06 obp Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel 2e herz Toelichting met bijlage - b001
Tekst van het document
Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening
22
3.4 Groen en speelruimte 3.4.1 Bomenbeleid Tilburg Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Om er niet te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Daarom zijn onderstaande documenten vastgesteld: <0000> Bomenverordening 2017 <0000> Beoordelingscriteria houtopstanden <0000> Nota 'overige houtopstanden' <0000> Boomwaarde zoneringskaart 2017 <0000> Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen Deze documenten samen vormen het bomenbeleid van de gemeente Tilburg. Bomenverordening De Bomenverordening Tilburg 2017 biedt het particuliere en het gemeentelijke bomenbestand bescherming door middel van een velverbod met bijbehorende regels. Boomwaarde zoneringskaart 2017 (BWZ-kaart) Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare en particuliere houtopstanden binnen de gemeente Tilburg.
Op de BWZ-kaart krijgen bomen een waarde toegekend; zones met houtopstanden met een eco-, hoofd-, neven of basiswaarde en daarnaast is er de Buiten-zone. Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a. met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen (bescherming tegen vellen), herplantplicht en straatbeeld. Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen (GLMB) Het hebben van een GLMB zorgt ervoor dat deze bomen voldoende juridische bescherming hebben via de Bomenverordening Tilburg 2007. Daarnaast krijgen deze bomen de hoogste prioriteit bij beheer en onderhoud. Wet Natuurbescherming (buiten grens bebouwde kom) In de gemeente Tilburg heeft de gemeenteraad de bebouwde kom ex artikel 4.1 Wet natuurbescherming (Wnb) vastgesteld. Voor bepaalde groepen houtopstanden die buiten deze komgrens staan, geldt op grond van de Wnb een verplichting. Bij velling in groepen houtopstanden met een grootte van meer dan 10 are of bij velling in een rij van meer dan 20 bomen, geldt een meldplicht aan Gedeputeerde Staten (GS) van de Provincie Noord-Brabant. Daarnaast geldt een herplantplicht. Het college van Gedeputeerde Staten kan een velverbod opleggen. Als er geveld gaat worden, dan is er op grond van de Wnb de eis, dat er ook weer een gelijk aantal houtopstanden terug wordt geplant. Bos dat wordt gekapt, moet worden herplant.
Als dat niet op dezelfde plaats kan, dan zal hiervoor ontheffing aan GS moeten worden gevraagd en elders (compensatie op grond van de Wnb) moeten worden herplant. De houtopstanden waarop de Wet natuurbescherming van kracht is, liggen in de zogenaamde Buiten-zone. Daar kan daarnaast ook een gemeentelijk velverbod op grond van de Bomenverordening gelden. Beide regelingen kunnen dus naast elkaar van toepassing zijn. Maatregelen in bestemmingsplan De BWZ-kaart dient gebruikt te worden als basis bij alle nieuwbouw-, herontwikkelings- of herstructureringsplannen waar bestaande houtopstanden mee gemoeid zijn. In het bestemmingsplan wordt de BWZ-kaart aangeduid als Boomwaardekaart. Bomen met een eco- en hoofdwaarde en monumentale bomen zijn op deze bijlagekaart opgenomen. In de regels wordt verwezen naar deze kaart. De juridisch-planologische bescherming bestaat uit een bouwverbod en een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen een straal van 15 meter uit het hart van de desbetreffende boom. De beoogde bedrijfslocatie is nog niet meegenomen in de Boomwaardekaart van de gemeente Tilburg, omdat de locatie pas per 1-1-2021 onder de gemeente Tilburg komt te vallen.
Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening
23
3.4.2 Nota Groen Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is. Tilburg moet in 2020 een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon- en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente. Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen. Op hoofdlijnen betekent dit: 1. Inzet op buitenstedelijke groengebieden en het groene netwerk; 2. het tot zijn recht laten komen van de verschillende karakters van het groen (klassiek-, recreatief- en natuurlijk groen); 3. het versterken en behouden van het natuurlijk groen. In 2012 is het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit vastgesteld. 3.4.3 Nota biodiversiteit Biodiversiteit omvat de totale verscheidenheid van alle levende planten en dieren op aarde. De biodiversiteit neemt wereldwijd af. Het doel van de nota is de biodiversiteit in de gemeente Tilburg te verhogen en beter te beschermen. De visie is gericht op twee niveaus. Het eerste niveau is de flora & fauna, het tweede niveau is gericht op de mensen.
Voor de flora en fauna wordt ingestoken op drie strategieën, namelijk vergroten, verbinden en versterken. Voor de realisatie van duurzame habitatnetwerken zal vaak gekozen worden voor een combinatie van deze strategieën. In de eerste plaats is dat het vergroten van leefgebieden. In de tweede plaats kan een duurzaam netwerk ontstaan door gelijksoortige leefgebieden met elkaar te verbinden. Tenslotte kan ingezet worden op het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden. Voor de mensen is natuurbeleving vooral ook van belang in de stad. Door middel van de groene lijnen en de groene gebieden in de stad, kunnen we dicht bij huis ook genieten van de natuur. Als de groene lijnen en groene gebieden helemaal op orde zijn kunnen de planten en dieren tot in de tuin of op het balkon waargenomen worden. In de nota worden vijf verschillende landschapstypen onderscheiden (agrarisch landschap, beekdallandschap, heide- en boslandschap, landgoederenzone en stedelijk gebied). Per landschapstype wordt een algemene beschrijving gegeven met bijbehorende doelstellingen, maatregelen en knelpunten. Doelstellingen nota biodiversiteit 1. De achteruitgang van de biodiversiteit stoppen vanaf 2010, voor het buitengebied én het bebouwde gebied. In het voorjaar van 2010 is met een nulmeting bepaald aan de hand van de flora en faunagegevens die voor handen zijn.
