CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

06 obp Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel 2e herz Toelichting met bijlage - b001

Raadsvergadering 13 december 2021, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel bestemmingsplan Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herz31.227 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Hieruit blijkt dat de stikstofdepositie in de bouwfase van het plan niet groter is dan 0,00 mol/ha/jaar. Het aspect stikstofdepositie vormt gelet op bovenstaande toetsing geen belemmering voor de vaststelling en uitvoering van dit plan. <0000> Overige storingsfactoren Vanwege de ligging van het plangebied op 400 meter afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling. Natuurbescherming in Interim Omgevingsverordening De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Iov. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de kaart 'Natuur Netwerk Brabant' van de Iov is binnen het plangebied geen NNB aanwezig, zie Afbeelding 16. De beoogde ontwikkelingen hebben daarom geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan 2016. Daarbij wordt opgemerkt dat door de aanleg van de zorgvuldige landschappelijke inpassing de ecologische waarden in de omgeving versterkt zullen worden.

Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening

42

Afbeelding 16: Uitsnede kaart 'Natuur Netwerk Brabant' Iov, plangebied bij roze aanduiding

Soortenbescherming De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren.

In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: <0000> Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); <0000> Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); <0000> Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden.

Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening

43

Er is een quickscan flora en fauna uitgevoerd om de effecten van de ontwikkeling op beschermde soorten te beoordelen (IJzerman Advies, 2020). De belangrijkste bevindingen en conclusies worden hieronder weergegeven. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 4. Op basis van het uitgevoerde onderzoek is beoordeeld dat vrijgestelde soorten kunnen worden aangetroffen (algemene amfibieën en kleine zoogdieren). Hiervoor hoeft in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen geen ontheffing te worden aangevraagd. Het voorkomen fvan deze soorten wordt door de geplande ontwikkelingen niet in gevaar gebracht. Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Hierbij valt te denken aan het uitvoeren van de meest verstorende werkzaamheden in de maanden september en oktober. Voor overige beschermde soorten is nader onderzoek niet noodzakelijk door het ontbreken van geschikte biotopen en vaste verblijfslocaties. Van gebouw bewonende soorten zoals huismussen, gierzwaluwen, uilen of vleermuizen zijn geen nest- of verblijfslocaties in de te slopen structuren aangetroffen. Er worden geen vaste nest- of verblijfslocaties in de te slopen structuren aangetroffen. Er worden geen vaste nest- of verblijfslocaties aangetast.

Ook nader onderzoek hiernaar is niet relevant. Ter voorkoming van het verstoren van broedende vogels wordt aangeraden eventuele kapwerkzaamheden tussen half juli en half maart (buiten het broedseizoen) te verrichten. Het verstoren van broedende vogels is verboden. Voor het verstoren van broedende vogels wordt geen ontheffing verleend. In het broedseizoen kan ook gekapt worden indien er geen broedende vogels aanwezig zijn, alleen dient het dan onder begeleiding van een ter zake kundige worden uitgevoerd. Conclusie Vanuit de wettelijke gebiedsbescherming van Natura 2000-gebieden zijn geen beperkingen of voorwaarden aan het plan verbonden. Ook vanuit de natuurbeschermingsregels uit de Verordening Ruimte (Natuurnetwerk Brabant en Groenblauwe Mantel) zijn geen beperkingen of voorwaarden aan het plan verbonden. Het bestemmingsplan kan in overeenstemming met de wettelijke soortenbescherming worden uitgevoerd, mits begroeiingen waarin vogels kunnen nestelen worden verwijderd buiten het broedseizoen.

Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening

44

Hoofdstuk 5 Wateraspecten 5.1 Bestaand watersysteem In de nabije omgeving van het plangebied zijn geen watergangen gelegen, zie Afbeelding 17. Het plangebied is wel gelegen in een 'Attentiegebied'. In paragraaf 3.1.3 van deze toelichting is reeds aan deze aanduiding getoetst.

Afbeelding 17: Uitsnede Keur Waterschap De Dommel, plangebied zwart omcirkeld

Er is ten behoeve van het bedrijf een ecologische schoon watervijver aangelegd, waarin hemelwater geborgen kan worden. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak Dit water kan na het bergen hergebruikt worden voor onder andere beregening van de boomkwekerij. Hierdoor zal het regenwater zeer gestaag over een groot oppervlak geïnfiltreerd worden, waardoor pieken in waterafvoer worden voorkomen. Deze schoonwatervijver, met hergebruik van het water, dateert al van vóór 2000. Op het bedrijf wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. Er is sprake van good-house-keeping management. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Afvalwater, ofwel percolaatwater, dat ontstaat door het vallen van hemelwater op het organische materiaal, wordt opgevangen in vloeistofdichte bassins en bij het bevochtigen van de composthopen hergebruikt. De composthopen liggen allen op vloeistofdichte vloeren, om uitspoeling naar bodem en grondwater te voorkomen. Elke 5 jaar wordt het grondwater gecontroleerd op mogelijke invloeden van de activiteiten. De

Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening

45

locatie wordt eveneens regelmatig gecontroleerd op uitspoeling van de vervuilde grond naar het freatische grondwater. De sanitaire voorzieningen zijn aangesloten op het gemeentelijk riool.

5.2 Beleidskader Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Door middel van deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: <0000> Beschrijving waterrelevant beleid; <0000> Bestaande waterhuishoudkundige situatie; <0000> Beoogde waterhuishoudkundige situatie. Waterrelevant beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven door middel van de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009.

De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Provincie Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Omgevingsvisie en Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De belangrijkste aspecten zijn: <0000> Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; <0000> Een betere waterveiligheid door preventie; <0000> Koppeling van waterberging en droogtebestrijding. Uit Afbeelding 18 blijkt dat er binnen de Iov geen werkingsgebieden voor wat betreft het aspect water zijn gelegen op het plangebied. Er zijn derhalve geen voorwaarden waar in het kader van de Iov aan getoetst dient te worden.

Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening

46

Afbeelding 18: Uitsnede kaart grondwaterbescherming, waterveiligheid- en berging (afdeling 2.1 Iov)

De watertoets en de wijze waarop de provincie daar mee omgaat, is beschreven in het Provinciaal Milieu en Waterplan (PMWP). Provinciale Staten hebben op 18 december 2015 het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 – 2021 'Samen naar een duurzaam gezonde en veilige leefomgeving in Brabant vastgesteld (PMWP). Hiermee zijn twee aparte provinciale plannen samengevoegd, te weten het voormalige 'PWP 2010-2015' en het 'Provinciale Milieuplan 2012-2015'. Het doel van dit plan is het creëren van een gezonde leefomgeving voor mens, dier en plant, waarin we veilig kunnen wonen en waar ruimte is voor economische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen. Het aspect water maakt hier onderdeel van uit. Kort gezegd gaat het PMWP voor: <0000> Voldoende water voor mens, plant en dier; <0000> Schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); <0000> Bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico's; <0000> Verduurzaming van de grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie in hun PMWP stelt. De PMWP is enkel voor de provincie Noord-Brabant zelf bindend. Zoals weergegeven is in Afbeelding 19 heeft het plangebied in het PMWP de waterhuishoudkundige functie 'Water voor de groenblauwe mantel' toegekend gekregen.

