06 obp Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel 2e herz Toelichting met bijlage - b001
Tekst van het document
In de omgeving kunnen in theorie algemene soorten zoals gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) en laatvlieger (Eptesicus serotinus) voorkomen. Deze dieren zijn cultuurvolgers en maken vaak gebruik van lijnvormige groen- en bebouwingsstructuren en straatverlichting. Bestaande lijnvormige groenstructuren waarlangs migratie- of foerageerroutes van vleermuizen zouden kunnen liggen, worden niet aangetast door de voorgenomen plannen. Eventuele vliegroutes worden niet onderbroken. De aanwezige bomen vertoonden geen geschikte holen of kieren of spleten om te kunnen dienen als vaste verblijfslocatie voor boombewonende vleermuizen. De geplande ontwikkeling heeft door gebrek aan geschikte verblijfslocaties of het ontbreken van een gebruiksfunctie (foerageergebied of vliegroute) geen negatieve effecten op lokale populaties vleermuizen. Op basis van de deskstudie NDFF in combinatie met de veldinspectie, de aanwezige structuren en biotopen worden beschermde soorten niet verwacht op de planlocatie.
ijzerman advies
|
11
quick scan flora en fauna
Biezenmortelsestraat 57
Biezenmortel
Advies
• Vrijgestelde soorten kunnen mogelijkerwijs worden aangetroffen. Hiervoor hoeft in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen geen ontheffing meer te worden aangevraagd. Het voorkomen van deze soorten wordt door de geplande ontwikkelingen niet in gevaar gebracht. Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Hierbij valt te denken aan het uitvoeren van de meest verstorende werkzaamheden in de maanden september en oktober. • Voor overige beschermde soorten is nader onderzoek niet noodzakelijk door het ontbreken van geschikte biotopen en vaste verblijfslocaties. Van gebouwbewonende soorten zoals huismussen, gierzwaluwen, uilen of vleermuizen zijn geen nest- of verblijfslocaties in de te slopen structuren aangetroffen. Er worden geen vaste nest- of verblijfslocaties aangetast. Ook nader onderzoek hiernaar is niet relevant. • Ter voorkoming van het verstoren van broedende vogels wordt aangeraden eventuele kapwerkzaamheden tussen half juli en half maart (buiten het broedseizoen) te verrichten. Het verstoren van broedende vogels is verboden. Voor het verstoren van broedende vogels wordt geen ontheffing verleend. In het broedseizoen kan ook gekapt worden, alleen dient het dan onder begeleiding van een ter zake kundige2 te worden uitgevoerd. jan
feb
ma
apr
mei
jun
jul
aug
sep
okt
nov
dec
BV
Tabel 2 : aandachtskalender Broedvogels (BV). Voorkeursperiode voor werkzaamheden in groen.
2 Onder een ter zake kundige wordt verstaan een persoon die :
•Op HBO, dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie en/of •Als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau dat is aangesloten bij het netwerk Groene Bureaus en/of •Zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals Das en Boom, VZZ, RAVON, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch genootschap, KNNV, NJN, IVN, EIS Nederland, FLORON, VOFF, SOVON, etc.)
ijzerman advies
|
12
quick scan flora en fauna
Biezenmortelsestraat 57
Biezenmortel
Bronnen
http://www.brabant.nl/ www.vogelbescherming.nl www.ravon.nl www.sovon.nl https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/natuur-en-biodiversiteit/wetgeving-voor-natuurbescherming-in-nederland Boye, P. et al., Fledermäuse und Fledermausschutz in Deutschland, Bundesambt für Naturschutz, Bonn, 1999. Broekhuizen, S., et al., Atlas van de Nederlandse Zoogdieren, KNNV, Utrecht, 1992. Diepenbeek, A. van, Veldgids diersporen, KNNV, Utrecht, 1999. Diepenbeek, A. van & J. van Delft, Het waarnemen van amfibieën en reptielen, RAVON, Nijmegen, 2006. Diepenbeek, A. van & R. Creemers, Herkenning amfibieën en reptielen, RAVON, Nijmegen, 2006. Dietz, C. et al., Handbuch der Fledermäuse Europas und Nordwestafrikas, Kosmos, 2007. Dietz, M. et al. Von Fledermäusen und Menschen, Bundesambt für Naturschutz, Bonn, 2002. Kapteyn, K., Vleermuizen in het landschap, Schuyt & Co, 1995. Lenders, H.J.R. en C.C.H. Marijnissen, Waarnemen en herkennen van amfibieën en reptielen in het veld, Stichting RAVON, Nijmegen, 1993. Limpens, H., et al., Atlas van de Nederlandse vleermuizen, KNNV, Utrecht, 1997. Mebs, T. et al., Uilen van Europa, Tirion, Baarn, 2004. Meijden, R. van der, Heukels' Flora van Nederland, Wolters-Noordhoff, 1996. Nie, H. de, Atlas van de Nederlandse Zoetwatervissen, Media Publishing Int BV, Doetinchem 1996. Simon, M, et al.