Hierna kan jaarlijks de verandering in de biodiversiteit worden bijgehouden. 1. Biodiversiteit 'tot aan de voordeur'. Biodiversiteit verhogen in het openbaar gebied waardoor het letterlijk tot aan de voordeur/ de voortuin van de bewoners van Tilburg komt. 2. In 2020 zijn 50% van alle aangeplante bomen en struiken binnen de bebouwde kom ten gunste van de biodiversiteit. Zo veel mogelijk gebruik maken van autochtoon plantmateriaal met een aanvulling van soorten die een bijdrage leveren aan biodiversiteit door middel van bv. nestgelegenheid, voedsel en/of schuilgelegenheid. In 2016 is aanvullend op bovenstaand groenbeleid de 'agenda groen in de stad' vastgesteld (college 19-07-2016). De 'agenda groen in de stad' gaat samen met het 'beheerbeleidsplan Groen op Niveau' en de nota's groen en biodiversiteit (en het hieruit voortvloeiende uitvoeringsprogramma groen en biodiversiteit) over de toekomst van groen in de stad in inhoudelijke- en financiële zin. Er wordt aangegeven welke kaders gehanteerd worden om de impuls voor groen in de stad, conform het collegeakkoord en de omgevingsvisie Tilburg 2040, goed in te zetten. Uitgangspunt is het 'kleine en het grotere groen, voldoende bereikbaar voor iedereen'. Belangrijk hierbij zijn beleving van groen, klimaatadaptatie en biodiversiteit. Essentieel is de kaart Stadsnatuur 2040.
Op deze kaart staan de ecologische structuren en zones, stapstenen en ecologische corridors in de stad. Deze zijn nodig om de biodiversiteit in de stad te versterken en op het juiste niveau te
Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening
24
krijgen (voor biodiversiteit ligt de nadruk op het realiseren van ontbrekende schakels, het toepassen van biodiverser groen en ecologisch beheer).
3.5 Bedrijvigheid 3.5.1 Nota Verspreide Bedrijvigheid Verspreide bedrijven zijn bedrijven die niet op bedrijventerreinen, binnenwijkse bedrijventerreinen of in het centrum zijn gevestigd. Het gaat dus om bedrijven in woongebieden of gemengde gebieden (nota Verspreide Bedrijvigheid, 2002). Verspreide bedrijvigheid is van wezenlijk belang voor de Tilburgse economie. Daar werken veel mensen en voor de zakelijke dienstverlening zijn woonmilieus en gemengde milieus zelfs de belangrijkste vestigingsplaats. Daarom is behoud en versterking van deze vestigingsplaatsen vanuit economisch oogpunt zeer gewenst. Vanuit de woonfunctie bezien blijkt dat de aanwezigheid van die typen bedrijvigheid tussen woningen goed is in te passen en maar weinig overlast veroorzaakt. Voor een bepaalde groep woonconsumenten geldt dat ze een duidelijke voorkeur hebben voor een woonmilieu met meer functiemenging en allerlei voorzieningen in de omgeving. De grootste bijdrage van de gemeente aan het ontstaan en behoud van passende bedrijvigheid is het voeren van een planologisch beleid dat zoveel mogelijk ruimte biedt voor bedrijvigheid, zonder problemen in de woonomgeving te veroorzaken. Drie zaken zijn hierbij bepalend: 1. de aard van het bedrijf, en daarmee samenhangend de te verwachten hinder voor de omgeving; 2. het gewenste woonmilieu ter plaatse; 3. ruimte op basis van het bestemmingsplan.
De nota verspreide bedrijvigheid maakt bij nieuwe bestemmingplannen in dit opzicht onderscheid in verschillende soorten woongebieden: 1. woongebieden met lage functiemenging; 2. woongebieden met gemiddelde functiemenging; 3. woongebieden met hoge functiemenging; 4. concentratiegebieden. In geografische zin wordt ernaar gestreefd om in élke woonwijk plekken aan te wijzen waar kleinschalige bedrijvigheid de ruimte krijgt. Onder andere bufferzones tussen woongebieden en bedrijventerreinen, de directe omgeving van winkelcentra of voorzieningenclusters en geluidsbelaste locaties zijn logische plekken waar bedrijvigheid kan worden toegelaten. Om tot concretisering van functiemenging te komen is een ´basiskaart functiemenging wonen en verspreide bedrijvigheid´ uitgewerkt, waarop zogenaamde ´kansenzones´ voor ruimtelijk-functionele mogelijkheden voor functiemenging zijn weergegeven. Deze kansenzones zijn bestaande straten of woonblokken waarin functiemenging met verspreide bedrijvigheid nadrukkelijk gewenst is. Op basis van deze informatie kan de gemeente nog gerichter sturen op een grotere functiemenging in die gebieden die zich daar voor lenen. Al geruime tijd is het bedrijf aan de Biezenmortelsestraat 57, actief in de landbouw. Vanaf 1945 functioneert het bedrijf als loonwerkersbedrijf op de huidige locatie.
Vanaf 1957 is het bedrijf aan de Biezenmortelsestraat 57 te Biezenmortel steeds meer gaan specialiseren in groencompostering. De hoofdactiviteiten op de locatie bestaan momenteel uit het composteren van groenafval en het verhuren van machines. Als nevenactiviteit worden grote laanbomen gekweekt en verplaatst. Het bedrijf bestaat uit verschillende maatschappijen. Eén bedrijfsonderdeel ontwikkelt speciale meststoffen die toegepast worden om het gewas via het blad te voeden, om de wortel van het gewas te stimuleren of om het gewas efficiënt via de bodem te voeden. Zo wordt een plant ondersteunt met microbiologie; een verdiepingsslag op de compost. Het testen van deze producten vindt plaats in een test- en innovatiecentrum in Thorn. Het bestaande bouwvlak heeft een omvang van 16.195 m² en de bestaande bedrijfsbestemming heeft een oppervlakte van 85.206 m².
Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening
25
In de beoogde situatie zijn buiten de vigerende bedrijfsbestemming en buiten het bouwvlak parkeerplaatsen ten behoeve van het bedrijf aan de Biezenmortelsestraat 57 te Biezenmortel gerealiseerd. Deze parkeerplaatsen zijn reeds landschappelijk ingepast. Vanwege de beëindiging van de huurovereenkomst van het testcentrum in Thorn is een nieuw test- en innovatiecentrum noodzakelijk. Om deze reden is initiatiefnemer op zoek gegaan naar een nieuwe locatie. De wens is het centrum bij de huidige bedrijfslocatie aan de Biezenmortelsestraat 57 te Biezenmortel te realiseren, omdat het centrum dichtbij het kantoor en laboratorium dient te staan. Op deze wijze kunnen ontwikkelingen en ervaringen gedeeld worden, is er 24-uurs toezicht op testopstelling mogelijk, kunnen huurkosten worden voorkomen en worden verkeersbewegingen verminderd. Initiatiefnemer is voornemens om het test- en innovatiecentrum binnen de bedrijfslocatie aan de Biezenmortelsestraat 57 te Biezenmortel, ten oosten van de bedrijfswoning, op te richten. Het bedrijf wil investeren in het ontwikkelen van producten die een efficiëntere opname hebben en gebruiksvriendelijker zijn dan de producten die al vele jaren op de markt zijn. Voor het uitgebreid testen is een centrum cruciaal.
In het test- en innovatiecentrum worden verschillende samenstellingen getest op verschillende gewassen om vast te kunnen stellen wat de invloed is op de groei en opbrengst van het gewas. Voor het testen van de producten in dit centrum is de aanwezigheid van een kas en een opslagmogelijkheid noodzakelijk. In het beoogde test- en innovatiecentrum zal ruimte zijn voor een proefkas een corridor/loods. De totale oppervlakte van het centrum zal circa 600 m² bedragen. Afbeelding 9 weergeeft de beoogde ligging van het test- en innovatiecentrum. De totale oppervlakte van het innovatiecentrum met omliggende ruimte bedraagt dan 2.923 m². Deze ruimte wordt gebruikt voor de logistiek maar ook om proefopstellingen in de buitenlucht te plaatsen. Hierbij kan gedacht worden aan proeven in containerteelt en aardbeien op stellingen onder tunnels. Er zal gebruik worden gemaakt van het reeds aanwezige kantoor en laboratorium in het plangebied. Daarnaast zullen bij het test- en innovatiecentrum een werkruimte en een bewakingsruimte gerealiseerd worden, zodat er voldoende toezicht op de testopstellingen mogelijk is. Afbeelding 10 weergeeft een schetsontwerp van de indeling van het test- en innovatiecentrum. Het centrum zal ontsloten worden via het bestaande bedrijf en er zal gebruik worden gemaakt van de bestaande bedrijfsinrit.
Er is derhalve sprake van een passende bedrijvigheid dat zonder problemen in de omgeving kan plaatsvinden.
Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening
26
Afbeelding 9: Situatietekening test- en innovatiecentrum (blauwe gebied)
Afbeelding 10: Indeling test- en innovatiecentrum
Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening
27
3.6 Verkeer en parkeren 3.6.1 Mobiliteitsaanpak Tilburg De 'Mobiliteitsaanpak Tilburg, Samen op weg naar 2040' schetst een toekomst waarin slim en duurzaam vervoer centraal staat. Dat betekent: nieuwe technologieën toepassen, maar ook de gebruiker centraal stellen. Niet als doel op zich, maar om bij te dragen aan een leefbare stad. Daarnaast zet Tilburg in op duurzaamheid: we houden nadrukkelijk rekening met toekomstige generaties. De gemeentelijke mobiliteitsaanpak is het vervolg op het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Dat ging vooral over verkeersstromen en vervoermiddelen. In de nieuwe werkwijze vormt de mens het uitgangspunt: wat hebben inwoners, bezoekers en bedrijven nodig om van A naar B te komen? Met deze aanpak wil de gemeente niet alleen verkeersstromen in goede banen leiden, maar ook de kwaliteit van leven in de stad behouden en verbeteren. Mobiliteitsagenda 013 De hoofdlijnen uit de mobiliteitsaanpak zijn nu uitgewerkt in een agenda met concrete maatregelen en opgaven voor de korte, middellange en lange termijn. In een aantal Tilburgse proeftuinen wordt samen met onderwijs, bedrijfsleven en uiteraard de gebruikers gewerkt aan innovaties op het gebied van slimme mobiliteit. Deze MobiliteitsAgenda013 wordt jaarlijks geactualiseerd in september.
Ligging plangebied: Het plangebied ligt aan de noordzijde van de Biezenmortelsestraat in het buitengebied van Biezenmortel. Omliggende wegenstructuur: Aan de zuidzijde van het plangebied ligt de Biezenmortelsestraat, een erftoegangsweg buiten de bebouwde kom met een maximaal toegestane snelheid van 60 kilometer per uur. Ontsluiting van het plangebied: Het plangebied wordt met een bestaande inrit ontsloten via de Biezenmortelsestraat. Noodhulpdiensten: Het gebied moet bereikbaar zijn voor noodhulpdiensten volgens de bijbehorende bereikbaarheidseisen. 3.6.2 Hoofdlijnennotitie Parkeren 2016 Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Hoofdlijnennotitie Parkeren. Deze is april 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Wij richten ons als stad op gastvrijheid voor de bezoeker, een betere leefkwaliteit voor bewoners en economische vitaliteit van de binnenstad. Wij willen de beschikbare parkeercapaciteit optimaal benutten. Daar hoort bij dat wij parkeerders op de juiste plek faciliteren, ook voor specifieke voorzieningen zoals deelauto’s, elektrische auto’s en andere doelgroepen. Het beter benutten van bestaande parkeercapaciteit van garages en terreinen leidt tot minder zoekverkeer en blik in de woonstraten en biedt kansen voor versterking van ruimtelijke kwaliteit en nieuw groen.
