CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

06 Toelichting BP Oude Stad Noordwest 2016, 3e herz

Raadsvergadering 3 oktober 2022, gemeente TilburgBij agendapunt: -Raadsvoorstel BP Oude Stad Noordwest 2016, 3e herziening (Hasseltstraat 171-181)27.923 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Daarnaast zijn ook bestaande bedrijven met een afwijkende milieucategorie bestemd in het bestemmingsplan Oude Stad Noordwest 2016. Aan het aangrenzende perceel Van Bylandtpad 2 is op grond van dit bestemmingsplan een categorie 3.2-bedrijf toegestaan. Voor dit bedrijf geldt - op basis van een gemengd gebied - een maximale richtafstand van 50 meter (voor geluid). Het plangebied ligt binnen deze richtafstand. Daarom is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Deze wordt verder toegelicht onder de paragraaf 4.5.3 Industrielawaai.

Oude Stad Noordwest 2016, 3e herziening (Hasseltstraat 171-181)

19

4.3 Externe veiligheid 4.3.1 Inleiding Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures: 1. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 2004 (sindsdien enkele keren aangepast); 2. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van 1 april 2015; 3. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van 1 januari 2011. Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen". 4.3.2 Verantwoordingsplicht Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling in het invloedsgebied van een risicobron ligt.

Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald. In het document "Risicoinventarisatie en verantwoording groepsrisico" (Bijlage 2 Risicoinventarisatie en verantwoording groepsrisico) zijn de relevante risicobronnen geïnventariseerd. Hieruit blijkt dat het plangebied in zowel het invloedsgebied van het spoortraject Breda - Tilburg - Vught als het invloedsgebied van de Rijksweg A58 ligt. De verantwoordingsplicht is hiervoor ingevuld en opgenomen in de genoemde bijlage. 4.3.3 Beleidsvisie externe veiligheid In de beleidsvisie externe veiligheid wordt het gebied waarin het plangebied ligt aangemerkt als een luw gebied. Binnen een luw gebied gelden de volgende voorwaarden: <0000> Kwetsbare objecten zijn overal mogelijk; <0000> Geschikt voor bijzonder kwetsbare functies/objecten; <0000> Bestaande risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden mogelijk; <0000> Bevi-inrichtingen zijn niet mogelijk; <0000> Beheersbaarheid gericht op effecten van mogelijke calamiteiten op orde. Aan bovengenoemde randvoorwaarden wordt voldaan. De beoogde ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid.

4.3.4 Conclusie en restrisico Het plangebied ligt zowel binnen het invloedsgebied van het spoortraject Breda - Tilburg - Vught als binnen het invloedsgebied van de Rijksweg A58. Personen in het plangebied worden aan externe veiligheidsrisico's blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen deze invloedsgebieden is de verantwoordingsplicht ingevuld (zie Bijlage 2 Risicoinventarisatie en verantwoording groepsrisico). De Brandweer Midden- en West-Brabant heeft aangegeven dat gebruik kan worden gemaakt van het standaardadvies. De relevante onderdelen uit het advies zijn verwerkt in de verantwoording. Uit het bovenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken: <0000> de 10-6/jaar plaatsgebonden risicocontour van risicobronnen in de omgeving van het plangebied vormt geen belemmering voor het initiatief; <0000> de brandweer voldoet wat de opkomsttijd betreft aan de normen van het dekkings- en spreidingsplan; <0000> de bereikbaarheid van het plangebied is goed; <0000> bewoners kunnen gealarmeerd worden via de WAS-palen of NL-Alert; <0000> de aanwezigen kunnen het plangebied goed ontvluchten; <0000> bij een incident met een toxische wolk is binnen schuilen vaak de beste oplossing. Bij mechanische ventilatie heeft het de voorkeur dat deze in de meterkast kan worden uitgezet.

Hiermee is langdurig verblijf inpandig bij een toxische wolk mogelijk;

Oude Stad Noordwest 2016, 3e herziening (Hasseltstraat 171-181)

20

<0000>

goede communicatie kan een bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid van personen. In Tilburg vindt communicatie plaats via de Risicokaart, en de risicocommunicatie-campagne Denk Vooruit.

Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.

4.4 Vuurwerk Binnen het bestemmingsplan zijn geen bestaande verkooppunten en opslagen van consumentenvuurwerk en opslagen van professioneel vuurwerk aanwezig. Burgemeester en wethouders kunnen voor nieuw te vestigen verkoopruimten en opslagen van consumentenvuurwerk en ten behoeve van het uitbreiden, verbouwen en/of verplaatsen van bestaande (buffer)bewaarplaatsen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bestemmingsplan. Bij nieuwvestiging van vuurwerkverkooppunten en/of opslag van consumentenvuurwerk wordt te allen tijde als voorwaarde opgenomen dat de veiligheidscontour zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit op het eigen perceel gesitueerd dient te zijn tenzij de veiligheidscontour zich uitstrekt over openbaar gebied en hierbij geen sprake is van kwetsbare en/of geprojecteerde kwetsbare objecten. Op basis van de veiligheidsafstanden in het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Staatsblad 33 (2002), houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk) is het niet mogelijk om professioneel vuurwerk op te slaan (en te bewerken) in Tilburg. Er wordt daarom geen medewerking verleend aan nieuwvestiging van vuurwerkbedrijven van professioneel vuurwerk.

4.5 Geluid Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden. 4.5.1 Wegverkeerlawaai Het bestemmingsplan maakt de bouw van vijf woningen mogelijk. Het bestemmingsplan is gelegen in de geluidzones van de Dillenburglaan/Willem de Rijkestraat (50 km/h-weg) en de Hasselstraat (deels 50 km/h-weg). De gemeente Tilburg beschikt over een eigen akoestisch rekenmodel (prognosejaar 2030); met dit rekenmodel zijn de geluidbelastingen van deze wegen bepaald. Uitgangspunten Als basis is de planologische situatie genomen. In een deel van het plan is een bouwhoogte van 10,5 meter toegestaan. Voor de overige twee delen een bouwhoogte van 7 meter. In het rekenmodel is voor de bouwhoogte van 7 meter uitgegaan van een waarneemhoogte van 1,5 en 4,5 meter. Reden hiervoor is dat het aannemelijk is dat er maximaal twee bouwlagen worden gerealiseerd. Voor het gedeelte waar een bouwhoogte van 10,5 meter planologisch is toegestaan zijn waarneempunten op 1,5 en 4,5 en 7,5 meter boven maaiveld (rekenpunten 02-H en 05-HA, zie onderstaande afbeelding) gelegd.

Hierbij is uitgegaan van een bouwplan met drie bouwlagen.

Oude Stad Noordwest 2016, 3e herziening (Hasseltstraat 171-181)

21

Figuur 7 - Overzicht rekenpunten.

