06 Toelichting met bijlagen
Tekst van het document
GEMEENTE TILBURG Afdeling Ruimte
BESTEMMINGSPLAN Enschotsebaan-Zuid (woningbouw), 1e herziening (Kattedoorn en Schoolmeesterstraat)
Toelichting met bijlagen
Ontwerp: Vastgesteld: Onherroepelijk: Code: NL.IMRO.0855.BSP2023004-b001
5 december 2023
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Plan en plangebied
3
1.1 Aanleiding tot planontwikkeling 1.2 De planlocatie 1.3 Voorgaande plannen 1.4 Ruimtelijke en functionele structuur 1.5 Leeswijzer
3 3 4 4 5
Hoofdstuk 2 Ruimtelijk beleidskader
6
2.1 Rijk 2.2 Provincie 2.3 Gemeente
Hoofdstuk 3 Thematische beleidskaders 3.1 Inleiding 3.2 Stedenbouwkundige aspecten en welstand 3.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg 3.4 Volkshuisvesting 3.5 Groen en speelruimte 3.6 Verkeer en parkeren
6 8 10
12 12 12 12 13 14 17
Hoofdstuk 4 Milieuaspecten
19
4.1 Milieueffectrapportage 4.2 Milieuhinder bedrijven 4.3 Externe veiligheid 4.4 Vuurwerk 4.5 Geluid 4.6 Luchtkwaliteit 4.7 Geur 4.8 Bodem 4.9 Natuur en ecologie
19 19 20 24 24 25 26 26 27
Hoofdstuk 5 Wateraspecten
31
5.1 Beleidskader 5.2 Bestaand watersysteem / duurzaam watersysteem 5.3 Ambitie 5.4 Watertoets
Hoofdstuk 6 Opzet planregels 6.1 Standaard plansystematiek 6.2 Bestemmingen en aanduidingen 6.3 Bouw- en gebruiksregels
Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid 7.1 Economische uitvoerbaarheid 7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
31 31 31 33
34 34 35 35
36 36 36
Toelichting
Enschotsebaan-Zuid (woningbouw), 1e herziening (Kattedoorn en Schoolmeesterstraat)
1
Opbouw Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, verbeelding en planregels. De verbeelding en de regels vormen de juridische basis van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsook de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding worden de bestemmingen en aanduidingen weergegeven. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft geen juridische status maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan alsmede bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.
Enschotsebaan-Zuid (woningbouw), 1e herziening (Kattedoorn en Schoolmeesterstraat)
2
Hoofdstuk 1 Plan en plangebied 1.1 Aanleiding tot planontwikkeling De eigenaar van de gronden is voornemens 9 woningen te realiseren aan de Schoolmeesterstraat en Kattedoorn binnen de Overhoeken in Berkel-Enschot. In het initiële bestemmingsplan “Enschotsebaan-Zuid (woningbouw)” zijn voor delen van het plangebied wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Deze wetgevingszones hebben betrekking op de doorkruising van de bovengrondse hoogspanningsverbinding van TenneT. De beheerder van het hoogspanningsnet is bezig om een deel van haar bovengrondse hoogspanningsnet te vervangen door ondergrondse kabels. Met deze wijziging kan het college van burgemeester en wethouders de dubbelbestemming “Leiding – Hoogspanningsverbinding” verwijderen en de bestemming “Groen” wijzigen naar de bestemming “Woongebied” met de aanduiding “Bouwvlak”. Initiatiefnemer is echter voornemens om niet alleen invulling te geven aan de wijzigingsbevoegdheid maar ook het stedenbouwkundig plan van aangrenzende percelen wat aan te passen ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan. Om deze reden wordt een partiele herziening van het vigerende bestemmingsplan om de juridisch planologische situatie voor het plangebied goed te kunnen regelen. De onderbouwing van de bestaande woongebieden is terug te vinden in bestemmingsplan “Enschotsebaan Zuid (woningbouw)”.
De focus voor deze onderbouwing ligt daarom vooral op de wetgevingszones. Hoewel de aanwezige hoogspanningsleiding nog niet is verwijderd, wordt met de onderhavige procedure beoogd om op de betreffende locaties de bestemming te wijzigen om woningbouw mogelijk te maken direct nadat de hoogspanningsleiding is verwijderd. De behoefte naar nieuwe woningen is groot en de initiatiefnemer wil zo snel mogelijk na het verwijderen van de bovengrondse hoogspanningsleiding de woningen realiseren. Met de voorliggende toelichting wordt een basis gegeven voor bestemmingsplan waarmee medewerking kan worden verleend aan het initiatief. De toelichting geeft aan waarom de beoogde ontwikkeling past binnen de visie op het gebied en hoe het bijdraagt aan een goede ruimtelijke ordening.
1.2 De planlocatie Het plangebied maakt onderdeel uit van het dorp Berkel-Enschot in de gemeente Tilburg. De kavels waar de ontwikkeling (gedeeltelijk) plaatsvindt staan kadastraal bekend als gemeente Berkel, sectie A, nummers, 5587, 5588, 5589, 6300, 6318 en 6704, 6705, 6706, 4896. Het plangebied is gelegen in het zuidwestelijke deel van BerkelEnschot, nabij de N261. In de omgeving van het plangebied zijn diverse functies aanwezig, waaronder een basisschool en een sportschool. Op ongeveer 15 minuten loopafstand ligt de dichtstbijzijnde bushalte. Op circa 500 meter afstand van het plangebied ligt bedrijventerrein Loven. De noordwestelijke beoogde woonlocatie is gelegen aan de Schoolmeesterstraat (vanaf hier ‘locatie 1’), de zuidwestelijke beoogde woonlocatie ligt aan de Kattedoorn (vanaf hier locatie 2). In figuur 1 is de ligging van de twee beoogde woningbouwlocaties weergegeven. Op locatie 1 zijn 5 woningen toegestaan. Op locatie 2 zijn 4 woningen toegestaan.
Enschotsebaan-Zuid (woningbouw), 1e herziening (Kattedoorn en Schoolmeesterstraat)
3
1.3 Voorgaande plannen Dit bestemmingsplan is een (partiële) herziening van het moederplan: Enschotsebaan-Zuid (woningbouw) (onherroepelijk per 8-3-2021)
1.4 Ruimtelijke en functionele structuur Huidige situatie De plangebieden hebben een centrale ligging in het plangebied Enschotsebaan-Zuid ten zuidwesten van de dorpskern Berkel en ten zuidwesten van Enschot. Rondom de planlocaties zijn de volgende functies aanwezig: woningen, basisschool met bijbehorende voorzieningen, agrarische bedrijven en agrarische gronden. In de huidige situatie zijn de kavels braakliggend terrein. Gezien de ontwikkeling rondom de plangebieden is het terrein reeds bouwrijp gemaakt. Toekomstige situatie Initiatiefnemer is voornemens vijf woningen te realiseren aan de Schoolmeesterstraat, en vier woningen aan de Kattedoorn. Op onderstaande afbeelding is de toekomstige verkaveling te zien. Aan Kattedoorn worden vrijstaande woningen ontwikkeld. Aan de Schoolmeesterstraat wordt er een verdeling gemaakt van vrijstaande woningen en twee-onder-een-kap woningen.
