06 Bijlage 3 Milieueffectrapport
Tekst van het document
In het kader van het waarborgen van een acceptabel woon- en leefklimaat dient wel aandacht te worden besteed aan de geluidbelasting van de toekomstige bedrijven op Wijkevoort. Bij een aantal woningen is de geluidbelasting vanwege industrielawaai hoger dan 50 dB(A) etmaalwaarde ten gevolge van het gehele terrein Wijkevoort. In de bestemmingsplanprocedure dient hier aandacht aan te worden geschonken, teneinde een acceptabel woon- een leefklimaat te kunnen waarborgen. Zo kunnen er voor deze woningen gevelmaatregelen genomen worden om de geluidsbelasting op gebouwniveau te beperken.
56 (133)
4.3.2
Luchtkwaliteit
Referentiesituatie Wettelijke kaders De regelgeving met betrekking tot de luchtkwaliteit van de buitenlucht is opgenomen in de Wet milieubeheer (Wm) en de bijbehorende algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen. Dit wettelijk stelsel wordt ook wel de ‘Wet luchtkwaliteit’ genoemd. In deze wet zijn de EU-richtlijnen met betrekking tot de luchtkwaliteit geïmplementeerd. Daarin is gesteld dat het bevoegd bezag bij besluitvorming over ruimtelijke en infrastructurele projecten positief mag besluiten indien het project niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden (zie Tabel 4.18), het project niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit, het project ‘niet in betekenende mate (NIBM)’ bijdraagt aan de luchtkwaliteit of het project onderdeel is van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Tabel 4.18 – Grenswaarden stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5)
In het luchtkwaliteitsonderzoek zijn concentratieberekeningen uitgevoerd voor de luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). De concentraties PM10 en PM2.5 zijn sterk gerelateerd. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat als aan de maatgevende grenswaarden voor PM10 wordt voldaan ook aan de grenswaarde van PM2,5 wordt voldaan. De conclusies ten aanzien van PM10 in dit onderzoek zijn dan ook van toepassing op PM2,5. In dit onderzoek zijn daarom geen berekeningen voor PM2,5 uitgevoerd. Voor de overige stoffen waarvoor in de Wet milieubeheer grenswaarden zijn opgenomen9 zijn in de laatste jaren in Nederland nergens normoverschrijdingen opgetreden en vertonen de concentraties een dalende trend. Het is daarmee redelijkerwijs aannemelijk dat ten gevolge van dit project de grenswaarden voor andere stoffen dan stikstofdioxide en fijn stof niet worden overschreden. Deze overige stoffen zijn daarom niet verder onderzocht. Referentiesituatie Uit het uitgevoerde luchtkwaliteitsonderzoek [44] blijkt dat in de referentiesituatie wordt voldaan aan de normen uit de Wet milieubeheer en dat het aantal overschrijdingen van de grenswaarde 24-uurgemiddelde concentratie PM10 zelfs wat lager is bij een autonome ontwikkeling naar 2030 dan in de huidige situatie (zie Tabel 4.19).
Dit komt doordat in de rekenmodellen wordt uitgegaan van het autonoom schoner worden van het verkeer.
9
zwaveldioxide, koolmonoxide, benzeen, lood, ozon, arseen, cadmium, nikkel, benzo(a)pyreen en stikstofoxiden.
57 (133)
Tabel 4.19 – Maximale concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) in de referentiesituatie
Grenswaarde / huidig / autonoom
Jaargemiddelde concentratie NO2 (µg/m3)
Aantal
Aantal
overschrijdingen
overschrijdingen
grenswaarde uurgemiddelde concentratie
Jaargemiddelde concentratie PM10 (µg/m3)
NO2 (uren)
grenswaarde 24uurgemiddelde concentratie PM10 (dagen)
Grenswaarde
40
18
40
35
Huidige situatie 2018
39
2
22
10
Autonome ontwikkeling 2030
23
0
18
7
Effectbeschrijving en -beoordeling De voornaamste bronnen van luchtverontreinigende stoffen ten gevolge van de planontwikkeling zijn de emissies van het wegverkeer van en naar het plangebied en de bedrijfsgebonden industriële emissies. Voor alle varianten geldt dat 80 hectare uitgeefbaar bedrijventerrein wordt gerealiseerd. Voor milieucategorie 4 is de emissie NOx 1.031 kg/ha/jaar en de emissie PM10 280 kg/ha/jaar. Voor milieucategorie 3 is de emissie NOx 131 kg/ha/jaar en de emissie PM10 19 kg/ha/jaar. In het alternatief ‘Wijkevoort compact’ wordt het bedrijventerrein volledig ten zuiden van de Hultensche Leij ontwikkeld. Onderstaand is per VNG-milieucategorie10 aangegeven hoeveel vierkante meters terrein kan worden uitgegeven: Categorie 3.1: 47 m2 Categorie 3.2: 24.486 m2 Categorie 4.1: 128.871 m2 Categorie 4.2: 646.546 m2 In het alternatief ‘Wijkevoort verspreid’ maakt het bedrijventerrein een sprong over de Hultensche Leij. Onderstaand is per VNG-milieucategorie aangegeven hoeveel terrein kan worden uitgegeven: Categorie 3.1: 373 m2 Categorie 3.2: 44.078 m2 Categorie 4.1: 164.303 m2 Categorie 4.2: 594.947 m2
10
VNG (2009) Bedrijven en milieuzonering. Handreiking voor maatwerk in de gemeentelijke ruimtelijke ordeningspraktijk
58 (133)
Figuur 4.17 – Alternatieven Wijkevoort Compact (links) en Wijkevoort Verspreid (verspreid)
In dit luchtkwaliteitsonderzoek zijn daarnaast alle wegen meegenomen in en direct rondom het plangebied waarover het verkeer van en naar de bedrijven wordt afgewikkeld en waarop sprake is van een toename van de verkeersintensiteit als gevolg van het voorgenomen plan. In Tabel 4.20 zijn voor de verschillende varianten de maximale projectbijdragen samengevat voor de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Dit zijn de concentratieverschillen ten opzichte van de autonome ontwikkeling. Tabel 4.20 – Maximale projectbijdrage stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) ten opzichte van de referentiesituatie
Uit deze tabel blijkt dat er voor alle varianten en alternatieven negatieve effecten zijn. De maximale concentratiebijdragen zijn berekend langs de rand van het plangebied. Vanaf een afstand van 250m van de rand van het plangebied zijn de concentratiebijdragen aanzienlijk kleiner.
59 (133)
Voor NO2 worden de verschillende waarden van de alternatieven voornamelijk veroorzaakt door de verschillende verdeling van de industriële emissies binnen het plangebied. Bij het alternatief ‘Wijkevoort verspreid’ worden de industriële emissies over een groter gebied verspreid, wat voor lagere concentratiebijdragen zorgt dan bij het alternatief ‘Wijkevoort compact’. Voor fijn stof zijn de effecten klein en nauwelijks onderscheidend. De variant 100L0I heeft een hogere concentratiebijdrage dan de varianten 80L20I en 20L80I. De variant 0L100I heeft een lagere concentratiebijdrage dan de andere varianten. Dit komt doordat de varianten met meer logistiek een grotere verkeersaantrekkende werking hebben dan de industriële varianten. Op basis van deze berekeningen is een effectscore bepaald, waarbij een projectbijdrage van meer dan de NIBM-norm (1,2 µg/m3) negatief is aangemerkt. Gelet hierop geldt voor alle varianten en alternatieven een effectscore ‘–‘ voor NO2 en eveneens een effectscore ‘–‘ voor PM10. De criteria voor de effectbeoordeling van de luchtkwaliteit omvat vier categorieën. Tabel 4.21 – Algemene criteria voor de beoordeling van de luchtkwaliteit
Er is vervolgens gekeken of de grenswaarden voor NO2 en PM10 worden overschreden. In de huidige situatie 2018 liggen de maximale concentraties NO2 net onder de grenswaarde. Voor PM10 liggen de maximale concentraties in de huidige situatie ruim onder de grenswaarde. In 2030 liggen de maximale concentraties NO2 en PM10 voor alle onderzochte varianten eveneens ruim onder de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Aangezien de grenswaarden niet worden overschreden, worden ook geen omwonenden blootgesteld aan concentraties hoger dan de grenswaarden. De maximale concentraties is bij een autonome ontwikkeling in 2019 hoger dan in 2030. Dit komt doordat de achtergrondconcentraties, concentratiebijdragen van bronnen niet gebonden aan het project, dalen. Dit komt onder andere doordat het wegverkeer in de toekomst minder vervuilend is. Het plan voldoet aan de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer. Voor het aspect luchtkwaliteit is daarmee geen wettelijke belemmering om de verschillende varianten tot uitvoering te brengen.