De omliggende gebouwen zijn conform werkelijke bouwhoogte in het rekenmodel ingevoerd. Er is gerekend met een akoestisch harde bodem vanwege de stedelijke omgeving. De gehanteerde verkeersgegevens zijn afkomstig uit het gemeentelijk verkeersmodel. Daarbij is de Dillenburglaan/Willem de Rijkestraat als één weg beschouwd, omdat deze twee wegen vanuit het bestemmingsplan gezien worden als één doorlopende weg (tot de kruising met de Hasseltstraat). De aangehouden wegdekverharding is voor de Dillenburglaan oppervlaktebewerking. Voor de Willem de Rijkestraat en de Hasseltstraat is uitgegaan van standaard asfalt. De aangehouden rijsnelheid voor de wegen bedraagt 50 km/h. De overige 30 km/h wegen zijn akoestisch gezien niet relevant geacht (o.a. van Bylandpad). Rekenresultaten Uit de berekening blijkt dat vanwege het wegverkeer op de Dillenburglaan/Willem de Rijkestraat bij twee waarneempunten een overschrijding plaatsvindt van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Zo is ter plaatse van waarneempunt 01-H op een hoogte van 4,5 meter een geluidbelasting van 50 dB berekend en is ter plaatse van rekenpunt 02-H sprake van een belasting van 49 dB (op 7,5 meter hoogte). Het wegverkeer op de Hasseltstraat leidt niet tot een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De maximaal optredende geluidbelasting bedraagt 40 dB.

Voor het bestemmingsplan is een (ontwerp)besluit hogere grenswaarde genomen. Dit besluit is toegevoegd als bijlage bij de regels. 4.5.2 Railverkeerlawaai Binnen het plangebied zijn geen geluidgevoelige bestemmingen gelegen binnen de zone van het spoortraject Tilburg-Breda / Tilburg-Eindhoven / Tilburg-'s-Hertogenbosch. De normen uit hoofdstuk VII ("zones langs spoorwegen") van de Wet geluidhinder zijn hierdoor niet van toepassing. 4.5.3 Industrielawaai In het plangebied is de vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder Onderdeel D van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing. Het plangebied is niet gelegen binnen de 50 dB(A) contour van een gezoneerd industrieterrein respectievelijk de 50 dB(A) contour van een industrieterrein waarvoor een geluidbeheerplan is vastgesteld. Vanwege de ligging van het plangebied binnen de richtafstand van 50 meter van een 3.2 bedrijf is door De Roever Omgevingsadvies een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Voor de uitgangspunten en rekenresultaten wordt verwezen naar het rapport “Akoestisch onderzoek industrielawaai Van Bylandtpad naast 2, d.d. 7 juli 2020 met referentie 20190887.v02” (Bijlage 3 Akoestisch onderzoeksrapport industrielawaai).

Oude Stad Noordwest 2016, 3e herziening (Hasseltstraat 171-181)

22

In het kader van de beoordeling van een goede ruimtelijke ordening wordt op basis van de VNG-publicatie voor stap 2, uitgaande van gebiedstype gemengd gebied, geadviseerd de rekenresultaten te toetsen aan: <0000> 50 dB(A) etmaalwaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau; <0000> 70/65/60 dB(A) voor het maximale geluidniveau voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode; <0000> 50 dB(A) etmaalwaarde voor de indirecte hinder. Indien niet aan de richtwaarden van stap 2 wordt voldaan kan de gemeente hogere geluidniveaus toestaan tot de waarden zoals aangegeven in stap 3 van de VNG-publicatie. Het bevoegd gezag dient dan wel te motiveren waarom het deze geluidbelasting in de concrete situatie acceptabel acht waarbij tevens de cumulatie met eventueel reeds aanwezige geluidbelasting moet worden betrokken.

Uit de rekenresultaten blijkt dat: <0000> ruimschoots voldaan wordt aan de richtwaarden van stap 2 van de VNG-publicatie voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau; <0000> ruimschoots voldaan wordt aan de richtwaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde voor de indirecte hinder; <0000> ter plaatse van de nieuwe woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; <0000> de inrichting gelegen aan het Van Bylandtpad 2 niet in de bedrijfsvoering wordt beperkt en tevens kan voldoen aan de grenswaarden van het Activiteitenbesluit milieubeheer. 4.5.4 Luchtvaartlawaai Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze-Rijen gelden in delen van Tilburg geluidzones (de zogenaamde Ke-zones). Deze zones liggen niet over het plangebied.

4.6 Lucht Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De bestemmingen in het plangebied zijn getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen uit hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Het plan voorziet in de realisatie van vijf woningen. Hierdoor kan het plan worden gekenmerkt als een "niet in betekenende mate"-project, zoals bedoeld in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). Er zijn geen luchtgevoelige bestemmingen, zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Vanuit de Wet milieubeheer bestaat dan ook geen bezwaar tegen dit plan.

4.7 Geur 4.7.1 Industriële geurhinder In en om het plangebied is geen zware industrie toegestaan. Hier zal dus ook geen sprake zijn van industriële geurhinder. 4.7.2 Agrarische geurhinder In en om het plangebied zijn geen agrarische bedrijven toegestaan. Hier zal dus ook geen sprake zijn van agrarische geurhinder.

4.8 Bodem In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een bodemonderzoek. In beginsel dient een bestemmingsplan(-wijziging) minimaal vergezeld te worden van een verkennend bodemonderzoek, conform de NEN 5740, die niet ouder is dan vijf jaar. 4.8.1 Bodembeleid gemeente Tilburg

Oude Stad Noordwest 2016, 3e herziening (Hasseltstraat 171-181)

23

Naast het bovengenoemde, landelijk erkende onderzoeksprotocol is voor de paragraaf en de herontwikkeling verder van belang. Nota "In goede aarde" In deze nota valt te lezen hoe de gemeente Tilburg te werk gaat bij bodemsanering in Tilburg (specifiek Bodembeleid gemeente Tilburg). In deze context en de navolgende wordt opgemerkt dat in Noord-Brabant, zo ook in Tilburg, regelmatig verhoogde waarden voor (zware) metalen in grond en grondwater aangetroffen worden zonder direct aanwijsbare bron. Dergelijke verhoogde waarden zijn eerder regel dan uitzondering, hebben een diffuus verspreidingsbeeld en kunnen sterk in tijd en ruimte variëren. Conform de nota zijn verhoogde waarden aan (zware) metalen, met name nikkel, koper, zink en arseen, in dergelijke gevallen als verhoogde achtergrondgehalten te beschouwen. Deze vormen over het algemeen geen actuele risico's voor de gezondheid en het milieu. Bodembeheerplan (Bodemkwaliteitskaart) Op basis van reeds uitgevoerde bodemonderzoeken op onverdachte terreinen is de Tilburgse bodemkwaliteitskaart vastgesteld. In de Tilburgse bodemkwaliteitskaart worden bodemkwaliteitszones onderscheiden. Per bodemkwaliteitszone is de gemiddelde bodemkwaliteit vastgesteld. Het plangebied is gelegen in de bodemkwaliteitszone 'Wonen' (Toepassingskaart/Bodemfunctieklassenkaart).