Deze aanduiding komt overeen met de aanduiding 'groenblauwe mantel' uit de Structuurvisie ruimtelijke ordening en Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De groenblauwe mantel bestaat uit gemengd landelijk gebied met belangrijke nevenfuncties voor natuur en water. De mantel draagt bij aan de bescherming van de waarden in de EHS, de ecologische verbindingszones en de wateren met een functie voor waternatuur. De mantel heeft daarnaast óók een onafhankelijke betekenis voor biodiversiteit, water en landschap. Ook groene gebieden door en nabij de stedelijke omgeving zijn onderdeel van de groenblauwe mantel. De mantel biedt mogelijkheden voor recreatie en multifunctioneel landgebruik. Het initiatief betreft het ontwikkelen van een test- en innovatiecentrum en het aanleggen van een parkeerterrein. Dit past binnen een multifunctioneel landgebruik. De beoogde ontwikkeling wordt

Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening

47

gecombineerd met een goede landschappelijke inpassing. Door het combineren van het initiatief met een goede landschappelijke inpassing zullen geen negatieve effecten ontstaan op de ontwikkeling van de waarden en de wateren in de groenblauwe mantel.

Afbeelding 19: Uitsnede kaart PMWP 2016-2021

Op de kaart 2 en 3 behorende bij de PMWP heeft het plangebied geen aanduiding gekregen. Volgens het beleidskader van de PMWP is dus geen specifiek beschermingsregime van toepassing binnen het plangebied. Hiermee past het initiatief binnen het beleidskader van de PMWP. Waterschap Waterschap de Dommel is de beheerder van zowel de kwantiteit als de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater in de omgeving van het plangebied. Het waterbeheerplan 'Waardevol Water' beschrijft de doelen van Waterschap De Dommel voor de periode 2016-2021. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Nationaal Waterplan, het Provinciaal Milieu en Waterplan en het Stroomgebiedsbeheerplan. Meer dan voorheen wil het waterschap inspelen op initiatieven van derden en kansen die zich voordoen in het gebied. Ten aanzien van de doelen is een indeling gemaakt in de volgende waterthema's. <0000> Droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied (onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen); <0000> Voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is.

Daarvoor reguleert het waterschap het grond- en oppervlaktewater; <0000> Natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten door deze waterlopen goed in te richten en te beheren; <0000> Schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen; <0000> Mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven, door onder meer recreatief gebruik.

Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening

48

Het waterschap staat voor een aantal complexe uitdagingen, die zij in veel gevallen niet alleen kan realiseren. Deze uitdagingen geven invulling aan de verbinding van water met de maatschappelijke ontwikkelingen. Daarom zet het waterschap sterk in op samenwerking. In het Waterbeheerplan nodigt het waterschap waterpartners, stakeholders, boeren, burgers en bedrijven nadrukkelijk uit om gezamenlijk te werken aan slimme, innovatieve oplossingen voor de complexe wateropgaven. Dit betekent onder meer dat het waterschap de bestaande samenwerking met al de partners in het gebied wil uitbreiden en 'grenzeloos' organiseren vanuit de kracht van ieders rol en verantwoordelijkheid. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de Legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel.

Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap De Dommel. Gemeente Tilburg Voor de periode 2020-2023 heeft de gemeente Tilburg een nieuw Gemeentelijk rioleringsplan opgesteld (14 november 2019), met een naamswijziging en aangepaste opzet naar Programma Water en Riolering "Op weg naar een waterrobuust en klimaatbestendig Tilburg" (hierna te noemen: PWR). Het PWR is een planinstrument om mee te kunnen bewegen met de trends en ontwikkelingen met onder meer extreme neerslag door klimaatverandering, een veranderende verhouding tussen overheid en bewoners en verandering in wetgeving. Het PWR vervult vier hoofdfuncties: <0000> Kader gemeentelijke zorgplichten, met een overzicht aan beleidskeuzes en ambities ten aanzien van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater en bijdragen aan de zorgplichten oppervlaktewater en drinkwater. <0000> Interne afstemming met andere vakdisciplines binnen de gemeentelijke organisatie en met de waterpartners. <0000> Externe afstemming, met o.a. bewoners en bedrijven, ontwikkelaars en bouwbedrijven. <0000> Continuïteit en voortgangsbewaking, vanwege de relatief lange levensduur van stedelijke watervoorzieningen en kapitaalintensieve investeringen is een lange termijn aanpak essentieel (begroting, investeringen en evaluatie).

Om het water- en rioleringssysteem toekomstbestendig te kunnen inrichten wordt een regenwater- opgave geïntroduceerd voor vervanging van verhard oppervlak en hanteert de gemeente Tilburg nieuwe ondergrenzen bij toename van het verhard oppervlak (zie tabel 1). De regenwateropgave verplicht tot het aanbrengen van regenwaterberging en is in lijn met de wateropgave die de waterbeheerder oplegt. Op dit moment is dat 60 mm. De opgave van 60 mm heeft als doel het verwerken van extreme neerslaghoeveelheden om de kans op wateroverlast nu en in de toekomst te beperken. Daarbij wordt gekeken wat haalbaar is (in de ruimte) en betaalbaar is (risico afgezet tegen verminderen schadelast, in combinatie met maatschappelijke voordelen, (berekend met tools als TEEB stad). Als blijkt dat de waterbergingsopgave redelijkerwijs niet mogelijk is, kan hiervan worden afgeweken (in overleg met de gemeente). Eventueel kan hier een financiële voorwaarde aan worden verbonden (de opgave wordt dan afgekocht). De gemeente Tilburg hanteert de volgende regenwateropgave: <0000> < 50 m²: géén regenwateropgave; <0000> bij 50 m² - 150 m², indien niet vergunningplichtig géên regenwateropgave en indien wel vergunningplichtig een regenwateropgave volgens onderstaande tabel; <0000> >150 m²: regenwateropgave volgens onderstaande tabel;

Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening

49

Tabel 1: Regenwateropgave gemeente Tilburg

Omdat het hier om er op de bedrijfslocatie een bergingsvijver aanwezig is waar het water van het hele jaar geborgen wordt en vervolgens gebruikt wordt, is bovenstaande bergingsnorm hier niet van toepassing. De berging is zodanig groot, dat het regenwater niet over de oppervlakte afstroomt naar verderop gelegen water of naar naastgelegen percelen.

5.3 Duurzaam watersysteem Bij de nieuwbouw zal gebruik worden gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen en niet van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie.)