Enschotsebaan-Zuid (woningbouw), 1e herziening (Kattedoorn en Schoolmeesterstraat)
4
1.5 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op het beleid van verschillende overheden. In hoofdstuk 3 wordt de haalbaarheid van het plan getoetst aan de hand van planologische en milieuthema’s als archeologie, groen en verkeer. Hoofdstuk 4 gaat over de verschillende milieuaspecten. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op het aspect water. Hoofdstuk 6 vormt de juridische toelichting van verschillende delen van het bestemmingsplan. De economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid en de te volgen procedure komen in hoofdstuk 7 aan de orde. Hoofdstuk 8 dient als conclusie waarin de planologische afweging van het initiatief wordt gemaakt.
Enschotsebaan-Zuid (woningbouw), 1e herziening (Kattedoorn en Schoolmeesterstraat)
5
Hoofdstuk 2 Ruimtelijk beleidskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures: <0000> Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 2004 (sindsdien enkele keren aangepast); <0000> Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van 1 april 2015; <0000> Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van 1 januari 2011. Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen". Gemeentelijke beleidsvisie externe veiligheid Met de beleidsvisie externe veiligheid met de titel “Veilig en verantwoord ontwikkelen’ zet de gemeente in op een duurzame en veilige ontwikkeling van de stad.
Met de visie geeft Tilburg vanuit de invalshoek externe veiligheid inrichting en uitwerking aan een verantwoord veilige, integrale invulling van ruimtelijke ontwikkelingen en vergunningverlening. In de visie is duidelijk gemaakt: <0000> waar eventuele ruimte bestaat voor nieuwe risicovolle bedrijvigheid en onder welke veiligheidsverhogende condities dat mogelijk is; <0000> waar in de stad geïnvesteerd moet worden in een beter niveau van preventie en bestrijding van rampen; • waar in de stad bestaande (woon)omgeving voldoet en waar de bestaande situatie kan worden verbeterd. De kernambitie van gemeente Tilburg is daarom: veilig en verantwoord ontwikkelen. Doorwerking projectlocatie In de gemeentelijke beleidsvisie wordt het plangebied aangemerkt als wettelijk- en luw (invloeds)gebied (figuur 5)
2.1 Rijk 2.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen we staan, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes we maken en welke richting we meegeven aan decentrale keuzes. Die keuzes hangen samen met de Enschotsebaan-Zuid (woningbouw), 1e herziening (Kattedoorn en Schoolmeesterstraat)
6
toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen. Met de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie om de grote opgaven aan te pakken. Om samen ons land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. De NOVI is tot stand is gekomen in nauwe samenwerking met provincies en gemeenten, waterschappen, maatschappelijke partijen en burgers. Hoe werkt de NOVI? <0000> Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. De NOVI maakt bij het maken van keuzes gebruik van drie afwegingsprincipes: <0000> Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies, <0000> Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal, en <0000> Afwentelen wordt voorkomen. Belangrijkste keuzes in de NOVI <0000> een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Dat betekent dat we Nederland zo inrichten dat ons land de klimaatveranderingen aankan. Daarvoor is nodig dat we functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) inpassen. Een voorbeeld hiervan is het op termijn verhogen van grondwaterstanden in veenweidegebieden; <0000> de verandering van de energievoorziening.
Bij de inpassing van duurzame energie hebben we oog voor omgevingskwaliteit. Een voorbeeld hiervan is dat we eerst kijken naar ongebruikte daken om zonnepanelen op te plaatsten; <0000> de overgang naar een circulaire economie, waarbij we tegelijk goed kunnen blijven concurreren en een aantrekkelijk vestigingsklimaat bieden. Een voorbeeld is het aanpassen van productieprocessen en het gebruik van reststoffen in het haven- en industriegebied; <0000> de ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. Hiermee sturen we op een goed bereikbaar netwerk van steden. We gebruiken zo de ambities en mogelijkheden in steden en regio’s in heel Nederland. Voorbeelden van regionale uitwerking hiervan zijn de verstedelijkingsstrategieën, waarin vooruitgekeken wordt hoe verschillende ruimtelijke functies in en rondom steden het beste ingepast kunnen worden; <0000> het bij elkaar plaatsen van zogenaamde logistieke functies (bijvoorbeeld distributiecentra, datacenters) om hiermee de openheid en de kwaliteit van het landschap te behouden. We maken daarbij gebruik van een voorkeursvolgorde logistieke functies; <0000> het toekomstbestendig maken van het landelijk gebied in goed evenwicht met de natuur en landschap. We werken bijvoorbeeld aan de overgang naar de kringlooplandbouw zodat gebruik van de grond meer wordt afgestemd op de natuurlijke water- en bodemsystemen.
Uitvoering van de NOVI Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe het Rijk samen met medeoverheden en de samenleving uitvoering geeft aan de NOVI. In de Uitvoeringsagenda staat een overzicht van instrumenten voor de verschillende beleidskeuzes uit de NOVI. Het Rijk werkt de NOVI uit in algemene rijksregels, bestuurlijke afspraken, beleidsprogramma’s, inzet van financiële middelen en kennisontwikkeling en werkt gebiedsgericht met Omgevingsagenda’s en NOVI-gebieden. 2.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet. In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen.
Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen. Het besluit bepaalt tevens:
Enschotsebaan-Zuid (woningbouw), 1e herziening (Kattedoorn en Schoolmeesterstraat)
7
"Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit." Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren. Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt. Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren.
Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen. In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten. Doorwerking plangebied De voorliggende projectlocatie is niet in één van de aangewezen projectgebieden van nationaal belang gelegen. Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van strijdigheid met nationale belangen. 2.1.3 (Ladder voor) Duurzame verstedelijking Op grond van art. 3.1.6 Bro zijn provincies en gemeenten verplicht om in de toelichting van een ruimtelijk plan aandacht te besteden aan het aspect 'duurzame verstedelijking', wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Art. 1.1.1. Bro definieert het begrip stedelijke ontwikkeling als een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Overheden dienen op grond van art. 3.1.6 Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen te motiveren. In de eerste plaats geschiedt dat door de behoefte aan de desbetreffende stedelijke ontwikkeling te onderbouwen. Uitgangspunt is vervolgens dat, met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, de nieuwe stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd.
Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling daarentegen voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk gebied, dan moet dat eveneens worden gemotiveerd in de plantoelichting. Het is toegestaan om de motivering van de behoefte aan en de locatie van een nieuwe stedelijke ontwikkeling door te schuiven naar een eventueel uitwerkings- of wijzigingsplan. Doorwerking plangebied Met dit bestemmingsplan wordt de bouw van 9 woningen mogelijk gemaakt. De overige woningen in het plangebied worden heringericht. Uit de jurisprudentie blijkt dat voor kleinschalige ontwikkelingen de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is. In de overzichtsuitspraak ladder voor duurzame verstedelijking van 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1724 ) is aangegeven dat een bestemmingsplan dat voorziet in niet meer dan 11 woningen in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling wordt aangemerkt. Een laddertoets is daarmee niet aan de orde.