Ten aanzien van voornoemde zone mag de bodemkwaliteit niet verslechteren d.w.z., er mag in principe geen grond worden toegepast van een slechtere kwaliteit. Grond uit deze zone kan worden toegepast in worden in de eigen zone of een zone met dezelfde kwaliteit ('Wonen') en in de zone 'Industrie'. Uitdrukkelijk wordt verwezen naar de 'Nota bodembeheer gemeente Tilburg'. Daarin staat beschreven wat de (on-)mogelijkheden en uitzonderingen zijn van de toepassing of hergebruik van gebiedseigen grond van een mindere kwaliteit. De actuele/werkelijke grondkwaliteit wordt hierna behandeld. 4.8.2 Bodemkwaliteit plangebied In verband met deze herziening van het bestemmingsplan is geen nieuw bodemonderzoek aangeleverd, maar er zijn voldoende bodemgegevens bekend (locatiecode iBIS: AA085500239): 1. Verkennend bodemonderzoek Hasseltstraat 173 t/m 179 te Tilburg, Lankelma Geotechniek Zuid BV, rapportkenmerk 1702573, definitief, 22 december 2017 (TBG rapportcode AA085531021), inclusief de daarin genoemde oudere/verouderde onderzoeken, 2. Milieukundige begeleiding en bodemonderzoek Hasseltstraat 175 t/m 181 te Tilburg, Tritium, rapportkenmerk 1810/129/HL-02, versie 0, 17 december 2018 (TBG rapportcode AA085531946), 3. Plan van Aanpak grondsanering Hasseltstraat 175-177, Tritium, rapportkenmerk 1812/062/HL-01, 18 december 2018 (TBG rapportcode AA085532003), 4.

Nader asbestonderzoek Hasseltstraat 175-181 te Tilburg, Tritium, rapportkenmerk 1812/063/HL-01, versie 0, 5 februari 2019 (TBG rapportcode AA085532020), 5. Instemmingsbrief bevoegd gezag Wet bodembescherming op Plan van Aanpak sanering onder 4) genoemd (exclusief asbest), Omgevingsdienst OMWB, briefkenmerk/zaaknummer 18121083, 5 februari 2019, 6. Evaluatie grondsanering Hasseltstraat 175-179 te Tilburg, Tritium, kenmerk: 1812/062/HL-02 versie 0, 25 maart 2019, 7. Instemmingsbrief bevoegd gezag Wet Bodembescherming op evaluatieverslag onder 6) genoemd, Omgevings OMWB, briefkenmerk/zaaknummer: 19031794, 9 april 2019 8. BUS-melding sanering asbest-in-grond, 1812/062/HL-01, 18-12-2018 9. BUS-melding immobiel, 27032019 10. Evaluatieverslag BUS-sanering asbest-in-grond, 1812/062/HL-02, 25-03-2019 11. Evaluatieverslag BUS-sanering asbest-in-grond, 1902/130/HL-02, 27-06-2019 12. Instemming Instemmingsbrief bevoegd gezag Wet bodembescherming op BUS-sanering asbest-in-grond, 13. Indicatieve Partijkeuringen grond Hasseltstraat te Tilburg, Tritium, (brief-)rapportkenmerk 1810/129/HL-01, 14 november 2018 (TBG rapportcode: partijkeuringen worden niet in het bodeminformatiesysteem geregistreerd en hebben daarom geen AA-rapportcode), De onder 1. en 2. genoemde bodemonderzoeken zijn verkregen en beoordeeld tijdens twee aanvragen omgevingsvergunning '(ver)bouwen van een bouwwerk' (Wabo).

De omgevingsvergunning is onder

Oude Stad Noordwest 2016, 3e herziening (Hasseltstraat 171-181)

24

(bodem-)voorwaarden verleend. De bodemvoorwaarden hebben geleid tot de overige bodemdocumenten, waaronder drie grondsaneringen (verwijderingen). 4.8.3 Conclusie Op basis van de onderzoeken en na sanering kan worden geconcludeerd dat de bodemkwaliteit geschikt is (gemaakt) voor de voorziene functies: de tot ten hoogde licht verhoogde gehalten aan diverse stoffen in zowel grond als grondwater, vormen geen belemmering voor het voorgenomen herbestemming/gebruik. Met in achtneming van het navolgende zijn er geen gebruiksbeperkingen. Op aanvoer van grond of afvoer van overtollige, overwegend licht verontreinigde grond, is het landelijk Besluit bodemkwaliteit van toepassing en het gemeentelijke bodembeheerplan/de bodemkwaliteitskaart, indien de overtollige grond binnen Tilburg wordt hergebruikt/toegepast.

4.9 Natuur en ecologie 4.9.1 Wettelijke kaders De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven. Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.

Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën: <0000> Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats (deze soorten zijn benoemd in het document "Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep", Dienst Regelingen, 2009. Hierin worden 4 categorieën vogels genoemd waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn, en een categorie 5 waarvan de nesten onder bepaalde voorwaarden jaarrond beschermd zijn) <0000> Overige inheemse broedvogels <0000> Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn <0000> Nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling (de algemene vrijstellingen zijn door iedere provincie in verordeningen vastgelegd.

In Noord-Brabant zijn de vrijgestelde soorten benoemd in de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant) <0000> Nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling. Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze Oude Stad Noordwest 2016, 3e herziening (Hasseltstraat 171-181)

25

soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode. Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rusten voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode. Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Verordening ruimte Noord-Brabant 2014. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden.

Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw. 4.9.2 Analyse plangebied Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt op ruime afstand van wettelijk beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Kampina & Oisterwijkse Vennen op een afstand van circa 5,3 kilometer.

Gezien deze afstand en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling kunnen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten. Natuurbescherming in Verordening ruimte Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Brabant (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) en de Groenblauwe Mantel, zoals begrensd op de kaarten van de Verordening Ruimte. De dichtstbijzijnde gebieden die tot het Natuurnetwerk Brabant behoren, liggen op circa 800 meter (Wilhelminekanaal) van het plangebied. Externe effecten op het Natuurnetwerk Brabant, zoals benoemd in artikel 5.1 lid 7 van de Verordening Ruimte, zijn gezien deze afstand en zeer beperkte externe invloed redelijkerwijs uit te sluiten. Soortenbescherming Het plangebied ligt binnen het gebied waar het "Soortenmanagementplan Oude Stad Tilburg" van toepassing is en gebruik gemaakt kan worden van de gebiedsontheffing voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen. In voorliggend plan wordt voor de sloop van de aanwezige bebouwing gebruik gemaakt van deze gebiedsontheffing. Om te voldoen aan de ontheffingseisen zal men maatregelen in acht nemen. Deze maatregelen zijn enerzijds gericht op zorgvuldig werken en anderzijds op het creëren van vervangende verblijfplaatsen.