De vastgestelde kaders voor het parkeervraagstuk bij bouwontwikkelingen zijn: <0000> Voor het inschatten van de parkeerbehoefte bij nieuwe ontwikkelingen de CROW-richtlijn te hanteren; <0000> In de toepassing van parkeernormen meer vrijstellingen te hanteren, zonder daarbij de (directe) omgeving van de ontwikkeling te belasten met (toekomstige) parkeeroverlast; <0000> Het PPS-gebied in de Spoorzone aan te wijzen als een gebiedsontwikkeling die in zijn eigen parkeerbehoefte moet voorzien, waarbij alleen op (tijdelijke) piekmomenten de parkeercapaciteit in de directe omgeving een uitwijkmogelijkheid is, met name voor bezoekers; <0000> Het basisprincipe te blijven hanteren dat een nieuwe ontwikkeling de parkeerbehoefte op eigen terrein oplost, maar wel de mogelijkheid te bieden af te wijken van deze verplichting zolang daar met voldoende zekerheid geen parkeeroverlast voor de omgeving uit volgt; <0000> Indien wordt afgeweken van het basisprincipe daarvoor het instrument van een afkoopregeling in te zetten, waarmee de afkoopsom de gemeente de gelegenheid geeft om zo nodig maatregelen te treffen om (toekomstige) parkeeroverlast in de omgeving te voorkomen.
Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening
28
Goede voorzieningen voor het stallen van fietsen zijn nodig om het fietsgebruik te stimuleren. Voor het bepalen van het aantal in te passen fietsstallingsplaatsen dient een inschatting van de behoefte te worden gemaakt op basis van de kencijfers uit de Leidraad Fietsparkeren van de CROW. Zowel de parkeerbehoefte voor motorvoertuigen als voor fietsen wordt op eigen terrein opgevangen. 3.6.3 nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' zijn de parkeernormen en berekeningsmethode vastgelegd. Bij het hanteren van de parkeernormen wordt uitgegaan van een minimaal te realiseren aantal parkeerplaatsen. Deze parkeereis dient bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, minimaal te worden gerealiseerd. De hoofdfunctie is bepalend voor de toe te passen parkeernorm. Het CROW kent voor een range aan functies een parkeernorm. Om de parkeernormen overzichtelijk te houden, is ervoor gekozen om de belangrijkste functies die in gemeente voor komen, op te nemen. Bij de berekening van de parkeerbehoefte wordt rekening gehouden met zaken als dubbelgebruik, regeling 'oud voor nieuw', rekenregels parkeervoorzieningen bij woningen en het beïnvloeden van de parkeerbehoefte door maatregelen als regulering en mobiliteitsplannen bij bedrijven. Voor kleine bouwontwikkelingen wordt geen parkeereis gesteld.
Kleine ontwikkelingen (ontwikkelingen met een (toename van de) parkeerbehoefte van maximaal 3 parkeerplaatsen) hebben in de regel een marginaal effect op een toename van de parkeerdruk in de omgeving. Dit geldt ongeacht de locatie van de ontwikkeling. Parkeerplaatsen in het bestemmingsplan In de 'Parkeernormen Tilburg 2017' zijn nog geen parkeernormen voor Biezenmortel opgenomen. De gemeenteraad van de gemeente Haaren heeft namelijk pas in juli 2018 besloten dat Biezenmortel aan de gemeente Tilburg zal worden toegevoegd. Voor wat betreft de parkeernormen is daarom aangesloten bij CROW notitie 'Toekomstbestendig parkeren' (editie 2018). Hierin zijn voor uiteenlopende functies parkeernormen opgenomen. Het test- en innovatiecentrum bestaat uit een opslaggedeelte en een proefkas, waar een gering aantal bezoekers en werknemers zullen komen. Voor een bedrijf in de categorie 'arbeidsextensief/bezoekersextensief' dat is gelegen in het buitengebied geldt een parkeernorm van minimaal 0,8 per 100 m2 bedrijfsvloeroppervlakte. Deze parkeernorm is tevens opgenomen voor een arbeidsextensief bedrijf in zone D in de 'Parkeernormen Tilburg 2017'. De totale oppervlakte van het test- en innovatiecentrum zal maximaal 600 m2 bedragen. Dit betekent dat ten behoeve van deze functie voorzien moet worden in 5 parkeerplaatsen.
De 5 parkeerplaatsen zijn in het landschappelijk inpassingsplan ingetekend (Bijlage 1). Ten behoeve van het gehele bedrijf zijn reeds nieuwe parkeerplaatsen aangelegd ten westen van de bestaande bedrijfsbebouwing. Deze parkeerplaatsen voorkomen parkeeroverlast in de omgeving als gevolg van het parkeren bij het bedrijf aan de Biezenmortelsestraat 57 te Biezenmortel. De beoogde ontwikkeling vormt geen belemmering voor wat betreft de aspecten verkeer en parkeren.
Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening
29
Hoofdstuk 4 Milieuaspecten 4.1 Inleiding Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante milieuhygiënische en planologische aspecten. In dit hoofdstuk worden de milieuaspecten beschreven.
4.2 Milieueffectrapportage Voor dit plan is een aanmeldnotitie opgesteld op basis waarvan is beoordeeld of het noodzakelijk is een m.e.r. op te stellen (bijlage 11). De aanmeldnotitie is getoetst aan de hand van de drie hoofdcriteria (de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten van het project) van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn. Naar aanleiding van deze toetsing is geoordeeld dat ten gevolge van de voorgenomen activiteit, gezien diens aard, omvang en locatie, geen negatieve effecten op de nabijgelegen gevoelige gebieden en Natura 2000 gebieden zijn te verwachten. Op 22 april 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg besloten dat voor het initiatief 'bouwen test- en innovatiecentrum en parkeerterrein'gelegen aan de Biezenmortelsestraat 57 geen milieueffectrapportage (m.e.r.) behoeft te worden opgesteld.