2.2 Provincie 2.2.1 Brabantse omgevingsvisie Op 14 december 2018 is de Omgevingsvisie Noord-Brabant in werking getreden. De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is: “Werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit”. Voor 2030 is het doel om voor alle aspecten te voldoen aan de wettelijke normen. Brabant heeft dan een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit. Voor 2050 is het doel om een goed leefomgevingskwaliteit te hebben door op alle aspecten beter te presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. De visie noemt een vijftal hoofdopgaven: 1. De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Brabant.
Enschotsebaan-Zuid (woningbouw), 1e herziening (Kattedoorn en Schoolmeesterstraat)
8
2. 3. 4. 5.
Brabantse energietransitie: om Brabant op termijn energieneutraal te maken moeten we minder energie gebruiken en meer duurzame energie op gaan wekken. Slimme netwerkstad: de manier waarop we ons verplaatsen verandert en we stellen andere eisen aan steden. Dit heeft gevolgen voor het netwerk van steden en dorpen. Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering krijgen we meer extremen in temperatuur en neerslag. Hoe gaan we deze gevolgen aanpakken ? Concurrerende, duurzame economie: Brabant wil top kennis- en innovatieregio blijven, waarbij de omslag naar een circulaire economie nodig is en digitalisering steeds belangrijker wordt.
Daarna volgt een doorvertaling in een Omgevingsverordening en programma’s. Om straks als de Omgevingswet in werking treedt (volgens de huidige planning pas in 2021) echt klaar te zijn, wordt er eerst een interim omgevingsverordening gemaakt. In deze interim omgevingsverordening worden de bestaande regels over de fysieke leefomgeving al zoveel mogelijk in één verordening onder gebracht. De interim omgevingsverordening is op 25 oktober 2019 vastgesteld en wordt hierna besproken. Deze interim omgevingsverordening is relatief beleidsarm. Elk van de vijf hoofdopgaven van de Brabantse Omgevingsvisie zijn uitgewerkt in specifieke aandachtspunten. Voor de beoogde ontwikkeling kunnen de volgende aandachtspunten een rol spelen. <0000> De provincie gaat uit van meervoudig en zorgvuldig ruimtegebruik. Door een integrale benadering wordt de claim op de schaarse ruimte zo beperkt mogelijk gehouden. <0000> De provincie streeft naar een stedelijk netwerk dat de gezondheid en het leefklimaat van de Brabanders versterkt. Dat betekent dat de provincie aandacht heeft voor de milieukwaliteit en een aantrekkelijke en bereikbare groene omgeving en voorzieningenstructuur. Nabijheid en menging van wonen, werken, voorzieningen, parken en natuur draagt niet alleen bij aan gezondheid, maar nodigt ook uit tot sociale contacten en draagt daardoor bij aan de sociale cohesie binnen steden en dorpen.
<0000> De provincie zet in op het vergroten van nabijheid als strategie om groei van de (auto)mobiliteit te beperken. Nabijheid en functiemenging van wonen, werken en voorzieningen dragen bij aan de ontwikkeling van nieuwe (en vernieuwing van) economische activiteiten. Doorwerking plangebied Door de realisatie van 9 woningen en de herinrichting van het stedenbouwkundig plan wordt invulling gegeven aan bovengenoemde aandachtspunten. 2.2.2 Structuurvisie ruimtelijke ordening Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die op 1 oktober 2010 werd vastgesteld door Provinciale Staten. Belangrijke onderwerpen zijn de realisatie van natuur en de transitie naar een zorgvuldige veehouderij in Brabant. In de Structuurvisie geeft de provincie de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie, maar bindt gemeenten niet rechtstreeks. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. 2.2.3 Interim omgevingsverordening De provincie heeft een Interim omgevingsverordening vastgesteld (actualisatie 2022, 15 april 2022), in werking 5 november 2019) waarin de bestaande regels m.b.t de fysieke leefomgeving zijn samengevoegd.
In de Interim omgevingsverordening zijn de bestaande regels samengevoegd van de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat de regels van de genoemde verordeningen zijn gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau en dat er in beginsel geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd. Er zijn alleen wijzigingen doorgevoerd gebaseerd op eerder vastgesteld beleid, zoals de Brabantse omgevingsvisie. Voordat de Omgevingswet in werking treedt, wordt de definitieve omgevingsverordening vastgesteld. Deze definitieve verordening wordt tegelijk met de Omgevingswet van kracht. In de definitieve verordening worden, in tegenstelling tot de interim verordening, ook beleidswijzigingen verwerkt. Uitgaande van de huidige planning van de Omgevingswet wordt de definitieve omgevingsverordening in november 2020 vastgesteld. Enschotsebaan-Zuid (woningbouw), 1e herziening (Kattedoorn en Schoolmeesterstraat)
9
De Omgevingsverordening bevat omgevingswaarden, algemene regels (rechtstreeks geldende regels) en instructieregels (regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van b.v. bestemmingsplannen en besluiten). Doorwerking plangebied Beide plangebieden van dit bestemmingsplan liggen in bestaand stedelijk gebied; de interim omgevingsverordening stelt hieraan geen specifieke voorwaarden.
2.3 Gemeente 2.3.1 Omgevingsvisie Tilburg 2040 Op 21 september 2015 heeft de Raad de Omgevingsvisie Tilburg 2040 vastgesteld. De Omgevingsvisie richt zich op Tilburg als vitale, duurzame stad in een moderne netwerksamenleving. De ontwikkelingen in de economie, de maatschappij en de leefomgeving gaan niet ten koste van elkaar, maar sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. People, planet en profit zijn in balans. People: Het is prettig wonen en werken in Tilburg, een stad met veel verschillende woonbuurten en verschillende soorten werklocaties. De woonmilieus passen bij de leefstijl van de mensen. Planet: We gaan voor een gezonde en leefbare stad, anticiperen op de effecten van klimaatverandering, zoals hitte, droogte en hogere temperaturen. In het economisch systeem wordt herbruikbaarheid van producten en grondstoffen steeds belangrijker. Verder krijgen groen en water een steeds prominentere rol in de stad. De grote natuurgebieden om de stad zijn met elkaar verbonden. Dat versterkt het ecologisch systeem en de veerkracht van de natuur. Profit: Om ook in de toekomst sterk genoeg te zijn, wil Tilburg de kracht van BrabantStad benutten. Tilburg is een stad die mensen kansen biedt: op aangenaam werk en op een fijne woon- en leefomgeving.
