvisie externe veiligheid In de beleidsvisie externe veiligheid wordt het gebied waarin het plangebied ligt aangemerkt als een luw gebied. Binnen een luw gebied gelden de volgende voorwaarden: <0000> Kwetsbare objecten zijn overal mogelijk; <0000> Geschikt voor bijzonder kwetsbare functies/objecten; <0000> Bestaande risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden mogelijk; <0000> Bevi-inrichtingen zijn niet mogelijk; <0000> Beheersbaarheid gericht op effecten van mogelijke calamiteiten op orde. Aan bovengenoemde randvoorwaarden uit de beleidsvisie wordt voldaan. De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijk externe veiligheidsbeleid. 4.4.4 Conclusie en restrisico Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van het spoor Breda-Tilburg, Tilburg-Vught en de A58. Personen in het plangebied worden aan externe veiligheidsrisico's blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld (zie de eerdergenoemde bijlage Risico-inventarisatie en verantwoording groepsrisico)(bijlage 1). De Brandweer Midden- en West- Brabant heeft d.d. 15 maart 2021 (bijlage 3) advies uitgebracht.

De relevante onderdelen uit het advies zijn verwerkt in de verantwoording. Uit het bovenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken: <0000> De plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar van risicobronnen in de omgeving van het plangebied vormt geen belemmering voor het initiatief; <0000> Aangezien het plan op >700 meter van de relevante transportroute gevaarlijke stoffen ligt, neemt het groepsrisico van deze risicobron in de toekomstige situatie niet toe; <0000> De bereikbaarheid van het plangebied is goed; <0000> Goede communicatie kan een bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid van personen. In Tilburg vindt communicatie plaats via de Risicokaart, en de risicocommunicatie-campagne Denk Vooruit; <0000> Het plangebied ligt in het dekkingsgebied van de WAS-installatie (Waarschuwings- en alarmeringssysteem) en NL-Alert biedt de mogelijkheid de bewoners tijdig te waarschuwen; <0000> De aanwezigen kunnen het plangebied goed ontvluchten; <0000> Bij een incident met een toxische wolk is binnen schuilen vaak de beste oplossing. Het bouwwerk dient voorzien te zijn van een afsluitbare mechanische ventilatie. Hiermee is langdurig verblijf inpandig bij een toxische wolk mogelijk; <0000> De brandweer voldoet aan de opkomsttijd conform het dekkings- en spreidingsplan.

Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.

4.5 Vuurwerk Binnen het bestemmingsplan zijn geen bestaande verkooppunten en opslagen van consumentenvuurwerk en opslagen van professioneel vuurwerk aanwezig. Burgemeester en wethouders kunnen voor nieuw te vestigen verkoopruimten en opslagen van consumentenvuurwerk en ten behoeve van het uitbreiden, verbouwen en/of verplaatsen van bestaande (buffer)bewaarplaatsen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bestemmingsplan. Bij nieuwvestiging van vuurwerkverkooppunten en/of opslag van consumentenvuurwerk wordt te allen tijde als voorwaarde opgenomen dat de veiligheidscontour zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit op het eigen perceel gesitueerd dient te zijn tenzij de veiligheidscontour zich uitstrekt over openbaar gebied en hierbij geen sprake is van kwetsbare en/of geprojecteerde kwetsbare objecten. Op basis van de veiligheidsafstanden in het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Staatsblad 33 (2002), houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk) is het niet mogelijk om professioneel vuurwerk op te slaan (en te bewerken) in Tilburg. Er wordt daarom geen medewerking verleend aan nieuwvestiging van vuurwerkbedrijven van professioneel vuurwerk.

4.6 Geluid Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (hierna Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding Oude Stad Noordwest 2016; 4e herziening (Tongerlose Hoefstraat 83)

23

van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden. Het plan betreft de oprichting van 7 grondgebonden woningen. 4.6.1 Wegverkeerlawaai De nieuwe woningen zijn gelegen: <0000> binnen de zone van een weg zoals bedoeld in hoofdstuk VI van de wet ("zones langs wegen"). Dit betreft de Ringbaan West en de Kwaadeindstraat. Voor deze wegen geldt een snelheidsregiem van maximaal 50 km/uur; <0000> aan de Tongerlose Hoefstraat en de IJskelderstraat. Voor deze wegen is de Wgh niet van toepassing omdat deze wegen een snelheidsregiem kennen van maximaal 30 km/uur. Voor de oprichting van de nieuwe woningen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Voor de uitgangspunten en rekenresultaten wordt verwezen naar het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Tongerlose Hoefstraat 83 te Tilburg d.d. 12 juli 2021, documentkenmerk 2105/049/NB-01 (bijlage 2). Uit de rekenresultaten van het akoestisch onderzoek blijkt dat: <0000> de optredende geluidbelasting t.g.v. de Ringbaan West en de Kwaadeindstraat de wettelijke voorkeurgrenswaarde van 48 dB niet overschrijdt en dat er geen aanleiding is om hogere waarden voor wegverkeerslawaai vast te stellen; <0000> de optredende geluidbelasting t.g.v.

de Tongerlose Hoefstraat en de Ijskelderstraat maximaal 54 dB bedraagt exclusief toepassing wettelijk aftrek; <0000> de gecumuleerde geluidbelasting van alle wegen tezamen maximaal 60 dB bedraagt. De gecumuleerde geluidbelasting op de nieuwbouw wordt acceptabel geacht omdat sprake is van een binnenstedelijke situatie en alle woningen kunnen beschikken over een geluidluwe (achter)gevel en een geluidluwe buitenruimte (tuin). Onder geluidluw wordt verstaan een gecumuleerde geluidbelasting van maximaal 55 dB, berekent conform Hoofdstuk 2 van Bijlage II van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder. Voor alle woningen geldt dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve een goede ruimtelijke ordening. Vanwege de hoge gecumuleerde geluidbelasting wordt geadviseerd in het kader van de Wabo aanvraag bouwen aandacht te besteden aan de benodigde gevelwering teneinde een aanvaardbaar binnenniveau te realiseren. 4.6.2 Railverkeerlawaai De nieuwe woningen liggen ver buiten het ‘aandachtsgebied’ van 200 meter (gebaseerd op het maatgevende referentiepunt 33216) van het spoortraject Tilburg-Den Bosch-Eindhoven zoals bedoeld in lid 1 van artikel 1.4a van het Besluit geluidhinder. Dit betekent dat niet getoetst hoeft te worden aan de normen van de Wet-/Besluit geluidhinder.

