06 Toelichting met bijlagen
Tekst van het document
Enschotsebaan-Zuid (woningbouw), 1e herziening (Kattedoorn en Schoolmeesterstraat)
19
De milieucategorie van de bedrijven binnen het plangebied is weergegeven op de verbeelding en/of genoemd in de bestemmingsregels. De richtafstanden van de meest nabij gelegen bedrijven liggen niet over de twee percelen van dit planvoornemen. Daarmee kan ervan uitgegaan worden dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Bedrijven en Milieuzonering vormt geen belemmering voor dit planvoornemen. 4.2.1 Geitenmoratorium In juni 2017 heeft de Provincie een geitenmoratorium (voor geitenhouderijen met meer dan 50 geiten) opgenomen in de Verordening ruimte. Dit betekent dat geitenhouderijen hun dierenverblijven niet mogen uitbreiden en er geen nieuwe geitenhouderijen mogen worden opgericht. Aanleiding hiervoor was het RIVM-onderzoek "Veehouderij en gezondheid Omwonenden- aanvullende studies" (VGO2). Uit dit onderzoek blijkt dat mensen die binnen 2 kilometer van een geitenhouderij wonen een verhoogde kans op longontsteking hebben. De oorzaak van dit verhoogde risico op longontsteking is niet bekend en wordt op dit moment in opdracht van het Rijk nader onderzocht door het RIVM. De provinciale verordening regelt alleen de situatie gezien vanuit de positie van geitenboeren (voor hen geldt namelijk dat verbod). Echter, bij het opstellen van ruimtelijke plannen (o.a. bestemmingsplannen) moet ook aan de zgn. omgekeerde werking worden getoetst. Hiervoor heeft het college op d.d.
14 mei 2019 de beleidslijn geitenmoratorium in ruimtelijke plannen vastgesteld. Dit houdt in dat: wooninitiatieven binnen stedelijk gebied (zgn. inbreidingslocaties) zonder meer worden toegestaan; kleine woningbouwinitiatieven buiten de bebouwde kom worden toegestaan met een maximum van 5 Ruimte voor Ruimte-woningen in ruil voor het inleveren van vergunde fosfaatrechten binnen de gemeentelijke grenzen; met initiatiefnemers worden afspraken gemaakt om potentiële bewoners van nieuwe woningen binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij te informeren over de gezondheidsrisico's; nieuwe initiatieven met de planologische bestemmingen kinderdagverblijf, verzorgingshuis, verpleeghuis en zorgwoning niet worden toegestaan binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij; de overige initiatieven waarvoor een ruimtelijke afweging nodig is en niet passen in bovenstaande criteria worden voorgelegd aan de GGD voor screening van de gezondheidsrisico's. Wanneer nieuwe onderzoeken tot andere inzichten over gezondheidsrisico's in relatie tot geitenhouderijen leiden zal een nieuw beleidsvoorstel worden gedaan. Doorwerking projectlocatie Binnen 2 kilometer van de planlocatie bevinden zich geen geitenhouderijen. Daarmee is het geitenmoratorium niet van toepassing.
4.3 Externe veiligheid 4.3.1 Inleiding Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures: <0000> Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 2004 (sindsdien enkele keren aangepast); <0000> Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van 1 april 2015; <0000> Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van 1 januari 2011. Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen". Gemeentelijke beleidsvisie externe veiligheid Met de beleidsvisie externe veiligheid met de titel “Veilig en verantwoord ontwikkelen’ zet de gemeente in op een duurzame en veilige ontwikkeling van de stad. Met de visie geeft Tilburg vanuit de invalshoek externe
Enschotsebaan-Zuid (woningbouw), 1e herziening (Kattedoorn en Schoolmeesterstraat)
20
veiligheid inrichting en uitwerking aan een verantwoord veilige, integrale invulling van ruimtelijke ontwikkelingen en vergunningverlening. In de visie is duidelijk gemaakt: <0000> waar eventuele ruimte bestaat voor nieuwe risicovolle bedrijvigheid en onder welke veiligheidsverhogende condities dat mogelijk is; <0000> waar in de stad geïnvesteerd moet worden in een beter niveau van preventie en bestrijding van rampen; • waar in de stad bestaande (woon)omgeving voldoet en waar de bestaande situatie kan worden verbeterd. De kernambitie van gemeente Tilburg is daarom: veilig en verantwoord ontwikkelen. Doorwerking projectlocatie In de gemeentelijke beleidsvisie wordt het plangebied aangemerkt als wettelijk- en luw (invloeds)gebied (figuur 5)
Een gedeelte van het plangebied ligt in een luw (woon)gebied. Voor deze gebieden geldt dat geen nieuwe risicovolle inrichting in of direct naast de woongebieden mogen komen. Een stedelijke verdichting binnen het invloedsgebied van 150 meter vanaf het ondergrondse reservoir en het LPG-vulpunt is niet gewenst. In en rondom het plangebied bevindt zich geen LPG vulpunt of ondergronds reservoir. Het plangebied valt binnen het wettelijk invloedsgebied van het treinspoor. Hier wordt later in het hoofdstuk aandacht aan besteed. Om in kaart te brengen welke mogelijke relevante risicobronnen aanwezig zijn in en rondom het plangebied voor de gehele woningbouwontwikkeling, is een QuickScan externe veiligheid opgesteld (bijlage 4). Navolgend zijn de conclusies van dit onderzoek weergegeven. Transport over het water Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van een waterweg. De risico’s als gevolg van de transporten met gevaarlijke stoffen over water vormen geen aandachtspunt voor de planlocatie. Een verantwoordingsplicht is derhalve niet aan de orde. Transport over de weg Het plangebied is niet gelegen binnen een PR 10-6-risicocontour of een plasbrandaandachtsgebied van een nabijgelegen weg waarover structureel gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Wel bevindt het plangebied zich binnen een afstand van minder dan 200 meter van de N261.
Op basis van de vuistregels uit de HART is geconcludeerd dat de 10% van de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden en de invloed van het plan op de hoogte van het groepsrisico derhalve niet kwantitatief inzichtelijk hoeft te worden gemaakt. Wel geldt voor deze weg een verantwoording van het groepsrisico. Ook bevindt het plangebied zich binnen in het invloedsgebied van de A65 en A58, waardoor de risico’s als gevolg van de transporten over deze weg moeten worden meegenomen in een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Transport over het spoor Enschotsebaan-Zuid (woningbouw), 1e herziening (Kattedoorn en Schoolmeesterstraat)
21
Het plangebied is niet gelegen binnen een PR 10-6-risicocontour of een plasbrandaandachtsgebied van een nabijgelegen spoorweg waarover structureel gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Wel bevindt het plan zich binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Tilburg aansl. – Vught, waardoor de risico’s als gevolg van de transporten over deze spoorlijn moeten worden meegenomen in een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Op een afstand van circa 400 meter westelijk van het plangebied is de spoorlijn Tilburg aansl. – Boxtel gelegen. Ook deze spoorlijn is opgenomen in he Basisnet spoor. Gezien de ruimtelijke scheiding vormt het plaatsgebonden risico en het PAG van dit spoor geen aandachtspunten voor de planvorming en is het niet noodzakelijk de hoogte van het groepsrisico kwantitatief inzichtelijk te maken. Buisleidingen Het plangebied bevindt zich niet binnen de 1%-letaliteitsafstand van buisleidingen. Ten aanzien van de K1-leiding die in de nabijheid van het plangebied ligt, is geconcludeerd dat gezien de personendichtheid er geen sprake is van een groepsrisico. De risico’s als gevolg van de transporten met gevaarlijke stoffen door buisleidingen vormen derhalve geen aandachtspunt voor de planlocatie. Een verantwoordingsplicht is derhalve niet aan de orde. Naast de buisleidingen zijn ook hoogspanningsleidingen van belang.