Ecology and Conservation of Bats in Villages and Towns, Bundesambt für Naturschutz, Bonn, 2004. Sinsch, U., Biologie und Ökologie der Kreuzkröte, Laurenti, 1998.
ijzerman advies
|
13
quick scan flora en fauna
Biezenmortelsestraat 57
Biezenmortel
SOVON Vogelonderzoek Nederland, Atlas van de Nederlandse broedvogels; verspreiding, aantallen, verandering - Nederlandse Fauna 5. Naturalis, KNNV Uitgeverij & EIS-Nederland, Leiden, 2002. Spikmans, F. & J. Kranenbarg, Herkenning zoetwatervissen, RAVON, Nijmegen, 2006. Spikmans, F. & T. de Jong, Het waarnemen van zoetwatervissen, RAVON, Nijmegen, 2006. Stumpel, T en H. Strijbosch, Veldgids Amfibieën en reptielen, KNNV, Utrecht, 2006. Twisk, P., et al., Zoogdieren van West-Europa, KNNV, Utrecht, 1994. Weeda, E.J. et al., Nederlandse Oecologische Flora, KNNV, Leiden, 1999.
ijzerman advies
|
14
Bijlage 5 Bodemonderzoek Bodemonderzoek
Verkennend bodemonderzoek Biezenmortelsestraat 57 te Biezenmortel Project: 2020-0020-007
projectnummer
project
versie
datum
auteur
controle
2020-0020-007 1.0 Mevrouw M. Platenkamp
Biezenmortelsestraat 57 te Biezenmortel 21 augustus 2020 De heer B. Franke
opdrachtgever
Van Dun advies
Inhoudsopgave 1.
Aanleiding ...................................................................................................................................................... 3
2.
Vooronderzoek .............................................................................................................................................. 4 2.1
Werkwijze .............................................................................................................................................................. 4
2.2
Locatiegegevens ..................................................................................................................................................... 4
2.3
Historische informatie............................................................................................................................................ 5
2.4
Geohydrologische gegevens .................................................................................................................................. 7
3.
Uitvoering onderzoek ..................................................................................................................................... 8 3.1
Hypothese .............................................................................................................................................................. 8
3.2
Onderzoeksstrategie .............................................................................................................................................. 8
3.3
Uitvoering veldwerk ............................................................................................................................................... 8
3.4
Zintuigelijke waarnemingen ................................................................................................................................... 9
3.5
Uitvoering laboratoriumonderzoek ....................................................................................................................... 9
4.
Resultaten .................................................................................................................................................... 11 4.1
Analyseresultaten grond ...................................................................................................................................... 11
4.2
Analyseresultaten grondwater............................................................................................................................. 12
5.
Conclusies .................................................................................................................................................... 13 5.1
Resultaten grond .................................................................................................................................................. 13
5.2
Resultaten grondwater ........................................................................................................................................ 13
5.3
Conclusies en aanbevelingen ............................................................................................................................... 14
6.
Betrouwbaarheid onderzoek ........................................................................................................................ 15
Bijlagen 1.
Locatiekaart
2.
Situatieschets
3.
Boorprofielen
4.
Toetsing analyseresultaten
5.
Analyserapporten laboratorium
6.
Achtergrond-, streef- en interventiewaarden
7.
Onderzoeksstrategie NEN 5740 ‘niet verdachte’ locaties
Pagina
2 van 15
Projectnummer:
2020-0020-007
Datum
21 augustus 2020
1.
Aanleiding
In opdracht van Van Dun advies heeft Lycens B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie aan de Biezenmortelsestraat 57 te Biezenmortel. Voor de ligging van deze locatie wordt verwezen naar bijlage 1, de locatiekaart.
De aanleiding voor het onderzoek is de geplande aanvraag van een omgevingsvergunning, activiteit bouwen.
Het doel van het onderzoek is het bepalen van de bodemkwaliteit op de locatie en daarmee mogelijke verontreinigingen in grond en grondwater te signaleren welke consequenties kunnen hebben voor de geplande aanvraag van een omgevingsvergunning, activiteit bouwen. Hiervoor is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater beoordeeld door het verrichten van een aantal boringen en het analyseren van een aantal grond- en grondwatermonsters.
Het onderzoek is conform de Nederlandse Norm "Onderzoeksstrategie bij verkennend bodemonderzoek" (NEN5740) uitgevoerd.
In hoofdstuk 2 worden de resultaten van het vooronderzoek beschreven. De opzet van het onderzoek wordt in hoofdstuk 3 en de verrichte veld- en laboratoriumwerkzaamheden worden in hoofdstuk 4 beschreven. Tot slot worden in hoofdstuk 5 de resultaten en conclusies van het uitgevoerde onderzoek weergegeven en worden aanbevelingen geformuleerd.
Pagina
3 van 15
Projectnummer:
2020-0020-007
Datum
21 augustus 2020
2.
