06 obp Piushavengebied 2009 6e herz toelichting
Tekst van het document
Voor het plangebied is daarom een dubbelbestemming Waarde Archeologie op de plankaart opgenomen met uitzonderong van de verstoorde zones. Voor het grootste deel van het plangebied wordt vervolgonderzoek geadviseerd bij bodemingrepen dieper dan 100 cm beneden maaiveld. In enkele beperkte terreindelen in het zuidwesten en oosten wordt vervolgonderzoek geadviseerd voor ondiepere bodemingrepen vanaf respectievelijk 30 cm, resp. 50 cm beneden maaiveld. Als vervolgonderzoek nodig is, dan wordt een proefsleuvenonderzoek geadviseerd om vast te stellen of in het plangebied archeologische resten aanwezig zijn en zo ja, welke waardering hieraan gegeven kan worden. Voor dit proefsleuvenonderzoek is een goedgekeurd Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk. Op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek, wordt vastgesteld of zich een of meerdere behoudenswaardige vindplaatsen in het gebied bevinden. Wanneer dit het geval is, zal dit archeologische erfgoed door middel van behoud dienen te worden veilig gesteld. Dit kan door behoud in situ waarbij maatregelen worden getroffen voor het behoud en beheer van de vindplaatsen, of door middel van behoud ex situ. Dit laatste vindt plaats door opgraving inclusief documentatie, specialistisch onderzoek, conservering, rapportage en deponering. Een opgraving vindt plaats op basis van een vooraf goedgekeurd Programma van Eisen.
Het gehele plangebied is voorzien van een dubbelbestemming Waarde‐archeologie. Er zijn binnen het plangebied 4 categorieën waarbij archeologisch onderzoek noodzakelijk is: 1. verstoord=> geen onderzoek nodig; 2. archeologisch onderzoek bij grondroering dieper dan 30 cm onder huidig maaiveld (13,85m +NAP); 3. archeologisch onderzoek bij grondroering dieper dan 50 cm onder huidig maaiveld (13,7m +NAP); 4. archeologisch onderzoek bij grondroering dieper dan 1 m onder huidig maaiveld (13,06m +NAP) Piushavengebied 2009, 6e herziening (Fabriekskwartier verbrede reikwijdte)
3.3.3 Cultuurhistorie, objecten en structuren, historisch groen In of in de directe nabijheid van het plangebied bevinden zich geen op grond van de Monumentenwet 1988 of de Monumentenverordening gemeente Tilburg beschermde monumenten. Direct ten zuiden van het plangebied bevindt zich in het gebied tussen de Hoevenseweg, de Fatimastraat en de Wethouder Baggermanlaan de rijksmonumentale AaBe‐fabriek die in verschillende fases vanaf 1930 gebouwd werd. In 1997 sloot de fabriek haar poorten waarna er in de periode vanaf 2010 een restauratie en transformatie van het complex volgde tot winkelcentrum. De naoorlogse delen van het fabriekscomplex werden gesloopt. Bijzonder aan het complex zijn onder meer de schoorsteen, het naar een horeca‐functie omgebouwde ketelhuis, de grote bedrijfshallen met sheddaken en de lange fabrieksstraat met glazen dak. Het aan de overzijde van de Piushaven gelegen pand Piushaven 1 is een tot brouwerij omgebouwde graan‐ en zadenhandel uit de jaren 30 van de twintigste eeuw. Ook dit pand is een rijksmonument. De bebouwing uit de periode 1850 – 1940 is geïnventariseerd in het Monumenten Inventarisatie Project (MIP). In de nabijheid van het plangebied komen enkele panden voor uit die periode. Dit zijn: Piushaven, nrs. 4 (bedrijfsruimte ca. 1930), 5‐6 (woonhuis/ bedrijfspand uit 1940), 22 (het voormalige café Havenzicht, nu Burgemeester Jansen uit 1923).
Aan de noord‐ en zuidzijde van de havenkop bevinden zich nog twee vooroorlogse transformatorhuisjes. Direct ten oosten van het plangebied bevindt zich aan de overzijde van de haven nog een cluster cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Dit betreft een draaibrug, een voormalig pastoriegebouw, een brugwachtershuisje/wachtlokaal en een brugwachterswoning; alles uit de periode kort na 1920. Historische structuren. Met name de ten westen van het plangebied gelegen Lanciersstraat die mogelijkerwijs al in de Bronstijd een belangrijke noord‐zuid route was van waaruit de Korvelse Waterloop en de Leij overgestoken konden worden, is een historisch‐geografische lijn van zeer hoge waarde. Ook de haven zelf kan worden beschouwd als een historisch geografische structuur van hoge waarde. Het plangebied ligt circa 200 meter ten zuiden van het gemeentelijk beschermde stadsgezicht Sint Josephstraat, een gebied waarbinnen zich veel rijks‐ en gemeentelijke monumenten bevinden uit de periode 1840‐1950. Voor de architectuur en stedenbouw uit de periode na de Tweede Wereldoorlog dient onderzoek uit 2005 als basis. In of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen waardevolle panden uit de periode na de Tweede Wereldoorlog aanwezig. 3.3.4 Conclusie Vanuit het oogpunt van cultuurhistorie bestaat geen bezwaar tegen de geplande ontwikkeling.
Er worden geen historische objecten of structuren aangetast. Voor wat betreft de archeologie is er vanwege de hoge verwachting van vindplaatsen uit diverse perioden een dubbelbestemming waarde archeologie op te nemen. Als vindplaatsen niet in situ behouden kunnen worden, is vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek met een eventuele doorstart naar een opgraving noodzakelijk.
3.4 Volkshuisvesting Het gemeentelijk woonbeleid volgt primair uit de Woonvisie Tilburg 2015 en de Woonagenda 2020‐2025. Hierin staan de thema's en trends in het wonen, zijn actuele knelpunten geduid en zijn de woonopgaven voor de komende jaren benoemd. In de woonvisie en woonagenda wordt ingezet op de samenstelling en kwaliteit van de bestaande woningvoorraad. Daarnaast blijft de nieuwbouwopgave voor Tilburg belangrijk vanwege de natuurlijke groei, gezinsverdunning en migratie. Woonadvies specifiek voor plangebied In de wijk Fatima staan relatief meer grondgebonden woningen dan in naastgelegen wijken Hoogvenne en Broekbhoven (74% grondbebonden) met een vrij groot koopsegment (57%). Circa de helft van de inwoners voert een eenpersoonshuishouden, ongeveer een kwart vormt een gezin. Uit het gebiedsprofiel wonen voor het gebied Oud‐Zuid Oost blijkt dat het gebied aantrekkelijk is voor stedelijk georiënteerde gezinnen. Het
Piushavengebied 2009, 6e herziening (Fabriekskwartier verbrede reikwijdte)
realiseren van woningen voor deze groep voorziet in een stedelijke behoefte. Verder is het wenselijk de doorstroming van ouderen in het gebied te versterken met de bouw van koopappartementen. Het woningbouwprogramma van circa 475 woningen richt zich op de actieve stedeling. Volgend uit het beleid van de gemeente Tilburg komt er 20% sociaal programma in samenwerking met de Tilburgse corporaties en 10% middeldure huur conform de vereisten van de verordening middenhuur. Er is sprake van een divers aanbod om de marktvraag voor een ruime doelgroep te kunnen voldoen. Binnen de ontwikkeling is ruimte voor ontwikkeling in samenwerking met een bewonerscollectief. De woninggrootte varieert voor de appartementen tussen de 60m2 en 200m2. Voor de grondgebonden woningen is dit tussen de 90m2 voor een smalle rijwoning tot 150m2 voor een brede woning of een special (loft, kangoeroewoning, woonwerkunit, etc). In de beleidsregel ' evenwichtige toedeling van functies' wordt nader ingegaan op de hoeveelheid en soort woningen per fase. We adviseren de woningen levensloopbestendig en nultreden uit te voeren. Als uitgangspunt voor alle nieuwbouwprojecten in Tilburg geldt dat het Politiekeurmerk dient te worden toegepast en dat certificering plaatsvindt, zowel op woningniveau als op het niveau van de woonomgeving. In paragraaf 2.1.3.