60 (133)
Tabel 4.22 – Maximale projectbijdrage stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) per alternatief/variant achtergrondconcentraties incl. projectbijdrage
Jaargemiddelde Alternatief/variant
concentratie NO2 (µg/m3)
Aantal
Aantal
overschrijdingen
overschrijdingen
grenswaarde uurgemiddelde concentratie
Jaargemiddelde concentratie PM10 (µg/m3)
NO2 (uren)
grenswaarde 24uurgemiddelde concentratie PM10 (dagen)
Grenswaarde
40
18
40
35
Huidige situatie 2018
39
2
22
10
Autonome ontwikkeling 2030
23
0
18
7
Variant compact 20L80I 2030
25
0
18
7
Variant compact 80L20I 2030
25
0
18
7
Variant compact 0L100I 2030
24
0
18
7
Variant compact 100L0I 2030
25
0
18
7
Variant verspreid 20L80I 2030
24
0
18
7
Variant verspreid 80L20I 2030
24
0
18
7
Variant verspreid 0L100I 2030
24
0
18
7
Variant verspreid 100L0I 2030
24
0
18
7
Uit de effectbeoordeling voor het aspect luchtkwaliteit blijkt dat beide alternatieven (verspreid en compact) negatieve effecten hebben op de lokale luchtkwaliteit. Bij beide alternatieven hebben de varianten met 80% of 100% logistiek het grootste effect. Van de 8 varianten heeft de variant compact met 0% industrie en 100% logistiek het grootste negatieve effect op de luchtkwaliteit. Voor alle beschouwde situaties geldt dat de grenswaarden voor NO2 en PM10 niet worden overschreden. Hiermee voldoet het plan aan de luchtkwaliteitseisen uit Wet milieubeheer. Voor het aspect luchtkwaliteit is daarmee geen wettelijke belemmering om de verschillende varianten tot uitvoering te brengen. Omwille hiervan worden alle onderzochte varianten beoordeeld als beperkt negatief (0/-). Criterium
Varianten
Verandering in de luchtconcentraties PM10, PM2,5 en stikstofdioxide NO2.
Variant 80L20I Variant 100L0I Variant 20L80I Variant 0L100I Variant 30 ha
Wijkevoort compact 0/0/0/0/0/-
Wijkevoort verspreid 0/0/0/0/0/-
Mitigerende maatregelen Omdat de wettelijke normen niet worden overschreden, is het toepassen van mitigerende maatregelen niet aan de orde.
61 (133)
4.3.3
Externe veiligheid
Referentiesituatie Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid van diegenen die zelf niet bij risicovolle activiteiten zijn betrokken maar die als gevolg van die activiteit wel risico’s kunnen lopen, zoals omwonenden. Het begrip risico wordt in beeld gebracht met twee begrippen: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) is het risico op een plaats (buiten de inrichting of langs een transportroute of buisleiding), uitgedrukt in de kans per jaar, dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval waarbij een gevaarlijke (afval)stof betrokken is. Bij het beoordelen van gevaarlijke locaties gaat het Rijk uit van een basisnorm: het risico om te overlijden aan een ongeluk met een gevaarlijke stof mag voor omwonenden niet hoger zijn dan één op de miljoen per jaar. Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een groep van tenminste 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van aanwezigheid in het invloedsgebied (van een inrichting of langs een transportroute) en er zich een ongewoon voorval voordoet (binnen die inrichting of langs die transportroute) waarbij een gevaarlijke (afval)stof betrokken is.
Het GR houdt dus ook rekening met de aard en dichtheid van de bebouwing in de nabijheid van een risicobron en wordt in een grafiek weergegeven.
Figuur 4.18 - Plangebied met buffer van 1000 meter en risicobronnen
Om een beeld te krijgen van de externe veiligheidssituatie in de referentiesituatie van het plangebied van Wijkevoort en binnen een straal van 1 km, is een risico-inventarisatie uitgevoerd [42]. Hieruit blijkt de aanwezigheid van een aantal relevante risicobronnen:
62 (133)
-
de A58 is een transportroute voor gevaarlijke stoffen over de weg, opgenomen in de Regeling Basisnet weg. Het plangebied ligt buiten de PR 10-6-contour van de weg en vormt daarmee geen belemmering. Wel ligt het plangebied voor een klein deel binnen het plasbrandaandachtsgebied (PAG). De bebouwingsvlakken liggen buiten het PAG. Het invloedsgebied van stofcategorie GF3 van het groepsrisico bedraagt 355 meter. Het plangebied ligt dus binnen het invloedsgebied van de A58.
-
Op ongeveer 1728 meter ten noorden van het plangebied ligt de intercity spoorlijn Tilburg – Breda waarover ook gevaarlijke stoffen worden vervoerd, onder andere stofcategorie D4. Het invloedsgebied van deze stofcategorie is meer dan 4000 meter, waardoor het plangebied binnen dit invloedsgebied ligt. Een beperkte verantwoording van het groepsrisico is hierdoor noodzakelijk, maar berekeningen zijn niet nodig aangezien het plangebied op meer dan 200 meter afstand van de spoorlijn ligt.
-
Het westelijk deel van het plangebied ligt op circa 40 meter van het defensieterrein van vliegbasis Gilze-Rijen waar onder andere een munitie-opslag is gesitueerd. Het plangebied ligt deels binnen het invloedsgebied van deze opslag, in de C-zone. In deze zone gelden beperkingen voor gebouwen met vlies- of gordijngevelconstructies en gebouwen met zeer grote glasoppervlakten waarin zich regelmatig mensen bevinden. Bij de verdere invulling van het plangebied dient hier rekening mee worden gehouden.
-
Binnen het plangebied liggen drie risicovolle inrichtingen, namelijk twee propaantanks van 3 m3 en een gasdrukregel- en meetstation (Vosheining 2, Tilburg).Voor de propaantanks geldt een afstandsnorm tot (beperkt) kwetsbare gebouwen van 10 – 20 meter, afhankelijk van het aantal keren bevoorrading per jaar). Voor het gasdrukregelen meetstation geldt een afstandsnorm van 25 meter tot kwetsbare objecten en 4 meter tot beperkt kwetsbare objecten. De in het plangebied aanwezige propaantanks worden verwijderd.
Binnen een straal van 1000 meter van het plangebied liggen nog verschillende andere risicovolle objecten: - Ten zuidwesten op Klein Zwitserland 8 te Gilze ligt een Van der Valk Hotel met chloorbleekloog. Dit is gelegen op circa 595 meter afstand van het plangebied. De grootste gevaarafstand van chloorbleekloog is volgens Richtafstandenlijst 1 van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) 30 meter. Dit betekent dat de inrichting geen invloed heeft op het plangebied. -
Ten zuidwesten op Broekakkerweg 6 te Gilze ligt een gasdrukregel- en meetstation van Enexis op 824 meter afstand van het plangebied. Het invloedsgebied van een gasdrukregel- en meetstation is kleiner dan 30 meter. Dit blijkt uit Richtafstandenlijst 1 van de VNG. Uit de richtafstand van 30 meter kan geconcludeerd worden dat het gasdrukregel- en meetstation geen invloed heeft op het plangebied.
-
Ten zuiden van het plangebied ligt op de Tilburgsebaan 6 te Gilze een Total Selfservicestation met LPG. Dit LPG-tankstation ligt op een afstand van circa 967 meter vanaf het plangebied. Volgens de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) is het invloedsgebied van een LPG-tankstation standaard 150 meter. Het LPGtankstation van Total heeft dus geen invloed op het plangebied.
-
Op 438 resp. 674 meter ten oosten van het plangebied liggen twee propaantanks met een invloedsgebied van 150 meter. De afstand van deze propaantanks tot het
63 (133)
plangebied is groter dan de afstand van het invloedsgebied van propaantanks. De tanks hebben dus geen invloed op het plangebied en nader onderzoek is niet noodzakelijk. -
In en om het plangebied liggen verschillende buisleidingen: o Drie aardgasleidingen van de Gasunie lopen door het plangebied heen en komen samen in het gasdrukstation op de locatie Vosheining 2. Hiervoor moeten risicoberekeningen worden uitgevoerd met behulp van CAROLA; o Op 450 meter ten westen van het plangebied ligt een vierde gasleiding van de Gasunie; Het invloedsgebied van deze leiding met een diameter van 114,3 mm en druk van 40 bar is 45 meter en is hierdoor niet relevant. o Op 400m van het plangebied ligt een kerosine- en dieselleiding van de Defensie pijpleiding Organisatie (DPO). Deze is niet relevant omdat het plangebied buiten het invloedsgebied van deze leiding ligt.