4.6.3 Industrielawaai In het plangebied is de vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder Onderdeel D van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing. De nieuwe woningen zijn niet gelegen binnen een wettelijke geluidzone van een industrieterrein of een geluidzone van een industrieterrein waarvoor een geluidbeheerplan is vastgesteld. Industrielawaai vormt geen belemmering voor de nieuwbouw. 4.6.4 Luchtvaartlawaai Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze-Rijen gelden in delen van Tilburg geluidzones (de zogenaamde Ke-zones). Deze zones liggen niet over het plangebied. 4.6.5 Trillingen Het plangebied ligt ver buiten het “aandachtsgebied” van 100 meter gezien vanaf het spoor. Dit betekent dat trillinghinder niet te verwachten is en onderzoek hierna niet noodzakelijk is.

4.7 Lucht Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden.

Oude Stad Noordwest 2016; 4e herziening (Tongerlose Hoefstraat 83)

24

De bestemmingen in het plangebied zijn getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen uit hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Het plan voorziet in de realisatie van 7 grondgebonden woningen waardoor het plan gelet op de aantallen kan worden gekenmerkt als een "niet in betekenende mate"-project, zoals bedoeld in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). Vanuit de Wet milieubeheer bestaat dan ook geen bezwaar tegen dit plan.

4.8 Geur 4.8.1 Industriële geurhinder Het beleid voor industriële geurhinder (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Kort samengevat komt het erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen; de toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden. Er wordt in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij ´het voorkómen van nieuwe geurhinder´ voor de ruimtelijke ordening het belangrijkst is. Binnen de gemeente Tilburg worden deze algemene uitgangspunten gehanteerd. In en om het plangebied is geen zware industrie mogelijk. In de lijst functiemenging is voor de toegestane activiteiten voldoende rekening gehouden met woonfuncties in de nabijheid. Waardoor er sprak is van een goed woon- en leefklimaat. 4.8.2 Agrarische geurhinder Op bedrijven die tot de agrarische sector behoren (veehouderijen) is ten aanzien van het geurbeleid de Wet geurhinder en veehouderij (5 oktober 2006) en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij van toepassing. Deze regelgeving geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst aan de hand van een verspreidingsmodel (V-Stacks model).

Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De wet geeft de mogelijkheid om op lokaal niveau gemotiveerd af te wijken van de wettelijk norm met een verordening. De gemeente Tilburg heeft vooralsnog geen verordening met afwijkende normen vastgesteld. In en op het plangebied zijn geen agrarische veehouderijen aanwezig waarbij het aspect Geur van invloed is op het woon- en leefklimaat binnen dit bestemmingsplan.

4.9 Bodem In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een uitvoerig bodemonderzoek. De aanleiding is de geplande nieuwbouw van 7 grondgebonden woningen op de percelen aan de hoek Tongerlose Hoefstraat 83 en IJskelderstraat. Op dit moment wordt het perceel gebruikt als woning met tuin. Het gebruik zal dus niet gevoeliger worden ten opzichte van het huidige gebruik. Er is geen actueel bodemonderzoek aangeleverd, en ook in het bodemarchief van de gemeente zijn geen recente bodemonderzoeken van de locatie bekend. Voor zover bekend hebben op het perceel in het verleden geen bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden. Ter plaatse van Tongerlose Hoefstraat 81 is tussen 1956 en 1983 een brandstoffenhandel actief geweest. Op de locatie waren meerdere ondergrondse tanks in gebruik. In de jaren 90 zijn meerdere bodemonderzoeken op de locatie uitgevoerd, en een bodemsanering verricht.

In 2007 is in het kader van herinrichting van het openbaar gebied een bodemonderzoek uitgevoerd aan de IJskelderstraat. In dit onderzoek zijn maximaal licht verhoogde gehalten aangetroffen. In de directe omgeving ligt een mogelijke demping van een voormalige sloot. Deze potentiële demping loopt parallel aan de voorgevels van de Tongerlose Hoefstraat. Oude Stad Noordwest 2016; 4e herziening (Tongerlose Hoefstraat 83)

25

Conclusie Er is geen actueel bodemonderzoek beschikbaar voor het plangebied. Op basis van het historisch gebruik worden echter geen belemmeringen in de vorm van grootschalige bodemverontreiniging verwacht. Aangezien het gebruik niet gevoeliger wordt hoeft in deze fase daarom geen bodemonderzoek aangeleverd te worden. Voor een Wabo-omgevingsvergunningsactiviteit '(ver-)bouwen van bouwwerk', zal echter wel een verkennend bodemonderzoek volgens de NEN 5740 (VO) worden verlangd. Dit onderzoek kan het beste na sloop van de huidige bebouwing worden uitgevoerd, aangezien sloop als bodembedreigende activiteit wordt gezien. Bij de uitvoering van het bodemonderzoek moeten bovenstaande constateringen worden meegenomen.

4.10 Natuur en ecologie 4.10.1 Wettelijke kaders De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet Natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven. Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.

Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën: <0000> <0000> <0000> <0000> <0000>

Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats1 Overige inheemse broedvogels Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn Nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling2 Nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling

1Deze soorten zijn benoemd in het document "Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet

ruimtelijke ingreep" (Dienst Regelingen, 2009). Hierin worden 4 categorieën vogels genoemd waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn, en een categorie 5 waarvan de nesten onder bepaalde voorwaarden jaarrond beschermd zijn. 2De algemene vrijstellingen zijn door iedere provincie in verordeningen vastgelegd. In Noord-Brabant zijn de vrijgestelde soorten benoemd in de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant.

Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen Oude Stad Noordwest 2016; 4e herziening (Tongerlose Hoefstraat 83)

26

te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode. Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rusten voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode. Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Verordening ruimte 2014. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones.

Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw. 4.10.2 Analyse plangebied Natura 2000-gebieden Het plangebied aan de Tongerlose Hoefstraat 83 ligt op ruime afstand van wettelijk beschermde natuurgebieden. Binnen 6 kilometer van het plangebied liggen meerdere natura 2000-gebieden.