(Ladder voor) Duurzame verstedelijking hebben we omschreven op welke wijze we regionaal afspraken maken over nieuwbouw en hoe het plan zich verhoudt tot de plancapaciteit.
3.5 Groen en speelruimte 3.5.1 Bomenbeleid Tilburg Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Om er niet te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Daarom zijn onderstaande documenten vastgesteld: <0000> Bomenverordening 2017 <0000> Beoordelingscriteria houtopstanden <0000> Nota 'overige houtopstanden' <0000> Boomwaarde zoneringskaart 2017 <0000> Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen Deze documenten samen vormen het bomenbeleid van de gemeente Tilburg. Bomenverordening De Bomenverordening Tilburg 2017 biedt het particuliere en het gemeentelijke bomenbestand bescherming door middel van een velverbod met bijbehorende regels. Boomwaarde zoneringskaart 2017 (BWZ-kaart) Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare en particuliere houtopstanden binnen de gemeente Tilburg.
Op de BWZ‐kaart krijgen bomen een waarde toegekend; zones met houtopstanden met een eco‐, hoofd‐, neven of basiswaarde en daarnaast is er de Buiten‐zone. Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a. met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen (bescherming tegen vellen), herplantplicht en straatbeeld. Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen (GLMB) Het hebben van een GLMB zorgt ervoor dat deze bomen voldoende juridische bescherming hebben via de Bomenverordening Tilburg 2007. Daarnaast krijgen deze bomen de hoogste prioriteit bij beheer en onderhoud. Wet Natuurbescherming (buiten grens bebouwde kom) In de gemeente Tilburg heeft de gemeenteraad de bebouwde kom ex artikel 4.1 Wet natuurbescherming (Wnb) vastgesteld. Voor bepaalde groepen houtopstanden die buiten deze komgrens staan, geldt op grond van de Wnb een verplichting. Bij velling in groepen houtopstanden met een grootte van meer dan 10 are of bij velling in een rij van meer dan 20 bomen, geldt een meldplicht aan Gedeputeerde Staten (GS) van de Provincie Piushavengebied 2009, 6e herziening (Fabriekskwartier verbrede reikwijdte)
Noord‐Brabant. Daarnaast geldt een herplantplicht. Het college van Gedeputeerde Staten kan een velverbod opleggen. Als er geveld gaat worden, dan is er op grond van de Wnb de eis, dat er ook weer een gelijk aantal houtopstanden terug wordt geplant. Bos dat wordt gekapt, moet worden herplant. Als dat niet op dezelfde plaats kan, dan zal hiervoor ontheffing aan GS moeten worden gevraagd en elders (compensatie op grond van de Wnb) moeten worden herplant. De houtopstanden waarop de Wet natuurbescherming van kracht is, liggen in de zogenaamde Buiten‐zone. Daar kan daarnaast ook een gemeentelijk velverbod op grond van de Bomenverordening gelden. Beide regelingen kunnen dus naast elkaar van toepassing zijn. Maatregelen in bestemmingsplan De BWZ‐kaart dient gebruikt te worden als basis bij alle nieuwbouw‐, herontwikkelings‐ of herstructureringsplannen waar bestaande houtopstanden mee gemoeid zijn. In het bestemmingsplan wordt de BWZ‐kaart aangeduid als Boomwaardekaart (bijlage bij de regels). Bomen met een eco‐ en hoofdwaarde en monumentale bomen zijn op deze bijlagekaart opgenomen. In de regels wordt verwezen naar deze kaart. De juridisch‐planologische bescherming bestaat uit een bouwverbod en een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen een straal van 15 meter uit het hart van de desbetreffende boom.
In dit bestemmingsplan is er voor gekozen de platanen, die in het midden van het plangebied zijn gelegen, als beeldbepalende bomen op de verbeelding aan te duiden. In de regels is aangegeven dat in principe tot deze bomen 15 meter afstand moet worden gehouden, tenzij uit een BomenEffectAnalyse blijkt dat de bomen duurzaam behouden kunnen blijven. In het stedenbouwkundig plan is de bouw van een woontoren gepland, met een afstand van 12 – 14 meter tot de platanen. Er is op 17 oktober 2022 een Bomen Effect Analyse (BEA)uitgevoerd (bjilage 23) welke op 31 januari 2023 is aangevuld (bijlage 24) met een nader snoeiadvies.. Uit de rapporten blijkt dat, met snoeimaatregelen, de bomen behouden kunnen blijven. De conclusie van de BEA is dat de kronen voor aanvang van de bouw met 1 meter moeten worden ingenomen, en dat eens in de 2 of 3 jaar de boomkroon moet worden gesnoeid om 1 meter afstand te houden van de bebouwing. Hiermee wordt voor de toekomst een acceptabele beeldkwaliteit van de platanen voorzien. 3.5.2 Nota Groen De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is.
Tilburg moet in 2020 een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon‐ en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente. Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen. Op hoofdlijnen betekent dit: 1. Inzet op buitenstedelijke groengebieden en het groene netwerk; 2. het tot zijn recht laten komen van de verschillende karakters van het groen (klassiek‐, recreatief‐ en natuurlijk groen); 3. het versterken en behouden van het natuurlijk groen. In 2012 is het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit vastgesteld. 3.5.3 Nota biodiversiteit Biodiversiteit omvat de totale verscheidenheid van alle levende planten en dieren op aarde. De biodiversiteit neemt wereldwijd af. Het doel van de nota is de biodiversiteit in de gemeente Tilburg te verhogen en beter te beschermen. De visie is gericht op twee niveaus. Het eerste niveau is de flora & fauna, het tweede niveau is gericht op de mensen. Voor de flora en fauna wordt ingestoken op drie strategieën, namelijk vergroten, verbinden en versterken.
Voor de realisatie van duurzame habitatnetwerken zal vaak gekozen worden voor een combinatie van deze strategieën. In de eerste plaats is dat het vergroten van leefgebieden. In de tweede plaats kan een duurzaam netwerk ontstaan door gelijksoortige leefgebieden met elkaar te verbinden. Tenslotte kan ingezet worden op het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden. Voor de mensen is natuurbeleving vooral ook van belang in de stad. Door middel van de groene lijnen en de groene gebieden in de stad, kunnen we dicht bij huis ook genieten van de natuur. Als de groene lijnen en Piushavengebied 2009, 6e herziening (Fabriekskwartier verbrede reikwijdte)
groene gebieden helemaal op orde zijn kunnen de planten en dieren tot in de tuin of op het balkon waargenomen worden. In de nota worden vijf verschillende landschapstypen onderscheiden (agrarisch landschap, beekdallandschap, heide‐ en boslandschap, landgoederenzone en stedelijk gebied). Per landschapstype wordt een algemene beschrijving gegeven met bijbehorende doelstellingen, maatregelen en knelpunten. Doelstellingen nota biodiversiteit 1. De achteruitgang van de biodiversiteit stoppen vanaf 2010, voor het buitengebied én het bebouwde gebied. In het voorjaar van 2010 is met een nulmeting bepaald aan de hand van de flora en faunagegevens die voor handen zijn. Hierna kan jaarlijks de verandering in de biodiversiteit worden bijgehouden. 2. Biodiversiteit 'tot aan de voordeur'. Biodiversiteit verhogen in het openbaar gebied waardoor het letterlijk tot aan de voordeur/ de voortuin van de bewoners van Tilburg komt. 3. In 2020 zijn 50% van alle aangeplante bomen en struiken binnen de bebouwde kom ten gunste van de biodiversiteit. Zo veel mogelijk gebruik maken van autochtoon plantmateriaal met een aanvulling van soorten die een bijdrage leveren aan biodiversiteit door middel van bv. nestgelegenheid, voedsel en/of schuilgelegenheid. In 2016 is aanvullend op bovenstaand groenbeleid de 'agenda groen in de stad' vastgesteld (college 19‐07‐2016).