Effectbeschrijving en -beoordeling Gelet op de uitkomsten van de risico-inventarisatie die hierboven zijn weergegeven, zijn er risicoberekeningen uitgevoerd voor de A58 en de drie hogedrukaardgasleidingen. Hieruit blijkt het volgende. Plaatsgebonden risico. - De PR10-6-contour van de A58 ligt niet over het plangebied heen. - Leiding 5276_leiding-A-531-deel-1 heeft op een aantal locaties een PR10-6-contour. Hiermee dient rekening te worden gehouden bij de invulling van het plangebied. - Voor de propaantanks geldt dat een afstand van 10 tot 20 meter moet worden aangehouden (afhankelijk van het aantal malen per jaar dat bevoorraad wordt). Voor één van de propaantanks geldt dat deze binnen een bebouwingsvlak ligt bij de 80 ha varianten. Voor de andere geldt dat de bebouwingsvlakken op meer dan 20 meter afstand liggen. - Voor het gasdrukregel- en meetstation geldt een afstand van 25 meter tot kwetsbare objecten en 4 meter tot beperkt kwetsbare objecten . Hiermee dient rekening te worden gehouden bij de verdere invulling van het plangebied. Daarnaast geldt ook de gewenste ontwikkeling dat er in het bestemmingsplan opgenomen moet worden dat de PR-10-6 contour niet buiten de nieuwe inrichting mag komen.
Groepsrisico Het groepsrisico ligt voor leiding 6449_leiding-A-531-deel-1 boven 0,1 maal de oriëntatiewaarde, maar neemt bij geen van de alternatieven toe ten opzichte van de referentiesituatie. Tabel 4.23 – Maximale waarde ten opzichte van oriëntatiewaarde: buisleidingen en A58
64 (133)
De maximale waarde ten opzichte van de oriëntatiewaarde is voor buisleidingen 6449_leiding-Z528-01-deel-1 en 6449_leiding-Z528-03-deel-1 groter binnen ‘Wijkevoort compact’ dan binnen ‘Wijkevoort verspreid’. Binnen beide varianten is het uitgangspunt dat er 80 personen per hectare aanwezig zijn. Totaal zijn er dus 6400 personen aanwezig. Echter, in alternatief ‘Wijkevoort verspreid’ worden de 6400 personen verspreid over een groter (bruto) gebied dan bij het alternatief ‘Wijkevoort compact’. De personendichtheid over het bruto plangebied ligt dan ook lager in ‘Wijkevoort verspreid’ dan in alternatief ‘Wijkevoort compact’. Derhalve is voor het alternatief ‘Wijkevoort compact’ een effectscore ‘-‘ toegekend, en geldt voor alternatief ‘Wijkevoort verspreid’ met bijbehorende varianten een effectscore ‘0’. Plasbrandaandachtsgebied. Het plangebied ligt voor een klein gedeelte binnen het plasbrandaandachtsgebied (PAG) van de A58. De bebouwingsvlakken liggen in alle varianten en alternatieven echter buiten het PAG. Aanbevolen is om daar inderdaad buiten te blijven. Indien men er toch binnen wil bouwen, kunnen extra eisen ten aanzien van brandwerendheid worden gesteld. Criterium
Varianten
Verandering van het groepsrisico en plaatsgebonden risico
Variant 80L20I Variant 100L0I Variant 20L80I Variant 0L100I Variant 30 ha
Wijkevoort compact 0
Wijkevoort verspreid 0 0 0 0 0
Mitigerende maatregelen De beschouwde risicobronnen kunnen leiden tot ongevallen die onbeheersbaar kunnen blijken. Effectbeperkende maatregelen zoals een brandwerend scherm tussen de A58 en het plangebied kunnen de effecten van ongevallen mogelijk reduceren tot een omvang die beter beheersbaar wordt geacht door de hulpverleningsdiensten. Ondanks de reductie van het risico is er altijd sprake van een restrisico. Bij de verankering van het voorkeursalternatief in het ruimtelijk besluit dient aan de gemeente Tilburg te worden voorgelegd of zij het restrisico acceptabel vinden. Wat betreft mitigerende maatregelen kan worden gedacht aan het zo ver mogelijk plaatsen van de gebouwen ten opzichte van de risicobronnen. De gebouwen moeten sowieso buiten de PR 10-6 contouren van de aanwezige risicobronnen worden gerealiseerd. Ten behoeve van de zelfredzaamheid dient het uiteindelijke plan te voorzien in voldoende vluchtwegen. Ook is het belangrijk burgers die wonen of werken binnen het invloedsgebied te informeren over hij zij zichzelf in veiligheid kunnen brengen mocht er iets gebeuren. Er kan ook gekozen worden om de aanwezigheidsdichtheid van personen in de gebieden dichter bij de risicobronnen te verlagen en op een grotere afstand ten opzichte van de risicobronnen te verhogen. Bronmaatregelen zijn moeilijk realiseerbaar.
Onder andere omdat de gemeente weinig te zeggen heeft over deze rijksweg. Een veilige verkeerssituatie op de A58 is van belang voor het plangebied. De gevolgen van een plasbrand of een fakkelbrand kunnen worden beperkt door een brandwerend scherm tussen de A58 en het plangebied. De genoemde maatregelen kunnen de effecten van ongevallen mogelijk reduceren tot een omvang die beter beheersbaar wordt geacht door de hulpverleningsdiensten. Ondanks de reductie van het risico is er altijd sprake van een restrisico. Het is aan de gemeente om aan te geven of zij het restrisico acceptabel achten.
65 (133)
4.3.4
Geur
Referentiesituatie Binnen het plangebied en de directe omgeving zijn in de huidige situatie geen geurveroorzakende (industriële) bedrijven gesitueerd. Dit betekent dat de geursituatie ter plaatse enkel wordt bepaald door de aanwezige veehouderijen binnen en in de omgeving van het plangebied. Onderstaande figuur geeft het onderzoeksgebied van het geuronderzoek [43] weer.
Figuur 4.19 – Onderzoeksgebied geur
In de referentiesituatie zijn er binnen een straal van 2 km rondom het plangebied 10 veehouderijen met dieren met een geuremissiefactor aanwezig. In de referentiesituatie (autonome ontwikkeling ) zijn er geen wijzigingen in de omliggende veehouderijen bekend. De referentiesituatie is derhalve gelijk aan de huidige situatie. De geurbelasting en geurhinder ter hoogte van bestaande geurgevoelige objecten wijzigen niet ten opzichte van de referentiesituatie. Voor de bestaande geurgevoelige objecten is de geursituatie niet verder onderzocht want er zijn geen nieuwe geurgevoelige objecten voorzien. Effectbeschrijving en -beoordeling In het geuronderzoek [43] is onderzocht of er geurgevoelige objecten11 binnen de contouren van geldende geurnormen zijn geprojecteerd en of deze hinder kunnen ondervinden van de veehouderij. Er is ook onderzocht of het ontstaan van nieuwe objecten binnen deze contouren de omliggende veehouderijen kunnen beperken bij eventuele uitbreidingen van hun bedrijf (omgekeerde werking). 11
Een geurgevoelig object is in principe een permanente verblijfplaats, zoals een woning, waarbij het op basis van de huidige wetgeving niet eenduidig is of andere verblijfplaatsen van mensen tevens een geurgevoelig object zijn. Jurisprudentie wijst echter in een richting dat ook plaatsen waar mensen niet permanent verblijven, zoals bedrijfspanden, als geurgevoelig object kunnen/moeten worden aangemerkt.