Vooronderzoek
2.1
Werkwijze
Het vooronderzoek is uitgevoerd conform NEN5725:2017. Conform deze norm bepaald de aanleiding van het onderzoek de minimale onderzoeksaspecten. In onderstaande tabel zijn deze onderzoeksaspecten per aanleiding weergegeven. In onderhavige situatie is sprake van aanleiding A. (Bodemonderzoek). Tabel 2.1: Onderzoeksaspecten in relatie tot aanleiding van het onderzoek
Locatiegegevens
2
Bodemopbouw en geohydrologie
3
Verwachting t.a.v. de bodemkwaliteit
4
Gebruik en beïnvloeding van de locatie, verdachte situatie, activiteiten, ongewoon voorval
5
Terreinverkenning Optioneel
G: Tijdelijke uitplaatsing
F: Ontgraven of toepassen van grond
E: Opstellen bodemkwaliteitskaart
D: Partijkeuring
C: Toepassen grond of baggerspecie
A: Bodemonderzoek 1
B: Nul-/eindsituatie onderzoek
Aanleiding tot vooronderzoek
Onderzoeksaspecten
Eigendomssituatie Hoogteligging Bodemopbouw Antropogene lagen in de bodem Geohydrologie Geval van ernstige bodemverontreiniging? Kwaliteit o.b.v. Bodemkwaliteitskaart O.b.v. uitgevoerde bodemonderzoeken Voormalig Huidig Toekomst Asbestverdacht? Verplicht
Het doel van het vooronderzoek is om op basis van minimaal de verplichte aspecten in tabel 2.1 inzicht te verkrijgen in de bodemopbouw, het (historische) gebruik van de locatie, de aanwezigheid van potentieel bodembedreigende activiteiten c.q. situaties en de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging.
2.2
Locatiegegevens
De onderzoekslocatie bevindt zich in het buitengebied, op circa 500 meter ten noordoosten van de kern van Biezenmortel. De onderzoekslocatie betreft een momenteel deel bebouwd en deels onverhard terreindeel. De Biezenmortelsestraat bevindt zich op enige afstand ten zuidoosten van de onderzoekslocatie. In de directe omgeving bevinden zich voornamelijk agrarische percelen en/of bedrijven. In tabel 2.2 op de volgende pagina zijn de algemene locatiegegevens weergegeven.
Op basis van de door de opdrachtgever beschikbaar gestelde gegevens verklaart Lycens B.V. dat de onderzoekslocatie geen eigendom is van Lycens B.V. of een aan Lycens B.V. gerelateerd bedrijf.
Pagina
4 van 15
Projectnummer:
2020-0020-007
Datum
21 augustus 2020
Tabel 2.2: Locatiegegevens Locatie
Biezenmortelsestraat 57 te Biezenmortel
Ligging locatie
Buitengebied, op circa 500 m ten noordoosten van de bebouwde kom van Biezenmortel
Kadastrale gegevens
Gemeente Haren, sectie F, nummer 630 (ged.)
Oppervlakte
Circa 2923 m2
Topografische aanduiding
Coördinaten: X: 141.100, Y: 405.100
Gebruik locatie - voormalig
Boomgaard
- huidig
Boomgaard en bedrijfspand Van Iersel Compost BV
- toekomstig
Test- en innovatiecentrum Van Iersel Compost BV
Opdrachtgever
Van Dun advies
Overige belanghebbenden
Eigenaar
2.3
Historische informatie
Onderstaand is een overzicht gegeven van de geraadpleegde bronnen. Er is van uitgegaan dat de geleverde informatie juist en volledig is. Lycens B.V. is niet aansprakelijk voor onjuiste of onvolledige informatie die door derden is verstrekt.
Bron: •
Omgevingsdienst Noord Brabant, West Brabant
•
Gemeente Haaren
•
Opdrachtgever: Van Dun advies
•
Bodematlas Provincie Noord Brabant
•
www.bodemloket.nl
•
https://bagviewer.kadaster.nl
•
www.topotijdreis.nl
•
https://topokaartnederland.nl/
•
http://rce.webgispublisher.nl/Viewer.aspx?map=Archeologie-in-Nederland&profileName=Viewer#
•
www.BROloket.nl
•
www.grondwatertools.com
•
https://www.infomil.nl/onderwerpen/lucht-water/handboek-water/thema-s/grondwater/achtergrond/
Historisch gebruik Voor het historisch onderzoek zijn de topografische kaarten uit 1850, 1870, 1900, 1950, 1908, 1936, 1955, 1977, 1989 en 1995 bestudeerd. Hieruit blijkt dat de locatie en directe omgeving daarvan reeds vanaf de eerste kaarten bebouwd was en deel uitmaakte van de weg tussen Halvooirt en Udenhout. De onderzoekslocatie betrof tot 1987 agrarische grond en boomgaard, behorende en gelegen tussen de boerderijen. Op historische kaarten vanaf 1987 is op de onderzoekslocatie sprake van de eerste bebouwing en de onderzoekslocatie en directe omgeving daarvan zijn vanaf dat moment ontwikkeld tot de huidige indeling. De terreinindeling is sindsdien niet significant gewijzigd. Bag viewer geeft
Pagina
5 van 15
Projectnummer:
2020-0020-007
Datum
21 augustus 2020
aan dat de eerste bebouwing reeds in 1954 is gebouwd. In 1969 is een schuur bijgebouwd evenals dat de locatie is uitgebreid in 1976, 2004 en 2007. Informatie Omgevingsdiensten Noord Brabant, West brabant In het kader van het uit te voeren historisch onderzoek is het bodemloket van de omgevingsdienst Brabant Noord geraadpleegd. Hieruit blijkt dat op de locatie in 1993 een bodemonderzoek is uitgevoerd en een stortplaats aanwezig is (geweest). De Omgevingsdienst Noord Brabant heeft desgevraagd geen bodeminformatie van deze locatie. De Omgevingsdienst westbrabant heeft de volgende informatie betreffende de Biezenmortelsestraat: Het betreft een notitie van De Straat Milieuadviseurs d.d. 15 oktober 1993 met projectnummer B1762-4. Citaat: “In het kader van de inventarisatie voormalige stortplaatsen Noord-Brabant is in september 1993 een verkennend onderzoek verricht op de locatie Biezenmortelsestraat 57 te Udenhout. De locatie ligt ten oosten van Udenhout in Biezenmortel. De aanleiding is de mogelijke aanwezigheid van een stortplaats voor bouw- en sloopafval”. Verderop in dit schrijven worden de resultaten besproken: “Uit het historisch onderzoek blijkt dat in de jaren ’70 ter plaatse van de Biezenmortelstraat 57 een oppervlakte van ca 1 a 1,5 hectare is opgehoogd met bouw- en sloopafval en boomstronken (globaal terrein tussen het huidige woonhuis en de huidige composteerinrichting).