5.4 Watertoets In de beoogde situatie zal het bedrijfsafvalwater op dezelfde wijze worden afgevoerd als benoemd in de bestaande waterhuishoudkundige situatie. Het test- en innovatiecentrum zal worden aangesloten op het gemeentelijk riool. Uit Afbeelding 5 blijkt dat het plangebied is gelegen in een 'Attentiezone waterhuishouding'. In paragraaf 2.2.3 van deze toelichting is aan deze aanduiding getoetst. Verder zullen de beschermingszones ten opzichte van omliggende watergangen in acht worden genomen. Binnen 5 meter van de watergang worden geen nieuwe obstakels, zijnde bebouwing dan wel landschapselementen, mogelijk gemaakt. Zoals aangegeven is waterschap de Dommel de beheerder van de kwaliteit en kwantiteit van het grond- en oppervlaktewater binnen het plangebied. Door middel van de Keur van Waterschap de Dommel, die in werking is getreden op 1 maart 2015, kan worden bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Deze mitigerende maatregelen kunnen onder andere bestaan uit het treffen van een retentievoorziening. De Keur van Waterschap de Dommel schrijft voor dat voor een toename van minder dan 2.000 m² verhard oppervlak geen mitigerende maatregelen nodig zijn. In de beoogde situatie is er een toename van circa 1.540 m2 verhard oppervlak (het test- en innovatiecentrum bedraagt circa 600 m² en de beoogde parkeerplaats circa 940 m²).

Omdat er in de beoogde situatie een toename verharding is van minder dan 2.000 m² hoeft er geen compenserende maatregel getroffen te worden om het hemelwater op te vangen. Het hemelwater zal in de beoogde situatie infiltreren in de bodem of afgevoerd worden naar de bestaande ecologische schoon watervijver. Hieruit wordt geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief.

Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening

50

Hoofdstuk 6 Opzet planregels 6.1 Inleiding De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het opstellen van bestemmingsplannen door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen.

6.2 Bestemmingen en aanduidingen In het bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen aanwezig: <0000> Enkelbestemming: Bedrijf; <0000> Enkelbestemming: Agrarisch met waarden; <0000> Enkelbestemming: Groen; Binnen deze bestemmingen zijn de volgende aanduidingen gebruikt: <0000> Functieaanduiding: landschapswaarden; <0000> Functieaanduiding: specifieke vorm van bedrijf – landschappelijke inpassing; <0000> Functieaanduiding: specifieke vorm van bedrijf - agrarisch verwant bedrijf; Daarnaast zijn de volgende dubbelbestemmingen aanwezig: <0000> Dubbelbestemming: Waarde – Archeologie; <0000> Dubbelbestemming: Waterstaat – Attentiegebied NNB; <0000> Dubbelbestemming: Waterstaat - Waterbergingsgebied; Voor de benaming van de bestemmingen en aanduidingen is aangesloten bij het moederplan bestemmingsplan 'Herziening Biezenmortelsestraat 57, Biezenmortel'. Voor het overige wordt aangesloten bij het SVBP. De bestemming 'Agrarisch met waarden – landschapswaarden' is gewijzigd naar 'Bedrijf' met de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – agrarisch verwant bedrijf'. Daarnaast is ter plaatse van het test- en innovatiecentrum en op omliggende gronden van het centrum een bouwvlak opgenomen ten behoeve van de beoogde bebouwing en de beoogde mogelijke opstellingen in de buitenlucht. De totale oppervlakte van het beoogde bouwvlak zal 17.738 m² beragen.

Ter plaatse van de parkeerplaatsen is dezelfde bedrijfsbestemming zonder bouwvlak opgenomen. Daarnaast zijn ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - landschappelijke inpassing' de gronden mede bestemd voor landschappelijke inpassing conform het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in bijlage 1 van deze regels. Ter borging van de aanleg en instandhouding van het landschappelijk inpassingsplan is een voorwaardelijke gebruiksverplichting opgenomen in de gebruiksregels. De gebiedsaanduidingen zijn overgenomen van de Interim omgevingsverordening. Tot slot is de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden – dassenleefgebied' komen te vervallen.

6.3 Bouw- en gebruiksregels Bouwregels De bouwregels bevatten een uitgebreide regeling ten aanzien van het oprichten van gebouwen en overige bouwwerken in het plangebied (bouwvlak, erf, bouwhoogte, regeling bijgebouwen etc.). Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt in bouwregels voor (hoofd)gebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bouwwerken van algemeen nut. Gebruiksregels Bij de meeste bestemmingen worden regels omtrent het gebruik van gronden en bouwwerken gegeven, al dan niet aangevuld met een aantal afwijkingsmogelijkheden, wisselend per bestemming.

Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening

51

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid In dit hoofdstuk wordt de financiële uitvoerbaarheid van het plan uiteengezet. Artikel 3.1.6. van het Bro bepaalt dat in een vast te stellen bestemmingsplan een toelichting moet worden opgenomen, waarin (o.a.) de inzichten staan over de uitvoerbaarheid van het plan. Het onderhavige plan bevat een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De grondexploitatiewet (afdeling 6.4 van de Wro) is om die reden van toepassing en in beginsel is dus een exploitatieplan vereist. Gelet op het bepaalde in artikel 6.12 lid 2 van de Wro hoeft in casu echter geen exploitatieplan te worden opgesteld. Doordat met initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst is gesloten, is het verhaal van kosten die de gemeente moet maken 'anderszins verzekerd' door die overeenkomst. De gemeentelijke plan- en apparaatskosten ten behoeve van het opstellen van dit plan zijn opgenomen in de exploitatieovereenkomst. Daarnaast is met de initiatiefnemer een overeenkomst inzake het verhaal van tegemoetkomingen in planschade gesloten. In deze overeenkomst is bepaald dat schade als gevolg van dit bestemmingsplan, die op grond van afdeling 6.1. Wro voor vergoeding in aanmerking komt, zal worden vergoed door de initiatiefnemer. Gelet op het voorgaande is het plan economisch uitvoerbaar.

Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening

52

Hoofdstuk 8 Omgevingsdialoog en vooroverleg 8.1 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro Het concept-ontwerpbestemmingsplan is onder vermelding van een reactietermijn van vier weken verzonden naar de in artikel 3.1.1 Bro genoemde overleginstanties. Het concept is verzonden aan de volgende organisaties: Instantie Provincie Noord-Brabant Directie ROH Waterschap De Dommel (enkel waterparagraaf)

Datum verzending 8-3-2021

Datum ontvangst reactie Opmerkingen? 15-4-2021 nee

17-3-2021

8.2 Omgevingsdialoog De omgevingsdialoog heeft plaatsgevonden in het eerste kwartaal van 2020. De familie Van Iersel heeft persoonlijk hun buren op de hoogte gebracht van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling om een test- en innovatiecentrum op hun locatie. Hiervoor zijn gesprekken gevoerd met de bewoners van de locaties Biezenmortelsestraat 32, Biezenmortelsestraat 34, Biezenmortelsestraat 36, Biezenmortelsestraat 55 , de Oude Bosschebaan 25 en Biezenmortelsestraat 61. In Bijlage 6 is een verslag van de omgevingsdialoog weergegeven.

8.3 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan op 11 december 2020 gepubliceerd in het Gemeenteblad.