De 'agenda groen in de stad' gaat samen met het 'beheerbeleidsplan Groen op Niveau' en de nota's groen en biodiversiteit (en het hieruit voortvloeiende uitvoeringsprogramma groen en biodiversiteit) over de toekomst van groen in de stad in inhoudelijke‐ en financiële zin. Er wordt aangegeven welke kaders gehanteerd worden om de impuls voor groen in de stad, conform het collegeakkoord en de omgevingsvisie Tilburg 2040, goed in te zetten. Uitgangspunt is het 'kleine en het grotere groen, voldoende bereikbaar voor iedereen'. Belangrijk hierbij zijn beleving van groen, klimaatadaptatie en biodiversiteit. Essentieel is de kaart Stadsnatuur 2040. Op deze kaart staan de ecologische structuren en zones, stapstenen en ecologische corridors in de stad. Deze zijn nodig om de biodiversiteit in de stad te versterken en op het juiste niveau te krijgen (voor biodiversiteit ligt de nadruk op het realiseren van ontbrekende schakels, het toepassen van biodiverser groen en ecologisch beheer). 3.5.4 Agenda groen in de stad De agenda groen in de stad (vastgesteld door het college op 19 juli 2016) gaat samen met beheerbeleidsplan Groen op Niveau, en de nota’s groen en biodiversiteit) over de toekomst van groen in de stad. De agenda groen geeft de kaders om de impuls voor groen in de stad goed in te zetten.
Het geeft duidelijk richting aan de groene koers voor de in de omgevingsvisie 2040 omschreven netwerken, gebieden en structuren en omvat een integrale visie op het groen voor de (middel)lange termijn gebaseerd op de drie pijlers klimaatbestendige stad, beleefbaar groen en het verhogen van biodiversiteit. Voor het halen van de doelstellingen op het gebied van biodiversiteit is de Stadsnatuurkaart 2040 opgesteld (gekoppeld aan agenda groen in de stad). Inmiddels is deze op 10 maart 2022 geactualiseerd (vastgesteld door de raad). 3.5.5 Stadsnatuurkaart 2040 De Stadsnatuurkaart 2040, vastgesteld door de gemeenteraad op 10 maart 2022, is de actualisatie van de Stadsnatuurkaart die samen met de agenda groen in de stad in 2016 eerder is vastgesteld. Biodiversiteit en natuur zijn belangrijk voor al onze inwoners en de aantrekkelijkheid van de stad. Samen met de Bomenverordening, bijbehorend bomenbeleid en bestemmingsplannen vormt de Stadsnatuurkaart 2040 de beleidsmatige randvoorwaarden en instrumenten die ervoor moeten zorgen dat biodiversiteit in het stedelijk gebied behouden blijft en waar het kan, wordt versterkt. Op de Stadsnatuurkaart 2040 zijn onder meer de ecologische structuren benoemd. Hieraan is een duidelijke maatvoering gekoppeld.
Deze maatvoering wordt zowel bij de start van ruimtelijke ontwikkelingen als gedurende het verdere proces meegenomen om zo de ecologische kwaliteit op een juiste manier mee te nemen. De grote ambities en veelheid van belangen die spelen in ruimtelijke ontwikkelingen, maken een heldere en duidelijke structuur en maatvoering voor ecologie wenselijk.
3.6 Bedrijvigheid
Piushavengebied 2009, 6e herziening (Fabriekskwartier verbrede reikwijdte)
3.6.1 Nota Verspreide Bedrijvigheid Verspreide bedrijven zijn bedrijven die niet op bedrijventerreinen, binnenwijkse bedrijventerreinen of in het centrum zijn gevestigd. Het gaat dus om bedrijven in woongebieden of gemengde gebieden (nota Verspreide Bedrijvigheid, 2002). Verspreide bedrijvigheid is van wezenlijk belang voor de Tilburgse economie. Daar werken veel mensen en voor de zakelijke dienstverlening zijn woonmilieus en gemengde milieus zelfs de belangrijkste vestigingsplaats. Daarom is behoud en versterking van deze vestigingsplaatsen vanuit economisch oogpunt zeer gewenst. Vanuit de woonfunctie bezien blijkt dat de aanwezigheid van die typen bedrijvigheid tussen woningen goed is in te passen en maar weinig overlast veroorzaakt. Voor een bepaalde groep woonconsumenten geldt dat ze een duidelijke voorkeur hebben voor een woonmilieu met meer functiemenging en allerlei voorzieningen in de omgeving. De grootste bijdrage van de gemeente aan het ontstaan en behoud van passende bedrijvigheid is het voeren van een planologisch beleid dat zoveel mogelijk ruimte biedt voor bedrijvigheid, zonder problemen in de woonomgeving te veroorzaken. Drie zaken zijn hierbij bepalend: 1. de aard van het bedrijf, en daarmee samenhangend de te verwachten hinder voor de omgeving; 2. het gewenste woonmilieu ter plaatse; 3. ruimte op basis van het bestemmingsplan.
De nota verspreide bedrijvigheid maakt bij nieuwe bestemmingplannen in dit opzicht onderscheid in verschillende soorten woongebieden: 1. woongebieden met lage functiemenging; 2. woongebieden met gemiddelde functiemenging; 3. woongebieden met hoge functiemenging; 4. concentratiegebieden. In geografische zin wordt ernaar gestreefd om in élke woonwijk plekken aan te wijzen waar kleinschalige bedrijvigheid de ruimte krijgt. Onder andere bufferzones tussen woongebieden en bedrijventerreinen, de directe omgeving van winkelcentra of voorzieningenclusters en geluidsbelaste locaties zijn logische plekken waar bedrijvigheid kan worden toegelaten. Om tot concretisering van functiemenging te komen is een ´basiskaart functiemenging wonen en verspreide bedrijvigheid´ uitgewerkt, waarop zogenaamde ´kansenzones´ voor ruimtelijk‐functionele mogelijkheden voor functiemenging zijn weergegeven. Deze kansenzones zijn bestaande straten of woonblokken waarin functiemenging met verspreide bedrijvigheid nadrukkelijk gewenst is. Op basis van deze informatie kan de gemeente nog gerichter sturen op een grotere functiemenging in die gebieden die zich daar voor lenen. In dit bestemmingsplan is een woongebied met gemiddeld functiemenging beoogd. Kleinschalige bedrijvigheid wordt toegelaten tot maximaal 1000m2. Kleinschalige bedrijvigheid is enkel in deelfase 1 voorzien.
