06 Bijlage 3 Milieueffectrapport
Tekst van het document
Effectbeschrijving en -beoordeling Planten Aangezien er geen groeiplaatsen van beschermde flora binnen het plangebied aanwezig zijn, is er geen noodzaak tot het nemen van nadere vervolgstappen, danwel soort specifieke maatregelen ten aanzien van beschermde flora. Er is geen sprake van negatieve effecten (0) en een nadere effectbeschrijving en -beoordeling ten aanzien van beschermde flora is dan ook niet noodzakelijk. Er zal daarentegen wel sprake zijn van kansen met behulp van het groenblauwe raamwerk. Zo wordt ten behoeve van het vochtig maken van de ecologische verbindingszones het maaiveld ter plaatse verlaagd. De meest kansrijke
82 (133)
plekken voor natuurontwikkeling bevinden zich in het beekdal van de Oude Leij en van de Hultensche Leij, maar ook in het bosgebied tussen Wijckermeer en Hultense Leij. Vleermuizen Binnen het plangebied en de directe omgeving is essentieel leefgebied van de gewone dwergvleermuis vastgesteld. Voor beide alternatieven zijn vergelijkbare zeer negatieve effecten (- -) te verwachten op het functionele leefgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen en in de directe omgeving van de voorgenomen ontwikkeling is essentieel leefgebied van kleine marterachtigen vastgesteld. Met name in het centraal gelegen deel van het plangebied ligt primair leefgebied. Voor algemeen (voorkomende) beschermde grondgebonden zoogdieren zijn negatieve effecten te verwachten op de functionaliteit van het leefgebied. Dit mede als gevolg van het vervallen van de status van het bosgebied rondom het Wijckermeer en een te verwachten toename in extensieve recreatie en concept versterkende activiteiten. Voor de vastgestelde kleine marterachtigen ontstaan negatieve effecten op de functionaliteit van het leefgebied (bosgebieden rondom het Wijckermeer). Met het alternatief Wijkevoort verspreid gaat relatief meer leefgebied voor de algemeen beschermde grondgebonden zoogdieren verloren.
Echter, de hoeveelheid groen neemt toe in de uitgeefbare gebieden, waardoor kansen voor kwaliteit verbeterende maatregelen binnen het plangebied voorhanden komen ten aanzien van grondgebonden zoogdieren. Negatieve effecten op het bestaande leefgebied van beschermde grondgebonden zoogdieren zijn binnen ‘Wijkevoort verspreid’ beperkt (0/-) en binnen ‘Wijkevoort compact’ beperkt (0/-) tot zeer negatief (-). Vogels Binnen en in de directe omgeving van de voorgenomen ontwikkeling is essentieel leefgebied van diverse vogels met jaarrond beschermde rust- en verblijfplaatsen vastgesteld. Beide alternatieven gaan gepaard met aantasting van essentieel leefgebied van de huismus, steenuil, kerkuil en boerenzwaluw. Uit het uilenonderzoek door Eelerwoude (2018) blijkt dat een drietal nestlocaties van de steenuil en een verblijfplaats van de kerkuil worden aangetast en met de herinrichting functioneel leefgebied verdwijnt. Tevens is de kans zeer groot dat verstoring van jaarrond beschermde rust- en verblijfplaatsen van de sperwer, havik en buizerd optreedt als gevolg van de ontwikkeling van extensieve vormen van recreatie en concept versterkende activiteiten. Ieder alternatief leidt tot een benodigde compensatie van leefgebied. De risico’s op het ontstaan van negatieve effecten op het bestaande leefgebied van de genoemde soorten is voor beide alternatieven groot (- -).
Amfibieën en reptielen Binnen en in de directe omgeving van de voorgenomen ontwikkeling is essentieel leefgebied van de algemeen voorkomende beschermde amfibieën en de strikt beschermde vinpootsalamander vastgesteld. Met name de ecologische verbindingszone van de Hultensche Leij kan worden aangeduid als primair leefgebied van de vinpootsalamander. Beide alternatieven leiden slechts tot een beperkte verstoring van het essentiële leefgebied van de vinpootsalamander. De risico’s op het ontstaan van negatieve effecten op het bestaande leefgebied zijn voor alternatief ‘Wijkevoort compact’ neutraal (0). Het alternatief ‘Wijkevoort verspreid’ leidt tot een verhoogde barrièrewerking van het leefgebied van beschermde amfibieën en zorgt dus voor een beperkt negatief effect (0/-). De afwezigheid van reptielen betekent dat negatieve effecten op bestaand leefgebied op voorhand is uitgesloten.