Gezien de aard van het gebouw en de verspreidingsgegevens van gebouwbewonende soorten is de locatie het meest kansrijk voor huismus en gierzwaluw. Met name de achtergevels (oostgevels) van de lessenaarsdaken zijn ideaal voor gierzwaluwen. Om die reden wordt voorgesteld dat in de nieuwbouw terug gebracht wordt: 1. Toegankelijke ruimten onder overstekende dakpannen voor gierzwaluwen. Als dat niet mogelijk is, dan als alternatief inmetselstenen voor gierzwaluw (tenminste 4 stuks). 2. Nestgelegenheid voor huismus, bv. onder dakpannen of tenminste 6 inmetselstenen. 4.9.3 Conclusie

Oude Stad Noordwest 2016, 3e herziening (Hasseltstraat 171-181)

26

Vanuit de wettelijke gebiedsbescherming van Natura 2000-gebieden zijn geen beperkingen of voorwaarden aan het plan verbonden. Ook vanuit de natuurbeschermingsregels uit de Verordening Ruimte (Natuurnetwerk Brabant en Groenblauwe Mantel) zijn geen beperkingen of voorwaarden aan het plan verbonden. Het bestemmingsplan kan in overeenstemming met de wettelijke soortenbescherming worden uitgevoerd, mits de volgende voorwaarden in acht worden genomen: <0000> Bij sloop en nieuwbouw dient te worden gewerkt conform de eisen van de gebiedsontheffing gebouw bewonende soorten; <0000> Begroeiingen waarin vogels kunnen nestelen worden verwijderd buiten het broedseizoen.

Oude Stad Noordwest 2016, 3e herziening (Hasseltstraat 171-181)

27

Hoofdstuk 5 Wateraspecten 5.1 Bestaand watersysteem De belangrijkste kenmerken van het gebied zijn weergegeven in tabel 1. Het plangebied betreft een deel van de percelen aan de achterzijde van de woningen aan de Hasseltstraat 171 t/m 181 te Tilburg. Kenmerk Waterbeheerders

Bruto oppervlakte Terreinhoogte Gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) Ontwateringdiepte Bodem Riolering Afkoppelgebied Oppervlaktewater Keur beschermde gebieden

In plangebied Stedelijk watersysteem: gemeente Tilburg Zuivering afvalwater: waterschap De Dommel Oppervlaktewater: waterschap De Dommel ca. 960 m² ca. NAP+13,4 m ca. NAP+11,8 m ca. 1,6 m Zwakzandige leemlenzen dikker dan 1 meter Gemengde riolering Deels vastgesteld afkoppelgebied Niet van toepassing Niet van toepassing

Tabel 1 - Gebiedskenmerken

In de omgeving van het plangebied is gemengde riolering aanwezig. Het afvalwater en het regenwater worden gecombineerd ingezameld en getransporteerd naar de zuiveringsinstallatie van waterschap De Dommel aan de noordkant van Tilburg. In de bestaande situatie is een het plangebied in gebruik als achtererf van enkele woningen. Naast een groot deel erfverharding zijn er enkele schuren gesitueerd en is er sprake van een deel onverharde tuin. In tabel 2 zijn de bestaande oppervlakten weergegeven. Oppervlakten *

Niet-afvoerende oppervlakte (m²) 0 0 190 190

Afvoerende Totaal oppervlakte (m²) (m²) Dak 290 290 erfverharding 480 480 tuin 0 190 Totaal (m²) 770 960 Tabel 2 - Afvoerende oppervlakten bestaande situatie (bron: KRT en luchtfoto)

5.2 Beleidskader Het waterschap De Dommel heeft het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld. Het Waterbeheerprogramma schetst de visie en ambities van het waterschap voor de lange termijn (2050). Dit Waterbeheerprogramma is een echte koersverandering van het waterschap. De Dommel is op een andere manier gaan denken over omgaan met water. Dat is nodig om goed in te kunnen spelen op de veranderingen in ons klimaat en in onze omgeving. Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water- en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen.

Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering

Oude Stad Noordwest 2016, 3e herziening (Hasseltstraat 171-181)

28

betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’: op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in het hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: <0000> Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt; <0000> Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan; <0000> Wat schoon is moet schoon blijven. We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden.

Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij: <0000> van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. <0000> van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied. <0000> van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. Het waterbeleid van de gemeente Tilburg is vastgelegd in het Programma Water en Riolering (PWR) 2020 2023. Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken.

Het PWR is de invulling van het lange termijnbeleid dat gestart is met het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002), de Structuurvisie Water en Riolering en voorgaande Gemeentelijke Rioleringsplannen. Ook de Omgevingsvisie 2040 (vastgesteld september 2015) is van belang. In deze Omgevingsvisie zijn alle uitgangspunten voor de komende decennia vastgelegd. Het waterbeleid in het PWR 2020-2023 bevat de gemeentelijke zorgplichten en de uitwerking van het gemeentelijke klimaatbeleid voor water en riolering: verdroging en wateroverlast en opgaven vastgesteld voor de openbare ruimte en voor bouw- en ontwikkelingsplannen. In de volgende paragraaf worden de belangrijkste uitgangspunten van het gemeentelijke beleid toegelicht.

5.3 Duurzaam watersysteem De ontwikkeling op de achtererven is georiënteerd naar het Van Bylandtpad aan de westzijde van de bestaande percelen. Hier wordt de bouw van een vijftal woningen mogelijk gemaakt. De afvoerende oppervlakken voor de nieuwe situatie zijn bepaald op basis van de verbeelding en de bijbehorende regels. In tabel 3 zijn deze oppervlakken weergegeven. De afvoerende oppervlakte neemt iets af ten opzichte van de bestaande situatie. Oppervlakten * Dak woningen Parkeren Binnenterrein (erf)

Niet afvoerende oppervlakte (m²) 0 0 185

Afvoerende oppervlakte (m²)

Totaal (m²)

265 100 275 (60%)

265 100 460

Oude Stad Noordwest 2016, 3e herziening (Hasseltstraat 171-181)

29

Bebouwd erf 55 80 (60%) 135 TOTAAL 240 720 960 Tabel 3 - Afvoerende oppervlakten in de plansituatie (bron: verbeelding bestemmingsplan)

