CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

06 obp Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel 2e herz Toelichting met bijlage - b001

Raadsvergadering 13 december 2021, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel bestemmingsplan Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herz31.227 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

GEMEENTE TILBURG Afdeling Ruimte

BESTEMMINGSPLAN Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening Toelichting met bijlagen

Ontwerp: Vastgesteld: Onherroepelijk: Code: NL.IMRO.0855.BSP2020036-b001

25 mei 2021

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Plan en plangebied 2 1.1 Aanleiding tot planontwikkeling 2 1.2 Het plangebied 2 1.3 Voorgaande plannen 4 1.4 Bestaande situatie 5 1.5 Beoogde situatie 5 Hoofdstuk 2 Ruimtelijk beleidskader 7 2.1 Rijk 7 2.2 Provincie 8 2.3 Gemeente 17 Hoofdstuk 3 Thematische beleidskaders 20 3.1 Inleiding 20 3.2 Stedenbouwkundige aspecten en welstand 20 3.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg 20 3.4 Groen en speelruimte 23 3.5 Bedrijvigheid 25 3.6 Verkeer en parkeren 28 Hoofdstuk 4 Milieuaspecten 30 4.1 Inleiding 30 4.2 Milieueffectrapportage 30 4.3 Milieuhinder bedrijven 30 4.4 Externe veiligheid 31 4.5 Geluid 33 4.6 Lucht 34 4.7 Geur 37 4.8 Bodem 39 4.9 Natuur en ecologie 40 Hoofdstuk 5 Wateraspecten 45 5.1 Bestaand watersysteem 45 5.2 Beleidskader 46 5.3 Duurzaam watersysteem 50 5.4 Watertoets 50 Hoofdstuk 6 Opzet planregels 51 6.1 Inleiding 51 6.2 Bestemmingen en aanduidingen 51 6.3 Bouw- en gebruiksregels 51 Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid 52 Hoofdstuk 8 Omgevingsdialoog en vooroverleg 53 8.1 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro 53 8.2 Omgevingsdialoog 53 8.3 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro 53 8.4 Zienswijzen 53

Toelichting

Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening

1

Hoofdstuk 1 Plan en plangebied 1.1 Aanleiding tot planontwikkeling Initiatiefnemer exploiteert een bedrijf aan de Biezenmortelsestraat 57 te Biezenmortel. Het bedrijf bestaat uit verschillende maatschappijen. Eén bedrijfsonderdeel ontwikkelt speciale meststoffen die toegepast worden om het gewas via het blad te voeden, om de wortel van het gewas te stimuleren of om het gewas efficiënt via de bodem te voeden. Zo wordt een plant ondersteunt met microbiologie; een verdiepingsslag op de compost. Het testen van deze producten vindt plaats in een test- en innovatiecentrum. De beëindiging van de huurovereenkomst van het testcentrum in Thorn dat het bedrijf momenteel huurt is aanleiding voor de wens van het realiseren van een test- en innovatiecentrum binnen de eigen bedrijfslocatie. Het is essentieel dat het testcentrum dichtbij het bestaande kantoor en laboratorium staat, zodat ontwikkelingen en ervaringen gedeeld kunnen worden en er 24- uurs toezicht op de testopstellingen mogelijk is. De beoogde ontwikkeling is binnen de huidige bestemming 'Agrarisch met waarden – Landschapswaarden 2' niet mogelijk en de beoogde locatie ligt ook buiten het huidige bouwvlak.

Afbeelding: Beoogde situatie met nieuw test- en innovatiecentrum

1.2 Het plangebied De bedrijfslocatie en het plangebied, gelegen aan de Biezenmortelsestraat 57 te Biezenmortel, is kadastraal bekend onder: Gemeente Haaren, sectie F, nummer 630, 631, 69, 470, 537, 72, 570, 571 en 67. De beoogde ontwikkelingen zullen alleen op het perceelnummer 630 plaatsvinden, maar de overige gronden zijn meegenomen in het plan om een totaalplan voor de bedrijfslocatie te houden. Op dit moment is het plangebied nog gelegen in de gemeente Haaren, tot het gebied per 1-1-2021 tot het grondgebied van de gemeente Tilburg gaat behoren. Het plangebied is dan gelegen in het buitengebied van de gemeente Tilburg, ten zuidoosten van de Loonse en Drunense Duinen. Op circa 750 meter ten zuidwesten is de bebouwde kom van Biezenmortel gelegen. De Biezenmortelsestraat wordt gekenmerkt door een verscheidenheid aan agrarische, sport-, bedrijfs- en woonfuncties. Afbeelding 1 en Afbeelding 2 weergeven de ligging van het plangebied en de bedrijfslocatie in de directe omgeving. Het plangebied heeft een omvang van 149.378 m².

Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening

2

Afbeelding 1: Luchtfoto plangebied en direct omgeving, plangebied wit omcirkeld

Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening

3

Afbeelding 2: Aanzichtfoto plangebied en bedrijfslocatie, plangebied wit omcirkeld

1.3 Voorgaande plannen Het vigerende bestemmingsplan voor het plangebied is het bestemmingsplan 'Herziening Biezenmortelsestraat 57, Biezenmortel', aldus vastgesteld d.d. 22 april 2010. Ter plaatse van het plangebied zijn de volgende bestemming en aanduiding opgenomen, zie Afbeelding 3: <0000> Enkelbestemming: Agrarische verwant bedrijf; <0000> Enkelbestemming: Agrarisch gebied met landschap en natuurwaarden; <0000> Enkelbestemming: Agrarisch met waarden – landschapswaarden 2; <0000> Enkelbestemming: Groenvoorzieningen; <0000> Bouwvlak; <0000> Maatvoering vlakken; <0000> Aanduiding: Specifieke vorm van Agrarisch met waarden – dassenleefgebied; <0000> Aanduiding: Beschermingszone natte natuurparel. De beoogde ontwikkelingen zullen plaatsvinden binnen de enkelbestemming 'Agrarisch met waarden – landschapswaarden 2' met de functie-aanduiding 'Specifieke vorm van Agrarisch met waarden – dassenleefgebied'. Deze aanduiding komt niet voort uit een ecologisch onderzoek dat ter plaatse is uitgevoerd, maar het dateert uit het Streekplan 2002 van de provincie Noord-Brabant. Deze aanduiding is niet meer van toepassing. De beoogde ontwikkeling is binnen de huidige bestemming niet mogelijk en de beoogde locatie ligt ook buiten het huidige bouwvlak. Om deze reden wordt een herziening van het bestemmingsplan voorbereid.

Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening

4

Afbeelding 3: Uitsnede bestemmingsplan 'Herziening Biezenmortelsestraat 57, Biezenmortel'

1.4 Bestaande situatie Al geruime tijd is het bedrijf aan de Biezenmortelsestraat 57, actief in de landbouw. Vanaf 1945 functioneert het bedrijf als loonwerkersbedrijf op de huidige locatie. Vanaf 1957 is het bedrijf aan de Biezenmortelsestraat 57 te Biezenmortel steeds meer gaan specialiseren in groencompostering. De hoofdactiviteiten op de locatie bestaan momenteel uit het composteren van groenafval en het verhuren van machines. Als nevenactiviteit worden grote laanbomen gekweekt en verplaatst. Het bedrijf bestaat uit verschillende maatschappijen. Eén bedrijfsonderdeel ontwikkelt speciale meststoffen die toegepast worden om het gewas via het blad te voeden, om de wortel van het gewas te stimuleren of om het gewas efficiënt via de bodem te voeden. Zo wordt een plant ondersteunt met microbiologie; een verdiepingsslag op de compost. Het testen van deze producten vindt plaats in een test- en innovatiecentrum in Thorn. Het bestaande bouwvlak heeft een omvang van 16.195 m² en de bestaande bedrijfsbestemming heeft een oppervlakte van 85.207 m². In de beoogde situatie zijn buiten de vigerende bedrijfsbestemming en buiten het bouwvlak parkeerplaatsen ten behoeve van het bedrijf aan de Biezenmortelsestraat 57 te Biezenmortel gerealiseerd.

Deze parkeerplaatsen zijn noodzakelijk voor het nieuwe test- en innovatiecentrum en voor het tekort aan de noodzakelijke parkeerbehoefte in de beoogde situatie. De parkeerplaatsen zijn landschappelijk ingepast.

1.5 Beoogde situatie Vanwege de beëindiging van de huurovereenkomst van het testcentrum in Thorn is een nieuw test- en innovatiecentrum noodzakelijk. Om deze reden is initiatiefnemer op zoek gegaan naar een nieuwe locatie. De wens is het centrum bij de huidige bedrijfslocatie aan de Biezenmortelsestraat 57 te Biezenmortel te realiseren, omdat het centrum dichtbij het kantoor en laboratorium dient te staan. Op deze wijze kunnen ontwikkelingen en ervaringen gedeeld worden, is er 24-uurs toezicht op testopstelling mogelijk, kunnen huurkosten worden voorkomen en worden verkeersbewegingen verminderd. Initiatiefnemer is voornemens om het test- en innovatiecentrum binnen de bedrijfslocatie aan de Biezenmortelsestraat 57 te Biezenmortel, ten oosten van de bedrijfswoning, op te richten. Het bedrijf wil investeren in het ontwikkelen van producten die een efficiëntere opname hebben en gebruiksvriendelijker zijn dan de producten die al vele jaren op de markt zijn. Voor het uitgebreid testen is een centrum cruciaal. In het test- en innovatiecentrum worden verschillende samenstellingen getest op verschillende gewassen om vast te kunnen stellen wat de invloed is op de groei en opbrengst van het gewas.

Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening

5

Voor het testen van de producten in dit centrum is de aanwezigheid van een kas en een opslagmogelijkheid noodzakelijk. In het beoogde test- en innovatiecentrum zal ruimte zijn voor een proefkas een corridor/loods. De totale oppervlakte van het centrum zal circa 600 m² bedragen. Afbeelding 9 weergeeft de beoogde ligging van het test- en innovatiecentrum. De totale oppervlakte van het innovatiecentrum met omliggend bouwvlak bedraagt maximaal 1.543 m². Het bouwvlak ronom het test- en innovatiecentrum is noodzakelijk voor de logistiek en om proefopstellingen in de buitenlucht te kunnen plaatsen. Hierbij kan gedacht worden aan proeven in containerteelt en aardbeien op stellingen onder tunnels. Er zal gebruik worden gemaakt van het reeds aanwezige kantoor en laboratorium in het plangebied. Daarnaast zullen bij het test- en innovatiecentrum een werkruimte en een bewakingsruimte gerealiseerd worden, zodat er voldoende toezicht op de testopstellingen mogelijk is. Afbeelding 10 weergeeft een schetsontwerp van de indeling van het test- en innovatiecentrum. Het centrum zal ontsloten worden via het bestaande bedrijf en er zal gebruik worden gemaakt van de bestaande bedrijfsinrit. Tot slot zullen de reeds gerealiseerde parkeerplaatsen ten westen van de bestaande bedrijfsbebouwing gelegaliseerd worden, door het opnemen van een bedrijfsbestemming ter plaatse van de parkeerplaatsen.

Voor het beoogde test- en innovatiecentrum geldt een parkeernorm van 5 parkeersplaatsen. De overige parkeersplaatsen worden aangelegd ten behoeve van de bestaaande bedrijfsbebouwing. Deze aanleg van parkeerplaatsen voorkomt parkeeroverlast in de omgeving ten behoeve van het bedrijf aan de Biezenmortelsestraat 57 te Biezenmortel. De beoogde parkeerplaatsen hebben een totale oppervlakte van circa 940 m².

De beoogde ontwikkeling zal landschappelijk worden ingepast in de omgeving (zie ook paragraaf 2.2.3). De bestaande landschapsstructuur wordt vernieuwd en versterkt door middel van landschappelijke beplantingen die zijn afgestemd op de specifieke omgevingskenmerken. In Bijlage 1 is het landschappelijk inpassingsplan op schaal opgenomen.

Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening

6

Hoofdstuk 2 Ruimtelijk beleidskader 2.1 Rijk 2.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) Deze structuurvisie bundelt het nationale ruimtelijke en infrastructurele beleid en schetst een beeld van Nederland in 2040. Zo beschrijft het kabinet in de Structuurvisie in welke infrastructurele plannen het de komende jaren wil investeren en op welke wijze bestaande infrastructuur beter benut kan worden. Provincies en gemeenten krijgen in de plannen meer bewegingsvrijheid op het gebied van ruimtelijke ordening. 2.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet. In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen.

Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen. Het besluit bepaalt tevens: "Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit." Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren. Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt.

Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen. In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten. De voorliggende planlocatie is niet in één van de aangewezen projectgebieden van nationaal belang gelegen. Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van strijdigheid met nationale belangen. 2.1.3 (Ladder voor) Duurzame verstedelijking Op grond van art. 3.1.6 Bro zijn provincies en gemeenten verplicht om in de toelichting van een ruimtelijk plan aandacht te besteden aan het aspect 'duurzame verstedelijking', wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Art. 1.1.1. Bro definieert het begrip stedelijke ontwikkeling als een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Overheden dienen op grond van art. 3.1.6 Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen te motiveren.