8.4 Zienswijzen p.m.

Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening

53

Bijlagen toelichting Bijlage 1 Landschappelijk inpassingsplan Landschappelijk inpassingsplan

Bijlage 2 Berekening kwaliteitsverbetering landschap Berekening kwaliteitsverbetering landschap

Bijlage 3 Notitie Ladder duurzame verstedelijking Notitie ladder duurzame verstedelijking

Bijlage 4 Quick scan flora en fauna Quick scan flora en fauna

Bijlage 5 Bodemonderzoek Bodemonderzoek

Bijlage 6 Omgevingsdialoog Omgevingsdialoog

Bijlage 7 Invoergegevens AERIUS berekening Invoergegevens AERIUS berekening

Bijlage 8 Rekenresultaten AERIUS berekening verschilberekening Rekenresultaten AERIUS berekening verschilberekening

Bijlage 9 Rekenresultaten AERIUS berekening bouwfase 2021 Rekenresultaten AERIUS berekening bouwfase 2021

Bijlage 10 Rekenresultaten AERIUS berekening bouwfase 2022 Rekenresultaten AERIUS berekening bouwfase 2022

Bijlage 11 Aanmeldnotitie vormvrije mer Vormvrije mer-aanmeldnotitie

Bijlagen toelichting Bijlage 1 Landschappelijk inpassingsplan Landschappelijk inpassingsplan

Struweelhaag met landschapsbomen

Opgesteld door: Datum: Schaal: Project:

T.M.C. van Hooijdonk 02-03-2021 1:2000 (A3) 17092.010

Struweelhaag

Assortimentslijst: Landschapsbomen

Beukenhaag

Struweelhaag Grasland

Deze tekening bevat tevens informatie die geen betrekking heeft op de verplichte landschappelijke inpassing als gevolg van bijbehorende procedure, hieraan kunnen dan ook geen rechten worden ontleend.

LANDSCHAPPELIJK INPASSINGSPLAN

|

BIEZENMORTELSESTRAAT 57 BIEZENMORTEL

Bijlage 2 Berekening kwaliteitsverbetering landschap Berekening kwaliteitsverbetering landschap

Berekening kwaliteitsverbetering Locatie: Biezenmortelsestraat 57, Biezenmortel Project: 17092.008 20-1-2021 Waardevermeerdering gronden Waardevermeerdering (zie bijlage 1: berekening gemeente Tilburg) Bijdrage LIR Kwaliteitsverbetering landschap Omzooming test- en innovatiecentrum Aanplant beukenhaag Beheerskosten beukenhaag (10 jr.) Aanleg grasland Beheerskosten grasland (10jr.) Aanplant landschapsbomen Beheerskosten bomen (10jr.) Aanplant struweelhaag Beheerskosten struweelhaag (10 jr.)

€ 120.238,50 € 24.047,70

20%

Aantal Eenheid Prijs per eenheid 270 stuk € 3,50 1 54 17,40 m € 3,1 are € 10,00 3,1 are € 45,00 7 stuk € 64,90 7 stuk € 33,40 246 stuk € 1,66 52 22,60 m1 €

€ € € € € € € €

Totaalprijs 945,00 939,60 31,00 139,50 454,30 233,80 408,36 1.175,20

Omzooming parkeerplaats Aanplant beukenhaag Beheerskosten beukenhaag (10 jr.) Aanplant landschapsbomen Beheerskosten bomen (10jr.)

325 65 16 16

stuk € m1 € stuk € stuk €

3,50 17,40 64,90 33,40

€ € € €

1.137,50 1.131,00 1.038,40 534,40

Struweelhaag met landschapsbomen Aanplant struweelhaag Beheer struweelhaag (10 jr.) Aanplant bomen (circa) Beheer bomen (10 jr.)

891 330 102 102

stuk € m1 € stuk € stuk €

1,66 22,60 64,90 55,40

€ € € €

1.479,06 7.458,00 6.619,80 5.650,80

Totaal Plankosten (20% van totale kosten)

€ €

29.375,72 5.875,14

Totaal investering landschap Waarde éxtra kwaliteitsverbetering van het landschap

€

35.250,86 € 11.203,16

Bijlage 3 Notitie Ladder duurzame verstedelijking Notitie ladder duurzame verstedelijking

Ladderonderbouwing Ibema Biezenmortel BV – versie 3 28 november oktober 2019

Doel van de Ladder voor Duurzame Verstedelijking Op basis van de Bro en in het kader van een goede ruimtelijke ordening is het noodzakelijk om de behoefte op een locatie waar een nieuwe stedelijke ontwikkeling plaats vindt aan te tonen. Dit behoefte-onderzoek wordt uitgevoerd op basis van de Ladder voor Duurzame Verstedelijking (hierna de ladder). De ladder is daarmee de verplichte motivering die moet worden opgenomen bij ieder plan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling (zie art. 1.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Stedelijke ontwikkeling In dit voorliggend plan het huidige bestemmingsvlak bedrijfsdoeleinden vergroot / bebouwd, waarbij er circa 600 m2 wordt toegevoegd. Derhalve wordt de uitbreiding aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling en is art. 3.1.6 lid 2 Bro van toepassing. Onderdelen van de onderbouwing Uitbreiding van de bouwmogelijkheden en / of functiewijziging in een bestemmingsplan betekent doorgaans dat sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De Ladder is per 1 juli 2017 gewijzigd. Initiatiefnemers moeten onderbouwen waarom een nieuwe stedelijke ontwikkeling: • voorziet in een behoefte • niet in bestaande gebieden en gebouwen kan worden opgevangen. • geen onaanvaardbare leegstandseffecten veroorzaakt,

A. Voorziet in een behoefte Nu dit bestemmingsplan voorziet in een stedelijke ontwikkeling, dient te worden bezien of de ontwikkeling voorziet in een behoefte. Daarvan is zeker sprake, gezien de zeer concrete plannen van Soiltech als onderdeel van Ibema Biezenmortel (hierna Ibema). De behoefte is urgent en noodzakelijk vanwege een aantal redenen. Centralisatie van kennis De kennisuitwisseling binne Ibema (tussen Soiltech en Van Iersel) kan een sterke bijdrage leveren aan de doorontwikkeling van beide bedrijfsonderdelen. Zeker de recente aandacht voor klimaat, bodem en stresstesten als gevolg van hitte, water en verzilting zorgen voor een markt waarin innovatie en kennisontwikkeling van essentieel belang zijn. De R&D afdeling van Ibema werkt zowel voor Soiltech als voor Van Iersel, wat ook duidt op de samenhang en overloop in activiteiten. Het werken vanuit de twee locaties zoals dat in de huidige situatie gebeurt in Biezenmortel en Thorn, zorgt voor een duidelijke rem op de groei en innovatie die zowel bedrijfsmatig als maatschappelijk zo gewenst is. Dat is ook de reden om de locatie in Thorn te verplaatsen naar Biezenmortel. De kennisdeling tussen de bedrijfsonderdelen kan daarmee sterk efficiënter verlopen, wat bijdraagt aan de ontwikkeling van beide onderdelen.

Centralisatie van locatie De centralisatie van kennis zorgt zoals hiervoor aangegeven voor een boost van de innovatiekracht en -snelheid. Ook zorgt de fysieke koppeling op de locatie voor meer test mogelijkheden en daarnaast betere en nauwkeurige resultaten van testen en innovaties. Zeker voor de productie van vloeibare elementen, die worden gewonnen worden uit de microorganismen uit compost, bieden een enorme meerwaarde die vanuit aparte locaties veel minder potentie hebben.