Daarnaast zijn er ter plaats van de composteerinrichting ook nog gedeelten verhard met puin. Volgens de heer van Iersel was er steeds controle van de eigenaar op het gestorte materiaal en ging het om schoon puin gemengd met zand. Het gestorte materiaal is onder andere afkomstig van voormalige erfverhardingen van boerderijen en van de sloop van de V&D in Tilburg. De dikte van de ophooglaag is gemiddeld ca 0,5-1 meter. Plaatselijk is de toplaag eerst ontgraven en kan het puin zich op grotere diepte bevinden (enkele meters). Het terrein is grotendeels verhard met betonplaten en betonklinkers.
In 1992 is er op de locatie een bodemonderzoek uitgevoerd om de nulsituatie vast te leggen in verband met de aanvraag van een hinderwetvergunning (Nulsituatie B/92214, DvL Milieu&Techniek, september 1992) Uit dit onderzoek blijkt dat in zowel grond als grondwater verhoogde concentraties zijn aangetoond: -
In twee grondmonsters ter plaatse van een afleverpunt voor motorbrandstoffen bij een ondergrondse tank zijn respectievelijk sterk en licht verhoogde concentraties minerale olie aangetoond. Verder is in geen van de onderzochte grondmonsters de A-waarde overschreden.
-
In het grondwater zijn plaatselijk licht verhoogde concentraties arseen, zink, trichlooretheen (tri) en tetrachlooretheen (per) aangetoond. In één grondwatermonster is een matig verhoogde concentratie zink aangetoond. Verder worden in geen van de onderzochte grondwatermonsters de A-waarde overschreden.”
Er werd geconcludeerd dat er ter plaatse van de onderzoekslocatie geen sprake is van een (voormalige) stortplaats. Aangezien er al bodemonderzoek is uitgevoerd en er geen verontreinigingen zijn aangetoond die in direct verband zijn te brengen met de opgebrachte puinverharding, wordt aanbevolen deze locatie als technisch afgesloten te beschouwen.”
Conclusie Op basis van de resultaten van bovenstaande is de onderzoekslocatie ten aanzien van zowel asbest als voor de chemische parameters, behoudens voor bestrijdingsmiddelen, als onverdacht te beschouwen.
Pagina
6 van 15
Projectnummer:
2020-0020-007
Datum
21 augustus 2020
2.4
Geohydrologische gegevens
Uit de Grondwaterkaart van Nederland (Dienst Grondwaterverkenning TNO) zijn de volgende (hydro)geologische gegevens afkomstig:
Ter plaatse van de onderzoekslocatie bestaat de bodem tot 2.50 m uit een zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en fijn zand, met weinig zandige klei en grof zand en een spoor klei, veen en grind behorende tot de Formatie van Boxtel. Hieronder is sprake van een kleiige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit leem, met weinig fijn en midden zand en een spoor veen en grof zand behorende tot de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Liempde. Vanaf 3.92 m bestaat de bodem hoofdzakelijk uit midden en fijn zand, met weinig zandige klei en grof zand en een spoor klei, veen en grind behorende tot de Formatie van Boxtel. Op circa 19 m wordt een zandige eenheid aangetroffen, hoofdzakelijk bestaande uit grof en midden zand, met weinig zandige klei, fijn zand en grind en een spoor klei behorende tot de Formatie van Sterksel. Vanaf 59.99 m wordt een zandige eenheid aangetroffen, hoofdzakelijk bestaande uit midden, fijn en grof zand, met weinig klei en zandige klei en een spoor veen, bruinkool en grind, behorende tot de Formatie van Stramproy, waaronder zich vanaf 63.48 m een zandige eenheid bevindt, hoofdzakelijk bestaande uit midden en grof zand, met weinig zandige klei, fijn zand en grind en een spoor klei en veen behorende tot de Formatie van Peize en Formatie van Waalre.