66 (133)
Het plangebied zal in de toekomst deel uit maken van de bebouwde kom. Dit betekent dat de volgende wettelijke normen en minimumafstanden van toepassing zijn: Tabel 4.24 – Normstelling geurbelasting en minimumafstanden planontwikkeling
Op basis van de emissiegegevens uit het Bestand Veehouderij Bedrijven (Web-BVB)12 zijn in het geuronderzoek [43] de voor- en achtergrondbelasting bepaald. Op basis van de maatgevende geurbelasting zijn vervolgens het hinderpercentage en de milieukwaliteit voor het plangebied bepaald. Wet geurhinder veehouderijen- geurnormen Uit het geuronderzoek blijkt dat er in het alternatief ‘Wijkevoort verspreid’ één veehouderij is waarvan de contour van de geurnorm van 3 oue/m3 net over de rand van de alternatieven ligt. Dit is de veehouderij IDNR 32099, met adres Klein Tilburg 2. De maximale voorgrondbelasting op de rand van het plangebied bedraagt in het alternatief ‘Wijkevoort verspreid’ 4,30 oue/m3. Voor alternatief ‘Wijkevoort compact’ bedraagt de maximale voorgrondbelasting van deze veehouderij op de rand van het plangebied 3,32 oue/m3. Figuur 4.20 en Figuur 4.21 geven de geurcontour rond de veehouderij en de impact op de alternatieven weer.
Figuur 4.20 – Geurcontour voorgrondbelasting Veehouderij IDNR32099 - alternatief compact
67 (133)
Figuur 4.21 – Geurcontour voorgrondbelasting Veehouderij IDNR32099 - alternatief verspreid
Uit het geuronderzoek [43] blijkt dat er één veehouderij is, IDNR 35107, waarvan de contour van de minimum afstandsnorm (gerekend vanaf de grens van het bouwvlak), van 100 meter voor veehouderijen met afstandsdieren, over het plangebied van beide alternatieven valt. De afstandscontour is afgezet langs de randen van het bouwvlak/perceel (omgekeerde werking).
Figuur 4.22 – Geur vaste afstanden Wgv – alternatief compact (links) en alternatief verspreid (rechts)
Wet geurhinder veehouderijen- geurhinder Behalve de voorgrondbelasting van de individuele bedrijven is ook de geurcontour van alle veehouderijen gezamenlijk (maximale achtergrondbelasting) berekend. Deze bedraagt in het alternatief ‘Wijkevoort verspreid’ 4,31 oue/m3 en in het alternatief ‘Wijkevoort compact’ is deze 3,43 oue/m3.
68 (133)
Bedraagt de voorgrondbelasting minder dan de helft van de achtergrondbelasting, dan is de achtergrondbelasting bepalend voor de geurhinder. Als de voorgrondbelasting meer bedraagt dan de helft van de achtergrondbelasting dan is de voorgrondbelasting maatgevend voor de geurhinder. Dit betekent dat voor het plangebied in beide alternatieven de voorgrondbelasting maatgevend is voor de geurhindersituatie. In de handreiking Wgv is een relatie weergegeven tussen maatgevende geurbelasting en hinderpercentages. De waarde van de maximale voorgrondbelasting voor het alternatief verspreid op de rand van het plangebied komt overeen met een aantal gehinderden van 11-12 %. Voor het alternatief compact komt de maximale voorgrondbelasting overeen met een aantal gehinderden van 8-11 %. Deze hinderpercentages zijn in dit onderzoek vertaald naar een milieukwaliteit volgens onderstaande tabel (Tabel 4.25). De milieukwaliteit in het plangebied van ‘Wijkevoort verspreid’ kan gekenmerkt worden als ’redelijk goed’. Voor het plangebied van ‘Wijkevoort compact’ kan de milieukwaliteit gekenmerkt worden als ’goed’ tot ’redelijk goed’. Tabel 4.25 – Hinderpercentage en milieukwaliteit
Bedrijven en milieuzonering Op basis van de toegestane milieucategorieën in het plangebied en de richtafstanden bedrijven en milieuzonering, is het invloedsgebied milieu voor het milieuaspect geur bepaald voor zowel alternatief ‘Wijkevoort compact’ als alternatief ‘Wijkevoort verspreid’. De woningen binnen het plangebied worden gesloopt. Buiten het plangebied maar binnen het invloedsgebied voor geur zijn bij beide alternatieven geen woningen gelegen. Geitenmoratorium Binnen twee kilometer van beide plangebieden zijn twee geitenhouderijen met meer dan vijftig geiten gelegen. De dichtbij gelegen geitenhouderij ligt op ongeveer 275 meter en heeft 2.280 geiten. De andere geitenhouderij ligt op ongeveer 800 meter en heeft 3.379 geiten. De alternatievenvallen geheel binnen de zone van twee kilometer van beide geitenhouderijen. Hierdoor is er de mogelijkheid dat binnen de alternatieven gevoelige bestemmingen worden blootgesteld aan schadelijke bio-aerosolen, waardoor gezondheidseffecten kunnen optreden. Conclusie Uit het geuronderzoek blijkt dat de alternatieven (‘Wijkevoort compact’ en ‘Wijkevoort verspreid’) voor een deel samenvallen met de contouren van de geurnorm van een naastgelegen veehouderij (IDNR 32099). Hiermee kan de realisatie van het plan een mogelijke belemmering opleveren voor deze veehouderij.
Binnen deze contour mogen in het plangebied in principe geen geurgevoelige objecten worden gerealiseerd. Het plangebied van beide alternatieven valt daarbij ook binnen de minimum afstandsnormen uit de Wgv van een andere naastgelegen veehouderij (IDNR 35107).
69 (133)
De geurhinder in het plangebied (op het bedrijventerrein) bepaalt of ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat kan worden gegarandeerd. De voorgrondbelasting is hier het meest bepalend voor de geurhinder. Deze maximale geurbelasting van 4,30 oue/m3 in het plangebied verspreid, vertaalt zich naar 11-12 % gehinderden en een redelijk goede milieukwaliteit. De maximale geur-belasting van 3,32 oue/m3 in het plangebied compact vertaalt zich naar 8-11 % en een goede tot redelijk goede milieukwaliteit. De gemeente dient zelf te beoordelen of hiermee wordt voldaan aan een goede ruimtelijke ordening binnen de plangebieden. Omwille van bovenstaande wordt het alternatief ‘Wijkevoort compact’ neutraal (0) beoordeeld en het alternatief ‘Wijkevoort verspreid’ beperkt negatief (0/-). Het type bedrijvigheid (logistiek of industrie) dat er zich zal vestigen is niet onderscheidend. In de compacte variant waarbij enkel 30 ha bedrijventerrein in de westzijde van het plangebied wordt ontwikkeld, ligt de ontwikkeling eveneens binnen de geurcontouren van de veehouderij IDNR 35107. Net als het alternatief ‘Wijkevoort compact’ wordt deze variant neutraal (0) beoordeeld. De geurcontouren van de bedrijven zelf zijn erg bedrijfsafhankelijk en je kunt op voorhand niet zeggen dat de geurcontouren tot de woningen kunnen reiken. Dit is dus niet meegenomen in deze beoordeling.