Om antwoord te geven op de vraag hoe we dit gewenste toekomstbeeld samen met burgers en partners in de stad voor elkaar kunnen krijgen volgt de Omgevingsvisie Tilburg 2040 een strategie met drie sporen: <0000> de Brabantstrategie <0000> de Regiostrategie <0000> de Stadsstrategie. Brabantstrategie: Tilburg kiest voor de kracht van stedelijke samenwerking Samen met de andere Brabantse steden wil Tilburg de kracht van het stedelijk netwerk BrabantStad versterken. Om de benodigde schaalsprong naar een stedelijk netwerk te kunnen maken, moet Tilburg aantrekkelijk bereikbaar en concurrerend zijn. Aantrekkelijk: Tilburg wil een aantrekkelijke stad zijn waar mensen graag wonen en werken, en waar het voor bedrijven interessant is om zich te vestigen. Niet alleen moet het aanbod van voorzieningen in de stad zelf aansprekend en hoogwaardig zijn, ook de groene omgeving en religieus en historisch erfgoed zijn belangrijke factoren. Bereikbaar: goede verbindingen (weg, water, rail én digitaal) met de andere Brabantse steden zijn essentieel voor een sterk stedelijk netwerk. Concurrerend: En duurzame concurrentiekracht kent in Tilburg twee belangrijke pijlers, namelijk kennis & creativiteit en smart industries. Concreet richt de Brabantstrategie zich op vier stedelijke knooppunten en drie stadsregionale parken.
De vier stedelijke knooppunten: <0000> Binnenstad van de 21e eeuw <0000> Tilburg University Campus: kennisontwikkeling en -toepassing <0000> Modern Industrieel Cluster Vossenberg-Loven <0000> Modern Industrieel Cluster Midden-Brabant De drie stadsregionale parken zijn: <0000> Stadsregionaal park Moerenburg - Koningshoeven <0000> Stadsregionaal park Stadsbos013 <0000> Stadsregionaal park Noord De regiostrategie: de kracht van Tilburg als centrumstad
Enschotsebaan-Zuid (woningbouw), 1e herziening (Kattedoorn en Schoolmeesterstraat)
10
Bij de regiostrategie draait het om Tilburg in haar rol als centrumstad; Tilburg als belangrijke spil in de regio Hart van Brabant. Een goed bereikbare stad, waar bewoners uit de gehele omliggende regio graag komen voor werk, hoogwaardige medische zorg, uitstekend onderwijs, een compleet aanbod van winkels en spannende cultuur. Waar bedrijven hun ambities optimaal kunnen ontplooien. En waar het uitstekend (meerdaags) recreëren is. Een sterke stad kan niet zonder een sterke regio; omgekeerd geldt dat een sterke regio niet zonder een sterke stad kan. De regiostrategie richt zich op drie stedelijke knooppunten en twee regionale ecologische verbindingszones ten westen en oosten van de stad. De drie stedelijke knooppunten zijn: <0000> Bedrijvenpark Zuid <0000> Zorgcluster Leijpark <0000> Duurzaam energielandschap Noord De twee ecologische verbindingszones: <0000> Aan de oostzijde bestaat de verbinding uit ecologische stapstenen in het bestaande landschap en agrarisch productiegebied. <0000> Aan de westzijde van de stad bestaat de verbinding uit een fijnmazig netwerk van ecologische verbindingszones langs wegen en waterlopen. De stadsstrategie: leefbaarheid met oog voor de menselijke maat De stadsstrategie richt zich op het realiseren van prettig leefbare wijken, dorpen en buitengebied.
Hoofdpunten van de stadsstrategie zijn: <0000> Ruimte voor zelf- en samenredzaamheid in wijken en buurten <0000> Basis op orde: wijken zijn schoon, heel en veilig <0000> Vitale wijkeconomie: dynamiek en ondernemerschap in de wijk <0000> Brandpunten in wijken zorgen voor dynamiek, ontmoeting en sociale binding. <0000> Differentiatie in woonmilieus: aansluiten bij de leefstijlen van bewoners <0000> Cultureel erfgoed: het verhaal van Tilburg centraal <0000> Groen en water in de stad: toegankelijk en zichtbaar <0000> Goede bereikbaarheid van wijken en buurten borgen <0000> Betere verbinding stad en buitengebied: groene inprikkers <0000> Economische vitaliteit van het landschap behouden en versterken Functie van de Omgevingsvisie De Omgevingsvisie Tilburg 2040 is een koers- en inspiratiedocument. Het is een kompas voor investeringen in het fysieke domein. Een uitnodiging aan de stad om samen te werken aan de ontwikkeling van een stad waar het fijn wonen, werken, leven en recreëren is. De visie biedt burgers en bedrijven ruimte om initiatief te ontplooien en reikt de gemeente handvatten aan om haar strategie af te stemmen op het geschetste toekomstperspectief. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 geeft ook richting aan de inzet van de gemeente; in welke onderdelen de gemeente haar geld, tijd en bestuurskracht investeert. En welke prioriteiten daarbij gelden.
Enschotsebaan-Zuid (woningbouw), 1e herziening (Kattedoorn en Schoolmeesterstraat)
11
Hoofdstuk 3 Thematische beleidskaders 3.1 Inleiding In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema´s. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van deze kaders. Aan de onderwerpen Milieu en Water zijn aparte hoofdstukken gewijd.
3.2 Stedenbouwkundige aspecten en welstand 3.2.1 Welstand Bouwplannen moeten worden getoetst aan ´redelijke eisen van welstand´, zo zegt de Woningwet. Naast het bestemmingsplan is het welstandsbeleid een middel om de ruimtelijke kwaliteit van de publieke omgeving te waarborgen bij de vele bouwplannen die in de stad worden gerealiseerd. Sinds 1 juli 2004 moet iedere gemeente de gehanteerde welstandscriteria vastleggen in een Welstandsnota, die door de raad moet worden vastgesteld. In Tilburg is dat in juni 2004 gebeurd. Nadien is de nota meerdere keren geactualiseerd (2010 en 2012). Op 15 november 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders ingestemd met de actualisatie van de Welstandsnota 2012. De geactualiseerde nota is op 1 januari 2017 in werking getreden. In de Welstandsnota 2017 Tilburg wordt beschreven dat de Omgevingscommissie de taak heeft om ervoor te zorgen dat, naast de architectonische samenhang met de omgeving, in ieder geval op objectniveau de beeldkwaliteit wordt bewaakt. Welstandstoezicht is, in die gevallen, te zien als 'vangnet' voor een visuele basiskwaliteit. Op 16 maart en 20 juli 2022 heeft vooroverleg plaatsgevonden met de Omgevingscommissie van de gemeente Tilburg. Als gevolg van de bijeenkomst op 16 maart zijn de op,- en aanmerkingen doorgevoerd in het schetsontwerp en akkoord bevonden op 20 juli.
3.2.2 Stedenbouwkundige onderbouwing Voor de ontwikkeling aan de Enschotsebaan-Zuid is een stedenbouwkundig plan opgesteld door LOS stadomland B.V. (april 2019). In dit plan wordt er tevens ingegaan op het beeldkwaliteitsplan. Dit beeldkwaliteitsplan geldt als het toetskader voor de beeldkwaliteit voor de totale ontwikkeling van Enschotsebaan-Zuid, waaronder onderhavige plangebieden (bijlage 1). Met de ontwikkeling van 9 woningen wordt het stedenbouwkundig plan voor gewijzigd. Door deze herschikking wordt er invulling gegeven aan de wijzigingsgebieden. Op deze wetgevingszone is in het moederplan “Enschotsebaan-Zuid” 1 woning toegestaan. Met deze ontwikkeling wordt er een logischere indeling gecreëerd door twee woningen toe te voegen op deze zone. Het aantal woningen op het totale plangebied blijft ongewijzigd, slechts de verdeling van de woningen wordt veranderd. Deze ontwikkeling wijkt af van het eerder vastgestelde stedenbouwkundig plan, maar is wel in lijn met de visie van het gebied. De woningen dienen gebouwd te worden conform de gesteld eisen van het beeldkwaliteitsplan.