83 (133)
Overige beschermde soorten Het plangebied maakt geen deel uit van het essentiële leefgebied van overige beschermde soorten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. De risico’s op het ontstaan van effecten zijn voor ieder alternatief met de bijbehorende varianten neutraal (0). Varianten Naast de twee alternatieven worden voor het MER ook 5 varianten onderzocht. Het verschil tussen de varianten 80L20I, 100L0I, 20L80I en 0L100I en het aandeel van eenieder ter invulling van beide alternatieven zal voor de effectbeoordeling op beschermde soorten geen verschillen opleveren. De varianten horende bij ‘Wijkevoort compact’ wordt beoordeeld als negatief (-) en die van ‘Wijkevoort verspreid’ als zeer negatief (- -). De keuze om een bedrijventerrein met een omvang van 30 hectare aan te leggen leidt tot behoud van meer ecologische waarden ten opzichte van de overige varianten welke gekoppeld zijn aan de ontwikkeling van een bedrijventerrein met een omvang van 80 hectare. Criterium
Varianten
Beïnvloeding van flora- en faunasoorten
Variant 80L20I Variant 100L0I Variant 20L80I Variant 0L100I Variant 30 ha
Wijkevoort compact -
Wijkevoort verspreid -----
Mitigerende maatregelen Bij uitwerking van individuele uitbreidingsmogelijkheden bestaan mitigerende maatregelen om het effect lokaal zodanig te voorkomen dan wel te mitigeren, dat er geen sprake is van aantasting van de gunstige staat van instandhouding van soorten. Daarnaast moet ieder alternatief zorgdragen voor de benodigde compensatie van leefgebied. Mogelijkheden voor mitigatie zijn voorhanden. Dit zijn onder andere het herbestemmen van bestaande bebouwing en daar waar mogelijk het behoud van bestaande erven en aanleg van nieuwe landschappelijke beplanting (zoals erfbeplanting). Zo kan de functionaliteit van vliegroutes van vleermuizen langs de Wijkevoort en de Hultenseweg worden behouden. Dit kan bijvoorbeeld door hier rekening mee te houden in het verkavelingsplan, het verlichtingsplan en middels inpassing van landschappelijke beplanting, waaronder laanbeplanting, bosstroken en natuurzones. Er zijn mogelijkheden voor het versterken van bestaand foerageergebied en aanleg van natte natuur. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is voorzien in de inzet van Tijdelijke Natuur, een traject dat reeds gestart is, en het Soortenmanagementplan Wijkevoort. Laatstgenoemde voor de duur van 10 jaar. Voor acht soorten, waaronder de steenuil en kerkuil kunnen negatieve effecten niet op voorhand worden uitgesloten.
Omwille hiervan is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk.
4.6
Landschap, cultuurhistorie en archeologie
4.6.1
Landschappelijke waarden
Referentiesituatie Het plangebied wordt doorsneden door de beekdalen van de Groote Leij en Hultensche Leij. Tussen de beekdalen liggen terrasafzettingswelvingen, bedekt met dekzand. De beekdalen zijn vanaf de late middeleeuwen in gebruik genomen als weide- en hooilanden. De drogere
84 (133)
gronden langs de Groote en Hultensche Leij werden in de late middeleeuwen in cultuur gebracht als akkergronden. In het gebied rond het buurtschap Berkeind ten zuidoosten van het Wijckermeer zijn hogere eerdgronden aanwezig. Dit zijn zandgronden die in het verleden door plaggen en dierlijke mest zijn bemest. Hierdoor is een dikke bruine of zwarte bovenlaag van organische stof van meer dan 50 cm dik ontstaan. De landschappelijke waarde van de beekdalen, terrasafzettingswelvingen en eerdgronden is beperkt. De verschillende landschapstypen hebben geen beschermde status en zijn in de huidige situatie nauwelijks herkenbaar. Als gevolg van de aanleg van ecologische verbindingszones langs de beken zullen de beekdalen in de toekomst als landschappelijke structuur deels worden hersteld en beter herkenbaar worden. Effectbeschrijving en -beoordeling Door het ontbreken van belangrijke landschappelijke waarden in het gebied ontstaan er als gevolg van het voornemen geen belangrijke nadelige effecten voor dit aspect. Omdat in beide alternatieven rekening wordt gehouden met de aanleg van de ecologische verbindingszones zijn ook geen effecten te verwachten op het herstel van de beekdalen. Wel is het coulisselandschap kenmerkend voor het gebied en dit wordt wel door beide alternatieven aangetast.
De sprong over de Hultensche Leij binnen het alternatief ‘Wijkevoort verspreid’ heeft daarbij een grotere impact op dit landschap dan alternatief ‘Wijkevoort compact’ en wordt negatief beoordeeld. Alternatief ‘Wijkevoort compact’ wordt beperkt negatief (0/-) beoordeeld. De varianten 80L20I, 100L0I, 20L80I en 0L100I zijn niet onderscheidend ten opzichte van elkaar en zijn eveneens beperkt negatief (0/-) beoordeeld. Er treden in mindere mate effecten op in de varianten met een ontwikkeling van 30 ha. Deze varianten zijn daarom neutraal (0) beoordeeld. Criterium
Varianten
Beïnvloeding van waardevolle landschappelijke waarden
Variant 80L20I Variant 100L0I Variant 20L80I Variant 0L100I Variant 30 ha
Wijkevoort compact 0/0/0/0/0
Wijkevoort verspreid 0
Mitigerende maatregelen In beide alternatieven liggen kansen om de herkenbaarheid van de beekdalen te verbeteren. Door bij de aanleg van de robuuste groenstructuren rondom de uitgeefbare gebieden aan te sluiten op de realisatie van de ecologische verbindingszones langs de beekdalen, wordt de landschappelijke waarde van de beekdalen verder vergroot (zie Figuur 4.27). Als gevolg van de ontwikkeling van Werklandschap Wijkevoort moeten de beoogde ecologische verbindingszones verbreed worden van 25 meter naar 50 meter. De natuur rond de beek als onderdeel van een ecologische verbindingszone van 25 meter wordt beschouwd als autonome ontwikkeling in het kader van het Natuurnetwerk Brabant. De bijkomende 25 meter maakt onderdeel uit van het planvoornemen.
85 (133)
Figuur 4.27 – Versterken landschappelijke waarde van de beekdalen (illustratief)
4.6.2
Cultuurhistorische waarden
Referentiesituatie In het plangebied ligt een aantal waardevolle cultuurhistorische structuren. In Figuur 4.28 zijn de belangrijkste cultuurhistorische waarden van het gebied weergegeven. Deze waarden zijn tevens opgenomen op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant. Het betreft de volgende structuren en gebieden: · het boscomplex ten noorden van het Wijckermeer. Dit bos is vanaf 1850 aangelegd en bestaat uit een oudere aanplant in de kern en jongere aanplant naar de randen toe. De begroeiing bestaat onder meer uit eik, Amerikaanse eik, berk, grove den en beuk met hier en daar oud hakhout. Het boscomplex is door de provincie aangeduid als een gebied van hoge cultuurhistorische waarde; · de laanbeplanting langs de Hultenseweg. Ook deze beplanting dateert uit de periode 1850-1900. De beplanting bestaan uit eik, Amerikaanse eik, robinia en grove den. De laanbeplanting is door de provincie aangeduid als een structuur van redelijk hoge waarde; · daarnaast ligt er nog een aantal waardevolle historische wegen en paden in het plangebied die zijn aangeduid als van redelijk hoge waarde. Het betreft de wegen Hultenseweg, Wijkevoort en Klein Tilburg; · Het erf van de Prinsenhoef (Einzelhof), de aangrenzende open akker en het daaraan grenzende oude bosje.