In het (rijks)beleid rond hoogspanningsleidingen spelen twee zones een rol; de indicatieve zone en de belemmeringenstrook. Op grond van het voorzorgbeginsel, heeft het ministerie van VROM met een brief d.d. 3 oktober 2005 gemeenten, provincies en netbeheerders geadviseerd om nieuwe situaties waarbij kinderen worden blootgesteld aan magneetveld hoger dan 0,4 micro Tesla (jaargemiddelde) zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden. Het gaat hierbij om woningen, scholen, crèches en kinderopvangplaatsen. ‘Zoveel als redelijkerwijs mogelijk’ houdt in dat er een zorgvuldige afweging moet plaatsvinden. De voor- en nadelen en de specifieke lokale omstandigheden kunnen ertoe leiden dat er besloten wordt om dergelijke functies toch binnen de zone toe te staan. Gemeenten, provincies en het rijk moeten hierbij hun eigen verantwoordelijkheid nemen bij het maken van keuzes. Een magneetveldzone is een zone waarbinnen geen woningen, scholen, kinderopvang en crèches gewenst zijn. Het plangebied valt binnen de veiligheidszone van enkele belangrijke technische infrastructurele voorzieningen met ruimtelijke relevantie (bijvoorbeeld in verband met in acht te nemen belemmeringenstroken of veiligheidszones). Het gaat hierbij om: <0000> Bovengrondse 150 kV hoogspanningsverbinding van TenneT: De hoogspanningsmasten hebben veel invloed op de indeling van het gebied.
Binnen de veiligheidszone is het niet toegestaan om woningen te realiseren. Deze hoogspanningsverbinding wordt vervangen door een ondergrondse verbinding. Dit nieuwe tracé loopt niet over het plangebied, en dus is het mogelijk om woningen te realiseren binnen dit gebied. De voorgaande bestemming van deze zone was ‘Groen’. <0000> Ondergrondse 10 kV middenspanning van ProRail: ten westen van de planlocaties ligt een ondergrondse 10 kV leiding van ProRail.
Enschotsebaan-Zuid (woningbouw), 1e herziening (Kattedoorn en Schoolmeesterstraat)
22
Een aandachtspunt is de 150 kV hoogspanningsleiding die door het plangebied loopt. Deze heeft een 2x 17,5 meter brede belemmeringsstrook. Tevens heeft de hoogspanningsleiding een indicatieve zone, zoals deze voor de 150 kV is berekend. Uit onderzoek Herberekening specifieke magneetveldzone t.h.v. Enschotsebaan, Kapstol 15130, januari 2016 (bijlage 5) blijkt dat tussen specifieke vak segmenten 109 en 110 een afstand van 2 X 45 meter in dit geval aangehouden kan worden. Dit is de zogenaamde indicatieve zone. Er kan daarom afgeweken worden van de ‘gebruikelijke’ 2 X 80 meter. Dit onderzoek geeft tevens weer dat er voor vak segmenten 110 en 111 een afstand van 2 X 40 meter aangehouden kan worden. De woonbestemmingen in dit bestemmingsplan worden gerealiseerd zodra de bovengrondse hoogspanningsleiding verwijderd is en de ondergrondse leiding in gebruik is genomen. Er is dan geen sprake van een belemmering. Belemmeringenstrook/zakelijke rechtstrook Daarnaast is er de belemmeringenstrook of wel de zakelijke rechtstrook. Binnen deze zone is in principe geen bebouwing (of werkzaamheden) toegestaan en is altijd schriftelijke toestemming van de netbeheerder noodzakelijk. Deze zone is kleiner dan de indicatieve zone en is opgenomen om onder meer het onderhoud aan leidingen te kunnen plegen.
De verbinding en masten dienen te allen tijde bereikbaar te zijn en blijven vanaf de openbare weg met groot materieel. Bij een belemmeringenstrook (2 X 17,5 meter) waarbinnen geen bebouwing is toegestaan zonder schriftelijke toestemming van de leidingbeheerder. Ook bij het realiseren van een openbaar verblijf dient terughoudend te worden omgegaan door de aanwezigheid van de hoogspanningsleiding. Ook zijn er restricties op het gebruik van bomen met betrekking tot de hoogspanningsleiding. In het ruimtelijk ontwerp voor het gehele gebied Enschotsebaan Zuid is rekening gehouden met deze beschermingszone, door geen woningen binnen deze zone te plannen. Inrichtingen Het plangebied bevindt zich niet binnen een PR 10-6-risicocontour of een invloedsgebied van een risicovolle inrichting in de omgeving. De risico's als gevolg van de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen vormen geen aandachtspunt voor de planlocatie. Een verantwoordingsplicht is derhalve niet aan de orde.
Enschotsebaan-Zuid (woningbouw), 1e herziening (Kattedoorn en Schoolmeesterstraat)
23
4.3.2 Verantwoordingsplicht Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron. Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is in een besluit vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald. De transporten over de weg (N261, A65 en A58) en de spoorlijn Tilburg – aansluiting Vught dienen in het kader van het groepsrisico verantwoord te worden. Windmill Milieu en Management heeft in 2018 een inventarisatie en verantwoording uitgevoerd naar de ontwikkeling aan de Enschotsebaan-Zuid te Berkel-Enschot (bijlage 6) 4.3.3 Conclusie en restrisico Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de A65, A58 en het treinspoor Tilburg – ‘s-Hertogenbosch. Personen in het plangebied worden aan externe veiligheidsrisico’s blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld (zie de eerdergenoemde bijlage risico-inventarisatie en verantwoording groepsrisico). De brandweer Midden- en West Brabant heeft 8 maart 2018 advies uitgebracht, de relevante onderdelen uit het advies zijn verwerkt in de verantwoording.