3.7 Kantoren In 1998 heeft de gemeenteraad de nota Ruimte voor Kantoren tot 2015 vastgesteld. Deze nota bevat het gemeentelijk kantorenbeleid voor de periode tot 2015. Ontwikkeling van de Stationszone als hoogwaardige kantorenboulevard heeft hierin de hoogste prioriteit. Verder wordt gesteld dat buiten de Stationszone de gemeente zeer selectief is met het ontwikkelen van ruimte voor kantoren. Na een evaluatie in 2001 is het beleid bijgesteld in de Nota Ruimte voor Kantoren 2001 omdat het slechts gedeeltelijk effect had. Belangrijke aandachtspunten hierbij zijn: <0000> een zodanige differentiatie van het aanbod dat Tilburg aan de vraag in alle segmenten kan voldoen; <0000> het loslaten van het restrictief beleid buiten de Stationszone en het ontwikkelen van locaties langs goed bereikbare uitvalswegen met acquirerend vermogen. Doel van het kantorenbeleid is een zodanige kwalitatieve differentiatie van het aanbod van kantoorruimte dat er voldoende ruimte is voor de in het economisch beleid beoogde groei en versterking van de zakelijke dienstverlening. Verbreding van het aanbod zal plaatsvinden door het ontwikkelen van een aantal sterke kantorenmilieus aan de belangrijkste uitvalswegen.
Piushavengebied 2009, 6e herziening (Fabriekskwartier verbrede reikwijdte)
Twee segmenten krijgen daarbij in het bijzonder aandacht: 1. kleine en middelgrote eigenaar‐gebruikers die veel waarde hechten aan een eigen kantoorpand in een representatieve omgeving; 2. kantoorgebruikers in de auto‐afhankelijke zakelijke dienstverlening die veel waarde hechten aan een goed per auto bereikbaar kantoorpand en voldoende parkeerruimte. Binnen het plangebied is een bestaand advocatenkantoor aanwezig, dat positief is bestemd. Voor het overige worden zelfstandige kantoren binnen het plangebied niet toegelaten. Wel worden dienstverlenende functies tot een maximum van 2500m2 toegestaan.
3.8 Horeca 3.8.1 Algemeen De raad heeft op 30 januari 2017 het horecabeleid vastgesteld. Daarin is de volgende doelstelling opgenomen. "Tilburg wil een gastvrije stad zijn. Met het nieuwe horecabeleid willen we een bijdrage leveren aan een horeca-aanbod dat aansluit bij de wensen van de bewoners en bezoekers van de stad. We kiezen voor horeca die een meerwaarde heeft voor de functie van gebieden, om daarmee de gastvrijheid van Tilburg te benadrukken. Daarnaast willen we binnen het beleid ruimte houden voor vernieuwing van het aanbod. De stad realiseert hiermee een horeca aanbod waarvoor mensen nu, en in de toekomst, naar Tilburg komen en er willen verblijven." Ruimte voor vernieuwing/innovatie van het aanbod Nieuwe horeca‐initiatieven moeten de aantrekkelijkheid van bepaalde gebieden vergroten of behouden. Gebieden als de binnenstad en het buitengebied zijn van groot belang voor het woon‐ en leefklimaat en bezoekers, vanwege de vele voorzieningen en mogelijkheden voor recreatie en ontspanning. Door daar in te zetten op (vernieuwende) horeca(concepten) kunnen deze gebieden een grotere waarde krijgen voor inwoners en bezoekers. Onderscheidende horecaconcepten, al dan niet in combinatie met een bijzondere locatie, moeten ruimte kunnen krijgen in Tilburg.
Evenwichtig aanbod Bij het vormgeven van het horecabeleid dient tevens een balans te worden gevonden met andere functies zoals de leefbaarheid in wijken of de mogelijkheid om te ondernemen (in andere sectoren). Ook bij de omvang van het aantal horecagelegenheden moet een balans worden gevonden. Het toevoegen van horeca komt de diversiteit en spreiding van het aanbod ten goede. Bij overaanbod kan het rendement van horecabedrijven onder druk komen staan. Dit kan tot gevolg hebben dat de kwaliteit afneemt en dat daardoor niet voldoende ruimte is voor vervangingsinvesteringen en het investeren in het vernieuwen van het concept. 3.8.2 Horeca-categorieën In het horecabeleid zijn categorieën opgenomen. Zo ontstaat de mogelijkheid om te sturen op de ontwikkeling van horeca die past bij het karakter van het gebied. Denk hierbij aan de wenselijkheid van daghoreca in winkelgebieden en het voorkomen van overlast van horeca die lang geopend is in gebieden waar ook (relatief veel) woningen aanwezig zijn. In het horecabeleid is daarom gekozen voor een nieuwe typering van horeca‐categorieën waarmee aansluiting gezocht wordt bij het belangrijkste bezoekmotief van de consument en waarmee richting kan worden gegeven aan de ontwikkeling van horeca die aansluit bij de kwaliteiten van een specifiek gebied.
Categorie I (Daghoreca) Horeca inrichting, met openingstijden gerelateerd aan de winkeltijden (daghoreca), niet zijnde een horeca inrichting als bedoeld in categorie II, waar: hoofdzakelijk (kleine etenswaren) en/of dranken worden verstrekt. Voorbeelden zijn: thee & koffie‐concepten, brood & lunchconcepten, ijs & yoghurt concepten. Daarnaast zijn ook concepten zoals omschreven bij categorie III mogelijk indien de openingstijden kunnen worden beperkt. Categorie II (Droge horeca): Horeca inrichting waar: hoofdzakelijk kleine etenswaren en/of alcoholvrije dranken worden verstrekt. Piushavengebied 2009, 6e herziening (Fabriekskwartier verbrede reikwijdte)
Voorbeelden zijn aan te merken: fastfoodconcepten, healthy fastfoodconcepten, snackbars, shoarmazaken. Indien alcohol wordt verstrekt valt het bedrijf in categorie III. Categorie III (Eetgelegenheden): Horeca inrichting, niet zijnde een horeca inrichting als bedoeld in categorie II, waar hoofdzakelijk maaltijden worden verstrekt. Voorbeelden zijn: restaurants, pizzeria's, all‐you‐can‐eat‐concepten, café‐restaurant. Categorie IV (Café - Barconcepten): Horeca inrichting waar: hoofdzakelijk dranken worden verstrekt, en waar eventueel in combinatie daarmee kleine etenswaren worden verstrekt. Voorbeelden zijn: cafés, bars, pubs, bier‐, wijn‐ en cocktailconcepten. Categorie V (Uitgaan & Zalen): Horeca inrichting waar: hoofdzakelijk dranken worden verstrekt en entertainment wordt aangeboden, zoals (live) optredens en mechanische muziek. Voorbeelden zijn: clubs, discotheken, feestcafés, uitgaansconcepten, zalen‐ en partycentra, danscafés, karaokebars. Combinatie met (onderdelen) van categorieën III en IV vallen ook binnen deze categorie. Categorie VI (Verblijfshoreca): Horeca inrichting waar: hoofdzakelijk gelegenheid tot tijdelijk slaapverblijf wordt gegeven, en waar eventueel in combinatie daarmee maaltijden, dranken en/of kleine etenswaren worden verstrekt. Voorbeelden zijn: hotels, motels en pensions. 3.8.3 Gewenste ontwikkeling per gebied
Horeca concentratie gebied Binnenstad De belangrijkste concentratie van horeca bevindt zich in de binnenstad in het horecaconcentratiegebied (HCG). Het HCG bestaat uit: Heuvel, Korte Heuvel, Piusplein, Heuvelring/Piusstraat, Paleisring, Oude Markt / Heikese Kerk. Hier is ruimte voor een ruim en divers aanbod van horeca, juist ook horeca die zich specifiek richt op uitgaand publiek. In andere delen van de binnenstad zoals het Kernwinkelgebied, de Spoorzone, Veemarktkwartier, Piushaven en het Dwaalgebied heeft de horeca een ondersteunende functie en zijn andere functies zoals wonen, winkelen en werken de hoofdfunctie. Uitbreiding van horeca is in deze gebieden wenselijk als dit bijdraagt aan Piushavengebied 2009, 6e herziening (Fabriekskwartier verbrede reikwijdte)
de sfeer en aansluit op de hoofdfunctie van het betreffende deelgebied. Hierbij blijft de balans met de andere functies van groot belang. 3.8.4 Horeca bij winkels en dienstverlenende bedrijven (additionele horeca) Door maatschappelijke en economische ontwikkelingen ontstaat er bij consumenten steeds meer een behoefte aan onderscheidende concepten in zowel winkels als horeca. Hoe meer een (winkel‐)gebied gericht is op recreatief winkelen of verblijf, hoe groter de behoefte aan 'beleving'. Voorbeelden van deze ontwikkelingen zijn een lunchroom in een boekenwinkel, een kapsalon met een wijnbar (mits gescheiden ruimtes) of een lunchroom waar het gehele interieur te koop is. Deze ontwikkeling vindt op dit moment met name plaats binnen de detailhandel waar steeds meer 'horeca‐elementen' een plaats krijgen. Het is voor winkeliers mogelijk om binnen de bestaande regels maximaal 33% van de winkeloppervlakte in te richten voor horeca‐activiteiten. Voor horecabedrijven die tevens alcohol verkopen gelden op grond van de Drank en Horecawet (DHW) aanvullende (inrichtings‐)eisen. Deze eisen gelden in Tilburg ook voor bedrijven die geen alcohol schenken, maar wel langer geopend willen zijn dan op grond van de winkeltijdenverordening mogelijk is.