De eigenaar van de grond bepaalt de terrein- en vloerpeilen binnen de perceelgrenzen. Deze peilen moeten afgewogen en gekozen worden aan de hand van de volgende factoren: <0000> voldoende ontwateringdiepte; <0000> de water- en vochtdichtheid van alle ondergrondse bouwdelen dient te allen tijde voldoende te zijn voor de nieuwe functie van de ruimte; <0000> de vuil- en regenwaterafvoer moet mogelijk zijn via de aangeboden lozingspunten en dus op het juiste peil worden aangeboden; <0000> aansluiten op de bestaande aangrenzende percelen en op de (toekomstige) terreinhoogte van de openbare ruimte ter plaatse van de grens (T-hoogte); <0000> geen afvloeiend regenwater afwentelen buiten de (toekomstige) percelen; <0000> afdoende bescherming tegen overstroming bij extreme neerslag. De gemeente bepaalt de hoogte van de (toekomstige) openbare ruimte. Daarbij zijn verschillende factoren van belang, waaronder de ontwateringdiepte. In de bestaande situatie is de ontwateringdiepte voldoende voor de nieuwe functies. Hierom worden geen preventieve maatregelen vastgesteld om grondwater- of vochtoverlast te voorkomen. Om de aansluiting op nabije terreinhoogten optimaal te houden wordt de bestaande terreinhoogte ter plaatse van de perceelgrens (T-hoogte) gehandhaafd. Grondwater Door de bodemsamenstelling kan het regenwater lokaal stagneren in zijn neerwaartse weg naar het grondwater.

In dat geval blijft het regenwater 'hangen' in de bodem. Er kunnen zogenaamde schijngrondwaterspiegels ontstaan. Dat water kan zorgen voor overlast. Om dat te voorkomen is het mogelijk ondiepe drainage aan te leggen binnen het plangebied. Deze drainage mag geen water afvoeren onder de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG), namelijk NAP+11,8m. De afvoer van het gedraineerde water wordt aangesloten op de regenwaterafvoer. Regenwater Tilburg streeft naar een betere leefomgeving. Daarbij speelt de trits vasthouden-bergen-afvoeren een centrale rol. In eerste instantie gaat het om het gebiedseigen water zoveel mogelijk vast te houden (trits vasthouden-bergen-afvoeren). <0000> Mogelijkheden hiervoor zijn: <0000> Minder terrein verharden; <0000> Hergebruik van regenwater voor bijvoorbeeld toiletspoeling of wassen van voertuigen; <0000> Groene daken; <0000> Water opvangen in poelen, regentonnen e.d; <0000> Waterdoorlatende verharding; Alle beetjes helpen; andere/innoverende ideeën zijn mogelijk. In het Programma Water en Riolering 2020 - 2023 is bepaald dat van iedere ontwikkeling verlangd wordt dat ze hier invulling aan geeft door in een vastgestelde bergingsopgave voor het plangebied te voorzien. De voorgenomen bergingsopgave bedraagt 60 mm, oftewel 60 l/m² verharding van de nieuwe situatie.

Hiermee draagt het plangebied bij aan het hydrologisch positief (her)ontwikkelen van Tilburg. Vooruitlopend op het nieuwe beleid en op basis van afvoerende oppervlakken in de toekomstige situatie is daarmee voor het plangebied de bergingsopgave vastgesteld op 44 m³. Als invulling worden de toepassing van bovengrondse waterbergende voorzieningen als verlaagd maaiveld of zaksloot en groene-/waterbergende daken als kansrijk gezien. De voorziening(en) worden voorzien van een overloop op de regenwaterafvoer. Bij extreme neerslag is het bestaande watersysteem ontoereikend. Als de afvoer- en bergingscapaciteit van het systeem volledig benut zijn kunnen de waterpeilen stijgen tot boven het maaiveld. De laag gelegen delen zullen als eerste overstromen. In eerste instantie zal het teveel aan regenwater in de openbare ruimte worden opgevangen (berging op straat). Hiervoor is het van belang dat de (toekomstige) percelen hoger liggen dan de aangrenzende openbare ruimte. Op deze manier worden hinder en schade zoveel mogelijk beperkt.

Oude Stad Noordwest 2016, 3e herziening (Hasseltstraat 171-181)

30

Uit beschikbare berekeningen blijkt dat de directe omgeving van het plangebied gevoelig is voor extreme neerslag. De gemeente adviseert de initiatiefnemer om de vloerpeilen bij bebouwing ten minste 15 cm hoger dan de openbare ruimte ter plaatse van de perceelgrens (T-hoogte) te realiseren. Zo wordt de kans op inpandige schade zo veel mogelijk beperkt. In het van Bylandtpad is een toekomstige regenwaterriolering (Blauwe Ader) voorzien. Het overtollige regenwater van de percelen dient gescheiden te worden aangeboden aan de zijde van het Van Bylandtpad. Als het regenwaterriool nog niet beschikbaar is kan de afvoer tijdelijk worden gecombineerd met de afvoer van huishoudelijk afvalwater op de gemengde riolering. Er moet worden voorkomen dat het regenwater verontreinigd raakt. Het toepassen van uitlogende bouwmaterialen is uitgesloten om verontreiniging van bodem- en oppervlaktewater te voorkomen. Huishoudelijk afvalwater Het huishoudelijk afvalwater van de woningen wordt gescheiden aangeboden aan de perceelgrens met het openbaar gebied aan de zijde van het Van Bylandtpad. In de huidige situatie is direct ter plaatse van het projectgebied geen riolering aanwezig. In overleg met gemeente Tilburg wordt vastgesteld hoe en waar de riolering kan worden aangesloten op de bestaande riolering.

De mogelijkheden hiervoor zijn het stelsel in de Willem de Rijkestraat en in het Koetshuis, beide op ca. 40m van het plangebied. De kosten voor de benodigde uitbreiding van de openbare riolering zijn voor rekening van de ontwikkeling.

5.4 Watertoets De impact van deze ontwikkeling op het watersysteem is beperkt. De ontwikkeling valt daarom binnen het maatwerk. Conform deze aanpak kan het watertoetsproces een verkort traject doorlopen. In dit verkorte traject geeft het waterschap geen voorlopig wateradvies, in plaats daarvan wordt het wateradvies pas verstrekt bij de terinzagelegging van het bestemmingsplan.

Oude Stad Noordwest 2016, 3e herziening (Hasseltstraat 171-181)

31

Hoofdstuk 6 Opzet planregels De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het opstellen van bestemmingsplannen door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen. Bouwvlak en erf De Tilburgse plansystematiek (en dus ook dit plan) maakt onderscheid tussen het bouwvlak en het erf. Het bouwvlak komt in principe bij alle bestemmingen voor. Uitzondering zijn de bestemmingen binnen het openbaar gebied. Indien geen bouwvlak is aangegeven, bepalen de planregels soms dat het gehele bestemmingsvlak geacht wordt bouwvlak te zijn. Hoofdgebouwen moeten binnen het bouwvlak worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen er eveneens worden gebouwd, uiteraard slechts voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Soms mag het bouwvlak volledig worden volgebouwd, soms niet.