Uit het bovenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken: <0000> Beheersbaarheid: de brandweer moet in staat zijn om haar taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. <0000> Zorgnorm: de brandweerzorgnorm is een aanbevolen opkomsttijd die afhankelijk is van het soort object en de risico’s voor de aanwezige personen. <0000> Bestrijdbaarheid per scenario: ten aanzien van de bereikbarheid is bij een toxisch scenario met name de bereikbaarheid van de risicobron maatgevend. De inrichting van het plangebied heeft geen invloed op de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen ter plaatse van de risicobron. <0000> Mobiliteit van de aanwezigen: Binnen het plangebied worden geen functies specifiek voor minder zelfredzame personen gerealiseerd. <0000> Mogelijkheden voor ontvluchting/schuilen: Bij incidenten zal een afweging gemaakt moeten worden tussen schuilen of vluchten. <0000> Risicocommunicatie: In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid kan worden verbeterd door maatregelen zoals een waarschuwings- en alarmeringssysteem en risicocommunicatie. <0000> Ventilatie: Woningen dienen voorzien te worden vanuit afsluitbare mechanische ventilatie (artikel 3.31 regelbaarheid, Bouwbesluit) Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico’s en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.
4.4 Vuurwerk Binnen het bestemmingsplan zijn geen bestaande verkooppunten en opslagen van consumentenvuurwerk en opslagen van professioneel vuurwerk aanwezig. Burgemeester en wethouders kunnen voor nieuw te vestigen verkoopruimten en opslagen van consumentenvuurwerk en ten behoeve van het uitbreiden, verbouwen en/of verplaatsen van bestaande (buffer)bewaarplaatsen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bestemmingsplan. Bij nieuwvestiging van vuurwerkverkooppunten en/of opslag van consumentenvuurwerk wordt te allen tijde als voorwaarde opgenomen dat de veiligheidscontour zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit op het eigen perceel gesitueerd dient te zijn tenzij de veiligheidscontour zich uitstrekt over openbaar gebied en hierbij geen sprake is van kwetsbare en/of geprojecteerde kwetsbare objecten. Op basis van de veiligheidsafstanden in het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Staatsblad 33 (2002), houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk) is het niet mogelijk om professioneel vuurwerk op te slaan (en te bewerken) in Tilburg. Er wordt daarom geen medewerking verleend aan nieuwvestiging van vuurwerkbedrijven van professioneel vuurwerk. Deze zijn dan ook niet voorzien in het plan.
4.5 Geluid Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (hierna Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden.
Enschotsebaan-Zuid (woningbouw), 1e herziening (Kattedoorn en Schoolmeesterstraat)
24
4.5.1 Wegverkeerlawaai De nieuwe woningen worden gerealiseerd binnen zones van wegen zoals bedoeld in hoofdstuk VI van de Wgh ("zones langs wegen") respectievelijk hoofdstuk 11 van de Wet milieubeheer: <0000> Burgemeester Bechtweg. Ingevolge de Wgh geldt voor nieuwe woningen een voorkeurgrenswaarde van 48 dB. Voor de oprichting van de nieuwe woningen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (“Enschotsebaan in Berkel Enschot”, Akoestisch onderzoek Wijzigingsbevoegdheden, d.d. 24 oktober 2022, kenmerk NOT221915-25-01, Buro DB.) en heeft een toetsing aan de normen uit de Wgh plaatsgevonden (bijlage 7) De voorkeurgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden. Voor het perceel aan de Schoolmeesterstraat wordt de voorkeursgrenswaarde overschreden. De maximaal berekende geluidbelasting bedraagt hier 50 dB. Voor dit perceel dient een HW besluit genomen te worden. Het ontwerpbesluit Hogere waarden is als bijlage toegevoegd aan het bestemmingsplan (bijlage 8). Gezien de beperkte overschrijding gelden er geen aanvullende voorwaarden conform het gemeentelijk HW beleid. Voor het perceel aan de Kattedoorn wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschreden. 30 km/uur wegen In het kader van goede ruimtelijke ordening is tevens de geluidbelasting als gevolg van de aanwezige 30 km/uur wegen ook in beeld gebracht.
De maximale geluidbelasting hiervan bedraagt, op het perceel aan de Schoolmeesterstraat, 56 dB. Voor het perceel aan de Kattedoorn bedraagt de maximale geluidbelasting 58 dB. Omdat er is gerekend op de perceelsgrenzen, en de woningen niet direct op de perceelsgrens gebouwd mogen worden, zal de werkelijke geluidbelasting lager zijn. Ten gevolge van het geluid van de 30 km/uur-wegen wordt geadviseerd bij het perceel aan de Schoolmeesterstraat aan de zuidoostzijde van het perceel een afstand wegas-gevel van ten minste 9 meter in acht te nemen. Daarmee wordt voldaan aan een geluidniveau voor een akoestisch acceptabel woon- en leefklimaat. Ten gevolge van het geluid van de 30 km/uur-wegen wordt geadviseerd bij het perceel aan de Kattedoorn aan de noordwest van het perceel een afstand wegas-gevel van ten minste 12 meter in acht te nemen. Daarmee wordt voldaan aan de grenswaarde van een akoestisch acceptabel woon- en leefklimaat. Daarmee is er sprake van een goede ruimtelijke ordening. 4.5.2 Railverkeerlawaai De nieuwe woningen liggen niet binnen het "aandachtsgebied" van een spoortraject. De normen uit hoofdstuk VII ("zones langs spoorwegen") van de Wet geluidhinder zijn hierdoor niet van toepassing. Railverkeerslawaai vormt geen belemmering voor dit planvoornemen.
4.5.3 Industrielawaai In het plangebied is de vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder Onderdeel D van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing. De nieuwe woningen zijn niet gelegen binnen een wettelijke geluidzone van een industrieterrein of een geluidzone van een industrieterrein waarvoor een geluidbeheerplan is vastgesteld. Industrielawaai vormt geen belemmering voor de nieuwbouw. 4.5.4 Luchtvaartlawaai Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze-Rijen gelden in delen van Tilburg geluidzones (de zogenaamde Ke-zones). Deze zones liggen niet over het plangebied. Luchtvaartlawaai vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. 4.5.5 Trillingen Het plangebied ligt buiten het “aandachtsgebied” van 100 meter gezien vanaf het spoor. Dit betekent dat trillinghinder redelijkerwijs gezien iet te verwachten is en onderzoek hiernaar niet noodzakelijk is. 4.5.6 Stiltegebied/Attentiezone Het plangebied is niet gelegen binnen een stiltegebied of binnen de attentiezone van een stiltegebied.
4.6 Luchtkwaliteit Enschotsebaan-Zuid (woningbouw), 1e herziening (Kattedoorn en Schoolmeesterstraat)
25
Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. Doorwerking projectlocatie De bestemmingen in het plangebied zijn getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen uit hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Het plan voorziet in de realisatie van 9 woningen. Hierdoor kan het plan worden gekenmerkt als een "niet in betekenende mate"-project, zoals bedoeld in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). Er zijn geen luchtgevoelige bestemmingen, zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Vanuit de Wet milieubeheer bestaat dan ook geen bezwaar tegen dit plan.