3.8.5 Ondersteunende horeca Horeca is ook een zeer wenselijk onderdeel van andere (maatschappelijke) voorzieningen zoals een schouwburg, buurthuis of sportvoorziening. Deze horeca staat ten dienste van een andere hoofdfunctie. Deze hoofdfunctie is dan ook opgenomen in het bestemmingsplan. Het schenken van alcohol is toegestaan middels een Drank‐ en Horecavergunning. 3.8.6 Maatregelen in bestemmingsplan Horeca is binnen het plangebied enkel toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'horeca' en wordt begrensd op maximaal 250m2.
3.9 Verkeer en parkeren 3.9.1 Mobiliteitsaanpak Tilburg De 'Mobiliteitsaanpak Tilburg, Samen op weg naar 2040' schetst een toekomst waarin slim en duurzaam vervoer centraal staat. Dat betekent: nieuwe technologieën toepassen, maar ook de gebruiker centraal stellen. Niet als doel op zich, maar om bij te dragen aan een leefbare stad. Daarnaast zet Tilburg in op duurzaamheid: we houden nadrukkelijk rekening met toekomstige generaties. De gemeentelijke mobiliteitsaanpak is het vervolg op het Tilburgs Verkeers‐ en Vervoersplan (TVVP). Dat ging vooral over verkeersstromen en vervoermiddelen. In de nieuwe werkwijze vormt de mens het uitgangspunt: wat hebben inwoners, bezoekers en medewerkers nodig die van A naar B willen? Met deze aanpak wil de gemeente niet alleen verkeersstromen in goede banen leiden, maar ook de kwaliteit van leven in de stad behouden en verbeteren. Mobiliteitsagenda 013 De hoofdlijnen uit de mobiliteitsaanpak zijn nu uitgewerkt in een agenda met concrete maatregelen en opgaven voor de korte, middellange en lange termijn. In een aantal Tilburgse proeftuinen wordt samen met onderwijs, bedrijfsleven en uiteraard de gebruikers gewerkt aan innovaties op het gebied van slimme mobiliteit. Deze MobiliteitsAgenda013 wordt jaarlijks geactualiseerd in september.
3.9.2 Hoofdlijnennotitie Parkeren 2016 Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Hoofdlijnennotitie Parkeren. Deze is april 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Wij richten ons als stad op gastvrijheid voor de bezoeker, een betere leefkwaliteit voor bewoners en economische vitaliteit van de binnenstad. Wij willen de beschikbare parkeercapaciteit optimaal benutten. Daar hoort bij dat wij parkeerders op de juiste plek faciliteren, ook voor specifieke voorzieningen zoals deelauto’s, elektrische auto’s en andere doelgroepen. Het beter benutten van bestaande parkeercapaciteit van garages en terreinen leidt tot minder zoekverkeer en blik in de woonstraten en biedt kansen voor versterking van ruimtelijke kwaliteit en nieuw groen. De vastgestelde kaders voor het parkeervraagstuk bij bouwontwikkelingen zijn: <0000> Voor het inschatten van de parkeerbehoefte bij nieuwe ontwikkelingen de CROW‐richtlijn te hanteren; Piushavengebied 2009, 6e herziening (Fabriekskwartier verbrede reikwijdte)
<0000>
<0000>
In de toepassing van parkeernormen meer vrijstellingen te hanteren, zonder daarbij de (directe) omgeving van de ontwikkeling te belasten met (toekomstige) parkeeroverlast; Als, ondanks de mogelijkheden van alternatieve oplossingen, de ontwikkeling niet kan voorzien in de parkeerbehoefte dan kan onder voorwaarden het instrument van een afkoopregeling ingezet worden. Dit kan echter alleen als de gemeente ook een reëel alternatief beschikbaar heeft.
3.9.3 nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' (bijlage 5) zijn de parkeernormen en berekeningsmethode vastgelegd. Bij het hanteren van de parkeernormen wordt uitgegaan van een minimaal te realiseren aantal parkeerplaatsen. Deze parkeereis dient bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, minimaal te worden gerealiseerd. De hoofdfunctie is bepalend voor de toe te passen parkeernorm. Het CROW kent voor een range aan functies een parkeernorm. Om de parkeernormen overzichtelijk te houden, is ervoor gekozen om de belangrijkste functies die in gemeente voor komen, op te nemen. Bij de berekening van de parkeerbehoefte wordt rekening gehouden met zaken als dubbelgebruik, regeling 'oud voor nieuw', rekenregels parkeervoorzieningen bij woningen en het beïnvloeden van de parkeerbehoefte door maatregelen als regulering en mobiliteitsplannen bij bedrijven. Voor kleine bouwontwikkelingen wordt geen parkeereis gesteld. Kleine ontwikkelingen (ontwikkelingen met een (toename van de) parkeerbehoefte van maximaal 3 parkeerplaatsen) hebben in de regel een marginaal effect op een toename van de parkeerdruk in de omgeving. Dit geldt ongeacht de locatie van de ontwikkeling.
3.9.4 Parkeren in het bestemmingsplan Ontsluiting/Autoverkeer In aansluiting op de mobiliteitsaanpak 2040 wordt voor het Fabriekskwartier ingezet op het terugdringen van autoverkeer, minder doorgaand verkeer, schone mobiliteit, verkeersveiligheid, gebruik van deelmobiliteit en stimuleren van fietsen en lopen. Het plangebied ligt in het Piushavengebied (voormalige busremise) nabij de Aabé‐fabriek, het meest direct bereikbaar vanaf de Ringbaan Zuid, wethouder Baggermanlaan en de Fatimastraat. Via de brug D'n Ophef en de Havendijk sluit het direct aan op de Piushaven. Op de Wethouder Baggermanlaan geldt een maximum snelheid van 50 km/u. Onderzocht wordt of dit in de toekomst 30 km/u kan worden. De Fatimastraat is al 30 km/u gebied. Het plangebied wordt op diverse punten aangesloten op de omliggende straten (Havendijk Zuid, Fatimastraat en Hoevenseweg) waardoor het verkeer zich verdeelt en goed afgewikkeld kan worden via het bestaande wegennet, zie bijlage Verkeer en Parkeren. Langzaam verkeer Het Piushavengebied is een aantrekkelijk gebied is voor recreatief gebruik. Het Fabriekskwartier wordt goed toegankelijk voor voetgangers, door aantrekkelijke routes te creëren dwars door het gebied en aan te sluiten op de Piushaven.