In de eerste plaats geschiedt dat door de behoefte aan de desbetreffende stedelijke ontwikkeling te onderbouwen. Uitgangspunt is vervolgens dat, met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, de nieuwe stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de

Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening

7

nieuwe stedelijke ontwikkeling daarentegen voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk stedelijk gebied, dan moet dat eveneens worden gemotiveerd in de plantoelichting. Het is toegestaan om de motivering van de behoefte aan en de locatie van een nieuwe stedelijke ontwikkeling door te schuiven naar een eventueel uitwerkings- of wijzigingsplan. Het initiatief betreft een stedelijke ontwikkeling omdat het een uitbreiding van een bedrijf betreft. In Bijlage 2 is een notitie opgenomen waarin is getoetst aan de 'Handreiking Ladder voor duurzame verstedelijking' die door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu in oktober 2012 is opgesteld. Uit deze notitie blijkt dat de nabijheid van het test- en innovatiecentrum een grote meerwaarde heeft binnen de huidige snel ontwikkelende markt van bodemverrijking en groei- en voedingstechnieken van gewassen. Het feit dat de ruimte op het bestaande kavel van Van Iersel beschikbaar is, zorgt dat er nauwelijks sprake is van enig ruimtelijk effect. Daarnaast kan geconcludeerd worden dat door op de locatie aan de Biezenmortelsestraat de clustering van Soiltech en Van Iersel te realiseren, de netto ruimteclaim optimaal wordt ingevuld. Er ontstaat weliswaar leegstand in Thorn. Die ruimte kan echter door een nieuwe gebruiker worden ingevuld, waarmee geen nieuwe bedrijfslocatie ontwikkeld hoeft te worden.

In het verleden is op de locatie al fors nadrukkelijk ingezet op landschappelijke en ruimtelijke inpassing, alsmede het terugdringen / optimaliseren van de veiligheid van verkeersbewegingen. Op 19 september 2019 hebben wij een ambtelijke beoordeling ontvangen op de Notitie Ladder duurzame verstedelijking. Ten behoeve van besluitvorming was aanvulling benodigd op de volgende aspecten: <0000> daadwerkelijke omvang <0000> verkeerskundige impact <0000> motivatie zorgvuldig ruimtegebruik <0000> omgevingsdialoog In deze toelichting zijn deze aspecten uitgebreid uiteengezet en aangevuld.

2.2 Provincie 2.2.1 Brabantse omgevingsvisie Op 14 december 2018 is de Omgevingsvisie Noord-Brabant in werking getreden. De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is: “Werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit”. Voor 2030 is het doel om voor alle aspecten te voldoen aan de wettelijke normen. Brabant heeft dan een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit. Voor 2050 is het doel om een goed leefomgevingskwaliteit te hebben door op alle aspecten beter te presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. De visie noemt een vijftal hoofdopgaven: 1. De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Brabant. 2. Brabantse energietransitie: om Brabant op termijn energieneutraal te maken moeten we minder energie gebruiken en meer duurzame energie op gaan wekken. 3. Slimme netwerkstad: de manier waarop we ons verplaatsen verandert en we stellen andere eisen aan steden. Dit heeft gevolgen voor het netwerk van steden en dorpen. 4. Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering krijgen we meer extremen in temperatuur en neerslag. Hoe gaan we deze gevolgen aanpakken ? 5. Concurrerende, duurzame economie: Brabant wil top kennis- en innovatieregio blijven, waarbij de omslag naar een circulaire economie nodig is en digitalisering steeds belangrijker wordt.

Daarna volgt een doorvertaling in een Omgevingsverordening en programma’s. Om straks als de Omgevingswet in werking treedt (volgens de huidige planning pas in 2021) echt klaar te zijn, wordt er eerst een interim omgevingsverordening gemaakt. In deze interim omgevingsverordening worden de bestaande regels over de fysieke leefomgeving al zoveel mogelijk in één verordening onder gebracht. De interim omgevingsverordening is op 25 oktober 2019 vastgesteld en wordt hierna besproken. Deze interim omgevingsverordening is relatief beleidsarm. Elk van de vijf hoofdopgaven van de Brabantse Omgevingsvisie zijn uitgewerkt in specifieke aandachtspunten.

Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening

8

Door een zorgvuldige landschappelijke inpassing van het plangebied wordt een positieve bijdrage geleverd aan de leefomgevingskwaliteit. Hiermee wordt een eerste stap gezet richting het einddoel van 2050. Het initiatief past dus binnen de Omgevingsvisie voor Noord-Brabant. 2.2.2 Structuurvisie ruimtelijke ordening Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die op 1 oktober 2010 werd vastgesteld door Provinciale Staten. Belangrijke onderwerpen zijn de realisatie van natuur en de transitie naar een zorgvuldige veehouderij in Brabant. In de Structuurvisie geeft de provincie de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie, maar bindt gemeenten niet rechtstreeks. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. Volgens de structurenkaart, zie Afbeelding 4, ligt het plangebied in de groenblauwe mantel. De groenblauwe structuur omvat samenhangende gebieden in Noord-Brabant, waaronder de ecologische hoofdstructuur, waar natuur- en waterfuncties behouden en ontwikkeld worden. De structuur bestaat voornamelijk uit beken en andere waterlopen en uit bos- en natuurgebieden.

Daarnaast liggen ook gebieden met een andere functie (zoals agrarisch of recreatie) binnen de groenblauwe mantel, als die gebieden van belang zijn voor de natuuren waterfuncties. De agrarische sector is één van de grootste en belangrijkste grondgebruikers binnen de groenblauwe mantel. Nieuwe ontwikkelingen binnen dit gebied zijn mogelijk, als deze bestaande natuur-, bodem- en waterfuncties respecteren en waar mogelijk bijdragen aan een kwaliteitsverbetering van deze functies of het landschap. De ontwikkeling gaat gepaard met een zorgvuldige landschappelijke inpassing waardoor de bestaande landschappelijke kwaliteiten van de groenblauwe mantel in de omgeving behouden en versterkt worden. Ook worden de belangrijke natuur-, bodem- en waterfuncties gerespecteerd. Daarom sluit het initiatief aan bij de ambitie van de provincie voor de groenblauwe structuur.

Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening

9

Afbeelding 4: Uitsnede structurenkaart, Structuurvisie 2010- partiële herziening 2014, plangebied zwart omcirkeld

2.2.3 Interim omgevingsverordening De provincie heeft een Interim omgevingsverordening vastgesteld waarin de bestaande regels m.b.t de fysieke leefomgeving zijn samengevoegd. De laatste versie van de Interim omgevingsverordening is op 27 november 2020 vastgesteld. In de Interim omgevingsverordening zijn de bestaande regels samengevoegd van de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat de regels van de genoemde verordeningen zijn gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau en dat er in beginsel geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd. Er zijn alleen wijzigingen doorgevoerd gebaseerd op eerder vastgesteld beleid, zoals de Brabantse omgevingsvisie. Voordat de Omgevingswet in werking treedt, wordt de definitieve omgevingsverordening vastgesteld. Deze definitieve verordening wordt tegelijk met de Omgevingswet van kracht. In de definitieve verordening worden, in tegenstelling tot de interim verordening, ook beleidswijzigingen verwerkt. Uitgaande van de huidige planning van de Omgevingswet wordt de definitieve omgevingsverordening in november 2020 vastgesteld.

De Omgevingsverordening bevat omgevingswaarden, algemene regels (rechtstreeks geldende regels) en instructieregels (regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van b.v. bestemmingsplannen en besluiten).

Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening

10

Specifiek voor het plangebied geldt: Voor elke ruimtelijke ontwikkeling geldt dat toepassing moet worden gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies zoals deze zijn opgenomen in paragraaf 3.1.2. Voor het overige dient getoetst te worden aan de regels die van toepassing zijn op het werkingsgebied waar een plangebied in is gelegen. In dit geval is het plangebied gelegen in de werkingsgebieden 'Cultuurhistorisch waardevol gebied', 'Attentiezone waterhuishouding', 'Groenblauwe mantel', 'Beperkingen veehouderij', 'Stalderingsgebied' en 'Landelijk gebied', zie Afbeelding 5.

Afbeelding 5: Uitsnede werkingsgebieden (hoofdstuk 3) Interim omgevingsverordening

Ter plaatse van de aanduiding 'Attentiezone waterhuishouding' is artikel 3.26 van toepassing. Voor de bescherming van het cultuurhistorisch waardevol gebied is artikel 3.29 van toepassing. De bescherming van de landschappelijke waarden in de groenblauwe mantel is geregeld in artikel 3.32 van de Iov. Omdat sprake is van een bestaand agrarisch verwant bedrijf in het landelijk gebied is artikel 3.60 van de Iov van toepassing voor de beoogde ontwikkeling. In artikel 3.51 zijn de afwijkende regels ten aanzien van de aanduiding 'beperkingen veehouderij' opgenomen. Deze regels beperken de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen. Het beoogde initiatief betreft geen ontwikkeling van een intensieve veehouderij, waardoor dit artikel niet van toepassing is op het initiatief. Tevens worden niet getoetst aan de voorwaarden die van toepassing zijn bij de aanduidingen 'regionale waterberging', 'reservering waterberging' en 'attentiezone stiltegebied', omdat ter plaatse van deze aanduidingen geen ontwikkelingen beoogd zijn. Verder bevat artikel 3.52 aanvullende regels ten aanzien van het stalderingsgebied. Deze regels hebben betrekking op een toename in de oppervlakte dierenverblijven voor hokdieren. De beoogde ontwikkeling betreft geen toename in oppervlakte dierenverblijven, de regels met betrekking tot het stalderingsgebied zijn derhalve niet van toepassing.

Aan de relevante artikelen zal hierna worden getoetst. Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 3.1.2) Onder een evenwichtige toedeling van functies wordt verstaan dat invulling wordt gegeven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Hiervoor moet rekening worden gehouden met:

Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening

11

<0000> <0000> <0000>

zorgvuldig ruimtegebruik; de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; meerwaardecreatie.

Deze aspecten zijn in de Iov nader uitgewerkt in de artikelen 3.6 t/m 3.8. Daarnaast geldt voor ontwikkelingen in het landelijk gebied ook dat er sprake moet zijn van kwaliteitsverbetering (zie artikel 3.9). Deze artikelen worden hieronder nader toegelicht. Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel. 3.6) Conform artikel 3.6 houdt zorgvuldig ruimtegebruik in dat in beginsel gebruik wordt gemaakt van een bestaand ruimtebeslag. In onderstaande toetsing is getoetst aan artikel 3.6 van de Interim omgevingsverordening. a. De toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat: 1. nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk; 2. er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan; Een bestaand ruimtebeslag is gelegen binnen het werkingsgebied 'Stedelijk gebied' of een bestaand bouwperceel. Indien er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in hoofdstuk 3 van de Iov is toegestaan kan er worden uitgebreid buiten het bestaand ruimtebeslag.

Vanuit kwalitatieve en fysieke redenen is er geen ruimte binnen het bestaande bouwperceel om het test- en innovatiecentrum te realiseren. Daarnaast blijkt uit navolgende toetsing aan hoofdstuk 3 van de Interim omgevingsverordening dat wordt voldaan aan overige bepalingen voor een redelijke uitbreiding uit dit hoofdstuk. Bovendien is in de toelichting van de Iov beschreven dat het doel van artikel 3.6 is om bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten. Dit draagt bij aan het behoud van de openheid en kwaliteit van het buitengebied. Ter plaatse van het plangebied is geen sprake van een 'open' gebied, door de achterliggende bebouwing en het omliggende groen. De kwaliteit van het buitengebied zal ook niet wordt aangetast door de beoogde ontwikkeling, omdat de beoogde ontwikkeling wordt gecombineerd met een goede landschappelijke inpassing. Het toestaan van het test- en innovatiecentrum op voorgestelde locatie gaat dan ook niet ten koste van het doel van artikel 3.6. Tevens dient aan de sub b en c van artikel 3.6, lid 1 van de Iov voldaan te worden: b. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); In bijlage 3 is een opgestelde notitie toegevoegd, waaruit blijkt dat toepassing wordt gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening.

Hiervoor is getoetst aan de 'Handreiking Ladder voor duurzame verstedelijking'. Uit deze notitie blijkt dat sprake is van het structureel en op een kwalitatief aantrekkelijke manier borgen van het ruimtegebruik van een succesvol en belangrijk bedrijf in Biezenmortel. c. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. De beoogde bebouwing zal worden geconcentreerd binnen het beoogde agrarisch verwante bouwvlak. Conclusie: Er wordt voldaan aan de bepaling om te kunnen afwijken van het bestaand ruimtebeslag. Toepassing van de lagenbenadering (artikel 3.7) De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op verschillende lagen. Hierbij dient onderzocht te worden wat de effecten zijn op: <0000> de ondergrond <0000> de netwerklaag <0000> de bovenste laag Met het effect op de ondergrond worden o.a. de aspecten bodem, grondwater en archeologische waarden bedoeld. De netwerklaag omvat aspecten zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. In de beschouwing van de bovenste laag dienen aspecten zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van

Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening

12

de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu aan bod te komen. Hierbij dient te worden gekeken naar het verleden, heden en toekomst. De beoogde ontwikkeling mag geen negatieve effecten hebben op de waarden in de omgeving en dient ook in de toekomst geen beperkingen op te leveren voor de omgeving. De toetsing van de gevolgen van het initiatief op bovengenoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in hoofdstuk 3, 4 en 5 van deze toelichting. Meerwaardecreatie (artikel 3.8) Het aspect meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Het biedt de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren, waardoor er meerwaarde ontstaat. Daarnaast ontstaat een bijdrage aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. In dit bestemmingsplan wordt meerwaarde gecreëerd door de bedrijfsvoering te concentreren op één bedrijfslocatie. Hierdoor kan efficiënter gewerkt worden en is er sprake van een afname in verkeersbewegingen, omdat de verkeersbewegingen van en naar het testcentrum buiten de bedrijfslocatie (in Thorn) vervallen.