Het betreffen hier Kampina & Oisterwijkse Vennen, Regte Heide & Riels Laag en Loonse en Drunense Duinen. Gezien deze afstand en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling kunnen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten. Natuurbescherming in Verordening Ruimte 2014 Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Brabant (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) en de Groenblauwe Mantel, zoals begrensd op de kaarten van de Verordening Ruimte. De dichtstbijzijnde gebieden die tot het Natuurnetwerk Brabant behoren, liggen op 1,5 km afstand van het plangebied. Externe effecten op het Natuurnetwerk Brabant, zoals benoemd in artikel 5.1 lid 7 van de Verordening Ruimte, zijn gezien deze afstand en zeer beperkte externe invloed redelijkerwijs uit te sluiten. Soortenbescherming Het plangebied ligt binnen het gebied waar het "Soortenmanagementplan Oude Stad Tilburg" van toepassing is en gebruik gemaakt kan worden van de gebiedsontheffing voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen. In voorliggend plan wordt voor de sloop van de aanwezige bebouwing gebruik gemaakt van deze gebiedsontheffing. Om te voldoen aan de ontheffingseisen zal men maatregelen in acht nemen. Deze maatregelen zijn enerzijds gericht op zorgvuldig werken en anderzijds op het creëren van vervangende verblijfplaatsen.

In het plangebied zijn beplantingen aanwezig waar vogels in kunnen nestelen. Het gaat daarbij om vogelsoorten waarvan de nesten uitsluitend gedurende de broed- en nestperiode beschermd zijn. Vaste, jaarrond beschermde nesten zoals roofvogel- en roekennesten zijn niet aanwezig. Deze beplantingen zullen moeten worden verwijderd voor de geplande ontwikkeling. Negatieve effecten op broedende vogels dienen te worden voorkomen door begroeiingen waarin vogels kunnen nestelen te verwijderen buiten het broedseizoen. Oude Stad Noordwest 2016; 4e herziening (Tongerlose Hoefstraat 83)

27

De periode van 15 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen. De Wet Natuurbescherming kent echter geen standaardperiode voor het broedseizoen, het gaat erom of er een broedgeval is. De genoemde periode kan daarom slechts als vuistregel worden gehanteerd. De aanwezigheid van andere strenger beschermde plant- en diersoorten is op basis van habitatvoorkeur en algemene verspreidingsgegevens (NDFF) met voldoende zekerheid uit te sluiten. Hooguit zijn in het gebied soorten te verwachten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen, zoals huisspitsmuis, veldmuis, bosmuis, mol, gewone pad, bruine kikker etc. Tenslotte is voor alle soorten de wettelijke zorgplicht voor flora en fauna van kracht. In het kader van de zorgplicht zijn echter geen specifieke voorzorgsmaatregelen verbonden aan dit plan. Conclusie Het plangebied ligt op voldoende afstand van beschermde gebieden om negatieve effecten uit te sluiten. Door gebruik te maken van de gebiedsgerichte ontheffing en de daarbij behorende voorschriften in acht te nemen kunnen negatieve effecten op beschermde soorten worden uitgesloten.

In de toekomstige nieuwbouw dient minimaal te worden gerealiseerd: <0000> Twee ingebouwde vleermuisvoorzieningen <0000> Toegang onder de dakpannen voor huismus en gierzwaluw (door geen vogelschoot te gebruiken of de vogelschroot te verplaatsen naar de derde panlat).

Oude Stad Noordwest 2016; 4e herziening (Tongerlose Hoefstraat 83)

28

Hoofdstuk 5 Wateraspecten 5.1 Bestaand watersysteem De belangrijkste kenmerken van het gebied en perceel zijn weergegeven in tabel 1. Het te ontwikkelen plangebied bestaat uit meerdere kadastrale percelen en is in de bestaande situatie in gebruik en grotendeels verhard. Kenmerk Waterbeheerders

Bruto oppervlakte Terreinhoogte Gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) Ontwateringdiepte Bodem Riolering Afkoppelgebied Oppervlaktewater Keur beschermde gebieden Tabel 1; Gebiedskenmerken

In plangebied Stedelijk watersysteem: gemeente Tilburg. Zuivering afvalwater: waterschap De Dommel. Oppervlaktewater: waterschap De Dommel. Totaal percelen 720 m2 Tussen NAP+13,6 m en NAP+13,9 m ca. NAP+12,0 m Tussen 1,6 m en 1,9 m Sterkzandige leemlenzen, dikker dan 1 meter Gemengde riolering In de directe omgeving van een afkoppelgebied Er is geen oppervlaktewater in de nabijheid van het plangebied Niet van toepassing (zie afbeelding 1)

Afbeelding 1; Locatie plangebied (rode cirkel) ten opzichte van de beschermingsgebieden keur

Oude Stad Noordwest 2016; 4e herziening (Tongerlose Hoefstraat 83)

29

In de Tongerlose Hoefstraat en de IJskelderstraat is gemengde riolering aanwezig. In de bestaande situatie wordt het regenwater van verharde oppervlakte afgevoerd naar de gemengde riolering. Het regenwater dat op onverharde oppervlakken valt infiltreert in de bodem. Het plangebied bestaat uit meerdere kadastrale percelen en is grotendeels verhard.

5.2 Beleidskader Het waterschap De Dommel heeft in 2015 het 'Waterbeheerplan Waardevol Water 2016 - 2021' vastgesteld. Dit plan is opgesteld vanuit de insteek van het waterschap: samen met gebruikers en (maatschappelijke) organisaties meerwaarde geven aan water. Dit doet het waterschap vanuit vier uitgangspunten: 1) beekdalbenadering; 2) gebruiker centraal; 3) samen sterker; 4) gezonde toekomst. Naast dit beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en de Keur die van belang zijn voor eventuele ontwikkelingen. Het Provinciale Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PMWP) is in 2015 door de provincie Noord-Brabant vastgesteld. Zowel het PMWP als het waterbeheerplan lopen parallel met de 2e termijn van de Kaderrichtlijn Water. Het waterbeleid van de gemeente Tilburg is vastgelegd in het Programma Water en Riolering (PWR) 2020-2023. Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. In het PWR is invulling aan het lange termijn beleid dat gestart is met het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002), de Structuurvisie Water en Riolering 2010-2015 en voorgaande Gemeentelijke Rioleringsplannen. Ook de Omgevingsvisie 2040 (vastgesteld september 2015) is van belang. In deze omgevingsvisie zijn alle uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd.

Toekomstige situatie De ontwikkeling betreft de transformatie van 2 woningen en enkele garageboxen naar 7 woningen, zie afbeelding 2.