1

De testen en innovaties vragen daarnaast om continue monitoring en beveiliging, of de proeven lopen zoals ze horen te lopen. Het R&D team kan hier tijdens werktijden veel beter toezicht en controle op houden. Buiten werktijden is nabijheid ook noodzakelijk. Een situatie die op de locatie aan de Biezenmortelsestraat mogelijk is, aangezien de eigenaar van Van Iersel en Soiltech op deze locatie woonachtig is. De medewerker die hier tot voor kort in Thorn voor verantwoordelijk was, woonde tot voor kort ook bij het innovatiecentrum. Die situatie is sinds kort vanwege verhuizing voorbij, wat nu al zorgt voor minder goede testresultaten en suboptimale proeven. Op de locatie in Biezenmortel zijn naast het composteren door Van Iersel ook al kantoren en het laboratorium gevestigd. Soiltech zal ook van deze faciliteiten gebruik gaan maken, waarmee de ruimte efficiënt en effectief gebruikt kan worden. Mocht Soiltech naar een andere locatie uit moeten kijken, dan dienen hier ook kantoren en een lab bij ontwikkeld worden, wat een extra claim op de ruimte zou leggen. Circulair en duurzaam De bedrijfsonderdelen Soiltech en Van Iersel bieden gezamenlijke oplossingen voor een duurzame en circulaire land- en tuinbouw, waarmee oplossingen die bestand zijn tegen de klimaatveranderingen en bodemuitputting worden ontwikkeld.

Deze wijze van innoveren en ontwikkelen sluit aan op een duurzame en circulaire agrarische sector en economie, die rekening houdt met de toekomt. Tuinders en kanten van tuinders vragen om steeds duurzamere oplossingen. Soiltech (proeven en advies) kan hier in combinatie met Van Iersel (producten) de oplossing bieden. Ook voor deze manier van werken is de clustering van beide bedrijfsonderdelen van groot belang. Regionale spin-off Niet ten minste kan de combinatie Soiltech en Van Iersel de hiervoor genoemde circulaire en duurzame werkwijze binnen de agrarische regionaal op de kaart zetten. Klanten en distributeurs van Van Iersel hebben in toenemende mate behoefte aan kennis en productontwikkeling om duurzame tuindersbedrijven te kunnen faciliteren. Veel van deze klanten zijn als afnemers van compost bij Van Iersel terecht gekomen, waarbij de diensten en productontwikkelingen van Soiltech een steeds belangrijke toegevoegde waarde zijn om te kiezen voor de gecombineerde kracht van Soiltech – Van Iersel. Veel van de klanten zijn bedrijven en inwoners uit het dorp, de gemeente en de regio. Daarmee neemt Soiltech – Van Iersel een steeds belangrijkere positie binnen de regionale economie van tuinders in.

De kennisontwikkeling wordt versterkt door de trainingen die worden gegeven aan klanten, onafhankelijke adviesbureau en andere partijen, waarbij de wisselwerking met het innovatiecentrum een verdere ‘boost’ aan het economische niche cluster in de regio kan bieden. Die spin-off zorgt voor toegevoegde waarde, uitgedrukt in banen, bedrijven en inkomens voor zowel bedrijven als mensen. Zowel in directe zin bij Soiltech en Van Iersel, als in indirecte zin bij toeleveranciers, afnemers en klanten.

B. Niet in bestaande gebieden en gebouwen kan worden opgevangen. In het voorgenomen initiatief van Soiltech kan op de huidige en bestaande kavel worden voorzien. Een uitbreiding van de kavel is niet nodig. Wel is een uitbreiding van het bouwvlak noodzakelijk. Deze uitbreiding voorziet in een optimale functionele en ruimtelijke inpassing. Met de uitbreiding is 600 m2 aan bebouwd oppervlak benodigd. Op de totale kavelomvang van

2

ruim 80.000 m2 betreft dit ruimteclaim van 0,75%. Afgezet tegen het huidige bebouwde oppervlak van circa 3.000 m2 betreft dit een ruimteclaim van 20%. Het opvangen van de uitbreiding in bestaande gebouwen is om twee hoofdredenen niet mogelijk. A. In de eerste plaats zijn concentratie en clustering van de activiteiten van Soiltech en Van Iersel zeer gewenst vanuit het oogpunt van efficiëntie, kennisuitwisseling, innovatieversnelling en daaruit voorkomende lokale en regionale spin-off; B. Ten tweede dient het te ontwikkelen test- en innovatiecentrum aan zeer specifieke eisen te voldoen. Bestaande gebouwen kunnen niet aan deze voorwaarden voldoen. Een afweging om nieuw te bouwen op een andere locatie is om de onder A genoemde reden geen optie. Daarbij komt dat nieuwbouw op een andere locatie juist een extra claim zou leggen op de ruimte, omdat daarmee een beroep op 600 m2 aan bvo + de omliggende niet-bebouwde ruimte gedaan zou worden. Wanneer de ruimtelijke impact gemeente-overstijgend (en regio-overstijgend) wordt beschouwd, dan is er feitelijk sprake van een uitbreiding van slechts circa 100 m2 bvo. Het innovatiecentrum van 500 m2 bvo in Thorn, wordt namelijk verlaten en kan door een andere ruimtevrager worden ingevuld. Daar staat de toevoeging van 600 m2 bvo in Biezenmortel tegenover. Op kavelniveau is er zelfs sprake van een negatieve ruimteclaim.

Voor de ontwikkeling op de bestaande locatie aan de Biezenmortelsestraat is namelijk geen kavelruimte nodig. De kavel van het huidige testcentrum in Thorn kan worden ingeleverd. Het innovatiecentrum aldaar van 500 m2 ligt binnen een agrarisch bouwvlak van 1,5 hectare met 7.300 m2 glasopstanden. Deze 500 m2 dan wel bouwvlak kan door een nieuw bedrijf worden ingevuld. Die kavel is bij voorliggende ontwikkeling dus niet nodig. Zou Soiltech naar een andere locatie moeten zoeken, dan zou een grotere ruimteclaim nodig zijn. De 600 m2 bvo die in Biezenmortel nodig zijn, volstaan niet op een andere locatie. Zoals eerder benoemd omdat dan ook kantoren en een laboratorium om extra ruimte in bvo zouden vragen. En daarnaast omdat er een extra claim nodig is voor de niet bebouwde ruimte voor expeditie, verkeer et cetera. Hierna worden onder C. een aantal scenario’s geschetst, waaruit blijkt dat clustering de enige optie is voor Soiltech en Van Iersel. Voor die clustering is een locatie van 8 hectare nodig. Dit kan op de bestaande locatie van Van Iersel gerealiseerd worden. Een andere locatie voor clustering is om uiteenlopende redenen niet voorhanden of geschikt. Denk daarbij aan • een lokaal bedrijventerrein: er zijn geen grootschalige kavels beschikbaar in Haaren.