4.3 Milieuhinder bedrijven De handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering' (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: <0000> Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; <0000> Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en veiligheid) en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: <0000> Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding.
Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. <0000> Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid). Het plangebied ligt in omgevingstype 'gemengd gebied'. Dit omgevingstype wordt gekenmerkt door een matige tot sterke functiemenging. In de omgeving bevinden zich direct naast woningen andere functies zoals o.a. agrarische functies, sportfuncties en bedrijfsfuncties. Een test- en innovatiecentrum voor het ontwikkelen van meststoffen is niet opgenomen in de handreiking. Meest overeenkomende bedrijfsvorm is de categorie 'tuinbouw' (kassen) of 'natuurwetenschappelijk speur- en ontwikkelingswerk'. Conform de handreiking behoren deze bedrijven tot milieucategorie 2, waarvoor een richtafstand van 10 meter is vastgesteld in 'gemengd gebied'. De dichtstbij liggende woningen van derden aan de Biezenmortelsestraat 55 bevindt zich op een afstand minder dan 10 meter van de bedrijfslocatie.
De beoogde ontwikkelingen worden echter op een afstand van circa 100 meter van deze woning gerealiseerd en de afstand van het bedrijf naar deze woning zal niet verkleinen. Overige omliggende woningen bevinden zich op een afstand van meer dan 10 meter van de bedrijfslocatie.
Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening
30
Op grond hiervan kan worden gesteld dat ruimschoots wordt voldaan aan de richtafstanden.
4.4 Externe veiligheid 4.4.1 Inleiding Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute. 4.4.2 Verantwoordingsplicht De regelgeving rondom externe veiligheid is opgenomen in diverse besluiten en regelingen. Besluiten en regelingen, waarin de aanvaardbare risico's zijn vastgelegd, zijn: <0000> Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) <0000> Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) <0000> Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De externe veiligheidsrisico's worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) binnen het invloedsgebied.
In onderstaand kader worden deze risico's nader uitgelegd. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een bepaalde horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door te stellen dat een (fictief) persoon zich 24 uur per dag gedurende een heel jaar onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt. De plaatsgebonden risicocontour is een contour waarbij alle punten met een gelijk risico met elkaar verbonden worden. Deze punten worden bepaald door de kans van optreden van diverse ongeval scenario's. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is 10-6 per jaar en geldt voor nieuwe situaties. Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten worden toegevoegd en ook nieuwe beperkt kwetsbare objecten, zijn in beginsel niet toegestaan. Als het plaatsgebonden risico 10-8 per jaar is, wordt het als verwaarloosbaar beschouwd. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico wordt behalve de ongevalfrequentie en het aantal transporten van gevaarlijke stoffen, tevens bepaald door de hoeveelheid aanwezige mensen in de nabijheid van een mogelijk ongeval. Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de hoeveelheid aanwezige mensen.
Naarmate de groep slachtoffers groter wordt, moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn. Bij het bepalen van het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde, hiervoor zijn geen vaste contouren beschikbaar. Invloedsgebied Gebied aan weerszijden van een weg, spoorweg of binnenwater waar ten hoogste 1% van de in dat gebied aanwezige personen kan overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval op die weg, spoorweg of binnenwater waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor wat betreft risicobedrijven is het invloedsgebied het gebied, dat in het Reglement externe veiligheid inrichtingen is bepaald, waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico. 4.4.3 Beleidsvisie externe veiligheid Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken. Toetsing aan het beleid begint met de
Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening
31
inventarisatie van de omgeving van het plangebied. Dit is inzichtelijk gemaakt middels de uitsnede van de risicokaart Nederland, zie Afbeelding 11.
Afbeelding 11: Uitsnede Risicokaart Nederland, plangebied met een rode pijl aangegeven
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Gezien de aard van de voorgenomen activiteiten (exploitatie van een test- en innovatiecentrum) op de planlocatie is het Bevi niet van toepassing. De werkzaamheden omvatten niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Omdat in de beoogde situatie geen nieuw kwetsbaar object zal worden gerealiseerd zullen de risicovolle inrichtingen in de omgeving geen belemmering zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid inrichtingen. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De ontwikkeling ligt buiten de invloedsfeer van zowel het spoortraject als de [Rijks]weg. De dichtstbij gelegen spoorweg welke te zien is op de risicokaart is gelegen op 5,5 kilometer. De dichtstbij gelegen snelwegen A65 en A59 zijn op een afstand van circa 6,6 kilometer gelegen. Daarom is verdere beoordeling aan het Bevt niet van toepassing. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) In het geldende bestemmingsplan 'Herziening Biezenmortelsestraat 57, Biezenmortel' en het naastgelegen bestemmingsplan 'Buitengebied, herziening 2020' is in de nabijheid geen dubbelbestemming voor leidingen opgenomen. De ontwikkeling ligt derhalve buiten de invloedsfeer van de in het Bevb opgenomen buisleidingen. Daarom is verdere beoordeling aan het Bevb niet van toepassing.
Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening
32
4.4.4 Conclusie en restrisico Er kan geconcludeerd worden dat er ten aanzien van het aspect externe veiligheid geen belemmeringen zijn voor de beoogde ontwikkeling binnen het plangebied. In of nabij het plangebied liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden (zoals te zien op de risicokaart in Afbeelding 11). Voordat er gebouwd wordt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen van het plangebied in beeld te brengen.