Afbeelding 2; Plattegrond nieuwe situatie

Oude Stad Noordwest 2016; 4e herziening (Tongerlose Hoefstraat 83)

30

Voor de verharding van de nieuwe situatie van de percelen wordt uitgegaan van aangenomen verhardingspercentages van de nieuwe situatie zoals opgenomen in tabel 2. Oppervlakken

Oppervlak (m²) Daken 410 Elementen verhardingen 130 Tuinen 180 Totaal 720 Tabel 2; Afvoerende oppervlakken in de plansituatie

Verharding (%) 100 100 50

Afvoerend (m2) 410 130 90 630

5.3 Duurzaam watersysteem De eigenaar van de grond bepaalt de hoogten van de terreinpeilen en de vloerpeilen binnen de perceelgrenzen. Deze peilen moeten afgewogen en gekozen worden aan de hand van de volgende factoren: <0000> voldoende ontwateringdiepte; <0000> de water- en vochtdichtheid van alle ondergrondse bouwdelen dient te allen tijde voldoende te zijn voor de nieuwe functie van de ruimte; <0000> de vuil- en regenwaterafvoer moet mogelijk zijn via de aangeboden lozingspunten en dus op het juiste peil worden aangeboden; <0000> aansluiten op de bestaande aangrenzende percelen en op de (toekomstige) terreinhoogte van de openbare ruimte ter plaatse van de grens (T-hoogte); <0000> geen afvloeiend regenwater afwentelen buiten de (toekomstige) percelen; <0000> afdoende bescherming tegen overstroming bij extreme neerslag. De gemeente bepaalt de hoogte van de (toekomstige) openbare ruimte. Daarbij zijn verschillende factoren van belang, waaronder de ontwateringdiepte. In de bestaande situatie is de ontwateringdiepte voldoende voor de nieuwe functies. Hierom worden geen preventieve maatregelen vastgesteld om grondwater- of vochtoverlast te voorkomen. Om de aansluiting op nabije terreinhoogten optimaal te houden wordt de bestaande terreinhoogte ter plaatse van de perceelgrens (T-hoogte) gehandhaafd. Regenwater Tilburg streeft naar een betere leefomgeving.

Daarbij speelt de trits vasthouden-bergen-afvoeren een centrale rol. In eerste instantie gaat het om het gebiedseigen water zoveel mogelijk vast te houden (trits vasthouden-bergen-afvoeren). Mogelijkheden hiervoor zijn: <0000> Minder terrein verharden. <0000> Hergebruik van regenwater voor bijvoorbeeld toiletspoeling of wassen van voertuigen; <0000> Groene daken; <0000> Water opvangen in poelen, regentonnen e.d.; <0000> Waterdoorlatende verharding; Alle beetjes helpen; andere / innoverende ideeën zijn mogelijk. In het PWR is beleid vastgesteld waarmee van iedere ontwikkeling verlangd wordt dat ze hier invulling aan geeft door in een vastgestelde bergingsopgave voor het plangebied te voorzien. De bergingsopgave bedraagt 60 mm, oftewel 60 l/m² verharding van de nieuwe situatie. Hiermee draagt het plangebied bij aan het hydrologisch neutraal (her)ontwikkelen van Tilburg. Op basis van de aangenomen afvoerende oppervlakken van de toekomstige situatie (630 m²) is daarmee voor het plangebied de bergingsopgave vastgesteld op totaal ca. 38 m³. De opgave dient bij verdere uitwerking mogelijk te worden bijgesteld op basis van de werkelijke afvoerende verharde oppervlakken. De verharde oppervlakte kan verder worden gereduceerd door de toepassing van groene daken en doorgroeibare verhardingen en door tuinverhardingen in de tuin zelf te verwerken.

Oude Stad Noordwest 2016; 4e herziening (Tongerlose Hoefstraat 83)

31

Als invulling van de waterberging wordt de toepassing van bovengrondse waterbergende voorzieningen als groene-/waterbergende daken als kansrijk gezien, eventueel aangevuld met ondergrondse voorzieningen. De voorziening(en) worden voorzien van een overloop op de riolering. Deze overloop dient als een separate leiding te worden aangeboden. Het toepassen van uitlogende bouwmaterialen is uitgesloten om verontreiniging van bodem- en oppervlaktewater te voorkomen. Huishoudelijk afvalwater Het huishoudelijk afvalwater kan worden afgevoerd via de bestaande gemengde riolering in de Tongerlose Hoefstraat en/of IJskelderstraat. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het Waterbeheerprogramma schetst de visie en ambities van het waterschap voor de lange termijn (2050). Dit Waterbeheerprogramma is een echte koersverandering van het waterschap. De Dommel is op een andere manier gaan denken over omgaan met water. Dat is nodig om goed in te kunnen spelen op de veranderingen in ons klimaat en in onze omgeving. In 2050 wil De Dommel een leefomgeving die klaar is voor de toekomst en een watersysteem dat daarbij past. Dat laatste wil zeggen; een waterhuishouding die robuust, flexibel en in balans is met de natuur en de omgeving én zorgt voor een goede waterkwaliteit.

De droge zomers van 2018, 2019 en 2020, én de wateroverlast in 2021 tonen de urgentie aan en laten zien dat de omgang met water fundamenteel moét veranderen. Deze grote veranderopgave heet de watertransitie.” Het klimaat verandert, daardoor is het watersysteem van Midden-Brabant kwetsbaar geworden. Daarbij speelt mee dat het weer extremer wordt, de vraag naar ruimte toeneemt en er meer (grond)water wordt verbruikt. Bovendien is ons water, ondanks alle inspanningen, nog steeds niet schoon genoeg. Daarnaast zijn er ook andere uitdagingen in de leefomgeving. Denk aan natuurherstel, de energie- en landbouwtransitie en de woningbouwopgave. Het watersysteem speelt een cruciale rol in ál deze uitdagingen.

5.4 Watertoets De impact van deze ontwikkeling op het watersysteem is beperkt. De ontwikkeling valt daarom binnen het maatwerk dat de gemeente heeft vastgesteld in het PWR 2020-2023. Conform deze aanpak kan het watertoets-proces een verkort traject doorlopen. In dit verkorte traject geeft het waterschap geen voorlopig wateradvies, in plaats daarvan wordt het wateradvies pas verstrekt bij de terinzagelegging van het bestemmingsplan.

Oude Stad Noordwest 2016; 4e herziening (Tongerlose Hoefstraat 83)

32

Hoofdstuk 6 Opzet planregels 6.1 Inleiding De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het opstellen van bestemmingsplannen door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen.