86 (133)
Prinsenhoef
Figuur 4.28 – Cultuurhistorische waarden in en rondom het plangebied (paars = uitgeefbare gebieden, rood gestippelde lijn = cultuurhistorische waarden binnen deze gebieden) bron: Cultuurhistorische Waardenkaart 2010, herziening 2016; provincie Noord-Brabant
In het plangebied en speciaal de zones van de Groote Leij en de Hultensche Leij bevinden zich op grond van de Monumentenwet 1988 of de Monumentenverordening gemeente Tilburg geen beschermde archeologische of gebouwde monumenten. De bebouwing uit de periode 1850 – 1940 is geïnventariseerd in het Monumenten Inventarisatie Project (MIP). Deze bebouwing heeft geen formeel beschermde status maar komt wel voor op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant en deze worden daarop ook als waardevol beschouwd. Binnen de contouren van Wijkevoort is geen bebouwing van het MIP aanwezig. Figuur 4.29 geeft een overzicht van de bebouwing uit de periode 1850 – 1940 in de nabijheid van het plangebied.
87 (133)
Figuur 4.29 – Monumenten Inventarisatie Project
Effectbeschrijving en -beoordeling De als cultuurhistorisch redelijk waardevol aangeduide weg Wijkevoort en een deel van de waardevolle historische groenstructuur liggen in het uitgeefbare gebied aan de noordwestzijde van het plangebied (zie rood gestippelde structuren in Figuur 4.28). Over de exacte invulling van dit gebied worden (nog) geen uitspraken gedaan. Het is mogelijk dat deze structuren in alle alternatieven en varianten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling verdwijnen. De aantasting beperkt zich tot structuren van ‘redelijk hoge’ waarde. Dit is de laagste waardering die door de provincie aan cultureel erfgoed wordt gegeven. Vanuit het oogpunt van cultuurhistorie kan daarnaast worden opgemerkt dat het voortbestaan van de (spaarzame) cultuurhistorisch waardevolle bebouwing in het plangebied in gevaar is door het verdwijnen van de woonfunctie. De bebouwing is echter niet zodanig van belang dat bescherming op basis van wet of verordening noodzakelijk is. De aantasting van de cultuurhistorische waarden is daarom in alle alternatieven en varianten als beperkt negatief (0/-) beoordeeld. De varianten 80L20I, 100L0I, 20L80I en 0L100I zijn niet onderscheidend ten opzichte van elkaar. Criterium
Varianten
Beïnvloeding van waardevolle cultuurhistorische waarden
Variant 80L20I Variant 100L0I Variant 20L80I Variant 0L100I Variant 30 ha
Wijkevoort compact 0/0/0/0/0/-
Wijkevoort verspreid 0/0/0/0/0/-
Mitigerende maatregelen De effecten op de cultuurhistorische waarden kunnen worden voorkomen door op de plankaart en/of in de planregels de weg Wijkevoort en de historische groenstructuur te beschermen.
88 (133)
4.6.3
Ruimtelijk-visuele kwaliteit en belevingswaarde
Referentiesituatie Het plangebied wordt gekenmerkt door grootschalige open gebieden aan de oost- en westzijde van het meer gesloten boscomplex in het midden van het plangebied (zie Figuur 4.30). Het Wijckermeer is omsloten door dichte opgaande begroeiing en heeft daardoor eveneens een meer gesloten karakter. In de grootschalige open gebieden zijn weidse vergezichten aanwezig (zie Figuur 4.30). Er zijn geen bijzondere zichtlijnen naar waardevolle objecten zoals bijzondere kerktorens e.d. aanwezig. Aan de zuid- en westzijde wordt het plangebied begrensd door de A58 en N260. Hierdoor is er langs deze randen sprake van verstoring door verkeer(sgeluid) en geluid van de vliegbasis. De beleving van rust en ruimte is in een groot deel van het coulisselandschap dan ook beperkt.
Figuur 4.30 – Open landschap in het plangebied (bron: Google)
De belangrijkste visueel-ruimtelijke kwaliteiten bevinden zich rondom het centraal gelegen gesloten deel van het plangebied. Met name de Hultenseweg (zie Figuur 4.31) met zijn fraaie laanbeplanting is waardevol. Vanaf de Hultenseweg zijn de contrasten tussen de open en gesloten gebieden goed waarneembaar. De belevingswaarde van het plangebied is vanaf de Hultenseweg redelijk hoog. Rondom het buurtschap Berkeind ten zuidoosten van het Wijckermeer is nog karakteristieke erfbeplanting met ruimtelijke kwaliteit aanwezig.
Figuur 4.31 – Hultenseweg met karakteristieke laanbeplanting en zicht op de Hultensche Leij (bron: Google)
In de huidige situatie hebben de Hultensche Leij (zie Figuur 4.31) en Groote Leij een rechte loop en steile oevers. De beken zijn hierdoor niet of nauwelijks herkenbaar als natuurlijke waterlopen. De visueel-ruimtelijke kwaliteit en belevingswaarde is hierdoor laag. De ontwikkeling van ecologische verbindingszones langs de Hultensche en Groote Leij zorgen er naar verwachting voor dat dat de beekdalen weer zichtbaar in het landschap komen te
89 (133)
liggen (zie de voorbeelden in Figuur 4.32). Hiermee neemt de ruimtelijke kwaliteit en belevingswaarde van de beken sterk toe.