Ook fietsen wordt gestimuleerd door een nieuwe noord‐zuid verbinding tussen de Havendijk en Fatimastraat, waardoor makkelijker en veiliger naar de brug en de stad kan worden gefietst. Er ligt een sternetfietsroute op de Hoevenseweg/Prinsenhoeven waardoor ook via de St.Josephstraat snel naar het centrum kan worden gereden. Er worden bovendien veel fietsparkeerplekken gerealiseerd in de openbare ruimte. Openbaar Vervoer Binnen het Piushavengebied is beperkt openbaar vervoer aanwezig. Er rijdt busverkeer op de Fatimastraat, Ringbaan Oost en de Piusstraat. Op korte afstand liggen in de Fatimastraat twee bushaltes waarmee vrij snel het Centraal Station bereikt kan worden. Het Centraal Station ligt ook op fietsafstand van het plangebied. Plan Fabriekskwartier Het plan Fabriekskwartier biedt een perfecte kans op gedragsverandering met de doelgroep van nieuwe bewoners die niet standaard een auto bezitten en ook minder gebruik maken van de auto. De locatie ligt op loopafstand van winkelvoorzieningen (AaBe‐terrein), de binnenstad en op fietsafstand van het Centraal Station. Indien men toch gebruik wil maken van de auto dan kan dat bij voorkeur via elektrische voertuigen en Piushavengebied 2009, 6e herziening (Fabriekskwartier verbrede reikwijdte)
deelauto’s. Om dit te bewerkstelligen geldt een restrictief en sturend parkeerbeleid, met name op gebied van parkeerregulering, nulvergunningenregeling, geen privéparkeerplaatsen en een begrenzing van het aantal parkeerplaatsen. Daar staat tegenover een aantrekkelijke leefomgeving met minder bezoekersparkeerplaatsen, gebruik diverse vormen van deelmobiliteit en makkelijk bereikbare fietsenbergingen (laagdrempelig). Parkeren Het parkeerbeleid van de gemeente Tilburg is uitgangspunt, waaronder het voldoen aan de, op het moment van vergunningverlening, vastgestelde parkeernormen. Voor het programma is zone A van toepassing omdat in nabij toekomst sprake zal zijn van gereguleerd gebied, waarbij lagere parkeernormen van toepassing zijn om autogebruik te ontmoedigen. Nieuwe bewoners kunnen dan geen parkeervergunning krijgen in het openbare gebied. In het plan zijn maximaal 475 woningen/appartementen voorzien, waarvan 99 appartementen in de sociale sector. Parkeren vindt plaats in parkeergarages en parkeerhoven op maaiveldniveau. Er is een parkeervisie opgesteld, waarbij gebruikt wordt gemaakt van minimaal 20 deelauto’s zodat het autobezit en ruimtegebruik voor auto’s wordt teruggedrongen. Alle deelauto’s zijn elektrisch en er komen voldoende laadpalen.
De parkeerbehoefte is berekend en die wijst uit dat voldaan kan worden aan de parkeereis, zowel voor bewoners als bezoekers, zie bijlage 4: Verkeer en Parkeren. Bij de vergunningverlening zal de definitieve parkeertoets plaatsvinden. Getoetst wordt aan de parkeerregels in het bestemmingsplan en de beleidsregel 'inrichting openbare ruimte en parkeren'.
Piushavengebied 2009, 6e herziening (Fabriekskwartier verbrede reikwijdte)
Hoofdstuk 4 Milieuaspecten 4.1 Inleiding Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan.
4.2 Milieueffectrapportage 4.2.1 Algemeen Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een m.e.r. beoordeling opgesteld moet worden. voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien: a. er sprake is van een m.e.r.‐(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.; b. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet (Nbw) is vereist. 4.2.2 Aanleiding vormvrije m.e.r beoordeling Voor dit plan is een aanmeldnotitie opgesteld op basis waarvan is beoordeeld of het noodzakelijk is een m.e.r. op te stellen (bijlage 6, aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. beoordeling d.d. 24 januari 2023). De aanmeldnotitie is getoetst aan de hand van de drie hoofdcriteria (de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten van het project) van bijlage III bij de m.e.r.‐richtlijn.
Naar aanleiding van deze toetsing is geoordeeld dat ten gevolge van de voorgenomen activiteit, gezien diens aard, omvang en locatie, geen negatieve effecten op de nabijgelegen gevoelige gebieden en Natura 2000 gebieden zijn te verwachten Op 31 januari 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg besloten dat voor het bouwen van 475 woningen binnen het plangebied Fabriekskwartier geen milieueffectrapportage (m.e.r.) behoeft te worden opgesteld.
4.3 Milieuhinder bedrijven Bij het beoordelen van de (binnen het plangebied of elders gelegen) bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG‐brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. In de VNG‐uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden. In de Memo Bedrijven en Milieuzonering (24 mei 2022) (bijlage 7)zijn alle bedrijven binnen het plangebied en daarnaast die bedrijven erbuiten, waarvan de indicatieve milieucontouren over het plangebied liggen, geïnventariseerd. In de Memo is beoordeeld of het toekomstige woon‐ en leefklimaat binnen het plangebied aanvaardbaar is als gevolg van de bedrijvigheid in en om het plangebied. Daarnaast is beoordeeld of bestaande bedrijven in de omgeving van het plangebied voldoende zekerheid geboden kan worden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen blijven uitvoeren. Het plangebied voldoet aan de richtafstanden tot bedrijven buiten het plangebied.
Deze bedrijven worden daarmee niet onevenredig beperkt in hun bedrijfsvoering. Tegelijkertijd worden binnen het plangebied alleen bedrijven toegestaan die zijn genoemd in de Staat van bedrijfsactiviteiten, functiemenging, als onderdeel van het nieuwe bestemmingsplan. Hiermee kan worden gesteld dat ook voor de nieuwe functies binnen het plangebied onderling sprake zal zijn van een goede ruimtelijke ordening.
4.4 Externe veiligheid 4.4.1 Inleiding
Piushavengebied 2009, 6e herziening (Fabriekskwartier verbrede reikwijdte)
Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures: 1. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 2004 (sindsdien enkele keren aangepast); 2. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van 1 april 2015; 3. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van 1 januari 2011. Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen". 4.4.2 Verantwoordingsplicht Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron. Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald.
In de bij dit plan gevoegde Memo externe veiligheid Fabriekskwartier Tilburg (bijlage 8), uitgevoerd door WSP met datum 20 april 2022 en referentie SLM16595.NOT001.v3.AC.RL, zijn de relevante risicobronnen geïnventariseerd. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied ligt in het invloedsgebied van de Rijksweg A58 en de spoorlijn Breda‐Tilburg. De verantwoordingsplicht is hiervoor ingevuld en opgenomen in de genoemde bijlage. 4.4.3 Beleidsvisie externe veiligheid In de beleidsvisie externe veiligheid wordt het gebied waarin het plangebied ligt aangemerkt als een luw gebied. Binnen een luw gebied gelden de volgende voorwaarden: <0000> Kwetsbare objecten zijn overal mogelijk; <0000> Geschikt voor bijzonder kwetsbare functies/objecten; <0000> Bestaande risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden mogelijk; <0000> Bevi‐inrichtingen zijn niet mogelijk; <0000> Beheersbaarheid gericht op effecten van mogelijke calamiteiten op orde. Aan bovengenoemde randvoorwaarden wordt voldaan. De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid. 4.4.4 Conclusie en restrisico Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de Rijksweg A58 en de spoorlijn Breda‐Tilburg. Personen in het plangebied worden aan externe veiligheidsrisico's blootgesteld, ook na maatregelen.
Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld (zie de eerdergenoemde bijlage Memo externe veiligheid Fabriekskwartier Tilburg). De Brandweer Midden‐ en West‐ Brabant heeft d.d. 4 januari 2022 advies uitgebracht (bijlage 9). De relevante onderdelen uit het advies zijn verwerkt in de verantwoording. Uit het bovenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken: <0000> De plaatsgebonden risicocontour van 10‐6 per jaar van risicobronnen in de omgeving van het plangebied vormt geen belemmering voor het initiatief; <0000> De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een toename van het groepsrisico van één of meerdere risicobronnen in de omgeving van het plangebied; <0000> De bereikbaarheid van het plangebied is goed; <0000> Goede communicatie kan een bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid van personen. In Tilburg vindt communicatie plaats via de Risicokaart, en de risicocommunicatie‐campagne Denk Vooruit; <0000> Het plangebied ligt in het dekkingsgebied van de WAS‐installatie (Waarschuwings‐ en alarmeringssysteem), dit (en daarnaast NL‐Alert) biedt de mogelijkheid de aanwezigen in het gebied tijdig te waarschuwen; <0000> De aanwezigen kunnen het plangebied goed ontvluchten;
Piushavengebied 2009, 6e herziening (Fabriekskwartier verbrede reikwijdte)
<0000>
<0000>
Bij een incident met een toxische wolk is binnen schuilen vaak de beste oplossing. Bij mechanische ventilatie heeft het de voorkeur dat deze in de meterkast kan worden uitgezet. Hiermee is langdurig verblijf inpandig bij een toxische wolk mogelijk; De brandweer voldoet aan de opkomsttijd conform het dekkings‐ en spreidingsplan.
Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.
4.5 Vuurwerk Binnen het bestemmingsplan zijn geen bestaande verkooppunten en opslagen van consumentenvuurwerk en opslagen van professioneel vuurwerk aanwezig. Burgemeester en wethouders kunnen voor nieuw te vestigen verkoopruimten en opslagen van consumentenvuurwerk en ten behoeve van het uitbreiden, verbouwen en/of verplaatsen van bestaande (buffer)bewaarplaatsen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bestemmingsplan. Bij nieuwvestiging van vuurwerkverkooppunten en/of opslag van consumentenvuurwerk wordt te allen tijde als voorwaarde opgenomen dat de veiligheidscontour zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit op het eigen perceel gesitueerd dient te zijn tenzij de veiligheidscontour zich uitstrekt over openbaar gebied en hierbij geen sprake is van kwetsbare en/of geprojecteerde kwetsbare objecten. Op basis van de veiligheidsafstanden in het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Staatsblad 33 (2002), houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten‐ en professioneel vuurwerk) is het niet mogelijk om professioneel vuurwerk op te slaan (en te bewerken) in Tilburg. Er wordt daarom geen medewerking verleend aan nieuwvestiging van vuurwerkbedrijven van professioneel vuurwerk.
4.6 Geluid Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (hierna Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden. 4.6.1 Wegverkeerlawaai De nieuwe woningen worden gerealiseerd binnen wegen zoals bedoeld in hoofdstuk VI van de Wgh ("zones langs wegen"). Dit betreft de Wethouder Baggermanlaan, de Ringbaan Zuid en de Ringbaan Oost. Daarom is getoetst aan de normen van de Wgh en is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Voor de uitgangspunten en rekenresultaten van het akoestisch onderzoek opgesteld door WSP wordt verwezen naar het rapport “Fabriekskwartier Tilburg”, d.d. 20 april 2022 (projectnummer SLM016595, documentnummer SLM016595.RAP001.AC.NG, versie 3) (bijlage 10). De overige wegen in de nabijheid van het plangebied zijn niet‐zoneplichtige 30 km/uur wegen. De 30 km/uur wegen zijn beschouwd in het kader van de beoordeling van een goede ruimtelijke ordening. Voor nieuwe woningen geldt als wettelijke voorkeurgrenswaarde 48 dB.
Uit de rekenresultaten van het akoestisch onderzoek blijkt dat: <0000> de wettelijke voorkeurgrenswaarde voor de Ringbaan Oost en de Ringbaan Zuid niet wordt overschreden; <0000> de wettelijke voorkeurgrenswaarde voor de Wethouder Baggermanlaan wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB voor een binnenstedelijke situatie wordt niet overschreden. De hoogste geluidbelasting als gevolg van de Wethouder Baggermanlaan bedraagt 59 dB; <0000> de gecumuleerde geluidbelasting ten hoogste 65 dB exclusief aftrek conform artikel 110g Wgh bedraagt. Deze geluidbelasting wordt met name bepaald door de Wethouder Baggermanlaan en de Fatimastraat; <0000> de eerste lijnsbebouwing aan de Wethouder Baggermanlaan en de Fatimastraat een duidelijke geluidafschermende rol vervullen naar het achtergelegen deel van het plangebied. Rekening houdend met deze afschermende werking voor ca. 90% van de nieuwbouw sprake zal zijn van een redelijk tot goed woon‐ en leefklimaat. Voor de overige 10% van de nieuwbouw kan met een slimme positionering van de gebouwen en het voldoen aan de voorwaarden vanuit het gemeentelijk geluidbeleid tevens een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat gerealiseerd worden. Maatregelen
Piushavengebied 2009, 6e herziening (Fabriekskwartier verbrede reikwijdte)
Voor de Wethouder Baggermanlaan geldt dat de gemeente geen invloed heeft op het stiller worden van voertuigen. Maatregelen aan de bron zijn daarom maatregelen die betrekking hebben op de uitvoering van de weg (wegdektype en snelheid) of het verkeer (intensiteiten en samenstelling). Op basis van de functie van de weg is het niet te verwachten dat op korte termijn wijzigingen mogelijk zijn met betrekking tot de verkeersintensiteit en verkeerssamenstelling. Bovendien is voor de Wethouder Baggermanlaan geluidsreducerend asfalt (SMA‐NL5) al toegepast. Wel wordt opgemerkt dat naar verwachting de Wethouder Baggermanlaan op termijn een 30 km/uur weg wordt. In dat geval wordt een reductie van circa 3 dB gerealiseerd ter hoogte van de eerstelijnsbebouwing en is in dat geval ook geen sprake meer van een wettelijke geluidzone op basis van de Wet geluidhinder. Om de geluidbelasting te reduceren kunnen maatregelen in de overdracht zoals geluidsreducerende schermen of grondwallen worden toegepast. Gezien de hoogte van de nieuwe woningen en woontorens en de beperkte afstand tot de Wethouder Baggermanlaan, zouden onrealistisch hoge schermen noodzakelijk zijn. Voor grondwallen is onvoldoende ruimte beschikbaar. Daarnaast is het toepassen van geluidschermen voor binnenstedelijke situaties niet gewenst vanuit stedenbouwkundige argumenten.