Wel kan er middels mitigerende maatregelen gestuurd worden op een strategische plaatsing van de bedrijven, zodat er zo min mogelijk hinder ondervonden wordt. Criterium
Varianten
Verandering in de geurhinder
Variant 80L20I Variant 100L0I Variant 20L80I Variant 0L100I Variant 30 ha
Wijkevoort compact 0 0 0 0 0
Wijkevoort verspreid 0/0/0/0/0
Mitigerende maatregelen De beperkte negatieve effecten van de ontwikkeling kunnen gemitigeerd worden door bedrijvigheid en kantoren zoveel mogelijk buiten de geurcontouren van de veehouderijen te realiseren. Deze zones kunnen ingericht worden met niet geurgevoelige functies, waaronder parkeerterrein, buitenopslag en groen. 4.4
Woon-, werk- en leefomgeving
4.4.1
Verandering in werkgelegenheid
Referentiesituatie Het plangebied heeft een overwegende agrarische functie. Naast agrarische bedrijven met bedrijfswoning zijn in het plangebied ook woningen aanwezig. Het aantal arbeidsplaatsen is in de huidige situatie gering. Effectbeschrijving en -beoordeling Met de toevoeging van het bedrijventerrein neemt het aantal arbeidsplaatsen in beide alternatieven sterk toe. Verwacht wordt dat Wijkevoort in de komende 5 jaar jaarlijks 200 tot 300 arbeidsplaatsen biedt. Elk jaar is er een instroom van circa 100 lager opgeleiden nodig, circa 100 middelbaar opgeleiden en circa 50 hoger opgeleiden [54]. Waar de verwachting is dat de vraag naar lager opgeleiden de komende jaren op Wijkevoort
70 (133)
nog relatief groot zal zijn, zal deze door de verregaande robotisering op termijn wel afnemen. De robotisering zorgt eveneens voor een arbeidsextensiever ruimtegebruik, waardoor het aantal arbeidsplaatsen per hectare afneemt. Bij volledige uitgifte van Wijkevoort (80 ha) is de arbeidsvraag 2.800 in het Smartvoort-scenario tot ruim 4.400 in het Business was as usual-scenario. Logistiek kent circa 40 banen per hectare, voor industrie is dit circa 50. Omwille van deze sterke toename worden beide alternatieven beoordeeld zeer positief (++) beoordeeld. Het type bedrijvigheid (logistiek of industrie) dat er zich zal vestigen is nauwelijks onderscheidend ten opzichte van elkaar. In de varianten van 30 ha is de toename van de werkgelegenheid beperkter dan de overige varianten en alternatieven. De varianten van 30 ha zijn positief (+) beoordeeld. Criterium
Varianten
Verandering in werkgelegenheid
Variant 80L20I Variant 100L0I Variant 20L80I Variant 0L100I Variant 30 ha
Wijkevoort compact ++ ++ ++ ++ +
Wijkevoort verspreid ++ ++ ++ ++ +
Mitigerende maatregelen Er zijn geen relevante mitigerende maatregelen voor dit criterium omdat enkel sprake is van positieve tot zeer positieve effecten. 4.4.2 Gedwongen vertrek Gedwongen vertrek doet zich voor als mensen moeten verhuizen als gevolg van de realisatie van één van de alternatieven. Het gaat om woningen die door hun ligging in of tegen het plangebied geamoveerd moeten worden. Referentiesituatie In het plangebied liggen 13 woningen. Het grootste deel van de woningen (9) ligt langs de Hultenseweg en de weg Wijkevoort. Effectbeschrijving en -beoordeling In beide alternatieven worden 14 woningen geamoveerd. Naast de 13 woningen in het plangebied betreft het 1 woning direct grenzend aan het plangebied. Het effect is door het grote aantal te amoveren woningen zeer negatief (- -) beoordeeld. Het type bedrijvigheid (logistiek of industrie) dat er zich zal vestigen is niet onderscheidend ten opzichte van de alternatieven. In de varianten van 30 ha verdwijnen 9 woningen. Het aantal te amoveren woningen is lager dan in beide alternatieven. Het effect is daarom negatief (-) beoordeeld. Criterium
Varianten
Gedwongen vertrek
Variant 80L20I Variant 100L0I Variant 20L80I Variant 0L100I Variant 30 ha
Wijkevoort compact -----
Wijkevoort verspreid -----
71 (133)
Mitigerende maatregelen Er zijn geen relevante mitigerende maatregelen voor dit criterium. 4.4.3 Visuele hinder in de woonomgeving De kwaliteit van de woonomgeving wordt beïnvloed door aspecten zoals geluidverstoringen, luchtverontreinigingen en geurhinder. Deze aspecten zijn in § 4.3 beoordeeld. Naast effecten van emissies van (geur)stoffen en geluid kan de woonomgeving ook visueel worden verstoord. In deze paragraaf wordt ingegaan op de visuele hinder in de woonomgeving door extra bebouwing, verlichting en verkeer. Referentiesituatie In de huidige situatie liggen de woningen in en rondom het plangebied grotendeels in een halfopen agrarisch landschap. Vanuit (een groot deel van) de woningen is zicht op dit landschap. Langs de A58 en N260 is visuele hinder aanwezig van intensief verkeer en vervoer op deze wegen. Effectbeschrijving en -beoordeling Door de voorgenomen ontwikkeling verdwijnt een groot deel van de openheid van het landschap binnen het plangebied. Met name voor woningen die op korte afstand (<200 m) van het bedrijventerrein liggen neemt de beleving van de openheid van het landschap af. De maximale hoogte van bedrijfsgebouwen en kantoordelen bedraagt 20 m. Door robuuste groenblauwe structuren rondom het bedrijventerrein wordt het directe zicht op bedrijfspanden beperkt.
Wel is het mogelijk dat aan de randen van de uitgeefbare gebieden verkeerstructuren worden aangebracht waardoor visuele verstoring en lichthinder door (vracht)verkeer kunnen ontstaan. In Figuur 4.23 is de ligging van woongebieden in de omgeving van de alternatieven weergegeven. In alternatief ‘Wijkevoort compact’ liggen drie woongebieden binnen 200 m afstand van de rand van de bedrijventerreinen. Omdat in dit alternatief binnen een klein aantal woongebieden visuele hinder kan ontstaan is het effect negatief (-) beoordeeld.
Figuur 4.23 – Ligging van woongebieden (rode cirkels) in de omgeving van de alternatieven
In het alternatief ‘Wijkevoort verspreid’ liggen vijf woongebieden binnen 200 m afstand van het bedrijventerrein. Op een aantal plekken liggen woningen op minder dan 100 meter afstand van dit alternatief. Daarnaast worden enkele woongebieden als gevolg van dit
72 (133)
alternatief aan meerdere zijden door het bedrijventerrein begrensd. De visuele verstoring is in dit alternatief groot. Het effect is daarom zeer negatief (- -) beoordeeld. Tussen de varianten 80L20I, 100L0I, 20L80I en 0L100I zijn geen noemenswaardige verschillen te verwachten. In beide varianten gelden namelijk dezelfde maximale bouwhoogten. In de varianten van 30 ha is het bedrijventerrein aanzienlijk minder groot. Toch neemt ook in deze varianten het open zicht op het landschap af en is visuele hinder mogelijk van gebouwen en (vracht)verkeer. De varianten van 30 ha zijn daarom negatief (-) beoordeeld. Criterium
Varianten
Visuele hinder in de woonomgeving
Variant 80L20I Variant 100L0I Variant 20L80I Variant 0L100I Variant 30 ha
Wijkevoort compact -
Wijkevoort verspreid -----
Mitigerende maatregelen Het verlies van het zicht op het halfopen landschap is niet met maatregelen te voorkomen. Wel zijn er mogelijkheden om de visuele hinder van gebouwen en (vracht)verkeer te verminderen. Geadviseerd wordt om verkeersstructuren niet aan de rand van het bedrijventerrein te positioneren maar de ontsluiting zoveel mogelijk binnen de uitgeefbare gebieden te plaatsen. Daarnaast kan gedacht worden aan het beperken van bouwhoogten aan de noord- en westrand van het bedrijventerrein door het toepassen van een zonering. Hierdoor komen bedrijfsgebouwen minder prominent in het zicht te staan. Zie hiervoor ook de mitigerende maatregelen die voor het aspect ‘landschap, cultuurhistorie en archeologie’ (zie §4.6) zijn beschreven. 4.4.4 Kwaliteit van de werkomgeving Belangrijk voor de ontwikkeling van Wijkevoort is dat er een duurzaam en vernieuwend werklandschap ontstaat. In deze paragraaf wordt beoordeeld in hoeverre hier binnen de alternatieven en varianten invulling aan wordt gegeven. Referentiesituatie Momenteel kent het gebied hoofdzakelijk een agrarische functie en kan het niet getypeerd worden als bijzonder vernieuwend of onderscheidend werklandschap. Het gebied is vergelijkbaar met andere agrarische gebieden in de omgeving van Tilburg.
Effectbeschrijving en -beoordeling In beide alternatieven is sprake van een groenblauw raamwerk waarbinnen het bedrijventerrein wordt ontwikkeld. Dit raamwerk wordt gevormd door het Wijckermeer, het boscomplex ten noorden hiervan, de Hultenseweg en de ecologische verbindingszones langs de beekdalen van de Groote Leij en Hultensche Leij. In en rond de uitgeefbare gebieden worden extra groenstructuren aangelegd, die meer robuust zijn in het alternatief 'Wijkevoort verspreid' dan in het alternatief 'Wijkevoort compact'. Binnen het groenblauwe raamwerk en overige groenstructuren worden diverse vormen van recreatie mogelijk gemaakt. Deze zijn ook bestemd voor de medewerkers en bezoekers van het bedrijventerrein (naast omwonenden en bezoekers van het stadsbos). Hierdoor wordt de basis gecreëerd voor een bedrijventerrein met unieke ruimtelijke en recreatieve kwaliteiten.