Figuur 4.32 – Voorbeelden beekherstel
Effectbeschrijving en -beoordeling In Figuur 4.33 zijn de (aaneengesloten) open en gesloten gebieden in het plangebied en de omgeving ervan weergegeven. Op de kaarten is aangegeven welke gevolgen de alternatieven hebben op de afwisseling tussen open en gesloten gebieden binnen het plangebied. Het Wijckermeer wordt vanwege de aanwezigheid van bosschages rondom het meer vanuit de omgeving beleefd als gesloten gebied
Figuur 4.33 – Open en gesloten ruimten en gebieden in het plangebied en omgeving
Door de ontwikkeling van het bedrijventerrein verdwijnt een groot deel van de open landschappen in het plangebied.. In het alternatief ‘Wijkevoort verspreid’ is het verlies van open gebieden het grootst. In het alternatief ‘Wijkevoort compact’ blijven delen van de open landschappen aan de noord- en oostzijde van het plangebied behouden. Het centrale, meer gesloten deel van het plangebied blijft in alle alternatieven en varianten grotendeels behouden. Het buurtschap Berkeind verdwijnt echter wel in de alternatieven. De Hultenseweg met de waardevolle en karakteristieke laanbeplanting blijft behouden. Wel verdwijnt het contrast tussen de open en gesloten landschappen langs de Hultenseweg. Door de ontwikkeling van Wijkevoort krijgt het plangebied namelijk een overwegend gesloten karakter. In het alternatief ‘Wijkevoort verspreid’ zorgt de ontwikkeling ten noorden van de Hultensche Leij voor verstoring in en rond het beekdal. De uitgeefbare gebieden aan de noordzijde
90 (133)
worden vanuit het zuiden ontsloten voor vracht- en personenvervoer. Dat betekent dat meerdere wegen over het beekdal komen te liggen. Door de verspreide ligging van de uitgeefbare gebieden in het alternatief ‘Wijkevoort verspreid’ neemt de leesbaarheid van het landschap in vergelijking met het alternatief ‘Wijkevoort compact’ af. In het alternatief ‘Wijkevoort compact’ vormen de beekdalen een logische en heldere grens van het bedrijventerrein. In het alternatief ‘Wijkevoort verspreid’ is de afbakening van het plangebied minder helder. Conclusie In het alternatief ‘Wijkevoort compact’ gaat Door ontwikkelingen aan weerszijde van het beekdal neemt de visuele verstoring en geluidoverlast van bedrijven naar verwachting (sterk) toe. In het alternatief ‘Wijkevoort compact’ zijn geen kruisende wegen nodig en ligt het bedrijventerrein slechts aan één zijde van het beekdal. Hierdoor is minder verstoring door het bedrijventerrein te verwachten.slechts een deel van het coulisselandschap verloren. De beekdalen vormen een heldere en logische afbakening van het bedrijventerrein. De leesbaarheid van het landschap blijft hiermee behouden. Er zijn geen kruisende wegen over de beekdalen en ook geen ontwikkelingen aan de noordzijde van de Hultensche Leij. De verstoring van de beekdalen is hierdoor beperkt.
Door het verdwijnen van het buurtschap Berkeind en de contrasten tussen open en gesloten landschappen langs de Hultenseweg gaat een aantal belangrijke visueel-ruimtelijke kenmerken en waarden verloren. Het effect op de visueel-ruimtelijke kwaliteit en belevingswaarde is als gevolg van de bovenstaande effecten negatief (-) beoordeeld. In het alternatief ‘Wijkevoort verspreid’ gaat het coulisselandschap deels verloren, neemt de verstoring in en rond de beekdalen toe en neemt de leesbaarheid van het landschap af. Ook in dit alternatief verdwijnt het buurtschap Berkeind en de contrasten tussen open en gesloten landschappen langs de Hultenseweg. De effecten op de visueel-ruimtelijke kwaliteit en belevingswaarde van het gebied zijn groter dan bij het alternatief ‘Wijkevoort compact’, aangezien er een sprong over de Hultensche Leij gemaakt wordt en hierdoor een groter deel van het landschap beïnvloed wordt. Het effect is daarom eveneens sterk negatief (- -) beoordeeld. Tussen de varianten 80L20I, 100L0I, 20L80I en 0L100I zijn geen noemenswaardige verschillen te verwachten. In de varianten van 30 ha zijn de effecten op de visueel-ruimtelijke kwaliteit en belevingswaarde minder sterk. Deze varianten zijn beperkt negatief (0/-) beoordeeld en onderscheiden zich onderling niet van elkaar. Criterium
Varianten
Beïnvloeding van de ruimtelijkvisuele kwaliteit en belevingswaarde
Variant 80L20I Variant 100L0I Variant 20L80I Variant 0L100I Variant 30 ha
Wijkevoort compact
Wijkevoort verspreid
-
-----
0/-
0/-
Mitigerende maatregelen De beekdalen, de Hultenseweg, het Wijckermeer en het boscomplex aan de noordzijde hiervan vormen het groenblauwe raamwerk (zie ook Figuur 4.24) waarbinnen het bedrijventerrein wordt ontwikkeld. In en rondom deze gebieden liggen in beide alternatieven mogelijkheden om de visueel-ruimtelijke kwaliteiten te versterken en om hiermee de nadelige effecten van het voornemen te beperken. Geadviseerd wordt om de visueelruimtelijke kwaliteit en belevingswaarde van het groenblauwe raamwerk verder te versterken door de volgende maatregelen op te nemen op de plankaart of in de planregels:
91 (133)
· ·
·
Beperk verstoringen in het groenblauwe raamwerk. Gemotoriseerde verkeers- en vervoersbewegingen lopen langs deze structuren en moeten zo optimaal mogelijk geïntegreerd worden. Sluit de groenstructuren in en rondom de uitgeefbare gebieden zoveel mogelijk aan op het robuuste groenblauwe raamwerk. Grotere groenstructuren komen bij voorkeur aan de randen van de uitgeefbare gebieden te liggen zodat deze ingezet kunnen worden om het groenblauwe raamwerk (met name de beekdalen) nog robuuster te maken. Op gebouwniveau zijn ingrepen mogelijk om aan te sluiten op de landschappelijke uitstraling van het groenblauwe raamwerk. Te denken valt hierbij aan beperkingen in de bouwhoogte en het vergroenen van gevels en daken.