3.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg 3.3.1 Historische geografie Het plangebied was in het verleden overwegend agrarisch in gebruik en wordt visueel omsloten door de huidige kern Berkel-Enschot in het oosten, de bebouwing langs de Bosscheweg in het zuiden en het dijklichaam van de Burgemeester Bechtweg in het westen. Vooral het dijklichaam is daarbij een erg dominant element in het landschap. Verspreid in het gebied is bebouwing aanwezig. Door de aanwezigheid van bovenstaande elementen heeft het projectgebied een kleinschalig en landelijk karakter. Alhoewel de Burgemeester Bechtweg is aangelegd, is de Enschotsebaan als monumentale dorpstoegangsweg nadrukkelijk aanwezig. De kenmerkende kransakkerstructuren ten westen van de oude kern van Berkel-Enschot lopen in delen van het gebied als vanzelfsprekend door in het bestaande dorp (Raadhuisstraat, Molenstraat, Hoolstraat). Met de kransakkerstructuur wordt bedoeld de kenmerkende structuur van wegen welke fijnmazig door het akkerlandschap lopen en deze akkers omzomen. De Enschotsebaan vormt een karakteristiek lint in het gebied en vormt van oudsher de verbinding van het dorp met het platteland. De Enschotsebaan is dan ook een cultuurhistorische waardevolle drager van het gebied, zowel in ruimtelijke als in functionele zin. Het geeft de identiteit van het gebied aan.
Het gehele profiel van deze weg, inclusief bomenrijen en bermsloten, en de bebouwing speelt daarbij een rol. 3.3.2 Archeologie Enschotsebaan-Zuid (woningbouw), 1e herziening (Kattedoorn en Schoolmeesterstraat)
12
Het plangebied voor Enschotsebaan-Zuid heeft een hoge verwachtingswaarde. Daarom zijn ten behoeve van het bestemmingsplan Enschotsebaan-Zuid (woningbouw) diverse archeologische onderzoeken uitgevoerd: <0000> 2019 bureauonderzoek westelijk deel (BEZ1863) (bijlage 2) <0000> 2020 proefsleuven westelijk deel en nadere opgraving (Archol rapport 494) (bijlage 3) De locatie aan de Schoolmeesterstraat is onderzocht in het bureau- en proefsleuvenonderzoek. Uit het bureauonderzoek is gebleken dat er een hoge archeologische verwachting geldt voor het plangebied Enschotsebaan-Zuid. Resultaten van diverse archeologische onderzoeken in de directe omgeving en in vergelijkbare landschappelijke setting wijzen voor onderhavig plangebied op eventuele archeologische resten uit de gehele periode mesolithicum t/m vroege Nieuwe tijd, met een hoge kans op het aantreffen van resten uit de late preshistorie en middeleeuwen – Nieuwe tijd. Op grond van de bovenstaande verwachting is een vervolgonderzoek gedaan in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Het onderzoek heeft geresulteerd in de onderscheiden van zes sporenclusters. Het plangebied aan de Schoolmeesterstraat ligt niet in een van deze sporenclusters. Het plangebied aan de Kattedoorn is reeds vrijgegeven op het gebied van archeologie. Archeologische resten of vondsten zijn niet te verwachten. Een nader onderzoek is niet benodigd.
Er kan geconcludeerd worden dat het aspect archeologie geen gevolgen heeft voor het planvoornemen. 3.3.3 Cultuurhistorie, objecten en structuren, historisch groen Het gemeentelijk beleid is erop gericht om bestaande cultuurhistorische en architectonische kwaliteiten te handhaven en nieuwe toe te voegen. Hierbij zijn vooral de Monumentenwet, de gemeentelijke Monumentenverordening en de lijst van gemeentelijke monumenten het kader. Binnen het plangebied zijn er geen monumenten gelegen. De boerderij aan de Enschotsebaan nr. 27 (bouwjaar 1880) is in het verleden wel geclassificeerd als cultuurhistorisch waardevol. Dit pand blijft in de onderhavige ontwikkeling gehandhaafd. Er zijn binnen het plangebied geen bomen aanwezig die zijn opgenomen in de Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen (GLMB). 3.3.4 Conclusie Vanuit de historische geografie, archeologie en cultuurhistorie zijn mogelijke relevante plandelen reeds uitputtend onderzocht en (indien nodig) beschermd in het bestemmingsplan Enschotsebaan-Zuid (woningbouw). Voor onderhavig bestemmingsplan volgen hieruit geen verdere kaders.
3.4 Volkshuisvesting Het gemeentelijk woonbeleid volgt primair uit de Woonagenda 2020-2025. Hierin staan de thema's en trends in het wonen, zijn actuele knelpunten geduid en zijn de woonopgaven voor de komende jaren benoemd. In de woonvisie wordt ingezet op de samenstelling en kwaliteit van de bestaande woningvoorraad. Daarnaast blijft de nieuwbouwopgave voor Tilburg belangrijk vanwege de natuurlijke groei, gezinsverdunning en migratie. Centraal in de Woonagenda staat de gemeentelijke opgave om te voorzien in een compleet en gevarieerd palet aan woonmilieus. De woonmilieus vormen de basis voor een voldoende gedifferentieerd woningaanbod, waarin zo veel mogelijk inwoners passende woonruimte kunnen vinden. Passend bij de huishoudenssamenstelling, het inkomen en de mate van zelfredzaamheid van de inwoners. Maar ook passend bij de verschillende leefstijlen. Ten aanzien van de kwalitatieve opgave waar Tilburg als stad voor staat zijn er een aantal kwaliteiten waar vanuit de Woonagenda en de opgave in de stad waarde aan wordt gehecht. Doorwerking plangebied Gemeentelijke woningbouwopgave Het plan past binnen het de gemeentelijke woningbouwopgaven en voldoet aan de beleidsdoelen-Wonen in de woonvisie en de woonagenda 2020-2025. Het draagt namelijk bij aan het leveren van half-vrijstaande woningen in een dorps woonmilieu.
Aantrekkelijk wonen Gemeente Tilburg hecht veel waarde aan de aantrekkelijkheid van de omgeving. In de wijken zijn er diverse doelgroepen te vinden. Door de realisatie van 9 woningen worden er meer verschillende soorten mensen aangetrokken naar de woonwijk. Dit zal ervoor zorgen dat de wijk een aantrekkelijk karakter krijgt. Politiekeurmerk Veilig Wonen Het Politiekeurmerk Veilig Wonen (PkVW) is een keurmerk dat afgegeven wordt voor woningen, complexen en buurten die voldoen aan een voorgeschreven pakket van eisen rond inbraak- en brandpreventie, sociale veiligheid en leefbaarheid. Als uitgangspunt voor alle nieuwbouwprojecten in Tilburg geldt dat het Enschotsebaan-Zuid (woningbouw), 1e herziening (Kattedoorn en Schoolmeesterstraat)
13
Politiekeurmerk dient te worden toegepast en dat certificering plaatsvindt, zowel op woningniveau als op het niveau van de woonomgeving. Het plan Enschotsebaan-Zuid zal aan de criteria van het PKVW voldoen.