Kwaliteitsverbetering (artikel 3.9) Een bestemmingsplan in landelijk gebied moet gepaard gaan met een fysieke verbetering van het landschap. Daarnaast moet worden aangetoond hoe deze fysieke verbetering financieel, juridisch en feitelijk wordt verzekerd. Een verbetering kan o.a. bestaan uit een landschappelijke inpassing, behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen, het slopen van bebouwing of aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Deze vormen van kwaliteitsverbetering moeten worden geborgd in het bestemmingsplan. Over de exacte invulling van de kwaliteitsverbetering zijn in het regionaal ruimtelijk overleg tussen gemeenten en provincie afspraken gemaakt. Binnen de gemeente Tilburg zijn de 'Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant' van toepassing. In dit afsprakenkader is opgenomen dat alle ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt via een bestemmingsplanherziening vallen onder categorie 3, tenzij de ontwikkeling concreet benoemd wordt in een andere categorie. De beoogde ontwikkeling wordt niet concreet benoemd in een andere categorie, waardoor de ontwikkeling is aangemerkt als een categorie 3 ontwikkeling.

Ook binnen het afsprakenkader 'Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant', welke van toepassing is voor de gemeente Tilburg, valt de beoogde ontwikkeling onder een categorie 3 ontwikkeling. Voor deze ontwikkeling moet derhalve een financiële berekening worden gemaakt om de waardevermeerdering van de gronden te bepalen. 20% van de waardevermeerdering van de uitbreiding van het bedrijfskavel dient te worden geïnvesteerd in het landschap. Op basis van de huidige situatie, de beoogde situatie en het landschappelijke inpassingsplan is een economische berekening betreffende de waardevermeerdering en kwaliteitsinvestering opgesteld. Deze berekening is opgenomen in bijlage 2 van de toelichting. Uit deze berekening blijkt dat een bedrag van ca. € 24.000,-- geinvesteerd moet worden in kwaliteitsverbetering van het landschap. Hiertoe is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld (zie bijlage 1). In het kort bestaat de landschappelijke inpassing door het opnemen van een struweelhaag met landschapsbomen aan de oostzijde van het nieuwe test- en innovatiecentrum en de oostzijde van het naastgelegen agrarische perceel. Aan de voorzijde van het perceel wordt een struweelhaag geplaatst en grasland. De parkeerplaatsen worden omzoomd door een beukenhaag met landschapsbomen.

Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening

13

Figuur: landschappelijke inpassing De aanleg en instandhouding van deze landschappelijke inpassing wordt feitelijk en juridisch verzekerd middels het opnemen van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – landschappelijke inpassing' op de verbeelding en door de opname van een voorwaardelijke verplichting in de regels van het bestemmingsplan. Naast de nieuwe landschappelijke inpassing dient ook de reeds bestaande inpassing duurzaam in stand te worden gehouden. Dit wordt in de regels van dit bestemmingsplan nogmaals verzekerd. De beoogde ontwikkeling is derhalve in overeenstemming met artikel 3.9 van de Iov. Daarnaast is met de iniatiefnemer een overeenkomst kwaliteitsverbetering landschap gesloten. Attentiezone waterhuishouding (artikel 3.26) Doel van de attentiezone is om ontwikkelingen die een negatieve invloed hebben op de binnen de attentiezone gelegen natte natuurparels tegen te gaan. Er is getoetst aan de voorwaarden die zijn gesteld in artikel 3.26: Lid 1. Een bestemmingsplan van toepassing op Attentiezone waterhuishouding strekt tot bescherming van de waterhuishouding en sluit functies en activiteiten uit die een negatief effect hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant. Lid 2. Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid stelt in ieder geval regels over: a.

het verzetten van grond van meer dan 100 m³ of op een diepte van meer dan 60 centimeter beneden maaiveld, voor zover geen vergunning is vereist op grond van de Ontgrondingenwet; Er zal in de beoogde situatie meer dan 100 m³ grond worden verzet om de beoogde bebouwing te kunnen realiseren. Deze voorwaarde is vervat in de regels van het bestemmingsplan. b. de aanleg van drainage ongeacht de diepte, tenzij het gaat om vervanging van een bestaande drainage; Er wordt geen drainage aangelegd. c. het verlagen van de grondwaterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen, met uitzondering van grondwateronttrekkingen; Met de beoogde ontwikkeling wordt de grondwaterstand niet verlaagd. d. het beperken van het buiten een agrarisch bouwperceel aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten.

Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening

14

De aanleg van de verharde oppervlakte ten behoeve van het nieuwe test- en innovatiecentrum en de nieuwe parkeerplaats wordt zo beperkt mogelijk aangebracht. In hoofdstuk 5 van deze toelichting is uitgebreid uiteengezet dat er geen negatieve effecten ten aanzien van de waterhuishoudkundige situatie zullen plaatsvinden in de beoogde situatie ten opzichte van de bestaande situatie. Lid 3. Het tweede lid is niet van toepassing op werkzaamheden die behoren tot het normale beheer en onderhoud. N.v.t. Bovenstaande voorwaarden zijn tevens in de regels van dit bestemmingsplan opgenomen. Daarnaast is de gebiedsaanduiding 'overige zone – attentiezone waterhuishouding' opgenomen op de verbeelding. Op deze manier wordt geborgd dat er geen ontwikkelingen zullen plaatsvinden die een negatieve invloed kunnen hebben op de binnen de attentiezone gelegen natte natuurparels. Cultuurhistorische waarden (artikel 3.29) Artikel 3.29 bevat voorwaarden van toepassing op Cultuurhistorisch waardevol gebied. Er is aan de gestelde voorwaarden getoetst: Een bestemmingsplan is mede gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken zoals beschreven in de Cultuurhistorische Waardenkaart; Uit paragraaf van deze toelichting blijkt dat de beoogde ontwikkeling de cultuurhistorische waarden en kenmerken ter plaatse van het plangebied niet zullen aantasten.

Een bestemmingsplan stelt regels ter bescherming van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. De bescherming van het cultuurhistorisch waardevol gebied is juridisch geborgd door de opname van de gebiedsaanduiding 'overige zone – cultuurhistorisch vlak' op de verbeelding. In de regels is ter plaatse van deze aanduiding geborgd dat de cultuurhistorische waarden ter plaatse niet aangetast mogen worden. De beoogde ontwikkeling is van deze regel uitgezonderd, omdat onder a is aangetoond dat de gronden ter plaatse van het bouwvlak en de nieuwe landschappelijke inpassing geen cultuurhistorische waarden aantast. Landschappelijke waarden in groenblauwe mantel (artikel 3.32) In artikel 3.32 van de Iov zijn voorwaarden opgenomen voor landschappelijke waarden in de groenblauwe mantel. Zie onderstaande toetsing aan deze voorwaarden: Artikel 3.32 landschappelijke waarden in de groenblauwe mantel Lid 1. Een bestemmingsplan van toepassing op de Groenblauwe mantel: a. strekt tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de daarmee samenhangende ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken; De beoogde ontwikkeling wordt gecombineerd met een goede landschappelijke inpassing.