4.6.4
Recreatie
Referentiesituatie Recreatie is in het plangebied beperkt mogelijk in de referentiesituatie. De Hultenseweg, Wijkevoort en Klein Tilburg maken deel uit van het fietsnetwerk van Tilburg. Over Wijkevoort en een deel van Hultenseweg loopt het landelijk fietsroutesysteem. Van het Wijckermeer wordt gebruik gemaakt door duikverenigingen.
Figuur 4.34 – Fietspaden in en rond het plangebied en landelijke fietsroutes
Effectbeschrijving en -beoordeling De fietsroute die over de weg Wijkevoort loopt ligt binnen de uitgeefbare gebieden en komt als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling te vervallen. In de alternatieven en varianten worden echter ook een aantal nieuwe recreatieve structuren en voorzieningen aan het plangebied toegevoegd. Deze worden per alternatief verder toegelicht. Er kan daarnaast aansluiting gevonden worden bij ontwikkelingen in het kader van Stadsbos013. In het alternatief ‘Wijkevoort compact’ worden binnen de uitgeefbare gebieden extensieve vormen van recreatie zoals wandelen, fietsen en eenvoudige sportfaciliteiten mogelijk gemaakt. Rond het Wijckermeer worden mogelijkheden voor conceptversterkende activiteiten zoals een proeftuin, onderwijs, eet- en drinkgelegenheden, etc. gecreëerd. Deze conceptversterkende activiteiten staan in functie van de aanwezige bedrijvigheid. In het alternatief ‘Wijkevoort compact’ nemen de recreatieve mogelijkheden in het plangebied toe. Dit alternatief is positief (+) beoordeeld. In het alternatief ‘Wijkevoort verspreid’ wordt naast de bovenstaande recreatieve ontwikkelingen ook het Wijckermeer ingericht als recreatieplas voor de regio Tilburg.
92 (133)
Daarnaast worden de mogelijkheden van de omvangrijke groenstructuren van dit alternatief verder benut. Hier kunnen recreatieve voorzieningen zoals bijvoorbeeld paintball, klimwand, e.d. worden gerealiseerd. In het alternatief ‘Wijkevoort verspreid’ krijgen meer intensieve vormen van recreatie een plek binnen het plangebied. Het plangebied vervult hiermee een regionale functie ten aanzien van recreatie. Het alternatief is ook positief (+) beoordeeld. Er is geen onderscheid tussen de varianten 80L20I, 100L0I, 20L80I en 0L100I. In de varianten van 30 ha worden dezelfde recreatieve voorzieningen rond het Wijckermeer ontwikkeld zoals ook in de alternatieven mogelijk wordt gemaakt. Ook deze varianten zijn hierdoor niet (of nauwelijks) onderscheidend ten opzichte van de alternatieven. Criterium
Varianten
Mogelijkheden voor recreatief medegebruik
Variant 80L20I Variant 100L0I Variant 20L80I Variant 0L100I Variant 30 ha
Wijkevoort compact + + + + +
Wijkevoort verspreid + + + + +
Mitigerende maatregelen Aangezien het recreatief medegebruik positief beoordeeld wordt zijn mitigerende maatregelen niet nodig. De alternatieven en varianten voegen verschillende mogelijkheden voor recreatief medegebruik toe aan het plangebied. De versterking van de groenblauwe structuur rond de kavels met ruimte voor fiets- en wandelpaden zet de recreatieve betekenis van het gebied kracht bij. 4.6.5
Archeologische waarden
Referentiesituatie Om een beeld te krijgen van de kans op het aantreffen van archeologische waarden ter plaatse van het plangebied is ten behoeve van voorliggend MER en het bestemmingsplan voor Wijkevoort en de voorgenomen herinrichting van de twee ecologische verbindingszones (Hultensche Leij en Groote Leij) door RAAP een archeologisch bureauonderzoek en een beperkt veldonderzoek uitgevoerd [41]. Hierin is geconstateerd dat er zich binnen het plangebied twee vindplaatsen bevinden. In de noordwesthoek van het plangebied, nabij de Prinsenhoef in het beekdal van de Groote Leij, bevinden zich twee zogenaamde terreinen van hoge archeologische waarde (zie Figuur 4.36). Deze waarde is toegekend op basis van de vondst van een vroegmiddeleeuws (Merovingisch) potje van aardewerk, waarvan de vindplaats in de jaren zestig van de vorige eeuw is geïnterpreteerd als een mogelijk Merovingisch grafveld. Ten noorden van dit terrein, net buiten de plancontour, is door de Rijksdienst in de negentiger jaren een booronderzoek uitgevoerd (zie Figuur 4.35). Hierbij werd een rechthoek van grachten aangetoond dat heeft doen vermoeden dat het om een Laatmiddeleeuwse omgrachte hoeve (een zogenaamde moated site) gaat. Een in de jaren veertig in de omgeving gevonden plaggenput stamt vermoedelijk uit dezelfde periode. Beide fenomenen kunnen in verband worden gebracht met de nabijgelegen Prinsenhoef.