Enkel op bedrijventerreinen Hopveld I en II zijn via de gemeente kavels beschikbaar met een grootte variërend tussen de 1.000 en 3.082 m2.. Deze omvang voldoet bij lange na niet aan de huidige 8 hectare die ook op een nieuwe locatie nodig zou zijn. • een grootschalig regionaal bedrijventerrein: is in de directe nabijheid niet voorhanden en zeker niet met kavels van 8 hectare die betaalbaar zijn. Vorstengrafdonk en Laarakker liggen te ver weg en hier zijn geen zeer grootschalige kavels meer beschikbaar. Ook Heesch-West ligt op circa een half uur rijden van Ibema en is daarmee geen optie. Dat terrein staat daarnaast pas geprogrammeerd voor 2021. Buiten het feit dat deze planhorizon nog onzeker en te ver weg is, ligt het terrein fysiek ook te ver af van de huidige locatie van Ibema en zijn de prijzen voor (regionale) bedrijventerreinen bedrijfseconomisch niet haalbaar. • Een andere locatie in het buitengebied: een andere locatie in het buitengebied van deze omvang is niet beschikbaar. Bedrijfseconomisch is een verplaatsing financieel niet halabaar

3

en is verplaatsing voor het afzetgebied niet logisch Daarbij is het test- en innovatiecentrum nog goed inpasbaar aansluitend aan het huidig bouwvlak binnen de landschappelijke inpassing. C. Geen onaanvaardbare leegstandseffecten veroorzaakt Met de ontwikkeling kunnen leegstandseffecten juist worden voorkomen in plaats van veroorzaakt. Doordat Soiltech en Van Iersel op één locatie worden geclusterd, ontstaat een toekomstbestendige en bedrijfsmatig aantrekkelijke situatie. Daarmee kan de wisselwerking tussen beide bedrijven geoptimaliseerd worden en wordt een gezonde bedrijfseconomische situatie gecreëerd. Indien de voorliggende ontwikkeling geen doorgang zou kunnen vinden, dan zou er een aantal scenario’s denkbaar zijn: •

Scenario A: Soiltech en Van Iersel blijven vanaf aparte locaties werken. Dit heeft nadelige afstands- en daarmee efficiëntie-effecten die bedrijfseconomisch niet perse sterk negatief zijn, maar wel een negatieve invloed hebben op de groeiontwikkeling van beide bedrijven en met name Soiltech. De wisselwerking en nabijheid zijn juist van grote meerwaarde om beide bedrijven (en de lokale en regionale economie) nieuwe impulsen te bieden. Opereren op aparte locaties zorgt voor extra kosten en daarmee minder concurrerende bedrijven. Ook op enkele kilometers afstand van elkaar opereren, zal sterke invloed op de innovatiekracht hebben. Werknemers kunnen op locatie veel gemakkelijker kennis uitwisselen en testresultaten monitoren. In de hoog-dynamische agrarische sector is continu innoveren essentieel. En voor innovatie is nabijheid van groot belang. In ruimtelijk opzicht zouden de effecten redelijk beperkt blijven, zeker op de kortere termijn. Op de langere termijn zou het niet clusteren kunnen leiden tot mindere prestaties van één of beide bedrijven, wat tot overbodige ruimte of zelfs leegstand zou kunnen leiden.

•

Scenario B: voor Soiltech en Van Iersel heeft clustering van beide bedrijfsonderdelen op de locatie aan de Biezenmortelsestraat hoge prioriteit. Indien die mogelijkheid er niet zou zijn, dan zou overwogen kunnen worden om de bedrijfsonderdelen op een andere locatie in Biezenmorel of Haaren te clusteren. Hoewel dit vanuit de eigendomssituatie op de Biezenmortelsestraat in bedrijfseconomische zin geen optie is, belichten we toch graag de ruimtelijke effecten die samenvoegen op een andere locatie zou hebben. Indien de activiteiten van Soiltech en Van Iersel naar een nieuwe bedrijfslocatie verplaatst zouden worden, dan zou de huidige omvang in zowel Biezenmortel als in Thorn beschikbaar komen. En zou een ruimte van circa 8 hectare op een andere locatie nodig zijn. In dat geval zouden naast de nieuwe locatie, dus ook de twee bestaande locatie die worden achtergelaten een agrarische / bedrijfsmatige bestemming behouden. Daarmee wordt een forse extra claim op de ruimte voor bedrijfsmatige activiteiten gelegd. Naast de ruimtelijke negatieve effecten, is dit een financieel on realistisch scenario.

•

Scenario C: als afgeleide van scenario B zou ook volledige verplaatsing naar een andere gemeente of regio (bijvoorbeeld Thorn) overwogen kunnen worden. In ruimtelijk opzicht is dit scenario vanuit Soiltech en Van Iersel vergelijkbaar met scenario B. Daar komt een beperkt ruimtelijk effect op toeleverende bedrijven bij komen, zoals bijvoorbeeld in de logistiek. Belangrijker is echter de positie van Van Iersel in de regio. Ten eerste als verwerker van een groot deel van het groenafval voor zowel de particuliere als zakelijke markt. Als Van Iersel zou vertrekken, dan dient alle groenafval naar een andere locatie te worden afgevoerd, wat een omvangrijke stijging van verkeersbewegingen met zich meebrengt. Klanten voor zowel compost, productontwikkeling en innovatie, als proeven komen veelal uit de regio. Hetzelfde geldt voor alle werknemers van Soiltech en Van Iersel.

4

D. Conclusie Alle drie de hiervoor beschreven scenario’s bieden niet het perspectief en de ontwikkelmogelijkheden die Soiltech en Van Iersel nastreven. Binnen de huidige snel ontwikkelende markt van bodemverrijking en groei- en voedingstechnieken van gewassen, heeft de nabijheid grote meerwaarde. Ook voor toeleveranciers, de particuliere en zakelijke markt van groenverwerking. En niet in de laatste plaats de toonaangevende regionale innovatiefunctie, die de komende jaren alleen maar sterker lijkt te worden en daarmee voor banen en economische spin-off op lokaal en regionaal niveau zorgt. Het feit dat de ruimte op het bestaande kavel van Van Iersel beschikbaar is, zorgt dat er nauwelijks sprake is van enig ruimtelijk effect. Daarnaast kan geconcludeerd worden dat door op de locatie aan de Biezenmortelsestraat de clustering van Soiltech en Van Iersel te realiseren, de netto ruimteclaim optimaal wordt ingevuld. Er ontstaat weliswaar leegstand in Thorn. Echter die ruimte kan door een nieuwe gebruiker worden ingevuld, waarmee geen nieuwe bedrijfslocatie ontwikkeld hoeft te worden. In het verleden is op de locatie al fors nadrukkelijk ingezet op landschappelijke en ruimtelijke inpassing, alsmede het terugdringen / optimaliseren van de veiligheid van verkeersbewegingen.