4.7 Geur 4.7.1 Industriële geurhinder Het beleid voor industriële geurhinder (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Kort samengevat komt het erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen; de toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden. Er wordt in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij ´het voorkómen van nieuwe geurhinder´ voor de ruimtelijke ordening het belangrijkst is. Binnen de gemeente Tilburg worden deze algemene uitgangspunten gehanteerd. Voor een aantal categorieën bedrijven is dit algemene geurbeleid geconcretiseerd in de Nederlandse emissie Richtlijn lucht (NeR). Voor zover een 'dosis-effectrelatie' (de relatie tussen de geuremissie bij het bedrijf en de hinder voor omwonenden) voor een bedrijfscategorie is vastgesteld, zijn voor die bedrijven 'normen' vastgesteld waarbij hinder kan worden verwacht. Voor de overige categorieën bedrijven zal dit moeten worden vastgesteld door specifiek geuronderzoek. Aangezien de NeR een formele richtlijn is, en bovendien een concrete vertaling vormt van het algemene beleidskader, dient hier bij ruimtelijke plannen te worden aangesloten.
Voor enkele bedrijfscategorieën is behalve een grenswaarde voor nieuwe situaties ook een maximale geurimmissieconcentratie vastgesteld voor bestaande situaties. Doorwerking projectlocatie In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen bedrijven met een significante industriële geuremissie. Industriële geur vormt daarmee geen belemmering voor dit planvoornemen. 4.7.2 Agrarische geurhinder Op bedrijven die tot de agrarische sector behoren is ten aanzien van het geurbeleid de Wet geurhinder en veehouderij (5 oktober 2006) en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij van toepassing. Deze regelgeving geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst aan de hand van een verspreidingsmodel (V- Stacks model). Dit geldt voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De wet geeft de mogelijkheid om op lokaal niveau gemotiveerd af te wijken van de wettelijke norm met een verordening. De gemeente Tilburg heeft vooralsnog geen verordening met afwijkende normen vastgesteld. Doorwerking projectlocatie In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen bedrijven met een significante agrarische geuremissie.
Agrarische geur vormt daarmee geen belemmering voor dit planvoornemen.
4.8 Bodem In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke Enschotsebaan-Zuid (woningbouw), 1e herziening (Kattedoorn en Schoolmeesterstraat)
26
ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingssituaties op basis van een uitvoerig bodemonderzoek. In beginsel dient een bestemmingsplan(-wijziging) minimaal vergezeld te worden van een verkennend bodemonderzoek, conform de NEN 5740, dat niet ouder is dan 5 jaar. Bodembeleid gemeente Tilburg: in goede aarde In deze nota valt te lezen hoe de gemeente Tilburg te werk gaat bij bodemsanering in Tilburg. De nota is opgebouwd uit vier delen, respectievelijk de hoofdlijnen van het beleid, het gemeentelijk beleid verder uitgewerkt, het maatregelenprogramma en het meerjarenprogramma bodemsanering. Bodembeheerplan (Bodemkwaliteitskaart) Op basis van reeds uitgevoerde bodemonderzoeken op onverdachte terreinen is de Tilburgse bodemkwaliteitskaart vastgesteld. In de Tilburgse bodemkwaliteitskaart worden bodemkwaliteitszones onderscheiden. Per bodemkwaliteitszone is de gemiddelde bodemkwaliteit vastgesteld. Het plangebied is gelegen in de bodemkwaliteitszone 'Wonen' (Toepassingskaart/Bodemfunctieklassenkaart). Ten aanzien van voornoemde zone mag de bodemkwaliteit niet verslechteren d.w.z., er mag in principe geen grond worden toegepast van een slechtere kwaliteit.
Grond uit deze zone kan worden toegepast in worden in de eigen zone of een zone met dezelfde kwaliteit ('Wonen') en in de zone 'Industrie'. Doorwerking plangebied Voor het gehele plangebied Enschotsebaan Zuid is een verkennend bodemonderzoek gedaan door SGS Search BV (bijlage 9). Door middel van het uitgevoerde onderzoek is inzicht verkregen in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. Specifiek voor het plangebied gelden de volgende resultaten: De bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met organische chloorbestanddelen (DDD’s en drins). De ondergrond blijkt niet verontreinigd te zijn. In het grondwater zijn in alle peilbuizen licht verhoogde haltes aan xylenen gemeten. Plaatselijk zijn licht verhoogde gehalten aan nikkel, zink, barium, en naftaleen gemeten in het grondwater. De grond is licht verontreinigd met OCB’s. De verontreiniging met OCB’s in de bovengrond is waarschijnlijk te relateren aan de agrarische bedrijfsactiviteiten. De resultaten van de asbestanalyse tonen aan dat de gewogen asbestconcentratie in de grond indicatief niet hoger is dan de detectiegrens. Conclusie Op basis van de uitkomsten van het onderzoek hoeven er vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien geen beperkingen te worden gesteld aan het huidig c.q. toekomstig gebruik van de locatie.
Uit de resultaten van de toetsing aan de eisen uit het Besluit bodemkwaliteit blijkt dat de bodem op de locatie voldoet aan de achtergrondwaarde De resultaten uit het bodemonderzoek vormen geen belemmering voor de beoogde bestemmingsplanwijziging. Bij toekomstige aanvragen om bouwvergunning kan het betreffende onderzoek worden gebruikt, mits de maximale geldigheidstermijn van 5 jaar voor het onderzoek dan nog niet is overschreden.
4.9 Natuur en ecologie 4.9.1 Wettelijke kaders De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven. Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn
Enschotsebaan-Zuid (woningbouw), 1e herziening (Kattedoorn en Schoolmeesterstraat)
27
vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend. Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën: <0000> Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats (deze soorten zijn benoemd in het document "Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep", Dienst Regelingen, 2009.
Hierin worden 4 categorieën vogels genoemd waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn, en een categorie 5 waarvan de nesten onder bepaalde voorwaarden jaarrond beschermd zijn) <0000> Overige inheemse broedvogels <0000> Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn <0000> Nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling (de algemene vrijstellingen zijn door iedere provincie in verordeningen vastgelegd. In Noord-Brabant zijn de vrijgestelde soorten benoemd in de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant) <0000> Nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling. Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen.
Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode. Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rusten voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode. Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Interim Omgevingsverordening provincie Noord-Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones.
Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw. 4.9.2 Puntensysteem natuurinclusief bouwen Enschotsebaan-Zuid (woningbouw), 1e herziening (Kattedoorn en Schoolmeesterstraat)
28
Verstedelijking zorgt wereldwijd voor een uitbreiding en een verdichting van het stedelijke gebied. In veel steden leidt dit tot een verlies aan biodiversiteit. Ook de opgave voor de energietransitie kan een bedreiging voor de natuur vormen. Natuur- en groeninclusief bouwen helpt om de stad prettig en de inwoners gezond te houden. Om het creëren van groene elementen in de stad te stimuleren is het puntensysteem ontwikkeld. Het systeem gaat uit van een lijst met groen- en natuurinclusieve maatregelen, waarbij elke maatregel een bepaald aantal punten waard is. Om te bepalen hoeveel van deze maatregelen genomen moeten worden bij de uitvoering van een bouwproject moet per project een te behalen puntenscore berekend worden. 4.9.3 Gebiedsontheffing gebouwbewonende soorten Met de Tilburgse gebiedsontheffing gebouwbewonende vleermuizen en broedvogels worden de procedures in het kader van de Wet natuurbescherming en de Wabo vereenvoudigd. Om de gebiedsontheffing te kunnen toepassen zijn soortenmanagementplannen (SMP) opgesteld en worden de verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten in kaart gebracht. De gebiedsontheffing en bijbehorende SMP’s zijn erop gericht de instandhouding van gebouwbewonende vleermuizen en vogels te waarborgen.
Dat wil zeggen dat bij elk project (zowel van derden als van de gemeente) preventieve maatregelen worden genomen, gericht op het behouden en verbeteren van het aanbod van verblijfplaatsen. Alle projecten (van de gemeente en van derden) die onder de werking van de SMP vallen, kunnen profiteren van de gebiedsontheffing. Dit betekent dat voor deze projecten geen afzonderlijke ontheffing nodig is. 4.9.4 Analyse plangebied Natura 2000-gebieden Op enige afstand van het plangebied liggen twee Natura 2000-gebieden, het betreft de de Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen (op ca. 4 km afstand ten noorden van het plangebied) en Kampina & Oisterwijkse Vennen (ca. 2 km ten zuiden van het plangebied). De gebieden behoren tot de hogere zandgronden en hebben habitats zoals stuifzandgronden, naaldbos, eikenbos, en zure en zwakgebufferde vennen en loof- en naaldbossen. Door de afstand van 2 respectievelijk 4 km tussen het plangebied en de Natura 2000-gebieden is het initiatief ver genoeg verwijderd om directe effecten op Habitatrichtlijn- en Vogelrichtlijnsoorten te kunnen veroorzaken door geluid, licht en trilling. De verstoring van vogels vindt pas plaats binnen ongeveer 200 meter. Heiwerkzaamheden die naast geluid ook trillingen veroorzaken hebben doorgaans een iets grotere verstoringsgevoelige afstand tot 1 km.
De hoeveelheid extra licht door de ontwikkelingen op de het plangebied is nihil om effecten te veroorzaken op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Door de afstand van 2 á 3 km tussen de onderzoekslocatie en de Natura 2000-gebieden is het initiatief tevens ver genoeg verwijderd om directe effecten op habitattypen, Habitatrichtlijn- en Vogelrichtlijnsoorten te veroorzaken door optische verstoring of verstoring door mechanische effecten. Wel kan er mogelijk sprake zijn van verzuring en vermesting door stikstofdepositie uit de lucht. Om dit in beeld te brengen is voor plangebied Enschotsebaan Zuid een berekening gemaakt van de mogelijke stikstofdepositie (zowel bouw- als gebruiksfase) en eventuele effecten op nabijgelegen Natura 2000-gebieden (bijlage 10 en bijlage 11). Uit dit onderzoek is gebleken dat er geen sprake is van significante negatieve effecten op nabijgelegen Natura 200-gebieden., welke is toegevoegd bij het bestemmingsplan Enschotsebaan-Zuid (woningbouw); omdat voor het totale plangebied Enschotsebaan-Zuid geen relevante deposities zijn berekend, geldt dit ook voor onderhavig bestemmingsplan. Natuurnetwerk Nederland (NNN) De ontwikkeling vindt niet plaats in het NNN. Daarnaast zijn negatieve effecten op wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN ten gevolge van externe werking uitsloten. Aantasting van het NNN is uitgesloten.
Nadere toetsing wordt niet noodzakelijk geacht. Bescherming van houtopstanden Voor het bouwrijp maken en het realiseren van negen woningen op braakliggend terrein worden geen bomen gekapt. De bescherming houtopstanden uit de Wet natuurbescherming hierbij niet van toepassing. Soortenbescherming Uit de QuickScan van EcoAssist, waarin het plangebied is onderzocht, zijn de volgende resultaten naar voren gekomen (bijlage 12).
Enschotsebaan-Zuid (woningbouw), 1e herziening (Kattedoorn en Schoolmeesterstraat)
29
Vogels In de bomen binnen het plangebied en de verstoringszone van de werkzaamheden (75 m) zijn geen horsten van roofvogels of uilen aangetroffen. Ook zijn er geen nesten van ooievaars, roeken in de bomen aangetroffen. Binnen het plangebied zijn geen gebouwen aanwezig met pannendaken of andere ruimtes welke geschikt zijn als broedplaats voor broedvogels met jaarrond beschermde nesten uit categorie 1 t/m 4, zoals huismus en gierzwaluw. De aanwezigheid van nesten van broedvogels met jaarrond beschermde nesten uit deze categorie 1 t/m 4 zijn redelijkerwijs uitgesloten in het plangebied. Huismussen, gierzwaluwen en roeken kunnen gebruik maken het plangebied om te foerageren. Ten tijde van het veldbezoek waren er algemene ruigtekruiden aanwezig die vermoedelijk opgekomen zijn na de sloop van de loods/bedrijfshal welke er voorheen stond. Het gehele omliggende stuk lag nu braak en bestond uit vergelijkbare ruigtevegetatie. Daarvan beslaat het plangebied slechts een klein percentage, maximaal 20%. Daarnaast is er nog volop blijvend groen aanwezig in de tuinen rondom het plangebied in de vorm van hagen en bomen maar ook tuinplanten en onkruiden. Dit in combinatie dat er van de genoemde soorten geen enkel dier foeragerend werd waargenomen bij het veldbezoek maakt dat het plangebied geen essentieel foerageergebied betreft.
In het plangebied is er ook geen sprake van functioneel leefgebied van de huismus, gierzwaluw of roek aanwezig binnen het plangebied. Geschikte broedplekken voor de grote gele kwikstaart, welke vaak onder bruggen, in nissen of tussen boomwortels op oevers broedt van stromende beken of kanalen, zijn niet aanwezig binnen het plangebied of binnen de verstoringszone van de werkzaamheden. De aanwezigheid van essentiële functies van het plangebied voor broedvogels met jaarrond beschermde nesten zijn binnen het plangebied dan ook redelijkerwijs uitgesloten. Naast jaarrond beschermde nesten uit categorie 1 t/m 4 hanteert provincie Noord-Brabant een lijst met vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten behorend tot categorie 5. Dat zijn broedvogels welke vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Van de vogels met jaarrond beschermde nesten categorie 5 kunnen worden verwacht: ekster, koolmees, pimpelmees en spreeuw. Tijdens het veldbezoek werden geen nesten van deze soorten aangetroffen in het plangebied. Verder kunnen binnen het plangebied zangvogels aanwezig zijn die in stedelijk gebied broeden, zoals houtduif en merel. Vleermuizen Binnen het plangebied wordt mogelijk gefoerageerd door vleermuizen.