Tijdens een archeologische veldkartering van RAAP zijn twee nieuwe vindplaatsen aan het licht gekomen: de eerste betreft de vondst van een drietal vuurstenen artefacten uit de oude steentijd (Midden Paleolithicum, ca 250.000 – 35.000 jaar geleden). Deze bevonden zich verspreid over enkele tientallen meters in een laag met oude
93 (133)
rivierafzettingen. Een laatste vindplaats, die zich kenmerkt als een plek waar baksteenpuin, beton en een ijzeren huls zijn gevonden, duidt mogelijk op de locatie van een Duits afweergeschut uit de Tweede Wereldoorlog.
Figuur 4.35 – Oppervlaktekartering Wijkevoort
In het bureauonderzoek [41] is samenvattend geconstateerd dat de algemene indruk is dat het plangebied archeologisch gezien niet bijzonder ‘rijk’ is. Zo heeft proefsleuvenonderzoek bij Wijkevoort bijvoorbeeld enkel ontginningssporen uit de Nieuwe tijd opgeleverd en is tijdens een booronderzoek in dit deelgebied een sterk verstoorde bodem aangetroffen. Op basis van deze uitkomsten zijn een gespecificeerde archeologische verwachtingskaart en archeologische advieskaart opgesteld, deze zijn in Figuur 4.36 en Figuur 4.37 opgenomen.
94 (133)
Figuur 4.36 – Gespecificeerde archeologische verwachtingskaart [41]
Figuur 4.37 – Archeologische advieskaart [41]
Effectbeschrijving en -beoordeling Als gevolg van de realisering van de voorgenomen activiteiten, zullen omvangrijke graafwerkzaamheden in het plangebied plaatsvinden. Als gevolg hiervan kunnen eventuele nog aanwezige archeologische waarden verloren gaan. Dit wordt als negatief effect aangemerkt. Zoals in paragraaf 3.2 van dit MER is aangegeven is de totale oppervlakte van het plangebied (en dus het potentieel te vergraven areaal) in alternatief ‘Wijkevoort verspreid’ groter dan voor het alternatief ‘Wijkevoort compact’, aangezien in alternatief ‘Wijkevoort verspreid’ ook aan de overzijde van de Hultensche Leij bedrijventerreinontwikkeling is voorzien.
95 (133)
Zoals eerder aangegeven, is het plangebied volgens bestaande gegevens uit het bureauonderzoek en de uitgevoerde gedeeltelijke bodemkartering [41] niet bijzonder rijk aan archeologische waarden en is de bodem in delen van het plangebied in het verleden al verstoord. Op basis hiervan is aan beide alternatieven een effectscore beperkt negatief (0/-) gegeven. Dit geldt voor de varianten 80L20I, 100L0I, 20L80I en 0L100I. Bij keuze voor de variant 30 ha blijft (ongeacht het te kiezen alternatief) een groot deel van het plangebied onaangeroerd. Daarom is deze variant als neutraal (0) beoordeeld. Criterium
Varianten
Archeologische waarden
Variant 80L20I Variant 100L0I Variant 20L80I Variant 0L100I Variant 30 ha
Wijkevoort compact 0/0/0/0/0
Wijkevoort verspreid 0/0/0/0/0
Mitigerende maatregelen De mogelijk aanwezige archeologische waarden kunnen zoveel mogelijk worden ontzien door in archeologisch waardevolle gebieden (op basis van Figuur 4.37) geen verstoring van de bodem plaats te laten vinden. Vanwege de omvangrijke bodemingrepen in het plangebied zal dit niet voor alle archeologisch waardevolle gebieden mogelijk zijn. Aangezien binnen het vigerende bestemmingsplan delen van het plangebied zijn voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ wordt er aanbevolen om ten behoeve van de graafwerkzaamheden een aanlegvergunning aan te vragen voor deze gebieden. Een aanlegvergunning kan enkel verkregen worden wanneer de archeologische (verwachtings)waarden door de activiteiten niet onevenredig worden geschaad en er advies is ingewonnen bij een deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg. Afhankelijk van de archeologische waarde of -verwachting zijn ondergrenzen voor bodemingrepen vastgesteld waar vanaf een archeologisch vooronderzoek dient plaats te vinden. Indien hieruit blijkt dat behoudenswaardige archeologische resten aanwezig zijn, dan dienen deze op basis van een selectiebesluit van het college van B&W nader te worden onderzocht (opgegraven).
4.7
Klimaat en energie
4.7.1
Klimaatadaptatie
Referentiesituatie Als gevolg van klimaatveranderingen komen zachte winters en hete zomers vaker voor. Winters worden over het algemeen natter en in de zomers is er kans op toenemende droogte. Het aantal extreme regenbuien neemt zowel in de zomer als de winter toe. Het agrarische landschap is open en grotendeels onbebouwd. Water kan naar verwachting voldoende worden afgewaterd richting de Groote en Hultensche Leij. Problemen als gevolg van hevige neerslag zijn dan ook niet te verwachten. Wel is verdroging een probleem in en om het plangebied. Dit is onder meer het gevolg van de installatie van beregeningsputten en het uitdiepen en rechttrekken van overgedimensioneerde sloten en waterlopen in het gebied in de jaren zeventig en tachtig. Hierdoor vallen sloten in droge periodes vaker droog en gaan boeren gebruik maken van grondwater voor de beregening van de gewassen. Verdroging is in Wijkevoort ook het gevolg van de drinkwaterwinning. Deze gevolgen zijn
96 (133)
niet zo duidelijk omdat de winning er al heel lang is en gedurende ongeveer 120 jaar steeds meer grondwater is gaan onttrekken. De grondwaterstandsdaling als gevolg van de drinkwaterwinning is daardoor ook langzaam en haast onmerkbaar groter geworden. In buitengebieden zijn de gevolgen van hogere temperaturen in vergelijking met stedelijke gebieden beperkt. Verharde oppervlakten in steden zoals straten, muren en daken van gebouwen slaan een deel van de zonne-energie op en geven de warmte in de avonduren weer af. Doordat gebouwen ook de luchtstromen beperken koelen steden gedurende warme perioden over het algemeen slecht af. In het buitengebied is minder verharding aanwezig waardoor minder warmte wordt opgeslagen. Luchtstromen worden hier ook nauwelijks door gebouwen e.d. gehinderd waardoor buitengebieden ‘s avonds sneller afkoelen. Agrarische gebieden en ook (natte) natuurgebieden zijn over het algemeen wel gevoelig voor droogte. Droogte kan een nadelige invloed hebben op de oogst van gewassen en op de ontwikkeling van bepaalde natuurtypen. Ter voorkoming van verdroging, zijn binnen de waterlopen meerdere conserveringsstuwen aanwezig. Hiermee kan het water langer worden vastgehouden. Effectbeschrijving en -beoordeling In het alternatief ‘Wijkevoort compact’ worden de uitgeefbare gebieden met een hoge dichtheid van gebouwen ontwikkeld.