Het eerste blijkt normaliter uit de planregels, het tweede wordt in de regel op de verbeelding weergegeven met een maatvoeringsaanduiding. In het erf mogen geen hoofdgebouwen worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn wel toegestaan, voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Het erf komt met name voor bij woningen en bebouwing langs de linten. Binnen het onbebouwd erf (perceel minus bouwvlak en minus erf) beperken de bouwmogelijkheden zich over het algemeen tot hetgeen vergunningvrij mag worden gebouwd en enkele bouwwerken, geen gebouwen zijnde (denk vooral aan erfafscheidingen). Bestemmingen en aanduidingen In het bestemmingsplan is de bestemming Wonen aanwezig. Daarnaast zijn binnen deze bestemming de aanduidingen 'erf' en 'parkeerterrein' gebruikt. Bouw- en gebruiksregels Bouwregels De bouwregels bevatten een uitgebreide regeling ten aanzien van het oprichten van gebouwen en overige bouwwerken in het plangebied (bouwvlak, erf, bouwhoogte, regeling bijgebouwen etc.). Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt in bouwregels voor (hoofd)gebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bouwwerken van algemeen nut.

Gebruiksregels Bij de meeste bestemmingen worden regels omtrent het gebruik van gronden en bouwwerken gegeven, al dan niet aangevuld met een aantal afwijkingsmogelijkheden, wisselend per bestemming. Wijzigingsbevoegdheid Een aantal bestemmingsartikelen is aangevuld met een wijzigingsbevoegdheid t.a.v. bepaalde functies.

Oude Stad Noordwest 2016, 3e herziening (Hasseltstraat 171-181)

32

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid Artikel 3.1.6. van het Bro bepaalt dat in een vast te stellen bestemmingsplan een toelichting moet worden opgenomen, waarin (o.a.) de inzichten staan over de uitvoerbaarheid van het plan. Het onderhavige plan bevat een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De grondexploitatiewet (afdeling 6.4 van de Wro) is om die reden van toepassing en in beginsel is dus een exploitatieplan vereist. Gelet op het bepaalde in artikel 6.12 lid 2 van de Wro hoeft in casu echter geen exploitatieplan te worden opgesteld. Doordat met initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst is gesloten, is het verhaal van kosten die de gemeente moet maken 'anderszins verzekerd' door die overeenkomst. Met betrekking tot de gemeentelijke plan- en apparaatskosten ten behoeve van het opstellen van dit plan zijn door de initiatiefnemer leges betaald. Daarnaast is met de initiatiefnemer een overeenkomst inzake het verhaal van tegemoetkomingen in planschade gesloten. In deze overeenkomst is bepaald dat schade als gevolg van dit bestemmingsplan, die op grond van afdeling 6.1. Wro voor vergoeding in aanmerking komt, zal worden vergoed door de initiatiefnemer. Gelet op het voorgaande is het plan economisch uitvoerbaar.

Oude Stad Noordwest 2016, 3e herziening (Hasseltstraat 171-181)

33

Hoofdstuk 8 Omgevingsdialoog en vooroverleg 8.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieueffectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan op 26 april 2019 gepubliceerd in het Gemeenteblad.

8.2 Omgevingsdialoog Op 7 mei 2019 is ter uitvoering van het bepaalde in de Richtlijn Omgevingsdialoog een informatieavond gehouden in De Postelse Hoeve. Tijdens deze informatieavond is een toelichting gegeven op de aard en het doel van het bestemmingsplan. Tevens is de gelegenheid gegeven tot het stellen van vragen en het maken van opmerkingen. Voor de avond zijn uitnodigingen verstuurd naar 94 adressen. De avond is bezocht door zes personen. Er zijn vragen gesteld over het ontwerp en over hoe het parkeren is geregeld. Voor het verslag van de omgevingsdialoog wordt verwezen naar Bijlage 4 Verslag omgevingsdialoog. In maart/april 2022, kort voor de behandeling van het ontwerpbestemmingsplan door het college van burgemeester en wethouders, zal de ontwikkelaar in het kader van de omgevingsdialoog nog een update versturen over het plan. Van de eigenaar van het perceel aan het Van Bylandtpad 2 heeft de gemeente in mei 2019 een prematuur bezwaar ontvangen. Op deze locatie is een bedrijf gevestigd en de eigenaar vreesde voor een beperking van zijn rechten door de bouw van de vijf woningen. Op dat moment was hier nog geen onderzoek naar verricht. In juli 2020 is hier onderzoek naar gedaan. De bevindingen worden beschreven in paragraaf 4.5.3 van deze toelichting.

De bezwaarmaker zal door middel van een bewonersbrief op de hoogte worden gesteld van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan.

8.3 Zienswijzen Deze paragraaf is gereserveerd voor de resultaten uit de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan.

Oude Stad Noordwest 2016, 3e herziening (Hasseltstraat 171-181)

34

Bijlagen bij toelichting Bijlage 1 Nota parkeernormen Tilburg 2017 Nota Parkeernormen Tilburg 2017

Bijlage 2 Risicoinventarisatie en verantwoording groepsrisico Risicoinventarisatie en verantwoording groepsrisico

Bijlage 3 Akoestisch onderzoeksrapport industrielawaai Akoestisch onderzoeksrapport industrielawaai

Bijlage 4 Verslag omgevingsdialoog Verslag omgevingsdialoog

Bijlagen bij toelichting Bijlage 1 Nota parkeernormen Tilburg 2017 Nota Parkeernormen Tilburg 2017

Parkeernormen Tilburg 2017 Gemeente Tilburg

November 2017

Auteurs:

John Swaans / Rogier Kuypers (Ruimte)

Datum:

8 november 2017

Inhoudsopgave 1.

Parkeernormen voor bouwontwikkelingen in Tilburg

3

1.1

Gemeentelijke kijk op parkeernormering

3

1.2

Hoofdlijnennotitie Parkeren 2016

3

2.

Vaststellen parkeerbehoefte

4

2.1

Parkeernormen

4

2.2

Berekening parkeerbehoefte

4

2.3

Beïnvloeden parkeerbehoefte

6

2.4

Gebiedsgerichte parkeeroplossing bij grote ontwikkeling

7

2.5

Richtlijn stallingsvoorzieningen fiets

7

3.

Vaststellen van de parkeereis

8

3.1

Voldoen aan de parkeereis

8

3.2

Vrijstelling parkeereis

9

3.3

Afkoopregeling

10

3.4

Afwijken van de parkeereis

11

4.

Uitvoeringsregels

12

4.1

Acceptabele loopafstanden

12

4.2

Afmetingen parkeerplaatsen

12

4.3

Waarborgen gebruik parkeervoorziening

12

4.4

Registratie parkeren op eigen terrein

12

5.