Vanaf 68.63 m wordt een kleiige eenheid aangetroffen, hoofdzakelijk bestaande uit zandige klei, klei en midden zand, met weinig veen, fijn en grof zand en een spoor grind behorende tot de Formatie van Waalre. Van 82.79 m tot 98.27 m bevindt zich een zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en grof zand, met weinig zandige klei, fijn zand en grind en een spoor klei en veen behorende tot de Formatie van Peize en Formatie van Waalre. Hieronder bevindt zich een kleiige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit zandige klei, klei en midden zand, met weinig veen, fijn en grof zand en een spoor grind behorende tot de Formatie van Waalre welke vanaf 105.50 m tot 133.52 m overgaat in een zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en grof zand, met weinig zandige klei, fijn zand en grind en een spoor klei en veen behorende tot de Formatie van Peize en Formatie van Waalre.
De stromingrichting van het freatische grondwater in het eerste watervoerende pakket ter plaatse is globaal (noord)oostelijk (grondwatertools). Lokaal kan de grondwaterstroming van deze richting afwijken. De onderzoekslocatie bevindt zich niet in een grondwaterbeschermingsgebied, waterwingebied en/of boringvrije zone.
Pagina
7 van 15
Projectnummer:
2020-0020-007
Datum
21 augustus 2020
3.
Uitvoering onderzoek
3.1
Hypothese
In het kader van de NEN5740 is een hypothese gesteld over het karakter van de onderzoekslocatie. Op basis van de resultaten van het vooronderzoek (hoofdstuk 2) wordt de toplaag van de locatie als gevolg van de aanwezigheid van de boomgaard beschouwd als verdacht voor de aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen. Voor het overige wordt de locatie voor zowel de chemische parameters als voor de aanwezigheid van asbest beschouwd als "onverdacht". De hypothese vormt het uitgangspunt van de gevolgde onderzoeksstrategie tijdens dit onderzoek.
3.2
Onderzoeksstrategie
Aangezien ten aanzien van bestrijdingsmiddelen geen verontreinigingsbeeld valt af te leiden en de locatie ten aanzien van overige chemische parameters als onverdacht wordt beschouwd wordt de locatie onderzocht conform de strategie voor een ‘onverdachte niet-lijnvormige locatie’ (ONV-NL). In verband met het feit dat op de locatie een boomgaard aanwezig is, bestaat de mogelijkheid dat er (in het verleden) gebruik is gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen (bestrijdingsmiddelen). Derhalve wordt de toplaag van de locatie aanvullend op bestrijdingsmiddelen geanalyseerd.
De oppervlakte van de onderzoekslocatie bedraagt circa 2923 m². Conform de gehanteerde onderzoeksstrategie kan afgeleid worden dat in totaal twaalf boringen tot 0,5 meter diepte, drie boringen tot circa 2,0 m-mv of de heersende grondwaterstand en één boring tot circa 1,5 meter onder de heersende grondwaterstand uitgevoerd moeten worden. De boring tot onder de grondwaterspiegel zal met een peilbuis worden afgewerkt voor het grondwateronderzoek.
3.3
Uitvoering veldwerk
Het veldwerk is uitgevoerd op 22 juli 2020 door de heer E.C. Karperien van Lycens B.V.. De veldwerkzaamheden zijn onder certificaat (K46918/10) uitgevoerd conform de BRL SIKB 2000: ‘veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek’ en de daarbij behorende protocollen.
Er zijn in totaal zestien boringen verricht. Hiervan zijn twaalf boringen verricht tot circa 0,5 m-mv, drie boringen tot circa 2,0 m-mv en één boring tot circa 4,00 m-mv welke is afgewerkt met een peilbuis. Het filter van de peilbuis staat op een diepte van circa 2,50 tot 4,00 m-mv. De peilbuis is na plaatsing op 22 juli 2020 en voor bemonstering conform NEN5744:2011 op 30 juli 2020 door de heer E.C. Karperien doorgepompt. De posities van de onderzoekspunten zijn op de tekening in bijlage 2 weergegeven.
Het vrijkomende materiaal is zintuiglijk beoordeeld op samenstelling, geur, kleur en overige bijzonderheden die kunnen duiden op een mogelijke bodemverontreiniging. De resultaten zijn samengevat beschreven in paragraaf 3.4. De uitgetekende bodemprofielen zijn opgenomen in bijlage 3.
Pagina
8 van 15
Projectnummer:
2020-0020-007
Datum
21 augustus 2020
3.4
Zintuigelijke waarnemingen
Uit de bodemprofielen blijkt dat de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie vanaf maaiveld, danwel onder de klinkerverharding bestaat uit zeer fijn, matig siltig, zwak humeus zand. Deze bodemlaag gaat door in de ondergrond tot een maximale diepte van 1,5 m-mv. In de ondergrond is een matig tot sterk zandige leemlaag aangetroffen vanaf een diepte varierend van 1,0 tot 1,5 m-mv. Onder deze leemlaag, welke is aangetroffen tot een maximale diepte van 2,4 mmv, bevindt zich tot einde boordiepte (4,0 m-mv) zeer fijn tot matig fijn, zwak tot matig siltig zand. Aan het vrijkomende materiaal zijn tijdens het uitvoeren van de veldwerkzaamheden zintuiglijk geen waarnemingen gedaan die duiden op een mogelijke bodemverontreiniging en/of stortplaats voor bouw- en sloopafval. Er zijn tevens geen waarnemingen gedaan welke duiden op een mogelijk verontreiniging met asbest in de bodem.