3.5 Groen en speelruimte 3.5.1 Bomenbeleid Tilburg Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Ook zijn ze van belang voor biodiversiteit en klimaatadaptatie. Om er niet te laat achter te komen dat er te veel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden, is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Daarom zijn onderstaande documenten vastgesteld: <0000> Bomenverordening 2021 <0000> Bomenbeleid <0000> beoordelingscriteria houtopstanden <0000> Nota 'overige houtopstanden' <0000> Boomwaarde zoneringskaart 2021 <0000> Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen Deze documenten samen vormen het bomenbeleid van de gemeente Tilburg. Bomenverordening De Bomenverordening Tilburg 2021 biedt het particuliere en het gemeentelijke bomenbestand bescherming door middel van een velverbod met bijbehorende regels. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in een normaal en hoog beschermingsregime. Ook de compensatieverplichting maakt onderdeel uit van deze verordening. Boomwaarde zoneringskaart 2017 (BWZ-kaart).
Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare en particuliere houtopstanden binnen de gemeente Tilburg. Op de BWZ-kaart krijgen bomen een waarde toegekend; zones met houtopstanden met een klimaat-, eco-, hoofd-, neven of basiswaarde en daarnaast is er de buiten-zone. Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a. met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen (bescherming tegen vellen), herplantplicht en straatbeeld. Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen (GLMB) Het hebben van een GLMB zorgt ervoor dat deze bomen voldoende juridische bescherming hebben via de Bomenverordening Tilburg 2021. Daarnaast krijgen deze bomen de hoogste prioriteit bij beheer en onderhoud. Wet Natuurbescherming (buiten grens bebouwde kom) In de gemeente Tilburg heeft de gemeenteraad de bebouwde kom ex artikel 4.1 Wet natuurbescherming (Wnb) vastgesteld. Voor bepaalde groepen houtopstanden die buiten deze komgrens staan, geldt op grond van de Wnb een verplichting. Bij velling in groepen houtopstanden met een grootte van meer dan 10 are of bij velling in een rij van meer dan 20 bomen, geldt een meldplicht aan Gedeputeerde Staten (GS) van de Provincie Noord-Brabant. Daarnaast geldt een herplantplicht. Het college van Gedeputeerde Staten kan een velverbod opleggen.
Als er geveld gaat worden, dan is er op grond van de Wnb de eis, dat er ook weer een gelijk aantal houtopstanden terug wordt geplant. Bos dat wordt gekapt, moet worden herplant. Als dat niet op dezelfde plaats kan, dan zal hiervoor ontheffing aan GS moeten worden gevraagd en elders (compensatie op grond van de Wnb) moeten worden herplant. De houtopstanden waarop de Wet natuurbescherming van kracht is, liggen in de zogenaamde Buiten-zone (van de BWZ-kaart). Daar kan daarnaast ook een gemeentelijk velverbod op grond van de Bomenverordening gelden. Beide regelingen kunnen dus naast elkaar van toepassing zijn. Maatregelen in bestemmingsplan De BWZ-kaart dient gebruikt te worden als basis bij alle nieuwbouw-, herontwikkelings- of herstructureringsplannen waar bestaande houtopstanden mee gemoeid zijn. In het bestemmingsplan is de BWZ-kaart verwerkt in de Boomwaardekaart (bijlage bij de regels 2). Bomen met een klimaat-, eco- en hoofdwaarde en monumentale bomen zijn op deze kaart opgenomen. In de regels wordt verwezen naar deze kaart.
Enschotsebaan-Zuid (woningbouw), 1e herziening (Kattedoorn en Schoolmeesterstraat)
14
De juridisch-planologische bescherming bestaat uit een bouwverbod en een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen een straal van 15 meter uit het hart van de desbetreffende boom. Voor de planlocatie hebben deze maatregelen geen effect, aangezien er geen beschermingswaardige bomen in een straal van 15 meter rondom het plangebied staan. 3.5.2 Nota Groen De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is. Tilburg moet in 2020 een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon- en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente. Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen.
Op hoofdlijnen betekent dit: <0000> Inzet op buitenstedelijke groengebieden en het groene netwerk; <0000> het tot zijn recht laten komen van de verschillende karakters van het groen (klassiek-, recreatief- en natuurlijk groen); <0000> het versterken en behouden van het natuurlijk groen. 3.5.3 Nota biodiversiteit Biodiversiteit omvat de totale verscheidenheid van alle levende planten en dieren op aarde. De biodiversiteit neemt wereldwijd af. Het doel van de nota, vastgesteld door de raad op 19 juli 2010, is de biodiversiteit in de gemeente Tilburg te verhogen en beter te beschermen. De visie is gericht op twee niveaus. Het eerste niveau is de flora & fauna, het tweede niveau is gericht op de mensen. Voor de flora en fauna wordt ingestoken op drie strategieën, namelijk vergroten, verbinden en versterken. Voor de realisatie van duurzame habitatnetwerken zal vaak gekozen worden voor een combinatie van deze strategieën. In de eerste plaats is dat het vergroten van leefgebieden. In de tweede plaats kan een duurzaam netwerk ontstaan door gelijksoortige leefgebieden met elkaar te verbinden. Tenslotte kan ingezet worden op het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden. Voor de mensen is natuurbeleving vooral ook van belang in de stad. Door middel van de groene lijnen en de groene gebieden in de stad, kunnen we dicht bij huis ook genieten van de natuur.
Als de groene lijnen en groene gebieden helemaal op orde zijn kunnen de planten en dieren tot in de tuin of op het balkon waargenomen worden. In de nota worden vijf verschillende landschapstypen onderscheiden (agrarisch landschap, beekdallandschap, heide- en boslandschap, landgoederenzone en stedelijk gebied). Per landschapstype wordt een algemene beschrijving gegeven met bijbehorende doelstellingen, maatregelen en knelpunten. Doelstellingen nota biodiversiteit 1. De achteruitgang van de biodiversiteit stoppen vanaf 2010, voor het buitengebied én het bebouwde gebied: in het voorjaar van 2010 is met een nulmeting bepaald aan de hand van de flora en faunagegevens die voor handen zijn. Hierna kan jaarlijks de verandering in de biodiversiteit worden bijgehouden. 2. Biodiversiteit 'tot aan de voordeur': biodiversiteit verhogen in het openbaar gebied waardoor het letterlijk tot aan de voordeur/ de voortuin van de bewoners van Tilburg komt. 3. In 2020 zijn 50% van alle aangeplante bomen en struiken binnen de bebouwde kom ten gunste van de biodiversiteit: zo veel mogelijk gebruik maken van autochtoon plantmateriaal met een aanvulling van soorten die een bijdrage leveren aan biodiversiteit door middel van bv. nestgelegenheid, voedsel en/of schuilgelegenheid. In 2016 is aanvullend op bovenstaand groenbeleid de 'agenda groen in de stad' vastgesteld (college 19-07-2016).