Juridisch-planologische inbedding

14

5.1

Bestemmingsplan

14

5.2

Inwerkingtreding

14

Bijlage1: Parkeernormen

15

Bijlage2: Zone-indeling parkeernormen

18

Bijlage 3: Spelregels afkoopregeling Parkeereis

19

Bijlage 4: Beleidsregel Toepassing Parkeernormen Tilburg 2017

20

1. Parkeernormen voor bouwontwikkelingen in Tilburg 1.1 Gemeentelijke kijk op parkeernormering Parkeerdruk en -overlast in de openbare ruimte leidt tot leefbaarheidsproblemen in een straat. Met deze nota Parkeernormen stuurt de gemeente Tilburg op de leefbaarheid en het gebruik van de openbare ruimte voor parkeren en hebben we als gemeente een middel in handen om bij nieuwe ontwikkelingen toekomstige parkeeroverlast te voorkomen. Het doel bij parkeernormen is ervoor te zorgen dat een nieuwe (her)ontwikkeling niet leidt tot parkeeroverlast in de omgeving. Het basisprincipe is dat een nieuwe ontwikkeling de parkeerbehoefte op eigen terrein oplost, tenzij er mogelijkheden zijn om hiervan af te wijken waarbij geen parkeeroverlast voor de omgeving ontstaat. De Nota Parkeernormen 2017 speelt in op deze mogelijkheden. De focus is verschoven van de normen zelf en naar de wijze waarop we omgaan met de normen. Er wordt meer aandacht besteed aan een flexibele invulling van de parkeerbehoefte zoals het benutten van bestaande capaciteit en het beïnvloeden van de parkeerbehoefte door het bieden van aantrekkelijke mobiliteitsarrangementen, deelauto’s of goede fietsfaciliteiten.

1.2 Hoofdlijnennotitie Parkeren 2016 Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Hoofdlijnennotitie Parkeren. Deze is april 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Wij richten ons als stad op gastvrijheid voor de bezoeker, een betere leefkwaliteit voor bewoners en economische vitaliteit van de binnenstad. Wij willen de beschikbare parkeercapaciteit optimaal benutten. Daar hoort bij dat wij parkeerders op de juiste plek faciliteren, ook voor specifieke voorzieningen zoals deelauto’s, elektrische auto’s en andere doelgroepen. Het beter benutten van bestaande parkeercapaciteit van garages en terreinen leidt tot minder zoekverkeer en blik in de woonstraten en biedt kansen voor versterking van ruimtelijke kwaliteit en nieuw groen. De vastgestelde kaders voor het parkeervraagstuk bij bouwontwikkelingen zijn:   

Voor het inschatten van de parkeerbehoefte bij nieuwe ontwikkelingen de CROWrichtlijn te hanteren; In de toepassing van parkeernormen meer vrijstellingen te hanteren, zonder daarbij de (directe) omgeving van de ontwikkeling te belasten met (toekomstige) parkeeroverlast; Het PPS-gebied in de Spoorzone aan te wijzen als een gebiedsontwikkeling die in zijn eigen parkeerbehoefte moet voorzien, waarbij alleen op (tijdelijke) piekmomenten de parkeercapaciteit in de directe omgeving een uitwijkmogelijkheid is, met name voor bezoekers; Het basisprincipe te blijven hanteren dat een nieuwe ontwikkeling de parkeerbehoefte op eigen terrein oplost, maar wel de mogelijkheid te bieden af te wijken van deze verplichting zolang daar met voldoende zekerheid geen parkeeroverlast voor de omgeving uit volgt; Indien wordt afgeweken van het basisprincipe daarvoor het instrument van een afkoopregeling in te zetten, waarmee de afkoopsom de gemeente de gelegenheid geeft om zo nodig maatregelen te treffen om (toekomstige) parkeeroverlast in de omgeving te voorkomen.

3

PARKEERNORMEN TILBURG, NOVEMBER 2017

2. Vaststellen parkeerbehoefte 2.1 Parkeernormen De parkeernorm wordt beschouwd als een getal dat een zo goed mogelijke inschatting geeft van de te verwachte parkeerbehoefte van een bouwontwikkeling. De Tilburgse parkeernorm is afgeleid van de parkeerkencijfers van het Kennisplatform CROW zoals deze beschikbaar zijn via de CROW Kennisbank bij de "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie". Bij het hanteren van de parkeernormen gaan wij uit van een minimaal te realiseren aantal parkeerplaatsen. Deze parkeereis dient bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, minimaal te worden gerealiseerd. De hoofdfunctie is bepalend voor de toe te passen parkeernorm. Met het uitgangspunt om uit te gaan van een minimale parkeerbehoefte voorkomen wij dat parkeren een onnodige druk op een bouwplan legt. Niet meer dan minimaal noodzakelijk. Het is aan de initiatiefnemer om zo nodig meer parkeerplaatsen te realiseren. De parkeernorm is inclusief het parkeren van de bezoekers van de functie. Het ‘aandeel bezoek’ geeft het deel van de norm aan dat beschikbaar en toegankelijk moet zijn voor bezoekers. Het CROW kent voor een range aan functies een parkeernormen. Om de parkeernormen overzichtelijk te houden, hebben wij ervoor gekozen om de belangrijkste functies die in gemeente voor komen, op te nemen.

Wanneer een specifieke functie niet voor komt in deze nota stelt de gemeente, gebaseerd op de kencijfers van het CROW of ervaringscijfers bij andere gemeenten, naar redelijkheid een parkeernorm vast. In bijlage 1 zijn de door de gemeente gehanteerde parkeernormen per functie voor verschillende zones in Tilburg weergegeven.

2.2 Berekening parkeerbehoefte 2.2.1 Rekenen met dubbelgebruik De parkeernormen zijn onderverdeeld in functies en geven per functie een indicatie van de omvang van het benodigde aantal parkeerplaatsen. In sommige situaties vindt een combinatie van functies plaats. In dat geval dient gekeken te worden naar de momenten in de week waarop per functie de parkeervraag zich voordoet. Omdat de parkeerbehoefte van een specifieke functie zich slechts op bepaalde momenten voordoet is soms dubbelgebruik met andere functies te realiseren, hetgeen uit het oogpunt van kostenbesparing en optimaal gebruik van spaarzame ruimte voor alle partijen wenselijk is. De aanwezigheidspercentages kunnen alleen worden toegepast wanneer de parkeergelegenheid toegankelijk is voor de verschillende beoogde doelgroepen. Bij het rekenen met dubbelgebruik dient de vindbaarheid van de parkeerlocatie en de maximaal acceptabele loopafstanden voor de verschillende doelgroepen in acht te worden genomen.