Tijdens het uitvoeren van het veldwerk is een gemiddelde grondwaterstand waargenomen van circa 2,4 m -mv. De grondwaterstand kan afhankelijk van seizoen en positie op de locatie variëren.
3.5
Uitvoering laboratoriumonderzoek
Bij de uitvoering van het laboratoriumonderzoek is de gehanteerde onderzoeksstrategie in de NEN5740 als leidraad gebruikt (bijlage 7). Het onderzoek is uitgevoerd door het laboratorium "Eurofins Analytico B.V." te Barneveld dat geaccrediteerd is volgens de AS3000. Voor het inschatten van de risico's van eventueel aanwezige verontreinigingen zijn de analyseresultaten (meetwaarden) van het laboratorium gestandaardiseerd (GSSD) en vervolgens getoetst aan de streef-, achtergrond- en interventiewaarden bodemsanering (bijlage 6). Het toets resultaat wordt weergegeven als index en geeft de verhouding weer tussen het gemeten gehalte en de streef-, achtergrond- en interventiewaarden.
Voor de beoordeling van de kwaliteit van de grond en het grondwater zijn in totaal twee mengmonsters van de bovengrond (MM BG 01 van het westelijke deel van de onderzoekslocatie en MM BG 02 van het oostelijke deel van de onderzoekslocatie), twee mengmonster van de ondergrond (MM OG 01 en MM OG 02) en één grondwatermonster (gecodeerd als 1-1-1) chemisch-analytisch onderzocht op het standaardpakket (bijlage 7). Van de toplaag zijn twee mengmonsters samengesteld (MM BG TL 01 en MM BG TL 02) en aanvullend onderzocht op de aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen (gewasbeschermingsmiddelen).
In tabel 3.1 is de monstercodering, de samenstelling en het doel van het (samengestelde meng-) monster weergegeven.
Pagina
9 van 15
Projectnummer:
2020-0020-007
Datum
21 augustus 2020
Tabel 3.1: Samenstelling van de (meng)monsters Monstercode
Monsters
Diepte (m-mv)
Doel
01-2 02-2 05-2 06-2 07-2 08-2 09-2 10-2 03-2 04-2 11-2 12-2 13-2 14-2 15-2 16-2 01-4 01-5 02-3 02-4 03-3 03-4 04-3 04-4
0,0-0,5 0,0-0,5 0,1-0,5 0,1-0,5 0,1-0,5 0,0-0,5 0,0-0,5 0,0-0,5 0,0-0,5 0,0-0,5 0,0-0,5 0,0-0,5 0,0-0,5 0,0-0,5 0,0-0,5 0,0-0,5 0,8-1,0 1,0-1,5 0,5-1,0 1,0-1,5 0,5-1,0 1,0-1,5 0,5-1,0 1,0-1,5
Vaststellen milieuhygiënische kwaliteit bovengrond westelijk deel
01-1 02-1 05-1 06-1 07-1 08-1 09-1 10-1 03-1 04-1 11-1 12-1 13-1 14-1 15-1 16-1
0,0-0,3 0,0-0,3 0,1-0,3 0,1-0,3 0,0-0,1 0,0-0,3 0,0-0,3 0,0-0,3 0,0-0,3 0,0-0,3 0,0-0,3 0,0-0,3 0,0-0,3 0,0-0,3 0,0-0,3 0,0-0,3
Vaststellen aanwezigheid bestrijdingsmiddelen (OCB) in de toplaag westelijk deel
2,5-4,0
Vaststellen milieuhygiënische kwaliteit grondwater
Grond MM BG 01
MM BG 02
MM OG 01
MM OG 02
Vaststellen milieuhygiënische kwaliteit bovengrond oostelijk deel
Vaststellen milieuhygiënische kwaliteit ondergrond westelijk deel
Vaststellen milieuhygiënische kwaliteit ondergrond oostelijk deel
Toplaag MM BG TL 01
MM BG TL 02
Vaststellen aanwezigheid bestrijdingsmiddelen (OCB) in de toplaag oostelijk deel
Grondwater 01-1-1
Pagina
10 van 15
Projectnummer:
2020-0020-007
Datum
21 augustus 2020
4.
Resultaten
De laboratoriumrapporten zijn opgenomen in bijlage 5. In bijlage 4 zijn de analyseresultaten getoetst aan de streef-, achtergrond- en interventiewaarden.
4.1
Analyseresultaten grond
Tabel 4.1 geeft een volledig overzicht van de interpretatie van de analyseresultaten van de grond(meng)-monsters. Indien er gestandaardiseerde gehalten zijn aangetoond groter dan de achtergrondwaarde, zijn tevens de meetwaarden vermeld in milligram per kilogram droge stof (mg/kg ds). Naast de meetwaarde is tevens het gestandaardiseerde gehalte (GSSD) en de index weergegeven. De niet weergegeven parameters overschrijden de achtergrondwaarde niet.