6.2 Standaard plansystematiek 6.2.1 Bouwvlak en erf De Tilburgse plansystematiek (en dus ook dit plan) maakt onderscheid tussen het bouwvlak en het erf. Het bouwvlak komt in principe bij alle bestemmingen voor. Uitzondering zijn de bestemmingen binnen het openbaar gebied. Indien geen bouwvlak is aangegeven, bepalen de planregels soms dat het gehele bestemmingsvlak geacht wordt bouwvlak te zijn. Hoofdgebouwen moeten binnen het bouwvlak worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen er eveneens worden gebouwd, uiteraard slechts voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Soms mag het bouwvlak volledig worden volgebouwd, soms niet. Het eerste blijkt normaliter uit de planregels, het tweede wordt in de regel op de verbeelding weergegeven met een maatvoeringsaanduiding. In het erf mogen geen hoofdgebouwen worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn wel toegestaan, voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Het erf komt met name voor bij woningen en bebouwing langs de linten. Binnen het onbebouwd erf (perceel minus bouwvlak en minus erf) beperken de bouwmogelijkheden zich over het algemeen tot hetgeen vergunningvrij mag worden gebouwd en enkele bouwwerken, geen gebouwen zijnde (denk vooral aan erfafscheidingen).

6.2.2 Bouwdiepte De bouwdiepte is gerelateerd aan de dieptemaat van het betreffende bouwblok c.q. de bouwstrook. De Tilburgse standaardbouwdiepte bedraagt voor woningen 12 meter. In specifieke - bijvoorbeeld historisch zo gegroeide situaties - kan hiervan worden afgeweken. 6.2.3 Bouwhoogte De volgende gebiedstypen worden onderscheiden, waarbij het onderscheid wordt gevormd door een verschillende maximale bouwhoogte: a. 'Structuurvisie Linten in de Oude Stad', onderverdeeld in: 1. bedrijvige linten; 2. rustige linten; b. hoofdstructuur nieuwe gebieden; c. overige gebieden. Ingevolge de 'Structuurvisie Linten in de Oude Stad' is, zowel binnen 'bedrijvige linten' als 'rustige linten', de maximaal toelaatbare hoogte 11m. Langs de 'Hoofdstructuur nieuwe gebieden' (Korrel 2) is een bouwhoogte van maximaal 15m toelaatbaar, terwijl in de 'overige gebieden' maximaal 10m is toegestaan. Bij afwijkende woningtypes en bijzondere situaties wordt van deze hoogteregels afgeweken en ´op maat´ bestemd. Het plangebied ligt gedeeltelijk (2 woningen) langs de Tongelose Hoefstraat, zijnde een 'rustig lint' en gedeeltelijk (5 woningen) langs de IJskelderstraat, zijnde 'overige gebieden'. Op grond van de 'Structuurvisie Linten in de Oude Stad' is een bouwhoogte binnen de 'overige gebieden' toegestaan van 10 meter.

De toegestane bouwhoogte op het gedeelte van het perceel in de IJskelderstraat bedraagt conform het vigerende bestemmingsplan evenwel 11 meter. Volgens de concept bouwtekeningen bedraagt de bouwhoogte van de woningen 10,65 meter. Vanuit stedenbouwkundig/ruimtelijk oogpunt is een maximum bouwhoogte van 11 meter acceptabel: <0000> binnen het vigerende bestemmingsplan Oude stad Noordwest 2016 is reeds een bouwhoogte toegestaan van maximaal 11m; Oude Stad Noordwest 2016; 4e herziening (Tongerlose Hoefstraat 83)

33

<0000>

de hoogte van de woningen is een normale maat. Voorgeschreven verdiepingshoogtes en vloerdiktes leiden tegenwoordig tot hogere bebouwing. 11 m is voor een moderne woning van 2 lagen met kap een normale maat.

6.2.4 Goothoogte De toegelaten hoogte is in het algemeen gerelateerd aan de afstand tot de meest nabije gevels. In de meeste gevallen komt dit neer op een goothoogte die gelijk is aan de bouwhoogte. In de regels wordt de goothoogte dan ook meestal gelijk gesteld aan de bouwhoogte, tenzij op de verbeelding met een maatvoeringsaanduiding een andere goothoogte wordt weergegeven. Bij afwijkende woningtypes en in bijzondere situaties wordt van deze hoogteregels afgeweken en ´op maat´ bestemd. Voor de zeven woningen aan de Tongerlose Hoefstraat en de IJskelderstraat geldt een goothoogte van 6 meter. 6.2.5 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen Tenzij anders weergegeven is de volgende regeling van kracht voor woningen in stedelijk gebied: a. oppervlakte: 1. 20m2 indien erf kleiner is dan 50m2; 2. 40% van erf met maximum van 60m2 bij erf tussen de 50m2 en 500m2; 3. 80m2 bij erf tussen de 500m2 en 1000m2; 4. 100m2 bij erf vanaf 1000m2; b. bouwhoogte: 1. maximaal 3m bij plat dak; 2. bij schuin dak goothoogte maximaal 3m; 3. bouwhoogte maximaal 4,5m. Bij afwijkende woningtypes en in bijzondere situaties wordt van deze regels afgeweken en ´op maat´ bestemd. N.B: op grond van de (landelijke) wettelijke regels voor vergunningvrij bouwen, kan er vaak meer gerealiseerd worden dan de bovenstaande standaardregeling doet vermoeden.

Deze regeling maakt deel uit van de plansystematiek, omdat het Tilburgse 'erf' en het in het Besluit omgevingsrecht gedefinieerde 'achtererfgebied' niet noodzakelijkerwijs samenvallen.

6.3 Bestemmingen en aanduidingen In het bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen aanwezig: <0000> Wonen; <0000> Wonen - Lint; <0000> Verkeer- Verblijf. Binnen deze bestemmingen zijn de volgende aanduidingen gebruikt: <0000> erf.