4

PARKEERNORMEN TILBURG, NOVEMBER 2017

woningen bewoners woningen bezoekers kantoor/bedrijven commerciële dienstverlening detailhandel grootschalige detailhandel supermarkt sportfuncties binnen sportfuncties buiten bioscoop/theater/podium/etc. sociaal medisch: arts/maatschap/terapheut/consultatiebureau verpleeg/verzorgingstehuis/aanleuningwoning ziekenhuis patienten inclusief bezoekers ziekenhuis medewerkers dagonderwijs avondonderwijs

werkdag werkdag werkdag koopochtend middag avond avond 50% 50% 90% 80% 10% 20% 80% 70% 100% 100% 5% 5% 100% 100% 50% 75% 30% 60% 10% 75% 30% 60% 70% 80% 30% 60% 40% 80% 50% 50% 100% 100% 25% 25% 50% 50% 5% 25% 90% 90% 100% 75% 10% 10%

werkdag zaterdag zaterdag zondagnacht middag avond middag 100% 60% 80% 70% 0% 60% 100% 70% 0% 0% 0% 0% 0% 0% 0% 0% 0% 100% 0% 0% 0% 100% 0% 30% 0% 100% 40% 30% 0% 100% 100% 75% 0% 100% 25% 100% 0% 40% 100% 40% 0% 10% 10% 10%

50%

50%

100%

100%

25%

100%

100%

100%

60% 75% 100% 0%

100% 100% 100% 0%

60% 40% 0% 100%

60% 40% 0% 100%

5% 25% 0% 0%

60% 40% 0% 0%

60% 40% 0% 0%

60% 40% 0% 0%

TABEL 1. AANWEZIGHEIDSPERCENTAGES VOOR HET VASTSTELLEN VAN DUBBELGEBRUIK

In bovenstaande tabel is een overzicht met aanwezigheidspercentages over de specifieke delen van de week opgenomen voor in deze nota voorkomende functies. Deze aanwezigheidspercentages zijn afgeleid van de richtlijnen van het CROW en worden toegepast in de parkeerbalans. De gemeente stuurt op het beschikbaar zijn en openbaar toegankelijk houden van parkeerplaatsen voor dubbelgebruik voor de verschillende doelgroepen. Bijzondere of lokale omstandigheden kunnen ertoe leiden dat voor specifieke projecten maatwerk moet worden toegepast. Dit is ter beoordeling aan de gemeente.

2.2.2 Rekenregels parkeervoorzieningen bij woningen In een toekomstige woonwijk met veel garages en (dubbele) opritten zijn in theorie mogelijk voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein aanwezig. In de praktijk is gebleken dat een deel van het theoretisch aanbod niet wordt gebruikt. Dit leidt ertoe dat auto’s van bewoners op de openbare weg worden geparkeerd op plaatsen die voor bezoekers bestemd zijn. De gemeente hanteert bij een ontwikkeling groter dan 10 woningen de correctiefactoren voor parkeerplaatsen op eigen terrein zoals opgenomen in de volgende tabel.

Parkeervoorzieningen

Theoretisch aantal

Berekenings- Opmerkingen aantal

Enkele oprit zonder garage

1 of 2

1,0

oprit min. 5 m diep

Garage met enkele oprit

2

1,0

oprit min. 5 m diep

Garagebox (niet bij woning)

1

0,7

Garage zonder oprit (bij woning)

1

0,5

Dubbele oprit met of zonder garage

2–4

2,0

Dubbele oprit zonder garage

2

1,7

oprit min. 4,5 meter breed

TABEL 2. CORRECTIEFACTOR BIJ PARKEERPLAATSEN OP EIGEN TERREIN

5

PARKEERNORMEN TILBURG, NOVEMBER 2017

2.2.3 Regeling 'oud voor nieuw' Bij functiewijzigingen waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, wordt op basis van de parkeernormen de parkeerbehoefte berekend. Daarbij hoeft niet gecompenseerd te worden voor een eventueel parkeertekort uit het verleden. Ook hier blijft het uitgangspunt dat door de bouwontwikkeling de parkeerdruk op het maatgevende moment in de directe omgeving niet nadelig wordt beïnvloed. Op basis van de actuele parkeernormen wordt berekend wat in de bestaande en toekomstige situatie de parkeerbehoefte is. Het betreft een normatieve vergelijking die op het maatgevende moment van de week het verschil in parkeerbehoefte tussen de oude en nieuwe functie inzichtelijk maakt. De voorwaarde om deze verrekensystematiek toe te passen is dat de bestaande of voorgaande functie tenminste 5 jaar geleden nog actief is geweest, waarbij de meest recente actieve functie leidend is.

2.3 Beïnvloeden parkeerbehoefte Er zijn mogelijkheden om de behoefte naar parkeren te beïnvloeden door het bieden en/of stimuleren van alternatieve vervoerswijze. Door het bieden van vervoersalternatieven wordt het autobezit en/of het autogebruik beïnvloed, wat zijn effect heeft op de parkeerbehoefte. Voorbeelden zijn zoals door de inzet van mobiliteitsmaatregelen bij bedrijven, het bieden van "Mobility as a Service"-concepten of door parkeerregulering (betaald parkeren) sturen op het autobezit en -gebruik. Enkele voorbeelden die effect hebben op het autobezit en autogebruik worden hieronder genoemd.

2.3.1 Sturen door regulering Op een aantal plekken In en rondom het centrum van Tilburg geldt parkeerregulering in de vorm van betaald parkeren in combinatie met parkeervergunningen voor bewoners en bedrijven. Hierdoor parkeren doelgroepen op de juiste plaats. Met de uitgifte van vergunningen aan bewoners en bedrijven heeft de gemeente een middel in handen om te sturen in het gebruik van de openbare parkeerruimte. Er zijn restricties op het verkrijgen van vergunningen. Op deze manier is het mogelijk om de omgeving te beschermen tegen parkeeroverlast. Zie hiervoor de nulvergunningregeling in paragraaf 3.2.3.

2.3.2 Woningbouw: Mobility as a Service Mobility as a Service staat voor een mobiliteitsconcept, waarbij de consument mobiliteit inkoopt, in plaats van te investeren in transportmiddelen. Een essentiële verandering hierin is het concept van denken in service levels. Nieuwe services zullen een combinatie vormen tussen openbaar vervoer, vraag gestuurd vervoer en privé voertuigen. Steeds vaker worden "Mobility as a Service"-concepten ingezet bij woningbouwprojecten. Het inzetten van bijvoorbeeld deelauto's of zelfs deelscooters bij een (grootschalig) appartementencomplex is van invloed op het autobezit en daarmee de parkeerbehoefte. Op dit moment is het nog onduidelijk welk effect deze "Mobility as a Service"-concepten hebben op het autobezit onder toekomstige bewoners. Bij het indienen van een vergunningsaanvraag voor een bouwplan dient de initiatiefnemer te onderbouwen op welke wijze deze "Mobility as a Service"- concepten worden ingezet en welk verwacht effect dit heeft op de parkeerbehoefte van de toekomstige bewoners. Het blijft aan de gemeente om op basis van de onderbouwing bij een vergunningaanvraag te beoordelen in welke mate de parkeerbehoefte wordt beïnvloed.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11865665/1