Tabel 4.1: Interpretatie van de analyseresultaten van de grond(meng)monsters (Meng)monster
Parameter
Meetwaarde
GSSD
Index
Monsterconclusie
MM BG 01
Barium
*
-
-
Voldoet aan de achtergrondwaarde
MM BG 02
Barium
*
-
-
Voldoet aan de achtergrondwaarde
MM BG TL 01
OCB
≤aw
-
≤0
Voldoet aan de achtergrondwaarde
MM BG TL 02
OCB
≤aw
-
≤0
Voldoet aan de achtergrondwaarde
MM OG 01
Barium Zink PCB
* 150 -
322 0,29
0,31 0,28
Overschrijding van de achtergrondwaarde
Barium
*
-
-
Voldoet aan de achtergrondwaarde
MM OG 02 Index ≤0 ≥0<0,5 ≥0,5<1 ≥1 * <aw
: : : : : : : :
niet bepaald kleiner dan of gelijk aan de achtergrondwaarde groter dan de achtergrondwaarde, kleiner dan ½(achtergrondwaarde+interventiewaarde) gelijk aan of groter dan ½(achtergrondwaarde+interventiewaarde) gelijk aan of groter dan de interventiewaarde de normwaarden voor barium zijn tijdelijk buiten werking gesteld, met uitzondering van duidelijk antropogene verontreinigingen Gehalten kleiner dan achtergrondwaarde
Bespreking resultaten Uit de analyseresultaten blijkt dat in het van de mengmonsters van de ondergrond op het westelijke deel van de locatie licht verhoogde gehalten aan zink en PCB zijn aangetoond. Er is niet direct een oorzaak aan te wijzen voor de verhoogde gehalten. Zintuiglijk zijn in de bodem geen waarnemingen gedaan die deze gehalten zouden kunnen verklaren. In de beide mengmonsters van de bovengrond en in het mengmonster van de ondergrond op het oostelijk terreindeel zijn geen van de onderzochte parameters in een verhoogd gehalte gemeten. In de beide mengmonsters van de toplaag zijn geen verhoogde gehalten aan bestrijdingsmiddelen gemeten. De (hierboven beschreven) gemeten gehalten in de ondergrond overschrijden de achtergrondwaarden in geringe mate. De milieuhygiënische kwaliteit van de grond vormt geen belemmering voor de geplande aanvraag van een omgevingsvergunning, activiteit bouwen. Het uitvoeren van nader onderzoek is niet noodzakelijk.
Pagina
11 van 15
Projectnummer:
2020-0020-007
Datum
21 augustus 2020
4.2
Analyseresultaten grondwater
Tabel 4.2 geeft een overzicht van de peilbuisspecificaties en de analyseresultaten van het grondwatermonster. Indien er concentraties zijn gemeten hoger dan de streefwaarde, dan zijn de betreffende parameters en concentraties vermeld in microgram per liter (µg/l). Tevens zijn de index en de monsterconclusie weergegeven.
Tabel 4.2: Interpretatie van de analyseresultaten van het grondwatermonster Peilbuis
Filterstelling
Grondwaterstand (m-mv)
Parameter
Meetwaarde /GSSD
index
Monsterconclusie
Troebelheid NTU)
Zuurgraad (pH)
01-1-1
2,5-4,0
2,44
Barium Nikkel
150 25
0,17 0,17
Overschrijding streefwaarde
23#
6,5
≤0 >0≤0,5 >0,5<1 ≥1 #
: : : : : :
Geleidingsvermogen µS/cm) 1366
niet onderzocht kleiner dan of gelijk aan de streefwaarde groter dan de streefwaarde, gelijk aan of kleiner dan ½(streefwaarde+interventiewaarde) groter dan ½(streefwaarde+interventiewaarde) gelijk aan of groter dan de interventiewaarde de gemeten troebelheid is hoger dan 10 NTU. Tijdens monstername is vastgesteld dat het maximale onttrekkingsdebiet 500 ml/min bedroeg, de verlaging van het waterniveau in de peilbuis niet meer dan 50 centimeter bedroeg en het filterdeel niet belucht is. Tevens was tijdens de bemonstering sprake van een constante EGV. Aangezien aan de eisen uit de NEN5744:2011 is voldaan, is ondanks de hoger gemeten NTU overgegaan tot bemonstering. De gemeten troebelheid wordt niet van invloed geacht op de analyseresultaten
Bespreking resultaten Uit de analyseresultaten blijkt dat het grondwater licht verhoogde concentraties aan barium en nikkel bevat. Aangezien met betrekking tot de verhoogde concentratie barium geen antropogene bron bekend is, is barium vermoedelijk van nature in een verhoogde concentratie in het grondwater aanwezig. Voor nikkel is niet direct een oorzaak aan te wijzen. De gemeten concentraties overschrijden de streefwaarde in geringe mate en vormen geen belemmering voor de geplande aanvraag van een omgevingsvergunning, activiteit bouwen. Het uitvoeren van nader onderzoek is niet noodzakelijk.
Pagina
12 van 15
Projectnummer:
2020-0020-007
Datum
21 augustus 2020
5.