6.4 Bouw- en gebruiksregels Bouwregels De bouwregels bevatten een uitgebreide regeling ten aanzien van het oprichten van gebouwen en overige bouwwerken in het plangebied (bouwvlak, erf, bouwhoogte, regeling bijgebouwen etc.). Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt in bouwregels voor (hoofd)gebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bouwwerken van algemeen nut. Algemene bouwregels Op grond van de algemene bouwregels dient bij een woning - gelet op de kwaliteit van de woonomgeving, zowel bezien vanuit de woning als vanuit de belendende percelen en de omgeving - een onbebouwd terrein aanwezig te zijn dat tenminste een strook grond omvat die over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de achtergevel en een diepte heeft van -gemeten vanaf het verst achterwaarts gelegen deel van het hoofdgebouw inclusief een eventuele aanbouw - tenminste 5m. Afwijken is mogelijk binnen de afwijkingsmogelijkheden van het bestemmingsplan. Voor een tweetal woningen aan de IJskelderstraat wordt niet voldaan aan bovenstaande diepte van 5m. Gemotiveerd kan vanuit stedenbouwkundig/ruimtelijk oogpunt op grond van de afwijkingsmogelijkheden medewerking worden verleend: <0000> de regeling is in eerste instantie bedoelt om er voor te zorgen dat een open ruimte bij een nieuwe woning aanwezig moet zijn.

Afwijken vanwege een gunstige andere indeling van het bouwperceel is mogelijk en ruimtelijk acceptabel. Door een slimme opzet van de bergingen, in de zijdelingse perceelsgrens in plaats

Oude Stad Noordwest 2016; 4e herziening (Tongerlose Hoefstraat 83)

34

<0000>

<0000>

<0000>

van achter in de tuin, wordt voldoende buitenruimte c.q. tuin voor de nieuwe bewoners gemaakt, mede gelet op de breedte van circa 6m van de woning; de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken worden niet onevenredig beperkt gelet op de grote en brede achtertuinen van de achtergelegen percelen; op de verdiepingen zijn geen woonvertrekken aan de achterzijde gesitueerd maar een slaapkamer en badkamer. De bovenverdieping wordt minder intensief gebruikt dan de huiskamer/keuken waarbij schending van privacy zeer beperkt is; op de verdiepingen zijn kleine raamopeningen gemaakt waarbij de raampartij van de badkamer is geblindeerd. Alleen het slaapkamerraam biedt de mogelijkheid tot uitzicht op het buurperceel.

Gebruiksregels Bij de meeste bestemmingen worden regels omtrent het gebruik van gronden en bouwwerken gegeven, al dan niet aangevuld met een aantal afwijkingsmogelijkheden, wisselend per bestemming.

Oude Stad Noordwest 2016; 4e herziening (Tongerlose Hoefstraat 83)

35

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid Artikel 3.1.6. van het Bro bepaalt dat in een vast te stellen bestemmingsplan een toelichting moet worden opgenomen, waarin (o.a.) de inzichten staan over de uitvoerbaarheid van het plan. Het onderhavige plan bevat een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De grondexploitatiewet (afdeling 6.4 van de Wro) is om die reden van toepassing en in beginsel is dus een exploitatieplan vereist. Gelet op het bepaalde in artikel 6.12 lid 2 van de Wro hoeft in casu echter geen exploitatieplan te worden opgesteld. Doordat met initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst is gesloten, is het verhaal van kosten die de gemeente moet maken 'anderszins verzekerd' door die overeenkomst. Met betrekking tot de gemeentelijke plan- en apparaatskosten ten behoeve van het opstellen van dit plan zijn door de initiatiefnemer leges betaald. Daarnaast is met de initiatiefnemer een overeenkomst inzake het verhaal van tegemoetkomingen in planschade gesloten. In deze overeenkomst is bepaald dat schade als gevolg van dit bestemmingsplan, die op grond van afdeling 6.1. Wro voor vergoeding in aanmerking komt, zal worden vergoed door de initiatiefnemer. Gelet op het voorgaande is het plan economisch uitvoerbaar.

Oude Stad Noordwest 2016; 4e herziening (Tongerlose Hoefstraat 83)

36

Hoofdstuk 8 Omgevingsdialoog en vooroverleg 8.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan Oude Stad Noordwest 2016, 4e herziening (Tongerlose Hoefstraat 83) op 4 juni 2021 gepubliceerd in het Gemeenteblad.

8.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro Aangezien met deze ontwikkeling geen provinciale en rijksbelangen zijn gemoeid is het concept-ontwerpbestemmingsplan niet ingebracht in het vooroverleg. Het waterschap reageert in de ontwerpfase, zie hiervoor de waterparagraaf.

8.3 Omgevingsdialoog De initiatiefnemer heeft ter uitvoering van het bepaalde in de Richtlijn Omgevingsdialoog een brief verspreid onder 40 adressen in de directe omgeving van het plangebied. In deze brief heeft de initiatiefnemer het plan toegelicht en gelegenheid geboden voor het stellen van vragen en het maken van opmerkingen. De initiatiefnemer stelt dat de informatieavond door zes buurtbewoners is bezocht. In Bijlage 5 Verslag omgevingsdialoog zijn de reacties zakelijk weergegeven en beantwoord. De reacties hadden hoofdzakelijk betrekking op de privacy, zonlicht, parkeren, afstand woning buren, bouwhoogte en afstand achtergevel tot erfgrens. Naar aanleiding van de omgevingsdialoog zijn de volgende aanpassingen gebracht aan het plan. Op de bovenverdieping is de badkamer naar de achterzijde verplaatst om de privacy te borgen. Daarnaast zijn reacties binnengekomen over de vermindering van de zon in de achtertuinen. Uit een zonnestudio is gebleken dat de invloed van het bouwplan op de hoeveelheid zon in de achtertuinen niet veel anders/nadeliger is dan de invloed van de bouwmogelijkheden die in het huidige bestemmingsplan wordt geboden. Voorts is aangegeven dat er onrust bestaat over de parkeergelegenheden.

Aan de hand van een parkeeronderzoek (bijlage 4) is aangetoond dat er voldoende parkeerplaatsen op eigen grond wordt gerealiseerd waardoor wordt voldaan aan de parkeernorm Daarnaast komt er een brandgang tussen de woning op de Tongerlose Hoefstraat 81a en de buren, zodat de woning van de buren een vrijstaande woning blijft. Volgens de intatiefnemer zijn de aanpassingen met de de buren besproken op 6 november 2021. In conclusie is de omgevingsdialoog zorgvuldig doorlopen.