5

Bijlage 4 Quick scan flora en fauna Quick scan flora en fauna

quick scan flora en fauna onderzoek naar beschermde natuurwaarden ten behoeve van ruimtelijke ontwikkelingen

ijzerman advies ruimtelijke ordening & ecologie

locatie Biezenmortelsestraat 57 , Biezenmortel rapportnummer 2020578

quick scan flora en fauna

Biezenmortelsestraat 57

Biezenmortel

quick scan flora en fauna locatie Biezenmortelsestraat 57, Biezenmortel rapportnummer 2020578

rapportnummer:

2020578

datum:

14 november 2020

opdrachtgever:

Van Dun advies BV

contactpersoon:

Mevr. R. Daamen

uitvoerder:

© IJzerman advies Postbus 6035 5002 AA Tilburg GSM 06-38506432 Mail sander@landschappers.nl www.ijzermanadvies.com

projectleider:

S.J. IJzerman

IJzerman advies is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus

ijzerman advies

|

2

quick scan flora en fauna

Biezenmortelsestraat 57

Biezenmortel

Inhoudsopgave Inleiding

4

Beleidskader

5

Wet natuurbescherming

5

Werkwijze quick scan

6

Veldinspectie

6

Deskstudie

6

Expert judgement

6

Gebiedsbeschrijving

7

Huidige situatie

7

Beschermde natuurwaarden

9

Flora

10

Ongewervelden

10

Amfibieën, vissen en reptielen

10

Broedvogels

10

Zoogdieren

11

Advies

12

Bronnen

13

ijzerman advies

|

3

quick scan flora en fauna

Biezenmortelsestraat 57

Biezenmortel

Inleiding

In opdracht van Van Dun Advies BV heeft IJzerman advies een quick scan flora en fauna uitgevoerd voor de planlocatie Biezenmortelsestraat 57 te Biezenmortel. De quick scan is uitgevoerd in het kader van toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen. Bij ruimtelijke ingrepen dient in kaart te worden gebracht of actuele beschermde natuurwaarden van de locatie worden bedreigd. In deze quick scan flora en fauna wordt vooraf een inschatting gemaakt van de effecten die toekomstige ruimtelijke ingrepen op de actuele beschermde natuurwaarden zullen hebben. Daarnaast wordt ook vanuit het oogpunt van planologische gebiedsbescherming naar de locatie gekeken. De quick scan flora en fauna is een toetsingsinstrument en levert een aantal duidelijke adviezen die betrekking hebben op de te volgen procedures en handelingen (zoals bijvoorbeeld, een aanvullend onderzoek, vergunning, ontheffing of een goedgekeurde gedragscode). IJzerman advies is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus en hanteert de door deze brancheorganisatie opgestelde gedragscode.

ijzerman advies

|

4

quick scan flora en fauna

Biezenmortelsestraat 57

Biezenmortel

Beleidskader Wet natuurbescherming

Op 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming ingegaan. Deze wet vervangt 3 bestaande wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming), de Boswet en de Flora- en faunawet (bescherming van soorten). Met de Wet natuurbescherming komt de bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij ruimtelijke ingrepen in principe bij de provincies te liggen. Dit is conform het bestuursakkoord natuur waarin is aangegeven dat de decentralisatie van de taken en bevoegdheden op het vlak van de natuurwetgeving haar beslag zal krijgen in de wet natuurbescherming. Provincies nemen hiermee de taak over die tot nu toe werd uitgevoerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). Daarmee is de provincie bevoegd gezag voor de toetsing van werkzaamheden en activiteiten (hierna genoemd ‘handelingen’) bij Natura 2000- gebieden (de gebiedsbeschermingsbepalingen) en dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Ook gemeenten hebben een belangrijke rol bij de uitvoering van de Wet natuurbescherming.

Als sprake is van locatie gebonden activiteiten met gevolgen voor wettelijk beschermde dier- en plantensoorten, moet ofwel een natuurtoets deel uitmaken van de procedure bij het verkrijgen van een omgevingsvergunning, ofwel er wordt voorafgaand aan het aanvragen van de omgevingsvergunning apart een ontheffing aangevraagd. In het eerste geval geeft de initiatiefnemer bij de aanvraag omgevingsvergunning aan dat er sprake is van handelingen met gevolgen voor beschermde dieren plantensoorten. Deze werkwijze staat bekend als vrijwillig aanhaken. Het is aan de gemeente (als bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning) om te controleren of de aanvraag voor een omgevingsvergunning volledig is, of dat de aanvrager al apart ontheffing heeft aangevraagd. Essentieel is dat de gemeente toetst of de initiatiefnemer al dan niet terecht heeft aangegeven of de handeling gevolgen heeft voor beschermde soorten. Als een initiatiefnemer vooraf géén aparte ontheffing soortenbescherming heeft aangevraagd, dan moet de natuurtoets aanhaken en kan geen afzonderlijke ontheffing meer worden aangevraagd. Bij aanhaken legt de gemeente de aanvraag voor aan de provincie als het bevoegd gezag voor de natuurtoets. Overigens geldt dezelfde procedure bij handelingen met gevolgen voor beschermde Natura 2000-gebieden.1 De Wet natuurbescherming kent drie beschermingsregimes: 1.

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1) 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5) 3. Beschermingsregime andere soorten (artikel 3.10) Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Dit kan eveneens verschillen per provincie. Landelijk zijn er van een aantal vogelsoorten bovendien de nesten jaarrond beschermd. Daarnaast zijn er een aantal soorten landelijk vrijgesteld bij specifieke activiteiten.

1 http://www.natuurindegemeente.nl/aandeslagmetdenatuurwet/wp-content/uploads/

2016/12/Soortenbescherming_bij_ruimtelijke_ingrepen_1.3_15122016.pdf

ijzerman advies

|

5

quick scan flora en fauna

Biezenmortelsestraat 57

Biezenmortel

Werkwijze quick scan

De quick scan flora en fauna is een oriënterend onderzoek naar de actuele beschermde natuurwaarden van een locatie in relatie tot de geplande ingrepen. De quick scan flora en fauna is een momentopname in tegenstelling tot een volledig ecologisch onderzoek dat uitgebreider is wat betreft omvang en tijdsduur. Een volledig ecologisch onderzoek bestaat uit soortgerichte, uitgebreide inventarisaties, die meestal in diverse opnamerondes en volgens standaardmethodes worden uitgevoerd. De quick scan flora en fauna bestaat uit een veldinspectie, een deskstudie en een beoordeling op basis van expert judgement. Bij ruimtelijke ontwikkelingen is de quick scan een veelgebruikt instrument dat inzicht geeft in de consequenties van de ingrepen ten aanzien van de natuurwetgeving.

Veldinspectie

De veldinspectie heeft plaats gevonden op 16 oktober en 6 november 2020. Hierbij werd de ecologische potentie van de locatie in relatie met het mogelijk voorkomen van beschermde soorten (ook in de directe omgeving) onderzocht. Er is gezocht naar sporen van zoogdieren en vogels (uitwerpselen, nesten, holen, haren, veren, krabsporen en pootafdrukken). Daarnaast is er gezocht naar plantenresten of beginnende vegetaties. De weersomstandigheden waren zonnig en droog.

Deskstudie

De deskstudie richt zich op bekende ruimtelijke plannen (lokaal, provinciaal, nationaal en Europees) die relevant zijn voor deze locatie. Daarnaast is de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd voor de locatie specifiek en de directe omgeving ervan.