3.5.4 Agenda groen in de stad De agenda groen in de stad (vastgesteld door het college op 19 juli 2016) gaat samen met beheerbeleidsplan Groen op Niveau, en de nota’s groen en biodiversiteit) over de toekomst van groen in de stad. De agenda groen geeft de kaders om de impuls voor groen in de stad goed in te zetten. Het geeft duidelijk richting aan de groene koers voor de in de omgevingsvisie 2040 omschreven netwerken, gebieden en structuren en omvat een integrale visie op het groen voor de (middel)lange termijn gebaseerd op de drie pijlers klimaatbestendige stad, beleefbaar groen en het verhogen van biodiversiteit. Voor het halen van de doelstellingen op het gebied van biodiversiteit is de Stadsnatuurkaart 2040 opgesteld (gekoppeld aan agenda groen in de stad). Inmiddels is deze op 10 maart 2022 geactualiseerd (vastgesteld door de raad). Enschotsebaan-Zuid (woningbouw), 1e herziening (Kattedoorn en Schoolmeesterstraat)
15
3.5.5 Stadsnatuurkaart De Stadsnatuurkaart 2040, vastgesteld door de gemeenteraad op 10 maart 2022, is de actualisatie van de Stadsnatuurkaart die samen met de agenda groen in de stad in 2016 eerder is vastgesteld. Biodiversiteit en natuur zijn belangrijk voor al onze inwoners en de aantrekkelijkheid van de stad. Samen met de Bomenverordening, bijbehorend bomenbeleid en bestemmingsplannen vormt de Stadsnatuurkaart 2040 de beleidsmatige randvoorwaarden en instrumenten die ervoor moeten zorgen dat biodiversiteit in het stedelijk gebied behouden blijft en waar het kan, wordt versterkt. Op de Stadsnatuurkaart 2040 zijn onder meer de ecologische structuren benoemd. Hieraan is een duidelijke maatvoering gekoppeld. Deze maatvoering wordt zowel bij de start van ruimtelijke ontwikkelingen als gedurende het verdere proces meegenomen om zo de ecologische kwaliteit op een juiste manier mee te nemen. De grote ambities en veelheid van belangen die spelen in ruimtelijke ontwikkelingen, maken een heldere en duidelijke structuur en maatvoering voor ecologie wenselijk. 3.5.6 Uitvoeringsagenda Koel Tilburg Het klimaat verandert sneller dan verwacht en zet de leefbaarheid van de stad onder druk. We willen dat onze stad en dorpen prettig zijn om in te wonen, te werken en te verblijven.
Daarom willen we dat de stad leefbaar blijft tijdens hittegolven, dat regenwater geen schade veroorzaakt en dat de Tilburgse bodem niet verder uitdroogt. In de Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie is opgeschreven hoe we in Tilburg samenwerken aan een Koel Tilburg. De Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie Koel Tilburg is tot stand gekomen door in gesprek te gaan met partijen uit de stad. We zetten in op bewustwording, gedeeld eigenaarschap en projecten van en met de stad. Om hier een olievlekwerking van uit te laten gaan. Initiatiefnemers, bedrijven en organisaties uit de stad die bijdragen aan de doelstellingen nodigen we nadrukkelijk uit om mee te gaan in de beweging die met de Uitvoeringagenda Klimaatadaptatie Koel Tilburg in gang is gezet. Ieder initiatief of ontwikkeling moet bijdragen aan het klimaatbestendiger maken van de stad. Om hier richting aan te geven hebben we zes doelstellingen geformuleerd en zijn er beleidsregels voor een klimaatrobuuste inrichting en ontwerp vastgesteld. De beleidsregels voor het omgaan met regenwater zijn uitgewerkt in het Programma Water en Riolering 2020-2023 (zie paragraaf 5.1). De beleidsregels worden juridisch verankerd in onder andere bestemmingsplanregels en Handboek Openbare Ruimte. 3.5.7 Conclusies Deze kaarten, agenda’s en nota’s vormen de beleidskaders t.a.v. groen in de omgeving.
Aan de Schoolmeesterstraat wordt een stuk grond met de bestemming ‘Groen’ veranderd naar de bestemming ‘Woongebied’ (zie figuur 4). In vigerend bestemmingsplan zijn op twee deelgebieden de bestemming ‘Groen’ opgenomen. Deze herbestemming is daarmee een rectificatie op vigerend plan. Daarnaast hebben de groenstroken geen beschermwaardige bomen of structuren. Binnen het overige plangebied bevinden zich geen beschermwaardige bomen of structuren. De ontwikkelingen op de planlocaties moeten voldoen aan de doelstellingen van de uitvoeringsagenda koel Tilburg en de Nota Biodiversiteit.
Enschotsebaan-Zuid (woningbouw), 1e herziening (Kattedoorn en Schoolmeesterstraat)
16
3.6 Verkeer en parkeren 3.6.1 Mobiliteitsaanpak Tilburg De 'Mobiliteitsaanpak Tilburg, Samen op weg naar 2040' schetst een toekomst waarin slim en duurzaam vervoer centraal staat. Dat betekent: nieuwe technologieën toepassen, maar ook de gebruiker centraal stellen. Niet als doel op zich, maar om bij te dragen aan een leefbare stad. Daarnaast zet Tilburg in op duurzaamheid: we houden nadrukkelijk rekening met toekomstige generaties. De gemeentelijke mobiliteitsaanpak is het vervolg op het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Dat ging vooral over verkeersstromen en vervoermiddelen. In de nieuwe werkwijze vormt de mens het uitgangspunt: wat hebben inwoners, bezoekers en bedrijven nodig om van A naar B te komen? Met deze aanpak wil de gemeente niet alleen verkeersstromen in goede banen leiden, maar ook de kwaliteit van leven in de stad behouden en verbeteren. Mobiliteitsagenda 013 De hoofdlijnen uit de mobiliteitsaanpak zijn nu uitgewerkt in een agenda met concrete maatregelen en opgaven voor de korte, middellange en lange termijn. In een aantal Tilburgse proeftuinen wordt samen met onderwijs, bedrijfsleven en uiteraard de gebruikers gewerkt aan innovaties op het gebied van slimme mobiliteit. Deze MobiliteitsAgenda013 wordt jaarlijks geactualiseerd in september.
Ontsluiting van de planlocaties in Enschotsebaan-Zuid Autoverkeer De planlocaties worden voor het autoverkeer aangesloten op de Enschotsebaan. Via de Kerkstraat kan vervolgens snel de Bosscheweg worden bereikt. De Enschotsebaan biedt verder een ontsluiting richting de N261 via de Zwartrijt en de Koningsoordlaan. Openbaar vervoer De huidige busverbinding naar Tilburg ligt aan de Bosscheweg of Kerkstraat. Beide busstations liggen op ca. 400 meter van het plangebied. Op groter afstand is in het plangebied Koningsoord nabij het nieuwe winkelcentrum een ruimtereservering opgenomen voor een nieuw NS-station aan de spoorlijn Tilburg-Den Bosch. De situering hiervan maakt een ruimtelijke koppeling mogelijk tussen het dorpscentrum en het mogelijk nieuwe station. 3.6.2 Hoofdlijnennotitie Parkeren 2016 Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Hoofdlijnennotitie Parkeren. Deze is april 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Wij richten ons als stad op gastvrijheid voor de bezoeker, een betere leefkwaliteit voor bewoners en economische vitaliteit van de binnenstad. Wij willen de beschikbare parkeercapaciteit optimaal benutten. Daar hoort bij dat wij parkeerders op de juiste plek faciliteren, ook voor specifieke voorzieningen zoals deelauto’s, elektrische auto’s en andere doelgroepen.