8.4 Zienswijzen P.M.

Oude Stad Noordwest 2016; 4e herziening (Tongerlose Hoefstraat 83)

37

Bijlagen bij toelichting Bijlage 1 Risico-inventarisatie en verantwoording groepsrisico Risico-inventarisatie en verantwoording groepsrisico

Bijlage 2 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Tongerlose Hoefstraat 83 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Tongerlose Hoefstraat 83

Bijlage 3 advies EV Brandweer MWB Advies EV Brandweer MWB

Bijlage 4 Parkeeronderzoek Tongerlose Hoefstraat 83 e.o. Parkeeronderzoek Tongerlose Hoefstraat 83 e.o.

Bijlage 5 Verslag omgevingsdialoog Verslag Omgevingsdialoog

Bijlage 6 Zonnestudie Tongerlose Hoefstraat Zonnestudie Tongerlose Hoefstraat

Bijlagen bij toelichting Bijlage 1 Risico-inventarisatie en verantwoording groepsrisico Risico-inventarisatie en verantwoording groepsrisico

Inventarisatie van risicobronnen en verantwoording groepsrisico Bestemmingsplan Oude Stad Noordwest 2016, 4e herziening (Tongerlose Hoefstraat 83) 1. Inleiding Middels een bestemmingsplanherziening worden 7 grondgebonden woningen in twee lagen met kap aan de Tongerlose Hoefstraat en de IJskelderstraat gerealiseerd.

2. Wettelijk kader a. Algemeen Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's overwogen moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in de ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. b. Wettelijk kader De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures: 1. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 2004 (sindsdien enkele keren aangepast); 2. Besluit transportroutes externe veiligheid (Bevt) van 1 april 2015; 3. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van 1 januari 2011. De gemeente Tilburg heeft naast bovengenoemde wettelijke toetsingskaders ook een gemeentelijk toetsingskader vastgesteld, namelijk een beleidsvisie externe veiligheid getiteld: "Veilig en verantwoord ontwikkelen". Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan vier kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico, het groepsrisico, het plasbrandaandachtsgebied en de verantwoording. Een nadere toelichting voor deze begrippen zijn beschreven in de laatste paragraaf van dit document, onder het kopje begrippenkader. 3.

Inventarisatie risicobronnen Hieronder volgt de inventarisatie van de risicobronnen die in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn. Elke ontwikkeling die ligt binnen het invloedsgebied van een risicobron moet worden verantwoord. Per risicobron wordt beoordeeld of het plangebied binnen het invloedsgebied ligt en deze relevant is voor de verantwoording. Inrichtingen (bedrijven) De bestemmingsplanherziening maakt het planologisch niet mogelijk om risicovolle inrichtingen op te richten binnen het plangebied. In en rond het plangebied bevinden zich tevens geen risicovolle inrichtingen waarvan het invloedsgebied reikt tot het plangebied. Transport gevaarlijke stoffen Het invloedsgebied van de transportassen over de weg en het spoor met gevaarlijke stoffen verschilt per transportas. In onderstaande tabel is een overzicht van de wegen en sporen met de stofcategorie die zorgt voor het grootste invloedsgebied. Transportas Lokale transportroute Spoor Tilburg - Vught Rijksweg A65/N65 Spoor Tilburg - Boxtel Spoor Breda - Tilburg

Bepalende stof invloedsgebied Stof (code) Naam (typering van de stof) GF3 Brandbaar gas D4 Zeer toxische vloeistof LT2 Toxische vloeistoffen B2 Toxisch gas D4 Zeer toxische vloeistof

Invloedsgebied 355 m > 4.000 m 880 m 995 m > 4.000 m

Afstand tot plangebied > 3.300 m > 3.100 m > 4.300 m > 3.900 m > 740 m

Rijksweg A58

GT4

Vloeistof verdicht gas

> 4.000 m

> 3.430 m

Zoals uit bovenstaande tabel blijkt, ligt het invloedsgebied van de spoorlijn Breda – Tilburg, Tilburg – Vught en de A58 over het plangebied. Gezien de afstand tussen het plangebied en deze transportroute gevaarlijke stoffen wordt voldaan aan de grens- en richtwaarde ten aanzien van het plaatsgebonden risico. Een nadere beschouwing van het groepsrisico in relatie tot de voorgenomen ontwikkeling is niet nodig (afstand is groter dan 200 meter). Plasbrandaandachtsgebieden (PAG) Vanaf het moment dat het Bevt in werking is getreden moet voor bepaalde (spoor)wegen rekening worden gehouden met de zogenaamde plasbrandaandachtsgebieden. Het gaat hier om (spoor)wegen waarover veel transport van brandbare vloeistoffen plaatsvindt zoals benzine. Voor Tilburg is dit het spoor Breda-Tilburg, Tilburg – Vught en de A58. Het spoor vanaf de splitsing richting Vught en de A65 kent geen plasbrandaandachtsgebied. Het plasbrandaandachtsgebied is een gebied van 30 meter uit de rand van een rijstrook van een weg dan wel 30 meter van de buitenste spoorstaaf op het spoor. Binnen plasbrandaandachtsgebieden moeten de effecten van een plasbrand meegenomen worden in de verantwoording. Daarnaast gelden binnen het plasbrandaandachtsgebied aanvullende bouwvoorschriften voor nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten. Het spoor Tilburg – Vught kent geen PAG.

Hogedruk aardgasleidingen en K1,K2,K3-vloeistofleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen worden de veiligheidsaspecten geregeld van hogedruk buisleidingen. Er ligt geen invloedsgebied van een hogedruk aardgasleiding of K1,K2,K3-vloeistofleiding over het plangebied. Conclusies Het plangebied maakt geen ontwikkelingen mogelijk binnen de plaatsgebonden risicocontour van een Beviinrichting, transportas en/of hogedruk aardgasleiding. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Breda – Tilburg, Tilburg – Vught en de A58. Vanwege de ligging van het plangebied binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de groepsrisicoverantwoording ingevuld.

4. Beleidsvisie externe veiligheid In de beleidsvisie externe veiligheid wordt het gebied waarin het plangebied ligt aangemerkt als een luw gebied. Binnen een luw gebied gelden de volgende voorwaarden: Kwetsbare objecten zijn overal mogelijk; Geschikt voor bijzonder kwetsbare functies/objecten; Bestaande risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden mogelijk; Bevi-inrichtingen zijn niet mogelijk; Beheersbaarheid gericht op effecten van mogelijke calamiteiten op orde. Aan bovengenoemde randvoorwaarden uit de beleidsvisie wordt voldaan. De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijk externe veiligheidsbeleid.