Door het combineren van het initiatief met een goede landschappelijke inpassing zullen geen negatieve effecten ontstaan op de ontwikkeling van de natuurwaarden in de groenblauwe mantel. b. stelt regels ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van het gebied; In de regels wordt geborgd dat de landschappelijke waarden in de groenblauwe mantel niet zullen worden aangetast. c. borgt dat een ontwikkeling gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken. In dit bestemmingsplan is de aanduiding 'overige zone – groenblauwe mantel' opgenomen op de verbeelding. Zoals reeds benoemd zijn ter plaatse van deze aanduiding regels opgenomen die borgen dat de landschappelijke waarden niet zullen worden aangetast. Door de beoogde ontwikkeling te combineren met een goede landschappelijke inpassing zal de ontwikkeling zelf een positieve bijdrage leveren aan de bescherming en ontwikkeling van de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken. Lid 2. De toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid bevat een beschrijving van de aanwezige ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken.

Conform het vigerende bestemmingsplan hebben de gronden ter plaatse van het beoogde test- en innovatiecentrum de aanduiding 'dassenleefgebied'. De aanduiding 'dassenleefgebied' komt niet voort uit een

Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening

15

ecologisch onderzoek dat ter plaatse is uitgevoerd, maar het dateert uit het Streekplan 2002 van de provincie Noord-Brabant. Deze aanduiding is niet meer van toepassing. Uit de quick scan flora en fauna blijkt dat er geen sporen van dassen (loopsporen, wissels, uitwerpselen of burchten) zijn waargenomen, zie Bijlage 4. Bij de vorige bestemmingsplanherziening zijn aan de noordzijde, langs de Zandleij, een grondwal en beplantingen op grotere afstand van de beek aangelegd en is daarlangs een ecologische verbindingszone aangelegd voor onder andere de das. Bij de vorige herziening van het bestemmingsplan is het hele bedrijf tevens ruimschoots landschappelijk ingepast en afgeschermd van de omgeving. Door het nieuw te bouwen test- en innovatiecentrum te combineren met de aanleg van kruidenrijk grasland met landschapsbomen zal de afscherming van het bedrijf (en het centrum) naar de omgeving behouden blijven. Bestaand agrarisch-technisch hulpbedrijf/ agrarisch-verwant bedrijf in landelijk gebied (artikel 3.60) Artikel 3.60 bevat de voorwaarden voor de ontwikkeling van een bestaand agrarisch-verwant bedrijf in landelijk gebied.

Er is aan de gestelde voorwaarden getoetst: Artikel 3.60 bestaand agrarisch-technisch hulpbedrijf / agrarisch-verwant bedrijf in landelijk gebied Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied bevat regels voor een bestaand agrarisch-technisch hulpbedrijf of een bestaand agrarisch-verwant bedrijf die: a. de bestaande planologische gebruiksactiviteit vastleggen; Bij het opstellen van het bestemmingsplan zal het planologische gebruik van het test- en innovaticentrum behorende bij het bestaande agrarische verwant bedrijf worden vastgelegd in de vorm van het bestemmingsvlak- en bouwvlak 'Bedrijf' met de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – agrarisch verwant bedrijf'. b. bepalen dat de omvang ten hoogste 1,5 hectare bedraagt; Het bestemmingsvlak van het agrarisch verwante bedrijf heeft in de bestaande situatie reeds een omvang van 1,5 hectare. De totale oppervlakte van het bestemmingsvlak zal wijzigen van 85.207 m² naar 89.099 m². De totale oppervlakte van het bouwvlak zal wijzigen van 16.195 m² naar 17.738 m². Indien een bestaand bedrijf reeds een omvang van 1,5 hectare heeft kan een plan voorzien in een redelijke uitbreiding als dat in de omgeving past gelet op de navolgende aspecten: 1.

een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; Uit bovenstaande toetsing blijkt dat wordt voldaan aan de artikelen 3.6 t/m 3.9 voor wat betreft de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies. Uit de toetsing onder lid d van dit artikel blijkt dat de beoogde ontwikkeling passend is in de omgeving. 2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; In hoofdstuk 3, 4 en 5 is de beoogde ontwikkeling getoetst aan overige aspecten. Hieruit blijkt dat de beoogde ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de mobiliteit, de agrarische ontwikkeling en de leefbaarheid. Ook zal de beoogde ontwikkeling niet leiden tot leegstand elders. De bestaande bedrijfslocatie van het bestaande test- en innovatiecentrum zal verhuurd kunnen worden aan een ander bedrijf. 3. hoe de uitbreiding bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied. In de beoogde situatie is geen sprake van overtollig en leegstaand vastgoed. De omgevingskwalietit zal versterkt worden door de beoogde ontwikkeling te combineren met een goede landschappelijke inpassing. Er wordt derhalve aan een redelijke uitbreiding van het bestaande bestemmingsvlak voldaan. c.

een toename van de gebruiksoppervlakte voor mestbewerking uitsluiten; Er vindt geen toename van de gebruiksoppervlakte voor mestbewerking plaats. Het beoogde test- en innovatiecentrum is enkel bedoeld voor het ontwikkelen en onderzoeken van speciale meststoffen, voor een verdiepingsslag op de compost.

Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening

16

d. kunnen voorzien in een redelijke uitbreiding, als dat past binnen de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: 1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; Er is sprake van een bestaand bedrijf, waarbij een test- en innovatiecentrum van circa 600 m² zal worden gerealiseerd. De geringe toename van de grote bedrijfslocatie past in de omgeving. In de omgeving zijn tevens verschillende functies gelegen, zoals sport-, bedrijfs-, woonfuncties en agrarische functies. Het uitbreiden van een (agrarische verwante) bedrijfsfunctie is passend binnen het landelijk gebied. 2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; De effecten die beoogde ontwikkeling heeft op milieuhygiënische en planologische aspecten zijn uitgebreid uiteengezet in hoofdstuk 4 van deze toelichting. Hieruit blijkt dat met het beoogde initiatief geen negatieve effecten op deze aspecten te verwachten zijn. 3. hoe de uitbreiding bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied.

Alle bestaande en de beoogde bebouwing zal in de beoogde situatie in gebruik worden genomen ten behoeve van reeds gevestigde bedrijf aan de Biezenmortelsestraat 57 te Biezenmortel. Er is geen sprake van overtollige bebouwing. Daarnaast heeft clustering van de maatschappen op de locatie aan de Biezenmortelsestraat hoge prioriteit. Indien de mogelijkheid er niet is kan overwogen worden om de bedrijfsonderdelen op een andere locatie te clusteren. Er is dan elders een ruimte van circa 85.207 m² nodig voor een nieuwe bedrijfslocatie. Tevens zal de bestaande locatie aan de Biezenmortelsestraat leeg komen te staan. Dit zal de omgevingskwaliteit aantasten. Derhalve is het wenselijk het testcentrum bij de bestaande bedrijfslocatie te realiseren. Het combineren van de beoogde ontwikkeling met een goede landschappelijke inpassing draagt tevens bij aan het versterken van de omgevingskwaliteit. Conclusie Gelet op bovenstaande voldoet de ontwikkeling aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