4.5 Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) vormt sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. In de Wgh is bepaald dat voor locaties in een bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting dient te worden onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. De Wet geluidhinder beschermt de volgende objecten: <0000> Woningen; <0000> andere geluidsgevoelige gebouwen; <0000> geluidsgevoelige terreinen. Woningen Onder "woning" wordt verstaan (art. 1 Wgh): gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan op grond van de geldende planologische status (bestemmingsplan, de beheersverordening, omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan of beheersverordening). De Wet geluidhinder kent het begrip bedrijfswoning niet. Een bedrijfswoning is gewoon een woning, waarvoor het mogelijk is een hogere waarde (als nodig) te verlenen. Dit geldt natuurlijk alleen voor bedrijfswoningen die zijn gelegen in een geluidszone. Andere geluidsgevoelige gebouwen Het besluit geluidhinder (Bgh) wijst volgens art. 1 Wgh een "ander geluidsgevoelig gebouw" aan. Art.
1.2 Bgh wijst onderstaande gebouwen aan als "ander geluidsgevoelig gebouw": <0000> onderwijsgebouwen <0000> ziekenhuizen en verpleeghuizen <0000> verzorgingstehuizen <0000> psychiatrische inrichtingen <0000> kinderdagverblijven De aanwijzing als "ander geluidsgevoelig gebouw" geldt niet voor de delen van een gebouw die een andere bestemming hebben dan de verblijfsruimten zoals genoemd in art. 1.1 lid 1 onder d Bgh. Alle objecten die niet onder bovenstaande categorieën zijn te scharen, zijn op basis van de Wet geluidhinder niet beschermd tegen geluidhinder. In twijfelgevallen (valt een bepaalde bestemming onder een bepaalde categorie) is een goede motivering van belang. Geluidsgevoelige terreinen Het Besluit geluidhinder (Bgh) wijst volgens art. 1 Wgh een "geluidsgevoelig terrein" aan. Art. 1.2 Bgh wijst onderstaande terreinen aan als "geluidsgevoelig terrein": <0000> woonwagenstandplaatsen <0000> ligplaatsen voor woonschepen Uit bovenstaande opsomming blijkt dat het test- en innovatiecentrum in het kader van de Wet geluidhinder geen geluidgevoelig object is. In het kader van de Wet geluidhinder en Bouwbesluit worden geen eisen gesteld met betrekking tot de optredende gevelbelastingen en bescherming tegen geluid.
Er hoeft derhalve geen onderzoek te worden gedaan naar de geluidsinvloed van industrieterreinen in de omgeving of omliggende wegen en spoorlijnen op geluidsgevoelige objecten binnen het plangebied. Daarnaast zal de bestaande bedrijfswoning in gebruik blijven als bedrijfswoning en dit betreft dus ook geen geluidgevoelig object.
Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening
33
In de inrichting vinden wel activiteiten plaats die een geluidsuitstraling hebben naar de omgeving. De eventuele geluidbelasting als gevolg van het testcentrum is laag en de activiteiten vinden veelal inpandig en nabij de bestaande bedrijfslocatie plaats. Zoals benoemd in paragraaf 4.3 kan worden voldaan aan de richtafstand tussen de bedrijfslocatie aan de Biezenmortelsestraat 57 te Biezenmortel en omliggende geluidgevoelige objecten voor wat betreft het aspect geluid. De activiteiten zullen derhalve geen overlast veroorzaken op omliggende geluidgevoelige objecten. Er kan worden geconcludeerd dat er voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen zijn voor het initiatief.
4.6 Lucht In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de Wet luchtkwaliteit in beeld te worden gebracht. Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). In de Wet luchtkwaliteit zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Met name de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) worden beleidsmatig relevant geacht. Er dient te worden aangetoond dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van deze stoffen ter plaatse aanvaardbaar is en als gevolg van de beoogde ontwikkeling in de omgeving aanvaardbaar blijft. Niet in betekenende mate Indien ontwikkelingen binnen het plangebied gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht.
Volgens de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 moeten de concentraties worden bepaald vanaf de grens van het terrein van de inrichting. Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe bestemming betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen als genoemd in de Regeling niet in betekende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide de 3% grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt. Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een plan niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.16, lid 1, sub c, van de Wet milieubeheer. Het Besluit NIBM legt vast wat geldt als niet in betekenende mate bijdragen. Voor de volgende categorieën in de Regeling NIBM kan getoetst worden aan of een plan NIBM bijdraagt: <0000> Categorie woningbouwlocaties; <0000> Categorie kantoorlocaties; <0000> Combinatie van woningbouw en kantoren; <0000> Categorie inrichtingen. Er is dus geen relevantie als aannemelijk kan worden gemaakt, dat de luchtkwaliteit 'niet in betekenende mate' aangetast wordt. In de beoogde situatie zal het aantal verkeersbewegingen afnemen ten opzichte van de bestaande situatie.
De verkeersbewegingen van en naar het test- en innovatiecentrum in Thorn zullen namelijk komen te vervallen als het centrum bij de bedrijfslocatie gerealiseerd zal worden. De verkeersaantrekkende werking van het sporadische bezoek aan het innovatie- en testcentrum staat in geen verhouding tot het wegvallen van de pendeldiensten tussen Biezenmortel en Thorn. In paragraaf 3.6 van deze toelichting wordt de verkeerskundige impact verder uiteengezet, waaruit tevens blijkt dat er sprake zal zijn van een afname van de verkeersbewegingen. De beoogde ontwikkeling heeft dus met zekerheid geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving.
Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening
34
Woon- en leefklimaat Op grond van de Wet luchtkwaliteit zijn grenswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 ìg/m3. Vanaf 1 januari 2015 geldt daarnaast een grenswaarde voor PM2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde is opgenomen in de Wet milieubeheer en bedraagt 25 ìg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Voor de kortdurende blootstelling van de mens aan piekconcentraties van NO2 geldt een grenswaarde van 200 ìg/m3 voor het uurgemiddelde van NO2. Het RIVM heeft Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland waarop de achtergrondconcentratie van fijnstof PM10, PM2,5 en NO2 ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat geraadpleegd kan worden. De jaargemiddelde fijnstofconcentratie binnen het plangebied is conform de GCN-kaart voor fijnstof PM10 17,73 ìg/m3, voor PM2,5 11,09 ìg/m3 en voor NO2 13,66 ìg/m3, zie Afbeelding 12, Afbeelding 13 en Afbeelding 14. Derhalve is ter plaatse van het plangebied sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit. Ten aanzien van de luchtkwaliteit zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
Afbeelding 12: Uitsnede GCN-kaart PM10, plangebied zwart omcirkeld
Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening
35
Afbeelding 13: Uitsnede GCN-kaart PM2,5, plangebied zwart omcirkeld
Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening
36
Afbeelding 14: Uitsnede GCN-kaart NO2, plangebied zwart omcirkeld
4.7 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. Indirect heeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt 'omgekeerde werking' genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: <0000> Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabij gelegen veehouderijen? <0000> Is ter plaatse van het plangebied een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? Bij het test- en innovatiecentrum zullen een kantoorruimte en een bewakingsruimte gerealiseerd worden, zodat er voldoende toezicht op de testopstellingen mogelijk is. Er zullen dus structureel mensen verblijven in het testcentrum. In de beoogde situatie wordt dus een nieuw geurgevoelig object gerealiseerd.
Derhalve wordt getoetst of hiermee geen onevenredige inbreuk wordt gemaakt op de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen in de omgeving en is het noodzakelijk om het woon- en verblijfklimaat ter plaatse inzichtelijk te maken. Omgekeerde werking Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) moeten veehouderijen, waar dieren worden gehouden waarvoor bij ministeriële regeling geuremissiefactoren zijn vastgesteld, geurcontouren in acht nemen ten opzichte van geurgevoelige objecten. Dit geldt onder andere voor
Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening
37
pluimveehouderijen en varkenshouderijen. Voor dieren waarvoor bij ministeriële regeling geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld, zoals melkrundveehouderijen, gelden vaste afstanden. Wanneer er een nieuw geurgevoelig object wordt opgericht binnen de geurcontour of vaste afstand van een veehouderij, kan dat de ontwikkelingsmogelijkheden van die veehouderij belemmeren. De dichtstbijzijnde veehouderij ten opzichte van het plangebied is gelegen aan de Biezenmortelsestraat 34. In dit geval zijn er reeds bestaande geurgevoelige objecten dichter bij het geitenbedrijf aan de Biezenmortelsestraat 34 te Biezenmortel gelegen, dan het beoogde test- en innovatiecentrum. De woonbestemming aan de Biezenmortelsestraat 36 is op een afstand van 48 meter van het geitenbedrijf gelegen, het plangebied op meer dan 50 meter. Deze woning is dan ook maatgevend voor de ontwikkelingsmogelijkheden van het geitenbedrijf aan de Biezenmortelsestraat 34 en deze bestaande woning zal de geitenhouderij dan ook meer belemmeren dan het beoogde testcentrum. Bij het rundveebedrijf aan de Biezenmortelsestraat 32, waar 22 stuks vrouwelijk jongvee worden gehouden zijn geen woningen dichterbij gelegen dan het testcentrum. Voor vrouwelijk jongvee zijn geen geurnormen vastgesteld, alleen vaste afstanden.
Conform het Activiteitenbesluit geldt in het buitengebied een minimale vaste afstand van 50 meter tussen een dierenverblijf met dieren zonder geuremissiefactor tot geurgevoelige objecten (artikel 3.117). Daarnaast geldt op grond van artikel 3.119 van het Activiteitenbesluit een vaste afstand van minimaal 25 meter van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object. Het bouwvlak van het bedrijf aan de Biezenmortelsestraat 32 is op meer dan 50 meter afstand gelegen van het plangebied. Het rundveebedrijf wordt derhalve niet belemmerd door het oprichten van het testcentrum. Bovendien is dit lege bouwvlak aan de Biezenmortelsestraat al grotendeels op slot door de bestaande bedrijfswoning binnen het plangebied en de bedrijfswoning aan Biezenmortelsestraat 34. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling met zekerheid niet zorgt voor een onevenredige belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen in de omgeving. Woon- en leefklimaat Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat er ter plaatse van het plangebied sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur. Om dit te kunnen beoordelen is in eerste instantie aangesloten bij de richtafstanden die zijn gesteld in de VNG-handreiking.
De dichtstbijzijnde veehouderijen ten opzichte van het plangebied zijn gelegen aan de Biezenmortelsestraat 32 (vrouwelijk jongvee) en de Biezenmortelsestraat 34 (geiten). Voor een rundveehouderij geldt op grond van de VNG-handreiking een richtafstand van 100 meter en voor overige graasdieren (geiten) geldt een richtafstand van 50 meter. In gemengd gebied, waar bij het plangebied sprake van is, is de richtafstand 50 meter voor het rundveebedrijf en 30 meter voor de geitenhouderij. Het test- en innovatiecentrum wordt op een afstand van meer dan 50 meter van het rundveebedrijf aan de Biezenmortelsestraat 32 en van het geitenbedrijf aan de Biezenmortelsestraat 34 gerealiseerd. Er wordt dus voldaan aan de richtafstanden ten opzichte van (intensieve) veehouderijen in de omgeving. Daarnaast is de bedrijfswoning behorende bij het bedrijf aan de Biezenmortelsestraat 57 dichterbij het rundveebedrijf aan de Biezenmortelsestraat 32 gelegen dat het beoogde test- en innovatiecentrum. Om het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur ter plaatse van het plangebied nader te beschouwen wordt aansluiting gezocht bij de geurgebiedsvisie van de Haaren. De gemeente Haaren heeft voor de vaststelling van de 'Verordening geurhinder en veehouderij 2019 gemeente Haaren' een onderzoek uit laten uitvoeren aan de hand waarvan de achtergrondbelasting in de gemeente in kaart is gebracht.