73 (133)
Figuur 4.24 – Groenblauw raamwerk
In het alternatief ‘Wijkevoort compact’ zijn de toegevoegde waarden voornamelijk aan de randen van de uitgeefbare gebieden rondom het Wijckermeer te vinden (zie Figuur 4.24). Hier kunnen extensieve vormen van recreatie worden ontwikkeld zoals wandel-, hardloopen/of fietsroutes. Binnen de uitgeefbare gebieden is weinig ruimte voor robuuste groenstructuren en zijn de mogelijkheden voor recreatief medegebruik beperkt. Wel is het mogelijk op kleine schaal voor de werknemer waardevolle functies aan het werklandschap toe te voegen, denk aan sportfaciliteiten, lunchroom of bijzondere elementen. Deze functies kunnen wel tussen de gebouwen gerealiseerd worden en niet perse in de robuuste groenstructuur. Dit alternatief is daarom beperkt positief (0/+) beoordeeld. In het alternatief ‘Wijkevoort verspreid’ wordt het bedrijventerrein veel ruimer opgezet. Hierdoor is er ook binnen de uitgeefbare gebieden volop ruimte voor het ontwikkelen van robuuste groenstructuren (zie Figuur 4.24). Dit levert mogelijkheden op om het bedrijventerrein waarbij gebouwen in ruim opgezette groene (open) ruimtes worden geplaatst. Binnen deze groene ruimten zijn ook bepaalde (extensieve) vormen van recreatie mogelijk. Samen met het robuuste raamwerk rondom de uitgeefbare gebieden levert dit een uniek werklandschap op dat zich kan onderscheiden van andere bedrijventerreinen in de omgeving.
Dit versterkt de sociale veiligheid en levendigheid van het werklandschap. Toch is het effect op de kwaliteit van de werkomgeving voor dit alternatief beperkt positief (0/+) beoordeeld. Dit heeft te maken met de verspreiding van de bedrijfskavels over een groter plangebied. Hierdoor treden er negatieve effecten voor externe veiligheid en gezondheidsaspecten op. Tussen de varianten 80L20I, 100L0I, 20L80I en 0L100I zijn geen verschillen te verwachten. Tussen de varianten van 30 ha zitten wel verschillen. In de variant van het alternatief ‘Wijkevoort compact’ zijn de toegevoegde waarden alleen aan de randen te vinden. Deze variant is daarom beperkt positief (0/+) beoordeeld. De variant van 30 ha voor het alternatief ‘Wijkevoort verspreid’ is ruim opgezet en heeft ook op het bedrijventerrein mogelijkheden voor (extensieve) vormen van recreatie. De effecten op de kwaliteit van de werkomgeving zijn voor deze variant eveneens beperkt positief (0/+) beoordeeld.
74 (133)
Criterium
Varianten
Kwaliteit van de werkomgeving
Variant 80L20I Variant 100L0I Variant 20L80I Variant 0L100I Variant 30 ha
Wijkevoort compact 0/+ 0/+ 0/+ 0/+ 0/+
Wijkevoort verspreid 0/+ 0/+ 0/+ 0/+ 0/+
Mitigerende maatregelen De kwaliteit van de werkomgeving kan verder worden versterkt door ook (landschaps)architectonische eisen aan de ontwikkeling van de uitgeefbare gebieden te koppelen. Een andere optie is de implementatie van groene gevels of groendaken zodat de belevingswaarde van de gebouwen zelf versterkt wordt en meer een eenheid vormt met het landschap. Aangezien de gebouwen optimaal beleefd worden van buiten is het heel belangrijk de omliggende openbare ruimte af te stemmen op het gebouw en bruikbaar te maken voor de werknemers. Het is eveneens van belang dat de buitenruimte buiten werkuren een aantrekkelijk karakter heeft en een positief effect heeft op de sociale veiligheid. De combinatie van bedrijvigheid met recreatieve voorzieningen kunnen het ook voor omwonenden en recreanten een aantrekkelijk gebied maken. Het robuuste groenblauwe raamwerk vormt de basis van waaruit landschappelijke kwaliteiten het bedrijventerrein binnen kunnen dringen. In het bestemmingsplan kunnen voorschriften opgenomen worden voor de inrichting van de bedrijfskavels om de kwaliteiten en toegevoegde waarden van de robuuste groenblauwe structuren nog verder te versterken.
4.5
Natuur
4.5.1
Natura 2000 gebieden
Referentiesituatie In het plangebied liggen het Wijckermeer en het Wijckerbos. Het Wijckermeer is eind '70-er jaren ontstaan. Hier zijn destijds grondstoffen gewonnen ten behoeve van de aanleg van de A58. Het bosgebied ten zuiden van de Hultensche Leij is pas daarna aangelegd. Zowel het meer als het bos behoren tot het Natuurnetwerk Brabant (NNB). De twee beken in het gebied (Hultensche Leij en Groote Leij) maken ook deel uit van het NNB. Deze zijn aangewezen als ecologische verbindingszones. Het plangebied ligt volledig buiten de begrenzing van Natura 2000-gebieden (zie Figuur 4.25). In de omgeving liggen enkele Natura 2000-gebieden waarop mogelijk effecten als gevolg van externe werking kunnen optreden (zie Tabel 4.26). Hiervan ligt het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied Regte Heide & Riels Laag op een afstand van 3,5 km tot het plangebied. Directe effecten op instandhoudingsdoestellingen van de omliggende Natura 2000-gebieden zijn bij een autonome ontwikkeling op voorhand uitgesloten.
75 (133)
Figuur 4.25 – Globale ligging plangebied Wijkevoort (blauwe ster) ten opzichte van omliggende Natura 2000-gebieden (groene arcering) Tabel 4.26 – Natura 2000-gebieden binnen 15 km van Wijkevoort
Effectbeschrijving en -beoordeling De verschillen in toename van stikstofdepositie voor ieder alternatief met de bijbehorende varianten lopen nauwelijks uiteen. De emissies ten gevolge van het bestemmingsverkeer en het gebruik voor het planvoornemen zijn op de maximaal planologische ruimte ingesteld. Uit de modelberekeningen [56] blijkt dat de ontwikkeling van Wijkevoort voor de verschillende alternatieven leidt tot een verhoogde emissie van stikstof door enerzijds nieuw te vestigen bedrijven en anderzijds door toename van gemotoriseerd bestemmingsverkeer. Het alternatief ‘Wijkevoort verspreid’ heeft het grootste effect met een maximale stikstofdepositie van 0,78 mol N/ha/jr. op het Natura 2000-gebied Regte Heide & Riels Laag, zoals weergegeven in Tabel 4.27. Er zijn geen noemenswaardige verschillen tussen de varianten en het aandeel van elk in negatieve effecten die optreden op Natura 2000-gebieden op basis van de relevante effectindicatoren. Dit geldt tevens voor de variant van 30 ha. De variant ‘verspreid’ heeft het grootste effect, met een maximale stikstofdepositie van 0,78 mol N/ha/jr. op het Natura 2000-gebied Regte heide & Riels Laag.
76 (133)
Hectare met hoogste projecteffect (mol/ha/jaar) Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen
Kampina & Oisterwijkse Vennen
Ulvenhoutse Bos
Variant compact 0% logistiek 100% industrie
Regte Heide & Riels Laag 0,71
0,59
0,38
0,62
Variant compact 100% logistiek 0% industrie
0,76
0,59
0,42
0,73
Variant verspreid 0% logistiek 100% industrie
0,72
0,58
0,39
0,61
Variant verspreid 100% logistiek 0% industrie
0,78
0,58
0,42
0,72
Tabel 4.27 – Maximaal projecteffect stikstofdepositie
Een toename van stikstofdepositie op habitattypen en kwalificerend leefgebied van Habitaten Vogelrichtlijnsoorten is aannemelijk. Zonder mitigerende en/of compenserende maatregelen zijn significante gevolgen voor habitattypen en kwalificerende leefgebieden binnen de omliggende Natura 2000-gebieden Regte heide & Riels Laag, Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen, Kampina & Oisterwijke Bossen en Vennen en Ulvenhoutse Bos, als gevolg van de ontwikkeling van Wijkevoort, niet op voorhand uitgesloten. Mogelijk is compensatie en het doorlopen van de ADC-toets noodzakelijk. De verschillen tussen de alternatieven worden veroorzaakt door verschillen in de emissies ten gevolge van het verkeer en verschillen in de verdeling van de industriële emissies. Criterium
Varianten
Beïnvloeding van Natura 2000gebieden
Variant 80L20I Variant 100L0I Variant 20L80I Variant 0L100I Variant 30 ha
Wijkevoort compact -
Wijkevoort verspreid -
Mitigerende maatregelen De effecten van vermesting kunnen gemitigeerd worden door duurzame energieconcepten, duurzame mobiliteit (op termijn) en het benutten van mogelijkheden voor externe saldering. Voor de alternatieven en bijbehorende varianten zou dit betekenen dat de score voor het aspect Natura 2000 neutraal (0) wordt in plaats van negatief (-). Indien mitigatie niet, niet volledig of niet tijdig mogelijk is, kunnen significante gevolgen voor kwalificerende soorten binnen de omliggende Natura 2000-gebieden niet voorkomen worden, moet compensatie plaatsvinden en dient een ADC-toets doorlopen te worden om de benodigde vergunning op grond van de Wet natuurbescherming te kunnen krijgen. 4.5.2
Natuurnetwerk Brabant
Referentiesituatie Enkele delen van het plangebied zijn aangeduid als Natuurnetwerk Brabant. De verschillende onderdelen binnen het plangebied bestaan uit het Wijckermeer, Wijckerbos, de Hultensche Leij en de Groote Leij (zie Figuur 4.26).