2.3 Gemeente 2.3.1 Omgevingsvisie Tilburg 2040 Op 21 september 2015 heeft de Raad de Omgevingsvisie Tilburg 2040 vastgesteld. De Omgevingsvisie richt zich op Tilburg als vitale, duurzame stad in een moderne netwerksamenleving. De ontwikkelingen in de economie, de maatschappij en de leefomgeving gaan niet ten koste van elkaar, maar sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. People, planet en profit zijn in balans. People: Het is prettig wonen en werken in Tilburg, een stad met veel verschillende woonbuurten en verschillende soorten werklocaties. De woonmilieus passen bij de leefstijl van de mensen. Planet: We gaan voor een gezonde en leefbare stad, anticiperen op de effecten van klimaatverandering, zoals hitte, droogte en hogere temperaturen. In het economisch systeem wordt herbruikbaarheid van producten en grondstoffen steeds belangrijker. Verder krijgen groen en water een steeds prominentere rol in de stad. De grote natuurgebieden om de stad zijn met elkaar verbonden. Dat versterkt het ecologisch systeem en de veerkracht van de natuur. Profit: Om ook in de toekomst sterk genoeg te zijn, wil Tilburg de kracht van BrabantStad benutten. Tilburg is een stad die mensen kansen biedt: op aangenaam werk en op een fijne woon- en leefomgeving.

Om antwoord te geven op de vraag hoe we dit gewenste toekomstbeeld samen met burgers en partners in de stad voor elkaar kunnen krijgen volgt de Omgevingsvisie Tilburg 2040 een strategie met drie sporen: <0000> de Brabantstrategie <0000> de Regiostrategie <0000> de Stadsstrategie. Brabantstrategie: Tilburg kiest voor de kracht van stedelijke samenwerking

Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening

17

Samen met de andere Brabantse steden wil Tilburg de kracht van het stedelijk netwerk BrabantStad versterken. Om de benodigde schaalsprong naar een stedelijk netwerk te kunnen maken, moet Tilburg aantrekkelijk bereikbaar en concurrerend zijn. Aantrekkelijk: Tilburg wil een aantrekkelijke stad zijn waar mensen graag wonen en werken, en waar het voor bedrijven interessant is om zich te vestigen. Niet alleen moet het aanbod van voorzieningen in de stad zelf aansprekend en hoogwaardig zijn, ook de groene omgeving en religieus en historisch erfgoed zijn belangrijke factoren. Bereikbaar: goede verbindingen (weg, water, rail én digitaal) met de andere Brabantse steden zijn essentieel voor een sterk stedelijk netwerk. Concurrerend: En duurzame concurrentiekracht kent in Tilburg twee belangrijke pijlers, namelijk kennis & creativiteit en smart industries. Concreet richt de Brabantstrategie zich op vier stedelijke knooppunten en drie stadsregionale parken.

De vier stedelijke knooppunten: <0000> Binnenstad van de 21e eeuw <0000> Tilburg University Campus: kennisontwikkeling en -toepassing <0000> Modern Industrieel Cluster Vossenberg-Loven <0000> Modern Industrieel Cluster Midden-Brabant De drie stadsregionale parken zijn: <0000> Stadsregionaal park Moerenburg - Koningshoeven <0000> Stadsregionaal park Stadsbos013 <0000> Stadsregionaal park Noord De regiostrategie: de kracht van Tilburg als centrumstad Bij de regiostrategie draait het om Tilburg in haar rol als centrumstad; Tilburg als belangrijke spil in de regio Hart van Brabant. Een goed bereikbare stad, waar bewoners uit de gehele omliggende regio graag komen voor werk, hoogwaardige medische zorg, uitstekend onderwijs, een compleet aanbod van winkels en spannende cultuur. Waar bedrijven hun ambities optimaal kunnen ontplooien. En waar het uitstekend (meerdaags) recreëren is. Een sterke stad kan niet zonder een sterke regio; omgekeerd geldt dat een sterke regio niet zonder een sterke stad kan. De regiostrategie richt zich op drie stedelijke knooppunten en twee regionale ecologische verbindingszones ten westen en oosten van de stad.

De drie stedelijke knooppunten zijn: <0000> Bedrijvenpark Zuid <0000> Zorgcluster Leijpark <0000> Duurzaam energielandschap Noord De twee ecologische verbindingszones: <0000> Aan de oostzijde bestaat de verbinding uit ecologische stapstenen in het bestaande landschap en agrarisch productiegebied. <0000> Aan de westzijde van de stad bestaat de verbinding uit een fijnmazig netwerk van ecologische verbindingszones langs wegen en waterlopen. De stadsstrategie: leefbaarheid met oog voor de menselijke maat De stadsstrategie richt zich op het realiseren van prettig leefbare wijken, dorpen en buitengebied. Hoofdpunten van de stadsstrategie zijn: <0000> Ruimte voor zelf- en samenredzaamheid in wijken en buurten <0000> Basis op orde: wijken zijn schoon, heel en veilig <0000> Vitale wijkeconomie: dynamiek en ondernemerschap in de wijk <0000> Brandpunten in wijken zorgen voor dynamiek, ontmoeting en sociale binding. <0000> Differentiatie in woonmilieus: aansluiten bij de leefstijlen van bewoners <0000> Cultureel erfgoed: het verhaal van Tilburg centraal <0000> Groen en water in de stad: toegankelijk en zichtbaar <0000> Goede bereikbaarheid van wijken en buurten borgen <0000> Betere verbinding stad en buitengebied: groene inprikkers <0000> Economische vitaliteit van het landschap behouden en versterken

Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening

18

Functie van de Omgevingsvisie De Omgevingsvisie Tilburg 2040 is een koers- en inspiratiedocument. Het is een kompas voor investeringen in het fysieke domein. Een uitnodiging aan de stad om samen te werken aan de ontwikkeling van een stad waar het fijn wonen, werken, leven en recreëren is. De visie biedt burgers en bedrijven ruimte om initiatief te ontplooien en reikt de gemeente handvatten aan om haar strategie af te stemmen op het geschetste toekomstperspectief. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 geeft ook richting aan de inzet van de gemeente; in welke onderdelen de gemeente haar geld, tijd en bestuurskracht investeert. En welke prioriteiten daarbij gelden. Het plangebied is gelegen in een agrarisch gebied, zie Afbeelding 6. In het kader van de stadsstrategie dient de economische vitaliteit van het landschap in het buitengebied zoveel mogelijk behouden te blijven en waar mogelijk versterkt te worden. Hiervoor wordt ruimte geboden aan initiatieven die zorgen voor een menging van functies, om zo verrommeling en versnippering te voorkomen. Daarbij is er ruimte voor bedrijfsontwikkeling, indien dit past binnen de provinciale regels. Het initiatief ziet op de uitbreiding van een bestaande agrarisch verwante bedrijfsmatige functie in het buitengebied om zo een efficiënte bedrijfsvoering te kunnen bewerkstelligen.

Het gaat om een ontwikkeling met beperkte invloed op de omgeving, omdat de locatie in de huidige situatie al zorgvuldig landschappelijk is ingepast in de omgeving. Deze bestaande landschappelijke inpassing zal in de beoogde situatie nog versterkt en uitgebreid worden. Dat het plan passend is binnen de provinciale regels blijkt uit paragraaf 3.2 van deze toelichting. Hierdoor is het initiatief passend in de people-planet-profit visie van de gemeente Tilburg.