De achtergrondbelasting en de bijbehorende belasting met daaraan gekoppeld de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat zijn weergegeven in Afbeelding 15. Uit deze uitsnede van de contourenkaart blijkt dat er ter plaatse van het plangebied sprake is van een achtergrondbelasting tussen 15 en 20 OUE/m3, wat betekent dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Conform de gemeentelijke geurvisie is een achtergrondbelasting tot 20 OUE/m3 acceptabel buiten de kernen.
Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening
38
Afbeelding 15: Uitsnede geurkaart geurbeleid gemeente Haaren, plangebied zwart omcirkeld
Ten aanzien van het aspect geur zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.8 Bodem In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een uitvoerig bodemonderzoek. Een historisch en verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 dient te worden uitgevoerd wanneer de bestemming en/of gebruik wordt gewijzigd én wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. In het test- en innovatiecentrum zullen werknemers langer dan 2 uur gaan verblijven. Om inzicht te krijgen in de actuele milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem en daarmee vast te stellen of er op de locatie verontreinigde stoffen in de grond en/of grondwater aanwezig zijn, is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Lycens B.V., zie Bijlage 5. De opzet van het uitgevoerde onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie.
De gestelde hypothese dat de toplaag van de locatie als "verdacht" beschouwd kan worden ten aanzien van bestrijdingsmiddelen is onjuist gebleken aangezien geen van de onderzochte (componenten van) bestrijdingsmiddelen in een verhoogd gehalte is gemeten in de toplaag. De gestelde hypothese dat de locatie als "onverdacht" beschouwd kan worden ten aanzien van overige chemische
Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening
39
parameters is niet juist gebleken op basis van de aangetoonde licht verhoogde gehalten aan zink en PCB in grond en de licht verhoogde concentraties aan barium en nikkel in het grondwater. De gevolgde onderzoeksstrategie geeft echter een representatief beeld van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie. Bovendien vormen de gemeten gehalten (grond) en concentraties (grondwater) geen belemmering voor het toekomstige gebruik van de onderzoekslocatie. Uit het bijgevoegde verkennend bodemonderzoek blijkt dus dat er omtrent het aspect bodem geen belemmeringen zijn voor de planologische procedure, de aanvraag omgevingsvergunning en de geplande herinrichting van de locatie. Een nader onderzoek of nadere maatregelen worden niet noodzakelijk geacht. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect bodem geen bezwaren zijn voor de gewenste ontwikkeling. Bodembeleid gemeente Tilburg: in goede aarde In deze nota valt te lezen hoe de gemeente Tilburg te werk gaat bij bodemsanering in Tilburg. De nota is opgebouwd uit vier delen, respectievelijk de hoofdlijnen van het beleid, het gemeentelijk beleid verder uitgewerkt, het maatregelenprogramma en het meerjarenprogramma bodemsanering.
4.9 Natuur en ecologie 4.9.1 Wettelijke kaders De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven. Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.
Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën: <0000> Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats (deze soorten zijn benoemd in het document "Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep",Dienst Regelingen, 2009. Hierin worden 4 categorieën vogels genoemd waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn, en een categorie 5 waarvan de nesten onder bepaalde voorwaarden jaarrond beschermd zijn) <0000> Overige inheemse broedvogels <0000> Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn <0000> Nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling (de algemene vrijstellingen zijn door iedere provincie in verordeningen vastgelegd.
In Noord-Brabant zijn de vrijgestelde soorten benoemd in de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant) <0000> Nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling. Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te
Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening
40
verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode. Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rusten voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode.
Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Interim Omgevingsverordening provincie Noord-Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap.
De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw. 4.9.2 Analyse plangebied Natura 2000-gebieden De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en provinciale verordening. In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen, Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek en Kampina & Oisterwijkse Vennen. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken.
Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen, dat op een afstand van circa 400 meter ligt. Elke ruimtelijke ontwikkeling kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er zijn namelijk verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht spelen hierbij een belangrijke rol,
Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening
41
omdat deze ook op grote afstand van een gebied voor effecten kunnen zorgen. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt. <0000> Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). In de gebruiksfase van het test- en innovatiecentrum zal een lichte toename plaatsvinden in het aantal verkeersbewegingen. Daarnaast zullen de bebouwing en de stookinstallaties wijzigen ten opzichte van de bestaande situatie. Om aan te tonen dat er als gevolg van de beoogde wijzigingen geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt is middels het rekenprogramma AERIUS een berekening gemaakt voor de gebruiksfase van het initiatief.
De uitgangspunten voor deze berekening zijn uiteengezet in Bijlage 7. In Bijlage 8 zijn de rekenresultaten van deze berekening opgenomen. Hieruit blijkt dat de stikstofdepositie in de gebruiksfase van het plan niet groter is dan 0,00 mol/ha/jaar. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft op 17 juni 2020 een Kamerbrief gepubliceerd waarin een aantal aanvullende stappen staan die het kabinet zal nemen naar aanleiding van het advies van de Commissie Remkes. Deze publicatie heeft plaatsgevonden in aanloop naar het Kamerdebat over het eindadvies over de structurele aanpak voor de stikstofproblematiek 'Niet alles kan overal' die is aangeboden aan het kabinet. In deze publicatie is de doelstelling voor het kabinet opgenomen om tijdelijke emissies van de bouw niet langer te onderwerpen aan gedetailleerde depositieberekeningen. Voor de volledigheid is met AERIUS nog een berekening gemaakt, waaruit blijkt dat de bouwfase van het test- en innovatiecentrum geen toename in stikstofdepositie tot gevolg heeft. De bouw van de beoogde bebouwing zal naar waarschijnlijkheid in het jaar 2021 en in het jaar 2022 plaatsvinden. De uitgangspunten voor de berekeningen van de bouwfase zijn uiteengezet in Bijlage 7. In Bijlage 9 en Bijlage 10 zijn de rekenresultaten van deze berekeningen opgenomen.