Het beter benutten van bestaande parkeercapaciteit van garages en terreinen leidt tot minder zoekverkeer en blik in de woonstraten en biedt kansen voor versterking van ruimtelijke kwaliteit en nieuw groen. De vastgestelde kaders voor het parkeervraagstuk bij bouwontwikkelingen zijn: <0000> Voor het inschatten van de parkeerbehoefte bij nieuwe ontwikkelingen de CROW-richtlijn te hanteren; <0000> In de toepassing van parkeernormen meer vrijstellingen te hanteren, zonder daarbij de (directe) omgeving van de ontwikkeling te belasten met (toekomstige) parkeeroverlast; <0000> Het PPS-gebied in de Spoorzone aan te wijzen als een gebiedsontwikkeling die in zijn eigen parkeerbehoefte moet voorzien, waarbij alleen op (tijdelijke) piekmomenten de parkeercapaciteit in de directe omgeving een uitwijkmogelijkheid is, met name voor bezoekers; <0000> Het basisprincipe te blijven hanteren dat een nieuwe ontwikkeling de parkeerbehoefte op eigen terrein oplost, maar wel de mogelijkheid te bieden af te wijken van deze verplichting zolang daar met voldoende zekerheid geen parkeeroverlast voor de omgeving uit volgt; <0000> Indien wordt afgeweken van het basisprincipe daarvoor het instrument van een afkoopregeling in te zetten, waarmee de afkoopsom de gemeente de gelegenheid geeft om zo nodig maatregelen te treffen om (toekomstige) parkeeroverlast in de omgeving te voorkomen.
3.6.3 nota 'Parkeernormen Tilburg 2017'
Enschotsebaan-Zuid (woningbouw), 1e herziening (Kattedoorn en Schoolmeesterstraat)
17
In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' zijn de parkeernormen en berekeningsmethode vastgelegd. Bij het hanteren van de parkeernormen wordt uitgegaan van een minimaal te realiseren aantal parkeerplaatsen. Deze parkeereis dient bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, minimaal te worden gerealiseerd. De hoofdfunctie is bepalend voor de toe te passen parkeernorm. Het CROW kent voor een range aan functies een parkeernorm. Om de parkeernormen overzichtelijk te houden, is ervoor gekozen om de belangrijkste functies die in gemeente voor komen, op te nemen. Bij de berekening van de parkeerbehoefte wordt rekening gehouden met zaken als dubbelgebruik, regeling 'oud voor nieuw', rekenregels parkeervoorzieningen bij woningen en het beïnvloeden van de parkeerbehoefte door maatregelen als regulering en mobiliteitsplannen bij bedrijven. Doorwerking plangebied Voor kleine bouwontwikkelingen wordt geen parkeereis gesteld. Kleine ontwikkelingen (ontwikkelingen met een (toename van de) parkeerbehoefte van maximaal 3 parkeerplaatsen) hebben in de regel een marginaal effect op een toename van de parkeerdruk in de omgeving. Er is geen afname in parkeergelegenheid met deze wijziging. Op alle kavels worden parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd. De volledige parkeerbehoefte wordt volledig op eigen terrein opgevangen.
Er is geen verlies van parkeerplaatsen in openbaar gebied.
Enschotsebaan-Zuid (woningbouw), 1e herziening (Kattedoorn en Schoolmeesterstraat)
18
Hoofdstuk 4 Milieuaspecten 4.1 Milieueffectrapportage Het voornemen dient te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. waaruit blijkt of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER) en de bijbehorende procedure (m.e.r.) is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij enkel om plannen en projecten waarbij het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. In juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. De vraag of door voorgenomen activiteiten belangrijke nadelige milieugevolgen veroorzaakt kunnen worden staat centraal bij het beoordelen of een m.e.r. moet worden uitgevoerd. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a van de Wet milieubeheer zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Het maakt daarvoor niet uit of het een activiteit onder of boven de D-drempel betreft. Doorwerking projectlocatie Dit project kan aangeduid worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (bijlage D 11.2). Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r. beoordelingsplichtig indien het betreft een gebied met een oppervlakte van meer dan 100 hectare, of meer dan 2000 woningen of meer dan 200.000 bruto vloeroppervlakte bevat.
Aan al deze criteria voldoet het plangebied niet. Op grond hiervan is geen m.e.r. nodig. Verder blijkt uit de in het vervolg van dit hoofdstuk genoemde onderzoeken dat er geen (mogelijke) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, eventueel na het treffen van maatregelen, aanwezig zijn. Binnen het plangebied zijn geen Natura2000 of NNN-gebieden aanwezig. De voorgenomen ontwikkeling heeft derhalve geen directe effect op de Natura2000- of NNN-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’ bevindt zich op ongeveer 2150 meter van het plangebied. Gezien de afstand (>500 meter) en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling kunnen negatieve effecten op dit natura 2000gebied op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten. Geconcludeerd wordt dat er geen verplichting is tot het opstellen van een MER of een m.e.r.-beoordeling voor deze ontwikkeling.
4.2 Milieuhinder bedrijven Bij het beoordelen van (binnen het plangebied of elders gelegen) de bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG-brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden. Doorwerking projectlocatie Alle bedrijven binnen het plangebied en daarnaast die bedrijven erbuiten, waarvan de indicatieve milieucontouren over het plangebied liggen, zijn geïnventariseerd. Deze inventarisatie verschaft inzicht in de milieucategorie waartoe het bedrijf behoort en is gebruikt om de bestaande, binnen het plangebied gelegen, bedrijven in het bestemmingsplan vast te leggen en eventuele knelpunten te signaleren.
Omdat het bestemmingsplan een beheersmatig karakter heeft, zijn deze bedrijven uit de inventarisatie allen in het bestemmingsplan opgenomen. Er is vanuit gegaan dat de bestaande bedrijven voldoen aan de milieuvoorschriften volgend uit de Wet milieubeheer en zodoende geen overlast veroorzaken voor de omgeving. Een aantal bedrijven is op basis van hun activiteiten en de daarmee samenhangende milieucategorie niet wenselijk op het desbetreffende adres. Een dergelijk bedrijf mag haar bestaande activiteiten voortzetten en eventueel uitbreiden, voor zover de regels dat toelaten. Zodra zo´n bedrijf zijn activiteiten beëindigt, moet worden voldaan aan de milieucategorie die bij de omgeving hoort. Wel mag op de desbetreffende locatie een soortgelijke activiteit plaatsvinden, mits de nieuwe activiteit niet in een hogere milieucategorie valt dan de oude.