Geconcludeerd kan worden dat maatregelen aan de bron en in de overdracht om de geluidbelasting te reduceren tot aan de wettelijke voorkeurgrenswaarde van 48 dB overwegende bezwaren van verkeerskundige en stedenbouwkundige aard ontmoeten en derhalve niet wenselijk zijn. Gemeentelijk geluidbeleid april 2015 Het gemeentelijk geluidbeleid is opgenomen in het document ‘Hogere waarde beleid’ van april 2015. Uitgangspunt van het gemeentelijk geluidbeleid is dat op geluid belaste locaties sprake moet zijn van een "acceptabel woon‐ en leefklimaat". In het geluidbeleid is aangegeven wanneer het zinvol is om aanvullende eisen te stellen. Deze aanvullende eisen zijn van toepassing als de geluidbelasting op de gevel van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen meer bedraagt dan 53 dB voor wegverkeerslawaai. Reden hiervoor is dat uit onderzoek is gebleken dat pas boven deze geluidbelastingen er sprake kan zijn van substantiële hinder. Uit de rekenresultaten van het akoestisch onderzoek blijkt voor dat een klein deel van het plangebied (gebied parallel aan de Wethouder Baggermanlaan) de geluidbelasting meer bedraagt dan 53 dB. Om voor deze woningen een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat en derhalve een goede ruimtelijke ordening te borgen zijn aanvullende voorwaarden gesteld conform het gemeentelijk geluidbeleid. Dit betekent dat woningen waar de geluidbelasting op de gevel t.g.v.
de Wethouder Baggermanlaan meer bedraagt dan 53 dB, de woningen moeten beschikken over een geluidluwe gevel (met daaraan bij voorkeur gelegen de hoofdslaapkamer) en een geluidluwe gevel. Om aan deze voorwaarden te kunnen voldoen zijn maatregelen bij de ontvanger noodzakelijk. Afhankelijk van de geluidbelasting kan dit bij de appartementen bijvoorbeeld door toepassen van balkons met gesloten balustrades en een geluidabsorberende plafondafwerking of door toepassing van afsluitbare loggia’s. De mogelijkheden hiervan zullen tijdens de verdere planuitwerking en in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor het aspect bouwen nader worden onderzocht. Hierbij zal tevens de noodzakelijke geluidwerende gevelmaatregelen gedimensioneerd worden opdat aan de wettelijke eisen uit het Bouwbesluit voor wat betreft de gevelgeluidwering kan worden voldaan. Om de woningen akoestisch mogelijk te maken en te kunnen voldoen aan de normen van de Wgh en het gemeentelijk geluidbeleid heeft het college van burgemeester en wethouders voor dit bestemmingsplan een hogere waarden besluit genomen. In dit besluit, dat bij het bestemmingsplan is gevoegd, zijn aanvullende voorwaarden opgenomen op basis van het gemeentelijk geluidbeleid. 4.6.2 Railverkeerlawaai Het plangebied is gelegen buiten het aandachtsgebied van de spoorlijn Tilburg‐Boxtel‐Den Bosch.
Dit betekent dat er niet getoetst hoeft te worden aan de geluidnormen van de Wet/Besluit geluidhinder. 4.6.3 Industrielawaai In het plangebied is de vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder Onderdeel D van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing. De nieuwe woningen zijn niet gelegen binnen een wettelijke geluidzone van een industrieterrein of een geluidzone van een industrieterrein waarvoor een geluidbeheerplan is vastgesteld. Industrielawaai vormt geen belemmering voor de nieuwbouw. 4.6.4 Luchtvaartlawaai Piushavengebied 2009, 6e herziening (Fabriekskwartier verbrede reikwijdte)
Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze‐Rijen gelden in delen van Tilburg geluidzones (de zogenaamde Ke‐zones). Deze zones liggen niet over het plangebied. 4.6.5 Trillingen Het plangebied ligt ver buiten het “aandachtsgebied” van 100 meter gezien vanaf het spoor. Dit betekent dat trillinghinder niet te verwachten is en onderzoek hierna niet noodzakelijk is.
4.7 Lucht Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De bestemmingen in het plangebied zijn getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen uit hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Het plan voorziet in de transformatie van dit voormalige bedrijventerrein tot een autoluwe stadsbuurt met maximaal 474 woningen. Verder worden er nog circa 5.000 m2 aan andere functies binnen het gebied mogelijk gemaakt, zoals kleinschalige dienstverlening en ambachtelijke bedrijvigheid. In de Memo “Project Fabriekskwartier Tilburg‐beoordeling luchtkwaliteit” opgesteld door WSP (d.d.14 februari 2022 met projectnummer SLM016595) (bijlage 11) heeft een beoordeling plaatsgevonden of het plan gevolgen heeft voor de luchtkwaliteit ter plaatse door te toetsen aan de eisen uit de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit).
Tevens is onderzocht of er sprake is van een goed woon‐ en leefklimaat voor de nieuwe gevoelige bestemmingen binnen het plan. Voor het plan Fabriekskwartier wordt uitgegaan dat een toename van de verkeersaantrekkende werking van het gebied teweeg wordt gebracht van ten hoogste 1.627 verkeersbewegingen per etmaal. Aan de hand van de NIBM tool is beoordeeld wat het effect is van deze toename van het aantal verkeersbewegingen. In bijlage 1 van de Memo d.d. 14 februari 2022 is het resultaat weergegeven van de NIBM rekentool. Geconcludeerd wordt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekenende mate is en dat nader onderzoek niet noodzakelijk is. Vanuit een goede ruimtelijke ordening moet ook worden aangetoond dat het verantwoord is om te bouwen in de omgeving van het plangebied en dat de toekomstige bewoners een goed woon‐ en leefklimaat wordt geboden. De luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied wordt bepaald door de luchtparameters stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5). In tabel 3‐1 van de Memo d.d. 14 februari 2022 zijn de concentraties voor deze stoffen in de nabijheid van het plangebied weergegeven op basis van de NSL‐monitoringstool (monitoringsronde 2022) en afgezet tegen de grenswaarden in de Wet milieubeheer en de advieswaarden van de WHO. Ook is aangegeven wat de verwachting is voor het jaar 2030.
Uit tabel 3‐1 blijkt dat de concentraties verontreinigende stoffen ter plaatse ruim lager zijn dan de van toepassing zijnde wettelijke grenswaarden. Voor NO2 en PM10 wordt bovendien voldaan aan de WHO advieswaarde. De concentratie PM2,5 ligt boven de WHO advieswaarde van 10 μg/m3, echter blijkt uit de prognose voor het jaar 2030 dat deze concentratie zal dalen tot onder deze WHO advieswaarde. Gezien de lage concentraties verontreinigende stoffen kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een goed woon‐ en leefklimaat. Daarnaast is geen sprake van luchtgevoelige bestemmingen zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling.
4.8 Geur 4.8.1 Industriële geurhinder Er is geen sprake van industriële bedrijvigheid nabij het plangebied. 4.8.2 Agrarische geurhinder Er is geen sprake van agrarische bedrijvigheid nabij het plangebied. Piushavengebied 2009, 6e herziening (Fabriekskwartier verbrede reikwijdte)
4.9 Bodem In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een bodemonderzoek. In beginsel dient een bestemmingsplan(‐wijziging) minimaal vergezeld te worden van een verkennend bodemonderzoek, conform de NEN 5740, dat niet ouder is dan 5 jaar. Binnen het bestemmingsplangebied zijn meerdere historische bodembedreigende activiteiten bekend. Ook in de directe omgeving is sprake van (historische) bodembedreigende activiteiten. Ter plaatse van de locatie waren in het verleden meerdere onderdelen van de voormalige Wollen‐stoffenfabriek Aabe gesitueerd. Tevens is een busremise binnen het plangebied actief. Verder zijn na de beëindiging van de activiteiten van Aabe meerdere gebouwen in gebruik genomen door andere bedrijven. Er zijn 2 bodemonderzoeken aangeleverd. Historisch vooronderzoek bodem plangebied Fabriekskwartier, WSP Nederland BV, kenmerk SLM 016595, 16 juli 2021 Wij hebben het historische vooronderzoek op 23 december 2021 beoordeeld.