77 (133)
Figuur 4.26 – Ligging plangebied (rode stippellijn) ten opzichte van het NNB en de Groenblauwe mantel rond Wijkevoort. Bron: Interim Omgevingsverordening (2019)
In het zuiden ligt het Wijckermeer. Het Wijckermeer is een Zoete plas (beheertype N04.02) met een oeverzone die is aangewezen als Moeraszone (beheertype N05.01). Ten zuiden (langs de Vosheining) en deels ten oosten aansluitend op de moeraszone rondom het Wijckermeer ligt een tweetal bosstroken. Beide bosstroken zijn aangewezen als Droog bos met productie (beheertype N16.03). Uit de eco-hydrologische systeembeschrijving [53] blijkt dat het Wijckermeer een basale ecologische waarde omvat. Bijzondere biotische en abiotische waarden of potenties ontbreken. In de referentiesituatie blijft het Wijckermeer gehandhaafd. Dit geldt ook voor het Wijckerbos. Wat betreft de Hultensche Leij zijn in de referentiesituatie de potenties voor natuurherstel en ontwikkeling benut. De Hultensche Leij is ondertussen geoptimaliseerd tot een ecologische verbindingszone met een breedte van 25 meter voorzien met stapstenen (doelsoorten: amfibieën, dagvlinders en kleine zoogdieren). De Groote Leij is in de referentie uitgewerkt tot een ecologische verbindingszone van 25 meter, eveneens voor doelsoorten zoals amfibieën, dagvlinders en kleine zoogdieren). Grenzend aan het Natuur Netwerk Brabant (NNB) heeft de provincie gebieden aangewezen die liggen in de Groenblauwe mantel. Het beleid in de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap.
Voor natuur betekent dit vooral het versterken van leefgebieden voor plant- en diersoorten en de bevordering van de biodiversiteit buiten het NNB. De Groenblauwe mantel biedt ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap.
78 (133)
Het deel van het plangebied dat deel uitmaakt van de Groenblauwe mantel bestaat uit intensief beheerd agrarisch gebied in het beekdal van de Hultensche Leij. Van oudsher lagen hier de soortenrijke hooilanden. Tegenwoordig heeft het gebied te lijden onder verdroging en vermesting vanuit het gevoerde landbouwregime. In lage dichtheden komen nog akker- en weidevogels voor zoals patrijs, gele kwikstaart en kievit. In het gebied is landschappelijke beplanting aanwezig in de vorm van een laan met iepen. Effectbeschrijving en -beoordeling De beschrijving en beoordeling van de effecten voor de verschillende alternatieven is opgesplitst in een drietal thema’s: ruimtebeslag, versnippering en verstoring [57]. Ruimtebeslag In ieder alternatief met bijbehorende varianten is sprake van een vergelijkbaar minimaal oppervlakteverlies van 156 m² (beheertype N16.03 Droog bos met productie) en 397 m² (beheertype N05.01 Moeras) langs de oevers van Wijckermeer. In ieder alternatief met bijbehorende varianten is geen sprake van vernietiging van het Wijckerbos als onderdeel van het NNB. Ruimtebeslag resulteert in een beperkt negatief effect (0/-) op het NNB. Er is geen ruimtebeslag op de EVZ Groote Leij benodigd. De Groote Leij is integraal opgenomen in het planvoornemen en behoudt haar huidige ligging binnen het plangebied.
Er zijn geen verschillen in de mate waarin ruimtebeslag op de EVZ Hultensche Leij benodigd is, tussen de alternatieven ‘Compact’ en ‘Verspreid’. Op beiden verbindingszones is geen sprake van ruimtebeslag. De alternatieven ‘Compact’ en ‘Verspreid’ genereren geen negatief effect als gevolg van ruimtebeslag op het functioneren van de aanwezige ecologische verbindingszones. Met het alternatief ‘Compact’ is geen ruimtebeslag benodigd op de Groenblauwe mantel. Het alternatief ‘Compact’ veroorzaakt een neutraal effect (0) op de Groenblauwe mantel. Het alternatief ‘Verspreid’ omvat een ruimtebeslag van ca. 23,9 ha en veroorzaakt daarmee een negatief effect (-) op de Groenblauwe mantel. Voor beide varianten logistiek en industrie is de omvang in ruimtebeslag vergelijkbaar binnen het alternatief ‘Verspreid’. Versnippering In de voorgenomen ontwikkeling is in beide alternatieven geen sprake van een verhoogde barrièrewerking op het NNB voor ‘t Wijckermeer en Wijckerbos. Voor de alternatieven ‘Wijkevoort compact’ en ‘Wijkevoort verspreid’ ontstaat voor beiden geen negatief effect. Er is tevens geen onderscheid in de mate waarin effecten optreden tussen de varianten logistiek industrie en de variant 30 ha. Er zijn in zowel het alternatief ‘Wijkevoort compact’ en ‘Wijkevoort verspreid’ aanvullende doorsnijdingen van de Groote Leij als EVZ ten opzichte van de referentiesituatie.
De versnipperende werking op de functie als ecologische verbindingszone wordt vergroot met de realisatie van de mogelijke hoofdontsluiting op de Burgemeester Letschertweg in beide alternatieven. Dit leidt tot negatieve effecten (-) op de functionaliteit van het Natuurnetwerk. Er is geen onderscheid in de mate waarin negatieve effecten optreden tussen de varianten 80L20I, 100L0I, 20L80I, 0L100I en 30 hectare. Voor de Hultensche Leij is er een duidelijk onderscheid in effecten als gevolg van versnippering tussen beide alternatieven. Bij realisatie van het alternatief ’Wijkevoort verspreid’ worden ten opzichte van de referentiesituatie extra doorsnijdingen toegevoegd. Bij dit alternatief treedt een aanvullende vergrote barrièrewerking op als gevolg van de sprong over de Hultensche Leij. Hierdoor komt het bedrijventerrein aan beide zijden van de
79 (133)
Hultensche Leij te liggen. Derhalve leidt het alternatief ‘Wijkevoort verspreid’ vanuit het aspect versnippering tot een zeer negatief effect (- -) op de functionaliteit van de Hultensche Leij als EVZ. Er treedt geen aanvullende vergrote barrièrewerking op voor het alternatief ‘Wijkevoort compact’. De Groenblauwe mantel zal in beide alternatieven niet extra doorsneden worden. Tevens is er geen onderscheid in de mate waarin effecten optreden tussen de varianten 80L20I, 100L0I, 20L80I en 0L100I, danwel de variant 30 ha. Er treden geen negatieve effecten (0) op voor de functionaliteit van de Groenblauwe mantel voor beide alternatieven als gevolg van doorsnijding. Verstoring Ten aanzien van verstoring door geluid, betreffende kwaliteit van het NNB, is een rekenmodel ontwikkeld. Middels dit model is duidelijk dat de huidige geluidsbelasting in het Werklandschap Wijkevoort reeds de grens voor goede akoestische kwaliteit van maximaal 39 dB overschrijdt. Er treden voor de alternatieven ‘Wijkevoort compact’ en ‘Wijkevoort verspreid’ geen aanvullende effecten op vanuit verstoring op het NNB. Zonder mitigerende maatregelen wordt de toename van geluid- en lichthinder op het NNB, de ecologische verbindingszones en Groenblauwe Mantel beoordeeld als een beperkt negatief effect (0/-).