5. Verantwoording groepsrisico Bestemmingsplan Oude Stad Noordwest 2016, 4e herziening (Tongerlose Hoefstraat 83) De gevolgen van het onderhavige bestemmingsplan voor het groepsrisico zijn bekend en vormen samen met de aanwezige mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een calamiteit en de mogelijkheden tot zelfredzaamheid van in de nabijheid aanwezige personen de basis voor de verantwoording groepsrisico. De brandweer Midden- en West-Brabant heeft aangegeven dat gebruik kan worden gemaakt van het standaardadvies. De relevante onderdelen uit het advies zijn verwerkt in de verantwoording. Bestrijdbaarheid De bestrijdbaarheid moet op twee aspecten worden beoordeeld: Is het rampscenario te bestrijden

-

Is de omgeving voldoende ingericht om bestrijding te faciliteren.

Gezien de afstand tussen het plangebied en de relevante transportroute (> 700 meter) is enkel het toxisch scenario relevant en nader beschouwd. Toxisch scenario Bij (zeer) toxische vloeistoffen is het scenario dat ten gevolge van een ongeval de tankwagon lek raakt en een vloeistofplas vormt. Vervolgens verdampen deze toxische vloeistoffen waardoor een gaswolk ontstaat (met dezelfde gevolgen als een gaswolk van toxisch gas). Bij een ongeval met een toxisch gas ontstaat direct een toxische gaswolk. Bij de toxische scenario's zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. De omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing van de gaswolk is mede afhankelijk van de weersgesteldheid op dat moment. Bronbestrijding is bij een toxische vloeistof mogelijk door de vloeistof af te dekken. Hierdoor wordt de verdamping verminderd. Voor toxische gassen kan alleen aan bronbestrijding worden gedaan indien het om een lekkage gaat. De brandweer kan dan proberen om het gat te dichten. Effectbestrijding is tevens mogelijk door de concentratie te verdunnen, bijvoorbeeld met behulp van een waterscherm. Dit is alleen mogelijk als de brandweer tijdig aanwezig is.

Bij het ineens vrijkomen van de gehele inhoud van de tank, zal deze effectbestrijding lastig te realiseren zijn. De mogelijkheden voor slachtofferreductie worden bepaald op basis van de mogelijkheden om de vergiftiging te behandelen. Slachtofferreductie is ook mogelijk door snelle ontruiming/evacuatie. Het niet of korter blootstellen aan een toxische stof zal het aantal slachtoffers verminderen. Opkomsttijd brandweer De aanrijtijd voor deze locatie is 6 minuten (binnen de zorgnorm voor nieuwbouwwoningen). Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om slachtoffers bij een incident te voorkomen. De mogelijkheid voor personen om zichzelf in veiligheid te brengen bestaan uit schuilen en ontvluchten. Binnen het plangebied zijn geen functies bedoeld voor groepen nietzelfredzame personen opgenomen. Vluchtmogelijkheden Het plangebied wordt via de bestaande wegenstructuur (Tongerlose Hoefstraat, IJskelderstraat) goed ontsloten, waardoor het gebied goed te ontvluchten is. Ventilatie Bij blootstelling aan een toxisch gas is ‘schuilen’ vaak de beste wijze van zelfredzaamheid. Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt ‘schuilen’ de beste wijze om de zelfredzaamheid te vergroten.

Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Conform het Bouwbesluit 2012 (artikel 3.31 – regelbaarheid) moet de mechanische ventilatie uitgeschakeld kunnen worden. Met name zich als een calamiteit met een gifwolk voor doet. Alarmering Van belang is dat bewoners in geval van een incident tijdig gewaarschuwd worden. Het plangebied ligt binnen het dekkingsgebied van een WAS-installatie (luchtalarm). Daarnaast is mobiele alarmering via NL-Alert mogelijk. Daarmee kunnen bewoners gealarmeerd worden en wordt het gewenste handelingsperspectief aangedragen in geval van een calamiteit. Risicocommunicatie Door actief te communiceren over risico’s zal de zelfredzaamheid namelijk worden vergroot. De brandweer Midden- en West-Brabant adviseert daarom ook om een communicatieplan op te stellen met deskundigen op dit gebied. In dit plan kan dan worden vastgelegd met wie, op welke wijze en met welke frequentie over de

risico’s wordt gecommuniceerd. Op dit moment vindt communicatie plaats via de Risicokaart, en de risicocommunicatie-campagne Denk Vooruit. Daarnaast vindt op verzoek gebiedsgerichte risicocommunicatie plaats. De aanwezige personen worden niet gezien als verminderd zelfredzaam.

6. Conclusies Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Breda – Tilburg, Tilburg – Vught en de A58. Personen in het plangebied worden aan een externe veiligheidsrisico blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen de genoemde invloedsgebieden is de verantwoordingsplicht ingevuld. Voor de verantwoording is het standaardadvies van de Brandweer Midden- en West-Brabant gebruikt. De relevante onderdelen uit het advies zijn verwerkt in de verantwoording. Uit het bovenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken: - De plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar van risicobronnen in de omgeving van het plangebied vormt geen belemmering voor het initiatief; Aangezien het plan op >700 meter van de relevante transportroute gevaarlijke stoffen ligt, neemt het groepsrisico van deze risicobron in de toekomstige situatie niet toe; De bereikbaarheid van het plangebied is goed; Goede communicatie kan een bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid van personen.

In Tilburg vindt communicatie plaats via de Risicokaart, en de risicocommunicatie-campagne Denk Vooruit; Het plangebied ligt in het dekkingsgebied van de WAS-installatie (Waarschuwings- en alarmeringssysteem) en NL-Alert biedt de mogelijkheid de bewoners tijdig te waarschuwen; De aanwezigen kunnen het plangebied goed ontvluchten; Bij een incident met een toxische wolk is binnen schuilen vaak de beste oplossing. Het bouwwerk dient voorzien te zijn van een afsluitbare mechanische ventilatie. Hiermee is langdurig verblijf inpandig bij een toxische wolk mogelijk; De brandweer voldoet aan de opkomsttijd conform het dekkings- en spreidingsplan. Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.

Begrippenkader Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Het PR kan worden weergegeven met zogeheten risicocontouren; lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6-contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10 -6-contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR kan niet op de kaart worden weergegeven, maar wordt weergegeven in een grafiek waarbij de kans (f) wordt afgezet tegen het aantal slachtoffers (N), de fN-curve. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt doorgaans begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij wettelijk anders geregeld), ofwel door de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12001983/1