Afbeelding 6: Uitsnede kaart Omgevingsvisie Tilburg 2040 (plangebied wit omcirkeld)

Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening

19

Hoofdstuk 3 Thematische beleidskaders 3.1 Inleiding In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema´s. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van deze kaders. Aan de onderwerpen Milieu en Water zijn aparte hoofdstukken gewijd.

3.2 Stedenbouwkundige aspecten en welstand 3.2.1 Welstand Bouwplannen moeten worden getoetst aan ´redelijke eisen van welstand´, zo zegt de Woningwet. Naast het bestemmingsplan is het welstandsbeleid een middel om de ruimtelijke kwaliteit van de publieke omgeving te waarborgen bij de vele bouwplannen die in de stad worden gerealiseerd. Sinds 1 juli 2004 moet iedere gemeente de gehanteerde welstandscriteria vastleggen in een Welstandsnota, die door de raad moet worden vastgesteld. In Tilburg is dat in juni 2004 gebeurd. Nadien is de nota meerdere keren geactualiseerd (2010 en 2012). De afgelopen jaren heeft zich aantal ontwikkelingen voorgedaan waardoor actualisatie van het uitwerkingsdeel van de Welstandsnota noodzakelijk is. Zo zijn de Omgevingsvisie Tilburg 2040 en de structuurvisie Linten in de Oude Stad vastgesteld en zijn er verschillende nieuwe woonwijken gereed gekomen. De nota van 2012 is in navolging daarop aangevuld en bijgewerkt. Voor het overige zijn de kaarten samengevoegd, geactualiseerd en afgestemd op het kaartbeeld van de Omgevingsvisie. Op die manier beschikt de Omgevingscommissie over een actueel toetsingskader voor de beoordeling van (bouw)plannen. Architectuur, stedenbouw, cultuurhistorie en landschap zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Onder het motto van de welstandsnota 'aandacht waar dat moet, vrijheid waar dat kan' streeft het stadsbestuur ernaar om op de plekken die er toe doen in te zetten op een hoge ruimtelijke kwaliteit. Op 15 november 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders ingestemd met de actualisatie van de Welstandsnota 2012. De geactualiseerde nota is op 1 januari 2017 in werking getreden.

3.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde bedrijfsopzet moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden. 3.3.1 Archeologie De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d. In het bestemmingsplan 'Herziening Biezenmortelsestraat 57, Biezenmortel' is geen dubbelbestemming omtrent archeologie binnen het plangebied opgenomen. De kans op aanwezigheid van archeologische waarden wordt dus zeer gering geacht. Tevens worden mogelijk aanwezige archeologische waarden in situ behouden doordat de gronden ter plaatse van de uitbreiding slechts tot funderingsdiepte worden afgegraven in de bovenste grondlaag. In de bovenste grondlaag zijn het aantreffen van archeologische waarden nihil. Daarom is een nader archeologisch onderzoek niet noodzakelijk.

3.3.2 Cultuurhistorie, objecten en structuren, historisch groen Uit de cultuurhistoriekaart van de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat het plangebied in gebied ligt met aardkundige of cultuurhistorische waarden, zie Afbeelding 7. De locatie kent geen complexen van cultuurhistorisch belang. Uit onderstaande omschrijving blijkt dat bij uitvoering van het plan geen afbreuk wordt gedaan aan cultuurhistorische waarden of aardkundig waardevol gebied.

Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening

20

Afbeelding 7: Kaart aardkundige en/of cultuurhistorische waarden Iov (paragraaf 3.2.4), locatie met een roze aanduiding aangegeven

De CHW bevat de meest recente erfgoedinformatie van het Rijk inclusief archeologische en bouwkundige monumenten, archeologische verwachtingswaarden en beschermde stads- en dorpsgezichten. Ook alle informatie die op de CHW 2006 te vinden was is opgenomen op de nieuwe CHW. Uit Afbeelding 8 blijkt dat omtrent cultuurhistorische waarden het plangebied is gelegen ter plaatse van de regio 'Meierij', het cultuurhistorische vlak 'Broekgronden De Brand' en het cultuurhistorische landschap 'Loonse en Drunense Duinen'. Deze gebieden verdienen specifieke aandacht vanwege de onvervangbaarheid van bepaalde aanwezige waarden. De Brand is een van de laatste grootschalige restanten van het vroegere Brabantse broeklandschap, gelegen in het oude beekdal van de Zandleij. Kenmerken van het broeklandschap zijn: <0000> Overwegend bos met broekbossoorten zoals wilg, els berk, en hier en daar een open weideperceel. Lange rechte wegen doorkruisen het gebied in noordzuid-richting (onder andere de Schotsche Steeg en de Brandsche Steeg). <0000> De perceelstructuur is smal en diep, er is nagenoeg geen bebouwing. <0000> Waterlopen doorkruisen het broekbos (onder andere de Zandleij, Zandkantse Leij, De Leij, Roomley). De kenmerken van het Broeklandschap worden met de beoogde ontwikkeling niet aangetast. Het combineren van het test- en innovatiecentrum met de aanleg van bomen tast de omgeving niet aan.

Het cultuurhistorische landschap 'Loonse en Drunense Duinen' betreft een beschermingszone van de Loonse en Drunense Duinen. De Loonse en Drunense Duinen zijn Brabants grootste stuifzandgebied. Het belangrijkste doel van de beschermingszone is het stuifzandgebied te behouden. De Loonse en Drunense Duinen hebben nogal te lijden onder verzuring. Dat de beoogde ontwikkeling niet bijdraagt aan negatieve effecten op het Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen blijkt uit paragraaf 4.9.2 van deze toelichting. Tot slot is binnen de 'Meierij' de indeling in agrarische gebruikseenheden (akkers, graslanden en woeste gronden) op veel plaatsen nog goed herkenbaar. In combinatie met de dorpen en buurtschappen en de plaatselijk aanwezige kleinschaligheid verleent dit het gebied een grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Twee andere aspecten die het landschap van de Meierij kenmerken zijn de landgoederen en

Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening

21

buitenplaatsen en de populierenteelt. De beoogde ontwikkeling zal maar een beperkt ruimtelijke effect hebben ten opzichte van de bestaande situatie. Daarnaast zal de kleinschaligheid geborgd blijven door de aanvullende landschappelijke inpassing. Overige bestaande waarden van de regio 'Meierij' zullen niet worden aangetast met de beoogde ontwikkeling. De waarden en kenmerken van de cultuurhistorische waarden van het plangebied zullen derhalve niet worden aangetast. Daarnaast wordt het initiatief gecombineerd met een landschappelijke inpassing die past bij de regionale kenmerken en waarden.

Afbeelding 8: Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart (CHW), Cultuurhistorische waarden, plangebied zwart omcirkeld

3.3.4 Conclusie De beoogde ontwikkeling zal de bestaande archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden niet aantasten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10893944/1