Varianten Er treden voor de varianten 80L20I, 100L0I, 20L80I, 0L100I vergelijkbare negatieve effecten op als gevolg van ruimtebeslag, versnippering en verstoring op het NNB. Voor de variant van 30 ha is in beide alternatieven geen sprake van ruimtebeslag op de Groote Leij en de Hultensche Leij. De variant van 30 ha heeft geen effect (0) als gevolg van ruimtebeslag op het NNB. De varianten 80L20I, 100L0I, 20L80I, 0L100I zijn niet onderscheidend ten opzichte van elkaar wat betreft de effecten op de Groenblauwe mantel. Beide varianten veroorzaken een negatief effect (-) op de Groenblauwe mantel binnen het alternatief ‘verspreid’ en vormen een risico. Bij de variant 30 ha is geen sprake van het optreden van ruimtebeslag op de Groenblauwe mantel. Deze wordt neutraal beoordeeld(0). Criterium
Varianten
Beïnvloeding van het Natuurnetwerk Brabant
Variant 80L20I Variant 100L0I Variant 20L80I Variant 0L100I Variant 30 ha
Wijkevoort compact 0/0/0/0/0
Wijkevoort verspreid ----0
Mitigerende maatregelen Om de effecten die mogelijk optreden door het planvoornemen te mitigeren kan er gekozen worden nieuwe natuur te ontwikkelen aan de noordzijde van het plangebied, passend bij het bestaande landschap door kleinschalige inrichting met bijvoorbeeld hagen en struwelen. Vooruitlopend op de definitieve invulling van Werklandschap Wijkevoort, is een gebied binnen de contouren van het plangebied aangemerkt als ‘tijdelijke natuur’. Dit gebied is ingericht met kruidenrijk grasland en struweelhagen. Het beheer van deze kruidenrijke graslanden is gericht op herstel van het bodemleven, vermindering van de bemestingsdruk en het bevorderen van insecten. Dit zal een positief effect hebben op allerlei vogelsoorten die in deze omgeving zeldzaam zijn geworden, zoals patrijs, kneu, gele kwikstaart en steenuil. Aangezien Wijkevoort vraaggericht ontwikkeld wordt zal er afhankelijk van de gronduitgifte een groter of kleiner deel van de natuur op termijn weer verdwijnen. Toch zal de tijdelijke natuurontwikkeling een blijvend positief effect hebben op de natuurwaarden van
80 (133)
het toekomstige werklandschap [49]. 4.5.3
Flora en faunasoorten
Huidige situatie Planten Er bevinden zich geen groeiplaatsen van beschermde flora binnen het plangebied. Vleermuizen Binnen het plangebied en de directe omgeving komen diverse vleermuissoorten voor. De gewone dwergvleermuis is gedurende het vleermuizenonderzoek het meest talrijk en verspreid waargenomen. Het plangebied maakt deel uit van het functionele leefgebied van de soort in de vorm van een enkele kraamverblijfplaats, een zomerverblijfplaats, diverse baltslocaties, een vaste vliegroute en foerageergebieden. Daarnaast blijkt de aanwezigheid van de rosse vleermuis, de watervleermuis en de franjestaart. Grondgebonden zoogdieren Uit vooronderzoek naar grondgebonden zoogdieren komt naar voren dat, verspreid over het gebied, geen beschermde muizensoorten maar wel algemene muizensoorten voor komen. Ook een soort als bruine rat en mol komen in het plangebied verspreid voor. In de open landbouwgebieden komt de licht beschermde haas voor. Konijnen komen voornamelijk voor in en rond het bosgebied ten noorden van het Wijckermeer. Ook zijn een vossenburcht en een dode vos gevonden in de bosschages rond het Wijckermeer. Ook reeën komen verspreid in het gebied voor en zijn aangetroffen rustend in het Wijckerbos en foeragerend in de omliggende akkers. Van de eekhoorn zijn geen waarnemingen gedaan.
In de wijdere omgeving komt deze soort veelvuldig voor, maar door de geïsoleerde ligging van het plangebied en het ontbreken van naaldbomen of gemengd bos ontbreekt de soort. De das komt voor op de Loonsche heide ten noorden van Tilburg. Door de vele barrières tussen de Loonsche heide en het plangebied, en het ontbreken van waarnemingen uit de wijde omgeving wordt de soort niet verwacht. Uit gericht marteronderzoek [50] komt naar voren dat er van uit gegaan kan worden dat het volledige plangebied deel uitmaakt van het essentiële leefgebied van de steenmarter, bunzing en wezel. Vogels Binnen en in de directe omgeving van de voorgenomen ontwikkeling is essentieel leefgebied van diverse vogels met jaarrond beschermde rust- en verblijfplaatsen vastgesteld. In totaal zijn 62 soorten broedvogels vastgesteld tijdens broedvogelonderzoek binnen het plangebied en de directe omgeving. Hieronder vallen algemene soorten van bos en park zoals tjiftjaf, vink en zwartkop. Het merendeel van de onderzochte soorten valt onder de erf-, bos- of weidevogels. Weidevogels zoals kievit, wulp en scholekster komen (in lage aantallen) voornamelijk voor in het noordwestelijk deel van het plangebied waar zich veel akkerland bevindt.
In lage dichtheden komen enkele minder algemene agrarische soorten voor, zoals patrijs, gele kwikstaart en veldleeuwerik (allen Rode lijst-soorten), met name in het noordwesten van het gebied. Rond de boerderijen binnen het plangebied komen verscheidene soorten erfvogels voor, zoals spreeuw, groenling, putter, witte kwikstaart en holenduif. Ook soorten als ekster, zwarte kraai en kauw worden veelvuldig (foeragerend) rond de erven gezien. In minimaal twee boerderijen bevinden zich nesten van boerenzwaluw.
81 (133)
Rond het Wijckermeer broeden voornamelijk algemene broedvogels in de smalle moeraszone rond het water. Er zijn 2 territoria van dodaars vastgesteld in het meer. In de Hultensche Leij en de Groote Leij zijn enkele territoria vastgesteld van wilde eend, kuifeend, waterhoen en meerkoet. Er is een aantal territoria van roofvogelsoorten vastgesteld in het gebied waarvan de nesten ook jaarrond beschermd zijn. Het gaat hierbij om kerkuil, steenuil, havik, sperwer en buizerd. Deels liggen de nesten in bossen buiten het plangebied, echter maakt het plangebied deel uit van het leefgebied. Het bosgebied ten noorden van het Wijckermeer kent een vrij grote variatie aan broedvogels van bossen en parken. Door de aanwezigheid van oude laanstructuren valt het aantal holenbroeders op waaronder boomkruiper, boomklever, grote bonte specht en kleine bonte specht. In de wat oudere laanbomen langs de Hultenseweg zijn veel holten aanwezig waar soorten als koolmees, spreeuw, boomklever en boomkruiper in broeden. Amfibieën en reptielen Er zijn geen reptielen waargenomen binnen het plangebied. Uit de wijde omgeving zijn de levendbarende hagedis en hazelworm bekend. De levendbarende hagedis is nergens in het gebied aangetroffen, ondanks de aanwezigheid van enkele min of meer geschikte plekken.
Binnen het plangebied is de hazelworm niet aangetroffen vanwege het gebrek aan geschikte heideterreinen, zandverstuivingen en natuur met enige oppervlakte. Er zijn in het alternatief ‘Wijkevoort verspreid’ enkele licht beschermde amfibieënsoorten aangetroffen. Zowel op het land rond en in de Hultensche Leij en Groote Leij komen verspreid beschermde bastaardkikker, bruine kikker en gewone pad voor. Ook het Wijckermeer wordt gebruikt als voortplantingslocatie van bastaardkikker en bruine kikker. Het oostelijke deel van de Hultensche Leij is omwille van haar karakteristieken geschikt voor de kleine watersalamander en vinpootsalamander. Beide soorten zijn verspreid aangetroffen in de ondiepe traag stromende beek. Overige beschermde soorten Er zijn geen beschermde of kwetsbare overige beschermde soorten aanwezig binnen het plangebied. Referentiesituatie In de referentiesituatie zullen de gronden in het plangebied grotendeels in gebruik blijven voor landbouw en natuur. De potenties voor natuurherstel en ontwikkeling zijn benut. De Hultensche Leij en Groote Leij zijn ondertussen geoptimaliseerd tot een ecologische verbindingszone met een breedte van 25 meter voorzien met stapstenen, een kwaliteitsimpuls voor vleermuizen, grondgebonden zoogdieren, vogels en kwetsbare amfibieën.