De aanwezigheid van essentieel foerageergebied is op basis van de beperkte omvang van het plangebied uitgesloten. Verblijfplaatsen en vaste vliegroutes zijn binnen het plangebied en binnen de verstoringszone van de werkzaamheden op basis van de QuickScan uitgesloten. Huismussen, gierzwaluwen en roeken kunnen gebruik maken het plangebied om te foerageren. Door het ontbreken van bijzonder waardevol foerageergebied voor deze soorten in het plangebied is er ook geen sprake van functioneel leefgebied van de huismus, gierzwaluw of roek aanwezig binnen het plangebied. Tijdens het veldbezoek zijn deze soorten dan ook niet waargenomen in het plangebied. Deze ontwikkeling leidt niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming met betrekking tot vleermuizen. Overige soorten Overige beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen zijn in het plangebied niet te verwachten. De ontwikkeling in het plangebied leidt niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming voor deze soorten. Conclusie Op grond van de mogelijke effecten die kunnen optreden ten gevolge van de ontwikkeling in het plangebied blijkt dat deze niet door de Wet natuurbescherming wordt verhinderd. Tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden dient in alle gevallen rekening gehouden te worden met het broedseizoen en de algemene zorgplicht.
Enschotsebaan-Zuid (woningbouw), 1e herziening (Kattedoorn en Schoolmeesterstraat)
30
Hoofdstuk 5 Wateraspecten 5.1 Beleidskader Onderliggend Programma Water en Riolering (hierna te noemen: PWR) laat zien dat we als gemeente Tilburg terug- en vooruitkijken en verder bouwen aan een robuust en flexibel systeem. Het PWR, in de vorige planperiode bekend als het gemeentelijk rioleringsplan (GRP) is een goed planinstrument om mee te kunne bewegen met de trends en ontwikkelingen binnen dit vakgebied. Zo is er bijvoorbeeld sprake van meer extreme neerslag door klimaatverandering, een veranderende verhouding tussen overheid en bewoners en verandering in wetgeving. Om mee te kunnen bewegen met de ontwikkelingen om ons heen is het wenselijk om het GRP periodiek te actualiseren. In 2015 is het GRP 2016-2019 vastgesteld door de gemeenteraad van gemeente Tilburg. De looptijd van dit GRP is aan het eind van 2019 ten einde. Daarom is voor de periode 2020-2023 een nieuw GRP opgesteld, met een naamswijziging en aangepaste opzet naar PWR. De reden hiervoor is dat deze naamgeving alvast voorsorteert op de Omgevingswet, die het opstellen van programma's voorschrijft. Het programma Water en Riolering vormt dan samen met andere nog op te stellen programma's zoals bijvoorbeeld geluid, luchtkwaliteit, waterkwaliteit en overstromingsrisico's een samenhangend pakket van maatregelen ter bescherming en verbetering van de leefomgeving.
Sinds het in werking treden van het Bestuursakkoord Water (2010) werken we als gemeente Tilburg samen met waterschap Brabantse Delta, waterschap De Dommel, gemeenten Dongen, Gilze en Rijen, Goirle, Heusden, Hilvarenbeek, Loon op Zand, Oisterwijk en Waalwijk en Brabant Water binnen de werkeenheid Doelmatig Waterbeheer Hart van Brabant. Dit is een van de vier werkeenheden voor samenwerking aan doelmatig (afval)waterbeheer binnen de SWWB (Samenwerken aan Water in Midden en West Brabant). Voor deze samenwerking hebben we een samenwerkingsovereenkomst (SOK) opgesteld. Door samen op te trekken en kennis te delen kunnen we de waterketen zo optimaal mogelijk inrichten en profiteren van elkaars expertise en capaciteit. Ook na 2020, wanneer het Bestuursakkoord Water afloopt, gaan we door met het sturen op de 4k's (kwaliteit, kwetsbaarheid, kostenbesparing en klimaatadaptatie) en richten we ons op nieuwe thema's en het addendum Bestuursakkoord Water. Met een aantal gemeenten binnen de werkeenheid Doelmatig Waterbeheer Hart van Brabant (Goirle, Oisterwijk en Tilburg), de waterbeheerders waterschap De Dommel en waterschap Brabantse Delta en drinkwaterbedrijf Brabant Water is besloten om voor de komende planperiode gezamenlijk een omgevingswetproof PWR op te stellen en hiervoor een blauwdruk te maken die binnen het samenwerkingsverband kan worden gebruikt.
Het PWR krijgt hiermee een gemeenschappelijke basis met een 'couleur locale' voor gemeentespecifieke zaken. Om te komen tot een nieuw PWR hebben we het bestaande plan geactualiseerd op basis van gezamenlijke wensen, ambities en beleidskeuzes. Ook de financiele aspecten zijn herzien op basis van nieuwe inzichten en informatie. Daarnaast geldt sinds 23 december 2021 het nieuwe Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) van het Waterschap De Dommel. Hiermee wordt de watertransitie in gang gezet: een aanpak die moet zorgen voor een toekomstbestendig watersysteem. In 2050 wil De Dommel een leefomgeving die klaar is voor de toekomst en een watersysteem dat daarbij past. Dat laatste wil zeggen; een waterhuishouding die robuust, flexibel en in balans is met de natuur en de omgeving en zorgt voor een goede waterkwaliteit. De droge zomers van 2018, 2019 en 2020, en de wateroverlast in 2021 tonen de urgentie aan en laten zien dat de omgang met water fundamenteel moet veranderen. Deze grote veranderopgave heet de watertransitie.
5.2 Bestaand watersysteem / duurzaam watersysteem Op moment van opstellen van dit bestemmingsplan wordt de omliggende wijk gerealiseerd. In het bestemmingsplan Enschotsebaan-zuid (wonen) is omschreven op welke wijze het watersysteem in de wijk wordt ingericht. Voor een toelichting hierop wordt naar dat bestemmingsplan verwezen; het in realisatie zijnde watersysteem vormt het bestaande systeem voor onderhavig bestemmingsplan.