Hierdoor neemt de verharding sterk toe en is er weinig ruimte om overtollig water in het gebied te bergen en in de bodem te laten infiltreren. Water wordt hierdoor versneld afgevoerd. Dit kan wateroverlast veroorzaken doordat het afwateringssysteem hoge piekbelastingen mogelijk niet kan verwerken. Tevens is in het alternatief ‘Wijkevoort compact’ weinig groen aanwezig. Groenvoorzieningen (zowel in de vorm van groenstroken als dak/ en gevelbekleding) zijn de effectiefste manier om de cumulatie van warmte binnen bebouwde gebieden tegen te gaan. Bomen en planten bieden schaduw en vangen zonnestraling op. Daarnaast verdampen planten en bomen water, een proces waarbij warmte aan de omgeving wordt onttrokken. De mogelijkheden om het plangebied aan te passen aan hevige regenbuien en hitte is voor het alternatief beperkt, maar wel mogelijk. Het alternatief ‘Wijkevoort compact’ is daarom negatief (-) beoordeeld. Het alternatief ‘Wijkevoort verspreid’ is ruimer opgezet. Hierdoor is er binnen de uitgeefbare terreinen veel meer ruimte om groene gebieden te ontwikkelen. Deze gebieden zorgen voor een aangenaam leefklimaat en kunnen het overtollige water tijdens (extreme) regenbuien opvangen en laten infiltreren. Hierdoor zijn klimaatveranderingen in dit alternatief beter op te vangen.
De nadelige effecten van de toegenomen verharding ten opzichte van het open en grotendeels onverharde landelijk gebied in de referentiesituatie zijn echter niet geheel te voorkomen. Het alternatief ‘Wijkevoort verspreid’ is daarom ten opzichte van de referentiesituatie beperkt negatief (0/-) beoordeeld. De ruimtelijke opbouw van de varianten 80L20I, 100L0I, 20L80I en 0L100I is gelijk aan de alternatieven. De effecten van de varianten zijn hierdoor voor dit thema ook gelijk aan de alternatieven. In de varianten van 30 ha is er minder verhard oppervlak ten opzichte van de alternatieven. De nadelige gevolgen van een versnelde waterafvoer en accumulatie van warmte zijn hierdoor beperkt. Deze 30 ha varianten zijn daarom beperkt negatief (0/-) beoordeeld.
97 (133)
Criterium
Varianten
Mogelijkheden voor klimaatadaptatie
Variant 80L20I Variant 100L0I Variant 20L80I Variant 0L100I Variant 30 ha
Wijkevoort compact 0/-
Wijkevoort verspreid 0/0/0/0/0/-
Mitigerende maatregelen Om de versnelde afvoer van water tegen te gaan kunnen maatregelen worden genomen om regenwater langer vast te houden binnen de grenzen van het plangebied. Op daken van gebouwen kunnen bijvoorbeeld groene daken worden toegepast die het water bergen en vertraagd afvoeren. Daarnaast kunnen infiltratiezones worden ingericht waar water vertraagd wordt opgevangen en tijd heeft om in de bodem te infiltreren. Tot slot zijn er mogelijkheden om verharding beter doorlatend te maken waardoor water eenvoudiger kan infiltreren in de ondergrond en de afvoersnelheid wordt beperkt.
Figuur 4.38 – Impressie van maatregelen met het oog op klimaatadaptatie
Om opwarming van het gebied tegen te gaan is het van belang om zo min mogelijk verharding bloot te stellen aan zonlicht. Dit kan door veel bomen en planten in het gebied aan te planten die zorgen voor voldoende beschaduwing. Ook op de gevels en daken van gebouwen is begroeiing mogelijk. 4.7.2 Duurzame energievoorziening Het streven is gericht om van Wijkevoort een energieneutraal bedrijventerrein te maken. Beoordeeld wordt in hoeverre de alternatieven en varianten kunnen voldoen aan deze doelstelling. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de uitkomsten uit de energieverkenning voor Wijkevoort die door Evert Vrins Energieadvies in juli 2017 in opdracht van de gemeente is uitgevoerd. Referentiesituatie In de huidige situatie is geen sprake van een duurzame energievoorziening. Er zijn geen vastgestelde plannen om duurzame energie in het gebied op te wekken. Effectbeschrijving en -beoordeling Uit de energieverkenning blijkt dat er mogelijkheden zijn om een volledig duurzaam en gasloos bedrijventerrein te ontwikkelen. Hiervoor zijn de volgende (combinaties van) maatregelen en initiatieven mogelijk: 1. Voor de productie van warmte en koude kan gebruik worden gemaakt van warmtepompen op een individuele of collectieve bron (WKO), mogelijk gecombineerd
98 (133)
2.
3.