Expert judgement

Op basis van expert judgement wordt een uitspraak gedaan over de actuele beschermde natuurwaarden van de locatie in relatie tot geplande ontwikkelingen. Voor de expert judgement kan gebruik worden gemaakt van een netwerk van specialisten. Als de deskstudie en de veldinspectie onvoldoende houvast bieden om tot een onderbouwde beoordeling te komen, zal worden aangegeven dat aanvullend onderzoek noodzakelijk is om de effecten op de aanwezige natuurwaarden te kunnen beoordelen.

ijzerman advies

|

6

quick scan flora en fauna

Biezenmortelsestraat 57

Biezenmortel

Gebiedsbeschrijving Huidige situatie

Het plangebied is gelegen aan de straat Biezenmortelsestraat naast nummer 57 in het buitengebied ten noordoosten van Biezenmortel. Het betreft een graslandje met daarop enkele aangeplante bomen, waaronder esdoorns en Amerikaanse eiken. De noordelijke rand van het perceel wordt gevormd door een aarden wal. Langs de randen groeien gewone braam en grote brandnetel. Op de locatie vindt regelmatig grondverzet plaats. Bebouwing of watervoerende structuren ontbreken op de planlocatie. Men is voornemens een proefkas/innovatiecentrum voor het naastgelegen bedrijf Soiltech te realiseren op de locatie.

Afbeelding 1: ligging plangebied blauw (bron: Google Earth)

ijzerman advies

|

7

quick scan flora en fauna

Biezenmortelsestraat 57

Biezenmortel

ijzerman advies

|

8

quick scan flora en fauna

Biezenmortelsestraat 57

Biezenmortel

Beschermde natuurwaarden

Het plangebied is gelegen op 470 meter van Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen. De instandhoudingsdoelstellingen van dit Natura 2000 gebied zullen geen negatieve effecten ondervinden van de geplande ontwikkelingen. Er vinden geen verhoogde emissies van licht, geluid of stoffen plaats die van negatieve invloed zouden kunnen zijn op Natura 2000 gebieden. Een vergunning Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk.

Afbeelding 3: Natuurnetwerk Brabant in groen (bron: provincie Noord-Brabant)

ijzerman advies

|

9

quick scan flora en fauna

Biezenmortelsestraat 57

Biezenmortel

Flora

Bij de veldinspectie is het plangebied onderzocht op het voorkomen van beschermde soorten of resten hiervan. Op en langs de randen van de percelen zijn enkel vrijgestelde soorten en zijn er geen beschermde soorten aangetroffen. Het plangebied is met nadruk geïnspecteerd op potentiële groeiplaatsen voor beschermde soorten. Deze soorten of hun groeiplaatsen zijn niet aangetroffen in het plangebied. Op basis van de deskstudie NDFF in combinatie met de veldinspectie, de aanwezige structuren en biotopen worden beschermde soorten niet verwacht op de planlocatie.

Ongewervelden

Beschermde ongewervelden, zoals bepaalde vlinders, libellen en kevers, zijn niet aangetroffen op de planlocatie. De locatie bevat geen natuurlijk ontwikkelde oevervegetaties of arme- of matig-voedselrijke vegetaties. Beschermde soorten zijn vaak zeer specifiek in hun biotoopkeuze en afhankelijk van de aanwezigheid van (vaak zeldzame en kwetsbare) waardplanten of vegetaties. Op de planlocatie ontbreken deze omstandigheden, waardoor ook geschikte biotopen voor deze beschermde ongewervelden ontbreken. Op basis van de aangetroffen omstandigheden kan worden geconcludeerd dat er geen beschermde soorten voorkomen. Op basis van de deskstudie NDFF in combinatie met de veldinspectie, de aanwezige structuren en biotopen worden beschermde soorten niet verwacht op de planlocatie.

Amfibieën, vissen en reptielen

Potentiële geschikte water- en oeverstructuren voor beschermde soorten ontbreken op de planlocatie zelf. Beschermde amfibieën- of vissoorten zullen hierdoor geen gebruik maken van het plangebied als voortplantingsgebied. De ontwikkeling is landgebonden en er zullen geen waterstructuren worden aangetast. In theorie is het mogelijk dat er in het plangebied enkele algemene amfibieënsoorten, zoals bruine kikker of gewone pad in landfase voorkomen. Hoewel deze soorten beschermd zijn (artikel 3.10), worden zij niet bedreigd in hun voorkomen en staan vermeld als vrijgestelde soorten in de provincie Noord-Brabant. Voor het opzettelijk doden of vangen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen wordt vrijstelling verleend als de handeling verband houdt met ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden (hier van toepassing). Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Op de planlocatie zijn geen overig beschermde soorten aangetroffen. Op basis van de deskstudie NDFF in combinatie met de veldinspectie, de aanwezige structuren en biotopen worden beschermde soorten niet verwacht op de planlocatie.

Broedvogels

Alle bewoonde nesten in het broedseizoen vallen onder de bescherming van de nieuwe Wet natuurbescherming. U dient daarom gedurende de kapwerkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Er wordt geen standaardperiode gehanteerd voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden op het moment dat er geen broedgevallen (meer) aanwezig zijn, is overtreding van de wet niet aan de orde. Er is met nadruk gezocht naar sporen die duiden op de aanwezigheid van nestlocaties van uilen, roofvogels, zoals buizerd en havik, gierzwaluwen en huismussen, soorten

ijzerman advies

|

10

quick scan flora en fauna

Biezenmortelsestraat 57

Biezenmortel

waarvan de nesten jaarrond beschermd kunnen zijn. Er zijn geen nesten, prooiresten of uitwerpselen van deze groepen aangetroffen. Er hebben twee veldinspectie plaatsgevonden. De tweede was op een iets later moment, waarbij er minder bladeren aan de bomen aanwezig waren. Eventuele geschikte nestlocaties of oudere nesten zouden op deze wijze makkelijker kunnen worden waargenomen. Er zijn geen in gebruik zijnde jaarrond beschermde nestlocaties aangetroffen op de planlocatie. Ter voorkoming van het verstoren van broedende vogels wordt aangeraden eventuele kapwerkzaamheden tussen half juli en half maart (buiten het broedseizoen) te verrichten. Het verstoren van broedende vogels is verboden conform de Wet natuurbescherming. Voor het verstoren van broedende vogels wordt geen ontheffing verleend. Kap in deze periode verkleind de kans op verstoring van broedende vogels. Op basis van de deskstudie NDFF in combinatie met de veldinspectie, de aanwezige structuren en biotopen worden beschermde soorten niet verwacht op de planlocatie.

Zoogdieren

Het is mogelijk dat er een enkel individu van een beschermde soort op de locaties kan worden aangetroffen, zoals egel, mol, konijn, veldmuis en bepaalde spitsmuizen. Deze soorten zijn weliswaar beschermd, maar behoren in de provincie Brabant tot de vrijgestelde soorten. In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen hoeft voor deze soorten geen ontheffing meer te worden aangevraagd. Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Hierbij valt te denken aan het uitvoeren van de meest verstorende werkzaamheden in de maanden september en oktober. In de provincie Noord-Brabant zijn de bunzing, hermelijn en wezel eveneens beschermd. De locatie is uitvoerig geïnspecteerd op sporen die duiden op de aanwezigheid van deze soorten. Ook is gekeken of er op de locatie potentieel geschikt habitat aanwezig is. Er zijn geen sporen zoals prooiresten, pootafdrukken, wissels, uitwerpselen of nestmateriaal aangetroffen. Er is met nadruk gezocht naar sporen van dansen, aangezien deze in de regio vaker worden waargenomen. Er zijn geen sporen van dassen (loopsporen, wissels, uitwerpselen of burchten) waargenomen. Alle soorten vleermuizen vallen onder de groep beschermde soorten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10893944/1