5.3 Ambitie In het Bestuursakkoord 'Gezond en gelukkig in Tilburg' 2018-2022 is opgenomen dat er onder de noemer 'Koel Tilburg' gewerkt wordt aan het realiseren van een klimaatbestendige stad in 2050. Hierbij gaat het vooral om het tegengaan van opwarming, wateroverlast en verdroging zowel in de bebouwde omgeving als in het omringende buitengebied en de natuur. Op het vlak van stedelijk waterbeheer wordt gesteld dat de ambitie om (binnen gerelateerde projecten) bij te dragen aan andere klimaatthema's dan wateroverlast zoals droogte, Enschotsebaan-Zuid (woningbouw), 1e herziening (Kattedoorn en Schoolmeesterstraat)
31
hittestress en biodiversiteit door meekoppelkansen te benutten en belanghebbenden bij elkaar te brengen. In combinatie met de reguliere onderhouds- en vervangingsmaatregelen wordt er naar gestreefd om het rioleringssysteem en de bijbehorende openbare ruimte zoveel mogelijk klimaatbestendig in te richten. Er wordt integraal afgestemd met andere disciplines (bijvoorbeeld ruimtelijke ordening en beheer openbare ruimte) en maken een gezamenlijke afweging. Hierbij wordt meegelift met zoveel mogelijk met geplande werkzaamheden in de openbare ruimte. Het gaat dan om het zichtbaar maken van water, het verhogen van de belevingswaarden en integratie van water en groen. We benutten de reikwijdte van de zorgplicht riolering om voor maatregelen die bijdragen aan een goed functionerend stedelijk watersysteem uren en middelen beschikbaar te stellen. Bij de klimaatbestendige inrichting van de openbare ruimte voor bestaand gebied wordt een stresstest uitgevoerd en voeren een risicodialoog uit om te komen tot maatwerkoplossingen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen houden wij bij nieuwbouw rekening met de vloerpeilen zodanig dat er geen inpandige waterschade of waterschade bij omliggende bebouwing plaatsvindt bij de 70 mm/h bui uit het DPRA. Dit houdt in dat elke locatie maatwerk is. We stemmen de maatregelen en programmering af met de uitvoeringsagenda klimaatadaptatie.
Met de aanleg van de blauwe aders en waterparken zet de gemeente Tilburg een flinke stap in het voorkomen van natte voeten. Echter door klimaatverandering ontstaat een nieuwe opgave. Buien worden extremer en de frequentie waarmee zware buien optreden neemt toe. Om op de toekomst voorbereid te zijn en een goed woon- en vestigingsklimaat te behouden zijn nieuwe investeringen nodig. Extra en grote hoeveelheden regenwater moeten worden verwerkt om waterschade te voorkomen. Het ondergronds afvoeren van deze extremen is kostbaar, maar bovengrondse oplossingen voor berging vergen ruimte en zijn daardoor sterk afhankelijk van andere claims op de bovengrond. Door regenwater te accepteren tussen de straatbanden, in groenvoorzieningen en te bufferen in de bodem kunnen ook zwaardere buien worden verwerkt. Dit vergt nieuwe investeringen, maar biedt ook nieuwe kansen. Met de bovengrondse blauwgroene voorzieningen kan tevens een bijdrage leveren aan het oplossen van andere klimaat gerelateerde problemen zoals hittestress en langdurige droogte. Groen en water in de openbare ruimte hebben ook een gunstig effect op de gezondheid (meer bewegen, ontspanning) en kan bijvoorbeeld worden gecombineerd met natuurontwikkeling (ecologische verbindingen). Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan het coalitieakkoord "Een gezond en gelukkig Tilburg".
Daar waar bovengrondse oplossingen op korte termijn geen haalbare kaart zijn, bieden ondergrondse oplossingen uitkomst. Om het water- en rioleringssysteem toekomstbestendig te kunnen inrichten introduceert de gemeente een regenwateropgave voor vervanging van verhard oppervlak en hanteren zij nieuwe ondergrenzen bij toename van het verhard oppervlak. De regenwateropgave verplicht tot het aanbrengen van regenwaterberging en is in lijn met de wateropgave die de waterbeheerder oplegt. Op dit moment is dat 60 mm. De opgave is voor de gebieden Blaak en Reeshof kleiner omdat deze gebieden, vanwege de ruim opgezette waterstructuur, al klimaatbestendig zijn ingericht. De opgave van 10 mm heeft als doel om het water van de kleine buien af te vangen en toe te voegen aan de grondwatervoorraad. 50 m2: geen regenwateropgave; 50 m2 - 150 m2: o Indien niet vergunningplichtig: geen regenwateropgave o Indien wel vergunningplichtig: regenwateropgave volgens onderstaande tabel: 150 m2: regenwateropgave volgens onderstaande tabel:
De opgave van 60 mm heeft als doel het verwerken van extreme neerslaghoeveelheden om de kans op wateroverlast nu en in de toekomst te beperken. De komende periode gaan we gebruiken om nauwlettend te voldoen aan de gestelde eisen. Daarbij volgen we wat haalbaar is (in de ruimte) en betaalbaar is (risico afgezet tegen verminderen schadelast, in combinatie met maatschappelijke voordelen, zoals berekend kan worden met tools als TEEB stad). Als blijkt dat de waterbergingsopgave redelijkerwijs niet mogelijk is, kan hiervan worden afgeweken (in overleg met onze gemeente). Eventueel kan hier een financiële voorwaarde aan worden verbonden (de opgave wordt dan afgekocht).
Enschotsebaan-Zuid (woningbouw), 1e herziening (Kattedoorn en Schoolmeesterstraat)
32
5.4 Watertoets Het beleid voor Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen van Waterschap De Dommel is onder meer gericht op het vasthouden van water op het moment dat er sprake is van toename van verhard oppervlak. Als ondergrens hiervoor stelt het waterschap een toename van minimaal 500 m² aan verhard oppervlak. De oppervlakten van de beide locaties in dit bestemmingsplan bedragen 2.370 m² (Schoolmeesterstraat) en 2.260 m² (Kattedoorn), waarmee dit minimum wordt behaald. Overigens zullen de kavels niet geheel worden verhard: gezien de ruime kavels blijft naar verwachting ca. 50% onverhard. Dit betekent dat er in de toekomstige situatie 2.315 m² verhard wordt. Dit neemt niet weg, dat voor de compensatie van toename van het verhard oppervlak aansluiting gevonden kan worden in het watersysteem van de wijk. Dit kan op twee manieren: <0000> Op eigen kavel, door het realiseren van infiltratievoorzieningen op eigen terrein als dan niet in combinatie met groen dak; <0000> In het openbaar gebied, door het ontworpen watersysteem in geringe mate te vergroten. De bergingsvraag is in beeld gebracht door LOS Stadomland in de totale ontwikkeling Enschotsebaan Zuid. Om de retentievraag te bepalen zijn in de plankaart verschillende ‘oppervlaktetypes’ bepaald. Hieruit is gebleken dat er in totaal 72.885m² afwaterend oppervlak wordt toegevoegd.