Conclusies
In opdracht van Van Dun advies heeft Lycens B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie aan de Biezenmortelsestraat 57 te Biezenmortel.
De aanleiding voor het onderzoek is de geplande aanvraag van een omgevingsvergunning, activiteit bouwen.
Het doel van het onderzoek is het bepalen van de bodemkwaliteit op de locatie en daarmee mogelijke verontreinigingen in grond en grondwater te signaleren welke consequenties kunnen hebben voor de geplande aanvraag van een omgevingsvergunning, activiteit bouwen.
Op grond van de beschikbare gegevens (resultaten vooronderzoek, zintuiglijke waarnemingen gedaan tijdens het veldwerk en de analyseresultaten) kan het volgende worden geconcludeerd:
5.1
Resultaten grond
Uit de analyseresultaten blijkt dat in het van de mengmonsters van de visueel schone ondergrond op het westelijke deel van de locatie licht verhoogde gehalten aan zink en PCB zijn aangetoond. Er is niet direct een oorzaak aan te wijzen voor de verhoogde gehalten. Zintuiglijk zijn in de bodem geen waarnemingen gedaan die deze gehalten zouden kunnen verklaren. Mogelijk dat het gebruik van de locatie door de jaren heen deze gehalten kan verklaren. In de beide mengmonsters van de bovengrond en in het mengmonster van de ondergrond op het oostelijk terreindeel zijn geen van de onderzochte parameters in een verhoogd gehalte gemeten. In de beide mengmonsters van de toplaag zijn geen verhoogde gehalten aan bestrijdingsmiddelen gemeten. De (hierboven beschreven) gemeten gehalten in de ondergrond overschrijden de achtergrondwaarden in geringe mate. De milieuhygiënische kwaliteit van de grond vormt geen belemmering voor de geplande aanvraag van een omgevingsvergunning, activiteit bouwen. Het uitvoeren van nader onderzoek is niet noodzakelijk.
5.2
Resultaten grondwater
Chemisch analytisch blijkt het grondwater licht verhoogde concentraties aan barium en nikkel te bevatten. Aangezien met betrekking tot de verhoogde concentratie barium geen antropogene bron bekend is, is barium vermoedelijk van nature in een verhoogde concentratie in het grondwater aanwezig. De verhoogde concentratie nikkel is op basis van het uitgevoerde onderzoek niet te verklaren. De gemeten concentraties overschrijden de streefwaarde in geringe mate en vormen geen belemmering voor de geplande aanvraag van een omgevingsvergunning, activiteit bouwen. Het uitvoeren van nader onderzoek is niet noodzakelijk.
Pagina
13 van 15
Projectnummer:
2020-0020-007
Datum
21 augustus 2020
5.3
Conclusies en aanbevelingen
De opzet van het uitgevoerde onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat er, ons inziens, milieuhygiënisch gezien geen belemmeringen zijn voor de aanvraag van een omgevingsvergunning, activiteit bouwen.
De gestelde hypothese dat de toplaag van de locatie als "verdacht" beschouwd kan worden ten aanzien van bestrijdingsmiddelen is onjuist gebleken aangezien geen van de onderzochte (componenten van) bestrijdingsmiddelen in een verhoogd gehalte is gemeten in de toplaag.
De gestelde hypothese dat de locatie als "onverdacht" beschouwd kan worden ten aanzien van overige chemische parameters is niet juist gebleken op basis van de aangetoonde licht verhoogde gehalten aan zink en PCB in grond en de licht verhoogde concentraties aan barium en nikkel in het grondwater. De gevolgde onderzoeksstrategie geeft echter een representatief beeld van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie. Bovendien vormen de gemeten gehalten (grond) en concentraties (grondwater) geen belemmering voor het toekomstige gebruik van de onderzoekslocatie.
Pagina
14 van 15
Projectnummer:
2020-0020-007
Datum
21 augustus 2020
6.
Betrouwbaarheid onderzoek
Het onderhavige onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. Lycens B.V. streeft bij elk bodemonderzoek naar een optimale representativiteit.
Hoewel voldaan wordt aan de wettelijke verplichtingen, is onderhavig onderzoek gebaseerd op het verrichten van een beperkt aantal boringen en het nemen en analyseren van een beperkt aantal monsters. Hierdoor blijft het mogelijk dat plaatselijke afwijkingen in de samenstelling van grond en/of grondwater aanwezig zijn welke tijdens het onderzoek niet naar voren zijn gekomen. Lycens B.V. is niet aansprakelijk voor hieruit voortvloeiende schade of gevolgen van welke aard ook.
Hierbij wordt er tevens op gewezen dat het uitgevoerde bodemonderzoek een momentopname is. Beïnvloeding van grond- en grondwaterkwaliteit zal ook plaats kunnen vinden na uitvoering van dit onderzoek (bijvoorbeeld door bouwrijp maken of aanvoer van grond van elders). Naarmate er een langere tijd is verlopen na uitvoering van het onderzoek, dient meer voorzichtigheid/voorbehoud te worden betracht bij het gebruik van de onderzoeksresultaten.
Pagina
15 van 15
Projectnummer:
2020-0020-007
Datum
21 augustus 2020
BIJLAGE I LOCATIEKAART