4.
5.
met beperkte inzet van biomassa in houtkachels. De bron voor de warmtepompen kan voor een groot deel worden gevoed vanuit het Wijckermeer. Voor bedrijven die gas nodig hebben voor processen kan lokaal biogas worden opgewekt. Dat is rendabel als ongeveer de helft van de bedrijven daarop is aangesloten. Er is circa 15 ha zonnestroom nodig op de daken van gebouwen om alle energie duurzaam op te wekken. Op de gebouwen kan ongeveer 75% van alle zonnestroom worden opgewekt. Met een slimme opstelling en panelen met hoge opbrengst kan dit oplopen tot 100%. Energie kan ook zelf bedrijfsmatig worden geproduceerd. Collectieve opwekking van duurzame energie door energieleveranciers (warmte- koude en elektriciteit) vergt ruimte op de locatie. Het parkmanagement en lokale energiecoöperaties hebben aanvullende mogelijkheden om duurzame energie te produceren voor bedrijven voor wie dat lastig is.
In alle alternatieven en varianten zijn mogelijkheden om een energieneutraal bedrijventerrein te realiseren. Een deel van het energieverbruik zal duurzaam worden opgewekt. De gemeente zal dit borgen via het uitgifteproces en -protocol. Daarom worden de alternatieven en varianten positief (+) beoordeeld. Het verschil tussen de varianten 80L20I, 100L0I, 20L80I en 0L100I is hierbij niet onderscheidend. Criterium
Varianten
Duurzame energievoorziening
Variant 80L20I Variant 100L0I Variant 20L80I Variant 0L100I Variant 30 ha
Wijkevoort compact + + + + +
Wijkevoort verspreid + + + + +
Mitigerende maatregelen De gemeente kan er voor kiezen om in het uitgiftebeleid criteria op te nemen om klimaatdoelstellingen in relatie tot duurzame energie te borgen, dit kan met behulp van een verankering in het bestemmingsplan. Ook zijn er ideeën om in het uitgifteproces te werken met een zogenaamd uitgifteteam. Dit uitgifteteam bestaat uit vakinhoudelijke medewerkers op het gebied van bijv. stedenbouw, ecologie en duurzame energie en kan bedrijven op deze manier helpen om de gewenste ambities voor het klimaat te realiseren. Voor veel bedrijven is een duurzaam imago van belang bij de verkoop van hun producten of diensten. Stimulering, advisering en facilitering daarvan is goed mogelijk en zal leiden tot bedrijven die investeren in het verduurzamen van hun energieverbruik.
99 (133)
4.8
Water en bodem
4.8.1
Bodem
Referentiesituatie Om een eerste indruk te krijgen van de bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied, is een inventarisatie gedaan van de diverse (historische en verkennende) bodemonderzoeken die in het verleden uitgevoerd, en binnen de gemeentelijke administratie beschikbaar zijn. Uit deze onderzoeken blijkt samenvattend dat [40] : · Voormalige activiteiten in het gebied verontreinigingen kunnen hebben veroorzaakt, maar dat de inschatting is dat er geen grootschalige / ernstige verontreinigingen te verwachten zijn; · In het gebied verschillende gedempte sloten liggen, en dat ter plaatse bodemverontreiniging is aangetoond; · In het grondwater sterk verhoogde gehalten zware metalen, waaronder koper, nikkel en zink zijn aangetroffen. Deze verontreinigingen worden ook op andere plaatsen in WestTilburg aangetroffen, zoals in de Reeshof. Het betreft verhoogde achtergrondwaarden; · Er in het gebied ondergrondse tanks aanwezig zijn (geweest). Effectbeschrijving en -beoordeling Zoals hierboven is aangegeven, zijn in het plangebied op basis van historische informatie enkele gevallen van niet-ernstige bodemverontreiniging aangetroffen. Tijdens de aanleg van Werklandschap Wijkevoort zullen grootschalige vergravingen en grondverzet plaatsvinden. Aanwezige verontreinigingen zullen daarbij worden verwijderd, waardoor de bodemkwaliteit ter plaatse verbetert.
Dit kan als positief effect worden aangemerkt. In het alternatief ‘Wijkevoort verspreid’ is het gebied dat vergraven wordt groter dan in het alternatief ‘Wijkevoort compact’. De varianten industrie en logistiek zijn hierbij niet onderscheidend. In de variant met 30 ha is de omvang van het effect vanzelfsprekend geringer, deze variant wordt daarom beperkt positief (0/+) beoordeeld. Het grondwater is plaatselijk sterk verontreinigd met zware metalen (verhoogde achtergrondwaarden die algemeen voorkomen in de omgeving). Indien grondwater wordt onttrokken voor bijvoorbeeld bronbemaling, zullen eisen voor onttrekking en lozing van dit water gelden. Er is echter geen relevante invloed op de kwaliteit van het aanwezige grondwater te verwachten. Het uitvoeren van aanvullend bodemonderzoek voor het MER wordt niet noodzakelijk geacht want er is geen aanleiding om te veronderstellen dat de bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied niet geschikt is voor de beoogde bestemming als bedrijventerrein. Wel is te zijner tijd actueel bodemonderzoek noodzakelijk voor de verlening van een omgevingsvergunning [40]. Daar waar de bodemkwaliteit niet voldoet, zoals bedoeld in de Wet bodembescherming (Wbb) – er moet sprake zijn van een ernstig geval van bodemverontreiniging – zal de locatie door een vorm van bodemsanering geschikt worden gemaakt voor het beoogde bestemming als bedrijventerrein.
Criterium
Varianten
Beïnvloeding van de bodemkwaliteit
Variant 80L20I Variant 100L0I Variant 20L80I Variant 0L100I Variant 30 ha
Wijkevoort compact + + + + 0/+
Wijkevoort verspreid + + + + 0/+
100 (133)