Met een retentievraag van 60 mm is er een berging van 4.373 m³ benodigd. Het plangebied aan Kattedoorn (locatie 2) is reeds meegenomen in deze waterbergingsopgave. Het plangebied aan de Schoolmeesterstraat (locatie 1) niet. Voor deze locatie is er een benodigde berging van 68 m³. Het totale oppervlak van de waterberging zuid is 1.666 m². De maximale omvang van de berging in de watergang en retentievoorzieningen is 5.388 m³. Deze afwijking valt binnen de marges van de waterbergingsopgave. De toename van de bergingsopgave door de ontwikkeling is 1,2% van de totale berging. D opgave valt binnen de overcapaciteit van de centrale waterberging. De bergingsopgave wordt bijgesteld op basis van de werkelijk afwaterende oppervlakten bij de definitieve invulling.
Enschotsebaan-Zuid (woningbouw), 1e herziening (Kattedoorn en Schoolmeesterstraat)
33
Hoofdstuk 6 Opzet planregels De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het opstellen van bestemmingsplannen door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen.
6.1 Standaard plansystematiek Hoofdstuk 1 bevat de ´Inleidende regels´. Dit hoofdstuk omvat twee artikelen: een artikel met een aantal noodzakelijke begripsomschrijvingen en een artikel inzake de wijze van meten. Hieronder volgt een korte toelichting op enkele essentiële begrippen. 6.1.1 Bouwvlak en erf De Tilburgse plansystematiek maakt onderscheid tussen het bouwvlak en het erf. Het bouwvlak komt in principe bij alle bestemmingen voor. Uitzondering zijn de bestemmingen binnen het openbaar gebied. Indien geen bouwvlak is aangegeven, bepalen de planregels soms dat het gehele bestemmingsvlak geacht wordt bouwvlak te zijn. Hoofdgebouwen moeten binnen het bouwvlak worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen er eveneens worden gebouwd, uiteraard slechts voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Soms mag het bouwvlak volledig worden volgebouwd, soms niet. Het eerste blijkt normaliter uit de planregels, het tweede wordt in de regel op de verbeelding weergegeven met een maatvoeringsaanduiding. In het erf mogen geen hoofdgebouwen worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn wel toegestaan, voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Het erf komt met name voor bij woningen en bebouwing langs de linten.
Binnen het onbebouwd erf (perceel minus bouwvlak en minus erf) beperken de bouwmogelijkheden zich over het algemeen tot hetgeen vergunningvrij mag worden gebouwd en enkele bouwwerken, geen gebouwen zijnde (denk vooral aan erfafscheidingen). 6.1.2 Bouwdiepte De bouwdiepte is gerelateerd aan de dieptemaat van het betreffende bouwblok c.q. de bouwstrook. De Tilburgse standaardbouwdiepte bedraagt voor woningen 12 meter. In specifieke - bijvoorbeeld historisch zo gegroeide situaties - kan hiervan worden afgeweken. 6.1.3 Bouwhoogte De volgende gebiedstypen worden onderscheiden, waarbij het onderscheid wordt gevormd door een verschillende maximale bouwhoogte: 1. Structuurvisie Linten oude stad, onderverdeeld in: 2. Bedrijvige linten; 3. Rustige linten; 4. Hoofdstructuur nieuwe gebieden; 5. Overige gebieden. Bij afwijkende woningtypes en bijzondere situaties wordt van deze hoogteregels afgeweken en ´op maat´ bestemd. Met name vanwege het niet stedelijke karakter gelden voor de dorpen afwijkende maten die opgenomen zijn binnen de afzonderlijke bestemmingen: Wonen - 1, Wonen - 2 en Wonen - 3. Ook in het buitengebied en op bedrijventerreinen geldt een afwijkende regeling. 6.1.4 Goothoogte De toegelaten hoogte is in het algemeen gerelateerd aan de afstand tot de meest nabije gevels. In de meeste gevallen komt dit neer op een goothoogte die gelijk is aan de bouwhoogte.
In de regels wordt de goothoogte dan ook meestal gelijkgesteld aan de bouwhoogte, tenzij op de verbeelding met een maatvoeringsaanduiding een andere goothoogte wordt weergegeven. Bij afwijkende woningtypes en in bijzondere situaties wordt van deze hoogteregels afgeweken en ´op maat´ bestemd. In het buitengebied gelden ten aanzien van goothoogten andere regels, die een lagere maximale goothoogte met zich brengen. 6.1.5 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen Tenzij anders weergegeven is de volgende regeling van kracht voor woningen in stedelijk gebied: 1. Oppervlakte: Enschotsebaan-Zuid (woningbouw), 1e herziening (Kattedoorn en Schoolmeesterstraat)
34
1. 20m2 indien erf kleiner is dan 50m2; 2. 40% van erf met maximum van 60m2 bij erf tussen de 50m2 en 500m2; 3. 80m2 bij erf tussen de 500m2 en 1000m2; 4. 100m2 bij erf vanaf 1000m2; 5. Bouwhoogte: 1. Maximaal 3m bij plat dak; 2. Bij schuin dak goothoogte maximaal 3m; 3. Bouwhoogte maximaal 4,5m. N.B: op grond van de (landelijke) wettelijke regels voor vergunningvrij bouwen, kan er vaak meer gerealiseerd worden dan de bovenstaande standaardregeling doet vermoeden. Deze regeling maakt deel uit van de plansystematiek, omdat het Tilburgse 'erf' en het in het Besluit omgevingsrecht gedefinieerde 'achtererfgebied' niet noodzakelijkerwijs samenvallen. In het buitengebied geldt voor bijgebouwen bij woningen dat de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen bij een woning mag niet meer bedragen dan: • 75m² op bouwpercelen, kleiner dan 1000m²; <0000> 150m² op bouwpercelen, groter dan of gelijk aan 1000m², doch kleiner dan 5000m²; <0000> 200m² op bouwpercelen, groter dan of gelijk aan 5000m²; Terwijl de goothoogte maximaal 3m en bouwhoogte maximaal 6m mag bedragen.
6.2 Bestemmingen en aanduidingen Hoofdstuk 2 bevat de ´Bestemmingsregels´. In dit hoofdstuk komen de verschillende bestemmingen met bijbehorende bouwregels en gebruiksregels aan bod. Vaak is daarnaast sprake van een nadere eisen-regeling, een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, wijzigingsbevoegdheden e.d. In het plan komen de volgende bestemmingen voor: In de planlocaties bevinden zich de volgende bestemmingen: <0000> Woongebied, voor de bouwblokken waar nieuwe woningen gerealiseerd gaan worden; <0000> Wonen, voor de perceelscorrectie Binnen deze bestemmingen zijn de volgende aanduidingen gebruikt: <0000> Bouwvlak; <0000> Specifieke bouwaanduidingen. In hoofdstuk 3 zijn de algemene aanduidingsregels opgenomen. Op de verbeelding voorkomende gebiedsaanduidingen zijn hier geregeld.